SeniorPlaza

Vacantieliedje

(Ernst Groenevelt)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Wat is vandaag de zomer mooi !

Ik ruik het lekker, geurig hooi

Bijeengezet aan hopen.

De lucht maakt me zo wonderloom,

Zo lekker lui, met wat gedroom.....

De dag is mild en open.

 

't Is alles ijl; het loof hangt stil,

Met eventjes wat blad-getril

Waar 'n vogel zit te wiegen;

Die zingt daar zo een wiegelied

Voor al de jongen, die nog niet

Het nest uit kunnen vliegen.

 

Ik lig hier maar zo stil wat neer,

En ik begeer vandaag niet meer,

Dan zo te zijn: een dromer !

'k Wil als het veulen in de wei

En met de vogels even blij

Genieten van de zomer !

 

Terug naar overzicht

Valentijn

(met dank aan Mevr. Hufkens voor het sturen van de tekst)

Op zijn knietjes voor zijn kruisbeeld zat de kleine Valentijn

Traantjes stonden in zijn ogen want zijn hart leed bittere pijn.

 

Ach, zo sprak hij Lieve Jezus, moeder is de dood nabij

Wil mij toch het middel tonen, dat zij dra weer beter zij.

 

Ik heb een perk vol mooie rozen, allen pluk ik voor U af

En ik plaats ze voor Uw beeltenis, die mijn moeder, mij onlangs gaf.

 

Ik hoorde zeggen dat gij immer de liefdadigheid beloont

Dat gij rijkelijk zult zegenen, die zich mild voor de armen toont.

 

Ja ik wil liefdadig wezen voor mijn arme medemens

En niet waar oh lieve Jezus, gij vervult toch ook mijn wens

 

Ik heb zo’n aardig tortelduifje, dat in vroege morgenstond,

Mij zo blij komt tegenvliegen en komt eten uit mijn mond.

 

Ik ga het nu de vrijheid geven, het neme naar omhoog zijn vlucht

Het laat U zwart op wit U lezen, hoe zijn arme meester zucht

 

Want in keurig schrift geschreven, op het allerblankst papier,

Zal ik een briefje U doen geworden, door dit lieve trouwe dier.

 

Ja, die brief, gij zult hem lezen, ik ben er zeker van mijn God

En Gij zult vertederd worden en deernis hebben met mijn lot.

 

Na die woorden schrijft de kleine, vol vertrouwen een briefje neer,

Dat zijn torteltje moet brengen, boven bij de Lieve Heer.

 

O, het ongevoeligst hart dat er ooit op aarde was,

Werd tot schreiens toe bewogen, als hij zulk een briefje las.

 

Aan de vleugel van zijn duifje bindt hij nu het briefje vast.

Eens nog kust hij  het lieve diertje en het vliegt henen met zijn last

 

’s Anderendaags reeds was zijn moeder van haar ziekbed opgestaan

En zij zag met dankbare ogen haar kleine engel aan.

 

Want zij voelt het in haar hart, dat haar lieve Valentijn

Haar door zijn vurige gebeden had verlost van ziekte en pijn.

 

Terug naar overzicht

Van een kikkertje

(Herman Poort)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Het was een mooie zomerdag

Van bloemen en van zon.

Een kikkertje zat in een plas,

En kwaakte wat hij kon:

Kwak kwak !

                               

Maar daar kwam langbeen ooievaar,

Die zocht een fijn dinee.

Hij had een hele grote maag

En honger wel voor twee.

O wee !

 

Hij zag de kleine kikker dik

Sloop heel stil, stap voor stap,

En deed toen met zijn rode bek

Een vreeslijk grote hap.

Hap ! Hap !

 

Maar hoe hij hapte, hij ving niets

Dan water in zijn snuit.

Want kikker dik zat al in’t riet

En zong en lachte luid:

Sliep uit !

 

Terug naar overzicht

Van het Tovervisje
(Een oud sprookje)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

In het land der blonde duinen
En niet heel ver van de zee,
Woonde eens een dwergenpaartje
En dat heette "Piggelmee".

't Waren heel, heel kleine mensjes
En ze woonden - vrees'lijk lot,
Want ze hadden heel geen huisje -
In een oude keulse pot.

Voor de zon en voor de regen
- Nooddruft had hun dat geleerd -
Hadden zij die stenen pot met
d' Opening naar de grond gekeerd.

Toen een gat er in geslagen,
Klein, maar groot genoeg toch voor
Hun zo kleine dwergenlijfjes
En daar kropen zij dan dóór.

 

Terug naar overzicht

Veel geschreeuw en weinig doen

Veel geschreeuw en weinig doen

Is net als een mager hoen

Dat wel kakelt op zijn stok

Maar geen ei legt in zijn hok

 

Versie 2

(met dank aan Marian Brouwer)

 

Wie belooft en niet wil doen

Is gelijk een mager hoen

Die wel kakelt op z'n stok

Maar geen ei legt in het hok

 

Terug naar overzicht

Verslapen tijd

(Const. Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Mijn kind'ren laat u die les geven;

Hoe langer slaap, hoe korter leven.

 

Terug naar overzicht

Vier roode ransen

(S. Abramsz)

Vier roode ransen,

Acht poppen dansen.

De man, die op den bok zat,

Speelde met de klip klap.

