Verder vindt u hier Beursnieuws (klik
op de tekst)
Buitenlandbijdrage
Zorgverzekeringswet
(aan
onderstaande kunnen geen rechten ontleed worden)
Woont u in het buitenland en ontvangt u een
pensioen of een uitkering uit Nederland? U moet de zogenoemde buitenlandbijdrage
Zvw betalen aan het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) als u voldoet aan alle
volgende voorwaarden:
U woont niet in Nederland.
U hebt geen inkomsten uit arbeid.
U ontvangt een pensioen of uitkering uit
Nederland. Het gaat dan niet om een werkloosheidsuitkering, een
ziektewetuitkering of een uitkering uit een levensloopregeling.
U bent in Nederland niet verplicht verzekerd
voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
U woont in een verdragsland. Dit is een land
waarmee Nederland afspraken heeft gemaakt over de vergoeding van medische
zorg.
Woont u in een
verdragsland? Dan kunt u in uw woonland recht hebben op medische zorg. Dit
geldt ook voor uw gezinsleden die niet verzekerd zijn voor de AWBZ. Uw woonland
mag de kosten voor deze medische zorg op Nederland verhalen. Nederland kan
vervolgens aan u een bijdrage voor die kosten vragen. Dit is de
premievervangende bijdrage Zvw.
Als een dergelijke regeling op u van toepassing
is, dan moet u zich met uw eventuele gezinsleden aanmelden bij het CVZ. Het CVZ
zorgt voor registratie van de verzekerden. Uw uitkeringsinstantie houdt de
buitenlandbijdrage Zvw in opdracht van het CVZ in op uw uitkering en draagt deze
af aan het CVZ. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het
College voor Zorgverzekeringen.
Op het moment dat uw uitkeringsinstantie de
bijdrage Zvw aan het CVZ afdraagt, stopt de afdracht aan de Belastingdienst.
Bent u van mening dat deze overgang niet juist is verlopen, waardoor
bijvoorbeeld in een jaar te veel bijdrage Zvw is betaald? Neem dan contact op
met:
U kunt een teruggaaf aanvragen met het formulier
Verzoek teruggaaf inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet buitenland.
Dit formulier komt binnenkort beschikbaar.
Woont u niet in een verdragsland? Dan is uw Nederlandse zorgverzekering in
dit land niet geldig. U moet dan zelf een zorgverzekering afsluiten in uw nieuwe
woonland.
Henk is gepensioneerd en ontvangt 1050 bruto AOW per maand. De bijdrage Zvw
hierover is 7%. Hij krijgt geen vergoeding van zijn uitkeringsinstantie.
Daarnaast ontvangt hij maandelijks 1.000 bruto pensioen. De bijdrage Zvw
hierover is 5%. Hij krijgt geen vergoeding van zijn pensioenfonds.
Het netto maandloon van Henk wordt als volgt berekend:
(aan
onderstaande kunnen geen rechten ontleed worden)
Ouderen werden met de doorwerkbonus vanaf 2009
gestimuleerd om langer door te werken. Deze bonus is in de vorm van een
heffingskorting die vergelijkbaar is met de bestaande arbeidskorting voor
ouderen. De doorwerkbonus is er voor mensen die ook na
hun 61-ste blijven werken. De bonus bedraagt
een percentage van het inkomen en wordt gegeven in de vorm van een korting op de
te betalen inkomstenbelasting. De hoogte is afhankelijk van de leeftijd.
Daarnaast moet het inkomen uit arbeid meer bedragen dan 9.041 en de maximale
percentage wordt berekend over 55.831.
De bestaande arbeidskorting,
inkomensafhankelijke combinatiekorting voor ouderen blijft hiernaast ook nog
bestaan, deze kortingen komen alle in mindering op de te betalen
inkomstenbelasting. Is er bij de loonadministratie geen rekening mee gehouden
dan zal deze korting via een aangifte inkomstenbelasting teruggevorderd kunnen
worden.
In
onderstaande tabel kunt u zien hoe hoog de bonus is, tussen haakjes ziet u het
percentage uit 2011.
** Wordt u in de loop van 2012 65 jaar? Dan
betaalt u geen AOW-premie meer vanaf de maand waarin u 65 jaar wordt. Tot die
maand gelden de tarieven uit de 1e tabel.
Tarieven box 1 (werk en
woning) 65 jaar of ouder en geboren vσσr 1946
Schijf
Belastbaar inkomen
Heffing over totaal (maximum)
Percentage
1
t/m 18.945
2.879
15,2%
2
Vanaf 18.946 t/m 34.055
6.512
24,05%
3
Vanaf 34.056 t/m 56.491
15.935
42%
4
Vanaf 56.492 en hoger
-
52%
Houdbaarheidsbijdrage (grijstax)
per 1-1-2011
De verhouding tussen
gepensioneerden en werkenden is momenteel nog twee op tien. In 2040 is dit naar
verwachting opgelopen tot bijna vijf op tien in 2040. Om de houdbaarheid
van de overheidsfinanciλn te waarborgen en zo de oudedagsvoorzieningen op het
gewenste niveau te kunnen behouden, moeten ouderen vanaf 2011 een
houdbaarheidsbijdrage naar draagkracht gaan betalen.
De heffing is ingebed in de
schijvenstructuur van de heffing van inkomsten- en loonbelasting en premies
volksverzekeringen: de tweede tariefschijf wordt vanaf 2011 jaarlijks nog maar
voor 75% aan de inflatie aangepast, waardoor de middeninkomens sneller in de
derde tariefschijf zullen gaan vallen. Ouderen met een inkomen boven de tweede
schijf (dat is vanaf 33.486 in 2011) moeten de houdbaarheidsbijdrage gaan
betalen. Door deze grens blijven ouderen met alleen AOW en een klein aanvullend
pensioen buiten de nieuwe heffing.
De maximale bijdragen zijn momenteel als volgt:
2011
2012
9
34
Ouderen die vσσr 1 januari
1946 geboren zijn en die derhalve bij de inwerkingtreding van de
houdbaarheidsbijdrage per 1 januari 2011 ten minste 65 jaar zijn worden
uitgezonderd van de heffing. Het kabinet heeft daarvoor gekozen omdat deze groep
redelijkerwijs niet meer de mogelijkheid heeft om te anticiperen op de invoering
van de houdbaarheidsbijdrage.
Wat
gebeurt er met mijn pensioen als ik werk, naast mijn AOW en pensioen
(aan
onderstaande kunnen geen rechten ontleed worden)
Stel u wordt gepensioneerd,
maar uw werkgever vraagt u om bijvoorbeeld nog een aantal dagen per week te
komen werken. Heeft dat dan gevolgen voor uw pensioen en waar moet u op letten.
De inkomsten die u verwerft
met die paar dagen werken hebben geen invloed op uw AOW of bedrijfspensioen. Ook
uw toeslag-AOW blijft hetzelfde. Let u wel op bij de belasting die u moet gaan
betalen.
Iedere inkomstenbron acht
van zichzelf dat zij het eerste inkomen is en begint dus elk afzonderlijk met
het berekenen van belasting met de eerste belastingschijf. Dus uw AOW wordt
apart belast, evenals uw bedrijfspensioen en de te verwerven inkomsten uit
genoemde arbeid.
Maar let op: aan het eind van het jaar doet u
aangifte voor het totaal en worden de afzonderlijke inkomsten opgeteld. Stel u
heeft per jaar een AOW van ongeveer 17.500, een bedrijfspensioen van 5.000
en u verdient met het aantal dagen werken 8.000. Op ieder van de
inkomstenbronnen wordt 15,1 % ingehouden uit de eerste schijf van de belasting
(eerste schijf loopt tot 18.628). In totaal wordt dus ingehouden (17.500 +
5.000 + 8.000) x 0,151 = 4.605,50.
Alles bij elkaar opgeteld is het inkomen echter
30.500. Over de eerste 18.628 betaalt u 15,1 %, dus 2.812. Over het
restant 30.500 - 18.628 = 11.872 betaalt u 24,05 %, dus 2.855. In totaal
moet u dus 2.812 + 2.855 = 5.667. U moet dus nog 5.667 - 4.605,50 =
1.061,50 bijbetalen.
