SeniorPlaza

 

Een flater geslagen

(met dank aan Gijs Verhulst voor het sturen van de tekst)

 

Heb ik me van de week toch een flater geslagen,

Moet je horen wat me is gebeurd.

Ik zit in een cafetaria,

Komt er een juffrouw binnen.

Echt een juffrouw waarvan je zegt:

"Hé, daar komt een juffrouw binnen."

Ik denk net: "Hallo !!!",

Laat ze een oogje op me vallen.

Ik kijk net naar dat oogje,

Komt er een flater binnen.

U kent het type wel,

Zo'n echte onbehouwen vromeloze flater.

Nou heb ik van huis uit iets tegen flaters.

Ik ben al een hele tijd van huis,

Maar dat iets dat heb ik nog steeds.

Komt ie nog naast me zitten ook,

En net wat ik dacht we krijgen mot.

Tjonge, tjonge wat een mot was dat,

Ik heb van mijn leven nog nooit zo'n knots van een mot gezien.

Maar nou de brutaliteit van die flater,

Laat hij die mot vliegen !

Nou is het net zo goed mijn mot als de zijne

En hij laat hem vliegen !

Heeft hij trouwens moeten bezuren,

Want ik heb die flater geslagen, geslagen, ontzettend.

Hij wist op den duur niet meer waar hij het zoeken moest.

En ik wist niet eens wat hij zocht.

Maar, terwijl ik zo om me heen kijk,

Zie ik weer dat oogje dat die juffrouw op me heb laten vallen,

Het lag nog steeds op dezelfde plaats.

Ik kijk er nog eens goed naar

En meteen ben ik de kluts kwijt.

Ik ben nu al drieënzestig jaar

En van mijn vierde heb ik al een kluts.

Zit je ineens zonder kluts,

Zie je al die mensen allemaal met een kluts

En ik zat zonder.

Nou ik zat danig in mijn piepzak.

Zeg maar dat is een benauwd gevoel,

Heb u wel eens in uw piepzak gezeten ?

En je kan er niet uit,

Ik zag er tenminste geen gat in.

En je wordt er zo nerveus van,

Want steeds hoor je maar dat klagende piep, piep, piep van die zak.

Ik kreeg er op den duur een punthoofd van, zeg maar.

Dat was mijn redding,

Want toen stak ik met mijn punthoofd een gaatje in mijn piepzak

En toen kon ik er weer uit.

Dat moet een heel gek gezicht geweest zijn,

Of dacht je van niet.

Als je ineens iemand met een punthoofd uit een piepzak ziet kruipen.

De mensen er omheen schrokken zich een hoedje !

Heb ik zo'n hoedje afgepikt en op dat punthoofd gezet,

Zag je het niet meer zo erg.

Maar hoe vind je nou de houding van zo'n snert flater?

Kom ik, nog wit van schrik natuurlijk, uit mijn piepzak,

Probeert die flater me een loer te draaien.

Nou heb ik een neef die heeft een draaibank,

Heb ik dikwijls bij staan kijken,

Dus ik zag meteen dat die loer helemaal verkeerd gedraaid was.

Het was geen jofele loer,

Nee het was een echte sof loer.

Ben ik kwaad geworden,

Ik vlieg op die flater af

En grijp hem in zijn lurven,

Grijp ik in mijn zenuwen veel te hard,

Hou ik alleen zijn lurven in mijn handen.

Nu heb ik zelf twee van die dingen,

Dus wat moet ik er nou mee doen.

Nou, door al die flauwekul heb ik me danig zitten opwinden,

Ben ik eerst een poosje gaan aflopen.

Ik kreeg er op den duur gewoon tabak van en ik rook niet.

Weet je wat nou zo moeilijk is met zo'n verhaal ?

Zo'n verhaal, je kan er niet mee ophouden.

Ik kan nou de plaat wel poetsen,

Maar dat is ook geen gezicht.

Weet je wat ik doe, ik spreek jullie nog wel.

Ik draai er een punt aan.

Modjooi !

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Van de bedrogen bruidegom

(Op eene onaangename wijs)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Jonge Luidjes ! hoort deez´ klucht,

hoe een schraalhans daaglijks zucht,

Om een Vrouwtje met braaf geld,

Want daar was hij op gesteld.

Hij had al een vrouw versleten,

En was weduwnaar wilt u weten,

En nu voor de tweede keer;

Wou hij trouwen na begeer.

 

Hij bedacht een groote list,

Want zijn geld had hij verkwist.

Hij vrijde met een meisje teer;

Meer om het geld dan om haar eer.

Het meisje dacht: zij kreeg een goeije;

Want hij pochte op zijn koeijen,

En zijn paarden en rijtuig,

Hij wou haar ligten van den huig.

 

´t Meisje was ook bij de hand.

Kwam bij hare rijke galant,

Om zijn schatten eens te zien,

Die hij haar kwam aan te bien.

Maar een boer die naast hem woonde,

Met een list zijn schat haar toonde.

En die zei tegen haar,

´t Is een rijke weduwnaar.

 

´t Meisje was zeer wel te vree,

De buur sprak: hij heeft een hofstee,

En veel koeijen, paarden, fraai,

Zij geloofde deze draai;

En dacht een rijke man te krijgen,

Een ander kon deez´list niet zwijgen,

Die hij hoorden na korte tijd,

Hoe zij danig wierd misleid.

 

Als zij hoorde den rijkdom.

Van haar lieven bruidegom,

Gaf zij spoedig hem het woord,

En haar hand op trouw akkoord,

En op een dag drie geboden.

