SeniorPlaza

 

Het jurkje

Dramatische Voordracht

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst) 

Op de enge vliering, waar het daglicht vaal en grauw

Door 't kleine venster breekt, was tusschen man en vrouw

Een twist ontstaan. De man, als naar gewoonte dronken,

Had heel den morgen op zijn leger liggen ronken.

Nog half beneveld, was hij korzelig ontwaakt. –

't Was middag, 't uur waarop de werkman de arbeid staakt

En zich een wijl verpoost, -- ,,Welnu, waar blijft het eten ?"

Klonk 's dronkaards barsche stem, ,,Je hebt alweer vergeten

Den disch te dekken ! 't Gaat hier aardig toe in huis !

Een mooie warboel ! Och, zoo'n vrouw is toch een kruis !"

Want wie zich schuldig voelt, zoekt anderen te laken,

Om daardoor eigen schuld wat minder zwart te maken.

,,Waar kom je nu vandaan ? Wat heb je in dien tijd

Weer uitgevoerd ? Een vrouw die steeds haar dagen slijt

Op straat, vertrouw ik niet." – ,,'k Heb uren rondgeloopen

Om werk te zoeken en wat brood en hout te koopen;

't Is alles even duur, ik sloof van 's morgens vroeg

Tot 's avonds laat en jij, je zit maar in de kroeg !" –

,,Ik doe hetgeen mij lust ! – Zoo denk ik ook te hand'len !"

,,Ik ga mijn eigen weg ! -- ,,Ik zal den weg bewand'len

Die me aanstaat !" -- ,,Schepsel, zwijg !" En eensklaps barst de orkaan

Van vloeken en verwenschen los, en woedend slaan

Ze elkaar met 't schamper woord de wreedste en diepste wonden;

Al wat ellende en wrok voor bitt're smaadreën vonden

Vindt hier zijn uiting; al de grieven en verleën,

De kommer die hen wacht, en door alles heen

De droeve herinnering aan lang vervlogen tijden,

Ten laatste spreekt de man: ,,Waartoe dat eeuwig strijden ?

Ik ben het meer dan moe, 't is daaglijks nieuwe twist

Waartoe ons leven zoo verbitterd ? Waarlijk is 't

Niet zot ? Een mooi gezin ! – Het mag niet langer duren,

Ik walg van zoo'n bestaan ! Die kale somb're muren,

Ze boeien mij niet meer; ik heb daarbinnen vrij

Wat leed doorstaan ! 't Liep me alles tegen hier." --  En zij:

,,Best. Ik begrijp je wel. We moeten van elkander,

We hebben lang genoeg daarmee gedreigd." En de ander:

,,Dat is zoo. – Och ik heb reeds veel te lang gedraald";

,,En ik dan. 't was een vloek, waarbij geen mart'ling haalt." –

,,Een hel." -- ,,Zoo ga dan." sprak de vrouw, ,,'k Heb meer geleden

Dan menschelijk is. Wees vrij, ik ben het ook van heden.

Ik heb voor twee gewerkt, kies zelf thans een bedrijf

Wat mij betreft, ik heb nog handen aan het lijf

En ducht geen broodgebrek. Maar ga toch naar je vrinden.

Ze wachten in de kroeg, je zult ze er zeker vinden.

Doch slaap je roes van nacht op straat of elders uit.

Daar ik mijn deur voortaan voor zulk een dronkaard sluit."

't Is goed. Maar meen je, dat ik 't huisraad en de plunje

Waaraan ik deel heb hier zou laten ? Wel, dat kun je

Begrijpen. Dat ik als een bedelaar dit huis

In 't schamel werkmanspak verlaten zou ? Abuis.

Ik eisch van alles hier de helft. Wij zullen 't samen

Verdeelen. 't Hoort ook mij." -- ,,Aan u ? Je moest je schamen.

Zeg, wie van beiden heeft de grootste vlijt en moed

Betoond om d' inboel bij elkaar te brengen ? --- Goed

Ook daarin stem ik toe. – Bevredig je verlangen,

Ge zijt me vreemd. Ik wil van u geen gunst ontvangen."

En ijlings gaan ze aan 't werk. Elk monstert en betast

't Armoedig huisraad aan den wand, in lade en kast,

En gutsend stroomt het zweet van 't gloeiend voorhoofd neder.

