|
| |
|
Tafelmanieren (ca 1925)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de
tekst) |
|
Wat een kind dient te weten
Als het aan tafel is
gezeten.
Is de tijd van eten
daar,
Maak je vlug en zindlijk
klaar
Immers proper, net en
rein
Moet je bij den maaltijd
zijn
Als je dan aan de tafel
zit,
Zorg, dat je eerst eerbiedig
bidt.
Kijk niet hier en kijk niet
daar,
Denk alleen aan 't bidden
maar.
Gaap ook niet de schotels
aan,
Wat in elke wel mag
staan
Na 't gebed wees stil en
beleefd,
Wacht maar, tot men u iets
geeft.
Ga niet met je vingers
trommelen,
Laat ook niet je benen
schommelen.
Krijg je wat, dan
opgepast,
Neem je lepel netjes
vast,
Doe je lomp dan kijft je
pa
En tot straf beloop je
schâ.
Als je uw soep te heet
bevindt,
Blaas dan niet als Jan de
Wind.
Roer er met den lepel
door,
Zoo doet moeder 't immers
voor.
Leg uw elleboog niet te
traag
Op de tafel 'k zie 't niet
graag.
't Staat zoo boersch en
bovendien
't Hindert nog je buur
misschien.
Luister nu eens, rare
guit,
Hoe mijn liedje verder
luidt.
Eet wat u gegeven
wordt,
Anders kom je licht te
kort.
Volg vooral niet kleine
Miet
Schreiend pruilt ze " 'k Wil dat
niet"
't Kon wel eens dat vader
zei:
"Ga maar heen van tafel
gij.
Wat niet staat naar uwe
maag
Heeft wed ik, ons poesje
graag."
En daar sta je dan te
zweten,
Met veel honger en geen
eten.
Zit niet met je stoel te
wippen
Trek het kleed niet aan de
tippen
Wellicht krijg je een
ongeluk,
Vuile kleren, borden
stuk.
Juist gelijk het onze
Kris
Onlangs overkomen
is.
Achterover hing de
jongen
Met de kniëen op
gedwongen
Maar op eens dan
rompelpom
Viel hij met zijn zetel
om.
Wel dat was toen een
gerinkel
Heel de vloer een
schervenwinkel
Want hij trok in zijn
val,
't Laken mee met bord en
al.
Gij begrijpt of Paatje
keef,
Krisje nog aan tafel
bleef!
't Liedje wordt haast te
lang,
Gauw nog wat van groot
belang.
Wees in alles heel
beleefd,
Dankbaar als men u iets
geeft
Keer u om, als gij moet
hoesten.
Ook bij 't snuiten, niezen,
proesten.
Moet je gapen pas op
hoor!
Gauw de vlakke hand er
voor
Anders hoor je nog
wellicht:
"Gooi daar gauw die schuurdeur
dicht."
Biedt u iemand dit of
dat
Of zegt men: "kom neem nog
wat,
Zeg niet "Ja", neen, antwoordt
lief
"Dank u wel" of
:"Asjeblief".
Hebt ge eindelijk uw
genoegen,
Houd dan op, meer zou niet
voegen.
Maak met zakdoek of
servet
Uwe lippen rein en
net.
Loop nog niet van tafel
heen,
Eerst behoort er weer
gebeên,
Want aan God moet dank
gegeven,
Voor gezondheid, spijs en
leven.
Terug
naar overzicht |
|
Tante Nans zat op een gans
(S. Abramsz) |
|
Tante Nans,
Zat op een gans.
"Wip !" zei de gans,
En weg vloog tante Nans.
Terug
naar overzicht |
|
Telversje
(G. Gilhuis-Smitskamp)
(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst) |
|
Een, twee,
drie, vier, vijf, zes, zeven,
Moeder zal
je centen geven,
Haal eens
gauw bij Mietje Knoop,
Op de hoek
een potje stroop,
Stroop in
een kannetje,
Voor ons
kleine mannetje,
Stroop in
een potje,
Voor ons
kleine Lotje,
Stroop in
een busje,
Voor ons
kleine zusje,
Stroop op
een bordje,
Mors niet
op je schortje,
Stroop in
de dikke brij,
Dan is onze
Jantje blij !
