|
|
|
Dramatische Voordracht (met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)
Op de enge vliering, waar het daglicht vaal en grauw Door 't kleine venster breekt, was tusschen man en vrouw Een twist ontstaan. De man, als naar gewoonte dronken, Had heel den morgen op zijn leger liggen ronken. Nog half beneveld, was hij korzelig ontwaakt. – 't Was middag, 't uur waarop de werkman de arbeid staakt En zich een wijl verpoost, -- ,,Welnu, waar blijft het eten ?" Klonk 's dronkaards barsche stem, ,,Je hebt alweer vergeten Den disch te dekken ! 't Gaat hier aardig toe in huis ! Een mooie warboel ! Och, zoo'n vrouw is toch een kruis !" Want wie zich schuldig voelt, zoekt anderen te laken, Om daardoor eigen schuld wat minder zwart te maken. ,,Waar kom je nu vandaan ? Wat heb je in dien tijd Weer uitgevoerd ? Een vrouw die steeds haar dagen slijt Op straat, vertrouw ik niet." – ,,'k Heb uren rondgeloopen Om werk te zoeken en wat brood en hout te koopen; 't Is alles even duur, ik sloof van 's morgens vroeg Tot 's avonds laat en jij, je zit maar in de kroeg !" – ,,Ik doe hetgeen mij lust ! – Zoo denk ik ook te hand'len !" ,,Ik ga mijn eigen weg ! -- ,,Ik zal den weg bewand'len Die me aanstaat !" -- ,,Schepsel, zwijg !" En eensklaps barst de orkaan Van vloeken en verwenschen los, en woedend slaan Ze elkaar met 't schamper woord de wreedste en diepste wonden; Al wat ellende en wrok voor bitt're smaadreën vonden Vindt hier zijn uiting; al de grieven en verleën, De kommer die hen wacht, en door alles heen De droeve herinnering aan lang vervlogen tijden, Ten laatste spreekt de man: ,,Waartoe dat eeuwig strijden ? Ik ben het meer dan moe, 't is daaglijks nieuwe twist Waartoe ons leven zoo verbitterd ? Waarlijk is 't Niet zot ? Een mooi gezin ! – Het mag niet langer duren, Ik walg van zoo'n bestaan ! Die kale somb're muren, Ze boeien mij niet meer; ik heb daarbinnen vrij Wat leed doorstaan ! 't Liep me alles tegen hier." -- En zij: ,,Best. Ik begrijp je wel. We moeten van elkander, We hebben lang genoeg daarmee gedreigd." En de ander: ,,Dat is zoo. – Och ik heb reeds veel te lang gedraald"; ,,En ik dan. 't was een vloek, waarbij geen mart'ling haalt." – ,,Een hel." -- ,,Zoo ga dan." sprak de vrouw, ,,'k Heb meer geleden Dan menschelijk is. Wees vrij, ik ben het ook van heden. Ik heb voor twee gewerkt, kies zelf thans een bedrijf Wat mij betreft, ik heb nog handen aan het lijf En ducht geen broodgebrek. Maar ga toch naar je vrinden. Ze wachten in de kroeg, je zult ze er zeker vinden. Doch slaap je roes van nacht op straat of elders uit. Daar ik mijn deur voortaan voor zulk een dronkaard sluit." 't Is goed. Maar meen je, dat ik 't huisraad en de plunje Waaraan ik deel heb hier zou laten ? Wel, dat kun je Begrijpen. Dat ik als een bedelaar dit huis In 't schamel werkmanspak verlaten zou ? Abuis. Ik eisch van alles hier de helft. Wij zullen 't samen Verdeelen. 