De man haakt koortsig naar het uur, waarop hij weder

Zijn vrijheid zal erlangen. Zonder zelfs een woord

Te zeggen snuffelt hij in 't rond, door haast gespoord

En schandelijke eigenbaat, en niets ontgaat zijn oogen

Bij 't heiligschendend werk. Hij kent geen mededoogen !

Helaas, wat wanorde in het somber kluisje, dat

Misschien de liefde in 't schoonste paleis herschapen had !

O droevig schouwspel ! Zie slechts, wijd en zijd in 't ronde

Ligt alles op elkaar op tafel, vloer en sponde.

Een ieder op zijn beurt tast toe en kaapt zijn deel.

,,Neemt gij dit, ik neem dat, zoo hebben we evenveel !"

,,Dit glas voor u en dit voor mij !" -- ,,Twee kandelaren,

Voor ieder één !" -- ,,Ik neem de klok !" -- ,,Ik de lantaarn !"

,,Voor elk een deken !" – Zoo wordt 's huw'lijks heilige band

Vaneen gescheurd. Helaas ! niets zeldzaams in dien stand.

Het deelen liep ten eind; Het kil en somber weder

Wierp over 't droef tafereel een grauwen sluier neder.

Ginds, op een bovenplank, ligt in een duisteren hoek

Een onaanzienlijk pak, zorgvuldig in een doek

Geknoopt. De man bemerkt en opent het. ,,'k Wil weten

Wat dit pakket bevat; we hebben 't nog vergeten." –

,,'t Is zeker linnengoed – 't zijn kleeren – laat een zien !" –

,,Een boezelaar ? – een mutsje ? – een jurkje --- Zou 't misschien."

Zij zien elkander aan – Vol diepen weemoed staren

Ze op de reliquieën van lang vervlogen jaren,

Want 't zijn de kleertjes, erg verouderd en verkleurd,

Van 't vroeg gestorven kind, door beiden diep betreurd.

En spraak'loos staan ze daar, in 't diepst der ziel bewogen

En als een tooverbeeld rijst voor hun starende oogen

Een dartel, blozend wicht met 't heerlijk frissche waas

Der onschuld, in zijn eerste en laatste jurkje, eilaas !

,,'t Hoort mij" zoo spreekt de man, ,, ik geef dat jurkje noode."

En grijpt het vast. Doch zij roept bleek gelijk een doode

,,Neen, 't hoort niet u, maar mij; ik heb 't met eigen hand

Gewerkt, gestikt" -- ,,Ik wil het" -- ,,Nooit. Dat kostbaar pand

Heb 'k jarenlang bewaard om heimelijk te beschouwen,

Om 't steeds te kussen; jij moogt hier alles behouden.

Ja alles, maar laat mij het jurkje van mijn schat

Wat was het mooi en zoet – Ik heb 't zoo lief gehad ---

Het is nu al drie jaar dood --- God, waarom is 't ons ontnomen ?

O, ware 't kind nog maar hier, 't was nooit zoover gekomen.

't Is nu te laat" – En dan met wankelende tred

En zwijgend gaat ze tot haar man en hij verzet

Zich niet, nu ze uit zijn hand de kleertjes heeft genomen

En onbeweeglijk staart ze er op en schijnt te droomen;

En kust dan teeder jurk en kleinen boezelaar,

En 't poetzig mutsje, waar het blond en krullend haar

Zoo aardig uitkeek, waar ze 't Zondag mee mocht tooien.

Dan strijkt ze alles weer in de oude, gele plooien

En pakt het netjes saamen fluister somber: ,,Neen

Neen kind je komt te laat, ik heb te veel geleen. –

,,Te laat" krijt thans de man ,,vrouw zou je dat gelooven ?

Zeg moeder, zoo ons kind, dat engeltje daar boven,

Nog tot ons neerdaalt, tot ons spreekt en ons verbiedt

Haar kleine, lieve jurk te deelen, zo ze 't niet

Kan dulden, dat we elkaar verlaten in dit leven.