Terug
naar overzicht |
|
Theevisite
(met dank aan Henriëtte voor het sturen van de tekst) |
|
Om de ronde
poppentafel
Zat het
poppenhuisgezin,
Met een
schaaltje echte koekjes,
Kopjes met
echte thee erin.
Wat
gedroegen ze zich netjes !
Keurig
zaten ze erbij,
' t Was een
echte theevisite
En een
deftige partij.
Maar één
pop, 't was Piet de smeerpoets,
Maakte
alles vuil en vies,
Hij
beklodderde het kleedje
En het hele
theeservies.
Alle andere
poppen zeiden:
,,Nou, dien
rare knoei-meneer,
Vragen wij
ons hele leven
Nooit op
theevisite meer.
Kijk die
kopjes er eens uitzien !
Zie dat
theeblad nu eens an !
Ik begrijp
niet hoe ik alles
Ooit weer
netjes krijgen kan."
Troostend
zei een poppenbuurvrouw:
,,Let eens
op wat ik u zeg.
Als je
straks een beetje VIM neemt,
Veeg je
ieder vuiltje weg."
Terug
naar overzicht |
|
Tien kleine biggetjes
(met
dank aan Mary Moret voor het sturen van de
tekst) |
|
Tien kleine
biggetjes,
Die liepen
in de regen.
Eén viel er
in een modderplas,
Toen waren
er nog maar negen.
Negen
kleine biggetjes
Verdwaalden
in de nacht.
Eén liep er
in het donker weg,
Toen waren
er nog maar acht.
Acht kleine
biggetjes,
Die maakten
zoveel leven,
Dat de boer
er één in 't hok opsloot,
Toen waren
er nog maar zeven.
Zeven
kleine biggetjes,
Die
speelden met een fles.
Eén sneed
zich aan de scherven,
Toen waren
er nog maar zes.
Zes kleine
biggetjes,
Aten hun
buikjes stijf.
Eén was
te gulzig en at te veel,
Toen waren
er nog maar vijf.
Vijf kleine
biggetjes
Zagen
een grote stier.
Eén liep er
hard weg van schrik,
Toen waren
er nog maar vier.
Vier kleine
biggetjes
Lachten hem
uit: hi-hi-hi !
Eén lachte
te hard en kreeg pijn in zijn buik,
Toen waren
er nog maar drie.
Drie kleine
biggetjes
Die moesten
in een wagen mee.
Eén viel er
af, de wagen reed door,
Toen waren
er nog maar twee.
Twee kleine
biggetjes
Struikelden
over een steen.
Eén brak
zijn pootje en kon niet meer staan,
Toen was er
nog maar één.
Eén klein
biggetje,
Dat huilde
van verdriet.
Want hoé
hij riep en hoé hij zocht,
Zijn
vriendjes vond hij niet.
Terug
naar overzicht |
|
Tiereliere, let let let
(S. Abramsz) |
|
Tiere liere let let let,
Musschen zijn geen vinken;
Mietje heeft de kan gebroken,
Waar zullen we nu uit drinken?
Terug
naar overzicht |
|
Tierelier, wat ga je
kopen |
|
Tierelier, wat ga je kopen ? Tierelier,
bij de kruidenier ? Een pond suiker, een pond meel En een
busje met kaneel. Tierelier, tierelier, Goede morgen
kruidenier !
Tierelier, wat ga je kopen ? Tierelier, bij
de kruidenier ? Een pond bonen, een pond zeep En een
chocoladereep. Tierelier, tierelier, Goede morgen kruidenier
!
Terug
naar overzicht |
|
Tik tak, tik tak
(Uit
Gouveneur’s nieuw Fabelboek 1890)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de
tekst) |
|
Het Kind: He, moeder, als ge mij zoo
kust En aan uw borst mijn hoofdje rust, Dan is het, of ik met
mijn oor Daar ieder keer wat tikken hoor, Net als ons kleine
klokje doet;- 'k Hoor 't nu weer duidelijk en goed: Tik tak,
tik tak !
