|
|
|
(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst) Vroolijke voordracht voor Heer en Dame
De bakker in bakkerskleederen met broodmand De dienstmeid netjes en elegant gekleed
Dienstmeid: Wat blijft de bakker nu toch uit 't Is negen uur, die schalksche guit, Daar ik 't ontbijt opbrengen moet; Nu 'k zal hem zeggen kort en goed, Dat hij de bakker zelf moet leeren, Het brood op tijd te presenteeren.
(Er wordt gescheld)
Dacht ik het niet ? daar heb je 't al, Ze schellen maar, die vette ganzen, En 'n meid moet op 't geklingel dansen, Maar hij krijgt geen versch brood vandaag, En vulle maar met thee zijn maag.
(Zij vertrekt, de bakker komt van een andere zijde binnen, zingende op wijze ,,Juffrouw pas op je hondje":)
Hier ben ik lieve meid, Pas ik niet op mijn tijd, Je moppert anders weer, En dat doet mij zoo zeer. Maar ach wat een verdriet, Mijn liefje is er nog niet. Als zij maar spoedig komt, Opdat mijn baas niet bromt. Ik moet haar nu eens even vragen, Na hoeveel dagen Zij het wil wagen. Ja, 'k vraag haar, na hoeveel dagen, Zij in 't bootje wil met mij.
Ja, ja het moet er maar naar toe, 'k Kan zonder vrouwtje niet meer leven, Ik ben het jongensleven moe, Dat kan mij geen genot meer geven. 'k Mankeer steeds hier en daar een knoop En in mijn kousen draag ik gaten, Zoodat ik voor schandaal soms loop, Als ik ze niet kan stoppen laten. En ga ik 's avonds naar mijn kooi, Dan heb ik zulke rare droomen, En dat vind ik waarlijk niet mooi, Neen, neen, daar moet een eind aan komen.
Dienstmeid (binnenkomende): Zoo lummel, waar kom jij vandaan ? 't Is schande zoo lang uit te blijven, Geef gauw het brood, loop naar de maan, Meneer zal aan je baas wel schrijven.
Bakker: Hè, hè dat kan wel minder gaan, Als jij zoo'n zure smoel blijft houwen, Dan ga 'k er met mijn brood vandoor, En jou meneer krijgt niets te kouwen.
Dienstmeid: Maar ik heb ook nog niet ontbeten.
Bakker: Daarom moet je me welkom heeten, Kom, geef me een kus, dan is het uit.
Dienstmeid (hem zoenende): Nu, daar dan, maar je bent een guit ! Ik moest je eer een standjes maken, Dat jij zoo slof bent op je zaken.
Bakker: Of ik niet op mijn zaken let, Dan moet je eens hooren, lieve Bet ! 'k Heb zoo lang bakkersknecht gespeeld, Dat het mij eindelijk verveelt, Dus ga ik voor me zelf beginnen, Om voor ons beiden 't brood te winnen.
Dienstmeid: Ons beiden ...... Wat bedoel je Hein ?
Bakker: Wel, gij zult weldra mijn bijslaap zijn.
Dienstmeid: Nou hoor eens wat een astrantigheid, Ik heb toch nog geen ja gezeid ?
Bakker: Dan moet je 't nou doen, ....... 'k heb gezworen Dat jij me gauw zult toebehooren ! Ik bakker en jij bakkerin, Zeg poes, is dat niet naar je zin ?
Dienstmeid: Nou 'k zeg geen ja, en ook geen nee, Ik ga nog niet in 't schuitje mee Of ik moet ..................
Bakker: Daar schiet mij wat te binnen. Zeg Bet, heb jij ook soms je zinnen Gezet op jou meneer ...... die is Nog ongetrouwd .....
Dienstmeid: Nou ben je mis, Meneer een man van vijftig jaar, Zoo bleek met olie in zijn haar En in zijn knevel cosmetiek .... Verliefd op hem ! ... ha ! 'k lach me ziek.
Bakker: Nu dan is 't goed, 'k zal jou vertrouwen, Als jij maar zegt van mij te houen.
