SeniorPlaza

Lammetje

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Er loopt een lammetje door de wei
En dat is zo geweldig blij
Het kopje duikelt in het gras
Alleen omdat het lente was.

 

Terug naar overzicht

Lange Jannus is mijn naam

(met dank aan Joop en Joke van Elswijk voor het sturen van de tekst)

Lange Jannus is mijn naam,

Vind je dat niet aardig staan ?

In Den Haag ben ik geboren,

Daar ben ik mijn naam verloren.

Toen ik groot werd ging ik dood,

Lag ik in mijn kistje bloot.

Engeltjes kwamen bij me zingen,

Ik kwam uit mijn kistje springen.

Aai aai af ben jij !

 

Terug naar overzicht

Lange slaper

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Lange slaper
Bedde gaper
Grote pop
Staat voor 9 uur niet op

 

Terug naar overzicht

Leef niet voor niets

(met dank aan Dinette van Rosmalen voor het sturen van de tekst)

Als je iedere nieuwe dag,

aanvangt met een gulle lag,

Als je met een blij gezicht,

aan je werk denkt en je plicht,

Als je zonder veel gepraat,

anderen helpt met woord en daad,

Als je steeds naar beter streeft,

heb je niet voor niets geleefd.

 

Terug naar overzicht

Leentje leerde Lotje lopen

Versie 1:

Leentje leerde Lotje lopen,
Langs de lange Lindelaan.
En toen Lotje goed kon lopen,
Is zij weer naar huis gegaan.

 

Versie 2:

Leentje leerde Lotje lopen

Langs de lange Lindelaan

Maar toen Lotje niet wou lopen

Toen liet Leentje Lotje staan

In de lange Lindelaan

 

Terug naar overzicht

Lelijke poes

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Poes, hoe mooi jij ook mag vleien

Je bent een lelijk dier.

Want in musjes te doen lijden,

Vind je veel plezier.

 

Wat had mijn lieve musje

Toch voor kwaad gedaan,

Dat je naar het diertje dus je

Scherpe klauw moest slaan ?

 

Toch wil ik het je vergeven,

Wat je nu misdeed.

Maar doe dan je hele leven

Aan geen mus meer leed

 

Terug naar overzicht

Lente (daar komt de lieve lente)

(met dank aan Wim Hanekamp voor het sturen van de tekst en Rinus van Kan voor de corectie)

Daar komt de lieve lente, de lente komt in ’t land.

Kom vrienden doe de prenten, en verfdoos aan de kant.

Het hobbelpaard op zijde, de poppen in de kast.

Nu gaan wij naar de weide, waar 't groene klaver wast.

 

O ziet eens aller wegen, in hof en veld en bos.

Strooit God zijn lente zegen, en breken knoppen los.

Komt naar ’t veld gesprongen, naar ’t veld in een galop.

Haal nu met volle longen, de frisse lucht eens op.

 

Ziet hoe de beekjes vloeien, waarin het visje springt.

Ziet hoe de bloempjes bloeien, waaraan een dauwdrup blinkt.

Hoe goed is God de Heere, hoe machtig is zijn hand.

Hij bracht ons tot zijn ere, de lente weer in ‘t land

 

Terug naar overzicht

Lente (na zoveel maanden van verlangen)

(G. Nieuwenhuijsen)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Na zoveel maanden van verlangen,

Komt toch de lieve Lentebruid !

Dan gaan we haar weer blij begroeten

En zingen ’t hoogste liedje uit.

 

Dan gaan we kijken en genieten,

Dan trekken wij langs veld en strand,

Dan gaan wij door de bossen dwalen,

En bloemen plukken in het land !

 

Dan gaan de vogels nesten bouwen,

Dan hebben zij het weer zo druk !

Dan zie je ze met strootjes sjouwen,

Of met een pluisje of een pluk !

 

O, kom maar spoedig, lieve lente !

Met al uw mooie toverpracht !

De mensen en de dieren hebben

Nu lang genoeg op u gewacht !

 

Terug naar overzicht

Lente (sneeuwklokje)

(met dank aan Jeanet Korthuis voor het sturen van de tekst)

Wat doe jij daar, jij kleine guit ?

Ben jij nu al je bedje uit ?

Blijf warmpjes nog wat in de grond,

Want als de boze wind je vond...

Hij beet je dood.

Wij hebben nog ons jasje aan,

Jij komt daar zomaar buiten staan,

Je groene jasje los jij guit,

Je witte kopje steekt er uit,

Zo bleek en bloot....

 

(sneeuwklokje antwoordt)

 

Ik ben er niet bang voor de boze wind,

'k Vertel van de lente mijn lieve kind.

Mijn klokje luidt zachtjes over de grond,

Al de bloempjes die slapen in 't rond hun beddekes uit.

Nu weet jij wel wat mijn vroegluiden beduidt.

 

Terug naar overzicht

Lief vogeltje

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Het vogeltje dat daar zo snel van tak op takje springt,

Wijl helder als een zilveren bel, uw zoete stemme klinkt.

Kom hier en haal uw kruimeltje, kom haal het onverveerd,

Maar zeg mijn liefste vogeltje, wie heeft u dat geleerd ?

 

Ik heb te huis een orgeltje dat honderd liedjes kan,

Maar gij, gij mijn liefste vogelte, gij zingt een ervan.

En toch, gij zingt zo zoet en fijn, en zingt dan geen eens verkeerd,

Maar zeg mijn liefste vogeltje, wie heeft u die deuntjes geleerd.

 

Mijn moeder zegt, “dat god zo goed “ die het al geschapen heeft,

‘t Klein vogeltje ook leven doet en stem en deuntjes geeft.

Kom hier en haal uw kruimeltje, kom haal het onverveerd,

Maar zeg mijn liefst vogeltje, het is god die u dat leert !

 

Terug naar overzicht

Liesjes poppen

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Liesjes poppen zitten klaar
In haar beste spullen,
En zijzelf heeft Grootma's hoed
Boven op haar krullen.

Blonde Jet heeft thee gezet
In haar nieuw serviesje,
Want zij krijgt straks thee bezoek
Van haar buurvrouw Liesje.

Tingeling daar gaat de bel
Juist op tijd waarempel,
Liesje zegt stil kindertjes
Nel vliegt naar de drempel.

Jetje schenkt de kopjes vol
Liesje maakt een praatje,
En de poppen alle vier
Luistren naar mamaatje.

Om het kleine tafeltje
Zitten ze zo knusjes,
En ze spelen thee bezoek
Die twee lieve zusjes.

 

Terug naar overzicht

Lieve Heertje het is weer avond (avondgebedje)

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Lieve Heertje het is weer avond

en de dag is weer voorbij.