't Hoort ook mij." -- ,,Aan u ? Je moest je schamen. Zeg, wie van beiden heeft de grootste vlijt en moed Betoond om d' inboel bij elkaar te brengen ? --- Goed Ook daarin stem ik toe. – Bevredig je verlangen, Ge zijt me vreemd. Ik wil van u geen gunst ontvangen." En ijlings gaan ze aan 't werk. Elk monstert en betast 't Armoedig huisraad aan den wand, in lade en kast, En gutsend stroomt het zweet van 't gloeiend voorhoofd neder. De man haakt koortsig naar het uur, waarop hij weder Zijn vrijheid zal erlangen. Zonder zelfs een woord Te zeggen snuffelt hij in 't rond, door haast gespoord En schandelijke eigenbaat, en niets ontgaat zijn oogen Bij 't heiligschendend werk. Hij kent geen mededoogen ! Helaas, wat wanorde in het somber kluisje, dat Misschien de liefde in 't schoonste paleis herschapen had ! O droevig schouwspel ! Zie slechts, wijd en zijd in 't ronde Ligt alles op elkaar op tafel, vloer en sponde. Een ieder op zijn beurt tast toe en kaapt zijn deel. ,,Neemt gij dit, ik neem dat, zoo hebben we evenveel !" ,,Dit glas voor u en dit voor mij !" -- ,,Twee kandelaren, Voor ieder één !" -- ,,Ik neem de klok !" -- ,,Ik de lantaarn !" ,,Voor elk een deken !" – Zoo wordt 's huw'lijks heilige band Vaneen gescheurd. Helaas ! niets zeldzaams in dien stand. Het deelen liep ten eind; Het kil en somber weder Wierp over 't droef tafereel een grauwen sluier neder. Ginds, op een bovenplank, ligt in een duisteren hoek Een onaanzienlijk pak, zorgvuldig in een doek Geknoopt. De man bemerkt en opent het. ,,'k Wil weten Wat dit pakket bevat; we hebben 't nog vergeten." – ,,'t Is zeker linnengoed – 't zijn kleeren – laat een zien !" – ,,Een boezelaar ? – een mutsje ? – een jurkje --- Zou 't misschien." Zij zien elkander aan – Vol diepen weemoed staren Ze op de reliquieën van lang vervlogen jaren, Want 't zijn de kleertjes, erg verouderd en verkleurd, Van 't vroeg gestorven kind, door beiden diep betreurd. En spraak'loos staan ze daar, in 't diepst der ziel bewogen En als een tooverbeeld rijst voor hun starende oogen Een dartel, blozend wicht met 't heerlijk frissche waas Der onschuld, in zijn eerste en laatste jurkje, eilaas ! ,,'t Hoort mij" zoo spreekt de man, ,, ik geef dat jurkje noode." En grijpt het vast. Doch zij roept bleek gelijk een doode ,,Neen, 't hoort niet u, maar mij; ik heb 't met eigen hand Gewerkt, gestikt" -- ,,Ik wil het" -- ,,Nooit. Dat kostbaar pand Heb 'k jarenlang bewaard om heimelijk te beschouwen, Om 't steeds te kussen; jij moogt hier alles behouden. Ja alles, maar laat mij het jurkje van mijn schat Wat was het mooi en zoet – Ik heb 't zoo lief gehad --- Het is nu al drie jaar dood --- God, waarom is 't ons ontnomen ? O, ware 't kind nog maar hier, 't was nooit zoover gekomen. 't Is nu te laat" – En dan met wankelende tred En zwijgend gaat ze tot haar man en hij verzet Zich niet, nu ze uit zijn hand de kleertjes heeft genomen En onbeweeglijk staart ze er op en schijnt te droomen; En kust dan teeder jurk en kleinen boezelaar, En 't poetzig mutsje, waar het blond en krullend haar Zoo aardig uitkeek, waar ze 't Zondag mee mocht tooien. Dan strijkt ze alles weer in de oude, gele plooien En pakt het netjes saamen fluister somber: ,,Neen Neen kind je komt te laat, ik heb te veel geleen. – ,,Te laat" krijt thans de man ,,vrouw zou je dat gelooven ? Zeg moeder, zoo ons kind, dat engeltje daar boven, Nog tot ons neerdaalt, tot ons spreekt en ons verbiedt Haar kleine, lieve jurk te deelen, zo ze 't niet Kan dulden, dat we elkaar verlaten in dit leven. Zou 't dan te laat zijn vrouw ? --- Zeg wil je mij vergeven Ik zal niet heengaan. Neen" – En tranen van berouw Ontwellen aan zijn oog. Hij zinkt terneer, de vrouw Snelt toe: ,,Je beeft, je schreit ?" – en snikkend staamlen beiden ,,We zijn opnieuw vereend, we zullen nimmer scheiden."