Dienstmeid: Geef eerst maar brood.
(Er wordt gescheld)
Daar heb je 't weer.
Bakker: Jij bent wat bang voor jou meneer. Breng dan het brood maar haastig heen, En laat me hier geen uur alleen.
(Hij zoekt in de mand)
Wel Bet nou heb ik 't brood vergeten.
Dienstmeid: Nu dat is wat moois ! Ik moet ook nog eten.
Bakker: Als men verliefd is eet men niets; Bemin dus maar: hier is nog iets....
(Geeft haar een klein broodje)
Waar meneer genoeg aan heeft. Als jij hem dit oudbakje geeft. Kan hij wel wachten tot aan het dinee, Morgen breng ik versch brood mee.
Dienstmeid: Je bent een mooie ... 'k zal 't probeeren; Doch vrees dat hij 't niet kan verteeren.
(Gaat met het broodje heen)
Bakker: O ! wat een meid ! wat 'n hartediefje ! Wat 'n aardig, mooi, verstandig liefje ! Maar of ze mij wel erg bemint ? Zij zeurt van eten, 't lieve kind. En dat is verdacht, ik heb veel gelezen Dat liefde voedt, zou dat zoo wezen ? Want ik heb ook maar weinig trek, En vroeger was 'k een lekkerbek. Maar och, laat ik haar niet verdenken, Bemint zij mij, dan zou 't haar krenken.
(Dienstmeid komt terug en heeft zwarte vlekken onder den neus als afdruk van een knevel)
Bakker: Wat duivels meid, Waar bleef je toch zoo'n lange tijd ?
Dienstmeid (verlegen): Och ik ... ik ....
Bakker: Ga maar uit mijn oogen, Je hebt me nou genoeg bedrogen, Kijk 's in den spiegel ! .....
(Dienstmeid doet het en wil snel het zwart afvegen)
Dienstmeid: Lieve Heer !
Bakker: Daar zit 't bewijs dat jou meneer, Nadat zijn knevel was geboend, Jou, gemeen schepsel, heeft gezoend !
Dienstmeid: Ik kon 't niet helpen Jan, Hij nam Me beet, toen 'k in de kamer kwam En ........
Bakker (bedroefd): Wat heb ik om die meid geleden ! Als ik bezig was het deeg te kneden, Dan was 't me of ik haar te pakken kreeg, En tranen vielen er in het deeg. Bakte ik beschuit en brak er een, Dan ging het mij door merg en been. Daar 't was of zij in stukken viel. 't Sneed als een mes me door de ziel, Wanneer een brood te hard werd, want Het scheen me toe, ik had haar verbrand. Maar ik mocht ook zaal'ge uurtjes smaken, Was 'k aan het krentebroodjes maken, Dan lachten me al de krenten toe, Of het haar oogjes waren ... Hoe verrukte het mij als ik het deeg Voor 'n tulband in m'n handen kreeg, Want ik dacht, een zoentje van die meid Smaakt beter dan die zoetigheid, En thans ...
Dienstmeid: Och Jan, 'k ben trouw gebleven En wil alleen jou zoentjes geven. Vergeet dan wat gebeurt is maar.
Bakker (tot het Bruidspaar): Zou ik het doen beminnelijk Paar ! Dat ook in 't bootje zijt getreden ?
Dienstmeid: Och Bruidje, doet gij een goed woord, Maak mij toch ook gelukkig heden.
Bakker: Nu om de Bruid, die elk behaagt, En 't meest den knappen Bruidegom, Zeg ik, Bet kom aan mijn harte, kom ! En moge ons voortaan het leven, Het heil, dat ook dit Paar smaakt, geven.
Samen zingende: (Wijze: Mijn liefje, wat wil je nog meer) Moog' 't leven nog beter u smaken, Dan 't lekkerste, fijnste gebak, En kon onze klucht u vermaken, Dan zijn wij pas recht op ons gemak. En kon onze klucht u vermaken, Dan zijn wij pas recht op ons gemak.