Houdt u daar rekening mee door per maand een
bedrag opzij te leggen of voorheffing aan te vragen bij de fiscus.
Iedere burger in Nederland krijgt AOW
uitgekeerd als hij of zij 65 wordt. Samenwonend of gehuwd, komt dit neer op 50%
van het nettominimumloon. Zodra de jongste partner ook 65 jaar wordt, ontvangt
hij of zij eveneens 50% van het nettominimumloon als AOW. Samen maakt dit de
AOW uitkering gelijk aan het nettominimumloon.
In de tussenliggende periode, dus als de
jongste partner nog geen 65 jaar is, kan de gepensioneerde recht hebben op een
partnertoeslag AOW. De toeslag wordt alleen uitgekeerd als de jongste partner
geen of weinig eigen inkomen heeft. Er wordt daarbij alleen gekeken naar het
inkomen uit arbeid (een baan) of inkomen in verband met arbeid (bijvoorbeeld een
sociale uitkering of VUT). Met ingang van 1 augustus 2011 is de toeslag met
maximaal 10% verlaagd. Deze verlaging geldt alleen voor huishoudens met een
gezamenlijk inkomen vanaf 2.511,02 per maand.
Wat verandert er in 2015?
Mensen die op of na 1 januari 2015 65 jaar
worden, ontvangen geen partnertoeslag AOW meer. De partner die als eerste 65
wordt, ontvangt alleen zijn of haar deel van de AOW, dus 50% van het
nettominimumloon. Het gezamenlijk inkomen kan hierdoor tijdelijk lager worden
dan verwacht. Deze wetswijziging is al sinds 1 januari 1996 van kracht.
Gepensioneerden die al vσσr 2015 recht hebben
op de partnertoeslag AOW, behouden deze partnertoeslag ook na 1 januari 2015.
Veel mensen niet op de hoogte
van afschaffing
Uit onderzoek onder mensen tussen 40 en 57 jaar
blijkt dat 65% niet op de hoogte is van de afschaffing van de partnertoeslag. Op
de vraag of ze maatregelen hebben getroffen om de afschaffing te compenseren,
antwoordt 80% met nee. De meesten dragen als reden hiervoor aan: ik wist het
niet en ik heb me er niet in verdiept. Degenen die wel al maatregelen hebben
getroffen, hebben dat met name met lijfrentes en beleggingen gedaan of sparen
voor een extra potje.
Treffen van maatregelen
Er zijn verschillende maatregelen die mensen
kunnen treffen om de afschaffing van de partnertoeslag op te vangen. We noemen
hier een aantal:
De jongste partner gaat (meer) werken.
Sparen op een gewone spaarrekening.
Sparen via de jaarlijkse inleg van de
bedrijfsspaarregeling.
Aanschaf van een koopsompolis,
spaarverzekering of andere spaar- en beleggingsproducten.
Het is niet altijd nodig om maatregelen te
treffen. Dat gaat op voor de volgende gevallen:
De jongste partner verwacht tegen die tijd
voldoende eigen inkomen te hebben.
Degene die het eerst recht heeft op AOW,
verwacht vanaf 2015 ook zonder extra voorzieningen te kunnen rondkomen. Dit
kan het geval zijn als het bestedingspatroon tegen die tijd sterk is
veranderd. Bijvoorbeeld omdat de hypotheek bijna is afgelost of omdat de
kinderen zelfstandig wonen
Het leeftijdsverschil tussen beide partners
is heel klein, en dan gaat het dus om een relatief klein bedrag
Ingezonden door Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Ik ben in 1990
gescheiden na 27 jaar huwelijk. Er is niets geregeld over het pensioen. Op 8
april 2008 word ik 65. Heb ik dan recht op pensioen van mijn ex-man?
Uw leeftijd is niet bepalend voor het eventuele recht op een deel van het
pensioen, maar de datum van echtscheiding wel. Bent u tussen 27 november 1981 en
1 mei 1995 gescheiden dan valt u niet onder de regeling van de Wet Verevening
Pensioenrechten bij Scheiding. U heeft dus niet zonder meer recht op de helft
van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen. Volgens een uitspraak van de
Hoge Raad heeft u wel recht op een deel van het pensioen.
Voorwaarde is dan wel dat u in gemeenschap van goederen getrouwd bent geweest.
Een deel van het ouderdomspensioen en het bijzonder nabestaandenpensioen wordt
namelijk gezien als een onderdeel van de gemeenschap. De hoogte van het
deel waar u recht op heeft is lastig te berekenen, maar daar zou u eventueel in
overleg met uw ex en zijn pensioenfonds uit kunnen komen. Zo niet, dan is het
aan te raden hiervoor een gespecialiseerde advocaat in de arm te nemen. De
Vereniging voor Personen- en Familierechtadvocaten kan u hiermee in contact
brengen: Postbus 65707 2506 EA Den Haag, tel. 070-3626215, www.verenigingfas.nl.
Ik ben op 28 mei 1991 gescheiden en heb ook niets geregeld voor de verdeling
van het pensioen. Mijn ex-vrouw is inmiddels hertrouwd, dus ik vraag me af of
het pensioen dan ook nog verdeeld moet worden?
Voor u geldt eigenlijk hetzelfde antwoord als op de vorige vraag. Voor de
verdeling van het pensioen speelt een nieuwe partner namelijk helemaal geen rol.
Dat kan alleen van invloed zijn op de hoogte van de alimentatie en die staat los
van de verdeling van het pensioen.
Na een huwelijk van 25 jaar ben ik in 2005 gescheiden. Ik ontvang nu
alimentatie en mij is verteld dat ik daar 12 jaar recht op heb, maar daarover
staat niets in de echtscheidingspapieren. Mijn ex gaat in 2008 met pensioen en
ik heb dan recht op de helft van het tot 2001 opgebouwde deel. Maar hoe zit het
dan met de alimentatie waar ik tot 2013 recht op heb? Moet hij dat dan ook nog
betalen?
Het klopt inderdaad dat u in principe recht heeft op 12 jaar alimentatie en dat
staat los van de eventuele verdeling van het pensioen. Normaal gesproken krijgt
u in 2008 via de pensioenuitvoerder de helft van het opgebouwde pensioen
uitgekeerd. Voorwaarde is wel dat de pensioenuitvoerder binnen twee jaar na de
echtscheiding op de hoogte is gesteld van de breuk. Maar reken uzelf niet
rijk: de verdeling van het pensioen kan wel gevolgen hebben voor de hoogte van
de alimentatie. Daar kunt u onderling afspraken over maken of de zaak aan de
rechter voorleggen. Die zal dan rekening houden met uw behoeften, maar ook met
de draagkracht van uw ex.
Ik ben sinds 1994 officieel gescheiden van mijn ex-vrouw die zowel de
Nederlandse als een buitenlandse nationaliteit heeft. Ik word geacht 15 jaar
alimentatie te betalen, wat moeilijker wordt sinds mijn pensionering in 2007.
Via mijn advocaat heb ik haar verschillende keren gevraagd opgaaf te doen van
inkomsten of vermogen, maar ik heb nog niets van haar ontvangen. Ik heb reden om
aan te nemen dat ze inmiddels een erfenis heeft ontvangen. Wat kan ik doen om
toch minder alimentatie te betalen?
De hoogte van de alimentatie die u moet betalen hangt in dure woorden af van
de concrete omstandigheden van het afzonderlijke geval. Als uw financiλle
situatie wijzigt kunt u de rechter vragen opnieuw de hoogte van de alimentatie
vast te stellen. De rechter zal daarbij echter ook rekening houden met financiλle
situatie van uw ex. Wellicht dat uw advocaat haar daarom heeft gevraagd meer
inzicht te geven in haar inkomen en vermogen. Nu zij aan dat verzoek geen gehoor
geeft, kunt u de zaak in principe toch aan de rechter voorleggen. Hij kan haar
wellicht via een uitspraak dwingen alsnog meer inzicht te geven of de
alimentatie opnieuw vaststellen.
Ik denk dat ik recht heb op een deel van het pensioen van mijn ex. Maar hij
is vertrokken naar het buitenland en daar kan en wil ik geen contact met hem
opnemen. Hoe achterhaal ik bij welk pensioenfonds ik terecht kan?