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)
Men maakt 1 of 2 rijen als er veel personen zijn [polonaise]. Men komt schuifelend binnen. De tekst moet iedere keer 3 keer herhaald worden. Een groep zegt de eerste rij, de tweede groep de tweede rij. Eigen fantasie gebruiken. Het is leuk als je allemaal dezelfde kleding aan doet b.v allemaal een rode zakdoek of een petje of klompen laat je fantasie maar werken. De tekst kunt u ook achter op de rug van de voorganger spelden dan hoef je hem niet uit je hoofd te leren. Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Map Lankhorst voor het sturen van de tekst)
Anton met de bok, die zou het rijden leren Toen had hij nog geen peerd En kon hij dat niet leren Siege bok, Anton d'r op Is dat dan geen schöne rijerij Is dat dan geen schöne rijerij
En Anton met de bok, die zou het rijden leren Toen had hij nog geen zadel En kon hij het ook niet leren Koolblad onder 't gat Siege bok Anton d'r op Is dat dan geen schöne rijerij Is dat*dan geen schöne rijerij
En Anton met de bok, die zou het rijden leren Toen had hij nog geen sporen En kon hij het ook niet leren Worstepin achter der in Koolblad onder 't gat Siegebok, Anton der op Is dat dan geen schöne rijerij Is dat dan geen schöne rijerij
En Anton op de bok, die wou het rijden leren Toen had hij nog geen helm En kon hij het ook niet leren Pissepot op de kop Worstepin achter der in Koolblad onder 't gat Siegebok, Anton der op Is dat dan geen schöne rijerij Is dat dan geen schöne rijerij
En Anton met de bok, die zou het rijden leren Toen had hij nog geen baard En kon hij het ook niet leren Suikertoet onder de snoet Pissepot op de kop Worstepin achter der in Koolblad onder het gat Siegebok Anton der op Is dat dan geen schöne rijerij Is dat dan geen schöne rijerij
En Anton met de bok, die wou het rijden leren Toen had hij nog geen snor En kon hij het ook niet leren Wisken grus onder de neus Suikertoet onder de snoet Pissepot op de kop Worstepin achter der in Koolblad onder 't gat Siegebok Anton der op Is dat dan geen schöne rijerij Is dat dan geen schöne rijerij
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Dick Cozijnsen voor het sturen van de tekst)
1e (een moeder uit de betere stand….. bekakt spreken) Foei mijn kleine lieveling Wat zijn dat veur manières ? Met je vuile handjes in de bonbonnières? Foei jij kleine snoepertje, dat doet moesje veel verdriet. Kleine brave kendertjes zijn zo ondeugend niet ! Straks als Pappie thuis komt, dan zal hij Janneman bestraffen, De juf zal boos zijn en Fido de hond zal nijdig blaffen. Kijk nu zit je met je vuile handjes in je haer En veegt de chocolade aan je schone boezelaer. Tranen ? dus mijn schatje heeft berouw ? Al is je snoetje nog zo zwart, Je bent mijn lief klein eng’lenhart. Kom maer hier hoor schatje, Moesje houdt heel veel van jou.
2e (een moeder uit de Jordaan…. plat Amsterdams spreken) Potverdikkie kijk erreis, zit ie met z’n vuile jatte Midden in de suikerpot de klontjes d’r uit te jatte, Of ie d’r in blijft wone dat stuk ellendelaor. Een mooi sappie, precies een aortje naar z’n vaor. Waor zijn die 2 spie die je van de buurvraow heb gekrege ? Zeker weer versnoeit hè, ik zie droppies an je tengels kleve. Je had ze in je stenen varreke motte doen Voor een paor veters of een lappie op je schoen. Traone, laot dat gejank maor zijn, stuk sjaggerijn, Hier hei je een spie, de appies koke, haol je vaor maor uit de kroeg !
3e (een Jiddische moeder…… probeer het Jiddisch accent) Als je vader straks thuis komt zal je wat belewe, Zal hij je effe aardig op je ponem gewe. Alles njast ie op en staat me uit te lache, Zo’n verzwarschte pigem, zo’n verrot geschmachte ragge ! Moos! blijf van het soepevleesch, de bolusse en de uitjes, Ach het toppunt komt me daar nog na, Zit ie met z’n dadelpote in de haringsla. Trane ? trane plan je maar niet meer ijzere hein, Ik heb je toch geenzins gepatst ! Kom maar hier mijn kleine schatz. Nah, je Mamma was maar giftig voor de gein !
