SeniorPlaza

 

Een vers dat als een nachtkaars uitgaat

(door E.Laurillard)

(met dank aan Marc Blokland voor het sturen van de tekst)

In een diligence zaten negen mensen bij elkaar.

't Was een dag van grote hitte, en de lucht was drukkend zwaar.

Alles wat die mensen zeiden, kwam zowat op 't zelfde neer,

Niemand hunner sprak tenminste anders dan van 't hete weer.

 

Naast een jonge dwaze dandy, zat een onderofficier,

Nevens hem een rijzig zeeman, over dien een rentenier.

Naast de rentenier een nufje, als een uitgeknipte prent

En naast haar een burgerjuffrouw met een Amsterdams accent.

 

't Was een ruwe paardenkoper, die weer achter deze zat

En gewoon was zo te spreken of hij hoge ruzie had.

Aan zijn zijde een reizend hand'laar, in zijn spreken razend vlug

En daarnaast een rimp'lig besje, bevend en gekromd van rug.

 

"'t Is fameus !" zo spreekt de dandy, en daarbij wordt uiterst net,

Met twee vingers en twee duimen, 't kneveltje in de krul gezet.

"'t Is fameus vandaag meneren, etouffant is de atmosfeer.

Men gaat waarlijk languisseeren naar wat vocht, mijn woord van eer."

 

"Ja", zo antwoordt hem de zeeman, en zijn dasknoop zit al laag,

Maar hij trekt die nog wat lager, tot zowat de streek der maag.

"Erger nog dan in Oostinje, brandt de zon hier op je huid,

't Merg druipt weg uit al je knokkels, 't pek loopt al de naden uit."

 

"Ja, 't is warm", zo zegt de man nu die stil van zijn rente leeft

En wiens hals een hoge heining wit en helder om zich heeft.

"'t Is zeer warm", vervolgt hij keurig, of 't zo naar de drukpers moet,

"Anders is de zon zo lief'lijk, maar thans kwelt derzelver gloed."

 

"Stel je voor", zo zegt de krijger, trekkend aan zijn kinnebaard,

Hand'ling waar een ernstig fronsen van het voorhoofd zich mee paart.

"Stel je voor, 'k heb met zo'n hitte eens vijf uren gemarcheerd,

't Was wat ! maar in mijn carrièrre dient bepaald geobedieerd."

 

"Nou maar", sprak de paardenkoper op zijn oude ruzietoon

En zijn pet heel schuin gestoten, dekt zijn hoofd niet maar zijn koon.

"Nou maar, wat wou jullie praten, 'k leg hier de verklaring af,

Dat ik eens een dag beleefd heb, dat een paard geen schaduw gaf."

 

"'k Was op weg, ik wou wat schuilen achter 't peerd, maar ja toen scheen,

't Is zowaar als ik het je zeg hoor, 't zonnelicht er dwars doorheen."

"'k Weet nog wel", zegt nu het besje, en het bruine bovenvlak,

Van haar hand loopt langs haar neus heen "dat de mussen van het dak,

 

Zomaar morsdood kwamen vallen toen ik nog een meiske was.

En het vee kreeg 's zeumers koeken want er stond geen spiertje gras."

"Ja, enfin !" zo spreekt de hand'laar in een snelle woordenvloed,

"Zie je, een glaasje groc van bessen straks in 't posthuis, dat doet goed."

 

"Ik ben altijd reizend zie je, nu enfin dan kent men dat,

Groc en beiers, prachtig heerlijk van dat beiers, fris van 't vat."

"Och", zucht nu de burgerjuffrouw, "liefe mins, 'k bin so verhit,

't Mot wel sijn, sou 'k haast geloufen, dat 'k so an de sonsij sit."

 

"Op Uws plaassie is 't nog beiter, maar hier sweit een mins sich doud.

'k Mot U seggen, van mijn handen, loupt een plassie in me schout."

Van de hitte spraken allen, maar die ene stijve nuf ??

Wel die zei daarbij maar telkens, met haar zakdoek waaiend, "pfff."

 

In meer dan éne zin, maar ook door dit besluit,

Gaat dit verheven gedicht gelijk een nachtkaars uit !!!!!

