|
|
|
(met dank aan Gijs Verhulst voor het sturen van de tekst)
Heb ik me van de week toch een flater geslagen, Moet je horen wat me is gebeurd. Ik zit in een cafetaria, Komt er een juffrouw binnen. Echt een juffrouw waarvan je zegt: "Hé, daar komt een juffrouw binnen." Ik denk net: "Hallo !!!", Laat ze een oogje op me vallen. Ik kijk net naar dat oogje, Komt er een flater binnen. U kent het type wel, Zo'n echte onbehouwen vromeloze flater. Nou heb ik van huis uit iets tegen flaters. Ik ben al een hele tijd van huis, Maar dat iets dat heb ik nog steeds. Komt ie nog naast me zitten ook, En net wat ik dacht we krijgen mot. Tjonge, tjonge wat een mot was dat, Ik heb van mijn leven nog nooit zo'n knots van een mot gezien. Maar nou de brutaliteit van die flater, Laat hij die mot vliegen ! Nou is het net zo goed mijn mot als de zijne En hij laat hem vliegen ! Heeft hij trouwens moeten bezuren, Want ik heb die flater geslagen, geslagen, ontzettend. Hij wist op den duur niet meer waar hij het zoeken moest. En ik wist niet eens wat hij zocht. Maar, terwijl ik zo om me heen kijk, Zie ik weer dat oogje dat die juffrouw op me heb laten vallen, Het lag nog steeds op dezelfde plaats. Ik kijk er nog eens goed naar En meteen ben ik de kluts kwijt. Ik ben nu al drieënzestig jaar En van mijn vierde heb ik al een kluts. Zit je ineens zonder kluts, Zie je al die mensen allemaal met een kluts En ik zat zonder. Nou ik zat danig in mijn piepzak. Zeg maar dat is een benauwd gevoel, Heb u wel eens in uw piepzak gezeten ? En je kan er niet uit, Ik zag er tenminste geen gat in. En je wordt er zo nerveus van, Want steeds hoor je maar dat klagende piep, piep, piep van die zak. Ik kreeg er op den duur een punthoofd van, zeg maar. Dat was mijn redding, Want toen stak ik met mijn punthoofd een gaatje in mijn piepzak En toen kon ik er weer uit. Dat moet een heel gek gezicht geweest zijn, Of dacht je van niet. Als je ineens iemand met een punthoofd uit een piepzak ziet kruipen. De mensen er omheen schrokken zich een hoedje ! Heb ik zo'n hoedje afgepikt en op dat punthoofd gezet, Zag je het niet meer zo erg. Maar hoe vind je nou de houding van zo'n snert flater? Kom ik, nog wit van schrik natuurlijk, uit mijn piepzak, Probeert die flater me een loer te draaien. Nou heb ik een neef die heeft een draaibank, Heb ik dikwijls bij staan kijken, Dus ik zag meteen dat die loer helemaal verkeerd gedraaid was. Het was geen jofele loer, Nee het was een echte sof loer. Ben ik kwaad geworden, Ik vlieg op die flater af En grijp hem in zijn lurven, Grijp ik in mijn zenuwen veel te hard, Hou ik alleen zijn lurven in mijn handen. Nu heb ik zelf twee van die dingen, Dus wat moet ik er nou mee doen. Nou, door al die flauwekul heb ik me danig zitten opwinden, Ben ik eerst een poosje gaan aflopen. Ik kreeg er op den duur gewoon tabak van en ik rook niet. Weet je wat nou zo moeilijk is met zo'n verhaal ? Zo'n verhaal, je kan er niet mee ophouden. Ik kan nou de plaat wel poetsen, Maar dat is ook geen gezicht. Weet je wat ik doe, ik spreek jullie nog wel. Ik draai er een punt aan. Modjooi !
Terug naar overzicht voordrachten
(Op eene onaangename wijs) (met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Jonge Luidjes ! hoort deez´ klucht, hoe een schraalhans daaglijks zucht, Om een Vrouwtje met braaf geld, Want daar was hij op gesteld. Hij had al een vrouw versleten, En was weduwnaar wilt u weten, En nu voor de tweede keer; Wou hij trouwen na begeer.