Een voor de hand liggende vraag, maar het antwoord is lastig. Wellicht heeft uw
ex meerdere banen gehad en dus ook zijn pensioen op verschillende plaatsen
opgebouwd. Om te beginnen zou u dus contact op kunnen nemen met de voormalige
werkgever(s). Mocht deze zijn verhuisd of een andere naam hebben gekregen dan
kan de Kamer van Koophandel u soms verder helpen.
En sommige vakbonden beschikken ook over nuttige informatie. Tijdens de
speurtocht mag u in elk geval rekenen op de medewerking van de bedrijven en het
pensioenfonds. Zij zijn namelijk verplicht alle gegevens te verstrekken die
nodig zijn om de verdeling van het pensioen mogelijk te maken. Daarnaast kunt u
natuurlijk ook een advocaat inschakelen. Daar hangt een prijskaartje aan, maar
zo hoeft u niet direct contact op te nemen met uw ex.
Bron:
Algemeen Dagblad
Wilt u van alles weten
over Pensioen en Scheiden bezoekt u dan de website
Pensioenscheiden
Als u in Nederland
staat ingeschreven bij de gemeente, krijgt u zes maanden voordat u 65 wordt
een brief thuisgestuurd. In deze brief staat dat u online met uw DigiD een
aanvraag kunt indienen bij de Sociale Verzekeringsbank, SVB. Uw DigiD is een persoonlijke combinatie van
gebruikersnaam en wachtwoord waarmee u terecht kunt bij elektronische diensten
van overheidsinstellingen. Hiervoor moet u uw gebruikersnaam en een wachtwoord
activeren bij DigiD. Als u nog geen DigiD heeft kunt u die hieronder
aanvragen. Daarna kunt u online uw aanvraag indienen.
U kunt kiezen. U kunt de AOW aanvragen bij de pensioeninstantie
in het land waar u woont of in het land waar u het laatst verzekerd
was. Wij adviseren u om aan te vragen in het land waar u woont.
Bent u in dat land verzekerd voor een basispensioen van de
overheid? Neem dan voor uw AOW-aanvraag contact op met
de instantie die dat pensioen regelt.
Bent u in dat land niet verzekerd voor een
basispensioen van de overheid? Neem dan contact op met de
pensioeninstantie van het land waar u het laatst verzekerd was. Is
dat Nederland, dan stuurt de
SVB u het aanvraagformulier toe.
3. U woont in een ander land.
Neem dan contact met de SVB
op, dan sturen zij u een aanvraagformulier.
Bedrijfspensioen
U gaat binnenkort
met pensioen en het aanvraagformulier is de deur uit. Hoe zit het nu met het
aanvullend pensioen dat u bij bedrijven heeft opgebouwd. Krijgt u dat automatisch
of moet u daar achteraan.
Als u geen melding
van het betreffende pensioenfonds heeft ontvangen zult u er achteraan moeten.
Voor een aanvullend pensioen geldt een zogenaamde "haalplicht". Dat
betekent dat u zelf actie moet ondernemen om het uitbetaald te krijgen. Meestal
neemt het pensioenfonds van het bedrijf waar u nu werkt wel contact met u op
voor het toezenden van een aanvraagformulier. Wanneer u evenwel drie maanden
voor aanvang van uw pensionering nog niets ontvangen of gehoord heeft, is het
verstandig om zelf contact op te nemen met het pensioenfonds. Voor
pensioenrechten die u bij ιιn of meer andere werkgevers heeft opgebouwd en
waarvan u ook nog niets heeft gehoord dient u eveneens zelf contact op te nemen
met het betreffende pensioenfonds.
Weet u niet meer
bij wie u moet zijn, bijvoorbeeld door fusies en dergelijke, dan kunt u beginnen
bij de Vereniging
van Bedrijfstakpensioenfondsen (tel. 070-7620220). Let wel, het is
tegenwoordig vrij normaal dat als u van werkegever verandert, en die werkgever
heeft een pensioenfonds, dat het pensioenfonds van de nieuwe werkgever de
opgebouwde rechten in het pensioenfonds van uw oude werkgever overneemt. Dat was
evenwel vroeger niet mogelijk. Dus best kans dat u ergens een pensioen heeft
opgebouwd waarvan u het bestaan nauwelijks nog wist.
(aan
onderstaande kunnen geen rechten ontleed worden)
Bij het schenkingen aan uw kinderen hoeft er niet altijd geld
overgedragen te worden. Men kan een "schenking op papier" doen. Uw
kind hoeft over het op papier ontvangen bedrag geen schenkingsrecht of
inkomstenbelasting te betalen. Op papier schenken kan om een paar redenen handig
zijn. Bijvoorbeeld, u wilt uw vermogen tot het overlijden van uzelf en uw
partner behouden en beheren of uw geld zit in een huis of uw geld ligt vast in
een bedrijf.
De schenking wordt op papier gedaan in de vorm van een
zogenaamde "schulderkenning uit vrijgevigheid". Dat is een akte die
bij de notaris MOET worden vastgelegd anders erkent de fiscus dit niet. Het in
de akte vermelde vermogen dat is overgedragen, is pas door uw kind of kinderen
opeisbaar bij uw overlijden. Uw kinderen krijgen nu wel een niet-opeisbare
vordering op u (en uw partner). Maar let op !, u moet uw kind of kinderen daarvoor jaarlijks
een zogenaamde "zakelijke rente" betalen, want anders moet uw kind
alsnog successierechten betalen bij uw overlijden. De aan uw kind te betalen
rente over het aan het betreffende kind overgedragen vermogen bedraagt
6 procent.
Doet
de schenker dit niet, dan draait de fiscus de schenking later alsnog terug !
Als ιιn van de ouders overlijdt of bij het overlijden van
de laatste ouder, wordt het in de akte genoemde vermogen dat is overgedragen aan
het betreffende kind in mindering gebracht op de erfenis.
Fiscale
gevolgen
We zullen in het volgende voorbeeld aannemen dat de drempel
voor de
vermogensrendementsheffing voor een ongehuwd persoon 20.000
is en voor gehuwden 40.000. Deze bedragen veranderen ieder jaar. In 2012 zijn
deze drempels 21.139 en 42.178.
Het aan het betreffende kind op papier geschonken bedrag
wordt door de fiscus gerekend tot het vermogen dat belast wordt in Box 3, de
zogenaamde vermogensrendementsheffing. Als
het totale vermogen van uw kind (inclusief uw schenking op papier) lager
is dan 20.00 of van een gehuwd kind lager dan 40.000 speelt dat geen
rol. Dat is namelijk het maximaal van vermogensrendementsheffing vrijgestelde bedrag. Dan
hoeft uw kind over het op papier geschonken bedrag dus geen belasting te
betalen.
Daarboven geldt dat het kind geacht wordt 4 % rendement te maken op
zijn of haar vermogen, dat belast wordt tegen een tarief van 30 %. Dat betekent
dat uw kind 1,2 % belasting moet betalen over het bedrag dat de vrijstelling
overschrijdt.
Stel u geeft op papier 10.000 en uw kind heeft geen eigen
vermogen, dan hoeft uw kind over uw schenking geen belasting over te betalen.
Maar als u bijvoorbeeld aan het kind dat geen eigen vermogen heeft 50.000
zou schenken, betaalt uw kind als hij of zij GEHUWD is jaarlijks 1,2 % belasting
over het bedrag van 50.000 - 40.000 = 10.000. Dat is in dit geval
dus 120 dat per jaar naar de fiscus gaat. Let op: heeft uw kind wel een eigen
vermogen van bijvoorbeeld 5.000, dan is er in het geval van de schenking van
10.000 niets aan de hand. Maar in het tweede geval hoefde uw kind eerst geen
belasting te betalen over zijn of haar vermogen, maar nu telt die 5.000 wel
mee voor zijn of haar totale vermogen. Dus in het voorbeeld van een schenking van
50.000 is het totale vermogen 55.000.
Uw kind hoeft over de van u ontvangen rente geen belasting te
betalen. In het geval van het voorbeeld van 50.000 tegen een rente van 6 %
ontvangt uw kind van u 3.000.