Terug naar overzicht voordrachten (duet) (met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
SPREKEN:
Ka: Wel, wel, wat moet 'n vrouw toch doen om rust en vrede met haar man te houden, zoo'n leven als ik heb is niet te verdragen. 't Huwelijk brengt aan velen geluk, maar ook aan velen verdriet; Ik zeg geluk omdat vele meisjes voor hun huwelijk niet weten wat de mannen zijn. Ondervinding heeft mij echter geleerd om de man die de drank voor zijn geliefkoosde medicijn houdt met hardheid te behandelen. Mondje toe Ka, daar komt hij. (snuiven)
Piet: Dag Ka, ben je weer aan 't snuiven.
Ka: Ben jij weer dronken, 't is schande, 'n man op jou leeftijd.
Piet: Houdt je mond, ik zal de drank laten, 't liefst wat ik drink (zingende): de wijn, de wijn, de wijn.
Ka: Ja, zing maar, eenmaal zal het te laat zijn.
Piet: Voor jou is 't snuiven al veel te laat.
ZANG:
Ka: 't gebrek wat mij mankeert, staat niet hoog aangeschreven Te snuiven tot verzet is toch geen schandaal, Maar daag'lijks in de kroeg jou centen uit te geven, Is dunkt mij beste man, van jou wat erger kwaal. Dus daarom mijn dronken Piet, erger mij dus niet, En wil die groote lust tot drinken gaan bedwingen, Gaat steeds met werken voort, Dan doe je zoals 't behoort, Maar niet van 's morgens vroeg Tot 's avonds laat in de kroeg.
Piet: Wel Ka, wat maal je nou, zou ik mijn propje laten ? Je weet, 't is mijn smaak, mijn leven en mijn lust, Ik heb redenen om met recht jou zwarte neus te haten, Die steeds besmet met snuif, mij walgt als gij mij kust. Neen, ik blijf mijn prop, ik wil met mijn dronken kop, Voor jou verkeerd gesnap voor ditmaal toch niet buigen, 'k Ga steeds met drinken voort, 't Meest wat mij bekoort, Mijn laatste cent altijd Blijft aan Schiedam gewijd.
Ka: Maar Piet, hoe kan het zijn, jou plicht zoo te vergeten. Blijft 't nog maar bij den drank, ik sprak maar 'n enkel woord, Helaas jou geld en goed, je dacht ik zou 't niet weten, Verpandt gij voor de flesch, 't is waarlijk ongehoord. Gij maakt mij de kop op hol, eens raakt de maat toch vol, En zal in dolle drift, jou in de oogen halen. Ach Piet, ik ben zoo verwoed, Jou handeling is niet goed, En alles wel beschouwd, Is 't beter nooit getrouwd.
Piet: Wel mijn brutale Ka, wat sta je weer te keffen, Je weet ik vrees je niet, veel minder jou geschreeuw. Met zachtheid beste vrouw, dat moest jij reeds beseffen, Win je veel meer in 't veld dan met onstuimigheid. Dus vrouwtje geloof nou niet, dat jij jou dronken Piet, Door jou verkeerd gesnap zal tot verbetering brengen. Hoe hooger jou toontje klinkt, Hoe meer dat jou vent drinkt, Mijn laatste cent altijd Blijft aan Schiedam gewijd.
Ka: Welaan dan lieve man, wil naar uw vrouwtje luisteren, Verfoei dat geestrijk vocht, die bron van alle kwaad, Mij dunkt, ik hoor in u een inspraak zachtkens fluisteren, Waarin gij 't vast besluit, als gij 't misbruiken laat, Ik ook mijn lieve zal toonen dat ik iets kan, Ziedaar de snuif en de doos voor altijd aan een zij. En luister nu naar de les, Verwerp ook drank en flesch, En leef steeds hoe 't ook ga, Gelukkig met uw Ka.
Piet: Genoodigd lieve vrouw door uw zachtzinnig spreken, Geef 'k aan uw raad gehoor en wil ter dezer stond, Nog eenmaal als ik mag een kleine gunst u smeeken, En sluit dan met uw Piet, voor altijd een verbond. Ik zal dan nog voor 't laatst eens eventjes in haast De kleine lieveling, hier in uw bijzijn leegen. En verder verklaar ik nu, Dat ik uit achting voor u, Mij van den drank ontruk, Voor uw en mijn geluk.
