|
|
|
(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)
Goeden avond dames en helen, ik kom mij aan U plesentelen. Mijn maniel van spleken is min of meel bepelkt, maal dat heb je waalschijnlijk al wel gemelkt. Ik weld op nolmale wijze gebolen, maal de achtste lettel van het alfabet kon ik niet holen. En dat leel je niet zo gemakkelijk meel af en velmoedelijk kom ik zondel lettel L in het glaf. Toen mijn moedel mij moest lelen platen, heeft ze bij elk woold de lettel L weggelaten. Ik bedoel natuullijk die andele lettel, maal dat snap je wel Op school weld de meestel van mij geel en gloen, omdat de andele jongens mij onwillekeulig na gingen doen. Ze zeiden andele lettels tegen lettels in de klas en de koetjes glazen in het malse glas. De apothekel beleidt poedel en pil en den eelste aplil vellool Alva zijn blil. Toen ik latel een ambacht moest gaan lelen, begon dat platen mij gluwelijk te velvelen. Bij de lijwielenlepelateul welkte ik nauwelijks 10 uul, ik splak van kamlad,voolvolk en stuul. Bij den kluideniel van golt, lijst en klenten, bij den bankiel van dlie plocent lente. Ook splak ik van lepetelende bleuk en bij den balbiel van odeul en lekkele leuk. Toen ik het nelgens klaal kon spelen, begon ik met tijdschliften te colpolelen. Ik liep langs de stlaten dool stolm en kou, met de Plins, Panolama en het lijk del vlouw. Maal zij lachten mij uit en ik weld weggestuuld, zodat ook dat baantje niet lang heeft geduuld. Toen kwam het leuze idee bij mij aan, om bij een amusement in bedlijf te gaan. Ik tlad met mijn splaakgeblek op vool het publiek en lachte men zich om mijn gestumpel half ziek. Ik weet het 't is maal goedkope gijn, maal ik weet ook dat jullie niet wijzel zijn. En zo velwelf ik des mensdoms gunst, en veldien mijn broodje, dat is de kunst. Want duizenden die goed kunnen platen, lopen welkloos langs de stlaten. En als ik dan latel het publiek ga velvelen, dan ga ik gauw een nieuw geblek bij lelen. Dan ga ik stottelen misschien wel slissen, 't succes woldt leusachtig dat kunt U wel gissen. En nu dames en helen ga ik veldwijnen, misschien ziet U mij latel nog wel eens velschijnen. Ik weet het de komieken zijn zeel in tlek, voolal de komieken met een splaakgeblek.............
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)
Toen Opa 65 was, ging hij niet meer werken, en dat hij er heel blij mee was,dat liet hij duidelijk merken. Hij zocht zijn hengel maar vast om 's morgens te gaan vissen, maar wat hem te wachten stond, had hij nooit kunnen gissen.
Want toen hij 's morgens wakker werd zei zijn vrouwtje Kee: "Ga jij eens naar beneden Jan en zet een kopje thee. En breng me dan een kopje hier, dat is net als toen, en dek gelijk de tafel, je hebt toch niks te doen."
Toen hij dan aan tafel zat, na allerlei bevelen, kwam kleinzoon Jan en zei: "Opa ga je met mij spelen ? Ik heb wat korstjes meegebracht voor de eendjes in 't plantsoen. En Mammie zei: Vraag Opa maar, die heeft toch niks te doen."
Zijn vrouw zei: "Ga maar Jan, maar doe het wel wat vlug, je moet nog naar de slager, kom alsjeblieft gauw terug." Hij stapt met Jantje naar een bankje in het groen. Maar Jantje ging aan 't janken, want Opa wou niks doen.
Toen Opa thuis kwam, had zijn vrouw de koffie al gezet. Hij wilde gaan zitten, maar Kee zei: "Je kan nog net, even naar de slager en ook naar bakker Groen, meteen nog naar de groenteboer, je hebt toch niks te doen."
