|
|
|
(met dank aan J.M. Folkeringa voor het sturen van de tekst) (in dialect) As boer Drent zien knecht ging vrij'n nam e altied 't schienvat mit boer docht:'t zal mie toch benij'n woar dai slungel altied zit. hai ging om 's aovms nao in 't duustern schienvat huilp hom gauw op glee hai heeurde Klaoa hail zahtjes fluustern, moar kon nait heur'n wat e zee 't schienvat hong wat schuun d'r boov 'n Nuvcer wicht zat naost de slaif Kloas zat zug moar oet te sloaf'n en dat wicht dee krek zo laif/ jonge, wat mot dai lanteern, geft dat nou pas? 'k vrijde vrouger ook wel geern, maor dat dee'k ast duuster was hou wort nou, loop ie te loer'n laot ie joen vrauw moar zo allain? zugst wel wicht, zo binn'n nou boer'n ken gain zun in 't waoter zain. waorom of 'k nait vrij in 't duustern nee moar, das mie ook 'n vroag 'k mag geern vrij'n boer en fluuster, maor 'k zai mien wichie ook wel groag. dat ie toun groag in 't duustern bleemn nou ja, as ik joen vrauw bekiek, den ken'k joe doar gain schuld in geemn. nee boer, ie haar'n groot geliek
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Alberta T van Dijk Imminga voor het sturen van de tekst) (Gronings dialect)
’t Was bie Jansen stil in schure, Noadat hai zien zwien har slacht. “k Mag mie achter nait meer zain, man”. Was dou voak zien jammerklacht. Ook zien vraauw mocht er nait over. ’t Hok leeg, aargerd’heur terdeeg. Vot, as ’t kon, mos Jansen zörgen Dat hai weer ’n bigje kreeg. Van zien waarklu heurde Jansen Op zien doageliekse loop, Dat er in het dörpscafeetje ’n Toom biggen was te koop. Zulfde middag nog, noa oldert, Was ol Jansen vot al doar En kwam noa ’n beetje pingeln Mit de zwienekoopman kloar. ’t Bigje wuir dou in ain zak stopt, Bleef eerst bie het zwienhok stoan. Boas wol eerst ‘n klokje kopen Kom toch zo noar huus nait goan. Moar het bleef er nait die aine Van ol Jansen wos men dat. Eerst nam hai ’n fladderakje En dou nog ’n stok of wat……… Flink bestoven ging ’t op hoes of En zien vraauw ruip: “Ba, doe zwien ! Hou komst doe zo slim bezopen ? Zitst weer vol mit brandewien ?” “Niks heur moeke”, zee dou Jansen, “‘k Heb allein ’n bigge kocht ‘d Allerbeste oet de koppel Dat hast doe van mie nait docht….. ‘k Docht, doe zolst wel bliede wezen. Laive tied, wat kikst ja wicht. Stoa nait zo te aggawairen, Hoal dien mond ais even dicht”. Toesterg ston zien vraauw te kieken Over ’t schot van ’t zwienehok. Dou heur man mit hail veul wurgen Aan ’n dik end zakbaand trok. ’t Lukte en de zak ging open Jansen raip: “Doar komt hai heur !” En ……..’n dikke grieze koater Schoot hom tussen bainen deur. Kastelain har hom dat leverd Dou hai doen zat in de kroug. Jansen kreeg de bienoam “Poeie”, Dij hai hail zien leven droug.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Martien van Dooren voor het sturen van de tekst)
Ik moet een opstel maken over het varken, maar dat kan ik niet. Ik heb het aan mijn vader gevraagd, maar die was pas naar een bruiloft geweest van tante Jans en die zei, dat hij wel iets over een "kater" kon schrijven, maar niet over een varken. Toen zei mijn moeder: "Jantje, je had het gisteren aan vader moeten vragen, toen hij terug kwam van de bruiloft. En toen kreeg vader een rooie kop en hij zei iets dat ik niet kon nazeggen, omdat ik nog te klein ben. Toen heb ik het aan mijn broer gevraagd om me te helpen, maar die had geen tijd, die moet 's avonds altijd Nelly van de bakker naar huis brengen en die is toch geen familie.... Het was toch beter dat hij voor zijn eigen zuster