Samen: Zoo kan men rust en vree in 't huwelijk stichten, Als wijsheid en geduld, steeds wordt geaccepteerd, Men kan met woest geweld toch nooit iets goeds verrichten. 't Is daarom dat die les door ons hier wordt geleerd, (Hij) Ik werp mijn flesch op zij, (Zij) en gooi mijn doos er bij, (Samen) Nu wij met overleg elkander weer beminnen. Wat ons gebrek ook zij, Beiden voelen wij, Dat rust en zachten aard, In 't huwelijk vrede baart.
Terug naar overzicht voordrachten
Er was eens een kundig dokter Hij wist voor alles een raad, Geen een van zijn patiënten Kwam ooit bij hem te laat. Al was de patiënt ook gestorven Dan was er nog geen nood, Daar hij dan in die gevallen Begrafenis gebood.
Eens kwam er een man bij hem binnen En vroeg om een troostend woord, Ik weet niet wat ik moet beginnen, Want ik heb mijn vrouw vermoord. Dat zal ik je gauw gaan vertellen, Sprak toen de dokter heel gauw, Begraaf eerst je dooie huisplaag, En neemt dan een andere vrouw.
Toen kwam er een oude snoeper Van zestig jaren misschien, Hij riep: mijn vrouw bedriegt me, Ik kan het niet langer meer zien. Maar toen sprak de wonderdokter Trek toch niet zoo'n zuur gezicht, Want als je 't niet langer meer zien kunt, Dan doe je je oogen maar dicht.
Toen kwam er een oude vrijster, Die had aan het leven 't land, Ik wilde mij gaan vergeven, Sprak zij, hoe maak ik mij van kant ? Kijkt u maar eens in den speigel, Dan bent u ineens uit den nood, Vergift is dan heusch niet meer nodig, Je lacht je dan zelf wel dood.
Terug naar overzicht voordrachten
(voordracht voor twee dames) (met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Lize (met een mand met eieren): Heeft de juffrouw ook eieren noodig vandaag ?
Lien: Ja, ik wil er wel honderd van je hebben Lize, maar gij hebt u de vorige keer vergist met tellen, want ik meen dat er toen tien tekort waren.
Lize: Wat zegt u lieve juffrouw; maar het is haast niet mogelijk. Zou de meid er ook van gebruikt of eenige gebroken hebben.
Lien: Nu, dat is ook wel mogelijk Lize, maar 't zekerste is, dat je ze mij nu maar voortelt.
Lize: O, dat wil ik graag, juffrouw. (ter zijde) Ik zal haar toch wel eens zien te foppen. (luid) Houd uw mandje asjeblieft maar eens op.
Lien (een mandje bijhoudend): Zie zo, tel ze dan maar hier in, Lize.
Lize: Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, dertien, veertien, ... (sprekende) Uwes vriendin is ook de bruid, heb ik gehoord, hè ?
Lien: Ja, Lize, ze doet een goed huwelijk.
Lize: Ja dat geloof ik wel, maar ze is zeker nog heel jong niet waar ?
Lien: Jong, dat is te zeggen, ze is twintig jaar.
Lize: Ha zoo. Nu dat is niets te jong, twintig .... (tellende), eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig, vierentwintig, vijfentwintig, zesentwintig, zevenentwintig, achtentwintig, negenentwintig, dertig, eenendertig, tweeëndertig, drieëndertig, ... (sprekend) Uw ouders zijn reeds veertig jaar getrouwd, is 't niet, juffrouw ?
Lien: Neen, al tweeënveertig jaar is 't.
Lize: Tweeënveertig ? Wel, wat een tijd. Tweeënveertig (tellende) drieënveertig, vierenveertig, vijfenveertig, zesenveertig, zevenenveertig, achtenveertig, negenenveertig, (sprekend) Ja, ja, 't is maar een zeldzaam voorrecht, Tweeënveertig jaar getrouwd te zijn, maar de oom van de neef van mijn zusters melkboer's oudste knecht heeft 't tot vijfenvijftig jaar gebracht.