Waarbij kwamen veel genooden,

En den trouw was vastgesteld,

Met den Bruigom zonder geld.

 

Op zijn trouwdag 's morgens vroeg

Toen zijn hart van vreugde sloeg,

Was de bruidegom gereed,

In zijn allerbeste kleed.

Met twee paarden voor de wagen,

Die hij leende voor twee dagen,

Daarmee reed hij naar zijn bruid.

Maar toen kwam zijn armoe uit.

 

En het bruidje was niet dom,

Ze zei aan haar bruidegom,

Waar wil jij nu met mij heen,

Wilt jij trouwen,  trouwt alleen.

Want jij kan te kunstig liegen,

En gij dacht mij te bedriegen,

'k Ben niet op uw schat gesteld,

Adieu bruigom ! zonder geld.

 

De bruigom die zat in den brand,

Want hij overdacht zijn schand,

En een ieder lachte hem uit,

En de bruid had hem gebruid.

Hij kwam thuis met paard en wagen,

Dorst zijn nood aan niemand klagen,

Met de handen in het haar,

Bleef hij arme weduwnaar.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Pierlala

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Komt hier al by, aenhoort dees klucht:

het is van Pierlala,

een drollig ventjen vol genucht,

de vreugd van zyn papa.

Wat in zyn leven is geschied,

dat zult gy hooren in dit lied:

't is al van Pierlala, sa sa !

 

Zoo zeer was Pierlala bemind

van vaertje en moertje t' saem;

zy zeyden: ‘hoort eens, lieve kind,

ons eenigen erfgenaem,

gy word haest meester van ons goed;

daerom ziet wel toe wat gy doet !’

- 't Is wel,’ zey Pierlala, sa sa !

 

‘Papatjen, maek u maer van kant,

dat ik uw schyven heb;

ik zal my draegen heel galant

gelyk een water-snep.

'k Wil met den bek in 't nat ook zyn,

altyd verheugd in bier of wyn!

't Moet op!’ zey Pierlala, sa sa !

 

Maer als nu was den vader dood,

och armen! Pierlala

die heeft zyn vrienden al genood

op 't uytvaerd van papa.

Hy hielt niet veel van lekkerny,

hy gafze t' eten pap en bry;

‘'t is bon,’ zey Pierlala, sa sa !

 

De vrienden smeirden daer in huys,

voorwaer zoo lange, tot

hy docht: nu wil ik dit gespuys

weêr voeren naer hun kot,

eer ik raeke al myn schyven kwyt,

want 't is, ma foi, al meer dan tyd;

‘adieu !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Als Pierlala nu was alleen,

wilde hy uyt vreyen gaen;

hy docht: ik zal zoo wel getween

als maer alleen bestaen;

en ziende een meysjen na den zwier,

vroeg: ‘wilde trouwen, gy lodderlyk dier ?

Zeg jae !’ zey Pierlala, sa sa !

 

‘Ik hebbe geld en goed genoeg

voor u,’ zey Pierlala;

waer op dat aerdig meysjen loeg

en zeyde aenstonds: ‘jae,

maer 'k wil dat gy my preuve doet

en blyk van uw opregt gemoed.’

‘Sa, komt !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Dus Pierlala bood geld courant

en trouwde met de bruyd;

hy hield ook bruyloft heel plaisant;

maer 't was haest blydschap uyt,

als hy alomme wierd gevraegd

en van haer crediteurs geplaegt,

‘Dat 's kael !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Daer van wierd Pierlala zoo dul,

dat hy raekte op den loop,

en met zyn makkers in den krul

liep zuypen stoop by stoop.

Als hy dan t' huys kwam vol en zat,

hy gaf zyn wyf een schop in 't gat.

‘Hou daer !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Omdat dit hem stak in den kop,

heeft hy veel geld vertiert;

maer als zyn schyven waeren op,

sprak hy: ‘ik ben geleerd

hoe dat van trouwen komt profyt;

ziet daer, ik ben myn schyven kwyt.

't Is op !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Als hy had al zyn geld verbruyd,

dan wist hy geenen raed;

als hy om troost ging, elk was uyt:

dan stak hy zich soldaet.

Maer, als hy exerceerde dan,

en aenleyd op een halven man:

‘poef, paf !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Als Pierlala stond op schildwagt

met zyn gelaeden roer,

hy zag in 't duyster van den nagt

den duyvel of zyn moer;

hy riep al beven: ‘qui va la ?’

maer 't spook en vraegde daer niet na.

‘O dood !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Hij klom van angst op eenen boom,

en hy viel op den grond;

ja, zoo vol schrik en grooten schroom,

liep hy van daer terstond;

zag een weirdinneken in haer deur

met eenen witten voorschoot veur: 

‘hier in !’ zey Pierlala, sa sa !   

 

‘Sa tapt al gauw een kanne bier

of wel een pinte wyn!

want ik ben door oen leelyk dier 

geraekt in angst en pyn.’      

't Weirdinneken zette hem by het vier

en kookte een zuypken met plaisier.

‘Sa bon !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Want Pierlala die deelde geld,

zyn moeye die was dood;

hy docht: ik ben nu weer hersteld

en raeken uyt den noot, 

waer ik van de soldaetery !

maer hoe zal ik nu raeken vry ?

‘'k Weet raed,’ zey Pierlala, sa sa !

 

 

Als hy dat zuypken g'eten had,

sprak hy: ‘'k ben nog meer krank !

't Is aen myn hart, 'k en weet niet wat,

'k en leef geen ure lang!’

