SeniorPlaza

 

Saartje is getrouwd

(Voor een dame)

(wijs: Japie is getrouwd)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

 

Hier zie je nu Saartje van de Dam;

Een meisje lief en vrolijk,

Waar ik ook eens in gezelschap kwam,

Keek men naar mij zoo olijk.

Al is er mijn neusje nu wel wat lang,

Mijn oogen groot en kalverig,

Ik ben voor de grootste kerel niet bang,

Al lijk ik ook wat zalverig.

 

Refrein:

Ik ben …. met Japie nu getrouwd,

Is dat nu zoo'n misère ?

Is dat nu zoo'n misère ?

O jé …. Saartje is getrouwd,

Noemt men dat een misère,

't Heeft mij nog niet berouwd.

 

 

Mijn Japie is toch zoo'n goeie sul,

Hij vent met sina'sapppelen.

O, menschen het is toch zoo'n beste knul,

Een ventje om te gappen !

En is dan onze handel, zeer vaak,

Zoo men dat noemt: verkeken,

Dan kan ook mijn Japie, die aardige snaak,

Zeer handig in gaan breken.

 

Refrein

 

Hij woont in een prachtige villa thans,

Die heet "De houten lepel";

't Is deftiger daar dan te Ommeschans,

Daar, -- eerste rang gepepel.

Hij schreef mij een brief, een mooie brief,

O Saar, 't is om te dollen,

Heusch, mijn beste, mijn Saartje-lief,

Ik leer ze hier zakken rollen.

 

Refrein

 

En is dan zijn straftijd straks weer om,

Dan gaan wij saâm weer venten,

Met sina'sappelen groot en klein,

Van één, twee en drie centen.

Zoo gaan wij samen het leven door,

't Zijn stommerds die steeds klagen,

En kan je wat gappen, mijne Jaap !

Dan behoef je toch niet te vragen.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht voordrachten


Zoo'n kleine vrouw

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

 

Ik hou veel van een kleine,

Van een groote houd ik niet.

Zoo'n kleine, nette, fijne,

Brengt niemand ooit verdriet.

Maar het liefelijkst van allen,

Waar ik het meest van houd,

Wat mij reeds kan bevallen,

Dat is zoo'n heele kleine vrouw.

 

Refrein:

Zoo'n heele kleine vrouw,

Zoo'n heele kleine, nette, fijne,

Mooie, lieve vrouw.

 

Tracht men een kus te krijgen,

Bij zoo'n groot en zoet gevlei,

Dan moet men op een stoel gaan stijgen,

Anders kunt ge er niet bij.

Maar wat is niet begeerlijk,

Als men zamen zit heel trouw,

En je wiegt dan in je armen,

Zoo'n heele kleine vrouw.

 

Refrein

 

Heeft men zich eens voorgenomen,

Een groote sterke vrouw,

Wilt men 's nachts laat thuis komen,

Dan slaat ze je bont en blauw.

Maar lieflijk zijn de nachten,

Komt men uit het clubgebouw,

En daar zit thuis te wachten,

Zoo'n hele kleine vrouw.

 

Refrein

 

Gaat men naast zoo'n groote lopen,

En ge zijt zelf maar een kleine vent,

De straatjeugd roept bij hoopen:

"Kijk ander halve cent !"

Maar liefelijk zijn de heuvelen,

Langs bergen en langs dauw,

Als naast je loopt te keuvelen,

Zoo'n heele kleine vrouw.

 

Refrein

 

In alle groote landen,

Is het thans slecht gesteld;

Men vecht met hand en tanden,

Maar meest regeert het geld.

Wij Hollanders beminnen,

De onbevlekte trouw,

De lieve Koninginne,

Die heele jonge vrouw.

 

Refrein:

Die heele jonge vrouw,

Die heele jonge, goede, fiere,

Dappere, edele vrouw.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Geliefde Karel

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Een elk vroeg mij wat mij kwelde

Omdat ik niet vrolijk meer zong,

Luister wat ik toen vertelde,

Welk smarte mijn boezem doordrong.

Mijn Karel moest mij verlaten,

Hij moest vertrekken naar zee,

Geen treuren of praten kon baten

Ik wilde wel graag met hem meê.