U kunt zelf de aan uw kind of kinderen betaalde rente niet
van uw inkomen aftrekken. Door de schuld aan uw kind(eren), als deze schuld
tenminste de in 2012 geldende schulddrempel van 2.900 voor alleenstaanden en
5.800 voor gehuwden overschrijdt, wordt echter uw zogenaamde rendementgrondslag voor Box 3
verlaagd. De rendementsgrondslag is de waarde van uw bezittingen verminderd met
de waarde van uw schulden.
Stel u schenkt op papier 50.000. Over dit vermogen
betaalde u aan de fiscus jaarlijks 1,2 % (30 % van 4 %), oftewel 600. Stel u
bent een echtpaar, dan is de drempel voor aftrek van schulden bij uw
rendementgrondslag 5.800. Dat betekent dat een bedrag van 50.000 -
5.800 = 44.200 niet langer meetelt voor uw rendementgrondslag. Dus u betaalt
over dit bedrag niet meer de 1,2 % aan belasting. U betaalt de fiscus nu dus
maar 530 in plaats van de eerder genoemde 600.
De materie is vrij ingewikkeld. De hier genoemde voorbeelden
zijn om u een idee te geven van hoe een en ander in elkaar zit. Bij het schenken
van een huis of bedrijf op papier gelden nog een aantal specifieke zaken.
Raadpleeg in alle gevallen een notaris. Die kan u de details geven.
(aan het onderstaande kunnen geen
rechten ontleend worden)
De AOW
(Algemene Ouderdomswet) is een basispensioen voor mensen die 65 jaar of ouder
zijn. Daarnaast kent de AOW een toeslag voor partners jonger dan 65 jaar, die
lage eigen inkomsten of helemaal geen inkomsten hebben.
Welk bedrag
u krijgt hangt af van uw woonsituatie en hoeveel jaren u voor de AOW verzekerd
bent geweest.
Verzekerd
zijn voor de AOW
Iedereen
die legaal in Nederland woont, is meestal automatisch verzekerd voor de AOW. Het
maakt niet uit welke nationaliteit u heeft, en ook niet of u wel of niet heeft
gewerkt.
U heeft recht op een volledig AOW-pensioen als u van uw 15e tot uw 65e
verjaardag verzekerd bent geweest. Voor ieder jaar dat u in die periode
verzekerd bent geweest, bouwt u het AOW-pensioen met 2 procent op.
Meestal bent u niet verzekerd in de periodes die u buiten Nederland heeft
gewoond of gewerkt. Vanaf 2011 kunt u zich echter vrijwillig bijverzekeren zodat
u op uw 65e wel een volledig AOW-pensioen heeft. Kijk hiervoor op de site van de SVB.
Woonsituatie
Behalve van
het aantal jaren dat u verzekerd bent geweest, is de hoogte van uw AOW-pensioen
ook afhankelijk van uw woonsituatie. De AOW kent pensioenbedragen voor
alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden.
De AOW maakt geen verschil tussen gehuwden, mensen die een geregistreerd
partnerschap voeren en ongehuwden die een gezamenlijke huishouding met iemand
anders voeren.
U voert een gezamenlijke huishouding als u met ιιn andere meerderjarige
persoon een woning deelt en allebei een bijdrage levert in de kosten van de
gezamenlijke huishouding of op andere wijze voor elkaar zorgt.
Als u uitsluitend met uw eigen kind of met uw vader of moeder een gezamenlijke
huishouding voert wordt u als alleenstaand beschouwd.
AOW-toeslag
Is uw partner nog geen 65 ? Hij
of zij krijgt nog geen AOW. Daarom ontvangt u een extra bedrag boven op uw
AOW-pensioen. Dit extra bedrag heet een toeslag. Het kan zijn dat uw partner
inkomsten heeft. Bijvoorbeeld omdat hij of zij werkt of vervroegd met pensioen
is. Deze inkomsten trekt de SVB van de toeslag af.
Welke inkomsten gaan van uw
toeslag af ?
Loon en andere inkomsten uit
arbeid. Deze inkomsten worden gedeeltelijk van de toeslag afgetrokken. De
eerste 211,14 van het maandsalaris worden er niet vanaf getrokken. Het
salaris daarboven wordt voor tweederde van uw toeslag afgetrokken.
Verdient uw partner meer dan 1.259,01 bruto per maand ? Dan krijgt u geen toeslag
meer.
Inkomsten in verband met
arbeid, zoals een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een vervroegd pensioen.
Deze inkomsten worden volledig van de toeslag afgetrokken. Ontvangt uw partner
bruto meer dan 698,58 per maand ? Dan krijgt u geen toeslag meer.
Inkomsten van je partner uit
vermogen, zoals rente of dividend wordt helemaal niet van de toeslag
afgetrokken.
Welke inkomsten gaan
niet van uw toeslag af ?
Inkomsten uit vermogen, zoals
rente of dividend worden niet van de toeslag afgetrokken.
Buiten Nederland gewoond of
gewerkt ?
Heeft uw partner buiten Nederland
gewoond of gewerkt ? Dan is hij of zij meestal niet verzekerd voor de AOW. Voor
elk jaar dat uw partner niet verzekerd is, gaat er 2% van de toeslag af.
Toeslag vervalt in 2015
Wordt u 65 op of na 1 januari
2015 ? En wordt u eerder 65 dan uw partner ? Dan krijgt u geen toeslag. De
toeslag wordt op 1 januari 2015 afgeschaft. Bent u nu al 65 ? Of wordt u dat
voor 1 januari 2015 ? Dan krijgt u nog gewoon een toeslag. De toeslag loopt door
totdat uw jongere partner zelf 65 wordt, ook al is dat na 2015.
Wat betekent het afschaffen
van de toeslag ?
Als u op of na 1 januari 2015 als
eerste 65 wordt, ontvangt u alleen uw deel van het AOW-pensioen. Uw inkomen kan
hierdoor tijdelijk lager zijn. Dat zal het geval zijn als uw partner geen eigen
inkomsten heeft. Hoe lang u samen minder inkomen heeft, ligt aan het
leeftijdsverschil tussen u en uw partner. Bent u bijvoorbeeld twee jaar ouder,
dan ontvangt u samen twee jaar lang alleen uw AOW-pensioen.
Welke maatregelen kunt u
nemen?
Een tijdelijke teruggang in
inkomen kunt u voorkomen door nu al maatregelen te nemen. Er zijn verschillende
mogelijkheden:
Uw partner gaat werken.
U gaat sparen op een gewone
spaarrekening.
U schaft een spaarverzekering
aan of u gaat beleggen. Laat u hierbij goed adviseren door een financieel
deskundige.
De
zorgverzekering en uw AOW-pensioen
De
invoering van de nieuwe Zorgverzekeringswet (Zvw) heeft voor iedereen financiλle
gevolgen. U merkt het aan de premie die u aan uw zorgverzekeraar betaalt. En u
merkt het aan de verandering van uw netto-inkomen.
Premie
De premie
voor de nieuwe zorgverzekering bestaat uit:
een
nominale (vaste) premie die u rechtstreeks aan uw zorgverzekeraar betaalt,
en uit
een
inkomensafhankelijke bijdrage (bijdrage Zvw) die u op uw inkomen wordt
ingehouden. Dus ook op uw AOW-pensioen.
Bijdrage
Zvw
Sinds
januari 2006 houdt de SVB de bijdrage Zvw in op uw AOW-pensioen. De bijdrage is
7,05%. De SVB vergoedt de bijdrage niet, omdat deze al in het AOW-bedrag is
verwerkt.
Om de
zorgverzekering voor iedereen betaalbaar te maken, heeft het kabinet extra
maatregelen genomen, zoals:
Tegemoetkoming AOW. De tegemoetkoming is een extra bedrag dat u boven op uw AOW-pensioen ontvangt. In 2010 ontvangt u een tegemoetkoming van
34,26
bruto per maand.
Verhoging
heffingskorting. Daardoor betaalt u minder belasting.
Woont u
buiten Nederland?