De Moeder: Daar binnen tikt mijn hart,
mijn kind ! Soms klopt dat langzaam, soms gezwind. - Als ik de
wond'ren Gods aanschouw, Den glans der zon, des hemels
blauw, De sterren in een held'ren nacht, Dan slaat het rustig,
stil en zacht: Tik tak, tik tak !
Maar kind, mijn
allerliefste schat ! Als ik jou zoo in de armen vat En in de
zacht blauwe oogen kijk, Dan zie ik als in 't hemelrijk; Dan
wordt mij alles licht en hel, En klop mij 't harte luid en
snel: Tik tak, tik tak !
En nu, kijk me aan eens, zooals 't
hoort, En luister goed naar moeders woord: »Zoo lang mij de
oogen open staan, Zoo lang dit hart in mij blijft slaan, Nu
langzaam eens en dan gezwind, Zoo lang klopt het voor U, mijn
kind ! Tik tak, tik tak !
Terug
naar overzicht |
|
Tik, tak, tol
(S. Abramsz) |
|
Tik, tak, tol,
De boer die nam een knol,
Al van de vrouw d'r wagen,
Zonder het te vragen !
Tik, tak, tol.
Terug
naar overzicht |
|
Tikke takke tonen |
|
Tikke takke tonen 't Varkentje in de
bonen 't Paardje in de haver 't Koetje in de klaver 't
Schaapje in het groene gras 't Eendje in de waterplas 't Visje
in het netje 't Kindje, wip ! in 't bedje
Terug
naar overzicht |
|
Timmetje Tom en zijn baard
(met
dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de
tekst) |
|
Kabouter
Timmetje Tom 't is wel mal,
Leende een
baard voor het kabouterbal,
Van het
toverheksje Kwiebus Trijn,
Zij had
baarden bij dozijn.
Je zult wel
denken wat een vreemd verhaal,
Baarden
hebben kabouters toch allemaal.
Kabouters
met baarden zijn flink en vol moed,
Dat is het
wat hun baardjes groeien doet.
Maar er
kwam er geen bij Timmetje Tom,
En alle
kabouters lachten er om.
Drie dagen
voor het grote feest,
Is Timmetje
Tom diep in het bos geweest.
En toen hij
op het bal verscheen,
Ja hoor,
iedereen zag het meteen.
Een
Timmetje Tom zo trots als een pauw,
En ze
riepen, “ Wat groeit jou baardje gauw.
Je kunt wel
zien, je bent niet meer lui of bang,
Want je
baard is al zo prachtig lang.
Maar hij
struikelde over een wortel in de grond,
Juist waar
de kabouterkoning stond.
Timmetje
Tom verloor zijn waardigheid,
Hij huilden
tranen van schaamte en spijt.
Gescheurd
lag daar zijn valse baard,
De koning
riep boos,” Je bent niets waard,
Ga uit mijn
ogen, vlug, verdwijn.
Moet je nu
ook nog een bedrieger zijn,
Je mag
komen als je je flink hebt getoond,
En met een
echte baard er voor bent beloond."
Alleen en
verdrietig liep het kaboutertje rond,
Maar raad
toch eens wat hij nu toch vond ?
Een kleine
vogel, gevallen uit het nest,
En toen
deed Timmetje Tom zijn best.
Hij vroeg,
wat is er met jou geschied,
Kleine
vogeltjes die horen hier niet.
,,De
koekoek gooide mij uit het nest op de grond,"
,,Gelukkig"
, sprak het vogeltje, ,,dat je me vond,
Ik heb het
zo koud en ik ben nog zo klein,
Kaboutertje, zou ik bij jou mogen zijn ?"
,,Natuurlijk", zei Timmetje Tom,,,ik neem je mee,
Je moet
verzorgd worden met wormpjes en kruidenthee."
Al gauw
kwamen meer dieren met hun zorgen,
En Timmetje
Tom werkten al vroeg in de morgen.