Lien: Hoe, is die vijfenvijftig jaar getrouwd geweest ? Wel, wat een tijd hè ?
Lize: Ja, een gezegende tijd zooveel jaren, vijfenvijftig, (tellende) zesenvijftig, zevenenvijftig, achtenvijftig, negenenvijftig, zestig, eenenzestig, tweeënzestig, .. (sprekend) Mijn man las laatst in de krant van een vijfenzestigste huwelijks-vereeniging, 't is haast ongelooflijk, nietwaar ?
Lien: Het is een gezegend cijfer zoolang getrouwd te zijn, maar de menschen zullen het niet adverteeren als het niet waar was.
Lize: Dat zou ik ook denken, maar het komt weinig voor, vijfenzestig. (tellende) zesenzestig, zevenenzestig, achtenzestig, negenenzestig, zeventig, eenenzeventig, tweeënzeventig, drieënzeventig, vierenzeventig, ... (sprekend) Dominee Zalsman moet zeker het huwelijk van uw vriendin inzegenen, is het niet waar juffrouw ?
Lien: Ik denk het wel omdat hij een vriend de huizes is en een respectabel oud man.
Lize: Ja, wel respectabel, wat sprak de man verleden Zondag aandoenlijk over de eerlijkheid en de getrouwheid. Ik dacht zoo bij me zelf: Daar kan meenigeen wat van in den zak steken.
Lien: Ja Lize, daar viel voor ons allen wel iets uit te leeren en wat gaat het hem nog vlug af, de man is toch al negenenzeventig jaar.
Lize: Wat zegt u, al zoo oud ? dat had ik toch niet gedacht; al negenenzeventig (tellende) tachtig, eenentachtig, tweeëntachtig, drieëntachtig, vierentachtig, vijfentachtig, .. (sprekende) Toch nog niet zoo oud als een oom van mij, die is negentig jaar geworden.
Lien: Ja, enkele menschen bereiken een zeldzaam hoogen ouderdom, een vriendin van mij had een tante, die in den ouderdom van tweeënnegentig overleed.
Lize: Och, och, hoe is het mogelijk, wat zien wij niet honderden menschen op jeugdige leeftijd heengaan en dan zoo'n mensch tweeënnegentig, (tellende) drieënnegentig, vierennegentig, vijfennegentig, zesennegentig, zevenennegentig, achtennegentig, negenennegentig en één maakt honderd. (sprekende) Ziet u juffrouw ?
Lien: In orde, Lize, hoeveel geld ?
Lize: Drie en een half 't stuk juffrouw, dat is drie gulden vijftig.
Lien (geeft haar geld): Ziedaar Lize.
Lize: Dank u vriendelijk, juffrouw ! Als u weer noodig hebt verzoek ik u om de gunst. (terzijde) Ieder is een dief in zijn nering; Ik heb ten minste een extraatje van honderd tweeëntwintig een een halve cent gemaakt. Dag juffrouw.
Lien: Dag Lize. Wacht, ik zal even mijn eieren wegbrengen. (onder het heengaan) 't Is toch treurig dat men die menschen zoo op de handen moet zien, wil men niet bedrogen worden.
Terug naar overzicht voordrachten
van Stien en Bram van Monnikendam (met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Personen: Stien en Bram, beiden boerenmenschen. Stien kan ook met goed gevolg door een heer voorgesteld worden.
