SeniorPlaza

Paardje beslaan

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Paardje beslaan,

Wie heeft dat gedaan

Jan de smid die kan het zo net,

Die heeft er de ijzertjes onder gezet,

Van je een, twee, drie.

 

Terug naar overzicht

Paardje, paardje, rij naar stee (S. Abramsz)

Paardje, paardje, rij naar stee,

 Breng voor 't kindje koekjes mee,

 Koekjes met vier hoekjes.

 Aan alle kanten even smal,

 Raad eens, wie ze hebben zal ?

 't Kindje krijgt de koekjes al,

 Als ze stout is, niemendal.

 

Terug naar overzicht

Paardje spelen

(Jacob vab Lennep  1802-1868)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Voort mijn bruin !
Voort mijn bruin !
In de stap !
Rij nu knap,
- 't Is geen grap -
Door de tuin.
Stil wat, paard !
Wees bedaard,
Of 't bekomt u slecht.

Voort mijn beest !
Voort mijn beest !
Op een draf
't Bergje af !
't Hondgeblaf
Niet gevreesd.
't Spreekwoord zegt
Wel te recht:
Blaffers bijten niet.

Voort mijn paard !
Voort mijn paard !
In galop !
Hou de kop
Meer recht op,
Naar de aard.
Deze laan
In gegaan.
Neen, nog niet naar huis.

Voort mijn knol !
Voort mijn knol !
Nog een rit.
Laat uw bit
Als het zit.
Niet zo dol,
Of gij zult
Door uw schuld,
Krijgen met de zweep.

Nu naar stal !
Nu naar stal !
Gij vindt daar
't Voeder klaar.
Ja voorwaar,
't Wacht u al.
Eet met lust,
Neem uw rust,
Rust is arbeids loon.

 

Terug naar overzicht

Palm-palm-Paschen

(S. Abramsz)

Palm-palm-Paschen,

Hei koerei !

Over éénen Zondag

Hebben wij een ei.

Eén ei is geen ei,

Twee ei is een half ei,

Drie ei is een Paaschei.

 

Terug naar overzicht

Pas op hoor!

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Kareltje Kladder, staat op de ladder
Kareltje klautert omhoog en omlaag
Zonder te bibberen, zonder te glibberen
Klautert hij morgen en vandaag
Kareltje Kladder, staat op de ladder
Hij lapt de ramen bij bakker de Groot
Als hij gaat glijden
Boem op de keien
Dan is Kareltje Kladder dood
Pas op hoor!!

 

Terug naar overzicht

Patres conscripti

(met dank aan M.D.Ph. van der Werf voor het sturen van de tekst)

Patres conscripti,

Die voeren per botum naar Philippi.

Sed storma surrexit,

Qui botum zinkere fecit.

Et omnes verzuipuerunt,
Qui zwemmere non potuerunt,

Exceptum Janum Pruik

Want die bleef drijven op zijn buik!

 

Terug naar overzicht

Pauleke

(met dank aan Nijs Bastijns voor het sturen van de tekst)

Moeke ‘k heb mijn broek gescheurd

Doet mij spijt maar ’t is gebeurd

 

Kleine kleuter waar ge ’t haalt

Kom rap hier één draad één naald

 

Pauleke bukt zich en met spoed

Dat moe de scheur toe doet

 

Steken hier steken daar

Eén minuut en Paul is klaar

 

Na het spel is Pauleke moe

En zijn oogkens vallen toe

 

Pauleke zegt eerst zijn gebed

En dan één, twee, drie naar bed

 

Maar oh heer zie wat is gebeurd

Pauleke had zijn broek gescheurd

 

Nu schiet hij ze uit en kijk verdraaid

Broekske is aan ’t hemd genaaid

 

Terug naar overzicht

Pepijn de kat

(met dank aan Diana Aarts voor het sturen van de tekst)

Wat is dat ? Pepijn de kat

Hij gaat uit eten in de stad.

Net als alle echte heren

Gaat hij buitenshuis dineren.

Heeft Pepijn de kat dan geld ?

Heb ik dat dan nog niet verteld ?

Sssst ! Hij heeft het geld geleend

Van een Monnikendamse eend.

 

Kijk, hij gaat een eethuis binnen,

Iedereen zit al te spinnen.

Katten -corner heet het huis.

Daar eet men gestoofde muis,

En die dikke damespoezen

Eten enkel slagroomsoezen.

 

Tja, zegt dan de oberkat,

Neemt u eens een sneetje rat !

En vervolgens een kabeljauw

Met saus à la miauw.

Het dessert bestelt u later

Goed, zegt dan Pepijn de kater.

Ach, wat eet Pepijn een boel.

Hijgend zit hij op de stoel.

 

Maar wie daar toen binnenkwam….

’t Was de eend uit Monnikendam !

Kijk eens aan, gilt deze eend,

Al dat geld van mij geleend,

En maar schransen van mijn centen !

‘k Wil mijn geld terug ! .. met rente!