zorgde, want die moet altijd door een vreemde jongen naar huis gebracht worden, die haar niet kent, want hij zegt altijd "Snoes" tegen haar en ze heet Barbara...... Nu begin ik zelf maar aan het varken. Het varken Het varken is voornamelijk gemaakt van "spek".... Er zit een huid om met haar en dat heet "varkenshaar", omdat er borstels van gemaakt worden. Spek dat heel lekker is dat heet "ham", dat is aan de achterkant vastgemaakt, zodat het varken er zelf niet aan kan komen. Men kan altijd weten wat achter is bij het varken, omdat het daar niet "knort"..... Recht daar tegenover is de voorkant, daar is de kop gemaakt, omdat het varken daar eet. Met de darmen van het varken is het heel vreemd. De darmen zitten "in" het varken zolang het leeft, maar als het varken dood is doet men het "varken" in de darmen en dan heet het "worst".... Een varken dat helemaal in de war is heet "zult".... In het lijf van het varken zit de "frut", waar ze ook wel "blaas" tegen zeggen en daar kan men mee voetballen. Maar ik begrijp niet dat ze er zo'n groot ding ingekregen hebben, want waar het door moet is maar heel klein. Het varken is de vriend van de timmerman, want het zorgt dat het altijd een "pezerik" bij zich heeft. Die krijgt de timmerman als hij dood is. Ik bedoel het varken. Soep van het varken heet "snert". Daar doet men pootjes in, daarom raakt men er van aan de "loperij".... Een lekker stuk van het varken heet "krep". Daar worden de Pastoors mee "gevoed". Toen laatst ons varken is geslacht kwam de Pastoor en die zei dat het een mooi varken was. En dat ik mijn les heel goed kende, waar niets van waar was. En dat ik een heel mooi prentje mocht komen halen op de pastorie. Toen hij weg was zei ons moeder: "Zo'n prentje kan wel een "krep" kosten. Toen zei ons vader, dat de Pastoor wel kon "krepperen". Dat wil zeggen dat hij geen "krep" krijgt. Het varken is een "trekvogel", want het gaat naar vreemde landen om te sterven. Hollandse varkens sterven gewoonlijk in Duitsland. En de Duitse "varkens" in Rusland. Ze worden daar in een ijskast bewaard, die heet "Stalingrad". Er zijn verschillende soorten varkens. Een heel erg varken heet "zwijn". Een varken waar de boer kleine varkentjes bij zet heet "zeug". Kleine varkentjes moeten niets van de zeug hebben, ze bijten haar in het lijf en proberen zijn knopen van zijn pak af te trekken. Omdat ze zo geweldig te keer gaan heten ze "speenvarken". In vergat te vertellen dat aan het varken een staart is gemaakt, aan de kant waar het varken er mee uitscheidt. Dit is het "varken"..... Punt uit ! Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Diana Aarts voor het sturen van de tekst)
Men kan niet winkelen met een man, Hij zegt al bij de eerste hoed: "Neem die nou maar, die staat je goed." Hij wordt er zo verdrietig van, Maar ’t winkeltje van ijzerwaren, Daar blijft hij staan, al was het jaren.
Men kan niet roddelen met een man, Want hij vindt roddelen ordinair. Hij geeft zichzelf een ethisch air En dan is er zo weinig an. Dat Mientje een verhouding heeft, Dat is iets waar hij niets om geeft.
Men kan niet wandelen met een man, Hij schijnt het maar niet te bevatten, Dat wij geen peren willen jatten Met onze nieuwe swagger an. Men kan niet met hem op bezoek gaan, Want hij houdt zijn manchesters broek aan.
Men kan niet praten met een man, Zelfs niet over een soepterien. Hij vindt dat wij die soepterien Veel te emotioneel bezien, En hij bekijkt dat ding dus liever In een groot verband en objectiever.