 

Refrein:

Zijn blauwe oogen, hebben mij bewogen,

Ze schitterden zoo heel charmant,

Als hij me zoende pakte hij m' hand,

Ach wat was hij aardig,

Mijne liefste waardig

Ieder meisje wou met hem meê,

Hij was een kind van de zee.

 

 

Iedere avond kwam hij mij halen

En wij gingen dan zij aan zij,

Hij had 'n krullekop op mee te praten,

Ik beminde hem en hij ook mij.

Te zamen gingen wij dansen,

De vlugste op het bal.

Wij hadden de meeste kansen,

Men zag ons graag overal.

 

Refrein

 

Gedaan met het vroolijke leven,

Is het bij ons aan de reê,

Ik wilde wel een rondje geven,

Als hij niet moest gaan naar de zee.

Fijn kon hij op de harmonica spelen

In de Havenstraat was het vol,

Niemand kon zich bij ons vervelen,

Iedereen had dan groote lol.

 

Refrein

 

Mijn Karel kom toch gauw weder

En kom rusten aan mijne zij,

Ik bemin u toch ook zoo teeder,

En u houdt toch ook zoo veel van mij.

'k Blijf steeds getrouw op u wachten,

Want het doet mij zooveel verdriet,

Geen slaap krijg ik nacht op nachten

En mijn Karel vergeet ik niet.

 

Refrein:

Zijn blauwe oogen, hebben mij bewogen,

Ze schitterden zoo heel charmant,

Als hij me zoende pakte hij m' hand,

Ach wat was zij aardig,

Mijne Karel waardig

Ieder meisje wou met hem meê,

Hij was een kind van de zee.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


De generaal

(met dank aan Rein Verhoeven voor het sturen van de tekst)

Parade-officieren die commanderen.

Soldaten die marcheren en transpireren.

En daaromheen een menigte dames en heren

die zich bij het schouwspel amuseren.

En te paard…. hoog in het zaal

… de generaal !

Na afloop houdt zijne excellentie

met zijn officieren conferentie.

Hij maakt opmerkingen van: "Die compagnie was goed;

doch die was niet zoals het wezen moet."

Op het eind van het discussiëren zegt de generaal onder deftig salueren:

"Ik dank de heren !"

 

Ik dank de heren lag de generaal in de mond bestorven.

Al was er een hele veldslag bedorven.

Al had ie geraasd, gevloekt, getierd of gejankt;

het slot was steeds: "De heren worden bedankt !"

De generaal was oud.

Maar hij had een lief vrouwtje getrouwd.

Daarom hield hij zo tussen beien

omdat vrouwlief dat wilde bals en partijen.

En werd er zo'n feestje georganiseerd,

dan werd het hele officierscorps erbij geïnviteerd.

En niemand der krijgeren

haalde het in zijn hersens de invitatie te weigeren.

Ze dansten tot diep in de nacht

met diverse wezens van het vrouwelijke geslacht,

zoals dat van hen werd verwacht.

En allemaal….

dansten ze met het vrouwtje van de generaal.

 

De generaal zelf danste niet meer.

Hij was een genoeg'lijke oude heer.

Hij hield niet meer van een toertje

maar speelde liever in een hoek zijn pandoertje.

Zo tegen twaalven sprak de generaal:

"Mijne heren. Er was vanavond stemming in de zaal.

De benen gingen fameus van de vloer;

en ik won een tientje bij de pandoer.

Ik ben trots op mijn officieren

die dansers zijn in hart en nieren

en mijn dames lieten dansen naar harteluste.

Ik dank de heren !! … Welteruste !!"

 

Weer was er parade en in voortreffelijke orde

wachtten de troepen om geïnspecteerd te worden.

En allemaal…..

wachtten ze op de komst van de generaal.

En zie: daar komt met ietwat versnelde tred

de generaal te paard reeds aangezet.

Met breed gebaar

wenkt hij zijn manschappen bij elkaar

en spreekt: "Mijne heren.

Wil mijn ietwat verlate komst excuseren,

maar  in opperste agitatie

vergat ik een ogenblik het belang van de natie."

Dan spreekt de generaal een weinig bewogen,

terwijl een traan opwelt uit een hoek zijner ogen,

en met een stem die vreugde verklankt:

"Mijne heren. Vanmorgen om kwart over negen

heeft mijn vrouw een flinke zoon gekregen.