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Een (W)raar verhaal

(met dank aan Dick Bouwman voor het sturen van de tekst)

 

Aan de hoek van een ronde tafel

Zat een pasgeboren oude grijsaard

Te lezen in een dichtgeslagen boek

Bij het licht van een uitgeblazen kaars

Die achter hem stond te flakkeren

 

Plotseling schrok hij op van een knal die er niet was

Sloeg zijn vrouw dicht

Gaf de kast een zoen

Rende de trap op naar beneden

Sprong op zijn horloge

Keek op zijn fiets hoe laat het was

 

En even later scheurde hij

Met een snelheid van 0,0

Door een rechte bocht

Van een kromme straat

Daar werd hij aangereden door een elektrische paardentram

Die juist benzine stond te tanken

Hij viel achterover op zijn buik, in een plasje zand

En drie dagen na zijn dood stierf ’t ie

Zodoende kwam hij drie weken te laat op zijn eigen begrafenis

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Van der Steen

 

Hoor mij aan, geacht publiek,

Mijn naam is van der Steen.

Ik ben geboren zoals U ziet,

Al met een derde been.

En waar ik ga en waar ik sta,

Daar roepen groot en klein:

,,Hoera, daar heb je een wondermens"

En ik zing mijn refrein:

 

Refrein:

‘k Ben Van der Steen,

Dadeldie, dadeldee,

Ik heb een derde been,

Dadeldie, dadeldee.

En waar ik ga en waar ik sta,

Kijkt iedereen me verwonderd na.

‘k Ben van der Steen, dadeldie, dadeldee,

‘k Heb een derde been.

 

’t Begon al op de lagere school

In de eerste klas.

Omdat er onder geen enkele bank,

Voldoende ruimte was.

De deugniet die naast mij zat,

Die trapte op mijn scheen.

Maar daar kon hij ook niks aan doen,

’t Kwam door mijn derde been.

 

Refrein

 

Ook op de zwemles ging ’t fout,

Daar in die grote plas,

Omdat er voor mijn derde been,

Geen enkele beenslag was.

En ging ik ook eens van de plank,

Dan kreeg ik op mijn trommetje.

De meester die werd kleddernat,

Want ik viel als een bommetje.

 

Refrein

 

In het leger was het fijn,

Daar kwam ik goed van pas.

Omdat mijn driepoot daar meteen,

Een heel goed afuit was.

Ik mocht schieten met een mitrailleur

En meteen ook sjouwe,

Een vinding van de kapitein,

En dat was onze ouwe.

 

Refrein

 

Ik ben bij de voetbal ook geweest,

Daar ging het er van heen.

Ik struikelde bij elke stap,

’t Kwam door mijn derde been.

En kwam er eentje heel goed voor,

Dan schreeuwde iedereen:

,,Hoera jij zet ‘m nog eens op,

Jij met je derde been."

 

Refrein

 

Ik heb een meisje ook gehad,

Maar die liet mij alleen.

Waarom? Ze raakte in de war,

Al met mijn derde been.

Maar dat op iedere pot een deksel past,

Dat geldt ook zeker hier,

Nou zoek ik er een met ene poot,

En dan hebben wij er samen vier.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


De Schepping

(met dank aan Gerard Elbertink voor het sturen van de tekst)

 

Toen onze Heer de wereld schiep,

Schiep hij de mensen fijn.

Hij schiep een man en vrouw,

En wat waren die twee blij.

Ze speelden samen tikkertje

En nog wat van die dingen,

Want er was geen belasting toen,

Dus deden ze niets dan zingen.

 

Refrein:

Trala lala la la

Trala lala la la

 

En Adam lag de hele dag

Met zijn blote mik in 't gras, ,

En Eva zei dat ie knapper,

Dan de knapste filmster was.

Ze zei als ik je kuiten zie,

Dan moet ik er van gillen.

En Adam pakte haar dan vast,

En sloeg haar voor de billen.

 

Refrein

 

De Heer zei: "eet maar raak,

Er is van alles zat.

Maar van die boom met Bellefleur,

daar word niet van gejat.

Want anders zal ik jullie vlug,

Van pot ver mopper,

Door Michael met zwaard ,

Mijn hof uit laten schoppen."

.

Refrein

 

Zij schudden met hun kop,

En riepen: "nee nee nee,

dat doen wij niet o Heer,

Daar doen wij niet aan mee.

Maar u weet de wil is goed,

maar 't vlees is zwakjes."

De duivel had een ander plan,

Hij zat al op een takje.

 

Refrein

 

Hij was gekropen in een slang,

en lag al op de loer.

Hij wachtte toen op Evalief,

die maakte haar retour

Hij sprak: "madamaselleke ,

wil jij een Bellefleurke ?"

Het vrouwtje sprak: "dat mag ik niet,

En kreeg pardoes een kleurke."