Toen hij eindelijk koffie had, kwam juist zijn dochter Sjaan, met een paar oude schoenen en keek Opa even aan. En zei: "De zolen zitten los." Ze vroeg aan Opa toen: "Kan jij die even maken ? je hebt toch niks te doen."
En Opa dacht vandaag eens heerlijk te gaan vissen, maar lieve help, wat kan een mens zich toch vergissen. Toen Opa klaar was zei ze: "Ik moet nog vragen van Koen, of je de tuin komt spitten, je hebt toch niks te doen."
Inmiddels was het eten klaar; toen moest hij borden wassen en kwam zijn vrouw hem met een nieuw karwei verrassen. Hij moest 't plafond gaan witten, dus kon hij niet naar Koen. Zij zei: "Doe dat morgen maar, je hebt toch niks te doen."
Maar 's avonds kwam zijn jongste spruit en zei: "Zo vadertje, ben je nog wezen vissen in het kleine watertje ?" "Nee,'k was het wel van plan, maar 'k moest het plafond gaan doen." "Nou ja dat is zo erg niet, je hebt toch niks te doen."
"En daarom kom ik met een boodschap van mijn vrouw, zij wil morgen gaan behangen, of je soms helpen wou. Er zit nu wit behang op, maar nu wil ze 's groen. Ik zei: Dat doet hij vast wel, hij heeft toch niks te doen."
Zo ging het voortaan elke dag, hij is nooit meer klaar, de een heeft een kapotte trap, bij de ander klemt 't dressoir. En toen hij dacht: "Nu ben ik klaar",toen kwam warempel Koen wéér vragen of hij van de week de tuin weer eens kwam doen.
En 's avonds als hij doodmoe was van al die klusjespret, stond het zweet op zijn voorhoofd, dus ging hij vroeg naar bed. Dan zei zijn vrouw: "Ik snap het niet, als ik nog denk aan toen, dat deed je vroeger nooit en nou heb je niks te doen."
"Kun jij dat niet begrijpen? Ik heb gewoon geen tijd, om rustig te gaan zitten, want dan heb jij altijd, weer een of ander werkje dat ik nodig eens moet doen. Maar nu ga ik gewoon naar bed, want straks komt weer Koen."
Toen hij naar boven ging, klonk tegelijk de bel, z'n vrouw zei tegen Koen: "Je vader is niet wel, hij had het toch zo druk vandaag, hij was echt moe, hoor Koen." "Och mens dat zijn maar smoesjes, hij heeft toch niks te doen."
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)
Waarde Dames, waarde Heren, hebt u ook mijn man gezien, die is zomaar weggelopen zonder weten van z'n Lien. Niemand is zo dol op feestjes en partijtjes als m'n Piet, maar ik laat hem nooit alleen gaan, nee hoor dat vertrouw ik niet. Gisteren werden wij genodigd, door deze feestelingen hier, maar m'n hondje was gestorven en dan heb ik geen plezier. Piet zei: Mens is dat geen rede, ga mee naar het feestje kom, maar ik wilde er niets van horen, Bobby krijg ik niet weerom. Daar opeens een uur geleden, moest mijn Piet naar het postkantoor, ik vroeg wat moet dat beduiden, hij riep het is voor zaken hoor. Ik wachtte en ik wachtte en dacht waar blijft die Piet. Heeft ie 'n ongeluk gekregen, waarom zegt hij dat dan niet. Hier kom ik de booswicht zoeken, lieve mensen lach maar niet, ik begrijp wel hoe ge eenparig, aan m'n man een schuilplaats biedt. O die uitgeslapen Piet, in zijn vuistje zal hij lachen, maar vanavond lacht hij niet, nee, hij zal me niet ontkomen. Waarde vrienden zeg hem maar, Lien staat straks als hij naar huis komt, reeds met haar pantoffel klaar...........