Zodat ik soms de vraag toch stel: "Wat kan men met een man dan wél ? Nou ja, ... men kan....eventueel..... Maar toch, au fond, niet zooo heel veel.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst en Martien van Dooren voor de aanvulling)
Ik
ben juffrouw Jansen, ik woon op nummer vier
Een
mens moet toch eens praten en daarom kom ik hier Want ik heb thuis geen kind of kraai
Geen
hond geen kat of papegaai Ik voel me zo alleen Zo moederziel alleen Zo helemaal alleen
(deze
laatste drie regels worden door iedereen mee gezongen)
Ik
was een heel klein meisje uit een groot gezin
De
ooievaar bij ons vloog het venster uit en in
Drie
maal een drieling kocht mijn pa
Toen
kwam er dra een tweeling na Maar ik kwam heel alleen Zo moederziel alleen Zo helemaal alleen
Ik
groeide op tot bakvis eenzaam werd mijn aard
Dat
geflirt met jongens, dat was me net niks waard
En
al mijn zusters trouwden dra
De
ene voor de andere na
Maar
ik bleef heel alleen Zo moederziel alleen Zo helemaal alleen
Jaren
zijn vervlogen, grijzend werd mijn haar
Ik
werd toevallig gisteren twee en ...hum...tig jaar
En
nu 't me wel eens aan zou staan
Nu
kijkt geen enkele man mij aan
En
blijf ik heel alleen Zo moederziel alleen Zo helemaal alleen
Ik als juffrouw Janssen raad nu ieder meisje aan, Om maar zo gouw mogelijk een vrijer aan den haak te slaan. Want als je wacht tot later weer, Dan wil je wel maar het gaat niet meer. Zo moederziel alleen Zo helemaal alleen.
Ik
denk zo bij me zelvers, is op het ogenblik Hier een man die zich net zo eenzaam voelt als ik
(zoekt
iemand uit het publiek en kruipt op zijn schoot)
Zoekt
U een bootje voor z'n twee Neem mij dan mee, ik zeg heus niet nee
Dan
ben ik niet meer alleen Zo moederziel alleen
Deze voordracht kan door een persoon worden voorgedragen verkleed als een oud beste. Wat verlegen en treuzelend optreden. Verkleed als oude dame , met een hoedje op en een handtasje. De kleding diende uit de vijftiger jaren te stammen. Ik heb het wel eens voorgedragen en op het laatst ging op de schoot van een man zitten. Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Martien van Dooren voor het sturen van de tekst)
Het is zondag, klokgebeier Roept de schare ten kerke heen. Maar ondanks het biddend klokje, Blijft afwezig menigeen. Maar langs straten en langs grachten. Zwiert het beneveld hoofd op hol Zwerft naar kroeg en herberg, Het Godshuis leeg maar de kroegen vol. Zwerft naar kroeg en herberg, Het Godshuis leeg maar de kroegen vol.
Refrein: Och ik smeek U Dames, Heren, Och (Hik) wees toch niet zo laf. Hou toch op met onmatig drinken, Zweer de sterke dranken af.
's Maandags ijverig aan het werken, Na die zoete zondagsrust. Het is voor vrouw en kind ginder En dat geeft den arbeid lust. Maar hoe menig pakt er eentje, Eentje maakt geen hoofd op hol. Maar van eentje volgen er vele, Het werkhuis leeg, de kroegen vol. Maar van eentje volgen er vele, Het werkhuis leeg, de kroegen vol.
Refrein
Vroeger was men heel wat wijzer, Kloek ter hand en kloek van geest. Maar sinds men de borrel vulde ,Is het nooit meer zo geweest. Dadelijk leent de hand zich tot vechten, En het verstand gaat op den hol. Het tuchthuis is nooit meer ledig. Het gekkenhuis tot boorden vol
Refrein
Terug naar overzicht voordrachten
(Komische voordracht voor 1 dame) (met dank aan Martien van Dooren voor het sturen van de tekst)
Voordraagster stelt een "werkmeid" voor, gekleed in lange bonte schort, draagt pantoffels, slordig kapsel. In de ene hand een emmer, waarin een flinke natte spons en een dweil, in de andere hand een bezem. Op het toneel staat een bank. Komt langzaam lopend op en speelt verder zeer onnozel. Ze zingt zeer treurig:
Zes minnaars heb ik versleten. Nooit zal ik ze vergeten. Da 'k verliefd op hen allen ben geweest. Maar nooit gevierd heb met een van allen het huwelijksfeest.