 

Terug naar overzicht

Vijf kattekens

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Vijf kattekens scharrelden over de vloer

Van moeders gezellige zolder

Ze maakten er somtijds een vreeslijk rumoer

Dan ging het maar holderdebolder.

 

Vier hadden vier pootjes, met klauwen er aan

En onder de neus al een baardje

Twee oortjes, die boven op 't koppeken staan

En achter aan 't lijf een leuk staartje.

 

De vijfde, dat was een vreemdsoortige kat

Geen baardje, geen staartje, geen klauwen !

Maar toch, als ze bij haar vriendinnetjes zat

Kon ze soms zo liefjes miauwen.

 

Als 't avond werd, kropen er vier bij haar moe

Op 't kleedje, in 't aardige mandje

Maar ging nummer vijf naar de slaapkamer toe

En klom in een klein ledikantje.

 

Terug naar overzicht

Vinger in de hoed

(S. Abramsz)

Vinger in de hoed,

Wie er meedoet;

Vanavond.

Met een kaarsje,

En een lichtje aan de deur,

Hoezee !

 

Terug naar overzicht

Vissenhospitaal

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Het burgervissenhospitaal,

Dat was voortdurend vol.

De haring lag er, de garnaal,

De schelvis en de schol.

 

De goudvis lag er tweede klas,

Hij voelde zich zo ziek.

Hij dacht dat het verkoudheid was,

Maar het was reumatiek.

 

De dokter was professor zalm,

Die langs de bedden zwom

En zei: "Mevrouwtje blijft u kalm

't Is niet zo erg hoor, kom."

 

Er lag een bloedarme tonijn,

Die snikte in haar bed:

"Ik ben een wees mijn ouders zijn,

Al jarenlang filet."

 

Jonkvrouw f.h.q. forel,

Die zwom de voordeur in.

Ze zei: "Ik voel me wat onwel,

Ik heb iets aan mijn vin."

 

Een ernstige patiënt, de elft,

Bestond alleen van voren.

Hij lag daar nog maar voor de helft,

De rest was hij verloren.

 

"Ik heb het aan mijn graten." zei,

Een zielige sardine.

Er is geen redding meer voor mij,

Er is geen penicilline.

 

Op het bezoekuur kwamen trouw,

De moeder van de poon,

Een kennis van de kabeljouw,

En af en toe zijn zoon.

 

En dertienduizend kinderen,

Van Alida de makreel,

Men kon het niet verhinderen,

Maar 't was een beetje veel.

 

Helaas kwam daar een groot kabaal,

Een kanjer van een snoek,

Die vrat het hele hospitaal,

Op, inclusief bezoek.

 

De enige die overbleef,

Dat was professor zalm.

"Ik ben zo blij dat ik nog leef."

Zei hij merkwaardig kalm.

 

Hij gaf een uitgebreid verslag

Aan radio en pers.

We plaatsen het op zaterdag.

Begrijp je dit vers ?

 

Terug naar overzicht

Vlindertje

 Vlindertje ga je de bloemetjes kussen,
Alle bloemetjes van het land?
Wil je niet eventjes uit komen rusten,
Eventjes rusten op mijn hand?

Over je vleugeltjes zal ik niet strijken,
Ik eet je niet op en ik doe je geen pijn.
Ik zal alleen maar heel stilletjes naar je kijken,
Net of we samen vriendjes zijn.

 

Terug naar overzicht

Vlindertje, wat ben je keurig

Vlindertje, wat ben je keurig,
Met je vlerkjes blauw en rood.
Nee, ik zal je heus niet vangen,
Want dan ga je immers dood !
Vlieg maar rond, naar alle kanten,
In de mooie zonneschijn.
Ik zou, als ik in je plaats was,
Oók niet graag gevangen zijn !

Zie je wel die mooie bloempjes ?
En wat zeg je van hun kleur ?
En gebruik eens goed je neusje,
Ruik je wel die lekk're geur ?
Jij mag blij zijn, jij moet vrij zijn,
Zoek de mooiste bloempjes maar.
Vlindertjes en mooie bloempjes,
Horen immers bij elkaar !

Terug naar overzicht

Voor het spiegelglas

(G. Limpen)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Ik zie een lief kindje,

Een lach om haar mond,

Een mooi, rose lintje,

En krulletjes blond.

Z' is héél niet verbolgen,

Knikt vriend’lijk mij toe,

En schijnt mij te volgen,

In al wat ik doe.

 

Hoe mag ze wel heten,

Daar achter het glas ?

‘k Zou graag willen weten,

Wie ’t wezentje was !

Het maakt me wat kriegel,

Een fee of een elf ?

Ach, ‘k sta voor de  spiegel:

Dan ben ik het zelf !

 

Terug naar overzicht

Voorjaar

Het spruit aan de boomen,
Het groent in de wei
En vogeltjes zingen
Een liedje er bij.
Zij keerden naar hier weer,
Van 't zonnige Zuid,
En vieren de Lente
Met vroolijk geluid.

Wat vriend'lijke klanken !
Wat schitt'ring van kleur !
Wat zonnegetoover
En lieflijke geur !
En klanken en kleuren
En geuren en zon,
Ze zeggen ons blijde:
"Het voorjaar begon !"