 

Refrein

 

De duivel hield nog even aan,

en Eva trapt er in.

Zo kreeg dat loeder van een slang,

weer lekker toch zijn zin.

En Eva holde op een draf,

naar Adam met een kreetje.

En sprak mijn lieve ouwe sok,

toe hap nou ook een beetje.

 

Refrein

 

Doch nauw'lijks had hij dit gedaan,

of plots betrok de lucht.

Ze bleven toen niet langer staan,

maar sloegen op de vlucht.

De Heer verscheen met groot kabaal,

en riep hen op het matje.

Ze bonden in hun haast nog gauw,

Voor hun buik een vijgeblaadje.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Waterloo, oftewel De Pijpekop

(met dank aan Bertus ten Bosch voor het sturen van de tekst)

 

Heer nadert oudje dat op een bank een pijp zit te roken.

 

Heer:

"Dag oudje smaakt het pijpje goed ?

Wat rookt die kop mooi door

't Is echte meerschuim naar het schijnt

Zeg op, wat vraagt ge er voor?".

                   

Oudje:

"Meneer die kop is niet te koop !

Ik kreeg hem eens cadeau

Op het slagveld van mijn kapitein

Die viel bij Waterloo".

 

Dat ging er daar geducht op los

Van 's morgens twalef uur

Tot 's avonds, zonder nat of droog

Toujours maar in het vuur".

 

Heer:

"Vertel me dat een andere keer

Toe geef me uw pijpekop !

Ik bied u er een goud tientje voor...

Wat draalt ge - kom zeg "top !"

 

Oudje:

"Ik ben maar een arme man, meneer

En heb een klein pensioen,

Toch, deed ge er duizend guldens bij,

Zou ik dien ruil niet doen.

 

Ik stond - gelijk ik zei - in 't vuur

En naast mijn zij - o God !

Kreeg onze brave kapitein

Vlak in zijn borst een schot.

 

Ik ving hem in mijn armen op

En droeg het gedrang hem uit,

Verbond zijn wond en zag met vreugd

Zijn stromend bloed gestuit.

 

Toen gaf hij mij deez' pijpekop

En ook zijn beurs vol geld

Hij drukte mij voor het laatst de hand

En stierf gelijk een held.

 

De beurs gaf ik een arm gezin

Wiens huis is afgebrand.

Zo dacht ik - maar de pijpekop

Komt in geen vreemde hand.

 

Sinds jaren reeds bewaar ik hem,

Gelijk een relikwie:

Zo dikwijls ik mijn pijpje rook,

Is het of ik hem nog zie".

 

Heer:

"Mooi, brave borst! - hoe heette hij

Die goede kapitein ?"

 

Oudje:

"Wij noemden hem steeds 'bestevaer'

Zijn naam was Van der Klein".

 

Heer:

"Ziet gij in 't bos die gevelspits...

Dat slot, daar woonde hij,

Het was mijn vader, beste vriend

Dat huis behoort aan mij !

 

Gij hebt mijn vader bijgestaan

In de ure van zijn dood......

Kom, brave, ga dan met mij mee

En eet voortaan mijn brood".

 

Oudje:

"Is 't mooglijk heer, zijt gij zijn zoon ?

En woont gij op zijn erf ?

'k Ga met u mee - de pijpekop

Krijgt gij als ik eens sterf".

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Het paardendek

(dramatische voordracht)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

De Kerstnacht was nauw aangebroken,

De lucht betrokken, guur en koud,

Een storm in 't Noorden opgestoken,

Huilde ak'lig door 't besneeuwde woud.

 

Een grijsaard met verkleumde handen,

Zat half verkleumd te klappertanden,

In 't eenzaam kamertje naast het slot,

En zond zijn morgenbeê tot God.

 

Toen stond hij op met wankele schreden,

Sloop hij bij elken stap vervaard,

De breeden trappen af naar beneden,

Waar vuur lag in de warme haard.

 

En zettende op een stoel zich neder,

Kreeg hij gevoel en warmte weder,

Maar sprong verschrikt op, toen vol gram,

Zijn zoon al vloekend binnenkwam.

 

Nog hier, wat warm jij je bij de kolen,

Voort, uit mijn oogen op 't oogenblik,

Reeds gisteren had ik u bevolen,

Je weet ik ben hier meerster, ik !

 

'k Zeg pak u weg geen tegenspreken,

Mijn wil is duidelijk u gebleken,

'k Jaag zoo gij niet goedschiks wilt gaan,

Straks met geweld u hier vandaan.