Hy maekte dan zyn testament

aen al de vrienden die hy kent.

‘Ik sterf,’ zey Pierlala, sa sa !

 

Alsdan wierd Pierlala gekist

met bey zijn billekens bloot;

want niemand anders docht of wist

of Pierlala was dood.

Hy werd begraven met de trom,

de klokken luyden al bim bom bom.

‘'t Gaet fraey,’ zey Pierlala, sa sa !

 

Als men dan naer de kerke kwam,

elk zey: ‘'t is Pierlala !’

Men hem al van de baere nam

en leyden by zyn papa.

De vrienden zeyden al: ‘kom, kom!

de dooden en komen niet wederom!’

- ‘Ik wel !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Als hy nu was in 't graf, den tyd

van ontrent een halve uer,

de vrienden gingen meer verblyd

als droef te saemen deur;

hy schupte 't deksel van de kist

en kroop er uyt dat 't niemand wist:

‘Ik leef !’ zey Pierlala, sa sa !

 

En Pierlala ging regt naer huys

en vond zyn naeste bloed

en vrienden, met een groot gedruys

daer twisten om zijn goed.

Hy greep den bessem met'er haest;

al die hem zag, stond zeer verbaest !

‘Hier uyt !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Pierlala nu was hersteld,

verzoende hy met zyn vrouw;

hy kwiste voorts niet meer zyn geld,

maer leefde in liefde en trouw;

en als'er van zyn volk noch kwam

hem vragen: ‘zyde op ons nog gram? ’

- ‘Dat 's uyt !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Maer als de vrienden hem consuys

flatteren kwamen, dan

zey Pierlala: ‘ik ben hier t' huys

voorwaer als eerlyk man;

als ik zocht troost in mynen nood,

niemand gaf my een bete brood.

Foert, foert !’ zey Pierlala, sa sa !

 

En was er iemand stout genoeg

van nog te komen na,

om hem te vraegen, laet of vroeg:

‘jaegd weg !’ zey Pierlala.

Dus leefde hy voords in peys en vré

tot een exempel van de sté.

‘'t Was best !’ zey Pierlala, sa sa !

 

Dus vrienden, die dees raere klucht

hebt g'hoort van Pierlala,

volgt hem in 't goed doen met genucht,

maer niet in 't kwisten na;

wilt gy in vrede leven hier,

met Pierlala verlaet den zwier.

Scheyd uit ! met Pierlala, sa sa !

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Bloemenkoopman

(met dank aan Desiree voor het sturen van de tekst)

Ik zie het al, hier moet ik wezen !

Ja, hier moet ik zijn,

Hier zul je wel willen kopen

Van mijn bloemetjes lief en fijn.

 

Ik liep te dwalen door de straten

Met mijn bloemen in mijn arm,

Toen ontmoette ik een dame

En die zei, “Ach koopman arm,

Wil je van mijn bloemen kopen ?

Ach, ze zijn zo lief en fijn,

Bloemen zoals er geen mooiere zijn.”

 

Ziet ge daar dat verlichtte venster ?

't Is daar feest, ga daar eens aan

En nu ziet u in uw midden een bloemenkoopman staan.

Wil u van mij bloemen kopen ?

Ach ze zijn zo lief en fris.

Bloemen schenken altijd vreugde,

Vreugd maar ook geluk, gewis.

 

Ik heb ze gekweekt in de zon,

Telkens gegoten met nat uit de bron.

“Bloemen ! Koop bloemen, want geen mens in de stad,

Heeft in zijn huisje ooit mooiere gehad.”

 

En tussen de muren, waar het grasplantje kwijnt

En waar hele dagen het zonlicht niet schijnt,

Turen geen bloemen, zo lief en fris,

Terwijl het daar dompig en akelig is.

 

Daarom lief bruidspaar schenk ik u deze bloemen nu,

Ik wou ze eerst verkopen, maar nu geef ik ze aan u.

Leef als deze bloemen, zo lief en rein,

Laat dit een streven voor uw latere leven zijn.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Sermoen van Pater Brom