Dan kunt u
ook met de zorgverzekering te maken krijgen. Dat is in de volgende situaties het
geval:
u woont
in Bosniλ-Herzegovina, Kaapverdiλ, Kroatiλ, Macedoniλ, Marokko, Serviλ-Montenegro,
Tunesiλ of Turkije, en
u bent
in uw woonland niet verzekerd tegen ziektekosten op basis van een pensioen
of uitkering.
Het College
voor zorgverzekeringen (CVZ) stelt vast of u onder de zorgverzekering valt.
Als dat het geval is, houdt de SVB de bijdrage Zvw buitenland in op uw
AOW-pensioen. In uw woonland kunt u gebruikmaken van de lokale medische zorg op
kosten van de Nederlandse zorgverzekering.
Bedragen
en betaaldagen AOW
De AOW kent
verschillende uitkeringsbedragen. De hoogte van uw uitkering hangt af van uw
leefsituatie. Het AOW-pensioen wordt maandelijks uitbetaald.
Hieronder
staan AOW-pensioenbedragen die gelden vanaf 1 januari 2010. Dit zijn
de meest voorkomende AOW-bedragen. Deze gelden met name als u een volledig
AOW-pensioen heeft en in Nederland woont.
Wat
wordt er op het AOW pensioen ingehouden?
Op het
AOW-pensioen houdt de SVB loonheffing in. Loonheffing bestaat uit loonbelasting
en premie voor de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ).
U heeft recht op kortingen op de belasting en premie volksverzekeringen die u
moet betalen over uw AOW-pensioen. Dit zijn de heffingskortingen. De SVB houdt
automatisch rekening met de algemene heffingskorting. Daarnaast houdt de SVB ook
rekening met de ouderenkorting en, als u het AOW-pensioen voor een alleenstaande
ouder ontvangt, de aanvullende ouderenkorting.
Wat
ontvangt een alleenstaande per
maand
Met
heffingskorting
Zonder
heffingskorting
Bruto
*
1.079,93
1.079,93
Loonheffing
0,00
163,41
Bijdrage
Zvw
76,67
76,67
Netto
1.003,26
839,85
*
De
vakantie-uitkering bedraagt bruto 60,87 per maand en wordt in de maand mei
uitbetaald.
Wat
ontvangen gehuwden, geregistreerd partners, ongehuwden die een gezamenlijke
huishouding voeren per maand (beiden 65+)
Met
heffingskorting
Zonder
heffingskorting
Bruto
(per persoon) *
752,12
752,12
Loonheffing
0,00
114,16
Bijdrage
Zvw
53,40
53,40
Netto
698,72
584,56
*
De
vakantie-uitkering bedraagt bruto 43,47
per maand en wordt in de maand mei uitbetaald.
Gehuwden zonder toeslag die een partner onder de 65 jaar
hebben en waarvan de AOW is ingegaan voor 1 februari 1994 ontvangen de hogere
AOW van een alleenstaande. Hun maximale toeslag is evenredig lager. Als ze recht
hebben op de volledige toeslag ontvangen ze hetzelfde als AOW-ers met volledige
toeslag (zie tabel hierna).
Wat ontvangen gehuwden
met een jongste partner die nog geen 65 jaar is, AOW is ingegaan voor 01-02-1994
Met
heffingskorting
Zonder
heffingskorting
Bruto
(per paar) *
1.470,59
1.470,59
Loonheffing
0,00
141,33
Bijdrage
Zvw
185,99
185,99
Netto
1.284,60
1.143,27
*
De
vakantie-uitkering bedraagt bruto 86,94 per maand en wordt in de maand mei
uitbetaald.
Wat
ontvangt een alleenstaande ouder met kind onder 18 jaar
Met
heffingskorting
Zonder
heffingskorting
Bruto
*
1.360,65
1.360,65
Loonheffing
0,00
188,95
Bijdrage
Zvw
126,01
126,01
Netto
1.234,64
1.045,69
*
Het bruto bedrag is inclusief de tegemoetkoming AOW van 33,09. De
vakantie-uitkering bedraagt bruto 73,26 per maand en wordt in de maand mei
uitbetaald.
De toeslag wordt met maximaal 10 %
omlaag gegaan. De verlaging geldt alleen voor huishoudens met een gezamelijk inkomen
vanaf 2.590,80 per maand.
Daarnaast wordt voor iedere euro die de partner meer verdiend dan 216,99 per
maand de toelage met 0,67 verlaagd.
(aan het onderstaande kunnen geen
rechten ontleend worden)
De waardepeildatum voor
de WOZ de waarde van uw woning is die waarde die in 2011 door de gemeente is vastgesteld. De gemeenten
stellen tegenwoordig jaarlijks de WOZ waarde vast.
De forfaitaire
bijtelling voor een eigen huis bij het inkomen is als volgt:
WOZ waarde
Forfait percentage
Van
Tot
Tussen haakjes het
percentage voor 2011
0
12.500
0 (0)
12.500
25.000
0,2 (0,2)
25.000
50.000
0,35 (0,3)
50.000
75.000
0,45 (0,4)
75.000
1.040.000
0,60
(0,55)
(2012) 1.040.000
en hoger
6.240 plus 1,30 van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven
1.040.000
(2011)
1.020.000
en hoger
5.610 plus 1,05% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven
1.020.000
Huiseigenaren die hun
hypotheek geheel of voor een groot deel hebben afgelost krijgen een
lagere of zelfs geen bijtelling van het eigenwoningforfait. Wie zijn hypotheek helemaal heeft afgelost en dus geen
hypotheekrente van de belasting aftrekt hoeft geen eigenwoningforfait bij de
inkomsten op te tellen. Men krijgt dan een belastingaftrek die even groot is als
de bijtelling van het eigenwoningforfait.
Deze regeling is ook
gunstig voor mensen die maar een relatief kleine hypotheek op hun huis hebben.
De forfaitaire bijtelling voor het eigen huis zal namelijk nooit groter zijn dan de
hypotheekrente men van de belasting mag aftrekken.
Stel men heeft een
huis met een WOZ waarde van 275.000. Er moet dan een eigenarenforfait van 0,55/100 x 275.000 =
1.512 bij het inkomen
opgeteld worden. Stel men heeft een resthypotheek van 25.000 tegen 4,5
procent rente. De belastingaftrek is dan 1.125. De bijtelling is nu in deze
berekening 1.512 1.125 = 387.
Sinds 1 januari 2005
(dus ook in 2011) geldt dat het
maximale forfait niet hoger kan zijn dan de afgetrokken hypotheekrente. In dit
geval is het maximale forfait dus 1.125. En de aftrek van de hypotheekrente
is eveneens 1.125. Men heeft dus in dit geval geen bijtelling meer. Dat is
bijvoorbeeld gunstig voor mensen die geen hypotheek meer op hun huis hebben. Die
hoeven sedert 2005 ook de eigenwoningforfait niet meer bij hun inkomen op te
tellen. Voor
mensen die meer hypotheekrente aftrekken dan het eigenwoningforfait verandert er
niets.
Dus stel uw heeft in
dit voorbeeld nog een resthypotheek van 100.000. Dan is uw hypotheekrente
aftrek (tegen 4,5 procent rente) 4.500. Het bedrag van 4.500 - 1.512= 2.988 is nog steeds aftrekbaar van uw inkomen.
(aan het onderstaande kunnen geen
rechten ontleend worden)
Bij ontslag wordt tegenwoordig vaak een
"Gouden" of "Zilveren" handdruk gegeven. Deze kunt u
berekenen aan de hand van de zogenaamde kantonrechtersformule. Dat is een soort
richtlijn waar de kantonrechter zich in het algemeen aan kan houden. De
kantonrechter kan hier echter ook van afwijken. Het eindoordeel is te allen
tijde aan de kantonrechter.
De kantonrechtersformule luidt als volgt:
Het
aantal dienstjaren. De dienstjaren tot 35 jaar tellen voor 0,5, van
35 tot 45 jaar voor ιιn, van 45 tot 55 jaar voor 1,5 en vanaf 55 jaar voor
twee maandsalarissen.