Maar dan klimt de kat Pepijn

Hoetsjepoetsj in het gordijn.

 

En de eend denkt treurig: ja,

Hem kan ik niet achterna.

Daarom gaat hij met de tram

Weer terug naar Monnikendam.

 

Nu, dit is dan het besluit:

Leen nooit geld aan katten uit !

 

Terug naar overzicht

Petroleentje ga je mee

Petroleentje ga je mee,

Over land en over zee.

Dan zal ik je 't plekje tonen,

Waar de vreemde dieren wonen.

Pijpje Drop je bent me er eentje,

Zei verwonderd Petroleentje.

Als ik met jou mee mag gaan,

Trek ik mijn mooiste jurkje aan.

 

Terug naar overzicht

Piet wou op de zolder slapen

(met dank aan André Geudens voor het sturen van de tekst)

Piet wou op de zolder slapen

Op zijn kamer was 't zo heet

Dat hij van de hitte en het zweet

Heel de avond lag te gapen.

Goed, zei moeder doe het maar.

Oh, wat vond de jongen daar,

Zijn bedje zei: kriep,

De muisjes zeiden : sliep,

Trip trap, trip trap, het ratje

Miauw, miauw, het katje

Twee ogen staan te flonkeren,

Te midden in de donkere,

De boeman komt naar 't bedje toe

En roept heel zachtjes:

Kiekeboe, van simsam solder,

Wie slaapt hier op de     ZOLDER.

 

Terug naar overzicht

Pieter en zijn neefje Klaas

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Pieter en zijn neefje Klaas liepen laatst door het veld te dwalen,
Klaas was blufferig deed zijn neef, wonderbaarlijke verhalen,
Van een reisje onlangs gedaan,

Pieter liet hem stil begaan.

Maar ineens riep deze uit: Zie je daar dat veld met kolen?
Wat een bommers! welverbaasd, Die vooral daar bij die molen!
't Is wat, lachte Klaas, waar jij zo versteld van staat, zag 'k met vader
laatst op reis. ik weet niet in hoeverre streken, in een tuin een reuzekool !
Wel zo groot als gindse school

't Is best mogelijk, zei nu Piet, er zijn wonderlijke zaken,
Zo zag ik in Amsterdam eens een ijzeren ketel maken, wel zo groot als gindse kerk!
Dat wat pas een reuzewerk!
Ach wat, riep Klaas verwonderd uit, dat is kwalijk te geloven.
Waarom was die ketel dan om jouw reuzekool te stoven!
Heb je daar nooit van gehoord?
Klaas kleurde, maar sprak geen woord.

 

Terug naar overzicht

Pietje

(met dank aan Marieke vd Feijst voor het sturen van de tekst)

Pietje was een hele Piet,

Maar alleen met 't mondje.

Want als hij een haasje ziet,

Of een heel klein hondje,

Wat doet dapper Pietje zeg,

Dan loopt dapper Pietje weg.

 

Terug naar overzicht

Pietje stond eens met zijn makker

Pietje stond eens met zijn makker,
Bij den landman op den akker.
Toen die daar met gulle hand,
Boontjes zaaide op het vette land.

Pietje sprak: "Wat domme man,
Zeker weet hij nergens van.
Want had hij enig overleg,
Dan gooide hij geen boontjes weg."

Landman sprak nog onder 't zaaien:
"Kind na 't zaaien komt het maaien.
Ieder boontje op dit land,
Geeft er zeker naderhand,
40, 50 of nog meer
In den blijde oogsttijd weer."

Pietje sloeg zijn oogjes neder
En het ventje zal nooit weder,
Bij het werk van ouderliên,
Zo bedillend nederzien.

 

Terug naar overzicht

Piggelmee

In het land der blonde duinen en niet heel ver van de zee,
Woonde eens een dwergenpaartje en dat heette Piggelmee.
Het waren heel, heel kleine mensjes en ze woonden vrees'lijk lot,
Want ze hadden heel geen huisje in een oude Keulse pot.

Op een mooie zomermorgen lazen ze in de dwergenkrant,
Dat er was, een Tovervisje komen zwemmen naar het strand.
Het visje dat met staart en vinnen vlug zich door de golven sloeg,
Kon je alles, alles geven, als je het hem maar need'rig vroeg.

"Ja ik! Ja ik!" riep het ventje en hij trilde van genot;
Visje, ach geef mij een huisje, ik woon maar in een stenen pot.
Altijd wonen in de duinen, nooit de wijde wereld zien.
Het Piggel-vrouwtje wil op reis gaan en neef Piggelmanus zien.

Van de mosselfee kreeg hij een schelpje, dat verandert in een schip,
Als je het gewoon omhoog werpt en je roept dan: "Eun Deun Dip!"
Kijk, aan stuurboord zwemt een zouteharingkleuterschool,
Op een fijn vakantiereisje van IJmuiden naar de pool.