Costuum: Zooals op den titel aangegeven, kan echter bij gebreken daarvan naar de omstandigheden gewijzigd worden. Een paar klompen in plaats van schoenen, draagt veel bij tot het succes, vooral ook met het oog op den dans na ieder refrein. De dans kan men zoo mooi illustreren, als men zelf wil; en eenvoudig zij hier echter aangegeven: bij de eerste en tweede maat gaat men met de armen in de zijde tegenover elkander staan en danst men op de maat der muziek, waarbij de beenen niet al te zacht op de vloer behoeven te komen; bij de derde en vierde maat precies evenzoo, doch dan rug aan rug; bij de vijfde en zesde maat weer 't zelfde als bij de eerste en tweede maat; bij de zevende maat een flinke draai om bij de achtste maat weer in positie te staan. Hoewel de woorden hier in de gewoone spreektaal gedrukt zijn, is het echter noodzakelijk dat deze naargelang van de plaats waar ze voorgedragen worden in plattelands-taal worden weergegeven.
Stien: Goeden avond, Dames en Heeren ! Bram: Hier is Stien en Bram van Monnikendam, Stien: Als U 't ons wil permiteeren, Samen: Zullen wij vertellen wat ons overkwam. Bram: Toen wij getrouwd waren zei ik tegen Stien, Samen: Kom laten wij nu de wereld eens gaan zien. Bram: ,,Top !" zei toen Sien; ,,Top !" zei toen Bram Samen: En zoo vertrokken wij van Monnikendam.
Refrein: Bram: Hier zie je Stien ! Stien: Daar zie je Bram, Samen: Wij komen samen van Monnikendam. Bram: Hier zie je Stien ! Stien: Daar zie je Bram, Samen: Wij komen samen van Monnikendam.
DANS
Stien: 't Eerste waar wij henen trokken, Bram: Was naar 't mooi, groote Amsterdam. Stien: 'k Zag daar dienders slaan met stokken, Bram: 'k Maakte gauw dat ik uit de voeten kwam. Samen: Eerst maar naar 't museum met knechts in livrei, Wat een hoop prenten en snorrepijperij. Stien: Toen naar 't Panopticum ! Bram: Jongens dat was kras, Samen: 'n Hoop Dooie menschen, maar ze zeiden: 't was maar was.
Refrein (als hiervoor)
Stien: Om ons 's avonds te amuseeren, Bram: Gingen wij naar een Café-Chantant; Stien: 'r Waren dames aan 't kwinkeleeren, Bram: Half uitgekleed, ik werd er ak'lig van. 'k Zei toen: kom Stien, kom laten wij op gaan staan., De menschen staan klaar om naar bed toe te gaan. ,,Top !" zei Stien ,,Top !' zei toen Bram, Samen: 'k Zag zooiets m'n leven niet in Monnikendam.
Refrein (als hiervoor)
Stien: 't Was al efkens over tienen, Bram: 'k Zei: nu gaan we nog eens gauw naar ,,Kras" Stien: 'k Klopte aan, ze riepen: ,,binnen !" Bram: Wat 'n menschen, krek of 't bij ons marktdag was. Hé ! riep ik tegen zoo'n zwarte meneer, Stien: Geef ons een drupske of tap je niet meer ? Bram: Twee glazen bier. Stien: Vier mik met spek ! Samen: Maar een beetje gauw, want we hebben heel veel trek.
Refrein (als hiervoor)
Stien: Toen we Amsterdam verlieten, Bram: Zijn we samen naar Den Haag gegaan. Stien: Jongens wat een ,,Hoogen Pieten", Bram: 't Was er juist parade in de Maliebaan. Hé ! riep ik tegen zoo'n lange Korporaal; Is dat nou hier de Staten-Generaal ? Stien: Kerel ben je dom ? Hoe kom jij zoo stom ? Samen: Spreek er hier één, volgen honderd dáár krek andersom.
Refrein (als hiervoor)
Stien: 'k Zei toen: ,,Bram het zou me lijken, Als 'k de Koningin nu eens kon zien", Bram: ,,Wel", zei 'k, ,, jij moet goed kijken, Want ik hoor al roepen: Leve Wilhelmien ! Kijk riep ik: Stien daar rijdt ze voorbij." Stien: Zag je dat wel ? ze knikte tegen mij ! Bram: Wat een lief kind ! 'k Zag ze zoo klaar ! Samen: Krek als ze op de kwartjes staat, maar met veel mooier haar.