Daar had ik al zo lang naar verlangd.

De heren worden bedankt !!!"

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Mijn droom

(met dank aan Corrie Verhoeven voor het sturen van de tekst)

(de tekst tussen < en > kunnen vervangen worden door eigen familieleden en andere plaatsnaam)

 

Toen ik vannacht te dromen lag,

Hoorde ik opeens een vreemd gelach.

Ik dacht bij m'n eigen vlug eruit,

Wé is dé voor een raar geluid ?

 

Ik stoof naar buiten en keek omhoog,

En zie wé speurde daor m'n oog ?

Ik zag een heel groot vliegmachien

Mee veul bekende zo te zien.

 

Naar mensen, ach ik schrok me dood,

Want <Tante Nelleke> was de piloot.

Mee unne valhelm op d'r gezicht,

Ik weet nie hoe, maar ze deed d'r plicht.

 

Het sturen zit haar goed in 't bloed,

Daarom ging tot nu toe alles goed.

<Mieke>, haar schoonzuster zat er ook bij

En ze zwaaide alle twee naor mij.

 

<Angelique> en <Marné>, die hadde motte zien,

Die zaten boven op 't vliegmachien.

En om de zenuwe te bedwinge,

Gingen ze saomen heel hard zingen.

 

En onder een net van touw,

Daar hing <Cor Meeüsen>, mee nog 'n vrouw.

<Cor> die gilde: "Nou zijn we er geweest

En er is vanavond ook nog feest."

 

<Ria van Wanrooy> zei: "Mensen opgelet,

We zitten in een heel moeilijk parket.

We motten nou nie meteen 't ergste vrezen,

Ik weet er wa van, want ik heb veul boeken gelezen."

 

"Stop !" riep <Rieke Loonen> nogal woest,

Mar <zusje Jean> zé: "Houd oe eigen koest !

Ge het zeker iets uitgevreten,

Ge het beslist 'n kwaai geweten."

 

<Cor Rovers> en <Willie van Dongen> die zagen de zee,

Ze hadden nie veul praot meer die twee.

Die hoefde echt geen eten vandaog,

Ze hadden het zo al aan hun maog.

 

<Huub Sips> en <Frans Claïn>,

Die zaten helemaol achterin.

Goed aan de praot met flink wé bier,

As we toch motte gaan, dan mee plezier.

 

<Riet Meeüsen> en <Dré Claïn> hadden hoogtevrees,

Die twee gilde zich zowat hees.

Van schrik, vinden jullie da gek,

Vlogen ze <Rinus Meeüsen> om zunne nek.

 

Boven <Oosterhout> ging de machine te keer,

"Help !" riep <Tante Nellie> "Ik hou 't nie meer."

<Sjan Loonen> en <Carla Bechers> kropen van schrik al onder de kast,

Maar gelukkig had <Tante Nellie> de knuppel goed vast.

 

<Jan de Vetter> liet er een vliegen met een zucht,

Tjonge, tjonge wat unne lucht.

<Piet Snelders> zei: "Ben de gij nou gek,

Doe dé thuis, achter, op oe eigen plek."

 

Mar mensenlief wat 'n geloop,

Heel <Oosterhout> stond overhoop.

De mensen kwamen allemaal naar buiten,

Of loerden stiekem door de ruiten.

 

<Martien Cloïn> zegt: "Stil maar <Theo> hij gaat daolen,

Tenminste als de remmmen nie faolen."

En <Theo> riep alsmaar: "Stop ! stop !

<Mieke> dauwde gij dan op dieje knop."

 

"Geef mij dieje knuppel mar" zei <Rieka> met de moet in dene schoen,

"Ik weet wel hoe ik dé mot doen.

We zullen er de schrik nog efkes in houwen,

Dan hebben we vanavond nog wé om over te mauwen."

 

<Francesco> en <Anton Meeüsen> waren de wijste van het gelijk,

Die zeide: "Hou toch as op mee dé gekwijk.

Het landingsgestel mot eerst nog naor benejen,

As dé nie gaat, dan hebben we veul gelejen."

 

<Nelleke> en <Mieke> riepen: "Er is niks an de hand,

We zien de feestmaal al, kék daor aan de rand."