Voor het schip verscheen een walrus met een witte zeilpet op.
"Voorrang geven aan scholieren !" riep hij met een basstem, stop !
Canada? Dat is niet ver meer, en u vindt het met gemak !
Eerst rechtuit en dan rechts afslaan bij een diep gezonken wrak !

En zo was het, want even verder zagen ze toen recht vooruit,
Hoe een zaagvis plankjes zaagde uit een oude vissersschuit.
"Piggelmanus?" zei de vleermuis, die heb ik op de maan gezien,
Maar je kunt hem niet bereiken, of heb je soms een vliegmachien?

En zo na vele weken reizen, hadden zij het wel gezien.
Zij verlangden naar hun huisje, of de Keulse pot misschien?
Het vrouwtje lachte en verklaarde: "Ik heb me werkelijk best vermaakt,
Maar ik vind nog heus'lijk altijd, dat thuis de koffie het beste smaakt !"

 

Terug naar overzicht

Piggelmee en het tovervisje

(Bewerkt door HANG. Hoekstra, uit gegeven door de Erven de Wed. J. van Nelle n.v. Rotterdam)

(met dank aan Inge voor de tekst)

Midden in een duinpan niet ver van de zee, woonde de dwerg Piggelmee en zijn vrouw. Jullie denken misschien dat ze in een huisje woonden, maar nee! Daarvoor waren ze te arm. Ze woonden in een omgekeerde bloempot. Piggelmee had er een gat ingeslagen en dat was de ingang.." Zo begint het wondermooie verhaal van Piggelmee en het tovervisje. Ga maar gauw luisteren en zing gerust mee. Dit zijn de teksten van de liedjes:

Piggelmee, het is in orde

't geven kost me niemendal

Ga maar gauw weer naar je vrouwtje

want het huisje staat er al.

 

Piggelmee het is in orde

't geven kost me niemendal

Ga maar gauw weer naar je vrouwtje

want die meubels staan er al.

 

Piggelmee het is in orde

't geven kost me niemendal

ga maar gauw naar weer naar je vrouwtje

want dat geld dat is er al.

 

Piggelmee nu goed geluisterd

anders, anders gaat het mis

want de koffie van Van Nelle

is de beste die er is.

 

Overal is ze te krijgen

voor een ieder, groot en klein

maar op een ding moet je letten

't moet beslist Van Nelle zijn.

 

En zo zat het dwergenpaartje

na die dag nog menig jaar

steeds Van Nelle koffie drinkend

heel gelukkig naast elkaar.

 

Terug naar overzicht

Pinguïns

(met dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)

(Klik op het plaatje om te vergroten)

Pinguins.jpg (26649 bytes)

Ik zag laatst, is 't niet een wonder,

Pinguïns met schaatsjes onder !

In hun zwart met witte kleertjes

Leken zij voorname heertjes.

Twee ervan, denk niet dat 'k jok,

Reden deftig aan een stok.

En ze zwierden o, zo wijs

En bedachtzaam over 't ijs.

 

Terug naar overzicht

Poes kom hier

(met dank aan Els Toet voor het sturen van de tekst)

Poes kom hier en vlug een beetje,

want ik ben héél boos op jouw !

Jij bent erg ondeugend weet je,

kom jij ja dan maar eens gauw !

Stoute poesje durft nog knorren,

zie eens wat jij hebt gedaan !

Spijt me wel, maar ik moet wel morren

zie dat nu nou toch 's aan !

Toen jij ginder langs de slootjes

in de modder had geplast,

ben je met je vuile pootjes

op mijn schrift gaan staan, 't is vast ! 

Stouterd, ik wil het je nog vergeven,

maar alleen voor deze keer.

Kom poes speel met zus dan even,

maar doe zoiets nimmer meer !

 

Terug naar overzicht

Poesje

(met dank aan Joep Klijnsma voor het sturen van de tekst)

Er zat op een latje

Een hagelwit katje.

In een woord een snoesje

Een allerliefst poesje.

Hij lag daar te slapen

En begon toen te gapen,

Hij viel in de teerton,

Waar hij niet meer uit kon.

En toen was ons katje

Een neger in 't vatje.

 

Terug naar overzicht

Poesje Noor

Wat zeg je wel van poesje Noor?
Die ging er met de wol vandoor.
De wol zat op een bolletje,
De poes liep op een holletje.

En toen de poes was uitgehold,
Was heel het kluwentje afgerold.
"Foei, poesje Noor", zei tante Sjaan
"Wat heb je met mijn wol gedaan?

Het is een heel verwarde boel
Tot onder oma's stoel.
Ik weet me met die lange draad
Stout poesje Noor, totaal geen raad."

En met haar knieën op de grond,
Kroop tante Sjaan de kamer rond.
Het duurde wel een uur of wat,
Voordat ze weer een kluwentje had.

Toen ging ze zitten op de bank,
Ze nam twee pennen van een plank
En breide vlug een pannenlap.
En poesje Noor dacht: "Dat is knap."