Zou 't dan te laat zijn vrouw ? --- Zeg wil je mij vergeven

Ik zal niet heengaan. Neen" – En tranen van berouw

Ontwellen aan zijn oog. Hij zinkt terneer, de vrouw

Snelt toe: ,,Je beeft, je schreit ?" – en snikkend staamlen beiden

,,We zijn opnieuw vereend, we zullen nimmer scheiden."

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Een feestje

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst) 

 

 

Het is hier feest  (3 maal)

Wij zijn verzocht (3 maal)

Hier zijn we dan (3  maal)

We komen er aan

We gaan niet vlug

We zeggen iets

Hier komt ie dan

Zeventig jaar

Proficiat

Hij geeft feest

We kwamen hier

Moeite gekost

We kijken maar

We draaien om

We weten niets

Wij willen gaan

Mondje toe 

We zijn nou klaar

Dan gaan we vlug

Niets gebeurd

Wij komen terug

Niet getreurd

Een lollige vent

Wij roddelen niet

Dat was het dan

We gaan er vandoor

Maar wat zeggen we nou

Maakt plezier

Op dit feest

 

Een heel groot feest (3 maal)

Gelukkig verzocht (3 maal)

Met heel veel man (3 maal)

Zoetjes aan

Dan moeten we terug

Dat lijkt op niets

We beginnen vooran

Dat is toch waar

Het is toch wat

Altijd zo geweest

Met veel plezier

Hebben dorst

Wij zijn nou klaar

Dat is toch stom

Hhet lijkt op niets

Kijk ons eens aan

We zijn nou moe

Reken maar

Dat is toch stug

Wel getreurd

Dat doen we vlug

Waar gebeurd

Omdat je hem kent

Dat zie je niet

Er alles van

Dat was het hoor

We blijven gauw

Vanavond hier

We zijn verzocht geweest

 

Men maakt 1 of 2 rijen als er veel personen zijn [polonaise]. Men komt schuifelend binnen. De tekst moet iedere keer 3 keer herhaald worden. Een groep zegt de eerste rij, de tweede groep de tweede rij. Eigen fantasie gebruiken. Het is leuk als je allemaal dezelfde kleding aan doet b.v allemaal een rode zakdoek of een petje  of klompen laat je fantasie maar werken. De tekst kunt u ook achter op de rug van de voorganger spelden dan hoef je hem niet uit je hoofd te leren.

Terug naar overzicht voordrachten

 


Anton met de bok

(met dank aan Map Lankhorst voor het sturen van de tekst) 

Anton met de bok, die zou het rijden leren

Toen had hij nog geen peerd    

En kon hij dat niet leren       

Siege bok, Anton d'r op

Is dat dan geen schöne rijerij

Is dat dan geen schöne rijerij

 

En Anton met de bok, die zou het rijden leren

Toen had hij nog geen zadel

En kon hij het ook niet leren

Koolblad onder 't gat

Siege bok Anton d'r op

Is dat dan geen schöne rijerij

Is dat*dan geen schöne rijerij

 

En Anton met de bok, die zou het rijden leren

Toen had hij nog geen sporen

En kon hij het ook niet leren

Worstepin achter der in

Koolblad onder 't gat

Siegebok, Anton der op

Is dat dan geen schöne rijerij

Is dat dan geen schöne rijerij

 

En Anton op de bok, die wou het rijden leren

Toen had hij nog geen helm

En kon hij het ook niet leren

Pissepot op de kop

Worstepin achter der in

Koolblad onder 't gat

Siegebok, Anton der op

Is dat dan geen schöne rijerij

Is dat dan geen schöne rijerij

 

En Anton met de bok, die zou het rijden leren

Toen had hij nog geen baard

En kon hij het ook niet leren

Suikertoet onder de snoet

Pissepot op de kop

Worstepin achter der in

Koolblad onder het gat

Siegebok Anton der op

Is dat dan geen schöne rijerij

Is dat dan geen schöne rijerij

 

En Anton met de bok, die wou het rijden leren

Toen had hij nog geen snor

En kon hij het ook niet leren

Wisken grus onder de neus

Suikertoet onder de snoet

Pissepot op de kop

Worstepin achter der in

Koolblad onder 't gat

Siegebok Anton der op

Is dat dan geen schöne rijerij

Is dat dan geen schöne rijerij

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Tranen

(met dank aan Dick Cozijnsen voor het sturen van de tekst) 

1e (een moeder uit de betere stand….. bekakt spreken)

Foei mijn kleine lieveling

Wat zijn dat veur manières ?