(W.J. van Zeggelen 1811-1879)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ora et labora ! is de spreuk, die tot tekst me zal zijn,
Lieve hoorders ! Maar wat praat ik ? Je verstaat geen Latijn;
Want bij Sint Japik, met je hersens is ’t aaklig geschapen;
Zie me die kwezels eens aan zitten gapen !
Ja, ’t is waar, wat ik dikwijls aan jelui heb gezegd:
Je bent zo stom als een eend, zo de baas als de knecht:
’k Wil dan zeggen dat je wat meer een goed woord moest gaan spreken,
En de knuisten terdege uit de mouwen moest steken,
Want jelui armzalige zielen zijn er bitter aan toe,
En je luiwammes, zowaar, is het werken mooi moe !
Je zit liever in ’t Vinkje bij Pieter Pokdalig,
Jou vadsig gebroedsel ! 'Het werken is zalig !'
Zeide eens een gefifte, verstandige Jood,
’k Weet nou zijn naam niet, al sloeg je me dood,
Maar dát weet ik wel, dat geen van jou allen zo leep is,
En de kerel al jaren en dagen om zeep is,
Maar je zoekt je zaligheid in de drank en in ’t spel !
Zeg, jelui op het achterste bankje, versta je me wel ?
Ja, ’k zie het wel, ploerten, hoe je ginds zit te gapen,
Je zit in mijn heilig sermoen weer te slapen !
Heeroom, denk je, is wat kippig, hij zal hier ons niet zien,
Neen, apen, tot zelfs in de kroeg kan ik jelui wel bespiên.
Of dacht je niet, dat ik het wist, dat je bij dagen en nachten
Aan het spel je verslaaft ? Want des avonds na achten,
In plaats dat je dan aan je pap zou gaan zitten, als ordent'lijke lui,
Zit je met de troef in de kneukels en geeft van je zaken de brui !
Op de tijd dat fatsoenlijke mensen naar kooi gaan,
Ziet men gewoonlijk jelui eerst terdeeg aan de pooi gaan;
'Kom kom!' zeg je, 'een glaasje dat hoort bij het spel,
’t Is goed voor de kramp, en Heeroom pakt ’em wel ?'
Zwijg, zondaars ! Eén glaasje, wie zou ’t je beletten ?
Maar ’t is of jelui je ziel op jenever wilt zetten,
Zo neem je ze meestal, en nooit heb je genoeg;
’t Is immers nooit leeg bij Piet Pok in de kroeg ?
'Maar Patertje,' zeg je, 'we mogen ons toch wel eens even verluchten !'
Ei, maar je zegt niet, dat je ze thuis naar de centen laat zuchten !
'We jassen of kienen, dat onschuldige spel !'
Wat zeg je daar, onschuldig ? dat lieg je, versta je me wel ?
Was ’t nog om een cent, ’k zou zeggen: ga je gang maar,
Dat was een kleinigheid en ja, die was gangbaar,
Maar een dubbeltje in de pot, waar duivel moet dat heen ?
En bleef het bij een dubbeltje, ’k zweeg nog, maar neen !
Zelfs om een kwartje ! Zeg, waar vandaan moet je ’t halen ?
’t Was beter dat je dacht hier je plaats te betalen.
En dan, denk eens na, wat verzuim je niet thans ?
Dat vloekbare spel, Temere Litigans !
’t Is de pest voor je ziel, ’t is ’t verderf in je zaken;
Want terwijl jelui je kien en je troef zit te maken,
Bederft soms je boter en je room die wordt zuur;
Daarvan alleen wordt de zoetemelkse kaas thans zo duur.
Door het spel krijg je dus aan je zaken een hekel,
En je werkt zo je zelf helemaal in de pekel,
En zo waar als ik voor je sta, je wordt spoedig de bloed,
En je gaat eenmaal naar lichaam en ziel nog bankroet.
Verlaat dus het kienbord en de kaart, dit vermaan ik;
’k Weet wel, je zegt: '’t Is weer ’t oude gezanik,
Pater is vandaag niet te best op zijn dreef,
Laat de oude maar babb'len, zijn mutsje staat scheef !'
Hoe denk je dat ? jou onchristelijke draken,
Is het dan mijn plicht niet om jelui ziel te bewaken ?
Daar had je Sint Remaclus, een man van verstand,
Wat had die aan ’t spel en jenever het land !,

En stond in mijn plaats hier eens even Sint Truien,
Die zou ’t, bij me stool, je wel anders beduien;
'Maar Patertje,' denk je, 'is een ziel, is een bloed !'
Ja, ’k weet het wel, ’k ben te gek met jelui, armzalig gebroed,
Maar ’k zal op die snorrepijperijen wat beter gaan letten:
Jaap de koster zal 'k aan de herberg op d’ uitkijk eens zetten,
Doch wee hem die koster eens proeven laat, hoor !
Want ja, ’t is een goeje, geduldige sloor,
Maar soms is hij ook al van ’t hondje gebeten;
Door hem kom ik meer van het fijne te weten:
En daarom pas op ! of ik vervolg je te zwaard en te vuur,
En je krijgt bij me zolen het lapje niet duur !


En jelui, die zo dikwijls me aan ’t hoofd lamenteren,
Dat ik toch aan je mannen de kroeg zou verleren —
Al heb ik aan jelui nog het woord niet gewijd,
Te weerga, denk maar niet dat je allemaal engelen zijt !
Want ging ik jelui eens op de keper beschouwen,
Och, heilige Jeroen ! och, wat zou ’t je berouwen !
Dan toonde ik je snapsters en snoepsters gewis bij de vleet,
Die ’t elfuurtje bij buurvrouw gaan pakken, zo ’t heet;
En degeen die maar leven om opschik te kopen —
Met natte vinger kon ik ze, als ik wilde, belopen;
Jelui bent ook al lieverdjes, je hebt al te veel praats !
Pas wat beter op de pot, en blijf met je mans goede maats,
’t Is waar, het zijn brokjes de meesten, maar och, jelui weet er
Ook al aardig mee om te gaan, en dat maakt de lorren niet beter !
Help ’s avonds wat gauwer dat schreeuwlijke vee van de vloer,
Dat wilde gespuis maakt tot laat een leven van Joost en zijn moer,
Zelfs in mijn pastorij hoor ik ze blerken en razen,
Wel, slaat ze op ’er tabberd, die kleine katazen !
Je maakt met zo’n warboel de mannen maar uit hun humeur,
Ze zoeken hun heil in de kroeg; jelui zelf jaagt ze buiten de deur;
Ook de grotere jongens en meiden zijn je zorgen bevolen;
Die rekels ! Ze hebben uit het kippenhok mijn eiers gestolen:
Daarom, ouders, let op ! de kippen, die weet dat ’s mijn liefhebberij,
Maar ’k praat tegen doven, jelui bent niet beter dan zij !
Je maakt immers zelf zulke duivelse sprongen;
Naar ’t liedje van de ouden toch piepen de jongen.
We beleven een tijdje ! Waar moet het nog heen ?
Al preek ík als Brugman, je verstaat geen verstandige reen !
Ach, de wereld, ze loopt op het eind van haar dagen !
Ja, zit nou maar niet of je van ’t weer bent geslagen,
Nou, word je bang, is ’t niet waar ? Maar wat is ’t geval ?
Goeie woorden, ze helpen bij jelui niemendal,
Je dwingt me er wel toe; ik moet zó wel beginnen,
Want met jelui is er moeilijk garen te spinnen.
’k Zei ’t je al zo dikwijls en ik zeg het je ook thans:
Je leeft er maar henen als vrolijke Frans !
Wat was me dat eertijds een vrome gemeente !
En wat is zij heden ? Dan, wee je gebeente !
Nu ’k houd dan voor ditmaal mijn preek voor volbracht.
A propos, 't is november, — ’k wens jelui een gezegende slacht !