Terug naar overzicht

Vriezeman

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Vriezeman is weer gekomen

Zit op het veld en in de bomen

Reist dan verder naar de stad

Schuurt de straten kaal en glad

Oei mijn wangen

Ai mijn oren

Ik ben bijna mijn neus verloren

Vriezeman zet zijn koude tand

In mijn voeten en mijn hand

Vriezeman de zon zal branden

Op uw voeten en uw handen

Vriezeman de zon smelt sneeuw en ijs

Vriezeman ga gauw op reis

 

Terug naar overzicht

Vrouw Tat

(met dank aan George Snieder voor het sturen van de tekst)

Vrouw Tat had een wrat op haar gat

Toen nam man Tat een lat en

Sloeg de vrat van vrouw Tat haar gat

Zodat de wrat van vrouw Tat haar gat

Op de lat van man Tat zat.

 

Terug naar overzicht

Vrouw zei ze

Versie 1

(met dank aan Oma Verhoeven voor het sturen van de tekst)

 

Vrouw zei ze

Geef zei ze

Mij zei ze

Een zei ze

Maatje zei ze

Meel zei ze

Want zei ze

Als zei ze

Mijn zei ze

Man zei ze

Thuis zei ze

Komt zei ze

Heb zei ze

Ik zei ze

Geen zei ze

Meel zei ze

Meer zei ze

 

Nu is het de bedoeling, dat het steeds vlugger op gezegd wordt. Dit heb ik van mijn Moeder geleerd, en ik ben nu zelf 82 Jaar, dus het is al 100 Jaar Oud. Als je het heel vlug op kunt zeggen, dan weten de Mensen niet wat ze horen.

 

Versie 2

(met dank aan Dinette van Rosmalen voor het sturen van de tekst)

 

Vrouw zi ze

Hedde zi ze

Nie zi ze

Un zi ze

Potje zi ze

Meel zi ze

Want zi ze

Menne zi ze

Mens zi ze

Is zi ze

Nor zi ze

De zi ze

Molen zi ze

En zi ze

Die zi ze

zal zi ze

Straks zi ze

Het zi ze

Potje zi ze

Meel zi ze

Terug zi ze

Brengen zi ze

 

Terug naar overzicht

Waar blijft de zon ?

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Lekker warmpjes saamgedoken

In z’n groene bladerjas

Stond een tulp zich af te vragen,

Of de lente er al was.

 

Jonge, wat is het hier binnen

In mijn woning al een licht !

Zou de zon al zo fel schijnen ?

Dan hou ik mijn huis niet dicht !

 

Dan opzij de groene blaren !

Weg, ik wil de wereld zien !

Als ik voortmaak, wie weet ben ik

Dan de eerste tulp misschien….

 

Zo gezegd en zo gedaan ook:

Losser werd het bladerpak

En de warme zonnestralen

Schenen door het open dak.

 

Even later keek het tulpje

Trots en vrolijk om zich heen,

Maar het zag aan alle kanten….

Tulpen ’t was niet meer alleen !

 

Elke tulp had in zijn huisje

Net als onze tulp gedacht !

En daar stonden álle tulpen

Eensklaps in hun kleurenpracht !

 

Eén dag warme zonnestralen

Was er nodig maar geweest

Om een veld van groen te maken

Tot een kleurig bloemenfeest !!

 

Terug naar overzicht

Waarom ?

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Waarom ?

Daarom.

Daarom is geen reden.

Als je van de trap afvalt,

Dan ben je gauw beneden.

 

Terug naar overzicht

Wat een weer bromde de beer

(met dank aan Corry van den Heuvel voor het sturen van de tekst)

Wat een weer bromde de beer,

Ik blijf thuis piepte de muis,

Maar de haas die guit,

Ging doorgewoon uit.

Hij nam een blad

En legde dat

Over zijn oren

En werd niet nat !!

 

Terug naar overzicht

Wat een weertje

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Oei ! Wat een weertje, wat een weertje.
Kijk ! Daar gaat de hoed van een meneertje !
Hij rolt en rolt, toe ! pak hem vlug,
Hij is al bijna bij de brug.
Ach, net te laat,
Het windje lacht,
En het hoedje duikt, hoeps in de gracht !

 

Terug naar overzicht

Wat mijn hond heeft

(G.W. Lovendaal 1847 - 1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

't Fijnste neusje heeft mijn hond,
't Liefste snuitje heeft mijn Truitje,
Steekt het als een ijdeltuitje
In de lucht bij wind of buitje;
't Liefste snuitje heeft mijn Truitje,
't Fijnste neusje heeft mijn hond.

Mooie ogen heeft mijn hond,
Warme ogen, trouwe ogen,
Ogen die er wezen mogen,
Nooit wat hebben voorgelogen,
Warme ogen, trouwe ogen,
Mooie ogen heeft mijn hond.

'n Gouden hartje heeft mijn hond,
Ieder mag hem dolgraag lij'en,
Tussenbeide kan hij vleien,
Hij kan lachen, hij kan schreien,
Ieder mag hem dolgraag lij'en,
'n Gouden hartje heeft mijn hond.

 

Terug naar overzicht

Wat moet ik doen

Wat moet ik toch doen ik verveel me toch zo !
En moesje wil niet met me spelen,
Want zusje heeft maazeltjes, dat is wel naar,
Maar nu is mamaatje ook aldoor bij haar
En ik loop me zo te vervelen.

Nog net nog heeft moesje een pudding gekookt,
Met bessensap, enkel voor Greetje.
Het lijkt me best fijn om zo ziekjes te zijn,
Want maazeltjes doen toch geloof ik geen pijn ?
En ieder verwent je een beetje.