(op de achtergrond is een pianist)
De pianist slaat de laatste toon hard aan. De "werkmeid" maakt dat ze bij de laatste toon bij de bank staat, valt dan verstrikt hierop neer, laat de bezem uit de hand vallen en zet met een harde slag de emmer voor zich neer, pakt de punt van haar schort en begint luid te snikken. Harder en harder, tegelijk steeds meer voorover bukkende boven de emmer. Neemt de natte spons uit de emmer en wringt deze achter de punt van de schort uit. Even later houd zij op met snikken en spreekt op huilende toon.
"Ja , dames en heren, je zou je zelve wat doen. Je zou er wat van krijgen. Als ik zo door bleef huilen zou de emmer gauw vol zijn en als ik de zaak goed beschouw is er geen een bij die een droppel van dat kostelijk vocht waard is. Ze hebben alle zes der lot verdiend, ik draag geen enkele schuld. De ellendelingen. Om een fatsoenlijke werkmeid van een nette komaf voor het lapje te houden. Ik heb me dan ook vast voorgenomen dat ik met de zevende vrijer goed uit mijn doppen zal kijken. Nummer zeven is het heilige getal, maar ik zweer het, als hij blijkt een schijnheilige te zijn, net als alle zes andere zijn geweest, dan gaat hij eraan, zo waar als mijn naam Jans van Ebscheuten is.
Nu zal ik jullie de droevige geschiedenis van die zes gewezen lieverdjes, ere aan de doden, ( staat op en buigt, gaat dan weer zitten ) vertellen en wel op een bekende wijs. Ik verzoek de dames en heren beleefd voor liefdevolle gedachtenis het refreintje mede te brullen.
(Wijze: Al is ons Prinsesje nog zo klein)
Mijn eerste minnaar heette Piet, Ja, Ja Dien ellendeling vergeet ik niet, O nee Dien ellendeling vergeet ik niet, O nee O, nee, O nee, O nee O, nee, O nee, O nee
Hij had een mooie krullenbol, Ja, Ja Maakte direct mijn kop op hol, Ha, Ha
Maar wat doet die ellendeling, O wee Hij bedroog mij met de zwarte Saar, Ha, Ha Ik zei: blijf jij maar weg voortaan, Ja, Ja En leg het met je Saartje aan, Ha, Ha
Hij vond bij Saar geen goede troost, O nee Want, hij tekende voor de Oost, Ja, Ja
En in het pak van Koloniaal, O wee Hing hij zich op aan een paal, O wee
Mijn tweede liefde heette Frans, Ja, Ja Daarbij had ik al dadelijk sjans, Ha, Ha
Maar och die deugde ook al niet, Nee, Nee Hij was nog erger dan wijlen Piet, Ja, Ja
Hij vree met To, met Sjo en Ko, Ja, Ja Met Josefien en met Katrien, Ha, Ha
Ik zei het natuurlijk dadelijk af, het was een feit Drie dagen later lag hij in het graf, wat een spijt
Hij had een kogel in het hoofd, het was waar Zijn leven was dra uitgedoofd, Ha, Ha
De derde minnaar heette Jan, Ja, Ja Daar kon ik ook al niet op aan, Ha, Ha
Hij stond bekend als een allemansvriend, het was waar Waaraan had ik het toch verdiend, het was raar
In zei, al is je Jans een sloor, Ja, Ja Loop jij maar met je Liefje door, Ha, Ha
Hij was een vijand van het water, Ja, Ja Toch vonden ze hem acht dagen later, Ja, Ja
Hij lag met zijn hooft tussen het riet, Ja, Ja En was zo dood als Frans en Piet, Ha, Ha
Ik dacht, ik kijk een beetje uit, het was waar Op zo'n manier word ik nooit de bruid, het is waar
En in de kerk daar zag ik Toon, Hoezee Zijn gelaat was hemels wonderschoon, Hoezee