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)
Eens op mijn pad, stond aan de kant, Een wegwijzer met kleine hand. In deze tijd een zeldzaam ding, Ik weet het uit mijn herinnering. Dat hier of daar een weg of pad, Precies zo’ n houten wijzer had. Haast nergens zie je ze meer staan, Ze zijn vervangen of vergaan. Ook deze is heel oud en krom En niemand kijkt er meer naar om. De hand wijst ergens in een heg En niet meer naar de goede weg. Ik zie het leven als dit stuk Met zorgen, zon en soms geluk. Je werkt, je zorgt, je doet ,je rent, Tot dat je overbodig bent. Je geeft je kinderen richting aan, Tot waar je zelf moet blijven staan. Opeens dan ben je moe en oud, Je bent als een verweerd stuk hout. Toch bid ik, Heer, doe gij mijn hand, Slechts wijzen naar de goede kant. Niet naar de aarde, maar naar het licht, Zo lang als het kan omhoog gericht. Dat ik, al word ik oud en moe, In uw naam iets nuttigs doe. En als ik nog wat leven mag, Maak mij dan wijzer iedere dag…
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)
Hij stapte in het kooppaleis en vroeg
beleefd: Juffrouw
Juffrouw hebt U ook crêpe de Chine ?
Meneer! Dit’s lingerie !
Precies diezelfde kleur meneer? Dat
vindt U niet zo gauw,
Toen kwam hij bij het aardewerk en brak
een groenteschaal
Toen kwam hij bij het suikergoed en
toen bij de muziek:
Zijn staaltje was hij allang kwijt,
zijn kracht was op zijn end,
Wat is er van Uw dienst Meneer? Toen
keek hij op zijn mouw, Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)
Met mij is er totaal niets aan de hand, Ik ben nog fit van lijf en verstand. Och ik heb wat pijn in mijn heup en mijn knie En als ik buk is het of ik sterretjes zie, Mijn pols iets te snel, mijn bloeddruk te hoog, Maar ik ben nog fantastisch goed, zo op het oog. Met de steunzolen die ik heb gekregen, Loop ik weer buiten langs 's Heren wegen, Kom ik weer in de winkel en op het plein, Wat heerlijk om zo gezond te mogen zijn. Mijn geheugen is niet best en evenmin mijn ogen, En mijn rug raakt steeds meer gebogen. Mijn adem wat korter, mijn keel vaak zo droog, Maar ik ben nog fantastisch zo op het oog. Is het leven niet mooi? Het gaat te snel voorbij, Ik denk terug aan mijn jeugdige jaren, Ik wilde mooie schoentjes en moest er voor sparen. Ik ging fietsen en wandelen overal heen En kende geen moeheid zo het scheen. Nu ik ouder ben zijn mijn schoenen vaak zwart En loop ik heel langzaam, dat is voor mijn hart. Houd uw gemak maar zegt de cardioloog, U bent nog fantastisch zo op het oog. De ouderdom is goud, ja ik begrijp het wel, Maar als ik niet kan slapen en tot honderd tel, Dan twijfel ik en vraag me af of het waar is, Of dat beeld van goud niet dwaas en raar is? Ik doe nog van alles, maar het gaat wat traag En na het eten, heb ik wat last van mijn maag. Maar ik wil niet zeuren, want dat is wat niet mag, Allemaal komen we eens op onze oude dag. Aanvaard het maar rustig zegt mijn psycholoog, U bent echt nog fantastisch goed zo op het oog ! ! !
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Janny Minnema voor het sturen van de tekst)
De kerk was uit; de preek gedaan, 't Volk zwermde 't Godshuis uit. Wij leggen 't oor te luist'ren saam, Naar wat zo werd geuit.
“Zeg, Kees 't was raak wat Doom'nee zei, 'k Zat erg op mijn gemak, 'k Dacht : "dit ,s voor Jan en dat voor Leen, Dat steekt Griet in de zak" Maar Kees vroeg niet : "Ben ik het Heer, Wien Gij een boodschap bracht?" Hij zag zijn beeld niet in het Woord, Hij mist van 't woord de kracht.