 

O God ! waar zal ik dan belanden,

Wees toch zoo wreed niet Boudewijn,

Zal ik dan naakt met leege handen,

In ballingschap gezonden zijn.

 

'k Heb dit slot slechts bij mijn leven,

Met al wat ik bezit aan u gegeven,

Geef mij voor 't minst mij arme man,

Een plaatsje waar ik sterven kan.

 

Wel sterf: maar 't moet niet hier gebeuren,

Zei schamper, lachend Boudewijn,

Gij moest, ik zou er niet om treuren,

Reeds lang een prooi der wormen zijn.

 

Wie zeventig of tachtig jaren

Bereikt mocht vrij ten grave dalen,

Wanneer kreeg anders oude bloed,

Toch d' erfgenaam zijn geld en goed.

 

Bedenk mijn zoon, bedenk dat heden,

Het vreugdvol Kerstfeest wordt gevierd,

En Hij die voor u heeft geleden,

In deze nacht geboren wierdt.

 

Ik bid u: wil toch eens bedenken,

Hoe menigmaal gij Kerstgeschenken,

Als kind uit mijne hand genoot,

En gij ontzegt mij dak en brood.

 

Maar 't was vergeefsch het angstig smeeken,

De grijsaard had den harden steen,

Eer dat het hart zijn zoons doen brelen,

Dat harder nog dan marmer scheen.

 

Hij sloeg door duivelswoede aan 't branden,

Aan zijn eigen vader zelfs de handen,

En sleurt, o gruwel ! die barbaar,

Hem naar de deur bij 't grijze haar.

 

Ach spaar mij ik zal het lot ontwijken,

Ik smeek dat gij alleen nog mij,

Uw mededoogen wil doen blijken,

In dit gestrenge jaargetij.

 

En ziet mijn rok is gansch versleten,

Verschoon mij dat ik mij durf vermeten,

Een kleed te vragen eer ik vertrek,

Dat beter voor de kou mij dek.

 

Die weldaad zal u wedervaren,

Sprak Boudewijn en keert terstond,

Zich tot zijn zoontje van tien jaren,

Dat luisterend zich bij 't vuur bevond.

 

De knaap ging heen maar werd bekeken,

Toen hij weer in 't vertrek verscheen,

Waar zijt gij toch zoo lang gebleven,

Wie heeft die deken door gesneên.

 

Ik, zei het kind om zich te dekken,

't Kon, dacht ik wel de helft verstrekken,

En d' and're helft -- welnu ? welnu ?,

Bewaar ik Vaderlief voor U.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 

 


Wij reizen in een broekje

(dit liedje wordt gezongen in een hele grote broek waar de zangers achter elkaar in staan)

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

 

Refrein:

Wij reizen in een broekje, van hier naar Afrika
Van China, Japan, Rusland en naar Amerika.
Wij reizen in een broekje, 't is werkelijk interessant,
Zo trekken wij dan samen, door dorp en stad en land.

Veel mensen zijn er die, een wereldreis gaan maken,
De ene voor plezier, de ander weer voor zaken.
Maar hoe men dan ook reist, per trein of vliegmachien,
Zoals wij vieren reizen, heeft niemand ooit gezien.

Refrein


In Parijs en ook in Londen, vond men 't een reuze mop,
Een politieagent die zette, de hele boel daar stop,
Zodat men toen kon kijken naar onze kwartenbroek,
Totdat wij waren verdwenen, alom die gindse hoek.

Refrein


In Japan en ook in China, daar hadden we 't reuze fijn,
We trokken daar in optocht, naar het paleis van de Mandarijn.
En gaf ons alle cadeautje, een heuse kwartetten po.

Refrein


Toen kwamen we in Rusland, met Bolsjewiek bewind.
Daar waaide door ons broekje, een koude noordenwind.
We trokken vlug weer verder, dat land was ons te dol,
We hadden daar in Rusland, heel gauw ons broekje vol.
 

Refrein

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


De schoonmaakmezérie

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Als het voorjaar komt en de zon begint te schijnen dan pikken de eerste zonnestralen mijn dierbare vrouw in de kop en dan wordt ze stapel krankzinnig.

Dan krijgt ze zo wat de geleerde noemen: het dielierium het zeepsopboeniwitania.

Dan beginnen haar ogen te schitteren en dan zegt ze: man, dat ben ik, man volgende week gaan we schoonmaken en je blijft.

Nou en als mijn vrouw zegt je blijft, dan zou ik nog wel eens een man willen zien, die dan nog weg durft te lopen.