Deze voordracht, van een jongen die stiekem snoept en wordt bestraft, is al heel oud. Ik weet zeker dat het uit de jaren ’20 stamt. Dus eigenlijk uit de tijd maar… In onze Amsterdamse familie werd het op feestjes e.d. regelmatig voorgedragen. Later heb ik deze traditie min of meer overgenomen en had er veel succes mee. Vooral het laatste deel vond ik altijd het leukste om te doen. Als het Jiddische accent goed wordt gedaan beleven jij en de toehoorders er veel plezier aan. Dick
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)
Op een zekere plaats lag een garnizoen Van soldaten die hun best wilden doen Om flink te exerceren En daarbij hun dienst goed te leren En bij die club was een jong soldaat Een flinke jonge maat Die altijd de gewoonte had Ik wed om dit, ik wed om dat
De majoor een hele goede man Kreeg daar ook de brui wel van Hij sprak: ,,soldaat doe mij een plezier Dat wedden moet je laten hier Jij altijd met je wedderij Je krijgt het aan de stok met mij" De soldaat die sprak: ,,majoor dat is een familiekwaal Dat wedden kan ik toch niet laten al hou je me nog zo in de gaten."
,,Dat staat je net Dat jij je tegen je meerdere verzet" ,,Verzetten", sprak de jongeling vlug ,,Daar kom ik een even op terug Zelfs zou ik het durven wagen Een weddenschap aan u te vragen" ,,Zo wil je weer wedden jonge maat Kom er maar mee voor de draad Jou weddenschap kan zo niet wezen Of ik zal je ervan genezen"
Een glimlach trok over het gelaat Van de weddende soldaat Hij sprak: ,,majoor Het volgende stel ik voor Als u mijn weddenschap kan dulden Dan wed ik met u om 300 gulden Ja, het is sterk Dat er een steenpuist zal komen op uw achterwerk Misschien vind je het raar van mijn Maar binnen drie dagen zal het zo zijn."
De eerste dag der drie verstreek Maar hoe ons majoortje ook in de spiegel keek Niets was er dat hij kon ontdekken Hoe zeer hij zich ook mocht strekken De tweede dag stel je voor Dat ik mijn weddenschap verloor Nee, met mijn geld gaat hij niet strijken Ik zal de dokter eens laten kijken Maar hoe de dokter ook zocht en keek Niets was er wat op een steenpuist leek.
Toen ging ons majoortje naar de soos Terwijl hij daar een plaatsje koos Was daar ook een kapitein gezeten Die iets over de soldaat wou weten ,,Zeg", zo ving hij aan ,,Hoe is het met die soldaat gegaan Je weet wel, die altijd zin in wedden had Heb je hem al eens te pakken gehad ?"
,,Natuurlijk" sprak de majoor, ,,ik vertel je geen gein Dat kost de kerel driehonderd pop kapitein" De kapitein werd wit en zuchtte, ,,ach Dat is voor mij een dure dag Duizend gulden heeft hij al zo gewonnen Driehonderd gulden heeft hij van mij te pakken Omdat jij je broek hebt laten zakken Want hij wedde met mij bovendien Dat ik binnen drie dagen jou achterwerk zou zien"
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst)
Een boer die het in zijn hoofd eens kreeg Zich van Amsterdam te gaan vergewissen Die moest, toen hij de stad bekeek Opeens geweldig……………P…issen Zijn oog, zoekende naar alle kanten dus Valt eindelijk op het gloofje van een brievenbus. Haha dacht ons boertje blij van zin. In dat ding daar water ik eens lekker in. En toen hij daar zo bezig was. Kwam een politieagent al ras Die zei U bent verbaliseerd Verbaliseerd zei ons boertje, nou ? Is dat ding dan soms van jou. Ik kan dat toch met goed fatsoen In mijn eigen broek niet doen. Zo druipt hij af, en onder het doormascheren Gaat hij over die zaak nog eens filisoferen. En na nog een glaasje of wat te hebben gedronken Was boertjes water weer gezonken Nu kijkt hij rond in hoeken en gaten. Hij weet niet waar hij zijn water moet laten Entoen opeens, blij van zin Viel hem een goeie inval in. Dat huis daar bel ik aan Al komt het me nog zo duur te staan. Tring..tring… De deur werd op een kier geopend Waardoor men de melkkan steekt.. hopend Dat aan de deur de melkboer stond Die zich, op dat uur, altijd daar bevond. Men zeide :”Astublief mijnheer, U krijgt ook nog van de vorige keer”. Ons boertje Piste heel tevree Stak de centen in zijn portemonee Zette de melkkan op de stoep En smeerde hem onder het geroep Van Keetje, Keetje je hebt er water bij gedaan, Ik heb je met de kan aan de pomp zien staan (bis)