Met je vuile handjes in de bonbonnières?

Foei jij kleine snoepertje, dat doet moesje veel verdriet.

Kleine brave kendertjes zijn zo ondeugend niet !

Straks als Pappie thuis komt, dan zal hij Janneman bestraffen,

De juf zal boos zijn en Fido de hond zal nijdig blaffen.

Kijk nu zit je met je vuile handjes in je haer

En veegt de chocolade aan je schone boezelaer.

Tranen ? dus mijn schatje heeft berouw ?

Al is je snoetje nog zo zwart,

Je bent mijn lief klein eng’lenhart.

Kom maer hier hoor schatje, 

Moesje houdt heel veel van jou.

 

2e  (een moeder uit de Jordaan…. plat Amsterdams spreken)

Potverdikkie kijk erreis, zit ie met z’n vuile jatte

Midden in de suikerpot de klontjes d’r uit te jatte,

Of ie d’r in blijft wone  dat stuk ellendelaor.

Een mooi sappie, precies een aortje naar z’n vaor.

Waor zijn die 2 spie die je van de buurvraow heb gekrege ?

Zeker weer versnoeit hè, ik zie droppies an je tengels kleve.

Je had ze in je stenen varreke motte doen

Voor een paor veters of een lappie op je schoen.

Traone, laot dat gejank maor zijn, stuk sjaggerijn,

Hier hei je een spie, de appies koke, haol je vaor maor uit de kroeg !

 

3e  (een Jiddische moeder…… probeer het Jiddisch accent)

Als je vader straks thuis komt zal je wat belewe,

Zal hij je effe aardig op je ponem gewe.

Alles njast ie op en staat me uit te lache,

Zo’n verzwarschte pigem, zo’n verrot geschmachte ragge !

Moos! blijf van het soepevleesch, de bolusse en de uitjes,

Ach het toppunt komt me daar nog na,

Zit ie met z’n dadelpote in de haringsla.

Trane ? trane plan je maar niet meer ijzere hein,

Ik heb je toch geenzins gepatst ! Kom maar hier mijn kleine schatz.

Nah, je Mamma was maar giftig voor de gein !

 

 

Deze voordracht, van een jongen die stiekem snoept en wordt bestraft, is al heel oud. Ik weet zeker dat het uit de jaren ’20 stamt. Dus eigenlijk uit de tijd maar… In onze Amsterdamse familie werd het op feestjes e.d. regelmatig voorgedragen. Later heb ik deze traditie min of meer overgenomen en had er veel succes mee. Vooral het laatste deel vond ik altijd het leukste om te doen. Als het Jiddische accent goed wordt gedaan beleven jij en de toehoorders er veel plezier aan. Dick

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


De weddenschap

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst) 

Op een zekere plaats lag een garnizoen

Van soldaten die hun best wilden doen

Om flink te exerceren

En daarbij hun dienst goed te leren

En bij die club was een jong soldaat

Een flinke jonge maat

Die altijd de gewoonte had

Ik wed om dit, ik wed om dat

 

De majoor een hele goede man

Kreeg daar ook de brui wel van

Hij sprak: ,,soldaat doe mij een plezier

Dat wedden moet je laten hier

Jij altijd met je wedderij

Je krijgt het aan de stok met mij"

De soldaat die sprak: ,,majoor dat is een familiekwaal

Dat wedden kan ik toch niet laten al hou je me nog zo in de gaten."

 

,,Dat staat je net

Dat jij je tegen je meerdere verzet"

,,Verzetten", sprak de jongeling vlug

,,Daar kom ik een even op terug

Zelfs zou ik het durven wagen

Een weddenschap aan u te vragen"

,,Zo wil je weer wedden jonge maat

Kom er maar mee voor de draad

Jou weddenschap kan zo niet wezen

Of ik zal je ervan genezen"

 

Een glimlach trok over het gelaat

Van de weddende soldaat

Hij sprak: ,,majoor

Het volgende stel ik voor

Als u mijn weddenschap kan dulden

Dan wed ik met u om 300 gulden

Ja, het is sterk

Dat er een steenpuist zal komen op uw achterwerk

Misschien vind je het raar van mijn

Maar binnen drie dagen zal het zo zijn."