 

Terug naar overzicht

Wat staat dat kind te huilen

Wat staat dat kind te huilen,
Wat heeft ze een verdriet.
Zij moest voor moe wat halen
en kreeg een kwartje mee.
Maar ach, ze is 't verloren,
Wat nu gedaan, o wee !

Daar zijn een troepje menschen,
Geschaard om 't arme kind.
Zij helpen het meisje zoeken,
Maar niemand die het vindt.
"Wat scheelt er aan mijn liefje ?"
Zoo vraagt een vriend'lijk heer.
"Ik ben mijn geld verloren,
Een kwartje was 't meneer."

"Dat is wel te verhelpen",

Zoo spreekt de goede man.
"Hier is een ander kwartje,

Maar droog je traantjes dan."
Nu veegt ze met haar schortje,

Haar kleine oogjes af
En dankt de heer verlegen,

Die haar dat geldstuk gaf.

 

Terug naar overzicht

Watte ?

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Watte ?

Zwarte katten

Met rode mouwen,

Heb je die ooit in de kerk zien trouwen ?

 

Terug naar overzicht

Weddenschap

(met dank aan Wim Hanekamp voor het sturen van de tekst)

Piet zat aandachtig en met vlijt,

Op school te werken in zijn schrift.

Tong uit zijn mond met veel beleid,

Bestuurde hij het potloodstift.

 

Het wit papier werd smoezelig vuil,

Want Piet zijn hand was ver van schoon.

Door ’t knikkeren in de modderkuil,

Maar Piet die vond dat heel gewoon.

 

Toen kwam de meester er voorbij,

En zag die ongewassen hand,

Hij riep Piet voor de klas en zei,

Wat ben jij toch een vuile klant.

 

Vertoon je hand eens aan de klas,

Zien jullie wel hoe vuil die is,

Ik wed dat hier en dat is kras,

Geen hand zo vuil als deze is.

 

Die weddenschap zei onze Piet,

Hebt u verloren, zie maar hier.

De and’re hand die ik u biedt,

Scheelt met de eerste heus geen zier.

 

Terug naar overzicht

Weer is de dag voorbij (avondgebedje)

(met dank aan Betty Conijn voor het sturen van de tekst)

Weer is de dag voorbij

Aanstonds komt de maan

Lieve Heer waak over mij

Ik zal slapen gaan

Met mijn handjes in elkaar

En mijn oogjes toe

Bid ik U: o God bewaar

Ook mijn Pa en Moe

Geef de blijde morgenstond

Weer aan klein en groot

Maak de zieke mens gezond

Geef de arme brood.

Amen.

 

Terug naar overzicht

Wel te rusten

(S. Abramsz)

Wel te rusten,

Neus in 't kussen,

Neus in de veeren.

Morgen eten we lekkere peren.

 

Terug naar overzicht

Wie dikwijls in de spiegel ziet

(met dank aan Katrien Koster voor het sturen van de tekst)

Wie dikwijls in de spiegel ziet

En zich met schoonheid vleit

Het is de ware schoonheid niet

't Is enkel ijdelheid.

 

Terug naar overzicht

Wie krabbelt daar ?

(G. W. Lovendaal)

(met dank aan Corry van den Heuvel voor het sturen van de tekst)

Wie krabbelt daar met zijn vuistjes

Aan ’t wiegekleed, zeg ?

Wie trappelt daar met zijn  beentjes

De dekentjes weg ?

Ik wed dat ik weet,

Wie aan ’t wiegekleed krabt,

Ik wed dat ik weet,

Wie de dekentjes trapt,

Ik wed dat ik weet,

Wie er kraait luid luid :

Ons kindje dat heeft zijn slaapje uit.

 

Terug naar overzicht

Wie weet waar Willem Wouters woont ?

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wie weet waar Willem Wouters woont ?

Willem Wouters woont wijd weg.

Wie weet, wat Willem Wouters weeft ?

Willem Wouters weeft witte wollen wanten.

 

Terug naar overzicht

Wiesje doe je wantjes aan

Wiesje doe je wantjes aan,

Je witte wollen wantjes.

Als je je wantjes niet aan wilt doen,

Dan krijg je koude handjes.

 

Terug naar overzicht

Wij zaten op dezelfde schoot

(met dank aan Willie Versteegen voor het sturen van de tekst)

Wij zaten op dezelfde schoot,
Wij eten van het zelfde brood,
Zien door de zelfde ramen.
Wij gaan de zelfde straten door,
Daar zijn wij immers zusjes voor,
En kibbelen wij samen.

Maar nooit als feeksen boze fee,
In welke vreemde levenszee,
Je wellicht zult bevaren.
Of waar je ook zult zijn niet waar,
Wij blijven zusjes van elkaar,
Gezondheid heel veel jaren.

 

Terug naar overzicht

Wij zijn spoken

(met dank aan Corry van den Heuvel voor het sturen van de tekst)

Wij zijn spoken uit verre land,

Wij zijn de spoken ga aan de kant.

Wij kunnen heel goed lopen, daar komen wij al aan.

Wij kunnen heel goed lopen, je ziet dat wij bestaan !!