Hij bedacht een groote list, Want zijn geld had hij verkwist. Hij vrijde met een meisje teer; Meer om het geld dan om haar eer. Het meisje dacht: zij kreeg een goeije; Want hij pochte op zijn koeijen, En zijn paarden en rijtuig, Hij wou haar ligten van den huig.
´t Meisje was ook bij de hand. Kwam bij hare rijke galant, Om zijn schatten eens te zien, Die hij haar kwam aan te bien. Maar een boer die naast hem woonde, Met een list zijn schat haar toonde. En die zei tegen haar, ´t Is een rijke weduwnaar.
´t Meisje was zeer wel te vree, De buur sprak: hij heeft een hofstee, En veel koeijen, paarden, fraai, Zij geloofde deze draai; En dacht een rijke man te krijgen, Een ander kon deez´list niet zwijgen, Die hij hoorden na korte tijd, Hoe zij danig wierd misleid.
Als zij hoorde den rijkdom. Van haar lieven bruidegom, Gaf zij spoedig hem het woord, En haar hand op trouw akkoord, En op een dag drie geboden. Waarbij kwamen veel genooden, En den trouw was vastgesteld, Met den Bruigom zonder geld.
Op zijn trouwdag 's morgens vroeg Toen zijn hart van vreugde sloeg, Was de bruidegom gereed, In zijn allerbeste kleed. Met twee paarden voor de wagen, Die hij leende voor twee dagen, Daarmee reed hij naar zijn bruid. Maar toen kwam zijn armoe uit.
En het bruidje was niet dom, Ze zei aan haar bruidegom, Waar wil jij nu met mij heen, Wilt jij trouwen, trouwt alleen. Want jij kan te kunstig liegen, En gij dacht mij te bedriegen, 'k Ben niet op uw schat gesteld, Adieu bruigom ! zonder geld.
De bruigom die zat in den brand, Want hij overdacht zijn schand, En een ieder lachte hem uit, En de bruid had hem gebruid. Hij kwam thuis met paard en wagen, Dorst zijn nood aan niemand klagen, Met de handen in het haar, Bleef hij arme weduwnaar.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Komt hier al by, aenhoort dees klucht: het is van Pierlala, een drollig ventjen vol genucht, de vreugd van zyn papa. Wat in zyn leven is geschied, dat zult gy hooren in dit lied: 't is al van Pierlala, sa sa !
Zoo zeer was Pierlala bemind van vaertje en moertje t' saem; zy zeyden: ‘hoort eens, lieve kind, ons eenigen erfgenaem, gy word haest meester van ons goed; daerom ziet wel toe wat gy doet !’ - 't Is wel,’ zey Pierlala, sa sa !
‘Papatjen, maek u maer van kant, dat ik uw schyven heb; ik zal my draegen heel galant gelyk een water-snep. 'k Wil met den bek in 't nat ook zyn, altyd verheugd in bier of wyn! 't Moet op!’ zey Pierlala, sa sa !
Maer als nu was den vader dood, och armen! Pierlala die heeft zyn vrienden al genood op 't uytvaerd van papa. Hy hielt niet veel van lekkerny, hy gafze t' eten pap en bry; ‘'t is bon,’ zey Pierlala, sa sa !
De vrienden smeirden daer in huys, voorwaer zoo lange, tot hy docht: nu wil ik dit gespuys weêr voeren naer hun kot, eer ik raeke al myn schyven kwyt, want 't is, ma foi, al meer dan tyd; ‘adieu !’ zey Pierlala, sa sa !
Als Pierlala nu was alleen, wilde hy uyt vreyen gaen; hy docht: ik zal zoo wel getween als maer alleen bestaen; en ziende een meysjen na den zwier, vroeg: ‘wilde trouwen, gy lodderlyk dier ? Zeg jae !’ zey Pierlala, sa sa !
‘Ik hebbe geld en goed genoeg voor u,’ zey Pierlala; waer op dat aerdig meysjen loeg en zeyde aenstonds: ‘jae, maer 'k wil dat gy my preuve doet en blyk van uw opregt gemoed.’ ‘Sa, komt !’ zey Pierlala, sa sa !