Refrein (als hiervoor)
Bram: Ik zei toen: Stien 't zou me spijten Als ik niet eens Rotterdam kon zien. Stien: En ik 'n steen in de Maas kon smijten, Want Rotterdammers zijn bekende liên, Om het stenengooien daarbij. Pas op daar gaat een Vlettersvriend voorbij. Bram: Wat is 't lief wijf ? Stien: 'k Zag hem 't is waar. Samen: De Vletter was 'n volksvriend, dat bewees hij toen zoo klaar.
Refrein (als hiervoor)
Stien: Toen wij eind'lijk thuis gekomen Bram: Stond alle man aan het station, Stien: Iedereen had reeds vernomen, Bram: Uit de krant: als dat de Koningin ons kon. Samen: ,,Kijk", riepen allen, ,,daar heb je Stien en Bram, Die zijn geweest in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. Lang leve Stien ! Lang leve Bram ! Jongens wat een eer is dat voor Monnikendam."
Refrein: Bram: En zoo kwam Stien, Stien: En zoo kwam Bram, Samen: Beiden weer thuis in Monnikendam. Bram: En zoo kwam Stien, Stien: En zoo kwam Bram, Samen: Beiden weer thuis in Monnikendam.
Bis-Couplet
Bram: Monnikendam moet men kennen, Het is een fraaie stad, op en top, Stien: Aan de meisjes moet je wennen, Zij zijn van rakem, van kop tot kop.
(zij maakt een beweging van slaan)
Samen: Komt g' bezoeken Monnikendam, Vraag dan het eerste naar Stien en Bram. Bram: Kom met kermis, Stien: Jongens wat een lol, Samen: Dan gaat bij ons nog eens de hoofden op hol.
Refrein: Stien: Nu groet u Stien, Bram: Ook groet u Bram, Samen: Het vrolijke spannetje van Monnikendam. Stien: Nu groet u Stien, Bram: Ook groet u Bram, Samen: Het vrolijke spannetje van Monnikendam.
Terug naar overzicht voordrachten
Komische voordracht (met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Nieuwe Tijd: O foei, wat is 't ondraaglijk heet. Wee die haar parasol vergeet. (omziende) Maar hemel, wie komt daar toch aan, 't Lijkt wel een schepsel uit de maan, Een vrouw in zulk een kleed getooid, 'k Zag zooiets in mijn leven nooit, Maar stil, zij komt waarachtig hier, Nu, dat belooft ons veel plezier.
Oude Tijd: Ik wensch u goeden dag juffrouw.
Nieuwe Tijd: Dag vrouwtje.
Oude Tijd: Vrouwtje ? 'k Ben Mevrouw.
Nieuwe Tijd: O, 'k vraag pardon, ik zag u nooit, (ter zijde) Wat toch bespottelijk opgetooid, Gij komt toch zeker ver van hier.
Oude Tijd: Ja, neen zoowat een dag of vier, Ik kwam hier met de trekschuit aan, Om naar een trouwpartij te gaan, Want mijn geliefde nichtje Kee, Die zal gaan trouwen, wat uwé. Ik ben haar tante de Oude Tijd, Maar zeg mij toch wie of gij zijt. (zij snuift)
Nieuwe Tijd: De Nieuwe Tijd zoo is mijn naam, Bekend ter goeder naam en faam.
Oude Tijd: Ei zoo, komt gij uit Frankrijk hier, Daar houdt men ook van zooveel zwier.
Nieuwe Tijd: Uit Frankrijk, mensch, hoe denkt ge er aan, Ik woon slechts aan de Zaan, Slechts Brussel heb ik eens gezien, Ik denk zoo voor een jaar of tien, Wij reden toen met 't spoor daarheen, En dachten toen aan 't verleên, Waarin men dagen noodig had Tot 't reizen naar een dorp of stad, Terwijl men nu in korten tijd Van Amsterdam naar Brussel rijdt.
Oude Tijd (verbaasd): Dan doet de trekschuit niet meer mee, Wat blief, wat blief, wat blief uwé.