Ik wil U bedanken,

U bent zo lief voor mij.

Alles hebt U mij gegeven.

voor mijn leren voor mijn spel,

eten, drinken, speelgoed, kleren,

lieve Heertje dank U wel.

Heilige engel aan mijn zij,

bewaar mijn kind en bid voor mij.

 

Terug naar overzicht

Lieve Heertje 'k ga nu slapen (avondgebedje)

(met dank aan Betty Conijn voor het sturen van de tekst)

Versie 1

(met dank aan Betty Conijn voor het sturen van de tekst)

 

Lieve Heertje 'k ga nu slapen

Want de dag is weer voorbij

Maar ik vraag u eerst eerbiedig

Lieve Jezus zegen mij

Zegen ook mijn lieve ouders

Zegen allen die 'k bemin

Onder uwe trouwe hoede

Slaapt uw kindje rustig in.

Amen.

 

Versie 2

(met dank aan Marjolein van Eck voor het sturen van de tekst)

 

Lieve Heertje ik ga nu slapen

Want de dag is reeds voorbij

En ik vraag u eerst eerbiedig

Lieve Heertje zegen mij

Zegen ook mijn lieve mammie en pappie

En dan slaap ik met de engeltjes rustig in.

O engelein lief

O engelein zoet

Maak dat ik geen zonde doet

Versie 3

(met dank aan Giny Bastiaans-Yedema voor het sturen van de tekst)

 

Lieve Heertje, 'k ga weer slapen,

want de dag is weer voorbij,

en ik vraag u heel eerbiedig,

Lieve Jezus, zegen mij,

zegen ook mijn lieve ouders

zegen allen die ik min,

onder uwe trouwe hoede,

slapen wij lekker in.

 

Sluit mijn oogjes,

vouw mijn handjes,

buig mijn knietjes voor u neer,

lieve vader in de hemel,

zie op ons goedgunstig neer,

leer mij vroeg uw kind te wezen, (deze zin ben ik niet zeker van)

laat mij altijd vroom en rein.

Laat ons van uw grote kudde

toch een heel klein schaapje zijn.

 

Terug naar overzicht

Lieve lente

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Lieve lente, schenk uw zegen,
Vriendlijk voorjaar, kom o kom !
Strooi uw bloemen allerwegen,
Breng ons gras en kruid weerom.

In de bossen mocht ik dwalen,
Springen door 't bebloemde land.
Bij de glans der zonnestralen
Spelen langs de waterrand.

'k Mocht de veldfluit horen spelen
Van de herder in 't verschiet,
Luisteren, mocht ik naar het kwelen
Van het lustig vogellied.

 

Terug naar overzicht

Luilak, beddezak

(S. Abramsz)

Luilak,

Beddezak,

Staat om negen uren op !

Negen uren, hallef tien,

Kan de luilak nóg niet zien.

 

Terug naar overzicht

Luilekkerland

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Kom, wie wil er met ons trekken

Naar het zoet Luilekkerland ?

Dáar is 't land der lekkerbekken,

Waarnaar menig watertandt. -

Kijk, die daar eens heen mocht komen,

Kan goedkoop recht vroolijk zijn:

Melk en honig vloeit in stroomen,

Uit de rotsen tapt men wijn.

 

0, wat daar niet valt te kluiven!

Daar is kost voor ieders mond;

Eenden, ganzen, kippen, duiven

Vliegen er gebraden rond;

Rolpens, worst, in dikke plakken,

Hebt ge zoo voor 't grijpen maar;

Lekk're visch, gestoofd, gebakken,

Staat voor iedereen er klaar.

 

Chinaasappelen en oranjes

Groeien er aan heg en struik;

Vijgen, druiven en kastanjes

Zijn voor iedereens gebruik.

Och, je hoeft je niet te bukken,

Appels, van het stuk een pond,

Vallen, eer je ze kunt plukken,

Je zoo, plof! maar in den mond.

 

Pannekoeken, zwart van krenten,

Zijn de steenen van de straat;

Flensjes, taartjes, appelpenten

Vindt ge, waar ge gaat of staat;

Ulevellen, chocolaadjes

Reegnen zoo maar op je neer;

0, zóó'n leven - 'k zeg je, maatjes ! -

Vindt je nergens, nergens meer.

.

Ja, 't is daar een heerlijk leven,

Net een leven naar me keus;

Maar, wilt ge u er heen begeven,

Vriendjes, stoot dan niet je neus;

Want, zooals ik meen te weten,

Moet vóór 't land een brijberg staan,

En daar eerst door henen te eten,

Zal niet zoo heel mak'lijk gaan'.

 

Terug naar overzicht

Maantje

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Achter kleine donkere wolkjes,
Speelt het maantje kiekeboe.
Zie daar komt het weer eens kijken,
En het lacht ons guitig toe.
Kon ik het maantje grijpen, dan….. Ja heus !
Trok ik het eventjes aan zijn neus.

 

Terug naar overzicht

Maart roert zijn staart

(S. Abramsz)

Maart

Roert zijn staart,

April

Doet óók nog wat hij wil.

In Mei

Dan leggen alle vogeltjes een ei.

 

Terug naar overzicht

Maarts viooltje

(met dank aan Ria Nolles voor het sturen van de tekst)

Waagt gij het uit te spruiten,

bloem van zacht fluweel.

Waagt gij uw knop te ontsluiten,

rondzien op uw steel.

Purperen hoofdje wagend,

aan de gure lucht.

Voor geen hagel vlagen,

voor geen storm beducht.

 

Wie zou u niet minnen,

om u gulle spoed.

Bloemenkoninginnen,

missen uwe moed.

Blijven diep gedoken,

in hun wintergraf.

gij voor hun ontloken,

wacht hen bloeiende af.

 

Terug naar overzicht

Maartsche buien

(S. Abramsz)

Maartsche buien,

Die beduien,

Dat de zomer aan komt kruien.

 

Terug naar overzicht

Mammie fleemde kleine Bartje

(met dank aan Leny van der Wal voor het sturen van de tekst en aan Ad en Leny en aan Miriam van der Meer voor de aanvulling )

Mammie fleemde kleine Bartje,
Krijg ik alstublieft een kwartje ?

Een kwartje dat is niet weinig hoor,
Zeg mij eerst maar eens waarvoor.

Voor een oude man, hij staat,
Hard te schreeuwen ginds op straat.

 

Moeder voelt zich diep bewogen,

Stralend kijkt zij hem in de ogen.

 

Tocht bedenkt zij zich nog even,

Voor het geldstuk wordt gegeven,

En wat roept die man dan wel ?
Heeft hij ook misschien een bel ?