 

De eerste dag der drie verstreek

Maar hoe ons majoortje ook in de spiegel keek

Niets was er dat hij kon ontdekken

Hoe zeer hij zich ook mocht strekken

De tweede dag stel je voor

Dat ik mijn weddenschap verloor

Nee, met mijn geld gaat hij niet strijken

Ik zal de dokter eens laten kijken

Maar hoe de dokter ook zocht en keek

Niets was er wat op een steenpuist leek.

 

Toen ging ons majoortje naar de soos

Terwijl hij daar een plaatsje koos

Was daar ook een kapitein gezeten

Die iets over de soldaat wou weten

,,Zeg", zo ving hij aan

,,Hoe is het met die soldaat gegaan

Je weet wel, die altijd zin in wedden had

Heb je hem al eens te pakken gehad ?"

 

,,Natuurlijk" sprak de majoor, ,,ik vertel je geen gein

Dat kost de kerel driehonderd pop kapitein"

De kapitein werd wit en zuchtte, ,,ach

Dat is voor mij een dure dag

Duizend gulden heeft hij al zo gewonnen

Driehonderd gulden heeft hij van mij te pakken

Omdat jij je broek hebt laten zakken

Want hij wedde met mij bovendien

Dat ik binnen drie dagen jou achterwerk zou zien"

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Een boer in Amsterdam

(met dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst) 

Een boer die het in zijn hoofd eens kreeg

Zich van Amsterdam te gaan vergewissen

Die moest, toen hij de stad bekeek

Opeens geweldig……………P…issen

Zijn oog, zoekende naar alle kanten dus

Valt eindelijk op het gloofje van een brievenbus.

Haha dacht ons boertje blij van zin.

In dat ding daar water ik eens lekker in.

En toen hij daar zo bezig was.

 Kwam een politieagent al ras

Die zei U bent verbaliseerd

Verbaliseerd zei ons boertje, nou ?

 Is dat ding dan soms van jou.

Ik kan dat toch met goed fatsoen

In mijn eigen broek niet doen.

Zo druipt hij af, en onder het doormascheren

Gaat hij over die zaak nog eens filisoferen.

En na nog een glaasje of wat te hebben gedronken

Was boertjes water weer gezonken

Nu kijkt hij rond in hoeken en gaten.

Hij weet niet waar hij zijn water moet laten

Entoen opeens, blij van zin

Viel hem een goeie inval in.

Dat huis daar bel ik aan

Al komt het me nog zo duur te staan.    Tring..tring…

De deur werd op een kier geopend

Waardoor men de melkkan steekt.. hopend

Dat aan de deur de melkboer stond

Die zich, op dat uur, altijd daar bevond.

Men zeide :”Astublief mijnheer,

U krijgt ook nog van de vorige keer”.

Ons boertje Piste heel tevree

Stak de centen in zijn portemonee

Zette de melkkan op de stoep

En smeerde hem onder het geroep

Van Keetje, Keetje je hebt er water bij gedaan,

Ik heb je met de kan aan de pomp zien staan (bis)

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Vrijheid kwijt

(met dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst) 

Vrijheid geeft blijheid

Opgewektheid en gezelligheid

Maar vrijheid kwijt

Vrijheid kwijt geeft spijt

Ja vrijheid kwijt geeft narigheid

En ik zit vol nijd en spijt

En ik vind geen tevredenheid

Alvorens ik u heb gezeid

Vanwaar al die zwaarmoedigheid

En die ontevredenheid

Waaraan ik zo zeer lijd

Mij werd bereid

 Men kende weid en zijt

De kleine Adelheid

Zij was een knappe meid

Vol van bekoorlijkheid

Ik waag voor korte tijd

Een aanval met beleid

Op haar persoonlijkheid

Wat stommiteit……

Ik sprak van huiselijkheid

Van liefde en heerlijkheid

Zij was terstond bereid

En ik…….voor altijd

Mijn schone vrijheid kwijt.

Vanmorgen nog aan ’t ontbijt

Bleek van kwaadaardigheid

Snauwt zij vol bitterheid………:

“Ik heb de hele nacht geschreid

En die lamme sociëteit

 Waarin jij je nachten slijt

Zijn bij mij voor altijd vermaledijd.”