 

Terug naar overzicht

Wildzang

(David Tomkins)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

In 't voorjaar, als de larix bloeit,

Dan klinkt een luid getier

In elzestruik en hazelaar,

In berk en populier:

Daar kijft de huismus met haar maat

En handhaaft haar gezag,

Maar wat ze zegt, versta je niet,

Al hoor je 't heel den dag.

Ze roept hem driftig: "Piet, piet, piet !

Help mede aan het nest !

Je kunt het wel, maar je wilt weer niet

Ik weet het al te best !"

De musse-man, de musse-man

Zit vrolijk op een tak.

"Hoe kan ik werken ?" schreeuwt hij luid,

"'k Ben in mijn beste pak !"

 

Waar wilde kamperfoelie rankt

Begint een mezenpaar.

Ze vinden tot hun grote vreugd

Het nest van 't vorig jaar.

Maar 't plekje is al lang bezet

Door d'een of and're nicht,

Die met de veertjes opgezet

En met een kwaad gezicht

Hun nijdig toeroept: "ziet, ziet, ziet !

Dat gaat je neus voorbij,

Je hoort hier wel, maar dat raakt me niet.

Ik zit hier al sinds Mei."

En man en vrouw en man en vrouw

Gaan 't nichtje fuks te lijf,

Dat niemand's oren tuiten gaan

Van al dat wild gekijf.

 

De blauwe hemel spiegelt zich

In 't meertje op de hei,

Het riet vormt aan den oeverzoom

Een dichte, groene rij.

Daar zit een vlug karkietenpaar

Elkander achterna

Langs watermunt en pinksterbloem,

Langs thijm en erica.

Hoor, 't gaaike roept: "karkiet, kiet, kiet !

Wat zoek je met je neus.

Ik zit in 't riet maar je vindt me niet,

Je kunt niet zoeken, heus !"

En 't vrouwtje doet opnieuw haar best,

Totdat ze na een wijl

De schuilhoek vindt en op haar beurt

Zich redt in allerijl.

 

Des avonds, als in 't stille bos

De vogels slapen gaan,

Dan hoort men in het kreupelhout

De nachtegalen slaan.

Daar zit er een - voorzichtig ! stil !

Van hieruit zie je net

Op 't zandpad, door de maan verlicht,

Zijn sierlijk silhouet.

Hij roept verheugd: "koerwiet, wiet, wiet !

Nu heb ik 't rijk allen,

't Is beddetijd, maar dat hindert niet,

Ik zing van tien tot één.

Het is zo stil, zo wonderstil,

Dat juist om deze tijd

Een liedje dubbel aardig klinkt:

Het breekt de eenzaamheid !"

 

In 't voorjaar, als de larix bloeit,

Dan schalt in bos en veld

De wildzang, die naar links en rechts

Haar vreugden rondvertelt.

De tortel en het puttertje

De koolmees en de sijs,

Ze doen het elk uit volle borst

En ieder op zijn wijs.

De houtspecht schatert: "Hie, hie, hiet !

't Wordt volop zomertij.

De zon staat hoog en ze daalt nog niet,

De winter is voorbij !

Straks schuilt er tussen 't bladerdak

Een nest met donzig goed,

Dat woelend piept en nooit voldaan

De bekjes opendoet !"

 

Terug naar overzicht

Wimpie

(met dank aan Joke Platteel voor het sturen van de tekst)

En Wimpie vroeg aan zijn oma

Waar is opa weet U dat

Toen sprak het lieve vrouwtje

Die is in de hemel schat

Als je altijd zoet gaat slapen

En je huilt of vloekt nooit meer

Dan komt Wimpie vast en zeker

Eenmaal bij zijn opa weer

 

Kun je ook in de hemel knikkeren

Is daar ook een bak met zand

Is daar ook een grote diergaarde

Met een grote olifant

In de hemel sprak het vrouwtje

Daar woont onze lieve Heer

En die kijkt daar met je opa

Altijd op ons beide neer

 

Terug naar overzicht

Winterpret

(met dank aan Wim Hanekamp voor het sturen van de tekst en Corrie Driessen voor de aanvulling)

Moe ik hoor de klok al slaan,

Mag ik nu naar ’t ijs toe gaan ?

Kalm eens jongen, wacht eens even,

Waar is nou je muts gebleven ?

‘k Weet niet, zet m’n pet wel op,

En weg rent Willem in galop.

 

Zie hem glijden, zwaaien, zwieren,

Eerst alleen, dan met zijn vieren.

Soms met achten aan één stok,

Wie het mooiste rijdt, krijgt een slok.

In de tent van oude ka,

Uit haar ketel chocola.

 

Da's in jaren niet gebeurd

O wat hebben zij getreurd

Als de winter ging voorbij

Zonder ijs of schaatsgerei

Maar nu is een elk tevree

En de meester zelfs doet mee

 

Straks komt Wim met rode wangen,

Thuis bij moe, ziet vol verlangen,

Vlug de kamer in het rond,

Of hij iets te eten vond.

Hé, wat smaakt dat roggebrood,

Winterpret maakt sterk en groot.

 

Terug naar overzicht

Witje witje

Witje Witje zat op een hek
Witje Witje brak zijn nek
Er is geen ene timmerman
Die Witje Witje maken kan !

 

Terug naar overzicht

Woutertje

(met dank aan Anny voor het sturen van de tekst)

Ik heb hem al jaren, en nooit geeft hij last.

Hij woont in een trommeltje onder de kast.