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst)
Vrijheid geeft blijheid Opgewektheid en gezelligheid Maar vrijheid kwijt Vrijheid kwijt geeft spijt Ja vrijheid kwijt geeft narigheid En ik zit vol nijd en spijt En ik vind geen tevredenheid Alvorens ik u heb gezeid Vanwaar al die zwaarmoedigheid En die ontevredenheid Waaraan ik zo zeer lijd Mij werd bereid Men kende weid en zijt De kleine Adelheid Zij was een knappe meid Vol van bekoorlijkheid Ik waag voor korte tijd Een aanval met beleid Op haar persoonlijkheid Wat stommiteit…… Ik sprak van huiselijkheid Van liefde en heerlijkheid Zij was terstond bereid En ik…….voor altijd Mijn schone vrijheid kwijt. Vanmorgen nog aan ’t ontbijt Bleek van kwaadaardigheid Snauwt zij vol bitterheid………: “Ik heb de hele nacht geschreid En die lamme sociëteit Waarin jij je nachten slijt Zijn bij mij voor altijd vermaledijd.” Zo gaat dat nu altijd En om elke kleinigheid. Maakt zij onenigheid Ja slaat zelfs krabt of bijt. (Bruidegom wees bereid) indien van toepassing) (voor zulk een kleinigheid). En gij allen hier die mint of vrijt Wees niet te gauw bereid Ook al zegt de humaniteit Dat gij wat langzaam zeit Want beter lang gevrijd Dan uw schone vrijheid kwijt En als gij later lijdt Aan eeuwige…eeuwige spijt Gedenk dat ik het U nu heb voorgeleid En dat gij er zelf de schuld van zijt….krijgt de slingerschijt …..dank u wel.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Hoe, aardig, hoe aardig kom hoort mij eens aan, 't Is waardig, ja waardig dat gij wat blijft staan, Een kapper zeer oud, in zijn werk nog stout, Die heeft nog een aardig jong vrouwtje getrouwd.
Ons oudje, ons oudje die wist van geen kwaad, Maar zijn lekker vrouwtje die wist wel hoe laat, Dat haar baasje moest weg, zij sprak met de knecht, Aan haar buurman de bakker was zij aan gehecht.
Kom binnen, kom binnen en geeft hier het brood, Ik wil u beminnen, gij dit niet verstoot, Zij viel hem om den hals, het eerste was mals, Gij hoeft niet te vreezen danst met mij een wals.
De flesch en het glaasje dat kwam voor den dag, Kom drinkt eens lief Klaasje en niet lang gewacht, 't Brandewijntje met zoet dat gaf hem toen moed, Ik behoef niet te zeggen wat men dan wel doet.
Met drinken en stoeijen wordt men de koop klaar; Haar ogen die gloeiden, hij wordt ook zoo raar, Toen had men de pret en men ging toen naar bed' Speel kolder den bolder, klein Piet in het net.
Heel mooi half dronken wierd dat werk volbragt, In de slaap toen gezonken net of het was nacht, Wat schande, wat nood, half nakend en bloot, Bleef dat paar daar leggen en dacht aan geen nood.
Zoo duurde 't een tijdje ons oudje kwam 't huis, Hij vondt dit ontbijtje tot zijn bitter kruis, Zoo, zoo dat gaat goed, maar houdt goeden moed, Voordat zij ontwaakte weet hij wat hij doet.
Hierbij moet er wezen gewis veel verstand, En nam zonder vrezen de doos in de hand, Hij poeijerd haar pruik naar kappers gebruik, Gij kunt wel begrijpen dit werk ging puik.
Hij ging bij de tweede die lag daar ook bloot, En dat tot beneden die grap was zeer groot, Hij liep naar den haard voor de pruik en de staart, Nam roet en wat olie en schildert bedaart.
De eene was wit de andere was zwart, Hij deed ze ontwaken en dat gansch verward; Toen zag men de pret zoo een paar in het bed, Nu ging hij aan 't vegen en dat ging niet net.