Hij schreef er mij een mooie brief, Wat fijn Als nummer vijf werd hij mij lief, Geen gijn
Hij had rood haar en een grote bult, Ja, Ja Maar dat was toch niet zijn eigen schuld, O Nee
Opeens kreeg ik een slecht bericht, Het was echt Toon had de kerkbus gelicht, Geen recht
Ze zaten hem na tot op de markt, O wee Stak hij een mes dwars door zijn hart, O wee
Het bloed spoot meters in het rond, Het is waar Mijn Toon lag morsdood op de grond, Het is waar
Ik kreeg er kennis aan een Giel, Het is waar Die mij als nummer zes beviel, Het is raar
Hij was bijna twee meters lang, Dat is raar. Van mij was hij reusachtig bang, Dat is waar
Als ik hem zei, kom eens even hier, Ja, Ja Stond hij al te wachten drie kwartier, Ha, Ha
Hij vertelde veel, maar loog driekwart, O ja Hij noemde mij zijn lieve hart, Het is raar
Maar zijn gezwam, verveelde me gauw, Ja, Ja Ik liet hem staan met zijn gemauw, Ja, Ja
Hij stierf van verdriet en van chagrijn, Ha, Ha Van alle zes had hij het minste pijn, Ja, Ja
De geschiedenis hebt U thans gehoord, Ja, Ja Hoe ze alle zes zijn gesmoord, Ja, Ja
( staat op . neemt de bezem in de hand en wrijft er zachtjes overheen )
Ja, nu moet ik dadelijk weer aan het werk en dan zie ik Arjaan, mijn nieuwe kameraad. Hij is, evenals ik, aan het werk . Corveeër noemen ze hem. Dat is het deel als werkvrouw bij het Rijk. Ik denk wel dat ik hem aan zal houden. Je kunt nog eens goed samen praten over het vak. En als we getrouwd zijn maken we er een grote zaak van. Ik wrijf en boen en Arjaan draagt alles aan. Dan pas zullen we opschieten. Kom, opschieten Jans, naar het werk.
Vooruit nu Jans naar het werk gegaan, Hoezee Hij staat al te wachten mijn Arjaan, Hoezee Wij stoffen, wrijven en boenen te samen. Met de liefde zal het ook wel gaan Hoezee, Hoezee, Hoezee Hoezee, Hoezee, Hoezee
Terug naar overzicht voordrachten
(Oud Twents met eronder schuingedrukt de vertaling) (met dank aan Jan Eijsink voor het sturen van de tekst)
Der was een maol nen lepen boer, den had nen hazen in 't voer En woar den hazen ok meer zat, aloeter kloaver en moos mer vrat.
(Er was eens een slimme boer, die een haas voerde. En waar die haas ook maar zat, altijd klaver en boerenkool vrat.)
Ja daags nen schoefkoarre vol kaboes, te schoeven naor dat hazenhoes. (Ja, dagelijks een kruiwagen vol kool, bracht hij naar het hazenhok.)
Zien wief den sloog 't verdreet der in, en zeer dat ik dat deer meudig bin. Wis toe dat deer wal is gauw verkopen, of ik laot hum die warachtig lopen. (Zijn vrouw had er genoeg van en zei dat ze dat beest zat was. Ga dat beest gauw verkopen, of ik laat hem los.)
De boer sprak Greette knorrepot, Ik heb de kop zo vol verdrot. Ik zal wal naor 't hok hen gaon en hum in de nekken slaon. (De boer zei Greette mopperkont, daar heb ik zo'n verdriet van, Ik zal wel naar het hok gaan, en hem in de nek slaan.)
Wat wos toe 'm in de nekken houen? Loat 'm dan mar lever sjouwen. Want nen hazen den nig schotten is, den kuf gen menske, das gewis. (Wat wil jij hem in de nek slaan, laat hem dan maar liever gaan Want een haas die niet is geschoten, die koopt niemand, dat is zeker.)
