SeniorPlaza

 

Het Gedicht

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst)

 

Er is niets aan de hand en ik voel me nog fris,

Want ik ben zo gezond als maar mogelijk is.

’t Is alleen dat ’k wat jicht in mijn knieën krijg,

En het praten gaat soms met een piepend gehijg.

Mijn pols is wat zwak, en wat dun wordt mijn bloed,

Maar ik ben voor mijn leeftijd nog vreselijk goed.

 

Die steunzolen onder mijn voeten, dat gaat,

Anders zou ik niet best kunnen lopen op straat.

Soms wordt me de slaap nachten lang niet gegund,

Maar ik merk dat je ook wel eens zonder kunt.

Mijn geheugen wordt minder, soms duizelt mijn hoofd,

Maar dat valt niet zo op, geen mens die ’t gelooft.

Denk niet dat ik vaak daar in zorg over zit,

Want ik ben voor mijn leeftijd nog werkelijk fit.

 

Ze zeggen dat je oude dag

Als de “gouden leeftijd” beschouwen mag.

Maar af en toe twijfel ik daar toch wel aan

Als ik ’s avonds weer moe naar bed ben gegaan.

Met mijn oren in de la en mijn tanden in een glas

En mijn ogen op de tafel, als ik uitgelezen was.

En voordat ik inslaap bedenk ik me dan,

Zit er nog iets los wat ik wegleggen kan?

Terwijl het met mij zo slecht nog niet zit,

Want ik ben voor mijn leeftijd nog tamelijk fit.

 

Elke morgen stof ik mij hersens wat af,

En ben blij met de dag, die God mij weer gaf.

Dan haal ik de krant en lees na mijn bad,

De overlijdensberichten in het ochtendblad.

Als mijn naam er niet bij staat weet ik dat ik nog leef

Het was dus de bedoeling dat ik nog wat bleef.

Ik geloof dat er toch wel iets heilzaams in zit

Want ik ben voor mijn leeftijd nog redelijk fit.

 

Wat is van dit alles tot slot de moraal

Die te leren valt uit dit goedmoedig verhaal ?

Voor elk die het ouder zijn glimlachend draagt

Als een ander je weer eens "hoe maak je het" vraagt.

Is het beter te zeggen, dat het best met je gaat

Dan die lui te vertellen hoe het echt met je staat !

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Tante Tru met de paraplu

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

 

 

Is dat niet een ding heel warm, ja dat is een ding heel warm.

En dat nie een varkensdarm, ja dat is een varkensdarm.

Is dat niet een sjarretel,  ja dat is een sjarretel.

Is dat geen konijnenvel, ja dat is een konijnenvel.

 

Dan weer terug herhalen: konijnenvel, sjarretel, varkensdarm, ding heel warm,

Tante Tru haar paraplu.

 

Is dat niet een heel groot pak, ,ja dat is een heel groot pak.

Is dat niet een lege zak, ,ja dat is een lege zak.

Is dat niet een fles cognac, ,ja dat is een fles cognac.

Is dat ginne pijptabak, ,ja dat is toch pijptabak.

 

Dan weer terug herhalen: pijptabak, fles cognac …..

Tante Tru haar paraplu.

 

Is dat gene lange worst, ,ja dat is een lange worst.

Is dat gene oude kost, ,ja dat is een oude kost.

Is dat niet wat flitterdun, ,ja dat is wat flitterdun.

Is dat gene grote gum, ,ja dat is een grote gum.

 

Dan weer terug herhalen: grote gum, flitterdun …..

Tante Tru haar paraplu.

 

Is dat gene rooie doek, ,ja dat is een rooie doek.

Is dat niet een heel oud boek,,ja dat is een heel oud boek.

Is dat niet een grote spons, ,ja dat is een grote spons.

Is dit niet zo zacht als dons, ja dat is zo zacht als dons.

 

Dan weer terugherhalen: zacht als dons, grote spons …..

Tante Tru haar paraplu.

 

Is dit nie een oude sok, ,ja dat is een oude sok.

Is hij niet maar veel kapot, ,ja hij is maar veel kapot.

Is dit niet een mooie BH, ,ja dat is een mooie BH.

Is dit niet van chocola, ,ja dat is van chocola.

 

Dan weer terug herhalen: zacht als dons, grote spons …..

Tante Tru haar paraplu.

 

Men kan zoveel dingen opnoemen als men wil, als het maar rijmt en het moet aan de paraplu kunnen hangen. Als je alles gehad hebt is er wel een half uur verstreken.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Hier zijn we

(met dank aan Marian Heeringa voor het sturen van de tekst)

 

 

Hier zijn we, hier zijn we,

Zie toch ons viertal aan.

Een dikke en een magere,

Een lange en een harige,

Die zullen nu proberen

Om u te amuseren.