Zijn baard
kreeg hij, golvend grijs,
Hij stond
bekend als goed en wijs,
En door de
kabouters werd gezegd,
,,De baard
van Timmetje Tom is echt."
Terug
naar overzicht |
|
Tinus Tijger
(met
dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de
tekst) |
|
(klik op het plaatje om te
vergroten)

Tinus Tijger was aan 't
vissen,
Maar dat viel hem heus niet
mee;
Telkens haalde hij zijn
hengel
Zonder visje op, och hé
!
"Zit dan toch eens stil", riep
Jimmie,
En het aapje
lachte luid,
Want een visje in de plas
riep:
"Tinus, Tinus, schei maar uit
!"
Terug
naar overzicht |
|
Tippe, tappe, top
(met
dank aan Corry van den Heuvel voor het sturen van de
tekst) |
|
Terug
naar overzicht |
|
Toekan
(met
dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de
tekst) |
|
(klik op het plaatje om te
vergroten)

Kijk die vogel, wat een snavel
!
't Is de Toekan, is 't niet zo
?
Juist, hij kreeg van Oom en
Tante
Gisteren een
prachtcadeau;
'n Jagershoedje met een
veertje
En een speelgoed jachtgeweer
En een echte jagerstas
!
'k Wou dat ik de Toekan
was.
Terug
naar overzicht |
|
Toen de pastoor de zegen
gaf
(met dank aan Tony van de Wiel voor het sturen van de tekst) |
|
Toen de
pastoor de zegen gaf,
Zette de
boer zijn hoed niet af,
Hij zei, is
de zegen goed
Dan gaat
hij vast wel door mijn hoed.
Terug
naar overzicht |
|
Toen kleine zusje ziek
werd
(met
dank aan Corrie Geljon voor het sturen van de tekst) |
|
Toen kleine zusje
ziek werd, stond Jantje op de loer,
Dan keek hij in
haar bedje, zei: "Zus, hier heb je broer !"
Maar 's avonds
hoorde Jantje, dat dokter had gezegd:
"Voordat de
blaadjes vallen, is zus in 't graf gelegd."
En elke dag ging
Jantje de tuin voorzichtig rond,
En keek of hij
ook ergens gevallen blaadjes vond.
En toen ze gingen
vallen, had Jantje opgepast,
Hij bond ze met
een draadje weer aan de takjes vast.
Maar toen de
herfst ging komen, toen werd het werk te groot,
Bij 't laatst
gevallen blaadje, was Jantje's zusje dood.
Terug
naar overzicht |
|
Toen ma niet thuis
was
(met
dank aan Joke Broersen voor de tekst) |
|
Toen ma niet thuis was haalde ik,
Haar schoenen, jas en hoed
Vlug, vliegensvlug uit de klerenkast.
Ik trok het aan, het stond me goed
Als dame liep ik van de trap,
Als echte dame sjiek en knap.
Maar halverwege van de trap,
Daar gleed ik uit, oh jeminee.
De hak van moeders grote schoen,
Bleef haken achter de derde tree.
Als dame viel ik, klets, boem, pang.
Als vod lag ik toen in de gang.
Terug
naar overzicht |
|
Toen 't kindje op de
wereld kwam
(S. Abramsz) |
|
Toen 't kindje op de wereld kwam,
Al uit zijn donker hoekje,
Toen dronken de vrienden wijnkandeel,
En ze wonden 't in een doekje.
Al wie 't kindje zijn luurtjes vouwt,
Leven ze lang, dan worden ze oud,
En ze zullen ter bruiloft komen,
Als ons klein kindje trouwt.
Terug
naar overzicht |
|
Toetmozes de
derde
(met
dank aan Inge Melis voor het sturen van de tekst) |
|
Zeg, ken je Toemozes de derde, de koning van
Rabat,
Hij waste zijn beide voeten, elke avond in
het bad.
Hij waste eerst zijn linker, en dan zijn
rechterbeen,
Maar op een kwade avond, stak hij zijn grote
teen,
In het gaatje van de afvoer, en dat gaf heel
wat last,
Want toen de koning opstond, zat die grote teen
muurvast.