Dus Pierlala bood geld courant en trouwde met de bruyd; hy hield ook bruyloft heel plaisant; maer 't was haest blydschap uyt, als hy alomme wierd gevraegd en van haer crediteurs geplaegt, ‘Dat 's kael !’ zey Pierlala, sa sa !
Daer van wierd Pierlala zoo dul, dat hy raekte op den loop, en met zyn makkers in den krul liep zuypen stoop by stoop. Als hy dan t' huys kwam vol en zat, hy gaf zyn wyf een schop in 't gat. ‘Hou daer !’ zey Pierlala, sa sa !
Omdat dit hem stak in den kop, heeft hy veel geld vertiert; maer als zyn schyven waeren op, sprak hy: ‘ik ben geleerd hoe dat van trouwen komt profyt; ziet daer, ik ben myn schyven kwyt. 't Is op !’ zey Pierlala, sa sa !
Als hy had al zyn geld verbruyd, dan wist hy geenen raed; als hy om troost ging, elk was uyt: dan stak hy zich soldaet. Maer, als hy exerceerde dan, en aenleyd op een halven man: ‘poef, paf !’ zey Pierlala, sa sa !
Als Pierlala stond op schildwagt met zyn gelaeden roer, hy zag in 't duyster van den nagt den duyvel of zyn moer; hy riep al beven: ‘qui va la ?’ maer 't spook en vraegde daer niet na. ‘O dood !’ zey Pierlala, sa sa !
Hij klom van angst op eenen boom, en hy viel op den grond; ja, zoo vol schrik en grooten schroom, liep hy van daer terstond; zag een weirdinneken in haer deur met eenen witten voorschoot veur: ‘hier in !’ zey Pierlala, sa sa !
‘Sa tapt al gauw een kanne bier of wel een pinte wyn! want ik ben door oen leelyk dier geraekt in angst en pyn.’ 't Weirdinneken zette hem by het vier en kookte een zuypken met plaisier. ‘Sa bon !’ zey Pierlala, sa sa !
Want Pierlala die deelde geld, zyn moeye die was dood; hy docht: ik ben nu weer hersteld en raeken uyt den noot, waer ik van de soldaetery ! maer hoe zal ik nu raeken vry ? ‘'k Weet raed,’ zey Pierlala, sa sa !
Als hy dat zuypken g'eten had, sprak hy: ‘'k ben nog meer krank ! 't Is aen myn hart, 'k en weet niet wat, 'k en leef geen ure lang!’ Hy maekte dan zyn testament aen al de vrienden die hy kent. ‘Ik sterf,’ zey Pierlala, sa sa !
Alsdan wierd Pierlala gekist met bey zijn billekens bloot; want niemand anders docht of wist of Pierlala was dood. Hy werd begraven met de trom, de klokken luyden al bim bom bom. ‘'t Gaet fraey,’ zey Pierlala, sa sa !
Als men dan naer de kerke kwam, elk zey: ‘'t is Pierlala !’ Men hem al van de baere nam en leyden by zyn papa. De vrienden zeyden al: ‘kom, kom! de dooden en komen niet wederom!’ - ‘Ik wel !’ zey Pierlala, sa sa !
Als hy nu was in 't graf, den tyd van ontrent een halve uer, de vrienden gingen meer verblyd als droef te saemen deur; hy schupte 't deksel van de kist en kroop er uyt dat 't niemand wist: ‘Ik leef !’ zey Pierlala, sa sa !
En Pierlala ging regt naer huys en vond zyn naeste bloed en vrienden, met een groot gedruys daer twisten om zijn goed. Hy greep den bessem met'er haest; al die hem zag, stond zeer verbaest ! ‘Hier uyt !’ zey Pierlala, sa sa !
Pierlala nu was hersteld, verzoende hy met zyn vrouw; hy kwiste voorts niet meer zyn geld, maer leefde in liefde en trouw; en als'er van zyn volk noch kwam hem vragen: ‘zyde op ons nog gram? ’ - ‘Dat 's uyt !’ zey Pierlala, sa sa !
Maer als de vrienden hem consuys flatteren kwamen, dan zey Pierlala: ‘ik ben hier t' huys voorwaer als eerlyk man; als ik zocht troost in mynen nood, niemand gaf my een bete brood. Foert, foert !’ zey Pierlala, sa sa !