 

Bartje lachte nu niet meer,

Mammie snapt hem zeker weer.

IJsco, ijsco voor een kwartje !
Roept de man, biecht eerlijk Bartje.

 

Terug naar overzicht

Marietje

(met dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst)

Marietje was een heel lief kind,

Maar bang, verschrikkelijk bang.

Alleen in donker, voor geen geld,

Al was het in de gang.

 

Eens zei haar moeder: lieve kind,

Hier is een kaars mijn schat.

Ga even naar de zolder toe

En haal een turf of wat.

 

Marietje vloog de trappen op,

Met licht dorst zij wel gaan.

Maar boven ging haar kaarsje uit,

Toen bleef ze in 't donker staan.

 

Drie stappen deed ze nog,

Maar o, daar viel iets op haar neer.

Het spookt, het spookt, ach help, ach help,

‘k Zie nooit mijn moesje meer.

 

Haar moeder vloog haar achterna

En denk niet dat ik jok,

Het spook dat haar te pakken had,

Was maar een oude sok,

Die van de lijn gevallen was.

 

Pas brandde het kaarsje weer,

Of lachend riep Marietje uit:

‘k Vrees nooit geen spoken meer.

 

Terug naar overzicht

Marietje had rozijntjes

(met dank aan Cécile van Dongen voor het sturen van de tekst)

Marietje had rozijntjes

En Jan had niemendal.

“Ik wil ook graag rozijntjes !”

Maar zus zei: “Ben je mal !”

Toen zei ’t slimme ventje:

“We spelen haantje pik !

Jij moet rozijntjes strooien

En ’t haantje dat ben ik !”

Dat vond Marietje aardig

Ze strooide keer op keer.

Maar toen het op was, zei ze:

“Ik heb geen rozijntjes meer !“.

 

Terug naar overzicht

Marietje van Dalen

(met dank aan Peter van Alphen voor het sturen van de tekst)

Marietje van Dalen uit Kreukeledamme,

Die hield niet van wassen en hield niet van kammen.

Ze hield niet van zeep en hield niet van water

En stelde het wassen maar uit tot later.

Van nageltjes knippen was zij nog banger

En haar nageltjes werden hoe langer hoe langer.

O grutjes, wat was die Marietje vies,

Zij leek wel een varken maar dan ook precies.

En als haar moeder dan 's morgens kwam ,

Met zeep en met water en ook met een kam,

Dan ging ze tekeer en begon te gillen,

Of iemand haar levend  wilde villen.

Haar moeder werd boos van al dat gehuil

En riep: ,,Dan blijf jij maar altijd vuil,

Maar ga dan maar weg en kom nooit weer,

Dan ben jij mijn kleine Marietje niet meer."

Die kleine Marietje van Dalen,

Die ging er vandoor en begon te dwalen,

Langs alle straten, langs alle wegen,

Ze zat vol modder en vieze vegen

En vuile vlekken op ieder wang.

Haar haren leken wel struikgewas

En in haar halsje daar groeide het gras.

Het groeide ook over haar ene been

En eindelijk helemaal over haar heen.

Je kon niet meer zien door al dat gras,

Dat Marietje van Dalen een meisje was.

De vogeltjes bouwden een nest in haar haren,

En langzamerhand kreeg ze takken en blaren.

Het is waar, al lijkt het een nare droom,

Marietje van Dalen is nu een boom.

Dus meisjes die bang zijn voor zeep en voor water,

Worden allemaal bomen later

 

Terug naar overzicht

Massage

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst)

Japie en zijn vrouwtje werden aan de enkel gemasseerd

Ik begrijp niet zei ze snikkend; dat dat wrijven jou niet deert

Ik lig van de pijn te brullen en jij lacht door alles heen

Snap je dat niet, zei hij lachend;

Ik geef mijn gezonde been

 

Terug naar overzicht

Meester Diekhoes

(met dank aan Jantje Scheepstra voor het sturen van de tekst)

In beem was een neie meester kommen,

Diekhoes heite hij

En die snaok pruit tog zoo hoog haorlemmer dieks,

Hij verston zug zulve nait:

Met dat hoog haorlemmer dieks praoten

Hef we lest een mooie bak had:

Lutje Jan Loeks haar appels stooln

En meester heurde dat.

Heb jij appels gestolen Jan ?

Jao meester.

Heb je daar ook spijt van? Neeee meester.

Wat ? Heb je daar geen spijt van ?

Dan maar mee naar de bovenmeester.

Bie ol bovenmeester kom'n

Vertelde meester Diekhoes geval in kleuren en geuren.

Hest doe appels stooln Jan ?

Jao meester.

Ennn muit die dat ook ?

Jao meester, mor meester Diekhoes vragt ja

Of ik der ook van spijt heb

En dat heb ik ja nait:

 

("spijt" is in het Gronings "overgeven")

 

Terug naar overzicht

Meester ik bedank je

(bij het afscheid van de Lagere School)

(met dank aan Marco Ooms voor het sturen van de tekst)

Meester ik bedank je,

Voor het zitten in het bankje

Voor het lezen in het boekje

Voor het staan in het hoekje

Voor ’t schoppen en het slaan

Bedankt Meester,  ik gaan…

 

Terug naar overzicht

Meester ik heb me pet vergeten

(met dank aan May van der Snoek voor het sturen van de tekst)

Meester ik heb me pet vergeten

Ik weet niet waar hij is

Als me vader 't komt te weten

Geeft dat ergernis

Een nieuwe pet kan ik niet kopen

Centen heb ik niet

Moet ik dan steeds zonder lopen

Als het koud is dan niet

Ga ik dood word ik begraven

Als het dan niet anders kan

Op mijn grafsteen wordt geschreven

Hier rust pet vergeten Jan.

 

Terug naar overzicht

Meester, mag ik maandag vrij

(Mies Bouwhuys)

Meester, mag ik maandag vrij?
Dinsdag gaat mijn zuster trouwen.
Woensdag moeten we bruiloft houwen.
Donderdag ben ik ziek.
En vrijdag kan ik niet.
Zaterdag is het werkdag.
En zondag is het kerkdag.
Dag meester, dag !

 

Terug naar overzicht

Meester, mag ik naar huis toe gaan ?

(S. Abramsz)

Meester, mag ik naar huis toe gaan ?

't Is al twalef uren !

Moeder heeft de pap al gaar,

't Zal niet lang meer duren.

 

Terug naar overzicht

Meie-regen

(Margot Vos)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Meie-regen,

Blije regen,

Tikke-takke-tokkelijn;

Van den hemel

Op mijn hoedje,

Van den bloesem

Op mijn snoetje,

Van de takken op mijn klein

Rikke-rakke-rokkelijn.