't Is gewoonweg verschrikkelijk: eerst begint ze alle kamers leeg te halen, zodat je geen stoel meer hebt om op te gaan zitten, geen bed om op te slapen, geen gelegenheid om een boodschap te doen.

Dan komen de ververs, stucadoors, schoonmakers, schoonmaaksters en nog veel meer van die ongure individuen en dan begint het lieve leventje.

Dit jaar is het ook bijzonder erg geweest, zo erg dat ik in het kippenhok heb moeten slapen, maar de kippen en vooral de haan hadden er toch maar de pest over.

En mijn vrouw was de volgende morgen ook nog kwaad dat ik geen ei gelegd had.

En het eten wordt ook op allerlei manieren klaargemaakt, dat komt omdat de potten en pannen gepoetst zijn ziet u.

Dit jaar hadden ze aardappelen met snijbonen door elkaar in een zinken wasteil gekookt.

Nou kan mij dat niet zo veel schelen dat ze aardappelen met snijbonen in een zinken wasteil koken, maar ze hadden vergeten om mijn sokken er uit te halen en die hadden zeer doorgekookt en omdat het nou mijn sokken waren zei mijn vrouw dat ik ze maar op moest eten.

Dat heb ik natuurlijk weer moeten doen en de huishoudelijke boodschappen heb ik ook al moeten doen, maar of de duivel er mee speelt, altijd doe ik het verkeerd.

Gisteren moest ik eieren gaan halen, anders hebben we altijd eieren van onze kippen, maar onze kippen werden juist schoongemaakt, die stonden ook al in een soppie.

Afijn ik kom thuis met de eieren, mijn vrouw maakt een ei open en het is bedorven.

Toen wou ze hebben dat ik het ging ruilen, ik zeg: "Dat gaat zo maar niet dan moet je het eerst in de schil maken.

Stom idioot zegt ze wie kan nou een ei in de schil maken?

Ik zeg nou maar de kip heeft het toch maar mooi klaargespeeld en omdat ze nou niet uit kon staan dat ze nog stommer was dan zo'n doodgewone kip smeet ze met zo'n koffiekommetje naar mijn hoofd, een gat in mijn test haast zo groot als een riks, zo wat acht en veertig stuivers geloof ik.

En ik moet ook hard mee helpen aan de schoonmaakmezérie: ik moet spijkers slaan, gordijnen afnemen, ophangen, ik loop al met acht van mijn tien vingers in het verband, ik ben al een stukje van mijn grote teen kwijt daar is de hamer opgevallen.

En als nu de schoonmaak op zijn ergste is dan haalt ze er nog zo'n ouwe schoonmaakster bij ook, brrr dat is toch zo'n vreselijk mens, ik zag gisteren dat onze pendule stil stond, ik zeg vrouw denk erom dat je onze pendule schoonmaakt, dan zal ik hem aanstonds opwinden.

Aaaaaach zegt daar dat ouwe mirakel van een werkster: "Dat heb ik gisteren al gedaan mijnheer, ik heb hem helemaal in een warm soppie gehad."

Nou en tot overmaat van ramp hebben we nog de stofzuigmachine-explotatiemaatschappij in huis gekregen, is me dat een ellende, alles zuigt dat ding op alles verdwijnt erin, toen alles klaar was, was mijn zondagse broek weg, mijn vrouw haar gebit weg, mijn vrouw d'r haar weg, ons kleinste kind weg, allemaal opgeslikt door die stofzuigmachine. Toen heb ik die kerels een riks fooi beloofd als ze mijn schoonmoeder ook opzogen, maar dat ging niet, die kon niet door dat gleufje, dat sleufje zie je.

En het hondenhok heb ik ook al moeten witten, maar de hond scheen toch ook een hekel aan de schoonmaak te hebben, want hij deed  niks dan grommen en in de witkwast bijten, zo dat ik op het laatst niet meer wist waar de hond, waar de kwast of waar ik zelf was, ik wist er totaal niks meer van, ik was totaal de kluts kwijt.

Maar gelukkig hebben ze mij nu om een boodschap gestuurd en ik heb me vast voorgenomen om niet meer terug te komen voor de schoonmaak is afgelopen, ik vertrouw mezelf niet meer. En als ge hoort dat er vandaag of morgen een verver, stucadoor, een schoonmaker of een schoonmaakster is opgevreten dan kunde gerust denken dat ik dat gedaan heb.

 

 

Terug naar overzicht voordrachten