Toen likte ze haar velletje.
Dat was een enig spelletje.

 

Terug naar overzicht

Popje

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor de tekst)

Popje ik stop je

Maar gauw in je bedje.

Jij moet gaan slapen

Niet langer gapen.

Jij bent zo moe

Van al het stoeien

Ook bij jouw moesje

Gaan de oogjes haast toe.

Welterusten wij beidjes zijn moe.

 

Terug naar overzicht

Professor Uil

(met dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)

(klik op het plaatje om te vergroten)

ProfessorUil.jpg (28541 bytes)

Professor Uil is heel geleerd,

Dat weet tocht iedereen !

Maar zo verstrooid ! Hij zocht laatst naar

'n Papier, dat plots verdween.

Hij rende zoekend door de stad,

O heden, wat een klucht was dat !

Want, weet je waar het was ?

Hij droeg het in zijn tas !

 

Terug naar overzicht

Raadseltje

(met dank aan Mary Moret voor het sturen van de tekst)

Hij heeft een glad, groen rokje aan,

Heeft lange achterpoten.

Op 't land wil hij niet zo graag gaan,

Maar hij leeft in de sloten.

 

Zijn stemmetje is niet zo mooi,

Hij kan geen liedje fluiten.

Hij zegt kwak-kwak en kwek-kwek-kwek,

Zo 's zomersavonds buiten.

 

Hij houdt van modder en van kroos,

En duikt graag in een poeltje.

Zo'n prachtig drijvend lelieblad,

Gebruikt hij als een stoeltje.

 

Kan jij wel raden hoe hij heet,

Dat kleine, groene dikkerdje ?

Ik denk, dat je het nu wel weet,

Het is..., het is..., een......!

 

Terug naar overzicht

Regen, regen kom je weer

Regen, regen kom je weer,

Straal je weer met stromen neer,

Doe je weer de goten zwellen,

Tover je weer regenbellen,

 Kletter je weer op de straten,

Kun je dat nu heus niet laten ?

Denk je dat we alle dagen,

Steeds maar weer om regen vragen.

Regen, regen hoor eens aan,

Stuur de zon en jij kunt gaan.

 

Terug naar overzicht

't Regent zeer

(S. Abramsz)

't Regent zeer,

't Regent zeer,

't Water loopt bij de pannen neer !

 

Terug naar overzicht

Reuzen dochter (ca. 1934)

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Eens ging een reuzen dochter,

Uit wandelen voor de grap,

De berg af en het dal in,

Dat koste maar een stap.

Daar vond zij op de akker

Och gunst wat was ze blij,

Een ploeg met een paar ossen,

En nog een boer erbij.

Dat nam ze in haar schortje,

Voor de aardigheid  kwansuis,

De boer de ploeg en ossen

En liep er mee naar huis.

 

Wat heb je daar mijn Jetje,

Vroeg lachend vader reus,

Zie pa, wat heerlijk speelgoed,

Ik heb het gevonden , heus !

Doch pa gromde als een onweer,

Wel, ben je stapel Jet,

Gauw gauw dat boeltje ginder,

Weer op zijn plaats gezet.

Bedenk meid als dat volkje,

Niet ploegt, niet zaait en spaat,

Dan vallen immers spoedig,

De reuzen van de graat.

 

Terug naar overzicht

 

Rijen, rijen op een paardje

Rijen, rijen op een paardje,
Met vier poten en een staartje,
Met twee oren op zijn kop,
Rijen, rijen hop - hop - hop.

Rijen, rijen op een paardje,
Rijen, rijen met een vaartje.
Rijen, rijen - waar naar toe ?
't Allereerst naar Grotemoe.

Rijen, rijen op een paardje,
Grootmoe heeft nog wel een taartje.
Paardje, paardje rij wat aan.
Laat ons gauw naar opoe gaan.

Terug naar overzicht

Roodkapje

(met dank aan Toni Matheij voor het sturen van de tekst)

“Kom Roodkapje," zei haar moe,

"Breng dit vlug naar grootmoe toe;

Wafels zijn ’t  en eiers. kind

‘k Hoop dat zij ze lekker vindt"

 

"Luister nu eens liefje, zeg,

Pluk geen bloemen onder weg,

Dwaal niet af in ’t donk're woud,

Want dat ’s waarlijk niet vertrouwd."

 

In het Bosch ziet z’ onder ’t gaan

Zulke mooie bloemen staan

Dat ze toch aan ’t plukken gaat,

En niet denkt aan moeders raad.

 

Eensklaps komt een wolf in draf

Achter haar de hoogte af:

“Aardig meisje zoo alleen?”

Vraagt de stouterd, “zeg, waarheen?”

 

“ ‘k Ga naar grootmoe, zij is krank,

‘k Breng haar wafels, eiers, drank,

Ginder woont ze, een kwartier

Is het zeker nog van hier.”

 

Gauw gaat nu de leperd heen,

Grootje, vindt hij heel alleen,

Ziek te bed, en hij (hoe naar)

Eet haar op met huid en haar.