En was er iemand stout genoeg van nog te komen na, om hem te vraegen, laet of vroeg: ‘jaegd weg !’ zey Pierlala. Dus leefde hy voords in peys en vré tot een exempel van de sté. ‘'t Was best !’ zey Pierlala, sa sa !
Dus vrienden, die dees raere klucht hebt g'hoort van Pierlala, volgt hem in 't goed doen met genucht, maer niet in 't kwisten na; wilt gy in vrede leven hier, met Pierlala verlaet den zwier. Scheyd uit ! met Pierlala, sa sa !
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Desiree voor het sturen van de tekst)
Ik zie het al, hier moet ik wezen ! Ja, hier moet ik zijn, Hier zul je wel willen kopen Van mijn bloemetjes lief en fijn.
Ik liep te dwalen door de straten Met mijn bloemen in mijn arm, Toen ontmoette ik een dame En die zei, “Ach koopman arm, Wil je van mijn bloemen kopen ? Ach, ze zijn zo lief en fijn, Bloemen zoals er geen mooiere zijn.”
Ziet ge daar dat verlichtte venster ? 't Is daar feest, ga daar eens aan En nu ziet u in uw midden een bloemenkoopman staan. Wil u van mij bloemen kopen ? Ach ze zijn zo lief en fris. Bloemen schenken altijd vreugde, Vreugd maar ook geluk, gewis.
Ik heb ze gekweekt in de zon, Telkens gegoten met nat uit de bron. “Bloemen ! Koop bloemen, want geen mens in de stad, Heeft in zijn huisje ooit mooiere gehad.”
En tussen de muren, waar het grasplantje kwijnt En waar hele dagen het zonlicht niet schijnt, Turen geen bloemen, zo lief en fris, Terwijl het daar dompig en akelig is.
Daarom lief bruidspaar schenk ik u deze bloemen nu, Ik wou ze eerst verkopen, maar nu geef ik ze aan u. Leef als deze bloemen, zo lief en rein, Laat dit een streven voor uw latere leven zijn.
Terug naar overzicht voordrachten
(W.J. van Zeggelen 1811-1879) (met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ora et labora ! is de spreuk, die tot
tekst me zal zijn,
En stond in mijn plaats hier eens even
Sint Truien,
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan mevrouw Feller voor het sturen van de tekst)
Het is 'n half jaor nog pas Det het brulloft van Geurt Harmsen was. En nou al het ie roazend spiet, Want um wa reeèn weet ie niet. Zen vrouw werd kwoaier alle doagen En duut 'm niks as sarren ploagen. En of ie gek zich prakkiziert, En wat ie ouk met hoar probiert, En of ie hè zaet of wablief, Ze is een kruuts da lillik wief. Kum dacht ie ik zal het toch maar woagen En goa pastoer zien road es vroagen. Mins zei die doa hedde het nou, Ik zei oe neem er niet tot vrouw. Ze deugt niet beste vriend, Ge sloeg mijn road toen in de wiend. Kiek wilde oe lot niet meer bekloagen, Dan moet u oe kruuts geduldig draogen. Is het anders nie zei de boer Ik zal het droagen Ik verwed mie kop, Hie guf pastoer zien hand er op, Geet weg en repetierd in vloagen, Ik mot mien kruuts geduldig droagen. En krek dat ie zen hoes in kwam, Doa spuugde ze weer vuur en vlam. Hier riep ie en pakte zijn wijf, Met stevige armen um het lijf. Hij nam zen kruuts op um het te droagen, Gelukkig dat gen minsen 't zoagen. Lang droog ie heur de deel in het rond, Zie roasde dat 't schoem stung op heur mond. Pas toen heur boosheid waas gedoan, Mocht ze op heur eigen been. weer stoan. Wat keek ze onthutseld en versloagen, Geduldig zei ie mot ik oe droagen. Nog ens moar is ze kwoad gewest, Maar dat was ouk veur het allerlest. Want net precies as de ierste kier, Nam ie zén kruuts en droeg het weer. Sinds wier zie beater alle doagen, Hie had gen kruutske mier te droagen.