En al zijn we braaf en net,

Toch hebben wij veel pret.

 

Refrein:

En al zijn we nu mager,

Langharig en dik.

En toch hebben wij in ons leven heel veel schik.

Troelala, troelala, troelala, troelala,

We zijn er met ons vier

En hebben veel plezier.

 

Het reizen, het reizen,

Dat heeft mij zo behaagd,

Was ik in Constantinopel,

Of wel in Filanpopel,

In Rusland of Turkije,

Of Duitsland, Hongarije,

Maar overal waar ik kwam,

't Was nergens Amsterdam.

 

Refrein als boven

 

Ik ging laatst wandelen

Langs het strand,

Daar kreeg ik een meisje

Aan de hand;

Ik meende het te wagen,

Om haar de hand te vragen,

Maar tot mijn grootste schrik

Vond zij mij veel te dik.

Refrein als boven

Het eten, het eten,

Dat heeft mij zo behaagd,

Ik at lekkere karbonade,

Een biefstuk of rollade,

Een paar gesapte druiven,

Een paar gebraden duiven,

En een Schiedammer prop,

En een vette varkenskop.

 

Refrein als boven

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Na veertig jaar

(met dank aan Marian Heeringa voor het sturen van de tekst)

 

 

Nelia:

Pardon met wie heb ik het genoegen ?

Nelis:

Nelia herken je me niet meer? Ik ben Nelis !

Nelia:

Och Nelis ? ........ na al die jaren.

Nelis:

Ja veertig jaar, na veertig jaar kom ik weer voor het eerst over je drempel.

Nelia:

Veertig jaar! (mijmerend) herinner je je nog onze laatste avond ?

We zaten onder de jasmijn.

Mijn jas hing aan de jasmijn.

Jij zweeg ..... ik zweeg.....

En de jasmijn zei ook niets.

Nelis:

Wij spraken over saam door het leven gaan

Wat was ik gelukkig.

Toen kwam hij.......... je vader.. hij greep me vast.

En ik rukte me weer los.

Hij pakte mijn paraplu en sloeg me het erf af.

Nelia:

Het was ontzettend !.......... met je eigen paraplu.

Nelis:

Ja Nelia en nu na al die jaren...

Nelia:

Veertig jaren !

Nelis:

Na al die jaren ben ik nu teruggekomen om je die ene vraag te stellen,

Die me al die jaren op de lippen brandt.

Nelia:

Nelis wat maak je me gelukkig.

Nelis:

Al die jaren heb ik gewacht, maar nu kan ik niet langer......

Nelia:

Nelis, wat wil je nu nog; ik ben oud en der dagen zat.

Nelis:

Nelia, zul je flink zijn ?

Nelia:

Nelis, laat me nu niet langer wachten.

Nelis:

Welaan dan, kan ik mijn paraplu terugkrijgen ??

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Een hond met grote oren.

(Voordraag Gedicht)

(met dank aan Albert Bockholts voor het sturen van de tekst)

 

Een hond met grote oren,

Had eens zijn staart verloren.

Dat deed, zoals je ziet,

Hem vreeslijk veel verdriet.

 

Hij vroeg aan andere honden,

“Heb jij geen staart gevonden”?

Heb jij hier of daar misschien,

Een losse staart gezien?

 

Ze schudden droef hun hoofden,

Maar de honden beloofden,

De staart in alle hoeken,

Voor hem terug te zoeken.

 

Ze staken nu hun koppen,

In stegen en in sloppen.

In kisten en in manden,

En gluurden langs de wanden.

 

Ze slopen in de huizen,

En zochten in fornuizen.

En kropen in de kasten,

En klommen in de masten.

 

Ze renden door de straten,

En groeven grote gaten.

Sprongen zomaar door de ruiten,

Vanaf binnen en weer naar buiten.

 

De mensen die dit zagen,

Begonnen hun te verjagen.

Te grommen en te grauwen,

Te schreeuwen en te snauwen.

 

Ze smeten naar de honden,

Van alles wat ze vonden.

Gordijnen, stoven, glazen,

Bloempotten lepels en vazen

 

Stofdoeken borden en pannen,

Aardappels en oliekannen.

Melkbekers en tafelpoten,

Boeken en koude kroten.

 

Toen vluchtten alle honden,

Nog gauwer dan ze konden.

Ver van de stad vandaan,

Bleven ze eindelijk staan.

 

Eén had z’n poot gebroken,

Een ander was gestoken.

Er bleek geen hond te zijn,

Of hij had wel ergens pijn.

 

De hond met grote oren,

Liet zich niet meer horen.

’t Was maar goed, dat hij sindsdien,

Nooit ergens is teruggezien.