Doe hes geliek zei Gait tot Greette. ik zal hum effen dood goan scheten. (Je hebt gelijk zei Gait tot Greette, ik zal hem even dood schieten.)
Toen ginge noar de boezemheerd, haalde 't oalle jachtgeweer, Vol van stof en vol van smeer,en ok de panne, dan gif 't nog pleer. (Toen ging hij naar de schoorsteenkast, haalde het oude jachtgeweer, Vol van stof en vet, en ook de panne (een klankblik) dan knalt het beter.)
Terwiel Gait de flinte oaver de schoalder sloog, haalde he de liene van de ploog. En met bedaardheid boond Gaitoom, den hazen an nen dikken boom. (Terwijl Gait 't geweer over de schouder sloeg, haalde hij de voerlijn van de ploeg En kalm bond hij de haas aan een dikke boom.)
Toen ginge der twintig trad vandan, en toen legne met de busse an. Kabaats!! o god wat nen pleer. Doar lag Gaitoom op de rugge met zien geweer. (Toen ging hij er twintig stappen vandaan en legde hij het gewweer aan Bang!! o jee wat een knal. Daar lag Gaitoom op de rug met zijn geweer.)
In plaats van 'n hazen trof he 't touw. Doe dommen ossen zeer ziene vrouw, Wal ie oe zo as schutter verklaoren, en smeet hum met een boeskool an de oorn. (In plaats van de haas trof hij het touw. Jij domme os zei zijn vrouw, Wil jij je zelf als schutter verklaren, en gooide hem een witte kool naar de oren.)
'n Hazen had de halve liene, mer doar integen, de minste piene. (De haas had de halve voerlijn, maar daarentegen de minste pijn.)
Terug naar overzicht voordrachten
De preek van pastoor van Scharrelebeek (met dank aan Dinette van Rosmalen voor het sturen van de tekst)
Het staat geschreven in de boeken, Ja in welke komt er niet op aan. Ten eerste we zullen het hebben over al te veel klagen, Dat jullie 's avonds knipdronken naar huis toe varen. Ten tweede over de oneerbiedigheid in de kerk. Mijn schaapjes, ik sta er van te kijken dat er meer zit in herberg of kroeg, Dan te lopen achter eg of ploeg. Dat scheldt en kijft op die arme vrouwen, Die de ganse dag maar sjouwen, Om die zatrebouwen in het leven te houwen, Maar eens zal het hen berouwen, Als de duivel komt met zijn klauwen Om hen op te vouwen en in de hel te douwen. Maar dan is het te laat, Als men het woord van de duivel versmaadt. Medeterende boerinnen ! Met jullie ijdelheid is het ook al veel te erg. Als ik 's morgens met weiwater door de kerk kom plassen, Staan jullie al klaar met zakdoek of boezelaar, Om die ventulle van mutsen te sparen. Maar was het maar jenever dan zouden jullie niet zo snauwen, En die bakkesen wel open houwen. Beste parochianen, Als ik onder het lof de relikwie Van de heilige Cornelis laat vereren, Dan komen jullie daar zo lomp aan, Dat ik wel zou willen zeggen, blijf maar buiten staan. Of ze vallen met die snoet zo op die relikwie Dat ik er al een met zijn lurven heb willen pakken Om hem buiten te trappen. Maar nu is het genoeg, komen jullie niet meer kan me ook niets schelen. Ik hoop dat de heer u zegent. Amen.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Martien van Dooren voor het sturen van de tekst)
Een voordracht voor een Man en Vrouw. Die als echtpaar optreden. Ze geven telkens elkaar de hand, maken soms een klein danspasje. Haneske en Trien. Het wordt gezongen, meer een combinatie van zingen en opzeggen. Het werd in het dialect voorgedragen. Wor = waar = wij zijn het samen eens Vijfde regel zien = zijn en de zevende regel nie = niet Als jongen van ongeveer elf jaar heb ik het mijn moeder een keer zien voordragen en heb het toen opgeschreven. Mogelijk is er een variatie van deze voordracht. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Samen: Goeden avond allemaal te samen.