Het
bruto maandsalaris
Een
correctiefactor. Dit is in het algemeen 1. Als door het bedrijf aangetoond
kan worden dat de werknemer (grotendeels) zelf schuldig is aan zijn ontslag
is de factor kleiner dan 1 en kan zelfs nul worden. Als door de werknemer
aangetoond kan worden dat de werkgever veel te verwijten is kan de factor
hoger dan 1 zijn met een maximum van 2.
Volgens de kantonrechtersformule
krijgt u een bedrag ineens van a x b x c uitgekeerd.
Voorbeeld: Iemand begint te werken bijeen
bedrijf op als hij of zij 35 jaar oud is en wordt ontslagen op het moment dat
hij of zij 55 jaar oud is. Volgens de kantonrechtersformule ontvangt deze
persoon: (10 x 1) + (10 x 1,5) = 25 maanden bruto salaris.
Let op: Deze uitkering is belast. Als u
deze uitkering ineens laat plaatsvinden wordt dat bij uw inkomen van het
betreffende jaar opgeteld. Het kan soms beter zijn om die onder te brengen bij
een verzekeringsmaatschappij en uitkeringen te laten doen in de vorm van een
lijfrente. Dan wordt de uitkering niet bij uw inkomen van het betreffende jaar
opgeteld. Vaak moet u dan echter als premie, 10 procent van het bedrag betalen
aan de verzekeringsmaatschappij, plus 1 procent per jaar over het dan resterende
bedrag. Bij een erg hoge premie kunt u overwegen om een zogenaamde Stamrecht b.v.
op te richten die dan uw uitkering beheert. U moet hiervoor een gewone b.v.
oprichten die ingeschreven wordt bij de Kamer van Koophandel. Vedrer moeten alle handelingen verricht worden die gelden voor het oprichten van een gewone b.v.,
zoals aanmelding bij de belastingdienst, er moeten statuten gemaakt worden, een
aandeelhoudersregister, enz. Een vrij ingewikkelde zaak voor iemand die daar
niet in thuis is.
Duur en hoogte werkloosheidsuitkering
(vanaf 2009)
(aan het onderstaande kunnen geen
rechten ontleend worden)
Hoogte WW De Werkloosheidswetuitkering (WW) bedraagt de eerste twee maanden 75% van uw
loon. Daarna wordt dat 70%.
De uitkering (per dag) is nooit hoger dan het maximumdagloon waarmee het UWV
rkent.
De hoogte van de uitkering
Alle hieronder genoemde bedragen zijn
bruto. Er gaat dus nog belasting vanaf.
Bereken uw loon als volgt. Neem 12 maal het
maandloon en tel daar het vakantiegeld bij op. Stel u verdient 2.000 per
maand en u krijgt 8 procent vakantiegeld. Uw totale inkomen bedraagt dan 12 x
2.000 = 24.000 plus 8 % van 24.000 = 1.920. Uw totale
jaarinkomen bedraagt dan 25.920. Het UWV rekent met een daggeld,
gebaseerd op 5 werkdagen per week. Een jaar heeft dan 52 x 5 = 260 werkdagen. In
het geval van het voorbeeld is uw daggeld dus 25.920/260 = 99,69 per
dag. Hiervan wordt dan 70 % uitgekeerd. Dat is dus 0,7 x 99,69 = 69,78.
De uitkering vindt iedere 4 weken (dus niet per kalendermaand) plaats. Van het
bedrag wordt echter 8 procent vakantiegeld ingehouden, dus in ons voorbeeld
5,58. Er resteert dan een bedrag per dag van 69,78 - 5,58 = 64,20.
De uitkering per 4 weken is dus 20 x 64,20 = 1.284. Of op jaarbasis 260
x 64,20 = 16.692. Het vakantiegeld wordt eenmaal per jaar in de maand
mei uitgekeerd en bedraagt in ons voorbeeld 260 x 5,58 = 1.450,80. Dan
moet u wel een heel jaar daarvoor werkloos geweest zijn want anders wordt er
slechts naar rato van het aantal maanden dat u daarvoor werkloos was uitgekeerd.
Stel u was in mei nog maar drie maande werkloos dan krijgt u slechts Ό van het
vakantiegeld uitgekeerd in mei van het betreffende jaar. Uw totale jaarinkomen,
inclusief vakantiegeld,
is dus in dit voorbeeld. 18.142,80.
Velen van boven de 50 jaar zullen meer dan
het bedrag van 2.000 per maand verdienen. Dan moet u wel rekening houden met
het feit dat er een maximum zit aan het daggeld, namelijk 188,88 (in
2011),
inclusief vakantiegeld. Dat is een bedrag, inclusief vakantiegeld van 49. 108,80
op jaarbasis. Over alles wat u meer verdient wordt geen uitkering gedaan.
Van het maximale bedrag van 188,88 krijgt u weer slechts 70 % uitgekeerd.
Het maximum bedrag aan uitkering per dag is dus 0,7 x 188,88 = 132,21.
Hier gaat eerst weer 8 % vakantiegeld vanaf, zijnde 10,58. Er resteert dus
een dagbedrag van 121,63. Uw vierwekelijkse uitkering is dan 20 x 121,63 =
2.434,60. Op jaarbasis is dat 31.623,80. U krijgt dan maximaal nog eens 2.750,80
aan vakantiegeld. Uw totale jaarinkomen bedraagt dan 34.374,60.
Voorwaarden voor een WW uitkering
Om voor een WW uitkering in aanmerking te komen, gelden
momenteel (januari 2011) de volgende voorwaarden:
U moet uiteraard werkloos zijn. Dat betekent voor de WW:
u moet minimaal 5 arbeidsuren per week verliezen (werkt
u minder dan 5 uur per week, dan moet u minimaal de helft van de arbeidsuren
verliezen);
U mag geen recht meer hebben op loon over de verloren
arbeidsuren;
U kunt direct aan de slag als u een baan vindt of krijgt
aangeboden;
U bent verzekerd voor de Werkloosheids Wet;
U hebt zich tijdig geregistreerd als werkzoekende bij het
Centrum voor Werk en Inkomen (CWI);
U heeft niet zelf ontslag genomen of verwijtbaar
werkloos;
U mag niet onder een van de uitsluitingsgronden vallen.
Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer u een Ziektewet- of WAO-uitkering bij
volledige arbeidsongeschiktheid ontvangt;
U moet voldoet aan de '26 uit 36
weken'-eis. Dit houdt in: u moet in de 36 weken voorafgaand aan de
werkloosheid tenminste 26 weken hebben gewerkt. Dit hoeven geen full-time
weken te zijn: 1 dag per week werken geldt als een volledige werkweek.
Vakantieweken waarin het loon werd doorbetaald tellen ook mee. De volgende
weken tellen niet mee voor het vaststellen van de weken-eis:
de weken waarin u ziek was;
de weken waarin u als
zelfstandige heeft gewerkt;
de weken die al zijn meegeteld
voor een eerder recht op uitkering.
Voor sommige beroepsgroepen geldt een lagere weken-eis. Dit is onder ander het
geval voor seizoenarbeiders, musici, artiesten en filmmedewerkers. Voor hen
gelden aparte en van elkaar verschillende weken-eisen.
Duur van de loongerelateerde uitkering
De loongerelateerde WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden en maximaal 38
maanden. De duur is afhankelijk van uw arbeidsverleden. U berekent uw
arbeidsverleden als volgt:
neem het aantal kalenderjaren
waarin u in de 5 jaar voorafgaand aan het jaar van werkloosheid 52 dagen heeft
gewerkt: dit is minimaal 4 en maximaal 5 jaar (de '4-uit-5-jaren'-eis);
tel daar bij op het aantal
kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin u 18 jaar bent
geworden, tot aan het begin van de periode van 5 jaar.
De duur van de WW-uitkering is dan bijvoorbeeld:
Arbeidsverleden 4 jaar dan 4 maanden, 5 jaar dan 5 maanden enz. Voor 38 jaar
en meer geldt dus het maximum van 38 maanden
Bron: Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(aan het onderstaande kunnen geen
rechten ontleend worden)
Om giften van de belasting aftrekbaar te maken heeft u te maken met een
zogenaamd drempelbedrag. Alleen bedragen boven deze drempel leveren fiscaal
voordeel op bij aftrek daarvan in Box 1. Het drempelbedrag is 1% van uw
"drempelinkomen" (minimaal 60). Het drempelinkomen is het totaal aan inkomsten van
Box 1, 2 en 3 zonder dat u rekening houdt met uw persoonsgebonden aftrekposten.