 

Vlug haar nachtmuts opgezet.

En nu gauw in grootjes bed.

Klop, klop, klop, daar is Roodkapje,

Dat is eerst een lekker hapje.

 

“Kom maar binnen, kleine guit

Grootmoe mag het bed niet uit."

’t Meisje doet de voordeur open

En komt in de kamer loopen;

Maar hoe schrikt het arme kind,

Nu ze zóó haar grootje vindt.

 

Roodkapje: “Wel, wat hebt u groote ooren !”

Wolf: “Kind, daar kan ik best mee hooren.”

Roodkapje: “En wat neus !”

Wolf:  “Om mee te ruiken.

Kan ik dien heel best gebruiken.”

Roodkapje: “Maar uw mond, wel sapperloot !

Neen, dien vond ik nooit zoo groot.”

 

Wolf: “ ‘k Heb dien mond om mee te eten

Ben je dat misschien vergeten ?”

 

Wip ! Daar komt hij, en verslindt

In een oogwenk ’t arme kind.

 

Terug naar overzicht

Saar loopt in de regen

(G Gilhuis- Smitskamp)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Het regent, het regent,

het regent al zo lang.

Maar ik ben voor de regen

toch helemaal niet bang.

 

Het klettert, het klettert,

het klettert tegen ’t glas.

Maar ik heb droge voeten en

een lange zeilen jas.

 

Het spettert, het spettert,

het spettert op de straat.

Maar met mijn hoge laarzen aan,

lijk ik wel een soldaat.

 

Het suizelt, het suizelt,

het suizelt op het dak.

Maar ik heb warme handen,

ik steek ze in mijn zak.

 

,, Kom binnen, kom binnen !

Kom binnen !” roept mijn moes.

,,Je hebt niet eens een muts op, Saar !

Je krullen zitten vrees’lijk raar.

Je lijkt precies, het is heus waar,

Op een klètsnatte poes !!”

 

Terug naar overzicht

Schaatsen

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Schaatsen bij maneschijn over het gladde vlietje

Jongens zingen met een vrolijk hart, een lustig liedje

Zie de sterren helder en rein, vriendelijk het belonken

Hagelblank staat boom en struik in het veld te pronken

 

Terug naar overzicht

Schaatsen rijden

(met dank aan Selma Janssen voor het sturen van de tekst)

Het heeft vannacht weer flink gevroren,

Alle sloten liggen dicht.

“Heerlijk joh”, roept Pietjes vriendje,

Met een stralend en blij gezicht.

“Als ik straks thuiskom, ga ik met m’m vader

Schaatsen kopen in de stad.”

“Dan kan ik fijn vanmiddag rijden,

Zeg eens Piet, hoe vind je dat ?"

“Als jij rijden gaat”, zegt Pietje,

”Ga ik zeker met je mee,”

“Ik neem dan stiekem vaders schaatsen,

Anders zegt hij zeker nee.”

's Middags op het ijs, bindt Pietje stevig

Vader's schaatsen aan.

Kijk daar zwaait hij, kijk daar draait hij,

Pats, daar ligt hij op de baan.

Alle jongens staan te lachen,

Wat een mal gezicht was dat.

Piet zegt: ”Heus ik kan wel rijden,

Maar het ijs is veel te glad."

 

Terug naar overzicht

Schapenwolkjes

(S. Franke)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Op een mooie dag in Mei

Ging de schapenherder

Met zijn kudde op de hei

Al maar, al maar verder.

 

Maar de hei was o, zo wijd;

Schepertje ging dwalen,

Doolde hij maar al den tijd

Tot de zon ging dalen.

 

Aan het einden, bij de lucht

Konden ze niet verder,

Zijn ze maar omhoog gevlucht

De kudde en de herder.

 

En nu dwalen ze maar rond

Aan den blauwen hemel,

Herder, schaapjes en de hond

In een blauw gewemel.

 

Terug naar overzicht

Schoenlappertje zou uit lappen gaan

(S. Abramsz)

Schoenlappertje zou uit lappen gaan,

's Avonds al in de lichte maan.

Zóó stak hij er zijn naaldetje,

Zóó trok hij er zijn dradetje,

Zóó sloeg hij er de pen, de pen,

Denk je, dat ik niet lappen ken ?

 

Terug naar overzicht

Schoolziek

(A. Put)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

,,Moeder,” riep Jantje, ,,o wee, ik ben ziek,

,, Mijn hoofd en mijn borst doen mij zeer;

,,Ik durf zo haast niet naar school toe te gaan,

,,O, Moeder ! daar is het al weer.”

 

,,Nu, blijf dan maar thuis, mijn jongetje –lief !”

Sprak Moeder, en Jantje was blij;

Nu hoefde hij niet te leren op school

En was de gehele dag vrij.