Sermoen - preek
ora et labora = bid en werk
Sint Japik - Heilige Jacobus
gefifte - pientere, goocheme
heeroom - pastoor
troef - troefkaart
kneukels - knokkels, vingers
aan de pooi gaan - het op een zuipen zetten
verluchten - ontspannen
temere litigans = voor je er erg in hebt, ben je aan het ruzie maken
in de pekel - in de moeilijkheden
de bloed - de schlemiel
Sint Remaclus - Heilige Remaclus van Stavelot (650 na JC)
Sint Truien - de heilige Trudo naar wie de stad Sint Truiden is genoemd
stool - bandstrook door een katholieke priester om hals en schouders gedragen, als symbool van het kruis van Christus
snorrepijperijen - ondeugden
van 't hondje gebeten - dronken
heilige Jeroen - Sint Hieronymus (347 - 420)
elfuurtje - ochtendkoffie
een leven van Joost - een hels kabaal
blerken - blèren
katazen - ondeugden
Brugman - pater in de 15e eeuw die meeslepend preekte (Praten als Brugman)

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Een oarig misverstand

(met dank aan mevrouw Feller voor het sturen van de tekst)

Het is 'n half jaor nog pas

Det het brulloft van Geurt Harmsen was.

En nou al het ie roazend spiet,

Want um wa reeèn weet ie niet.

Zen vrouw werd kwoaier alle doagen

En duut 'm niks as sarren ploagen.

En of ie gek zich prakkiziert,

En wat ie ouk met hoar probiert,

En of ie hè zaet of wablief,

Ze is een kruuts da lillik wief.

Kum dacht ie ik zal het toch maar woagen

En goa pastoer zien road es vroagen.

Mins zei die doa hedde het nou,

Ik zei oe neem er niet tot vrouw.

Ze deugt niet beste vriend,

Ge sloeg mijn road toen in de wiend.

Kiek wilde oe lot niet meer bekloagen,

Dan moet u oe kruuts geduldig draogen.

Is het anders nie zei de boer

Ik zal het droagen

Ik verwed mie kop,

Hie guf pastoer zien hand er op,

Geet weg en repetierd in vloagen,

Ik mot mien kruuts geduldig droagen.

En krek dat ie zen hoes in kwam,

Doa spuugde ze weer vuur en vlam.

Hier riep ie en pakte zijn wijf,

Met stevige armen um het lijf.

Hij nam zen kruuts op um het te droagen,

Gelukkig dat gen minsen 't zoagen.

Lang droog ie heur de deel in het rond,

Zie roasde dat 't schoem stung op heur mond.

Pas toen heur boosheid waas gedoan,

Mocht ze op heur eigen been. weer stoan.

Wat keek ze onthutseld en versloagen,

Geduldig zei ie mot ik oe droagen.

Nog ens moar is ze kwoad gewest,

Maar dat was ouk veur het allerlest.

Want net precies as de ierste kier,

Nam ie zén kruuts en droeg het weer.

Sinds wier zie beater alle doagen,

Hie had gen kruutske mier te droagen.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Zo was ut bij ons thuus

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

(Brabants)

Goeien aovond allemaol es !

Ut fist was bij ons thuus vroeger, krek as hier.

Van alle kaanten kwamen ze bij elkaor nie zoeveul,

dèging nie bij ons in de keuken.

Es ut fist was kregen we spekstreuf.

Vroeger ging ut allemal nie zo schòòn,

Zeker nie as ge mee veulman waard.

Ik gao jullie is wa vertellen van vroeger bij ons thuus.

Tegenworrig noemen ze dè vurdraogen.

Toen ik geborre wier, was ik hil jong,

Onze vaoder en ons moeder waren nie theus,

Die waren op ut erpelveld,mangelwortels eut doen.

We waren thuus mee zeuventien kender, zeuve jong en tien meskes,

De leste is altij de jongste gebleven.

We sliepen op èèn kaomer, mee gasmaskers op omdè we mar èèn bed han.

Dè was wel uns hil laastig 't irste kend wier in bed geleed

En as dè sliep, wier ut er wir eutgehaold en tegen de muur gezet,

Dan was de volgende aon de beurt en zo vort.

Ze hebbe me ne keer un week laoten staon, vur dè ze ut in de gaoten han.

Onze wekker dè was unne emmer, asie vol was dan was ut zes uuren.

Is ne keer hai onze vaoder hil veul gedronken toen liep de wekker om vier uur af.

Èèn van mun bruurs was kunstenaor,

Die ging mee unne ouwe jas nar ut café, en kwam mee ennne nuuwe trug.

Ons moeder hoefde de luiers nooit eut te spuulen,want wij waren mee lijnmèèl gròòtgebraocht,

Ze kon ze zò umschudden.