 

Meie-regen,

Blije regen,

Tokkel-tukel-tankeleer;

Op de ronde

Roze zwijntjes,

Op de donzen

Kuikelijntjes,

Op den deftigen mijnheer

Kokkel-kukel-kantekleer.

 

Meie-regen,

Blije regen,

Tinke-pinke-pereling;

Op de plompen

In de vaarten,

Op de roode

Kattestaarten,

Op den fijnen veerenkring

Van de witte schereling.

 

Meie-regen,

Blije regen

Hippel-trippel-trippelt heen

Over heggen

En door slootjes,

Als een leger

Vogelpootjes,

Dansend naar de verte heen,

Hippel-trippel-tippel-teen.

 

Meie-regen,

Blije regen,

Zeg, waar blijf je nu zoo gauw ?

Aan mijn kleine

Vingertoppen

Hangen nog de

Warme droppen.

Weet je, weet je wat ik wou ?

't Werden kralen, rood en blauw !

 

Terug naar overzicht

Meiregen

(Jan Pieter Heije)

Wie graag sterk wil zijn en groot,
Groeijen wil ter degen,
Loop' maar met zijn hoofdje bloot
In den zoelen regen !
Wees niet angstig voor een spat,
Frisch er in gesprongen,
Vrees niet voor een drop of wat,
Dreumes van een jongen !

Zie de blômmetjes maar aan,
Hoe ze 't buitje drinken !
Kijk maar goed, hoe op de blaân
Al die druppels blinken !
In dat lekk're, zoele nat
Ligt des hemels zegen,
Daarom, dreumes ! rep je wat,
Loop 'reis in den regen !

 

Terug naar overzicht

Meisje met je mooie mondje

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

Meisje met je mooie mondje,

Moet je met je maatje mee ?

Lieve Lientje laat je leiden

Langs de laantjes van lijn twee.

 

Terug naar overzicht

Mejuffrouw zalm

(met dank aan Simone Davis voor het sturen van de tekst)

Heden overleed zacht en kalm

Mejuffrouw Zalm.

Haar laatste kreet,

Was een knetterende scheet,

Die door de reet van de spleet

Van het beddeplankje gleed,

En de kopjes op tafel rinkelen deed.

 

Terug naar overzicht

Midden op het grote plein (De mooiste bloemen)

Midden op het grote plein,
Staat het stalletje van Katrijn.
"Mooie blommen ! Mooie blommen !
Mensen, hierheen moet je kommen !
'k Heb margrieten, mooie anjers,
'k Heb violen ... zulke kanjers !
Rode rozen, korenbloemen,
Veel te veel om op te noemen,
Lelietjes van twintig centen,
Prachtig mooi. Je ruikt de lente !"

Daar komt kleine Pieter aan.
Bij het stalletje blijft hij staan.
"Wel, m'n jongen", zegt Katrijn,
"Wat zal 't wezen, wat zal 't zijn ?
Irissen met lange stelen,
Wil je paarse, wil je gele ?
Zestig centen maar, de tien !
Wil je roosjes dan, misschien ?
Ook niet deze ? Of van deze ?
Maar wat moet het dán toch wezen,
Moet je ze voor moeder halen ?
Neem dan lelietjes-van-dalen !"

"Nee" zegt Pieter "nee, het was
Voor de juffrouw van de klas.
Weet je ze verjaart vandaag
En nu geef ik haar zo graag
Bloemetjes met gele hartjes,
Maar ik heb alleen twee kwartjes."
"Lieve jongen", zegt Katrijn,
Dan krijg jij van mij jasmijn !
't Allermooiste wat er bij is."
En of Pietertje ook blij is !
Kijk, daar gaat hij met zijn petje
En zijn prachtige boeketje,
Straks zegt Pieter heel geleerd:
"Juf, nog wel geflie-sie-teerd."

 

Terug naar overzicht

Miebetje

(met dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)

(klik op het plaatje om te vergroten)

Miebetje.jpg (25470 bytes)

In de keuken zit Miebetje

Op een houten kruk.

En ze maalt de koffiebonen,

Ja, ze heeft het druk;

Strakjes moet ze stof afnemen,

Bedden schudden, glazen zemen,

Kleedjes kloppen, kousen stoppen,

En een kilo erwten doppen !

 

Terug naar overzicht

Mien Prop

(met dank aan Carola en aan Anneke Meerwijk voor het sturen van de tekst)

Mien Prop zat in de glazenkast

En keek op de klok hoe laat of het was

Het was pas 7 uren

Toen ging zij naar de buren

De buren waren niet thuis

Toen ging ze naar 't stadhuis

Stadhuis dat was gesloten

Toen ging ze naar de boten

De boten waren toe

Toen ging ze naar de koe

De Koe die wou haar bijten

Toen ging ze naar de geiten

De geiten wou-en haar slaan

Toen ging ze naar de baan

De baan die was zo glad

Toen viel ze op haar gat

 

Terug naar overzicht

Mietje

(met dank aan Wilhelmina Wortel-van der Krogt voor het sturen van de tekst)

Mietje Mietje, pas toch op !

Wat doe je aan dat mes !

Speel liever met je mooie pop,

Of brei, of leer je les !

Maar Mietje gaat met spelen door,

Daar helpt geen bidden voor.

Het mes schiet uit,

Door niets gestuit,

En snijdt haar midden door.

Ziet, daar ligt het lijfje op de grond !

De benen blijven staan !

Hoort kinderen, naar deez' wijze les:

Blijf met je handjes van het mes !

 

Terug naar overzicht

Mijn allerliefste plek

(J.J.A. Goeverneur)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Ik weet een aardig plekje,

Het prettigst, dat ik ken;

Ik zou, zo heus, niet weten,

Waar of ik liever ben.

 

Ik zit er zacht en warmpjes,

Ik speel er vrij en blij,

Ik wip er op en af weer,

En nooit verveelt dat mij.

 

Zo waar, dat kleine plekje

Is ’t prettigst, dat ik ken;

Ik berg me er, als ik vrolijk

En als ik treurig ben.

 

Zal ik je ’t plekje noemen ?

‘k Dacht, dat je ’t lang al wist.

Mijn allerliefste plekje,

De schoot van Moeder is ‘t.

 

Terug naar overzicht

Mijn duifjes op het dak

(met dank aan Opa Pol voor het sturen van de tekst)

Mijn duifjes op het dak bemin ik oh zo teer,

Maar jou mijn lieve kanjer

Wel duizend malen meer.

Lieve Alicia, nu gauw gaan slapen.