Een ander die de ganse dienst Geslapen had, heel zoet, Vindt dat de Leeraar het niet meer Zo mooi als vroeger doet. Maar----- dat hij vroeger wakker was En luisterde naar 't Woord , Bedacht deez' hoorder niet. Al had wel zo behoord.
Een derde zei : " 'k Heb dit en dat In 's Leeraar's preek gemist. Waarom hij dit en dat niet zei, 'k Heb daarnaar maar gegist", Maar ---- wat er wel gepredikt was, Dat was de man ontgaan; En op wat wel gepredikt wordt, Komt het toch eerstens aan.
"Wel" zei een vierde "wat een steek, Gaf dominee buur Piet, Nu ---- 't was verdient ook, dat is wis !" Toch had de man het mis. Een preekstoel mag geen steekstoel zijn. 't Woord moet alleen gebracht, En zonder aanzien des persoons; Elk Leeraar daarnaar tracht.
Een ander man, van taal en stijl , Had fouten opgemerkt, De klemtoon viel niet, waar het moest, Dies had hij slecht gekerkt.
Wie steeds op punt en komma let, Maar niet op 't Woord van God En op de inhoud van de preek, Doet ook niet naar 't gebod.
Een zesde dacht aan vee en land, Aan aardse bezigheen, "e preek was kort, te kort" zei hij, 'k Ben daarmee niet tevreen." Hij joeg de vogelen niet weg, Die pikten 't goede zaad. Zoo miste hij de vrucht van 't Woord, En deed zijn ziele kwaad.
Een ander weer zat in de kerk En keek naar alle kant. Van dezen krijgt hij nog wat geld , Dien heeft hij niet tot klant. Dit ergert hem. Weg vliegt het woord, 't Hart is met zorg belaan. Krijgt hij geen zegen onder 't Woord, De leeraar heeft gedaan.
D' een preekt de leeraar wat te lang, En de ander weer te kort, De een te zacht en dien te hard, Een enk'le die niet mort. Hoe 't komt? Men gaat niet biddend op, Zit niet met aandacht neer, Men vraagt niet om des Geestes licht Aan onze God en Heer.
"En ik" ,zei d' ander "zag mijn beeld In 't Woord, door ons gehoord. Wie 'k door de zonde ben en werd, Wat 'k deed en hoe 't behoort. Ik zag mij gans onrein, Maar hoe de Midd'laar door zijn werk, Ons maakt zooals 't moet zijn."
Wie biddend naar de kerk toegaat, Daar heilbegerig zit, 't Woord aanhoort als des Heeren Woord, Op kleinigheen niet vit, Gaat strijken met de buit heel vaak, Heeft zegen in de kerk, Dankt God en draagt den Leeraar op: "O God, bekroon zijn werk !"
"Heer, geef mij een opmerkzaam hart , En steeds een luist'rend oor, Dat ik toch niet naar and'ren zie Maar naar Uw Woord slechts hoor. Verlicht Uw Leeraars, heilig 't Woord , Dat 't doe wat U behaag', O dat het neerwaarts wort'len schiet En opwaarts vruchten draag ! "
Terug naar overzicht voordrachten
(gezongen voordracht, liefst met een babypop in de arm) (met dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst)
Vrienden wil mijn lied aanhoren Welk geluk mij is beschoren Gisteren avond ,’t is nie gelogen Kwam er enen oiver mee di ding aongevlogen Ik werd Pappaa van drie maal drie En nou moet ik zingen of ik wil of nie.
Refrein: Hoepfalderiere hoep faldera Heisa, heisa, hoep faldera Ik werd pappaa van drie maal drie En nou moet ik zingen of ik wil of nie.
Thijske hek um laoten dopen ’t is de leste die we kopen Mar ons Mie die zaat er mar te mauwe Da we’r nog gin han die hiet nao de auwe Zo, nou hi ze deren draai En nou ben ik lekker af van da lawaai.