Zo gaat dat nu altijd

En om elke kleinigheid.

Maakt zij onenigheid

Ja slaat zelfs krabt of bijt.

(Bruidegom wees bereid) indien van toepassing)

(voor zulk een kleinigheid).

En gij allen hier die mint of vrijt

Wees niet te gauw bereid

Ook al zegt de humaniteit

Dat gij wat langzaam zeit

Want beter lang gevrijd

Dan uw schone vrijheid kwijt

En als gij later lijdt

Aan eeuwige…eeuwige spijt

Gedenk dat ik het U nu heb voorgeleid

 En dat gij er zelf de schuld van zijt….krijgt de slingerschijt …..dank u wel.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Bakker en kapper

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) 

Hoe, aardig, hoe aardig kom hoort mij eens aan,

't Is waardig, ja waardig dat gij wat blijft staan,

Een kapper zeer oud, in zijn werk nog stout,

Die heeft nog een aardig jong vrouwtje getrouwd.

 

Ons oudje, ons oudje die wist van geen kwaad,

Maar zijn lekker vrouwtje die wist wel hoe laat,

Dat haar baasje moest weg, zij sprak met de knecht,

Aan haar buurman de bakker was zij aan gehecht.

 

Kom binnen, kom binnen en geeft hier het brood,

Ik wil u beminnen, gij dit niet verstoot,

Zij viel hem om den hals, het eerste was mals,

Gij hoeft niet te vreezen danst met mij een wals.

 

De flesch en het glaasje dat kwam voor den dag,

Kom drinkt eens lief Klaasje en niet lang gewacht,

't Brandewijntje met zoet dat gaf hem toen moed,

Ik behoef niet te zeggen wat men dan wel doet.

 

Met drinken en stoeijen wordt men de koop klaar;

Haar ogen die gloeiden, hij wordt ook zoo raar,

Toen had men de pret en men ging toen naar bed'

Speel kolder den bolder, klein Piet in het net.

 

Heel mooi half dronken wierd dat werk volbragt,

In de slaap toen gezonken net of het was nacht,

Wat schande, wat nood, half nakend en bloot,

Bleef dat paar daar leggen en dacht aan geen nood.

 

Zoo duurde 't een tijdje ons oudje kwam 't huis,

Hij vondt dit ontbijtje tot zijn bitter kruis,

Zoo, zoo dat gaat goed, maar houdt goeden moed,

Voordat zij ontwaakte weet hij wat hij doet.

 

Hierbij moet er wezen gewis veel verstand,

En nam zonder vrezen de doos in de hand,

Hij poeijerd haar pruik naar kappers gebruik,

Gij kunt wel begrijpen dit werk ging puik.

 

Hij ging bij de tweede die lag daar ook bloot,

En dat tot beneden die grap was zeer groot,

Hij liep naar den haard voor de pruik en de staart,

Nam roet en wat olie en schildert bedaart.

 

De eene was wit de andere was zwart,

Hij deed ze ontwaken en dat gansch verward;

Toen zag men de pret zoo een paar in het bed,

Nu ging hij aan 't vegen en dat ging niet net.

 

Hij jaagde dit paar half nakend op straat'

Gepoeijerd en geverfd denk een hoe dat staat,

De buren gewaar van zoo een schoon paar,

Die gingen aan 't zingen dit liedje voorwaar.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

Cupke Truike

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst) 

Refrein:

Cupke, Truike ik hou zoveel van jouw

Ik vêên het zo fijn, om bij jou te zijn

Ik zeg het oe nouw, dek veul van oe houw

Cupke, Truike ik hou zoveel van jou

 

Wij komen van …….  dêmeugde gerust weten naar dees schoon fist

Cupke en Truike zo zen wij geheten, des altijd zo gewist

En als bij ons 's avonds den herd uitgekeerd is en het werk is gedaon

Dan zitten wij samen bij ons op het stoepke en zeggen dan tegen mekaor

 

Refrein

 

Wij praoten niet van love you of sweetthard of darling of van lamoer

Wij gebruiken geen lipkes geen stifkes geen poeierke, dê past nie voor een boer

Wij zitten des 's avonds ook nooit niet te gapen naar en film of bioscoop

Wij zitten dan saomen bij ons op het stoepke , des net zo goeie koop

 