"Gelukkig mensen" zé <Mieke> "dan gaon we daolen,

Maar maak vast 'n kruis, vur as we 't soms toch nie haolen."

 

Ze remde aaf en mie unne plof,

Ge zaag alleen mar heel veul stof,

Kwamen ze er uit- en afgekropen

En toen, en toen, toen is munne wekker afgelopen.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


                       

Want ik heb zunne turelureluur

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

(voordracht voor een oudere man en een jongere vrouw)

 

Man

 

Ik ben unne oude man,die niks meer kan.

En ik ben pas 80 jaoren.

Ik heb grêêze haor,pent hier pent daor

Toch zuuk ik nog te paoren

Want ik heb zunne turelureluur

Want ik heb zunne turelureluur

Want ik heb zunne turelureluur en heel veul geld

 

Man

 

Ik ken un jonge meid die nog nie vrijt

Heur moes ik het eens vraogen

Mer as ik ze zie ,hoe het komt weet ik nie,

Begint het men hier te knaogen

Want ik heb zunne turelureluur

Want ik heb zunne turelureluur

Want ik heb zunne turelureluur en heel veul geld

 

(dan komt de vrouw aangewandeld)

 

Man

 

Gij schone maagd die mij behaagd

Aanhoor toch mijne bede

Schenk mij jou hand,jou hart tot pand.

En stel mij toch tevreden

Want ik heb zunne turelureluur

Want ik heb zunne turelureluur

Want ik heb zunne turelureluur en heel veul geld

 

Vrouw

 

Ge bent unne ouwe man, die niks mer kan

Men kund nie bekoren

Ge bent zo koud as un stuk hout,

Ge lekt wel halfbevroren

Gij mee oewen turelureluur

Gij mee oewen turelureluur

Gij mee oewen turelureluur en al jou geld

 

Man

 

Ik ben nog vrijgezel en heb un goei gestel

Kom laot ons saomen trouwen

Ik heb unne stal mee vee, och gao toch mee

En wordt toch mijne vrouwen

Want ge het ok turelureluur

Want ge het ok turelureluur

Want ge het ok turelureluur,mar ge hebt gin geld

 

 Vrouw

 

Gij ouwe zot, mee jouw gemok

Dê zudde gij wel willen

Ik zij niegesteld op al jou geld

En op jou aowe grillen

Mar ik heb wel turelureluur

Mar ik heb wel turelureluur

Mar ik heb wel turelureluur, mar ik heb gin geld

 

Man

 

Vur we scheide gaon, heu men êfkes aon

Jou jeugd is ôk verdwenen

Ginne jonge man ,kêkt jou nog an

Al draaide ôk um hun hene

Mar ge hebt wel turelureluur

 Mar ge hebt wel turelureluur, mar ge hebt gin geld

 

Vrouw

 

Wê gij daor zegt, zegde mee recht

Want mee al mên laachen en fluiten

Het helot men niet wê ik ze ôk biedt

Want ze zeggen ,,gê hebt gin duiten"

Mar ik heb wel turelureluur

Mar ik heb wel turelureluur

Mar ik heb wel turelureluur, mar ik heb gin geld

 

Man en Vrouw

 

(Man) Ik ben 80 pas

(Vrouw) Ik 40 ras, ik zal het toch mar waogen

(Man) Och lieve zus gif mên unne kus

Ge zult oe nooit brklaogen

Want we hebben zunne turelureluur

Want we hebben zunne turelureluur

Want we hebben zunne turelureluur, en heel veul geld

 

(Vrouw) Wê jong is, is mal

(Man) Oud bovenal en wij gaon saomen trouwen

Wê is dees aard toch niks meer waard

Zonder die mooie vrouwen

Ôk zonder turelureluur

Ôk zonder turelureluur

Ôk zonder turelureluur en zonder geld

 

Man en Vrouw

 

Wij danken u en wij gaon nu

Och wil ons toch nie storen

Want over un jaor

Wordt uit deez paor, beslist unne zoon geboren

Dê komt van de turelureluur

Dê komt van de turelureluur

Dê komt van de turelureluur en nie van ut geld

            

Terug naar overzicht voordrachten

 


Het bedelend paartje

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

(komisch duo voor Heer en Dame of twee Heeren - kleeding:haveloos)

(Wijze: De Zwerver of het Lied van den Rattenvanger)

 

Dame: Als bedelend paartje trekken wij door het land

Heer: Door ieder geminacht, geschuwd en geschand,

Dame: En deze flesch klare (*) is ons beste vrind.