Refr: Hoep falderiere enz.,+2 laatste regels
As ons menneke ins kan lopen Zal ik ’n bruukske veur 'm kopen ’n Skon bruukske mi twee zakskes Da zijn veur ons menneke zo’n gemakskes ’n Jaske en ’n skon barret En dan kan ons menneke dansen van de pret.
Refr: Hoepfalderiere enz., + twee laatste regels.
Thijske menne kleine rakker Wordt er toch is efkes wakker Wa hedde gij skon ogen en wenkbrauwe ’t Zelfde gezicht as van oewen auwe Thijs wa bende goeie koop Ge wordt beslist den beste van den hillen hoop.
Refr: Hoepfalderiere enz., +2 laatste regels
Ik zal 'm wel is laote keeke En dan zal ’t oe wel bleeke Dat ie gezond is en tevree e Overal eve mals over al zen lee e Thijske och men lekker dier In jou heb ik toch men allergrotst plezier
Refr: Hoepfalderiere enz., +2 laatste regels
Thijske och men lekker schatje Mer, wa vuul ik on uw gatje ’t Wordt er zo werem aon bei men hande Worde gij nie goed of krijgde gij al tande Thijske menne kleinen hond En nou heb ik bei men hande vol mee stront.
Refr: Hoepfalderiere enz., +2 laatste regels
Terug naar overzicht voordrachten
Versie 1 (met dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst)
We gonge lest naor ’t simmenaor ons bruur Arjaan bezuuke De errem jong zaat schier ’n jaor te blokken in z’n buuke. We kochten ant stasjon un kaortje of tien En den agent die stond verbaost te zien. Hij zee :”Maar joh, wa krijgen we nou Wie got er allemaol mee mee jou”. Ik ze :”Ikke , onze vadder en ons moeder, men bruur en me zeuster, Ome Peer en tante Mie. Die gon allemaol mee. Marieke, Pieke en de kleenen Andree.
We kwamen aon op ’t simmenaor en wiere der werkeluk beleefd ontvange Franke, de knecht, diee goeie mens, die vroeg naor ons verlange Hij zee meneer, hij zee mevrouw, wi wilde gullie da’k zoepe zou. Ik zeg um goed en kort te gaon, roept mar gauw mennen bruur Arjaan Want hier zen we allemaol:” Ikke, onze vadder en ons moeder enz.”.
We han ’n uur of drie gewocht, toen kwaam Franke de knecht wir binne Hij zee ik heb overal gezocht mar ik kan 'm nerges vinge Wellicht is ullieen bruur Arjaan, mee op de wandeling gegaon Mar ze nau flink en hauw oe taai, ze zen pas an den blauwe kaai En toen gonge we mar wir Ikke, onze vadder en ons moeder, enz.
Mar toen Arjaantje bij on wos, nao veul tobbe en veul zuuke Toen brocht ie ons in ielke klas, en bij zen studiebuuke Hij zee: "Mensa", hij zee "Mensae" en hij spelde vergimme in ’t grieks den A.B.C. Hij zee :"Verstodde gellie da", en wij knikte allemaol van Ja. Ikke, onze vadder en ons moeder, enz.
Mar toen ’t zeuven urre sloeg, ’t uur van bitter scheeie En ik Arjaans handje vroeg, toen kreek meeleie Ik zeg Arjaan jonge, we gaon er vandeur, mum hallef acht vertrekt ’t speur Toen brak zen hart in bitter weeee, en wij we schreuwde allemaol meeee. Ikke, onze vadder en ons moeder, enz.
Ik zeg Arjaan jong, ’t is toch veur oewen eigen heil da ge hier moet studeere De weg der wetenschap is steil, mar bove wocht Den Heere En al plast vandaag de regen neer, wellicht schijnt merige de zon al weer Haw doe flink. skreuw na unie we komme trug over ’n week of drie. Ikke ,onze vadder en ons moeder, enz.