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst) (Brabants)
Goeien aovond allemaol es ! Ut fist was bij ons thuus vroeger, krek as hier. Van alle kaanten kwamen ze bij elkaor nie zoeveul, dèging nie bij ons in de keuken. Es ut fist was kregen we spekstreuf. Vroeger ging ut allemal nie zo schòòn, Zeker nie as ge mee veulman waard. Ik gao jullie is wa vertellen van vroeger bij ons thuus. Tegenworrig noemen ze dè vurdraogen. Toen ik geborre wier, was ik hil jong, Onze vaoder en ons moeder waren nie theus, Die waren op ut erpelveld,mangelwortels eut doen. We waren thuus mee zeuventien kender, zeuve jong en tien meskes, De leste is altij de jongste gebleven. We sliepen op èèn kaomer, mee gasmaskers op omdè we mar èèn bed han. Dè was wel uns hil laastig 't irste kend wier in bed geleed En as dè sliep, wier ut er wir eutgehaold en tegen de muur gezet, Dan was de volgende aon de beurt en zo vort. Ze hebbe me ne keer un week laoten staon, vur dè ze ut in de gaoten han. Onze wekker dè was unne emmer, asie vol was dan was ut zes uuren. Is ne keer hai onze vaoder hil veul gedronken toen liep de wekker om vier uur af. Èèn van mun bruurs was kunstenaor, Die ging mee unne ouwe jas nar ut café, en kwam mee ennne nuuwe trug. Ons moeder hoefde de luiers nooit eut te spuulen,want wij waren mee lijnmèèl gròòtgebraocht, Ze kon ze zò umschudden. We moesse natuurluk hil zeunig lèève , 't Pleepapier worde aon twee kaante gebreukt. Onze vader heurde nie hil goed, we han um de oren van zunne kop gefrete. Bij ons aate ze ok nie mee mes en vòrk; We din gewòòn onze mond open en ons moeder mikte ur wa in Of dur neffe ons jongens hieten allemal Jan Behalven onze Frans, die hiet Hendrik. Een van mun zusters vree meeunne jongen die hai mar èèn oog, As ze um onder vier òògen won spreken moes ik er altij bij zèn. De jongste klaogde altij van pèèn in zunne buik, Ons moeder zee dan: "Ge mot blij zèn dè gè er inne het, Anders zun oe botterhammen in oe broek vallen." Mun oedste broer is 60 jaor. Hij hai 61 kunne zèn mar hij is un jaor ziek gewiest. Èèn van mun zusters kekt zò schèèl, As ze schreuwt lòpen de traonen over dur schaowers. Mee zes jaor ging ik nar schòòl. Ik kos goed mee de mister opschiete, Veschaaiende klassen mocht ik twèè kirren doen. Dander moessen alle jaor ner de volgende klas. De mister vroeg unne kèèr aon men: "As ge twaolf gulde zchuld het bij den bakker, Tien gulden bij den slachter En vèèf gulden bij den gruunteboer, Hoeveul schuld hedde dan ?" Ik zee dè weet ik nie mister, Want as we zoeveul schuld hebbe gaon we mistentèèd verheuzen. En zò ging ut bij ons vroeger thuus .