En 's morgens om zeven uur hoor je geluid,

Dan roept ie om eten, dan wil hij er uit.

 

O, die Woutertje, Woutertje,

Wiebel, wiebel, woep,

Piepklein kaboutertje komt als ik roep.

 

Ik zag hem voor het eerst op de mat in de gang,

Ik zei: "Goeiemorgen, ben jij hier al lang ?"

Hij zei: "Nou ik denk een minuutje of vijf,

Maar ik vind je wel aardig, ik denk dat ik blijf."

 

Hij is reuze aardig, we hebben veel pret,

Maar 's avonds om zeven uur moet hij naar bed.

Hij trekt een pyjamaatje aan van katoen,

Dan bind hij z'n baard op, en krijg ik een zoen.

 

O, die Woutertje,Woutertje

Wiebel, wiebel, woep,

Piepklein kaboutertje komt als ik roep.

 

Terug naar overzicht

Zeehond

(met dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)

(klik op het plaatje om te vergroten)

Zeehond.jpg (32862 bytes)

Een zeehond is verbazend knap,

Zo knap, dat ik er niets van snap !

Je zet maar op zijn stompe neus

Een bal, een lampje, ja 't is heus,

Dan gaat hij daarmee balanceren !

Ik wou het met een vaas proberen,

Maar 't ding viel van mijn neusje af

En 'k kreeg nog brommen toe voor straf ...

 

Terug naar overzicht

Zeg eens opa

(met dank aan Jan Scholte voor het sturen van de tekst)

Zeg eens opa,

Vroeg Marietje heel verwonderd op een keer,

Waarom zit er

Op uw hoofdje toch geen enkel haartje meer ?

't Glimt zo mooi,

't Lijkt net een spiegel,

Ik wou dat ik het maar zo had,

Leuk om nooit je haar te kammen,

Wat gemakkelijk is dat.

Bah, die nare, lange vlechten,

Ik heb  er dikwijls om geschreid.

Opa......... zeg wilt u ze hebben ?

Dan ben ik ze lekker kwijt.

 

Terug naar overzicht

Zeg, kabouter veters los

Zeg, kabouter veters los, 
Struikel je niet in dat grote bos? 
 
Zeg, kabouter jasje open, 
Zo kun je niet gaan lopen! 
 
Zeg, kabouter beetje moe, 
Wil je soms naar je bedje toe? 
 
Zeg, kaboutertje van drie, 
Kom even zitten op mama's knie 
 
Zeg, kabouter op mijn knie, 
Je krijgt een kus, wel drie 
(kus, kus, kus)

 

Terug naar overzicht

Zeg kipje

(met dank aan Herman Koek voor het sturen van de tekst)

Zeg kipje, zeg kipje, wat heb je gedaan.

Je bent naar de stal van ons sikje gegaan.

Je lei daar een eitje.

Ja hoe ik dat weet?

Ik hoorde je kakelen

En keek door een spleet.

Als moeder dat hoorde,

Ja kijk mij eens aan,

Dan mag je voortaan

Niet meer uit wandelen gaan.

 

Terug naar overzicht

Zeg Muizenpoes, zeg ben je dol ?

(met dank aan Vrouwke van Pel-Manuel voor het sturen van de tekst)

Zeg Muizenpoes, zeg ben je dol ?

Wat doe je met mijn kluwen wol ?

Je kunt niet breien !

Je kunt niet haken !

Een warboel kun je er van maken.

Kom, geef mijn kluwen dadelijk op,

Ik ga kousjes breien voor mijn pop

En als ik dan wat overhou,

Dan is dat, Muizenpoes, voor jou !

 

Terug naar overzicht

Zeg, vogeltje, zeg ....

(Jan W. Jacobs)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Zeg, vogeltje, zeg, waarom schuil je nu weg

en gluur je zo door het gebladert' ?

Zeg, ben je nu bang en staak je 't gezang

Nu een mens je zo dicht is genaderd ?

 

Ik zie je wel doen in je huisje van groen,

Als moest je de dag nog beginnen.

Je gordijnen zijn stuk. Kijk, als ik me buk

Dan zie ik zo vrij bij je binnen.

 

Je twinkelt je lied of niemand je ziet

En pluist wat met takjes en veertjes.

Ik versta je toch wel, 't is het eeuwige spel

Van lachjes en kusjes en .... kleertjes.

 

Terug naar overzicht

Zegen

(uit de kleine Troubadour 1964)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Heer zegen Jan en alleman

en vader en moeder

en nog meer

 

Zegen

in de regen

in de zon

en wat kan en kon

en nog zal gebeuren

 

Zegen in  lief en leed

in wat vergaat en vergeet

kind vrouw man

mevrouw en meneer

en nog meer

 

Terug naar overzicht

Zeven kinderen in het bad (Annie M.G. Schmidt)

(met dank aan Irma Been voor het sturen van de tekst)

Fiedeldidein, zei moeder Katrijn,

zaterdags moeten we netjes zijn !

Zaterdags moeten we in het bad,

zeven kinderen en een kat !

‘k Zal ze boenen, ‘k zal ze schrobben !

Twee pond soda in de tobbe.

Broekjes aan en schortjes voor,

’t gaat in ene moeite door.

 

Geen gedrein, zei moeder Katrijn,

zaterdags moeten ze aan de lijn !

Zeven kinderen en een kat,

allemaal zijn ze klets-kletsnat.