Als u ieder jaar wat aan goede doelen geeft kan het zijn dat u ieder jaar weer
onder deze drempel blijft en er dus niets aftrekbaar is. U kunt de giften wel
bijvoorbeeld eenmaal in de drie jaar geven. U geeft dan de eerste twee jaar
helemaal niets en het derde jaar het drievoudige. Stel dat uw drempelinkomen
25.000 bedraagt. Dan zijn de giften die minder dan 250 (1% van 25.000)
per jaar bedragen niet aftrekbaar. Stel u geeft 200 per jaar aan goede
doelen. U geeft nu de eerste twee jaar niets en in het derde jaar schenkt u
600. Dan is in het derde jaar een bedrag van 600 - 250 = 350
aftrekbaar. U kunt het natuurlijk ook op een andere manier doen. Past u wel op
want het maximale bedrag dat aftrekbaar is bedraagt 10 % van uw drempelinkomen.
In het geval van ons voorbeeld is dat dus 2.500.
Het is ook mogelijk om te schenken bij notariele akte. Daarbij gaat u normaal
gesproken voor langere tijd een contract aan met een goed doel. Het voordeel zit
er voor u in dat uw jaarlijkse bijdrage veel lager kan zijn. Omdat u voor
langere tijd een contract aangaat, neemt het goede doel over het algemeen de
kosten voor zijn rekening. In het laatste geval is er normaal gesproken wel een
minimum bedrag dat u per jaar moet schenken. U kunt dit bijvoorbeeld regelen via
schenken.nl
En dan word je 65 jaar oud. Dat zou betekenen dat u dan 70 procent van uw
laatstverdiende loon zou moeten ontvangen. Is dat wel zo? Heeft u geen
pensioengat? Komt u wel toe met 70 procent van uw laatstverdiende inkomen? Als u
een hypotheek had en die loopt op of rond uw 65-ste verjaardag af, dan scheelt
dat een hoop aan kosten. Heeft u echter een huurhuis dan worden de kosten niet
minder. Als u dan denkt dat u dan te tijd heeft om eens lekker te gaan reizen,
maar u heef daar onvoldoende geld voor, dan kan het allemaal wel eens
tegenvallen. Misschien had u dan wel eerder voorzieningen moeten treffen. De
Stichting Pensioenkijker wil het pensioenbewustzijn van de Nederlander
vergroten. Wie er meer over wil weten kan terecht op de website van Pensioenkijker
(druk op de tekst) voor objectieve en niet-commerciλle informatie.
Schenkrecht. Wat mag ik aan mijn kinderen,
kleinkinderen enz. belastingvrij schenken ?
(aan het onderstaande kunnen geen
rechten ontleend worden)
De bedragen zijn in 2012 niet
gewijzigd. Alleen de drempel waarna u het hoge tarief gaat betalen is verlaagd
van 118.708 naar 115.708.
Kind
(pleegkind)
Een ouder mag in 2012 aan een kind (of pleegkind) 5.030 per
kalenderjaar
belastingvrij schenken
Als een kind (of pleegkind) tussen de 18 en 35 jaar oud is mag een ouder
in plaats van deze 5.030 eenmalig in 2012 24.144 belastingvrij
schenken (let op: het betreffende kind dient in de belastingaangifte te
vermelden dat het een beroep doet op de eenmalige vrijstelling). Voor de
vrijstelling voor een kind tussen de 18 en 35 jaar geldt in 2012 dat de
vrijstelling gelijk is aan 50.300 als het gaat om een schenking die
gebruikt wordt voor een buitengewoon dure studie of de aankoop van een huis of
voor kosten voor de eigen woning die uw kind daarna heeft gemaakt.
Let op!
De eenmalige schenking van 50.300 mag u ook splitsen in
24.144 (als schenking zonder specifieke voorwaarden) en de rest,
26.156, als schenking onder voorwaarde van besteding aan studie of huis.
De belastingvrije schenking geld per kind. Als u meerdere kinderen
heeft mag u dus aan ieder afzonderlijk kind belastingvrij het hiervoor
genoemde belastingvrije bedrag schenken.
De vrijstellingen voor schenkingen van ouders aan
kinderen en pleegkinderen gelden voor u en uw partner samen. Als u
gescheiden bent, worden schenkingen die u als ouder afzonderlijk doet,
bij elkaar opgeteld.
Bij het eenmalig schenken van het verhoogde bedrag dat u tussen 18 en
35 jaar mag schenken geldt dat u in de jaren daarna (en ook daarvoor
natuurlijk) gewoon weer het maximale bedrag dat geldt in het betreffende
jaar aan uw kind mag schenken.
Als u een schenking doet waarbij u
gebruikmaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling, dan moet u toch
aangifte doen. In de aangifte geeft u aan welke vrijstelling volgens
u van toepassing is.
Bij schenkingen die de hiervoor genoemde belastingvrije drempel
overschrijden gelden voor het meerdere de tarieven van de tabel
hieronder.
Kleinkind of achterkleinkind
Per kleinkind mag in 2012 2.012 per kalenderjaar belastingvrij geschonken worden.
Let op: deze belastingvrije
"drempel" verviel in het verleden in zijn geheel als het bedrag dat u schonk hoger
was dan het hiervoor
genoemde bedrag. Vanaf 2010 geldt dit niet
meer. Voor een
geschonken bedrag dat in 2012 hoger is dan dan 2.012 gelden de tarieven van
de tabel hierna.
Anderen,
zoals neefjes, nichtjes, broers zusters, enz.
Voor ieder andere persoon (neefje, nichtje, broer, zuster, maakt niet
uit) mag in 2012 2.012 per kalenderjaar belastingvrij geschonken worden.
Voor een geschonken bedrag dat in 2012 hoger is dan dan 2.012 gelden de
tarieven van de tabel hierna.
De belastingtarieven voor schenkingen over het meerdere van bedragen die vrijgesteld zijn van
belasting, zijn als volgt in 2012:
2011
Kind
Kleinkind / achterkleinkind
Anderen
Deel tot en met 115.708
10 %
18 %
30
%
Deel boven 115.708
20 %
36 %
40
%
Voor een schenking is geen notariλle acte nodig bij schenkingen van roerende
zaken, geld of aandelen in beursgenoteerde bedrijven. Een notariλle acte is
wel nodig als u bijvoorbeeld een huis schenkt , andere onroerende zaken of
aandelen in uw eigen b.v. Raadpleeg bij twijfel een fiscalist of notaris.
Voorbeelden:
U schenkt uw kind 30.000. De eerste 5.030 (2012) is belastingvrij. Over het
bedrag van 30.000 - 5.030 = 24.970 moet uw kind 10 % belasting betalen.
Dat is dus een bedrag van 2.497.
U schenkt uw kleinkind 30.000. De eerste 2.012 (2012) is belastingvrij. Over het
bedrag van 30.000 - 2.012 = 27.988 moet uw kleinkind 18 % belasting betalen.
Dat is dus een bedrag van 5.037.
Erfbelasting 2012 (heette tot 1 januari 2010
successierechten)
(aan het onderstaande kunnen geen
rechten ontleend worden)
Vrijstelling erfenis in 2012
Deze bedragen zijn ongewijzigd ten
opzichte van 2011. Net als bij het schenkrecht is de drempel waarboven u het
hoge tarief gaat betalen verlaagde van 118.708 naar 115.708.
Partners
603.600
Kinderen en
kleinkinderen
19.114
Zieke en
gehandicapte kinderen
57.342
Ouders
45.270
Alle anderen
2.012
Partners voor de erfbelasting worden gezien als 1 persoon (of als 1
belastingplichtige). Als beide partners een erfenis krijgen, worden zij voor
de berekening van de erfbelasting beschouwd als 1 persoon.
Het begrip partners is voor de erfbelasting anders dan in het Burgerlijk
Wetboek. Is er geen testament, dan erven alleen de echtgenoot of
geregistreerd partner. Samenwonende partners erven in dat geval niets.