Haneske: Hier is Haneske
Trien: En ook zijn Trien.
Trien: Wij willen U wat amuseren
Haneske: Maar vervelen dat zal niet zien.
Trien: Nee wor mijn Haneske vervelen is niet pluis.
Haneske: Nee wor mijn Trieneke wij vervelen nie. Wij dansen en zingen samen van 's Morgens tot 's avonds in huis.
Refrein:
Trien: Nee wor mijn Hanneske
Haneske: Nee wor mijn Trien
Samen: Wij dansen en wij zingen (hier kunnen ze elkaar in de arm nemen) Van 's morgens tot 's avonds (een naar voren en de ander naar achter) Het Drumse paar (gericht en zo een paar keer omdraaien)
Trien: 's Zondags gaan we samen
Haneske: Door de Dorpstraat gearmd en wel
Trien: Overal waar wij komen
Haneske: Riepen ze wat een aardig stel
Trien: Ja wor mijn Haneske we voelen ons zo thuis.
Refrein
Trien: Nee wor mijn Trieneke bij ons is geen abuis
Haneske: Is het tijd om de beesten te voeren
Trien: Dan is Hanneske van zesse klaar
Haneske: Bij het melken komt er wat loeren
Trien: Is de bonte soms niet handelbaar Ja wor mijn Hannske wij voelen ons zo thuis
Haneske: Ja wor min Trieneke bij ons is geen abuis.
Refrein ( einde )
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Harry en Els van Engelen voor het sturen van de tekst)
Twee dames hadden vakantie en zij wilden deze vakantie eens anders doorbrengen dan zij gewoon waren. Zij schreven op een advertentie waar een pension werd aangeboden. Een ding stond er echter niet bij: was er wel een WC in het huis. Ze schreven nogmaals naar de pensionhoudster, maar deze wist niet wat de letters WC betekenden en daarom ging zij naar de dorpsonderwijzer, maar ook deze kon haar met al zijn geleerdheid niet helpen. De dorpspastoor bracht uitkomst door te zeggen dat WC waarschijnlijk Wood Chapel (= Boskapel) betekende. Toen ging er een brief terug met de volgende inhoud.
Mijne dames, Met antwoord op uw schrijven kunnen wij tot uw geruststelling mededelen dat wij in het bezit zijn van een WC die er keurig uitziet. Deze WC bevindt zich in het bos ongeveer een kwartier van ons hotel. Zij is buitengewoon rustig gelegen en biedt plaats voor ongeveer 60 personen. De stoelen zijn van lederen zittingen voorzien. Alleen vrijdags is de WC geopend. De bijeenkomst is om 7 uur. Men wordt verzocht op tijd aanwezig te zijn en direct te gaan zitten, zodat men allen tegelijk kan beginnen. Ter begeleiding is er een orgeltje aanwezig. Een persoon begint en dan vallen de anderen in. Tijdens de dienst moeten allen blijven zitten, daar heen en weer geschuif irriterend werkt op het verloop. Er wordt gelijk geëindigd. Als men eventuele kledingstukken wenst uit te trekken kan men deze afgeven, alvorens het gebouw te betreden zodat men zonder geruis kan gaan zitten. Ik behoef er natuurlijk niet op te wijzen dat de WC zo rein mogelijk gehouden moet worden en dat snippers papier in uw tasje moeten worden gehouden.
Hoogachtend De Pastoor namens de Dorpsgemeente Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Frans Pennings voor het sturen van de tekst)
Hier is Kwik en Kwak het vriendenpaar en we leven voor plezier. Men ziet ons altijd bij elkaar, geen noodlot scheidt ons hier. Wij zijn ook eender van kledij en ook eender van humeur. En bloost soms Kwik geloof me vrij, dan krijgt ook Kwak een kleur
Refrein 1: Ja wat er ook met ons geschiedt, we zijn steeds bij elkaar. Verlaten doen we elkander niet al worden we ook honderd jaar. We kennen geen kommer en verdriet geen zorgen of ongemak. En waar wij komen roept elkeen Hier hebben we Kwik en Kwak. En waar wij komen roept elkeen Hier hebben we Kwik en Kwak.