Hij jaagde dit paar half nakend op straat' Gepoeijerd en geverfd denk een hoe dat staat, De buren gewaar van zoo een schoon paar, Die gingen aan 't zingen dit liedje voorwaar.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)
Refrein: Cupke, Truike ik hou zoveel van jouw Ik vêên het zo fijn, om bij jou te zijn Ik zeg het oe nouw, dek veul van oe houw Cupke, Truike ik hou zoveel van jou
Wij komen van ……. dêmeugde gerust weten naar dees schoon fist Cupke en Truike zo zen wij geheten, des altijd zo gewist En als bij ons 's avonds den herd uitgekeerd is en het werk is gedaon Dan zitten wij samen bij ons op het stoepke en zeggen dan tegen mekaor
Refrein
Wij praoten niet van love you of sweetthard of darling of van lamoer Wij gebruiken geen lipkes geen stifkes geen poeierke, dê past nie voor een boer Wij zitten des 's avonds ook nooit niet te gapen naar en film of bioscoop Wij zitten dan saomen bij ons op het stoepke , des net zo goeie koop
Refrein
Wij hebben de zaak hier eens rustig bekeken, het is werkelijk fijn Maar Cupke en Truike die venne dur eigen hier veul te klein Wij wensen oe allen een heel goeien aovond ,en heel veul plezier Wij gaon weer naar huis toe, want bij ons op het stoepke, is het net zo goed als hier
Refrein
Terug naar overzicht voordrachten
(Wijze: Silberstein) (met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik ben voor 't Algemeen Een scheerder, van mijn vak Steeds vrolijk en te vreen Met 't scheermes in den zak. En elk die ik bedien, Is over mij voldaan Als hij daarna mag zien Hoe schoon hij weg kan gaan.
En zijn er van mijn slag Die scheeren zonder zeep En hoe dat heeten mag Helaas men noemt zulks leep, Maar 't kan toch, niet bestaan Als men geen zeep gebruikt, Dat scheren staat niet aan Als 't naar bedrog steeds ruikt.
Hoe menig fabrikant Op beurs, of winkelzaak Die scheert met schelms verstand En dit valt in zijn smaak. Met die bedriegerij Te scheren zonder zeep Brengt menig in de lij Ik hoop, gij vat de kneep.
Een jongeling zeer gelant Vraagt 't jawoord aan de maagd. Hij spreekt van 't trouw verbond, Dat haar gewis behaagt.
Terug naar overzicht voordrachten
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
STAANDE Wijze: Ach mein lieber Augustein
Vrienden laat ons kikkers zijn, Groot en klein, grof en fijn. Kwaken of wij vorschen zijn Kwa, kwa, kwa, kwijn. Zet u dus voor een keer Eens op de hurken neer, En dan springt een elk vooruit Bij maatgeluid.
HUPPELEND Wijze: Hop Marianneke.
Kikkers springen, vroolijk zingen Dansen poot aan pootje, Die geen kikker wezen wil Blijft maar uit ons slootje.
STAANDE Wijze: Ach mein lieber Augustein
Viert een kikker feest op 't land Dan is ' t een rare klant. Kwikt en kwakt tot groot en klein Netjes en fijn Wij doen 't hem nu eens na Kwa, kwa, kwa, kwa, kwa, kwa, Vrienden zet u voor een keer Als kikkers neer.
HUPPELEND Wijze: Hop Marianneke.
Kikkers springen ,kikker springen Klaag thans niet ach grootje Vlug den beenen van den grond, Lachend poot aan pootje.
STAANDE Wijze: Ach mein lieber Augustein
Zit zoo'n kikker in 't groen Kan hij zoo aardig doen, Telkens schreeuwt op zijn gemak Kwak, kwak, kwak, kwak, Laten wij klein en groot Als kikkers uit de sloot, Laten wij op dit festijn, Eens kikkers zijn.
HUPPELEND Wijze: Hop Marianneke.
Kikkers springen ,vroolijk springen 't Beste been naar voren, Laten wij bij 't springen ook 't Kwak, kwak, kwak doen hooren
STAANDE Wijze: Ach mein lieber Augustein
Zit een kikker op een kluit Dan is het springen uit, Zoo ook vrienden zal het zijn Op dit festijn Doch, wij doen 't nog een keer Huppelend op en neer Buigt nu allen, een, twee, drie Kwa, kwa, kwa, kwie.
HUPPELEND Wijze: Hop Marianneke.
Kikkers springen, vroolijk springen Oud en jong kwaken, Ieder springt en huppelt mee Dit moet vreugde maken.
Allen scharen zich achter elkaar in rijen, en zorgen dat men bij het huppelen goed maat houdt met zijn buurman. Het huppelen als kikvorschen. De gansche schaar moet aan het einde van het lied tevens aan het einde der zaal zijn, dan begint men weer van voren af aan, dezelfde beweging achterwaarts.
|
|