 

Een half uurtje later en – weg was de pijn;

Ons ventje sprong vlug uit zijn bed,

Zocht knikkers en tol en, - was hij alleen

Hij had toch verbazend veel pret.

 

Doch daar kwam Vader en zei: ,,wel, mijn Jan !"

,,Wat zie je erg zieklijk en bleek;"

,, Toe, gauw weer in bed, niet eten vandaag,"

,,Want dan raak je heel’maal van streek.”

 

De and’re morgen stond  Jantje vroeg op

En kleedde heel haastig zich aan;

,,’k Ben helemaal beter, Vadertje-lief !"

,,En kan nu naar school wel weer gaan.”

 

Terug naar overzicht

Schommelspel: een ekster

(met dank aan Anny Neuijen voor het sturen van de tekst: "Mijn moeder zong dit versje al in haar jeugd (± 1925) bij een soort schommelspel")

Er zat een ekster in de boom

Die ekster liep van hare stroom

Haar en haar

Wies en waar

Wies en wies

Stoel en ties

Stoel en stoel

Water en poel

Water en water

Muis en kater

Muis en muis

Storm in huis

Storm en storm

Wind van dorm

Wind van wind

Kalverskind

Kalf en kalf

rots van  dalf

rots en rots

Steek je neus in de moespot

Geef de boer ‘n harde stoot dat hij van de trap af kloot

Van de trap af in de sloot

Morgen is de boer al dood

Maar ik weet het nog zeker

Van je een twee drie

Der uit zei jan de mie

Der uit zei jan de koekenpan

Van je een twee drie

 

Terug naar overzicht

Schuitje

(met dank aan Mieke Pieterman voor het sturen van de tekst)

Kleine Kootje, vouwt een aardig bootje, van een stuk papier.

En hij knipt een ventje, uit een heel mooi prentje, o, wat een plezier.

 

Maar de toren, laat z’n stem weer horen, om naar school te gaan.

Vlug zet hij het neder, pakt zijn boeken weder, trekt z’n laarsjes aan.

 

Dag Pa, dag Moe, ik ga naar school toe.

Mag mijn schuitje hier wel blijven staan.

 

 

Terug naar overzicht

Schuitje varen over zee

(S. Abramsz)

Schuitje varen over de zee !

Schippertje, neem je mijn kindje ook mee ?

Nee, schippertje, nee,

Je krijgt ons klein kindje niet mee !

 

Schuitje varen over de zee !

Schippertje, neem je papaatje ook mee ?

Nee, schippertje, nee,

Je krijgt ons papaatje niet mee !

 

Schuitje varen over de zee !

Schippertje, neem je mamaatje ook mee?

Nee, schippertje, nee,

Je krijgt ons mamaatje niet mee !

 

Terug naar overzicht

Schutter schoot met scherp

(met dank aan Frank Wittebrood voor het sturen van de tekst)

Schutter schoot met scherp en schroot

het schaap van schipper Schaapman dood !

 

Schaam, Schutter, schaam, schiet geen schapen

waar schrandere scheerders wol van schrapen !

 

Terug naar overzicht

September

Ik ging vandaag naar buiten,
Naar buiten zonder jas.
De zon zei door de ruiten,
Dat het nog zomer was.
Buiten was het veel te koud,
Veel te koud voor mij.
Malle zon, je had het fout !
De zomer is voorbij.

 

Terug naar overzicht

Sietse slak

(met dank aan Marieke vd Feijst voor het sturen van de tekst)

Sietse Slak is altijd thuis,

Want op zijn rug daar staat zijn huis.

Soms doet hem dat veel verdriet,

Leuk uit logeren kan hij niet.

Daarbij is hij ook nog traag,

Wordt zijn leven nu een plaag ?

Nee......als hij hierom moet huilen,

Kan hij bij zichzelf schuilen.

 

Terug naar overzicht

Slaapliedje

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

     Alles is stil en de wereld gaat rusten.

     Glimlachend kijkt door het venster

     de maan.

     Goedig, alsof hij de kinderen suste:

     Sluit nu je ogen,dan zal het wel gaan.

     Slaap nu,

     dan droom je van wondere dingen,

     Slaap nu,

     misschien zal de torenklok zingen.

     Liedjes zo mooi en zo twinkelend fijn,

     Die slechts in dromen te horen zijn.

 

Terug naar overzicht

Slimme vos

(met dank aan Hennie Scheurs voor het sturen van de de tekst)

Een slimme vos liep in het bos.

Zijn maag was oo zo leeg.

Als ik een kip of slechts een snip,

Maar eens te pakken kreeg.

Daar ziet hij gaan een trotse haan

Met trotse fiere stap

Ha, dacht de vos, nu er op los !

Eerst slim zijn en dan……….HAP.

 

Terug naar overzicht

Slordig Toosje

(met dank aan Rianne Gielen voor het sturen van de de tekst)

Zijn je handen fris gewassen ?

Hangt daar niet een veter los ?

Bah, wat zit je haar weer slordig !

Foei, foei, wat een warrebos !