Heer: Jenever is 't beste voor regen en wind.

Dame: Wij hebben geen thuiskomst en geen veerenbed

Heer: Dragen zomer en winter hetzelfde toilet,

Dame: Wij trekken gewoon van de mode niets aan,

Heer: Nu Dames en Heeren, Wat zeg je er van ?

 

Refrein (samen):

Als bedelend paartje trekken wij door het land,

Door ieder geminacht, geschuwd en geschand,

En werken dat haat (ik) (zij) da's niks voor zoo'n meid,

Ik zeg maar met werken verdrijf je den tijd.

 

Dame: En hij is mijn vrijer, die ik teer bemin,

Heer: Ik ben niet recht uit 't spinhuis of ik zit er weer in.

Dame: Hij is het vechten bepaald een genie,

Heer: Ik ben der niet bang ... voor een maatje of drie.

Dame: Hij doet, net als ik, rentenieren in 't groot,

Heer: Want werken daar heb ik een broertje aan dood,

Dame: Hij kleed zich eenvoudig, is geen modegek

Heer: Ik borstel nooit mijn kleeren, ons hindert geen vlek.

 

Refrein (samen):

Wij beiden wij passen precies bij mekaar,

En onze verhouding is zeer familiaar.

Denk niet dat de armoe ons hindert of kwelt,

Echt Hollansche liefde, die vraagt naar geen geld.

 

Dame: Mijn Koos is een jongen die 't leven verstaat,

Heer: Ik rook mijn Havana's kakversch van de straat,

Dame: 't Is, op mijn woord, ook een handige vent,

Heer: Daarom kent mij ieder politieagent.

Dame: Ik bewaar zijn portret (**) als mijn dierbaarste schat,

Heer: Dat heeft ze geknipt uit het politieblad.

Dame: Zijn prachtig figuur zwabbert steeds door mijn geest,

Heer: Ik ben in mijn vrijheid nooit nuchter geweest.

 

Refrein (samen):

Dame: Wij hebben geen waschvrouw, dat is veel te dom,

Heer: Wij keeren onze verschooning om de acht dagen om,

Dame: Aan bijtende diertjes hebben wij vreeselijk het land,

Mijn insectenpoeder (***) heb ik steeds bij de hand.

 

Dame: Des zomers slapen wij op een wagen heel fijn,

Heer: En als 't soms regent de wagen op mijn,

Dame: Des winters zoeken wij in schuren een kooi,

Heer: Daar slapen wij heerlijk in 't hooi of op strooi.

Dame: Dan komen er muizen, een heel eskadron,

Heer: Die bijten de gaten in der ... goeie japon.

Dame: En als ik ontwaak maak ik dit (*) kurkje los,

Heer: Ieder neemt dan zijn portie en wij snurken als een os.

 

Refrein (samen):

Daarom leve de klare, het nat van Schiedam,

God zal me bewaren als de mot er in kwam.

Daarom leven wij samen met de branderij,

Leve de vrijheid, de bedelarij.

 

(*) Toont een fleschje

(**) Toont een courant met een portret

(***) Toont een insectenpoederspuit

 

Terug naar overzicht voordrachten

 

 


De schildersrekening van de kerk van Bakel

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

 

Vergun mij uw aandacht bij het beschrijven van een spektakel,

Van de schildersrekening van de kerk van Bakel.

Pontius Pilatus een paar kousen aan zijn voeten geweven

En de vliegenstront van Herodes neus afgewreven.

Verder een kousenband aan de soldaat zijn benen

En een nieuwe broek in de zolder van Simon de Cyrene.

Met een fijne kwast gestreken over Magdalena's wangen

En de goede moordenaar weer aan het kruis gehangen.

De dienstmaagd van Caîfas heb ik afgewassen

En hare voorkop af moeten krassen.

Ook is de staart van de haan van Sint Petrus omhoog gestegen

En hebben de soldaten een nieuwe beremuts gekregen.

Aan de neus van Caîfas heb ik heel wat liggen te prullen

En de duivel zijne staart wat meer doen krullen.