 

“Want”, zeiden alle honden,

Wordt hij nog ooit gevonden.

Wij verscheuren hem in stukken,

Voor al die ongelukken!!!,

Voor al die ongelukken !!!!!!!.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Flip Slokop van Oldenbas

Versie 1

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Flip Slokop van Oldenbas,

Die een wonder in het eten was,

Die kwam eens door Den Haag gegaan

En zag een man met kersen staan.

 

Hij riep: "Vijf centen maar, een pond.

Ze smelten in je mond."

Toen onze Flip hem zou passeren gaan,

Hield de jood hem dadelijk aan.

 

Die riep: "Koop ook een pond ervan."

Maar Flip die sprak:

"Eén pond maar man,

Ik kan wel heel je wagen an."

 

Toen riep de jood: "Als jij dat kan,

Verwed ik er heel de wagen an.

Maar bij Abraham als je het niet kan halen,

Dat je me dubbel zal moeten betalen."

 

"Nou", zei Flip, "dat is goed."

Hij begon te eten op staande voet.

De kersen waren al gauw half op,

De haren begonnen te rijzen op de man zijne kop.

 

Hij sprak: "Wel onfatsoenlijk mens,

Jij hebt geloof ik een zware pens."

Flip zei maar niets en ongestoord

At hij lustig kersen voort.

 

"Maar Adam, Izaak", riep de jood,

"Wie helpt mij uit de nood !"

"Nu zal mijn vrouw mij 't vel afstropen,

Want voor het geld moest ik een ketel kopen."

 

"En kom ik zonder ketel thuis

Dan slaat mijn vrouw me vast tot gruis."

Maar Flip, een edelmoedig hart in nood,

Kreeg medelijden met de jood.

 

"Kom", zei Flip, "ga met mijn,

Hier zal toch wel ergens een ketelwinkel zijn."

En ze stapten weldra, blij van zin,

Een ketelwinkel in.

 

"Baas Koperrood", zei Flip Slokop,

"Zoek eens een grote ketel voor me op."

De koperslager ging terstond

En zocht zijn hele winkel rond.

En hij bracht een ketel op de baan,

Die nauwelijks in het vertrek kon staan.

 

Maar Flip zei heel kalm en koel:

"Is dat de grootste van de boel ?"

"Ja waarlijk, is hij niet groot genoeg, meneer ?"

"Die schijt ik vol in ene keer."

 

"Top", zei de man, "als je dat kan,

Dan verwed ik mijn hele ketel er aan,

Maar als je hem niet tot de rand toe vult,

Dat je hem dubbel betalen zult."

 

"Dat is goed", zei Flip en was weer bereid

Hij zet zich neder en hij schijt

Niet in de ketel alleen,

Maar het ging er zelfs erover heen.

 

"Hou op", riep de baas, "'t zal nu wel gaan."

"Nee", zei Flip, "daar komt nog veel meer aan."

En het was nog niet half gedaan,

Of ze moesten al op de stoelen gaat staan.

 

En Flip Slokop, de vrolijke guit

Liep er lachend tussen uit.

Zie dat is nu prachtig verdeeld,

Geen mens die er schade bij leed.

 

En daar Flip eens goed gegeten had,

Hadden ze met z’n drieën wat:

Flip z’n buikje rond en klaar,

De jood de ketel voor zijn waar,

De koperslager mest voor wel tien jaar.

 

Flip Slokop van Adelbas

Versie 2

(met dank aan Margriet voor het sturen van de tekst)

 

Flip Slokop van Adelbas

Die wonderbaar in ’t eten was

Die kwam eens door Den Haag gegaan

En zag een jood met kersen staan

De jood riep, vijf centen maar een pond

Toen Flip hem wou passeren gaan

Toen hield de jood hem dadelijk aan

En zei:Koop ook een pond hiervan

Wel beste man ik kan die hele kar wel an

Top, zegt de Jood, als jij dat kan

Verwed ik er deze wagen an

Maar als je ’t bij Abraham

Bij Isaak en Jacob niet kunt halen

Dan zul je er dubbel voor betalen

Best, zei Flip, het is mij goed

En ging aan het eten op staande voet

In een oogwenk had hij de kersen half op

Het haar begon te rijzen

Op d’arme Jood zijn kop

Wel onfatsoenlijk mens

Mij dunkt je hebt een zwanenpens

Flip zei niets, doch hield zijn woord

En at maar lustig kersen voort

Hij at maar door uit alle macht

En sleepte het hele zaakje in de wacht.