Iedere dag hetzelfde liedje,

Maar helaas het hielp maar niet.

Toosje bleef een slordig meisje.

Dat deed moeder groot verdriet.

 

Alternatief eerste strofe

(met dank aan Maaike Kamps)

Toosje, ben je wel gewassen ?

Laat eens gauw je handen zien

Is je hals wel fris en helder,

Of vergat je die misschien ?

Zijn je laarsjes goed geregen,

Of hangt daar een veter los?

En wat zit je haar weer slordig !

Foei, foei, wat een warrebos !

 

vervolg

 

Eens op school was ’t breien leren,

Da’s een moeilijk werkje, hoor !

"Nu goed kijken", zei de juffrouw

"Eerst doe ik het nog wat voor."

Daarna kregen alle meisjes

Naalden en een bol katoen

En toen mochten ze proberen

Of ze ’t ook alleen konden doen.

 

Toos kon ’t ook niet en ze riep al:

"Helpt u alstublieft, juffrouw !"

‘’ 'k Zou je danken", zei de juffrouw,

"Ik ben veel te vies van jou !"

Kijk toch eens wat vuile handen!

En die nagels, zwart als roet!

Nee hoor, ik kan je zo niet helpen.

Was je thuis maar eerst eens goed!

 

Toosje kreeg een kleur van schaamte,

Ieder meisje keek haar aan.

Thuisgekomen liep ze dadelijk

Op een drafje naar de kraan.

 

Frisgewassen en gepoedeld

Liep ze toen naar moeder toe.

"Kijk, nu ben je een ander meisje.

Ik ken je haast niet meer", zei moe.

 

’s Middags vroeg Toos aan de juffrouw:

"Juffrouw bent u nu nog boos ?"

"Nee hoor", zei de juffrouw,

" ‘k Vind je nu een lieve Toos."

 

Toosje bleef een keurig meisje,

Altijd netjes, altijd rein.

En haar moeder en de juffrouw

Hoefden nooit meer vies te zijn.

 

Terug naar overzicht

Sneeuw

(met dank aan Andrea van Eck voor het sturen van de de tekst)

Wat dwarrelt daar? Is 't witte wol ?
Zie maar, de hele tuin ligt vol
En zelfs het dak is vol belaân
En altijd houdt het sneeuwen aan.
 
En hij, die zich op straat maar waagt,
Een hele voorraad met zich draagt.
Zijn jas is wit en wit zijn hoed,
Zo stapt hij voort, met dubbele spoed.
 
En in de lucht, het lijkt wel nacht,
Daar zit nog mééénig wagenvracht.

 

Terug naar overzicht

Sneeuwkatje

(met dank aan Jac Wilmes voor het sturen van de de tekst)

Iew, auw, eeuw;

De kat liep in de sneeuw:

Toen ze weer naar binnen kwam:

Had ze witte sokjes an !

 

Terug naar overzicht

Sneeuwpret

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de de tekst)

Hoera het heeft gesneeuwd vannacht,

‘k Ga vlug een sneeuwpop maken;

Er ligt zo waar een dikke laag

Van suiker op de daken.

 

En in de tuin is ’t alles wit,

’t Is volop winterleven !

Maar kijk, daar komen musjes aan,

Hun wil ik eerst wat geven.

 

Zij vinden nu geen stukje brood,

Geen wormpjes om te eten,

En sneeuwpret hebben zij dus niet !

Zou ieder kind dat weten ?

 

Terug naar overzicht

Sophie

(met dank aan M.D.Ph. van der Werf voor het sturen van de tekst)

In den Haag daar woont Sophie:

Dat is de vrouw van Willem drie.

Willem drie gaf haar een zoen,

Daar kon zij heus echt niets aan doen!

 

Terug naar overzicht

Spijt

(met dank aan Jaap voor het sturen van de tekst)

Eerst gedaan

toen gedacht

heeft menigeen

verdriet gebracht

 

Terug naar overzicht

Sprokkel kind,de kleine dingen

Sprokkel kind de kleine dingen,
Van je leven trouw bijeen;
Bloemen, schelpen, bonte steentjes,
Sprokkel en vergeet er geen.
Loop het goede in je leven,
In je haast toch niet voorbij !
Kleine takjes geven warmte,
Kleine dingen maken blij !

 

Terug naar overzicht

Sterren

(met dank aan R. Bevers voor het sturen van de tekst)

Aan de hoge donkere hemel,

Zie ik sterren groot en klein.

Ik zou zo graag een heel klein poosje,

Boven bij hen willen zijn.

En dan zou ik aan ze vragen:

Kunt u hier van alles zien,

Alle bomen, alle huizen

Ook de kinderen misschien ?

En van al en al dat kijken,

Bent u zeker wel eens moe.

U kunt 's nachts toch niet gaan slapen

Vallen dan nooit u oogjes toe ?..

Wacht ik weet het als het dag is
En de zon is opgestaan,

Zie ik geen sterretjes meer schijnen,

Dan kunt u toch slapen gaan...