----------------------------- Er is me verteld da ’t geschrivve is dur eenen ouwe st. Miechelsgestelse pastoor Mar zeker wete doe ik da ok knie. Johan Raaymakers. -------------------------------
Versie 2 (met dank aan Cor Heuvelamans voor het sturen van de tekst)
'k Ging overlest naar het seminaar Mijn bruur Adriaan bezoeken, Dat arme jong zat schier een jaar Te blokken in zijn boeken. 'k Nam aan de tram een kaartje of tien, De conducteur die stond te zien, Hij zei ,wel Jan wat hemme nouw Wie gaan er allemaal mee ,mee jou ?
Refrein: Ik zei: ,,Ikke en ons vader, ons moeder, Mijn zuster, broer en ons Krispijn, Marinus en Tinus, Sjo en Mie en tante Mijn, Suus en Peerke, die gingen zo maar mee, Mariek en Sofieke en de kleine Anderee."
We kwamen aan het seminaar, En werden beleefd ontvangen. En Koos de knecht, die goeie man, Die vroeg naar ons verlangen. Hij zei: ,,Mijnheer en hij zei mevrouw, Wie wilde dat ik roepen zal ?" Ik zeg: ,,Om kort en goed te gaan Roepte gij maar mijn broer Arjaan."
Refrein: Want hier zijn, ikke en ons vader, ons moeder enz.
En na zowat een minuut of tien, Toen kwam de knecht weer binnen. Hij zei: ,,Ik heb hem niet gezien En ik kan hem negens vinden, Maar ik denk da julieên Arjaan Mee op de wandeling is gegaan. Maar wacht nou nie en haal ze bij, Ze zijn pas aan de blauwe kei."
Refrein: En toen liepen ikke en ons vader ons moeder enz.
En toen Ariaaneke bij ons was, Na lopen en veel zoeken. Toen bracht hij ons in iedere klas, In de studie bij zijn boeken Hij zei mensa, hij zei menee Spelde de Griekse A B C . En zei: ,,Verstade gullie da ?" En we knikte allemaal van ja.
Refrein: Ikke en ons vader ons moeder enz.
En na in 't bos geweest te zijn, Vol schone beukenlanen, Bracht hij ons op het speelterrein, Mee schiet en kegelbanen, Hij zei: ,,Wel Jan, hij zei wel Peer Toe vat 'n bal en schiet ne keer." We maakte de baan met water nat En schoten niks en gooide lat.
Refrein: Ikke ons vader ons moeder enz.
Er was een schone boerderij, Daar gingen wij eens kijken. Wa’n schone verkes liepen daar, Daar konden ze mee prijken. We liepen stallen uit en in, Staken overal de neus eens in. De koeien zagen er best uit, Ze knikte mee d’r domme snuit.
Refrein: En toen knikte ik en ons vader ons moeder enz.
Maar toen het dicht bij zeven kwam, Het uur van bitter scheiden. En ik Ariaanekes handje nam, Toen kreeg ik medelijden. Ik zei: ,,We moeten er van door Om zeven uur vertrekt het spoor." Toen brak mijn hart van stille wee En we schreide allemaal maar mee.
Refrein: Ikke ons vader ons moeder enz.
Maar 'k zei: ,,Arjaan 't is voor jou heil, Dat gij hier komt studeren. De berg der wetenschap is steil, Maar boven wacht de ere. En kletst vandaag de regen neer, Wel morgen schijnt de zon alweer. Wees nou maar braaf en schreeuw nou niet, We komen terug over een week of drie."
Refrein: Ik ons vader ons moeder enz.
(Een persoon zingt het lied en bij het refrein komen alle personen over het toneel gelopen en verdwijnen weer.) (Bij het volgend refrein lopen ze weer over het toneel en verdwijnen weer)
Terug naar overzicht voordrachten
|
|