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Henk Kievit voor het sturen van de tekst) (Twents)
Toen ik geboor’n bin was ik nog heel jong. Mien va en mo war’n nich in hoes, dee war’n op’t eerappellaand. Dat laand was nich van oons, maar wie haal’n d’r altied oonze eerappel vandan. Wie war’n bie oons in hoes met 20 kinder, 10 jongs, 9 meikes en den lest’n is altied de jongste bleev’n. Wie sleup’n op’n sloapkamer met gasmaskers op. Omdat wie moar één bèr had’n was het sloap’n moeilijk. ‘t Eerste kind wör in berre leg en as’t slöp wörre d’r oet haald en teeg’n de muur zet. Dan kwam de volg’nde an de beurt en zo moar wieder. Met het wakker word’n kwam het nich zo nauw. Ze hebt mie één keer daag’n teeg’n de muur loat’n stoan, veur dat ze’t in de gaat’n kreeg’n. Oonze wekker was’n emmer, ..........en as den vol was was’t 7 uur. As mien Va s’oavonds völ dronk’n had, leep’n emmer oawer. Joa, ....wie war’n allemoal erg knap. Eén van mien breurs is kunstenaar, den geet met nen oal’n jas noar’t kaffee en kump er met’n nie’n weer oet. Mien Mo speul’n de luiers nooit, wie bint met melkpoeder groot bracht, ........ze kon de luiers zo oetschudd’n. Wie moss’n natuurlijk wa suunig lèèv’n. Toiletpapier moss’n wie aan twee kaant’n gebroek’n, en dan ging’t nog noar de stomerie. Mien Va kon nich good heur’n, wie hadd’n hem de oor’n van de kop vrett’n Bie oons att’n ze nooit met mes en vork. wie deed’n oonze waffel lös, en mik’n er wat in, en de Va deed’t mondstuk weer doal. Oonze jongs heet’n allemoal Jan, behalve Frits, den heet Hennik. Eén van mien zusters was zo biedehand, zee was laast noar de markt en hef doar 6 köpkes koch veur’n rieksdaalder, moar weetie wat noe zo jammer is ? De oortjes zaat’n ann de vekeerde kaant. En dan de jongst’n dee klaag’n altied oawer pien in’n boek. De Mo zee dan; wees toch blie daj’n boek hebt, aj den nich hadd’n dan veul’n oe de eerappel zo in’n bokse. Mien oaltste breur is 59, hee har 60 kun’n ween, moar hee is’n joar zeek wes. Mien ene zuster is zo schel, as ze huult loopt heur de troon’n op’n scholder. Toen ik op school kwam was ik 6 joar. Ik kon good met de meester opscheet’n. Verscheidene klass’n bin ik twee keer deurloop’n. De aander’n mossen elk joar noar’n andere klas hen. De meester vreug mie een keer; aj 12,= schult hebt bie’n bakker, 10,= bie’n slager en 13,= bie’n greunteboer; ho vol schuld hij dan? Ik zee; dat weet ik nich meester, want as wie zoo vòl schuld hebt verhuust wie meestal. Joa en noe mos ik oe van dee aander´n ook nog wat vertell´n, moar ik weet´t nich meer. Allennig nog iets van oons Hennik, toen den van school kwam, dee mien Va hem bie´n smid. Den gaf hem´n hamer en zee as ik knik, dan moj sloan. Nou hee hef moar één keer knikt. Joa, .......en zo was´t dan bie oons. En noe moj natuurlijk mien naam nog weet´n om mie´n paar entoosjaste breev´n te schriev´n. No leu, dat is dan ........Snuverink.
n Veurdracht oet laankmanstieden (met dank aan Alberta van Dijk voor het sturen van de tekst) (Gronings dialect)
In t veuronder van n schipke, lag de vraauw t waarme bèr. Elk wait wat dat betaikent, vroudvraauw wasder ! t was zover.
In zon klein benepen roemte, is t veur heur n maal karwaai. Rechtop stoan is hoast nait meugelk. En je hebt gain aarmzwaai.
Boetendien mout zai heur waark doun. Bie n waalmt eulielicht. Doar ze amperaan bie zain ken. Woar de jonge kroamvraauw ligt.
Schipper zit der bie te stinnen. Hailendaal veraltereerd. t Was n haile beste kerel. Moar bie zulks wat tocht niks weert.
Dat begon heur te verdraiten. En ze keek hom niedig aan. Kribbeg zee ze, "tou doch schipper blief nou kaalm en wees n man.
t Is der aan tou t zel zo gebeuren. Hoaln laampke dat war zai." Schipper dut wat hom besteld wordt. Licht de vroudvraauw even die.
Joa, woarachteg ie bin voader, Man ik filesetaair joe wel. Schipper is hoast in de wolken. Springt van bliedschop oet zien vel.
Wacht ains even ,…… t wordt n twailing. As ik mie nait staark vergis. Schipper trekt n zoer gezicht.. Baange dat t de woarhaid is.
“Kom, nog even mit joen lichtje. t Is zo duuster aan diz ziet !" Schipper komt beteuterd, Stait te trillen as n riet.
Joa ie binnen twijmoal voader. Nog moal gefilesitaaid. "Dank joe veur joen filesitoatsie. Mor dat haar ik niet begeerd."