Laatst waren we eens in den Haag en we gingen in een fijn café. We hadden beide een lege maag en we bestelde een fijn diner. Maar toen hij met de rekening kwam was ’t drommels wat een kruis. Mijn beurs die ligt in Amsterdam, ik vergat ze per abuis.
Refrein 2: Ja wat er ook geschiedt, wij zijn steeds bij elkaar. Verlaten doen we elkander niet al worden we ook honderd jaar. We kennen geen zorgen of verdriet al hebben we geen cent op zak We leven dan maar op krediet Eenieder kent Kwik en kwak We leven dan maar op krediet Eenieder kent Kwik en kwak
Laatste waren wij in Afrika aan ’t wandelen in de woestijn. Wij ontmoetten daar een leeuw kolosaal. Hij sprak vriend Kwik je bent de mijne. Ik sprak heer leeuw wilt gij ons doden, neem dan beide of geen een. Maar die hap die scheen hem wel wat groot en hij liep toen kwispelend heen.
Refrein 3: Ja wat er ook met ons geschiedt, wij zijn steeds bij elkaar. Verlaten doen we elkander niet al worden we ook honderd jaar. We delen samen ook in ’t gevaar, tot zelfs in de woestijn. Men vindt er zulk een vriendenpaar Geen dertien in een dozijn Men vindt er zulk een vriendenpaar Geen dertien in een dozijn
Kwik werd verliefd in Amsterdam op een meisje van twintig jaar. En toen hij om ’t jawoord kwam, was ’t zaakje dadelijk klaar. Ik sprak vriend Kwik, ’t gaat, zo ’t gaat, maar ik blijf u eeuwig trouw. We delen samen beste maat al is ’t ook een vrouw.
Refrein 4: Ja wat er ook met ons geschiedt, we zijn steeds bij elkaar. Verlaten doen we elkander niet al worden we ook honderd jaar. Heeft Kwik soms in een meisje zin Kwak hoort er dan ook bij. We nemen ze dan maar tussen ons in en lopen zij aan zij. We nemen ze dan maar tussen ons in en lopen zij aan zij.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)
Hoogedel po, o roem van alle tijden, Aan jou wil ik mijn eerbetoon wijden. Ik weet dat jij trouw aan je plichten, Zo menige druk wist te verlichten. En was de nood soms hoog gestegen, Jij was tot redding steeds genegen. Het is bekend dat jij, zonder klagen, Ons altijd edelmoedig hebt gedragen. Ook hoe gele, zwarte, bruine en blonden Bij jou immer verlichting vonden. Helaas ik weet, o schoonste pot aller potten, Dat men vaak met jou ging spotten. O, onmisbaar stuk in huiselijk leven, Wil jij ons dit euvel vergeven ? Och dat de mensen op deze aarde, jou zouden respecteren naar je waarde. Hoe roemrijk is jou verleden. Jij was ons voor in krijgskunst of in listen, Explosies heb jij meegemaakt voor wij van buskruit wisten. Trommelvuur hebt gij reeds opgevangen, Toen wij nog pijl en boog aan ons lichaam hadden hangen. Ook toen wij gifgassen hadden uitgevonden, Wist jij, o po, dat ze reeds lang bestonden. Ja, men gebruikte jou steeds vol vertrouwen, En de dingen kreeg je te aanschouwen. De armen en ook de rijken, Lieten jou hun achterste bekijken. Je zag ze groot, je zag ze klein, van vorsten en vorstinnen, Je zag ze met en zonder puisten, je zag ze van hele gezinnen. En of je ze nu zag geheel en al verschrompeld, Jij bleef jezelf, jij werd nooit overrompeld. Helaas kreeg je van alle naties, Als dank slechts stank voor jou prestaties. Och dat de komende nageslachten, Hier nog eens verandering in brachten. Maar ga toch voort, draag gewillig steeds je lasten, En val niet om als wij in het donker naar jou tasten. Dan kan het zijn dat jij in beter dagen, Met goud wordt beslagen.
Terug naar overzicht voordrachten
|
|