De Belastingdienst ziet de volgende mensen als partners voor de
erfbelasting:
mensen die getrouwd zijn of een
geregistreerd partnerschap hebben en niet duurzaam gescheiden leven
stellen die samenwonen
familieleden waarvan de een
mantelzorg verleent voor de ander
Voor de erfbelasting is een gehandicapt kind een kind dat:
voor het grootste deel door de overledene werd onderhouden
door lichamelijke of geestelijke ziekte vermoedelijk niet in staat is
om met werk de helft te verdienen van wat gezonde personen van dezelfde
leeftijd kunnen verdienen. Het gaat hierbij om werk dat het gehandicapte
kind kan doen ondanks zijn ziekte.
De belastingtarieven voor erfenissen over het meerdere van bedragen die vrijgesteld zijn van
belasting, zijn als volgt in 2012:
2012
Partner / (Pleeg)Kind
Kleinkind / verdere afstammelingen
Anderen
Deel tot en met 115.708
10 %
18 %
30 %
Deel boven 115.708
20 %
36 %
40 %
Het voert te ver om hier alle mogelijkheden te behandelen. Raadpleeg in dat
geval uw belastingconsulent of de belastingdienst.
Schenking om de erfbelasting (heette tot 1 januari
2010 successierechten) te verkleinen
(2010)
(aan het onderstaande kunnen geen
rechten ontleend worden)
Let op dit is vanaf 2011 een stuk minder aantrekkelijk dan vroeger. Of het moet
om hele hoge bedragen gaan.
Stel u heeft een hoog bedrag als erfenis voor uw kind. Het kan dan de moeite
lonen om per jaar meer uit te keren dan de belastingvrije voet (zie tabellen
hiervoor).
Als rekenvoorbeeld gaan we uit van een periode van 5 jaar.
Stel u heeft
100.000.
(zie tabel hierboven bij "Schenkrecht. Wat mag ik aan mijn kinderen en kleinkinderen,
enz.
belastingvrij schenken". Let wel de bedragen in de tabel veranderen jaarlijks).
1. U doet verder geen schenking aan uw kind. Bij uw overlijden betaalt uw kind belasting over deze 100.000 minus
de belastingvrije uitkering van 5.030 (2011) (mits u dat in het jaar van overlijden
nog niet geschonken heeft natuurlijk) en de vrijstelling van erfenis voor een
kind van 19.114. Het bedrag waarover vervolgens belasting
geheven wordt is dan 100.000 - 5030 - 19.114 = 75.856. Dit is voor een kind belast met 10 %, dus is een bedrag van
7.585 verschuldigd.
2. Stel u doet een jaarlijkse uitkering van 20.000 gedurende 5 jaar.
Daarvan is 5.030 belastingvrij. Uw kind
betaalt dan 10 % belasting over het bedrag van 20.000 minus de jaarlijkse belastingvrije
voet van 5.030. Dat is per jaar een bedrag van 10 % over 14.970, te weten
1.497 per jaar. In 5 jaar is dat dus een totaalbedrag van 7.485. Na 5 jaar
is de 100.000 weggeschonken en hoeft uw kind dus verder geen belasting meer te
betalen over dit bedrag. Het verschil met het voorgaande is maar 100. Dat is
niet de moeite dus om zo ingewikkeld te doen.
3. Stel u schenkt uw kind 5.030 belastingvrij per jaar. Na 5 jaar is het
bedrag van 100.000 verminderd tot 100.000 - 25.150 = 74.850. De belasting daarover is voor uw
kind voor een bedrag van 19.114 belastingvrij. Uw kind betaald over het
resterende bedrag, 55.736, 10 %. Dat is dan 5.573. Voordeel is 2.012.
Het wordt pas aantrekkelijk als het gaat om erfenissen die de 118.708 flink
overschrijden.
Stel u heeft 600.000.
1. U doet verder geen schenking aan uw kind. Bij uw overlijden betaalt uw kind belasting over deze
600.000 minus
de belastingvrije uitkering van 5.030 (2011) (mits u dat in het jaar van overlijden
nog niet geschonken heeft natuurlijk) en de vrijstelling van erfenis voor een
kind van 19.114. Het bedrag waarover vervolgens belasting
geheven wordt is dan 575.856. Dit is voor een kind voor de eerste 118.708 belast met 10 %, dus is een bedrag van
11.870 verschuldigd. Over het meerdere 457.148 wordt 20 % geheven, dus
91.429. Het totaal aan betaalde belasting is dus 103.299.
2.De tweede optie is dat u uw kind ieder jaar 118.708 schenkt. Uw kind
betaalt jaarlijks 10 % over 118.708 - 5.030, oftewel 10 % over 113.678 =
11.367. In 5 jaar is dat dus een totaal van 56.835. Van het bedrag resteert
na 5 jaar nog 600.000 minus 5 x 118.708. En dat is 6460. Dit valt
ruim onder de vrijstelling van 19.114, dus hoeft er voor dit restant geen
belasting betaald te worden. In totaal betaalt uw kind nu 56.835. Dat is een
verschil van maar liefst 46.464.
3. Stel u schenkt uw kind 5.030 belastingvrij per jaar. Na 5 jaar is het
bedrag van 600.000 verminderd tot 574.850. De belasting daarover is voor uw
kind voor een bedrag van 19.114 belastingvrij. Uw kind betaalt over het
resterende bedrag, 555.736. Dit is voor een kind voor de eerste 118.708 belast met 10 %, dus is een bedrag van
11.870 verschuldigd. Over het meerdere 437.028 wordt 20 % geheven, dus
87.405. Het totaal aan betaalde belasting is dus 11.870 + 87.405 = 89.275. Nog
een verschil van 14.024
Vormen van schenken
U kunt op allerlei manieren schenken. Dat kan in de vorm van
geld, aandelen, obligaties, enz. Een ondernemer kan ook aanmerkelijk belang
aandelen van zijn eigen b.v. schenken. Maar het kan ook in de vorm van
bijvoorbeeld kunst en
antiek.
U kunt uw kind ook geld lenen (bijvoorbeeld voor het kopen
van een huis) en de aflossing/rente ieder jaar kwijtschelden. Het kind moet wel een
redelijke rente aan u betalen, maar die is als hypotheekrente weer aftrekbaar van
de belastingen. Het is verstandig om de lening vast te leggen bij een notaris.
Een schuldbekentenis mag ook, maar die moet u dan wel laten vastleggen bij de
belastingdienst.
Let op! De schenking van een huis aan kinderen om daarmee de
waardevermeerdering van het huis in de loop der jaren te kunnen ontlopen (zoals
dat vroeger wel gedaan werd) gaat
niet meer op. Over de waardevermeerdering wordt nu bij een erfenis gewoon
belasting geheven.
Moet u aangifte doen van schenkingen?
Voor bedragen die kleiner of gelijk zijn aan de schenkingsvrijstelling hoeft
geen aangifte te worden gedaan.
Bij schenkingen die hoger zijn moet wel aangifte worden
gedaan.
Hoe doet u aangifte?
U doet aangifte met het formulier Aangifte schenkbelasting.
Dit aangifteformulier kunt u
downloaden of aanvragen bij de
BelastingTelefoon. Stuur uw aangifte naar het belastingkantoor waar de
schenker onder valt. Met het hulpmiddel
Adressen schenkingskantoren kunt u opzoeken welk belastingkantoor dit is.
Let op! Als blijkt dat een schenking meer waard
is dan u opgeeft, dan kan de belastingdienst u een hogere aanslag opleggen.
Als de schenking belast is moet bij een schenking van ouders
aan kinderen de aangifte plaatsvinden voor 1 maart van het jaar volgend op het
jaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden.
Als u geen aangifte hoeft te doen, is het vaak aan te raden de
schenking vast te leggen. U legt alle afspraken vast in een "akte",
dat wil zeggen dat u alles op papier zet. Dit papier wordt vervolgens zowel door
de schenker als de ontvanger van de schenking ondertekend. Beide partijen dienen
een origineel ondertekende kopie te hebben.
Het voert te ver om hier alle mogelijkheden op te noemen.
Raadpleeg een notaris of fiscalist om meer mogelijkheden te leren
kennen.