Schipper stait weer op n òfstand. Mit zien laampke in de haand. Man stoa nait as Jan van verre. Licht ains bie noar dizze kaant.
k Zol joe lekker wat bedanken. Kinder kommen op t lichtje òf k Hebgenog aan dizze baiden. Drije … wordt mie aal te grof.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Bart van Straaten voor het sturen van de tekst)
Mevrouw
Het is in deze dagen bij mij een bitter kruis Het is één de grootste plagen, zo'n nieuwe meid in huis Het zou dan nog zo erg niet zijn, als zij maar handig was, Maar lieve goedheid, deze Trijn is zo groen als gras. Ik durf haast niets haar toe te vertrouwen, Want alles doet zij verkeer, het is de domste aller vrouwen. Niemendal heeft zij geleerd.
Mevrouw
Nee, om u allen de waarheid te zeggen, heb ik al veel dienstmeiden gehad, maar vreselijk veel domme ook. Maar zo onuitsprekelijk dom als deze is, heb ik me nog nooit in mijn leven aangetroffen, ze weet niets, ze kent niets. En wat nog het ergste van alles is, ze stoort zich ook aan niets, de hele dag moet ik er achteraan lopen. Trijntje dit, Trijntje dat, alles moet ik haar wijzen en alles doet zij dan nog verkeerd en is soms om razend en wanhopig onder te worden. Maar wat kan ik ertegen doen, haar wegsturen ? Wie weet hoe lang ik dan zonder meid zit en dat is helemaal niet uit te houden. Dus ik moet me maar in mijn bitter lot trachten te schikken.
Kom aan, ik zal maar eens gaan zien wat ze nu weer uitvoert.
(Trijn rinkelt in de keuken met een stoffer en blik)
Mevrouw
O, goeie genade, daar heb je het alweer, gisteren mijn prachtige wervies gebroken en nu weer mijn mooiste Japanse kop en schotels tot gruus gegooid. Die meid ruïneert me nog.
Mevrouw gaat naar de keuken en zij zegt: Wat doe je Trijn !
Trijn komt op en zingt vers 1:
Vanuit mijn dorpie kom ik hier Wiede wied bom bom Ik heb in dienen veel plezier Wiede wied bom bom Ik doe hier razend goed mijn best, En ik maal volstrekt niet om de rest, Want alles komt terecht in 't lest Wiede wied bom bom
Vers 2 Mevrouw schijnt niet zo erg voldaan Wiede wied bom bom Maar och, daar stoort Trijn zich niet aan Wiede wied bom bom Ik doe hier razend goed mijn best, En ik maal volstrekt niet om de rest, Want alles komt terecht in 't lest Wiede wied bom bom
Trijn
Welja, alles komt terecht, dat zei me grootmoeder nog toen ik naar haar toe ging, Ze zei, je bent altijd een mirakel voor mij geweest en dat zal je wel blijven ook. Ga dus naar die mevrouw en dan komt alles terecht, zei me grootmoeder. En als je grootmoeder dat zegt, dan is het natuurlijk zo. Nou, ik moet zeggen dat ik hier de boel al knapjes onder handen heb genomen.
Mevrouw
Ja, dat mag je waarlijk nog wel eens zeggen !
Trijn
Ik heb hier de boel …..
Mevrouw
Zul je je mond houden !
Trijn
Je mond houden, mevrouw en u zegt zelf: ik zou het nog maar eens zeggen.
Mevrouw
Ben je van plan me voor de mal te houden schepsel ?!
Trijn
Als u het goed vindt, zeker !
Mevrouw
Nu vraag ik eens aan ieder mens wat moet ik met zo'n meid beginnen ? Begrijp je dan niet dat ik dol ben !
Trijn
Blijft u dat ook mevrouw ? Mijn grootmoeder zei altijd dat dolle honden …..
Mevrouw
Zwijg zeg ik je ! Geen woord meer, hoor je ! Zeg me eens, wat heb je nu weer uitgevoerd ? Nu, wat heb je nu weer uitgevoerd ? Zul je spreken Trijn, ja of nee.
(Trijn schudt van nee)
Mevrouw
Wat nee, gezwind je mond los, geef antwoord !
Trijn
En u zegt zelf als ik spreek, hou jij je mond en dat heeft u gisteren ook al gezegd.
Mevrouw
Maar als ik je wat vraag, zul je antwoord geven ! Vertel eens, wat heb je nu weer gebroken ?