De koning begon te roepen: "Johanna kom eens
vlug !
Mijn teen zit in de afvoer en het ding wil
niet meer terug."
En op zijn luide roepen verscheen de
koningin,
Met zeventien lakeien en een oude
hertogin,
Er kwamen ook soldaten en een forse
generaal,
Die commandeerde dadelijk: "Hup, trekken
allemaal".
Ze trokken wat ze konden, ze werden paars en
rood,
Totdat de koning jammerde,: "Houd op toch,
auw mijn poot..."
Zo zat de arme koning, boos op de
badkuiprand,
De hele lange nacht door en 's morgens
schreef de krant,
"Wie helpt de arme koning wie helpt de arme
man,
Hij zit vast in zijn badkuip, hebt u
misschien een plan?"
Wie las die vette koppen, Hein in zijn
smederij,
Hij zei: "Zeg vrouwtje hoor eens, dat is net
iets voor mij.
Geef gauw mijn tas met spullen, mijn tangen
en mijn boor,
Let jij goed op de winkel, ik ga er vlug
vandoor."
Hein zei tegen de lakeien: "Kom laat me er
even bij,
Dat varkentje wassen is een peuleschil voor
mij."
Hij zaagde en hij vijlde, hij gaf een vlugge
ruk,
Het ijzer piepte even en het roostertje was
stuk.
Een lakei begon te juichen, de koning riep:
"Hoezee,
Daar heb je mijn grote teen weer" en hij
danste vrolijk mee.
De koning zei: "Johanna, kind wat een nacht
was dat,
Nooit in mijn hele leven, ga ik nog in het
bad...."
Terug
naar overzicht |
|
Toosje smulde in een
hoekje
(met
dank aan
Cécile van Dongen voor het sturen van de tekst) |
|
Toosje
smulde in een hoekje
Van een
lekker krentekoekje.
“Geef mij
ook een stukje dan”
Zei haar
kleine broertje Jan.
“Nee, nee,
nee!” zei onze Toos
En ze keek
zo boos, zo boos.
Toen hield
zij haar koekje vlug
Weg voor
Jantje op haar rug.
Maar bij
Toosje in het hoekje
Zat een
hondje dat keek naar ’t koekje.
Koekjes
lustte hij zo graag
En ’t kwam
zo laag, zo laag…
“Hap ! “
zei Bello en meteen
Liep hij
met het koekje heen.
O, dat was
een naar geval,
Nu had
Toosje niemendal.
Terug
naar overzicht |
|
Trararetje, trararetje
(S.
Abramsz) |
|
Trararetje, trararetje,
Een koetje en een paretje,
Een osje en een stiertje,
Een varken en een miertje -
Tiereliereliertje.
Terug
naar overzicht |
|
Treintje spelen
(met
dank aan Mary Moret voor het sturen van de
tekst) |
|
Jan en Saar
en kleine Jet
Hebben
stoelen klaar gezet.
Wel vier
stoelen op een rij,
En
dan nog de stoof er bij.
,,Ik ben
machinist," zegt Jan,
,,Ik zit
helemaal vooran."
Saar zit in
de tweede wagen,
Zij moet
straks de kaartjes vragen.
Op de derde
stoel zit poes,
Op
de vierde popje Loes,
En heel
achter in de trein
Rijdt de
oude harlekijn.
,,Tu-tu-tuu
!" blaast broertje Jan.
,,Instappen, zo vlug je kan !"
,,Is daar
achter alles klaar ?"
Vraagt het
conducteurtje Saar.
,,Nee,"
roept Jetje, ,,wacht nog even,
Ik moet
eerst nog kaartjes geven !
'k Ben de
chef, ik blijf hier staan,
Als ik
zwaai, dan moet je gaan."
Puffend
wacht de trein nog even
Tot de
kaartjes zijn gegeven.
,,Toe dan
maar !" roept kleine Jet,
Zwaaiend
met haar rode pet.