Niet zo sikkeneurig kijken,

als jullie droog zijn, zal ik je strijken,

’t is niet prettig, maar het moet !

Hang je lekker ? Dan is ’t goed.

 

Nu het konijn, zei moeder Katrijn,

die zal ook wel smerig zijn,

Ook ’t konijn moet in het bad,

net als de kinderen en de kat.

Maar ’t konijn zei: Later, later…

nu ben ik nog bang voor water,

‘k denk dat ik maar smerig blijf…

ik geen soda aan mijn lijf !

 

Fiedeldidein, zei moeder Katrijn,

als we maar gelukkig zijn.

Toen kreeg elk een pepermunt.

Dit is alles, kinderen. Punt.

 

Terug naar overzicht

Zeven muisjes op een rij

Zeven muisjes op een rij,
Snoepten van de rijstebrij.
Steeds maar meer, steeds maar meer;
Een kreeg buikpijn en lustte niets meer.

 

Zes muisjes op een rij,
Snoepten van de rijstebrij.
Steeds maar meer, steeds maar meer;
Een kreeg tandpijn en lustte niets meer.

 

Vijf muisjes op een rij,
Snoepten van de rijstebrij.
Steeds maar meer, steeds maar meer;
Een kreeg oorpijn en lustte niets meer.

 

Vier muisjes op een rij,
Snoepten van de rijstebrij.
Steeds maar meer, steeds maar meer;
Een kreeg rugpijn en lustte niets meer.

 

Drie muisjes op een rij,
Snoepten van de rijstebrij.
Steeds maar meer, steeds maar meer;
Een kreeg hoofdpijn en lustte niets meer.

 

Twee muisjes op een rij,
Snoepten van de rijstebrij.
Steeds maar meer, steeds maar meer;
Een kreeg bipspijn en lustte niets meer.

 

Eén muisje heel alleen,
Sabbelde op zijn grote teen.
Wat een strop, wat een strop:
Alle rijstebrij was op !

 

Terug naar overzicht

Zeven uur en nu naar bed

(met dank aan Corry van den Heuvel voor het sturen van de tekst)

Zeven uur en nu naar bed,

Niet meer spelen, niet meer zeuren,

Nee je mag nu niet meer kleuren.

Laat je Lego nu maar staan,

Je moet nu echt naar bed toe gaan.

Eerst nog wassen, dan nog plassen,

Tanden poetsen niet vergeten,

Want je hebt toch snoep gegeten.

Welterusten slaap maar lekker,

Morgenvroeg gaat weer de wekker !!!

 

Terug naar overzicht

Zieke Doortje

(Guus Betlem Jr.)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Kijk eens, wat heb ik een pret,

En toch lig ik ziek te bed !

Maar ’t is niet zo ernstig, weet je,

‘k Hoest alleen een heel klein beetje,

Het was buiten ook zo nat

En nu heb ik kou gevat !

 

Dat komt gauw wel weer terecht,

Heeft de dokter Moes gezegd….

En nu mag ik heerlijk spelen,

Om me niet zo te vervelen,

Met m’n  poppen, m’n fornuis….

O, wat is ’t toch heerlijk, thuis !

 

Strakjes, het is werk’lijk, ja,

Krijg ‘k een kopje chocola,

En misschién zelfs wel een koekje,

Dan vertelt Moes uit een boekje,

Leest ze versjes uit de krant,

Sprookjes, zo van allerhand….

 

’t Duurt misschien nog maar een dag,

Voor ik weer naar buiten mag,

En dan kan ‘k weer heerlijk draven,

Achter in de zandbak graven,

Want al heb ik ’t nóg  zo fijn,

‘k Wil toch ’t liefst maar….beter zijn.

 

Terug naar overzicht

Zieke muis

(met dank aan Emy Mentink-Kroes voor het sturen van de tekst)

1,2,3,4,5,6,7,

Miertje is de dokter thuis ?

Kan hij mij een drankje geven

Voor een arme zieke muis ?

 

Die zo even van de treden

Van de ladder is gegleden

Op het plat, in de stad

Miertje, miertje haast je wat !

 

Even wachten, Juffrouw Brommer

Want de dokter is absent

Hij is juist naar vader Nachtuil

Die u zeker ook wel kent

 

Die heeft zich bij het middageten

Eensklaps op zijn tong gebeten

Wat een pijn zal dat zijn

Daarvoor helpt geen medicijn !

 

1,2,3,4,5,6,7

Daar is dokter Langpootmug

Met zijn zalfjes en zijn pleisters

Dokter, dokter zeg toch vlug

Wat ik aan mijn muis moet geven

Dat hij weer wat op gaat leven

Het is een kruis in het huis

Haar gezondheid is niet pluis

 

Neem wat olie en wat boter

En wat sago, niet te veel

Doe het in een houten napje

Roer het om en kook het papje

Strijk het rond op de wond

En morgen is de muis gezond !

 

Terug naar overzicht

Ziep, ziepe, zijpe

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Ziep, ziepe,zijpe

Wanneer ben je rijpe?

Te Meie, te Meie,

Leggen alle veugeltjes 'n eie.

Wat leggen ze dan?

Looze, looze doppen,

Kale, kale koppen,

Heel of, half of,

't Bastje is van 't houtje of.