Nieuwe Tijd: Och, Oude Tijd, schei nu toch uit, Wie reist er nu nog met de schuit, Die hebben nu voor goed gedaan, Men vliegt nu langs een gladde baan.
Oude Tijd: Hoe zegt u, vliegen, groote grut.
Nieuwe Tijd: Ja, vliegen, ja, 't is of je dut.
Oude Tijd: Nu, nu, bedaar maar Nieuwe Tijd, Maar zeg nu zonder malligheid, Hoe ben je toch zoo mal gekleed.
Nieuwe Tijd: Als ik die vraag aan u eens deed.
Oude Tijd: Aan mij ? Is die japon niet goed ? Of scheelt er soms wat aan mijn hoed ? Of zit mijn kraag misschien wat scheef Waarvoor ik vijf zesdalven geef ?
Nieuwe Tijd: Hoeveel ?
Oude Tijd: Wel, vijf zesdalven, mensch, Maar voldoe nu aan mijn wensch, Hoe ben je toch zoo gek geleed ?
Nieuwe Tijd: Ik gek gekleed ? och sul je weet, Zoo 't schijnt, niet hoe 't behoort. Men kleedt zich thans zoo in dit oord, Het is een dagelijksch gewaad, Waarin thans iedere dame gaat.
Oude Tijd: Wat blief, draagt men dit ook in huis ?
Nieuwe Tijd: Wat denkt gij schepsel, jas of buis ?
Oude Tijd: Maar moet je daarmee werken gaan ? De wasch dient dan toch ook gedaan, En kijk je daarmee naar den pot ? En boen je daarmee deur of schot ? En maak je daarmee hoofdkaas, pens ? Of stop je zoo je worsten mensch ? En kan je zoo bij 't stijven staan ? En in zoo'n kleed aan 't strijken gaan ?
Nieuwe Tijd: Houd toch op, met die malle praat.
Oude Tijd: Ik zeg eenvoudig waar 't op staat, Als jij zoo met die rommel loopt, Is 't of je band of lint verkoopt, Is dat nu toch een huiselijk kleed ? Als jij mijn dochter was, ik smeet Die franje dadelijk er af En liet je mangelen voor je straf. Maar ik ken het liedje wel, De huiselijkheid is maar spel.
Nieuwe Tijd: 'k Verwacht van u geen compliment, 'k Geef voor uw rommelzooi geen cent. Is dat nu nog een kleederdracht, Geen wonder dat men om u lacht, Uw hoed lijkt wel een kolenbak, En uw japon een oude zak, In 't kort, je bent een vogelschrik.
Oude Tijd: O hemel sta bij, dat is vreeselijk.
(zij snuift)
Nieuwe Tijd: Wat stop je daar toch in je neus ?
Oude Tijd: Dat raakt je niet, dat is mijn keus, 'k Zal doen en laten wat ik wil, En stoor me aan geen nuffengril, Maar let eens op wie 't laatste lacht, Ik heb tien kinders groot gebracht, Maar nooit had ik een vuilen boel, Geen broek lag er ooit op een stoel, Maar ik weet wel hoe 't heden gaat, Men danst nu liever op de maat, Of zit te tingelen op 't klavier En maakt daarmee een groot getier, Maar ziet eens in de hoeken rond, De gansche boel ligt langs den grond, 't Is alles rommel wat je ziet, En in den keuken komt men niet.
Nieuwe Tijd: Je wordt voorwaar vervelend mensch, Loop rond al met je worst en pens, Je weet van duur en tijd niets af, Ga naar huis of naar je graf, Een enkel woordje tot besluit, Gericht tot Bruidegom en Bruid, Geloof dat schepsel toch maar niet, Want dan was 't leven slechts verdriet, Voldoet aan de eischen van den tijd, Dan raakt gij nooit de achting kwijt.
Oude Tijd: Ik merk het al, ik kom te laat, Maar toch zeg ik waar het op staat, Bemint elkander steeds getrouw, De vrouw haar man, de man zijn vrouw, Want wat er ook op aard verdwijn', De liefde moet er altijd zijn.
Terug naar overzicht voordrachten
|
|