 

Terug naar overzicht

Mijn guitig broertje

(met dank aan Gonny Nedermeyer voor het sturen van de tekst)

Ik zal U eens vertellen,

Wat mijn broertje zoal doet.

Ik zag hem eens op wandel gaan,

Met vaders hoge hoed.

En pas had vader hem gevat

En lachend weg gedaan,

Of broertje was al weer op zwier,

Met moeders schoenen aan

"Jij deugniet" zei moeder

En ze trok de reuze schoenen uit.

Kwa, kwa deed broertje schalks,

En zie hij sprong gelijk een puit. (= kikker)

Maar ooooo hij viel zolang hij was

De vuile koolbak in,

De rakker lachte en wreef zich zwart,

Van het haar tot aan de kin.

Toen ging hij voor de spiegel staan en zei:

"O moesje kijk die jongen daar

Is met zijn neus gevallen in het slijk."

"Gij kleine duivel toch,

Hoe krijg ik u weer net.

Kom hier dat ik u wasse

En dan u in de kelder zet."

Maar toen gezuiverd weer mijn broer

Haar aan loeg zoet en teer,

Schonk moeder hem een kus

En dacht aan gene kelder meer.

Ja het is een echte guit mijn broer,

Doch maakt hij veel gedruis,

Wij hebben hem zo lief,

Hij is de vreugde van ons huis.

 

Terug naar overzicht

Mijn hondje

Versie 1

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

 

Ik heb een lief klein hondje,

Zo groot als mijn duim,

Het heeft vier witte pootjes,

Een staartje als een pluim.

Het heeft een sneeuwwit kopje,

Met oortjes zwart als pek,

En boven ieder oogje

Een donkerbruine vlek.

Maar ook dat lieve diertje,

Zo snoeperig en zo klein,

Kan niet met mij spelen,

Want……..het is van porcelein.

 

Versie 2

(met dank aan Diny Koopmans voor het sturen van de tekst)

 

Ik heb een heel klein hondje

Zo groot maar als mijn duim

Het heeft vier witte pootjes

En een staartje als een pluim

Twee gitzwartje oogjes

En een huidje van satijn

Maar ik mag er niet mee spelen

Want het is van --- porselein

 

Terug naar overzicht

Mijn ongeluk

(met dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst)

“Mijn ongeluk” wat is dat pa ?

Vroeg laatst de kleine Piet.

Ik lees hier van mijn ongeluk,

Maar dat begrijp ik niet.

 

Heb jij dan nooit, zo vroeg papa,

Van mijnen ooit gehoord ?

Waar in de grond, soms o zo diep

Naar kolen wordt geboord ?

 

Daar werken vele mensen in,

Vaak voor een sober loon.

Gevaarlijk is het in zo’n mijn,

En daarbij ver van schoon.

 

De lift waarmee men rijst en daalt,

Gaat ook nog wel eens stuk.

Geschiedt nu van dit alles iets,

Dan is dat een “mijn ongeluk”

 

En stil sprak vader door

En maakte zich niet druk.

Maar dat ik met jouw moeder ben getrouwd,

Dat is mijn geluk.

 

Terug naar overzicht

Mijn schat

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Des avonds als het klokje tikt
Dan zeg ik mijn gebed,
Dan brengt me, van het spelen moe,
Mijn moedertje naar bed.
Zij dekt mij lekker warmpjes toe
En vraagt dan: "lig je zacht?"
Dan geven wij elkaar een zoen
En zeggen: "Goeden nacht."

Ik wil niet daad'lijk slapen gaan.
Maar wacht dan nog een poos,
Opeens gaan toch mijn oogen toe
En slaap ik als een roos.
En als mij Moelief 's morgens wekt
En m' in haar armen vat,
Dan denk ik: "heerlijk moedertje
Wat ben je toch een schat."

 

Terug naar overzicht

Mijn vader had twee bokjes

Versie 1
(met dank aan Tony van de Wiel voor het sturen van de tekst)


Mijn vader had twee bokjes, twee bokjes zonder staart,

Hij spande ze voor de wagen, en reed er mee op straat.

Toen kwamen er twee agenten, die namen de bokjes mee,

Mijn vader begon te huilen en de bokjes huilden mee.

 

Versie 2
(met dank aan M.D.Ph. van der Werf voor het sturen van de tekst)
 

Mijn vader had een bokje,

Een bokje zonder staart.

Hij ging ermee uit wand'len

Al in de kalverstraat:

Van je bokkie, bokkie, bokkie;

Van je bokkie bokkie bèh......

 

Pater habebat caprum,

Caprum sine cauda.

Eocum ambulabat

in Via Appia;

Van je bokkie etc

 

Terug naar overzicht

Mijn vader zou laatst eens een kistje beslaan

(S. Abramsz)

Mijn vader zou laatst eens een kistje beslaan.

 Zes !

Olie in de flesch.

Acht !

Soldaat op wacht,

Soldaat op post ,

Jij bent eerlijk afgelost.

 

Terug naar overzicht

Mijnheer Kameel

(met dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)

(klik op het plaatje om te vergroten)

MijnheerKameel.jpg (31705 bytes)

"Mijnheer Kameel, dat is te veel,

Die nare rook komt in mijn keel !

"Mevrouw bedaar, 't is vreeslijk naar,

Maar 't is zo'n heerlijke sigaar."

"Mijnheer ik krijg een hese stem,

U mag niet roken in de tram !

Daar roept het kleine vosje gauw:

"Maar schikt U dan wat op, Mevrouw !"

 

Terug naar overzicht

Mijnheer Konijn

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Meneertje Hein, een leuk konijn,

Danst vrolijk in de maneschijn.

Van een twee drie,

Van een twee drie,

In de maat,

Nu zie toch een hoe mooi dat gaat.

Tra la la la la, tra la la la la.

Zijn zusje Kee doet ook al mee

En speelt op de viool voor twee.

Van fiedeldie, van fiedeldie, fiedeldie,

Ze heeft alleen wel pret voor drie.

Fiedeldie, fiedeldie,

Ze heeft alleen wel pret voor drie.

Fiedeldie, fiedeldie.

 

Zijn broertje Klaas,

Die slaat de trom met veel geraas.

Van rombombom, van rombombom,

Zo slaat hij aldoor op de trom.

Rommebom, rommebom, rommebombom,

Zo slaat hij aldoor op de trom,

Rombombom, rombombom.

 

Terug naar overzicht

Moe hoef ik niet naar school toe ?

(met dank aan Ini van Haeren-Willemsen voor het sturen van de tekst)

Moe hoef ik niet naar school toe ?

Mijn keeltje doet zo zeer

En als ik even praat maar,

Dan voel ik het nog meer.