 

Terug naar overzicht

Zo hoort het 's avonds

(uit Vogelvlucht, Casper de Jong en Leonard Roggeveen)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

      De stoeltjes netjes aan de kant,

      De poppekleertjes in de mand

      De blokken in de blokkendoos,

      Want anders wordt mijn moeder boos.

      Zet Bruintje Beer maar in de hoek,

      Die deugniet is ook altijd zoek.

      De olifant, die leuke guit,

      Mag heus vannacht de kast niet uit.

      En Pieternel, de grijze poes,

      Kan net nog naast de zwarte does.

      De gummipop van kleine Aart,

      Die past wel bij het houten paard.

      De poppen doen we in hun bed.

      De ballen doen we in het net.

      "Is alles opgeruimd? " roept Moe,

      "Dan gaan we vlug naar boven toe!"

 

Terug naar overzicht

Zomerweelde

(G.W. Lovendaal)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

'k Wou, dat 't altijd zomer was,
Zomer, wat een pret !
's Morgens vroeg de veren uit,
's Avonds laat naar bed.

Wagenwijd de ramen open,
Kamers vol met licht,
Alle straten vol van zon,
Wat een mooi gezicht !

Uren, uren, uren lang
Happen van geweld.
Lekker frisse buitenlucht
In het vrije veld !

Heerlijk liggen op je rug,
Om je, geen gerucht,
Onder, koel en mollig gras,
Boven, blauwe lucht !

 

Terug naar overzicht

't Zonnetje keek door de kiertjes

't Zonnetje keek door de kiertjes,
Door de kiertjes van het gordijn
En het dacht: "Wel, zou klein Jansje,
Zou klein Jansje al wakker zijn ?"

Maar klein Jansje, al was 't al licht,
Lag nog met haar oogjes dicht.

't Zonnetje dacht: "Nee, dat mág niet !
Jansje moest nu wakker zijn !"
En het stuurde een helder straaltje,
Door een kiertje van het gordijn.

't Zonnestraaltje gleed daar heus,
Over kleine Jansjes neus.

't Zonnetje moest hart'lijk lachen.
Weet je, wat het kindje deed ?
't Ging aan 't niezen, toen het straaltje
Over 't kleine neusje gleed.
't Zonnetje tuurde,
't Zonnetje gluurde.
En daar sprong de kleine guit,
Eén, twee, drie haar bedje uit !

Terug naar overzicht

Zonsopgang

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Och het is wel aardig in mijn tuin

Als 's morgens vroeg de zon opgaat

Maar ik woon zo midden in een straat

Zo tussen muren grijs en bruin

Doch naar ik gisteren heb gelezen

En naar mijn moeder mij heeft verteld

Daar buiten in het vrije veld

Daar kinderen moet het heerlijk wezen

Dan zei ze is eerst de lucht nog grauw

En hier en daar blinkt nog een ster

Maar langzaam schemert er van ver

Wat rozerood en hemelsblauw

Dat ziet men witte wolkjes dwalen

Doortrokken met een purperen tint

Dan komt als 't ware een koningskind

De zon met al haar gouden stralen

 

Terug naar overzicht

Zus liep eens op een bruggetje

(Uit: ‘Van kleine kleuters’)

Zus liep eens op een bruggetje;

Dat bruggetje was zoo nat;

Toen stak 'r opeens een muggetje,

Dat op haar neusje zat.

 

Van schrik viel ze op haar ruggetje;

Haar melk viel in het nat;

Dat alles kwam door 't muggetje,

Dat op haar neusje zat.

 

Terug naar overzicht

Zusje peinst

(met dank aan Therry Laan voor het sturen van de tekst)

Al denk ik ook de hele nacht,

Ik weet het in mijn klein gedacht',

Niet goed bijeen te rapen.

Waarom u in zo'n grote kerk blijft wonen,

Waar toch, zerk aan zerk, die dode mensen slapen.

En vindt U het niet heel erg droef,

Om 's avonds naar dat vreemd gezoef,

Van boze wind te horen?

In zulk een groot leeg huis,

Alleen, met al die heiligen van steen,

De schrik zou mij bevangen.

Want als ik naar mijn bedje moet,

En moeder het lampje lager doet,

Laat ik de lip al hangen.

Uw kleine lichtje doet altijd zo treurig,

Of het tranen schreit !

En is dat niet een kruisje,

Dat 's morgens vroeg en 's avonds laat,

Maar eens het deurtje open gaat van uw verlaten kluisje?

Mij hoofdje is zeker nog te dom, mijn hartje veel te simpel om dat alles wijs te heten,

Maar als ik eenmaal groot zal zijn,

Nee. later als ik dood zal zijn, dan zal ik alles weten.

 

Terug naar overzicht

 

Zwaan

(met dank aan Marieke vd Feijst voor het sturen van de tekst)

Mijn leven als een zwaan, dat gaat niet over rozen,

Erg kleurig ben ik niet, heb 'k ook niet zelf verkozen.

'k Ben wel van zekere standing, hetgeen je aan mij ziet,

Ik weet te imponeren en dat vergeet ik niet.

Mijn allergrootste trots, dat is mijn lange hals,

Daar kan ik een spel mee spelen,'k beloof je heus, nooit vals.

Mocht jij me nu gaan vragen, vlieg mij eens naar de maan,

Ga ik jou eerst vertellen, van 't spel,

't Heet "Zwaan kleef aan".

 

Terug naar overzicht