We moesse natuurluk hil zeunig lèève ,

't Pleepapier worde aon twee kaante gebreukt.

Onze vader heurde nie hil goed, we han um de oren van zunne kop gefrete.

Bij ons aate ze ok nie mee mes en vòrk;

We din gewòòn onze mond open en ons moeder mikte ur wa in

Of dur neffe ons jongens hieten allemal Jan

Behalven onze Frans, die hiet Hendrik.

Een van mun zusters vree meeunne jongen die hai mar èèn oog,

As ze um onder vier òògen won spreken moes ik er altij bij zèn.

De jongste klaogde altij van pèèn in zunne buik,

Ons moeder zee dan:

"Ge mot blij zèn dè gè er inne het,

Anders zun oe botterhammen in oe broek vallen."

Mun oedste broer is 60 jaor.

Hij hai 61 kunne zèn mar hij is un jaor ziek gewiest.

Èèn van mun zusters kekt zò schèèl,

As ze schreuwt lòpen de traonen over dur schaowers.

Mee zes jaor ging ik nar schòòl.

Ik kos goed mee de mister opschiete,

Veschaaiende klassen mocht ik twèè kirren doen.

Dander moessen alle jaor ner de volgende klas.

De mister vroeg unne kèèr aon men:

"As ge twaolf gulde zchuld het bij den bakker,

Tien gulden bij den slachter

En vèèf gulden bij den gruunteboer,

Hoeveul schuld hedde dan ?"

Ik zee dè weet ik nie mister,

Want as we zoeveul schuld hebbe gaon we mistentèèd verheuzen.

En zò ging ut bij ons vroeger thuus .

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Zo was’t bie oons in hoes

(met dank aan Henk Kievit voor het sturen van de tekst)

(Twents)

Toen ik geboor’n bin was ik nog heel jong.

Mien va en mo war’n nich in hoes, dee war’n op’t eerappellaand.

Dat laand was nich van oons,

maar wie haal’n d’r altied oonze eerappel vandan.

Wie war’n bie oons in hoes met 20 kinder,

10 jongs, 9 meikes en den lest’n is altied de jongste bleev’n.

Wie sleup’n op’n sloapkamer met gasmaskers op.

Omdat wie moar één bèr had’n was het sloap’n moeilijk.

‘t Eerste kind wör in berre leg en as’t slöp wörre d’r oet haald en teeg’n de muur zet.

Dan kwam de volg’nde an de beurt en zo moar wieder.

Met het wakker word’n kwam het nich zo nauw.

Ze hebt mie één keer daag’n teeg’n de muur loat’n stoan,

veur dat ze’t in de gaat’n kreeg’n.

Oonze wekker was’n emmer, ..........en as den vol was was’t 7 uur.

As mien Va s’oavonds völ dronk’n had, leep’n emmer oawer.

Joa, ....wie war’n allemoal erg knap.

Eén van mien breurs is kunstenaar,

den geet met nen oal’n jas noar’t kaffee

en kump er met’n nie’n weer oet.

Mien Mo speul’n de luiers nooit, wie bint met melkpoeder groot bracht,

........ze kon de luiers zo oetschudd’n.

Wie moss’n natuurlijk wa suunig lèèv’n.

Toiletpapier moss’n wie aan twee kaant’n gebroek’n,

en dan ging’t nog noar de stomerie.

Mien Va kon nich good heur’n,

wie hadd’n hem de oor’n van de kop vrett’n

Bie oons att’n ze nooit met mes en vork.

wie deed’n oonze waffel lös, en mik’n er wat in,

en de Va deed’t mondstuk weer doal.

Oonze jongs heet’n allemoal Jan,

behalve Frits, den heet Hennik.

Eén van mien zusters was zo biedehand,

zee was laast noar de markt en hef doar 6 köpkes koch veur’n rieksdaalder,

moar weetie wat noe zo jammer is ?

De oortjes zaat’n ann de vekeerde kaant.

En dan de jongst’n dee klaag’n altied oawer pien in’n boek.

De Mo zee dan; wees toch blie daj’n boek hebt,

aj den nich hadd’n dan veul’n oe de eerappel zo in’n bokse.

Mien oaltste breur is 59, hee har 60 kun’n ween,

moar hee is’n joar zeek wes.

Mien ene zuster is zo schel,

as ze huult loopt heur de troon’n op’n scholder.

Toen ik op school kwam was ik 6 joar.

Ik kon good met de meester opscheet’n.

Verscheidene klass’n bin ik twee keer deurloop’n.

De aander’n mossen elk joar noar’n andere klas hen.

De meester vreug mie een keer;

aj 12,= schult hebt bie’n bakker, 10,= bie’n slager en 13,= bie’n greunteboer; ho vol schuld hij dan?

Ik zee; dat weet ik nich meester,

want as wie zoo vòl schuld hebt verhuust wie meestal.

Joa en noe mos ik oe van dee aander´n ook nog wat vertell´n,

moar ik weet´t nich meer.

Allennig nog iets van oons Hennik,

toen den van school kwam, dee mien Va hem bie´n smid.

Den gaf hem´n hamer en zee as ik knik, dan moj sloan.

Nou hee hef moar één keer knikt.

Joa, .......en zo was´t dan bie oons.

En noe moj natuurlijk mien naam nog weet´n

om mie´n paar entoosjaste breev´n te schriev´n.

No leu, dat is dan ........Snuverink.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


n Veurdracht oet laankmanstieden

(met dank aan Alberta van Dijk voor het sturen van de tekst)

(Gronings dialect)

In t veuronder van n schipke,

lag de vraauw t waarme bèr.