Maar moeder kende het kunstje

Van hare zieke Hein,

Hij had geen zin in school gaan,

En dat was al zijn pijn.

Zij sloeg er dus geen acht op,

En kijkt hem even aan,

En zegt dan: "o als je opstaat,

Zal dat wel over gaan.

Je moet niet altijd klagen,

En spring maar uit je bed,

Maak dat je aanstonds klaar bent,

Als moe heeft thee gezet."

Dat viel hem bijster tegen,

Hij had gehoopt dat moe,

Hem wel uit school liet blijven,

En moet er toch naar toe.

Een Hein begon te huilen,

Te huilen van belang,

Maar toch was moe voor het schreeuwen,

In het geheel niet bang.

"Ik zal aanstonds laten vragen,

Of dokter soms hier langskomt,

En naar jou wil komen kijken."

"De dokter moe" riep Heintje,

Die akelige man,

Die door die grote bril heen,

Zo kwaad soms kijken kan."

"Ja juist" gaf moe hem antwoord,

"Maar akelijk is hij niet"

En boos zijn doet hij enkel,

Als hij een jongen ziet,

Die huilt en dwingt,

En steeds zijn lieve moetje plaagt,

En bijna alle dagen om thuis te blijven vraagt."

"Ach lieve beste moetje",

Riep nu de kleine guit,

"laat niet de dokter komen,

Zie ik ben mijn bed al uit.

Mijn keel is ook al beter,

En weet je wat ik doe,

Ik zal nooit meer vragen,

Om thuis te blijven moe !"

 

Terug naar overzicht

Moeder lief, sprak Anna vleiend

Moeder lief, sprak Anna vleiend,
"Mag ik eventjes op straat ?"
"Ja", zei moeder "maar beloof mij
Dat je heus niet verder gaat."

Blij liep Anna toen naar buiten,
Daar kwam juist een orgel voorbij,
Anna bleef eens even luisteren
Toen het uit was liep zij mee.

Toen zij een eind was meegelopen,
Dacht ze ik ga naar moesje weer.
Maar zij kon haar huis niet vinden,
Want zij wist de weg niet meer.

Schreiend zat zij op een stoepje.
Daar kwam juist een agent voorbij.
Die bracht Anna weer naar huis toe,
O, wat was haar moesje blij.

Terug naar overzicht

Moeder Melet

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Moeder Melet, Moeder Melet

Eerst wat koffie en dan naar bed;

Eerst wat koffie en dan naar boven,

Dat wil moeder Melet wel beloven.

 

Terug naar overzicht

Moeder Muis

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Moeder Muis is altijd thuis,
Altijd bij haar kookfornuis.
"Jongens, jongens, zijn jullie daar ?
Slabjes voor de pap is klaar !"
Likke slikke, slobber de slob,
Slabjes af, de pap is op !

 

Terug naar overzicht

Molenaartje, maalt je molen

(S. Abramsz)

Molenaartje, maalt je molen ?

Maal voor 't kindje een zakje meel.

Dan zal moeder pankoek bakken,

Die in kindje's keeltje zakken.

Stroop, stroop, stroop met meel,

Dat glijdt zacht door kindje's keel.

 

Terug naar overzicht

's Morgens vroeg

(met dank aan Ria Nolles voor het sturen van de tekst)

Als 's morgens vroeg het haantje kraait,

en blij de dag begroet,

Dan blijf ik in de veren niet,

gelijk een luiaard doet.

Ik spring er vlug en handig uit,

maak borst en armen bloot.

En was mij in het frisse water

als een eendje in de sloot.

 

Terug naar overzicht

Muisje foei

(met dank aan Anneke Kinkel voor het sturen van de tekst)

(Doe het met gebaren, krabbel in het handje van het kind)

 

Muisje foei, wat zie ik daar,

Snoep jij zo mijn suiker maar !

Ach, lieve vrouw, ik weet me geen raad,

Als je ’t mij niet houden laat,

Want mijn kleintjes piepen zeer

En ik heb niet één kruimeltje meer.

Ach, hou jij dat kruimeltje maar,

(nu zogenaamd met je duim en wijsvinger een kruimeltje ergens vandaan halen)

Hier…heb je er nog een kruimeltje bij,

Maak nu, jou kleintjes maar weer blij.

Toen………….liep het muisjes als de wind

(gauw over het armpje van het kind lopen en dan in het nekje kietelen)

En ook de vrouw liep naar haar kind !!!!!

 

Terug naar overzicht

Muisje, muisje waar zit je

(met dank aan Corry van den Heuvel voor het sturen van de tekst)

Muisje, muisje waar zit je??

Hier......waar.?.......in mijn holletje.

Kom eens te voorschijn........

Ik durf niet, ik ben bang van de kat.

Kom nou muisje, er ligt lekkere kaas

 

.........muisje komt voorzichtig tevoorschijn,

         eet van de kaas..............

 

Voorzichtig nu muisje

De kat loert voor je huisje

Ze sluipt al om een hoekje zeg,

Vlug muisje kruip nu weg.!!!

 

Terug naar overzicht

Muizenpret

Er gingen drie muizevriendjes,
Gezellig te snoepen uit.
Ze vonden 't ontbijt op de tafel,
Dat was er een kostelijke buit.
Ze knabbelden en ze likten
Van al wat er voor hen stond,
En aten hun muizebuikjes
Van 't lekkers heel dik en rond.

Eén wou er wat melk gaan drinken,
De kan was verbazend glad.
Hij glibberde toen naar beneden
En plofte pardoes in het nat !
Dat was me een piepen, jamm'ren:
"Ach vriendjes, help jullie me toch.
Ik kan haast niet boven blijven
O, strakjes verdrink ik nog !"

Toen renden de twee met hun beidjes
In volle vaart tegen de kan.
Die tuimelde ondersteboven,
Ze schrikten er alle drie van.
Juist kwam er de juffrouw binnen,
De muisjes ontkwamen nog net.
Ze loerden van achter het gaatje
En schaterden van de pret !

Terug naar overzicht

Musje, musje

(met dank aan Noud van den Broek voor het sturen van de tekst)

Musje, musje, zit jij weer te wachten

Op je takje al die tijd,

Tot ik kruimeltjes en brokjes

Brengen kom van het ontbijt ?

 

Heb je dan zo'n honger musje ?

Kijk, die brokjes zijn van zusje

En de kruimeltjes van mij.

Musje ben je nu niet blij ?

 

Terug naar overzicht

Naar bed, naar bed zei Duimelot

Versie 1:

 

Naar bed, naar bed, zei Duimelot
Eerst nog wat eten, zei Likkepot
Waar zal ik het halen? zei Langejan
Uit grootvaders kast, zei Ringeling
Dat zal ik verklappen, zei het Kleine Ding.

