SeniorPlaza

Raadselrijmpjes

(met dank aan onder andere Anita Dortmans voor de geleverde rijmpjes)

 

(met dank aan Frans Roest)

 

Als de vrouw van de bakker de bakkerij binnenstapt ziet ze de bakker achter de toonbank liggen. Hij is dood! Wat klopt er niet in dit verhaal?

(het hart van de bakker)
 

 

(met dank aan Frans Roest)

 

Hoe lang is een Chinees?

(zijn naam is Hoe Lang)
 

(met dank aan Frans Roest)

 

Is het: "Het witte paard"
òf
is het: "De witte paard"?

(Het is : "Het witte paard",
maar ook
"De Wit te paard" )
 

(met dank aan Frans Roest)

 

Met een 'R' is het vlees;
zonder 'R' is het ook vlees !

(Rookvlees)
 

(met dank aan Frans Roest)

 

Is het 'de' rechte bocht;
òf is het 'het' rechte bocht?


(geen van beiden, want een bocht is nooit recht)
 

(met dank aan Martin Claassens)

 

Het is een plank

Van Gods dank

Het is geen iepen het is geen essen

Je raadt het nog niet met zijn zessen

 

(IJs op een plas of rivier)

(met dank aan Gonny Nedermeyer)

 

Eerst zo wit als was

Dan zo groen als gras

Dan zo rood als bloed

Het smaakt alle kindjes zoet

 

(Een aardbij)

Deel één is bij de boer

Deel twee is bij de bakker

En samen vliegt het door de lucht

En roept de lente wakker

 

(Koe-koek)

 

Eerst een harig monster

Dan een doosje, dicht

Dan twee tere wieken

Fladderend naar het licht

 

(Vlinder)

 

Een ieder doe ik zwijgen

En om geld te krijgen

Zet ik het mes op de keel

Voor niemand is het te veel

 

(Barbier)

 

 

Er was eens een huisje wit en glad

Dat niet een enkel deurtje had

En waar niet meer was dan een vertrek

Daar woonde juffrouw Snaterbek

 

Zij vond haar huisje wel wat klein

Wou niet meer opgesloten zijn

Gauw stiet ze een gaatje in de wand

En ging reizen door het land

 

Een huisje met maar een vertrek

Met daarin juffrouw Snaterbek

Die het muurtje breekt en wandelen gaat

Wie is er kinderen die dat raadt ?

 

(Eendenkuiken)

 

Er zijn er veel door mij bedrogen

Men ziet mij met gesloten ogen

 

(Droom)

Het graf leefde

Die erin zat beefde

Het graf at

Die erin zat bad

 

(Jona in de vis)

Het is van u, het is u gegeven

Het wordt gezegd, het staat beschreven

En toch, geloof me vrij

Een ander gebruikt het meer dan jij

 

(Naam)

Het komt in huis en het spreekt niet

Het gaat in de kelder en eet niet

Het gaat in het vuur en verbrandt niet

Het gaat in het water en verdrinkt niet

Het gaat in bed en het slaapt niet

Het springt op zolder en je hoort het niet

Het valt op de grond en het breekt niet

 

(Zonnestraal)

 

Het lijkt kleiner dan mijn hand

Het blinkt als diamant

En is groter dan mijn vaderland

 

(Ster)

 

Hoe heet Keizer Karels hond ?

Ik leg het woord al in je mond

Hoe, heet Keizer Karels hond ?

 

(Hoe)

 

Ik ben geen boom maar ik heb blaren

Ik bloei niet, toch kun je mijn vruchten garen

Ik drink geen water, eet geen brood

Ik blijf leven, jij gaat dood

 

(Boek)

 

Ik ben kort of lang, ook laag of hoog

Nu smal dan breed, nu nat dan droog

Ik help bij het maken van een kruis

Wil je me zien ? Ik lig voor je huis

 

(Straat)

 

Ik ben stof en ik ben schim

Geboren aan de verste kim

Ik neem alle vormen aan

En drijf met alle winden mee

Om te sterven in de zee

 