O, wat
rijdt die trein toch vlug !
Popje Loes
rolt op haar rug.
En de oude
harlekijn
Valt van
schrik haast uit de trein.
Maar poes
laat zich, onder 't rijden,
Heel stil
van de stoel af glijden.
In haar
mandje wil ze zijn,
Dat
is beter dan de trein,
Poesje
knijpt haar ogen dicht,
En
ze zet een slim gezicht.
,,Straks
zijn jullie lekker moe,
Moet
je ook naar 't mandje toe !"
Terug
naar overzicht |
|
Twee haasjes
(met
dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de
tekst) |
|
(klik op het plaatje om te
vergroten)

Twee haasjes gingen niet naar school
...
Ze maakten saam een
wagen
En reden van de heuvel
af,
Tot schrik van die het
zagen.
Ze reden haast een vrouw
omver,
Die sprong nog net
opzij.
Het was hun moeder
lievehelp,
Nu waren ze erbij !
Terug
naar overzicht |
|
Twee heldere
oogjes |
|
Twee heldere oogjes Een hartje van goud Een zuiver
geweten Zorg dat je dat houdt Wees lief en wees aardig Dat
maakt je bemind Want iedereen houdt Van een vriendelijk
kind.
Terug
naar overzicht |
|
Twee kindertjes bij mekaar
(S. Abramsz) |
|
Twee kindertjes bij mekaar,
Een zusje en een broertje,
'k Wou maar dat ik er meer van had,
Van al dat kleine goedje.
Terug
naar overzicht |
|
Twee kleine meisjes
(Agnes Melger)
(met
dank aan Cécile van Dongen voor het sturen van de tekst) |
|
Twee kleine
meisjes
Allebei
even groot,
De een haar
jurk is blauw
De ander
roze-rood.
Twee kleine
meisjes
Met op hun
hoofd een hoed
En daarop
weer een strikje
Dat staat
ze reuze goed.
Twee
dezelfde meisjes
Familie van
elkaar
En ook nog
twee vriendinnetjes
Vind jij
dat ook zo raar ?
Ik zal het
je vertellen
Er zijn er
zo wel zat !
Ze zijn
tegelijk geboren
Een
tweeling noem je dat !
Terug
naar overzicht |
|
Twee kleine
slakjes |
|
Twee kleine slakjes,
Hielden van elkaar.
Ze gingen samen trouwen,
Toen werden ze een paar.
Ze hebben toen hun huisjes,
Op elkaar gezet.
Nu wonen ze gezellig,
Samen in een flat !
Terug
naar overzicht |
|
Twee slakken |
|
Twee slakken waren al sinds jaren,
Op weg van Groningen naar Haren.
Tenslotte kwam geheel ontdaan,
De oudste bij het eindpunt aan.
Hij slikte en sprak diep bewogen:
'Mijn broer is uit de bocht
gevlogen."
Terug
naar overzicht |
|
Twee zusjes
(met dank aan Miep Muyres voor het sturen van de tekst) |
|
Er waren
eens twee zusjes,
Ze heten
Lijs en Klaar.
En zaten
steeds als musjes
Elkander in
het haar.
Wat zal ik
nu eens gaan beginnen dacht Lijs,
Wat zal ik
nu eens verzinnen dacht Klaar.
En Klaartje
ging naar boven,
En wreef
haar wangen gauw,
Met
zwartsel uit de oven
En kleedde
zich in rouw.
Maar Lijsje
bleef niet zitten,
Die trok
wit nachtgoed aan
En ging
haar wangen witten
Met meel
dat zij zag staan.
Toen gingen
zij heel zoetjes,
Elk meende
zich alleen
Als op
fluwelen voetjes
Door de
achterkamer heen,
Daar gaan
twee deuren open,
Men hoort
een dubbele kreet
En beide
spoken lopen,
Zij lopen
zich in 't zweet.
Waarvan al
die angst op het harte
Weet gij
hoe of dat zit,
Het witte
spook zag het zwarte
En het
zwarte zag het wit.
Terug
naar overzicht |
| |
|