Versie 2:


Duimelot is in h
et water gevallen
Likkepot heeft hem eruit gehaald
Lange Jaap heeft hem naar huis gebracht
Korte Knaap heeft hen in bed gelegd
En dat Kleine ding heeft alles tegen zijn moeder gezegd

 

Versie 3

(met dank aan Jeanne Albers)

 

Naar bed, naar bed, zei Duimelot,

Eerst nog wat eten, zei Likkepot,

Waar zullen we 't halen? zie Lange Jaap,

In moeder kastje, zie Korte Knaap,

Dat zal ik zeggen, zei Pinkelinge,

Dat jijlui snoept van moeders dingen.

Naar bed, naar bed, zei Duimelot,

Eerst nog wat eten, zei Likkepot,

Waar zal ik 't halen? zie Langelot,

Uit grootvaârs kastje, zei Ringeling,

Dat zal ik verklappen, zie 't Kleine Ding.

Duimelot is in 't water gevallen,

Likkepot heeft hem er uit gehaald,

Lange Jaap heeft hem thuis gebracht,

Korte Knaap heeft hem in 't bed geleid,

En dat kleine, kleine Pinkje heeft alles gezeid.

Duimelot had visch gekocht,

Likkepot heeft ze gezoden,

Lange Jaap had ze gebraden,

Korte Knaap had ze weggezet,

En 't Kleine Ding heeft ze opgegeten.

Duimelot had een vischje gekocht,

Likkepot had het thuis gebrocht,

Lange Liereboom had het gebakken,

Ringeling was het weg gaan zetten,

En 't Kleine Ding had het opgevretten.

 

Terug naar overzicht

Naar buiten

Hé, lekker in de buitenlucht,
Wat heeft het flink gevroren !
De wangen pimp'len mij van kou,
En tint'len doen mij d'ooren.
Lach uit de kleumer bij het vuur,
Zoo'n sukkel toch, zoo'n stakker.
Ons stroomt het bloed nog dubbel gauw,
Ons maakt de kou juist wakker.

'k Benijd den menschen in het Zuid
Geen ziertje nu den zomer.
Neen, elken dag weer warmte maakt
Ons elken dag weer loomer.
O, wintertje, ik zou je voor
Geen schatten willen missen.
Je sneeuw, je ijs, ze zullen mij,
Zoo heerlijk weer verfrisschen.

Terug naar overzicht

Naatje ben je boven

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Naatje, Naatje, ben je boven

Ja, juffrouw, ik schud het bed.

Zie je dan wel naar de vlooien !

Ja, juffrouw, ik vang ze net.

 

Terug naar overzicht

Naatje, ik wil je wat beloven

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Naatje, ik wil je wat beloven.

Goed Juffrouw !

Twaalf pond suiker

En zes flesschen wijn;

Dat doe je in een keteltje

En roert het met een lepeltje;

Wat zal dat lekker zijn !

 

Naatje, ik wil je wat beloven.

Goed, juffrouw !

Hoeveel koffie heb je gemalen ?

Een lood, Juffrouw;

De koffie neem ik mee naar binnen,

En het dik bewaar ik voor jou.

 

Terug naar overzicht

Nel de bel

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Nel de bel de brobbelscheet,

heeft vannacht een ei geleed,

in de kist en niemand wist.

 

Terug naar overzicht

Nieuwe klompjes

(J.P. Heije 1809-1876)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn Kees-oom is een timmerman,
Daar is geen knapper op de werf:
Hij maakt in huis en op het erf
Al wat-je zien of denken kan;
Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,
Maar ‘k ben daarom niet bang voor hem;

Hij kneep me lestmaal in mijn oor
En zei: ’Nu, als ge vlijtig leert,
Uw Vader en uw Moeder eert,
Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor !’
En tintelde ook mijn oor er van,
Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.

En denk ‘reis wat hij heeft gebracht ? .....
Een nieuw paar klompjes, puik en net,
Met zilvren neusjes afgezet,
Gevoerd met witte schapenvacht ....
En binnen in daar lag een brief,
Waar op stond: ’Voor mijn Neefje-lief !’

En Moeder zei me met een lach:
‘Nu ziet ge maar, mijn beste maat !
Hoe of het zoete kindren gaat;
‘k Hoop dat je nu zo blijven mag !’
En ‘k gaf Moeder-lief een zoen.

En zei dat ik mijn best zou doen !

(Kerstijd = de tijd van de kersen)

 

Terug naar overzicht

't Nieuwe nieuwe jaartje

(met dank aan Ineke de Winter voor het sturen van de tekst)

't Nieuwe nieuwe jaartje

Toen sliep ik bij mijn vaartje

Vaartje wou me niet hebben

Toen sliep ik in de krebbe

Krebbe werd gemaken

Toen sliep ik in 't laken

Laken werd gewassen

Toen sliep ik in de plassen

Plassen waren oh zo diep

Toen sliep ik in 't  lange riet

't Lange riet was veel te lang

Toen sliep ik bij de slang

De slang wou me bijten

Toen sliep ik bij de geiten

De geiten wouden steken

Toen sliep ik bij de neten

De neten werden luizen

Toen sliep ik in de huizen

De huizen werden afgebrand

Toen sliep ik in 't vaderland

Vaderland was oh zo groot

Toen sliep ik in Maria's schoot

Maria's schoot was oh zo zacht

Toen sliep ik waar 't hondje blaft

't Hondje blaft zijn keeltje zeer

 't Liedje is uit

En ik kan niet meer

 

Terug naar overzicht

Noten rapen

(met dank aan Gerard Wok voor het sturen van de tekst)

Hoor  eens hoe  het waait zei Frans tot Piet, 

Morgenvroeg vergeet het niet

Vallen er noten te rapen.

Goed zei Piet ze zullen smaken.

Maar als het morgen was lag onze luierik nog te geeuwen en te gapen onder het laken.

Frans zei Piet verslaapt zijn kans, ik zal maar smullen,

Hij kan  met de schelpen zijn zakken vullen.

 

Terug naar overzicht

O Jet wat scheelt je

(met dank aan Betty Conijn voor het sturen van de tekst)

O Jet wat scheelt je

O moe m'n keeltje

M'n keeltje doet zo zeer

Dat arme Jetje

Dat moest naar bedje

Toen lachte moe niet meer.

 

Terug naar overzicht

O jongens als ik rijk was

(met dan aan Peter Roubos voor het sturen van het tweede couplet)

O jongens als ik rijk was,
Ik wist wat ik dee.
Een scheepje zou ik bouwen,
En 'k voer er mee naar zee.
Zou hijsen het vlagje,
Zoo hoog in de mast,
Niet zoo hoog, niet zoo hoog, maar zóó hoog !