 

Terug naar overzicht

Sterretjes

(Michel van der Plas)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Toen God ons schiep en de zee en het land
Hield hij al de sterren in de palm van zijn hand
En ze gleden door zijn vingers als korreltjes zand
Maar een schoot er ver uit zijn baan
Toen ging Heer God door de hemel op jacht
Naar die ene ster op de wind van de nacht
En hij zwoer: hij zou eeuwig erop zijn bedacht
Dat die niet teloor zou gaan

 

Soms zie je de sterren, soms zie je er geen
Want dan komen de wolken en zijn we alleen
Maar wat geeft dat als God door de wolken heen
Maar blijft waken en zien waar wij zijn

 

Die ene ster die de mijne heet
Ik loop erop rond en ik slaap en ik eet
Maar soms ben ik bang dat God hem vergeet
Dat hij niet meer weet wat hij zwoer met zijn eed
Weten jullie dan soms waar wij zijn
Sterretjes, sterren
Wij zijn maar zo klein
We weten niet eens waar we zijn

 

Terug naar overzicht

Stoute Fidel

(met dank aan Rianne Gielen voor het sturen van de tekst)

Kom jij eens hier, ondeugend dier !

Kon jij daarstraks niet blijven staan

Toen ik een boodschap heb gedaan ?

En ben jij met die andere honden,

Die voor de deur te wachten stonden,

Maar stilletjes op de loop gegaan ?

 

Stoute Fidel, ik zal je dit vertellen:

Ik laat me door jou de wet niet stellen !

Vlug naar je mandje en gezwind !

Wat doet die poot hier op mijn mouw ?

O, ik zie het al. Hij heeft berouw,

En komt voor zijn ondeugend wezen

Vergeving vragen aan zijn vrouw !

 

Zet dan je pootje maar weer neer

En wees mijn hondje weer.

Maar gebeurt het voor de tweede keer,

Dan ben je nooit mijn vriendje meer !

 

Terug naar overzicht

Stuultjesklokke

(met dank aan B. ten Bosch voor het sturen van de tekst)

Het hiemke (krekel) in de schoorsteen

Zingt doar zien hoogste lied

De katte op de vuurplaat

Verget het spinnen niet

Bie ’t spinnewiel van grootje

Snort het rad ok dapper rond

En ’t kindje zit te kreien

Bie grootje op de grond

Opens bij ’t spinnewiel

Springt grootje van de stoel

De ketel an de hoalhoak

Verknooien weer de boel

Eerst zong zee een teuntje hoger

Toen wier gans wild zien lied

Maar grootje in heur iever

Zee heurde het roazen niet

Toen liep de ketel oaver

Toen broezen ’t nat in ’t vuur

De poes weg noar de zolder

De hond weg noar de schuur

Het kindje in heur armoed

Hangt grootje an de rok

’t hiempe is ook stille

Eén geet heur gang: de klok

Die olde stuultjesklokke

Hangt tegen ’t old beschot

Die arme zeemeerminne

Die hef de start kepot

Ok hef een vinnig schilder

’t model wel wat verknooid

De neuze is niet eschilderd

Maar is d’r neeregooid

Die olde stuultjesklokke

Vuult jong zich nog van hart

’t Is nog dat olde maaksel

Dat warkelijk eeuwen tart

Wel knaagt in rand en lieste

De holtwurm rustig deur

Soms klopt ie um zien wiefke

Dat is zo’n raar geheur

Dat miek in vrogger dagen

De mensen wel eens bang

Men dacht: de dood kump kloppen

’t Wachten duurt ’m lang

Die stuultjesklokke spelden

Met tikken en met sloan

Minuten, uren, dagen

Oe joaren bint vergoan

Wat hef die stuultjesklokke

Een geslachten hen zien goan

Al vechtend tegen ’t nieje

Toch straks eraan met e’doan

Wat zag die stuultjesklokke

Vanuut de olde tied

Een zûrge en een vreugde

Een vrede en een stried

Maar zag ze ok veul veranderen

Al wier ok wit soms zwart

Geen niejs kan zee ontdekken

In ’t olde mensenhart.

 

Terug naar overzicht

Suja, poppedeine

(S. Abramsz)

Suja, poppedeine,

't Kindje is er nog kleine,

'k Wou dat het kindje maar grooter was,

Dat kwam moeder wel te pas.

 

Terug naar overzicht

Suja, suja, kindje

(S. Abramsz)

Suja, suja, kindje,

Moeder is je mintje,

Vader is je winnebrood,

Over een jaar is 't kindje groot.

Terug naar overzicht

Suja, suja kindje

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

Suja, suja kindje wat ben je toch weer stout,

Heb je pijn in je buikje of zijn je voetjes koud,

Dan zullen we het vuur gaan stoken

En een potje koken.

't Wiegje gaat van klik, klak,

Voor die kleine dikzak.

 

Terug naar overzicht