Elk wait wat dat betaikent,

vroudvraauw wasder ! t was zover.

 

In zon klein benepen roemte,

is t veur heur n maal karwaai.

Rechtop stoan is hoast nait meugelk.

En je hebt gain aarmzwaai.

 

Boetendien mout zai heur waark doun.

Bie n waalmt eulielicht.

Doar ze amperaan bie zain ken.

Woar de jonge kroamvraauw ligt.

 

Schipper zit der bie te stinnen.

Hailendaal veraltereerd.

t Was n haile beste kerel.

Moar bie zulks wat tocht niks weert.

 

Dat begon heur te verdraiten.

En ze keek hom niedig aan.

Kribbeg zee ze, "tou doch schipper

blief nou kaalm en wees n man.

 

t Is der aan tou t zel zo gebeuren.

Hoaln laampke dat war zai."

Schipper dut wat hom besteld wordt.

Licht de vroudvraauw even die.

 

Joa, woarachteg ie bin voader,

Man ik filesetaair joe wel.

Schipper is hoast in de wolken.

Springt van bliedschop oet zien vel.

 

Wacht ains even ,…… t wordt n twailing.

As ik mie nait staark vergis.

Schipper trekt n zoer gezicht..

Baange dat t de woarhaid is.

 

“Kom, nog even mit joen lichtje.

t Is zo duuster aan diz ziet !"

Schipper komt beteuterd,

Stait te trillen as n riet.

 

Joa ie binnen twijmoal voader.

Nog moal gefilesitaaid.

"Dank joe veur joen filesitoatsie.

Mor dat haar ik niet begeerd."

 

Schipper stait weer op n òfstand.

Mit zien laampke in de haand.

Man stoa nait as Jan van verre.

Licht ains bie noar dizze kaant.

 

k Zol joe lekker wat bedanken.

Kinder kommen op t lichtje òf

k Hebgenog aan dizze baiden.

Drije … wordt mie aal te grof.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Zo groen als gras

 (met dank aan Bart van Straaten voor het sturen van de tekst)

Mevrouw

 

Het is in deze dagen bij mij een bitter kruis

Het is één de grootste plagen, zo'n nieuwe meid in huis

Het zou dan nog zo erg niet zijn, als zij maar handig was,

Maar lieve goedheid, deze Trijn is zo groen als gras.

Ik durf haast niets haar toe te vertrouwen,

Want alles doet zij verkeer, het is de domste aller vrouwen.

Niemendal heeft zij geleerd.

 

Mevrouw

 

Nee, om u allen de waarheid te zeggen, heb ik al veel dienstmeiden gehad, maar vreselijk veel domme ook. Maar zo onuitsprekelijk dom als deze is, heb ik me nog nooit in mijn leven aangetroffen, ze weet niets, ze kent niets. En wat nog het ergste van alles is, ze stoort zich ook aan niets, de hele dag moet ik er achteraan lopen. Trijntje dit, Trijntje dat, alles moet ik haar wijzen en alles doet zij dan nog verkeerd en is soms om razend en wanhopig onder te worden. Maar wat kan ik ertegen doen, haar wegsturen ? Wie weet hoe lang ik dan zonder meid zit en dat is helemaal niet uit te houden. Dus ik moet me maar in mijn bitter lot trachten te schikken.

 

Kom aan, ik zal maar eens gaan zien wat ze nu weer uitvoert.

 

(Trijn rinkelt in de keuken met een stoffer en blik)

 

Mevrouw

 

O, goeie genade, daar heb je het alweer, gisteren mijn prachtige wervies gebroken en nu weer mijn mooiste Japanse kop en schotels tot gruus gegooid. Die meid ruïneert me nog.

 

Mevrouw gaat naar de keuken en zij zegt: Wat doe je Trijn !

 

Trijn komt op en zingt vers 1:

 

Vanuit mijn dorpie kom ik hier

Wiede wied bom bom

Ik heb in dienen veel plezier

Wiede wied bom bom

Ik doe hier razend goed mijn best,

En ik maal volstrekt niet om de rest,

Want alles komt terecht in 't lest

Wiede wied bom bom

 

Vers 2

Mevrouw schijnt niet zo erg voldaan

Wiede wied bom bom

Maar och, daar stoort Trijn zich niet aan

Wiede wied bom bom

Ik doe hier razend goed mijn best,

En ik maal volstrekt niet om de rest,

Want alles komt terecht in 't lest

Wiede wied bom bom

 

Trijn

 

Welja, alles komt terecht, dat zei me grootmoeder nog toen ik naar haar toe ging,

Ze zei, je bent altijd een mirakel voor mij geweest en dat zal je wel blijven ook. Ga dus naar die mevrouw en dan komt alles terecht, zei me grootmoeder. En als je grootmoeder dat zegt, dan is het natuurlijk zo. Nou, ik moet zeggen dat ik hier de boel al knapjes onder handen heb genomen.

 

Mevrouw

 

Ja, dat mag je waarlijk nog wel eens zeggen !

 

Trijn

 

Ik heb hier de boel …..

 

Mevrouw

 

Zul je je mond houden !

 

Trijn

 

Je mond houden, mevrouw en u zegt zelf: ik zou het nog maar eens zeggen.

 

Mevrouw

 

Ben je van plan me voor de mal te houden schepsel ?!

 

Trijn

 

Als u het goed vindt, zeker !