(Wolken)

Ik blijf wat ik ben

Zolang je niet weet wat ik ben

Maar weet je wat ik ben

Dan houd ik op te zijn wat ik ben

 

(Raadsel)

Ik droeg mijn moeder, zij droeg mij

Van jongs af hing ik aan haar zij

Toen zij vermoord werd en geplukt

Ben ik van hare zij gerukt

Hoewel ik stom geboren ben

En gene talen spreek nog ken

Spreek ik toch klaar in mijn meesters hand

Mijn lafenis is bitt're gal

Ik dien de mensen overal

Al heeft men mijn natuur besneën

Nochtans bemint mij iedereen

Kan iemand raden wie ik ben?

Die drukt mijn naam uit met de pen

 

(Ganzenveer)

 

 

Ik heb een ijzeren paardje

Met een vlassen staartje

Hoe harder het paardje loopt

Hoe korter het staartje wordt

 

(Naald en draad)

 

Ik lig plat voor armen en rijken

Rechtop zou ik tot de hemel rijken

Had ik handen, ik zou dieven snappen

Had ik een mond, ik zou veel verklappen

 

(Voetpad)

 

Je weet het wel

Ik zeg het je niet

Jij durft niet te zeggen: Neen

Waar vindt je vreugde en verdriet

Zo goed gemengd bijeen ?

 

(In alcohol)

 

Juffrouw de Wit

Hoe langer ze zit

Hoe korter de pit

 

(Kaars)

 

Kent gij het wonder

Dat slaat en gaat

Schoon het geen omzien

Zijn plaatske verlaat ?

 

Kent gij het wonder

Dat wijst en dat slaat

Schoon er geen hand

Of geen vinger aan staat ?

 

Kent gij het wonder

Dat tokt en praat

Schoon het nog mond heeft

Noch tongske dat gaat ?

 

Kent gij het niet ? ... Rap dan

En kijk maar, hoe laat ...

Wis dat gij het wonder

Nu wel raadt !

 

(Klok)

Met drie letters op en al

Een vlugge, zachte muizenval

 

(Kat)

 

Nauwelijks groei ik weer

Of de maaier maait me neer

Doet de maaier het niet goed

Dan stort de akker bloed

 

(Baard)

 

Raad het goed, raad niet mis

Wat zocht Jona in de grote vis ?

 

(De uitgang)

 

Toen ik was jong en schoon,

Droeg ik een blauwe kroon.

Toen ik was oud en stijf,

Sloegen ze me op het lijf.

Toen ik was genoeg geslagen,

Werd ik door prinsen en graven gedragen.

 

S. Abramsz

(Vlas)

 

Tussen het Oosten en het Westen

Zitten twee en vijftig nesten

Elk nest heeft zeven jongen

Elk jong kent zijn naam

Wie het kan raden is bekwaam

 

(Het jaar, 52 weken maal 7 dagen)

 

 

Twee zusjes, roze en zacht

Zijn te samen, dag en nacht

Miljoenen keren in een jaar

Kussen ze zacht of luid elkaar

 

(Lippen)

Tweebeen kocht eenbeen

En deed het in driebeen

Tweebeen werd gram

Omdat vierbeen, eenbeen

Uit driebeen nam

 

(tweebeen = mens, eenbeen = soepbeen,

driebeen = ketel, vierbeen = hond)

 

Tweebeen zat op driebeen

 Toen kwam vierbeen

 Die wou tweebeen bijten.

 Toen nam tweebeen driebeen

 Om er vierbeen mee te smijten

 

(S. Abramsz)

(tweebeen = man, driebeen = krukje,

vierbeen = hond)

 

Vier nette heren

In hun bonte kleren

Ze lopen dat ze hijgen

En kunnen elkaar niet krijgen

 

(Wieken van de molen

met bruine doeken om de wind te vangen)

 

 

Zonder spreken, zonder liegen

Zonder iemand te bedriegen

Zegt hij hoe een ieder is

En 't is nooit een haartje mis

 

(Spiegel)

Terug naar Opzegversjes