Refrein

 

Wij hebben de zaak hier eens rustig bekeken, het is werkelijk fijn

Maar Cupke en Truike die venne dur eigen hier veul te klein

Wij wensen oe allen een heel goeien aovond ,en heel veul plezier

Wij gaon weer naar huis toe, want bij ons op het stoepke, is het net zo goed als hier

 

Refrein

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


 

De vrolijke barbier

(Wijze: Silberstein)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) 

Ik ben voor 't Algemeen

Een scheerder, van mijn vak

Steeds vrolijk en te vreen

Met 't scheermes in den zak.

En elk die ik bedien,

Is over mij voldaan

Als hij daarna mag zien

Hoe schoon hij weg kan gaan.

 

En zijn er van mijn slag

Die scheeren zonder zeep

En hoe dat heeten mag

Helaas men noemt zulks leep,

Maar 't kan toch, niet bestaan

Als men geen zeep gebruikt,

Dat scheren staat niet aan

Als 't naar bedrog steeds ruikt.

 

Hoe menig fabrikant

Op beurs, of winkelzaak

Die scheert met schelms verstand

 En dit valt in zijn smaak.

Met die bedriegerij

Te scheren zonder zeep

Brengt menig in de lij

Ik hoop, gij vat de kneep.

 

Een jongeling zeer gelant

Vraagt 't jawoord aan de maagd.

Hij spreekt van 't trouw verbond,

Dat haar gewis behaagt.

 

Terug naar overzicht voordrachten

 


Kikkermarsch

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) 

 

STAANDE

Wijze: Ach mein lieber Augustein

 

Vrienden laat ons kikkers zijn,

Groot en klein, grof en fijn.

Kwaken of wij vorschen zijn

Kwa, kwa, kwa, kwijn.

Zet u dus voor een keer

Eens op de hurken neer,

En dan springt een elk vooruit

Bij maatgeluid.

 

HUPPELEND

Wijze: Hop Marianneke.

 

Kikkers springen, vroolijk zingen

Dansen poot aan pootje,

Die geen kikker wezen wil

Blijft maar uit ons slootje.

 

STAANDE

Wijze: Ach mein lieber Augustein

 

Viert een kikker feest op 't land

Dan is ' t een rare klant.

Kwikt en kwakt tot groot en klein

Netjes en fijn

Wij doen 't hem nu eens na

Kwa, kwa, kwa, kwa, kwa, kwa,

Vrienden zet u voor een keer

Als kikkers neer.

 

HUPPELEND

Wijze: Hop Marianneke.

 

Kikkers springen ,kikker springen

Klaag thans niet ach grootje

Vlug den beenen van den grond,

Lachend poot aan pootje. 

 

STAANDE

Wijze: Ach mein lieber Augustein

 

Zit zoo'n kikker in 't groen

Kan hij zoo aardig doen,

Telkens schreeuwt op zijn gemak

Kwak, kwak, kwak, kwak,

Laten wij klein en groot

Als kikkers uit de sloot,

Laten wij op dit festijn,

Eens kikkers zijn. 

 

HUPPELEND

Wijze: Hop Marianneke.

 

Kikkers springen ,vroolijk springen

't Beste been naar voren,

Laten wij bij 't springen ook

't Kwak, kwak, kwak doen hooren

 

STAANDE

Wijze: Ach mein lieber Augustein

 

Zit een kikker op een kluit

Dan is het springen uit,

Zoo ook vrienden zal het zijn

Op dit festijn

Doch, wij doen 't nog een keer

Huppelend op en neer

Buigt nu allen, een, twee, drie

Kwa, kwa, kwa, kwie.

 

HUPPELEND

Wijze: Hop Marianneke.

 

Kikkers springen, vroolijk springen

Oud en jong kwaken,

Ieder springt en huppelt mee

Dit moet vreugde maken.

 

 

Allen scharen zich achter elkaar in rijen, en zorgen dat men bij het huppelen goed maat houdt met zijn buurman. Het huppelen als kikvorschen. De gansche schaar moet aan het einde van het lied tevens aan het einde der zaal zijn, dan begint men weer van voren af aan, dezelfde beweging achterwaarts.