Oh vader Abraham riep de Jood,

Wie redt me nu uit deze nood

Nu zal mijn vrouw mij het vel afstropen

Want voor dat geld moest ik een koperen ketel kopen

Nu kom ik zonder ketel thuis

Nu sluit mijn vrouw mij vast in gruis

Maar Flip, een edele vriend in nood

Kreeg medelijden met de Jood

En zei: Kom ga maar mee met mij

Er zal nog wel een ketel zijn

Zij gingen dan verblijd van zin

Aldra de ketelwinkel in

Baas Koperdraad, zo sprak Slokop

Zoek mij de grootste ketel op

De koperslager ging terstond

En zocht de hele winkel rond

Hij bracht een ketel op de baan

Die nauwelijks in het vertrek kon staan

Maar Flipje zei heel kalm en koel

Is dat de grootste uit je boel

’t is waarlijk niet zo groot mijnheer

Die schijt ik vol in ene keer

Top zei de baas als jij dat kan

Verwed ik er deze ketel an

Mits als je hem niet tot boven vult

Dat je er dubbel voor betalen zult

En Flipje was alweer bereid

Hij zet zich neder en schijt

Niet de ketel vol alleen

Maar het liep er zelfs overheen

Schei uit riep de baas het zal wel gaan

Nee, zegt Flipje, er komt nog meer aan

En hij had nog niet ten volle gedaan

Of ze moesten reeds op de stoelen gaan staan

Flipje had gedaan en de guit

Sprong er lachend tussenuit.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


’t Varken met een paardenstaart

(met dank aan Corneel Koster voor het sturen van de tekst)

’t Was kermis in een grote stad

Boer Bart die paard en wagen had

Bekroop de lust erheen te gaan

En sprak zijn vrouw lief Trijntje aan

“Wel hoe zou je het vinden

Als wij samen eens gingen

Naar al die kramen en tenten die er zijn

Hoe zou je dat bevallen Trijn?”

“Wel lieve beste brave Bart,

Daar spreek jij eens woorden naar mijn hart

Span jij de klepper voor de wagen

Dan ga ik gauw aan buurvrouw vragen

Of zij met ons mede rijdt”

Gewis was zij daarmee verblijd

De buurvrouw nam het voorstel aan

Om met hen naar de stad te gaan

En op die hobbel bobbel wagen

Die steeds gewoon was veel te dragen

Reed nu het drie tal blij van zinnen

Het opgeruimde stadje binnen

En bij de hotel De Witte Zwaan

Liet men het paard en wagen staan

En met een beurs vol centen

Ging men een kijkje nemen

In de kramen en tenten

Voor één dier kramen

Staat een man

Zo hart te roepen als hij kan

“Heren boeren en buitenlien

Hier is een wonderding te zien

Alom met een groot vermaak

Varken met een paardenstaart

Tien stuivers op de eerste rang

Nooit zie je het weer

Je leven lang.

Militairen en studenten

Betalen slechts vijf en veertig centen”

“Wel van mijn leven” sprak boerenbart

“Dat moet ik zien

Kost het mij ook tien maal tien

Voor Trijn, voor buurvrouw en voor mij

Ben ik voor mij wel met een daalder vrij

Een daalder is het mij wel waard

Een varken met een paardenstaart”

En eindelijk gaat het scherm omhoog

En ieder ziet met oor en oog

De man die eerst daarbuiten stond

Vertoonde het varken op de grond

Terwijl het dier zo knort en blaast

Legde hij de paardenstaart ernaast

Toen zij hij kalm en doodsbedaard

Hier is het varken

Daar de staart

“Wel van mijn leven” sprak boerenbart

“Moet ik daarvoor een daalder geven.

Dan kan ik ook wel met mijn Trien

Een ezel met een koeipoot laten zien

Gij zijt een uitgeslepen gast

De staart zit niet aan varken vast”

“Dat wist ik even goed als gij

Maar dat zei ik er ook niet bij

Maar als gij lijm hebt bij de hand

Dan wil ik het voor uw plezier

De staart wel lijmen aan het dier”

Boerenbart ging heen

En nooit één keer

Zag men boeren Bart op de kermis weer

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Hoeden en pettenlied

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

Nodig is een doos met hoeden of petten. Je kunt ze eerst allemaal uitdelen of bij de laatste regel de hoed bij je linkerbuur op het hoofd zetten, zodat je 1 man met een hoed krijgt. Dan de laatste regel en bij de 2 man op het hoofd (dit duurt misschien te lang). Dit is het liedje maar heb geen melodie, maar zingend lezen dan kom je al een hel eind: 

In 1890 kwam tante jet te sterven,

Ik stond bij haar in het testament

En moest nog van haar erven.

Ik keek in het kabinet [= kast],

Daar vond ik deze pet.

Die heb ik bij mijn buurman op de kop gezet.

Van tirelalala, van tirelalala,

Die heb ik bij mijn buurman op de kop gezet.

(dan de hoed of pet aan de linkerbuurman geven)

 

Terug naar overzicht voordrachten