Trijn
Wéér gebroken ! Mevrouw, ik breek alles maar één keer !
Mevrouw
Ja, dat begrijp ik ook wel. Maar zeg me eens wat je het laatst gebroken hebt.
Trijn
O, mevrouw, die twee dingen vielen tegelijk uit mijn handen.
Mevrouw
Die twee dingen ? Welke twee dingen !
Trijn
O, u weet het ommers wel, die pot boerenjongens
Mevrouw
O, mijn heerlijke boerenjongens ……
Trijn
Nee mevrouw, ik heb wel een pot gezien, maar geen enkele jongen – u vergist zich zeker !
Mevrouw
En wat heb je nog meer gebroken ?
Trijn
O …. En dat ding met reukgeur
Mevrouw
O ! Mijn heerlijke flacon met duizenden bloemengeur
Trijn
Nee mevrouw, er zat geen enkele bloem in, nog wel minder dan duizend.
Mevrouw
O schepsel, wat breek je me toch veel !
Trijn
Nou, dat gaat nog al mevrouw ….
Mevrouw
Zo, vind je dat ?
Trijn
O heden, ja thuis brak ik alles, behalve mij zelf, zei mijn grootmoeder altijd.
Mevrouw
Zo, maar vertel eens, hoe kwam dat dan toch ?
Trijn
Dat zal ik u laten zien mevrouw ….
(Trijn neemt twee voorwerpen in haar hand en slaat ze tegen elkaar stuk)
Trijn
Kijk mevrouw, dit is dat ding met die reukgeur en dit is die pot boerenjongens ….. Toen liep ik hard door de kamer, zo ziet u, en toen was het kapot.
(Ze slaat de dingen tegen elkaar)
Mevrouw
Maar meid, nou gooi je me dat ook nog stuk.
Trijn
Ja natuurlijk, om te bewijzen hoe het kwam ….
Mevrouw
Maar daar vraag ik je toch niet naar, om mij nog meer te breken, schepsel !
Trijn
Hoe mot ik het anders vertellen mevrouw ?
Mevrouw
Zwijg er maar over --- het is dus stuk
Trijn
Ja mevrouw en wel aan duizend stukken en in de grote spiegel daar is alleen maar een flinke barst in gekomen, dus dat is goed afgelopen ………
Mevrouw
Wát zeg je ? In de grote spiegel ?
Trijn
Ja, dat weet u ommers wel, de spiegel op de slaapkamer daar ben ik ommers met een trapje door gevallen en dat is dus ook goed afgelopen.
Mevrouw
En dat vertel je me nu zo maar, of dat het de moeite niet waard is om over te spreken.
Trijn
Over een paar dagen zal er wel een stuk uitvallen, maar Trijn alles komt terecht zegt me grootmoeder, mevrouw.
(We zullen 't hopen)
Mevrouw
Hoe staat het met het eten ?
Trijn
Nou mevrouw, ik zou wel weer es wat lusten ….
Mevrouw
Och meid, ik bedoel heb je het al bijn klaar ?
Trijn
Ja mevrouw, de komkommer is al gekookt
Mevrouw
Wat zeg je ? Al gekookt ?
Trijn
Ja, maar de amandelen en augurken die willen niet gaar worden.
Mevrouw
Hou op mens ! Wie gaat er nou komkommer en augurken koken ? En wat heb je met die haring gedaan ?
Trijn
Gebakken natuurlijk !
Mevrouw
Ik wou nog al een heerlijke huzarensla opdissen
Trijn
Waar zijn die ? Eet men hier huzaren in de sla ?
Mevrouw
O, het eten zal weer kostelijk wezen …… O, als ik zelf toch niet kijk !
(Mevrouw gaat af)
Trijn
Ziet u, zo gaat het de hele dag. Het is een doodgoed mens, maar van eten klaarmaken, daar is ze niet mee op de hoogte ……
Ben ik niet een flinke meid, een beter moet nog komen. Dat heeft Klaas mij zelf gezeid, ik heb het reeds vernomen. Een ieder uit het dorpie kent Klaas, lief als een beste vent. Wij zijn steeds het leukste paartje, we trouwen binnen 't jaartje ……
|
|