 

Mevrouw

 

Nu vraag ik eens aan ieder mens wat moet ik met zo'n meid beginnen ? Begrijp je dan niet dat ik dol ben !

 

Trijn

 

Blijft u dat ook mevrouw ?

Mijn grootmoeder zei altijd dat dolle honden …..

 

Mevrouw

 

Zwijg zeg ik je ! Geen woord meer, hoor je !

Zeg me eens, wat heb je nu weer uitgevoerd ?

Nu, wat heb je nu weer uitgevoerd ?

Zul je spreken Trijn, ja of nee.

 

(Trijn schudt van nee)

 

Mevrouw

 

Wat nee, gezwind je mond los, geef antwoord !

 

Trijn

 

En u zegt zelf als ik spreek, hou jij je mond en dat heeft u gisteren ook al gezegd.

 

Mevrouw

 

Maar als ik je wat vraag, zul je antwoord geven !

Vertel eens, wat heb je nu weer gebroken ?

 

Trijn

 

Wéér gebroken ! Mevrouw, ik breek alles maar één keer !

 

Mevrouw

 

Ja, dat begrijp ik ook wel. Maar zeg me eens wat je het laatst gebroken hebt.

 

Trijn

 

O, mevrouw, die twee dingen vielen tegelijk uit mijn handen.

 

Mevrouw

 

Die twee dingen ? Welke twee dingen !

 

Trijn

 

O, u weet het ommers wel, die pot boerenjongens

 

Mevrouw

 

O, mijn heerlijke boerenjongens ……

 

Trijn

 

Nee mevrouw, ik heb wel een pot gezien, maar geen enkele jongen – u vergist zich zeker !

 

Mevrouw

 

En wat heb je nog meer gebroken ?

 

Trijn

 

O …. En dat ding met reukgeur

 

Mevrouw

 

O ! Mijn heerlijke flacon met duizenden bloemengeur

 

Trijn

 

Nee mevrouw, er zat geen enkele bloem in, nog wel minder dan duizend.

 

Mevrouw

 

O schepsel, wat breek je me toch veel !

 

Trijn

 

Nou, dat gaat nog al mevrouw ….

 

Mevrouw

 

Zo, vind je dat ?

 

Trijn

 

O heden, ja thuis brak ik alles, behalve mij zelf, zei mijn grootmoeder altijd.

 

Mevrouw

 

Zo, maar vertel eens, hoe kwam dat dan toch ?

 

Trijn

 

Dat zal ik u laten zien mevrouw  ….

 

(Trijn neemt twee voorwerpen in haar hand en slaat ze tegen elkaar stuk)

 

Trijn

 

Kijk mevrouw, dit is dat ding met die reukgeur en dit is die pot boerenjongens …..

Toen liep ik hard door de kamer, zo ziet u, en toen was het kapot.

 

(Ze slaat de dingen tegen elkaar)

 

Mevrouw

 

Maar meid, nou gooi je me dat ook nog stuk.

 

Trijn

 

Ja natuurlijk, om te bewijzen hoe het kwam ….

 

Mevrouw

 

Maar daar vraag ik je toch niet naar, om mij  nog meer te breken, schepsel !

 

Trijn

 

Hoe mot ik het anders vertellen mevrouw ?

 

Mevrouw

 

Zwijg er maar over --- het is dus stuk

 

Trijn

 

Ja mevrouw en wel aan duizend stukken en in de grote spiegel daar is alleen maar een flinke barst in gekomen,

dus dat is goed afgelopen ………

 

Mevrouw

 

Wát zeg je ? In de grote spiegel ?

 

Trijn

 

Ja, dat weet u ommers wel, de spiegel op de slaapkamer daar ben ik ommers met een trapje door gevallen

en dat is dus ook goed afgelopen.

 

Mevrouw

 

En dat vertel je me nu zo maar, of dat het de moeite niet waard is om over te spreken.

 

Trijn

 

Over een paar dagen zal er wel een stuk uitvallen, maar Trijn alles komt terecht zegt me grootmoeder, mevrouw.

 

(We zullen 't hopen)

 

Mevrouw

 

Hoe staat het met het eten ?

 

Trijn

 

Nou mevrouw, ik zou wel weer es wat lusten ….

 

Mevrouw

 

Och meid, ik bedoel heb je het al bijn klaar ?

 

Trijn

 

Ja mevrouw, de komkommer is al gekookt

 

Mevrouw

 

Wat zeg je ? Al gekookt ?

 

Trijn

 

Ja, maar de amandelen en augurken die willen niet gaar worden.

 

Mevrouw

 

Hou op mens ! Wie gaat er nou komkommer en augurken koken ?

En wat heb je met die haring gedaan ?

 

Trijn

 

Gebakken natuurlijk !

 

Mevrouw

 

Ik wou nog al een heerlijke huzarensla opdissen

 

Trijn

 

Waar zijn die ? Eet men hier huzaren in de sla ?

 

Mevrouw

 

O, het eten zal weer kostelijk wezen ……

O, als ik zelf toch niet kijk !

 

(Mevrouw gaat af)

 

Trijn

 

Ziet u, zo gaat het de hele dag. Het is een doodgoed mens, maar van eten klaarmaken, daar is ze niet mee op de hoogte ……

 

Ben ik niet een flinke meid, een beter moet nog komen. Dat heeft Klaas mij zelf gezeid, ik heb het reeds vernomen. Een ieder uit het dorpie kent Klaas, lief als een beste vent. Wij zijn steeds het leukste paartje, we trouwen binnen 't jaartje ……

 

Terug naar overzicht voordrachten