Het gezicht van Herodus heb ik opnieuw moeten verfrissen

En zijn leren broek opnieuw moeten vernissen.

Ook heeft Herodus een nieuwe troon bestegen

En een potverdommeke gekregen.

Daarenboven heb ik gelegd nieuwe plooien in de mouwen

Van de wenende vrouwen.

De profeet heb ik een nieuw jasje gegeven

En zijne boord opnieuw gesteven.

De ezel zijn oren door grotere vervangen

En een floske aan zijn staart gehangen.

Reus Goliath kijkt wat meer verwilderd,

Want Ik heb zijn gezicht vol puisten geschilderd.

Aan koning Farao heb ik wat liggen prutsen

En zijn leger voorzien van nieuwe mutsen.

Den opperschenker van Farao wat rood aan zijn neus gestreken

En sedert heeft ie veel vrolijker gekeken.

Ook heb ik wat liggen te werken

Aan het achtereind van Antionius verken.

Koning Farao gaf ik een fonkelnieuwe wammes

En een keu op het achterste van zijne rammes.

Holofernis die heb ik een broek gemaakt die niet te strak is

En dertien nieuwe tanden in zijn bakkes.

Zodat het geheel bedraagt elf gulden en elf centen,

Gezien en goedgekeurd door de Bakelse kerkregenten

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Het glazen oog

(Tekst van circa 1867, uit het 'Versenboek' van P.H. Offermans)

In oud Schiedam, gij kent die stad,

Waar uit het graan zo menig vat,

Jenever wordt geboren.

Daar leefde een oud, voortreffelijk man,

Maar dat elk gebeuren kan,

Hij had een oog verloren.

Maar hoor hoe hij het publiek bedroog,

Hij kocht, heel slim, een glazen ook,

En plaatste dat naast het goede.

En als den tijd van slapen was,

Lag hij het kunstoog in een glas

Gevuld met regenwater.

Eens ’s nachts kreeg hij fameuse dorst,

Op zuurkool en op varkensworst,

Maar nu maakt hij een flater.

Want ziet hij neemt hetzelfde glas,

Waarin het oog gelegen was,

En slokt het meê naar binnen.

Terstond werd hij het abuis gewaar,

Hij wendt van schrik zich hier en daar,

En roept: "waar zijn mijn zinnen !"

Hij was er deerlijk meê gefopt,

De doortocht was totaal verstopt,

Hij kon niet meer purgeeren.

Het hielp niet of hij al pruimen at,

Het glazen oog zat voor zijn gat,

Hij kon niet meer laxeeren.

In het eind wil hij zich een klisteer

Daar was geen ander middel meer,

Dan een lavement te zetten.

De Chirurgijn verschijnt, vat post en mikt,

Maar denkt eens vrienden hoe hij verschrikt,

Als hij de bus wil zetten.

Hij ziet voorwaar een glinst'rend oog,

Dat hem, waar hij zich ook wenden moog,

Gestadig blijft begluren.

Dat heb ik nog nooit beleefd,

Dat iemand van achter kijkers heeft,

Om op mijn werk te turen.

De man verschrikt door ’t misverstand,

Rolt lachend door ’t ledekant,

En drukt door het lachen, dat het oog,

En nog iets door de opening vloog,

En toen was hij genezen.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Moddergat

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst)

Ja, nog drie geslachten verder

zal het dorpje Moddergat

spreken van de slimme ‘vroedschap’

die het vroeger eens bezat

 

Moddergat, dat is een dorpje

haast onvindbaar op de kaart

echter door zijn vele branden

uren ver in ’t rond vermaard

 

Vooral in de na-hooi-bouw

als de vakken volgeladen

hun verbroeide geur verspreidden

kraaide vaak de rode haan

 

Begrijpelijk was dat al dit branden

in de Moddergatse raad

veel reden was tot debatteren

oorzaak van urenlang gepraat

 

Eind’lijk na veel lamenteren

kwam de raad tot een besluit

en men vaardigde ter plaatse

’t volgende bevelschrift uit

 

Iedere dorpeling die brand krijgt

onverschillig van wat stand

is verplicht om dat te melden:

tien minuten vóór de brand !

 

Terug naar overzicht voordrachten