 

O jongens als ik rijk was,

Ik wist wat ik dee

'k Gaf ieder een gulden

En moe kreeg er twee.

'k Zou kopen voor ieder

Een lekkere koek,

Niet zoo groot, niet zoo groot, maar zóó groot !

 

Terug naar overzicht

O oven, o oven !

(S. Abramsz)

O oven, o oven !

Bak onder, bak boven,

 Bak plat en bak rond,

Bak bolletjes voor mijn mond.

 

Terug naar overzicht

Och, Jantje, wil niet huilen

(S. Abramsz)

Och, Jantje, wil niet huilen,

Daar heb je mijn beste muilen.

Daar heb je mijn mooie beugeltasch,

Waar al mijn goeie geld in was.

 

Terug naar overzicht

Olleke bolleke

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Olleke, bolleke, rebu solleke,

Olleke, bolleke, knol !

 

Terug naar overzicht

Omdat klein zusje jarig was

Er stonden bloemetjes in de wei,
Ze waren zo vrolijk, ze waren zo blij,
Versierden zo lustig het frisse gras,
Omdat klein zusje jarig was.

Er waren lammetjes in de wei,
Ze blaatten zo vrolijk, ze waren zo blij.
Ze sprongen zo lustig door 't frisse gras,
Omdat klein zusje jarig was.

Er speelden kindertjes in de wei,
Ze dansten zo vrolijk, ze zongen zo blij.
Ze sprongen zo lustig door 't frisse gras,
Omdat klein zusje jarig was.

O, wat een feestje daar in de wei !
Oók alle vogeltjes zongen zo blij.
Hoog zongen ze boven het frisse gras,
Omdat klein zusje jarig was.

 

Terug naar overzicht

Omdat poesje jarig was

In een alleraardigst huisje,
Met een alleraardigst tuintje,
Vol met allerliefste bloempjes,
Woonde een alleraardigst vrouwtje.

En dat alleraardigst vrouwtje,
Had een alleraardigst kindje,
Met een alleraardigst jurkje
En met allerliefste klompjes.

En dat alleraardigst kindje,
Had een alleraardigst poesje,
Met een alleraardigst kopje
En met allerliefste oogjes.

En dat alleraardigst poesje,
Droeg een alleraardigst strikje,
Van een alleraardigst kleurtje.
Weet je wel, waarom dat was ?
Omdat poesje jarig was !

Terug naar overzicht

Onder de brug van salie

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

Onder de brug van salie daar lag een krokodil,

Toen ik er op wou stappen toen beet ie in mijn bil.

Iet wiet waai is eerlijk weg.

 

Terug naar overzicht

Onder de tafel, hou je stil

(met dank aan Bea van Dijk voor het sturen van de tekst)

Versie 1

(met dank aan Bea van Dijk voor het sturen van de tekst)

 

Onder de tafel, hou je stil
Daar zat juffrouw dikke bil
Dikke bil zo heet ze,
Zeven scheten leed ze.
Elke scheet die woog een pond.
Juffrouw met haar dikke kont.

 

Versie 2

(met dank aan Hans Greuter voor het sturen van de tekst)

 

Onder de tafel, hou je stil

Daar zit juffrouw Dikke Bil

Dikke Bil moest niezen

Zeven poepjes liet ze

Elke poep woog honderd pond.

Had die juffrouw geen dikke kont ?

 

Terug naar overzicht

Onder een baldakijn met franje lag Sinterklaas met griep in bed

(met dank aan Marja Bruikman voor het sturen van de tekst)

Onder een baldakijn met franje lag Sinterklaas met griep in bed.

De knapste dokters van heel Spanje kwamen hoofdschuddend aangezet.

Ze keken door hun uilenbrillen in Sinterklaas zijn zieke keel.

Ze schreven dropjes voor en pillen en bisschopswijn met veel kaneel.

Eén zei :”Laat mij naar Holland schrijven dat U dit jaar maar overslaat

Omdat U in Uw  bed moet blijven”. Een tweede gaf dezelfde raad.

Een derde en een vierde knikten, “Dat zal het beste zijn misschien”.

Maar alle Zwarte Pieten snikten, ’t was werk’lijk vreselijk om te zien.

“Oh, denk eens aan die mooie dingen, die nu al op de kade staan,

Aan al die kinderen die zingen voordat ze ’s avonds slapen gaan.

Van.. hoor de wind waait door de bomen en ..suikergoed en marsepein.

En zou Sintniklaas dan niet komen ? Heel Holland zou in tranen zijn”.

’t Was treurig om ze aan te horen, die Moortjes om dat bed geschaard.

Wie dacht je wel trad toen naar voren ? De schimmel was ‘t, Sints liefste paard.

Hij schudde ernstig met zijn manen. “Nee“ zei hij, “nee dat gaat niet goed.

Wat helpen Sinterklaas die tranen? Ik weet er wel wat op, houdt moed.

In één van mijn geleerde boeken staat iets over een toverkruid.

Dat ga ik voor mijn meester zoeken”. En meteen was hij de kamer uit !

 

Buiten Madrid, diep in de bossen, woont heel alleen een toverkol,

Die drankjes stookt uit gras en mossen boven een vuurtje in haar hol.

De zon ging op, de zon ging onder, de schimmel draafde alsmaar door.

En dat hij moe werd was geen wonder. Maar van de toverkol geen spoor.

“Kon ik” dacht hij, “maar iemand vragen, iemand die thuis is in het bos.”

Door het vele lopen al die dagen liet van één hoef het ijzer los.

“Wat loop jij nog zo laat te dwalen“ klonk toen een stem, “en zo alleen ?”

“Euh, ik moet bij de heks een drankje halen, wie je ook bent, breng me erheen !”.

“Daar” zei de stem, “daar waar de bomen als reuzen in de rondte staan.

Het makkelijk er in te komen, maar er uit zal minder makkelijk gaan !”.

Daar was het dus, de schimmel rilde. Hij dacht nog één keer heel goed na.

Hij kon nog terug, als hij dat wilde. En Sint dan ? “Nee” zei hij, “ik ga !”

De boze heks deed hem zelf open. “Euh.. wat wat wat wil jij, paard van Sinterklaas ?”

“Ik wou” zei het paard “een drankje kopen. Want ziet U, hij is ziek, mijn baas”.

“Euh..wat kun jij voor die drank betalen ?”  “Wat U maar wilt “.

“Ik ik ik ik wil je staart, je moet me met je staart betalen !”

“Als-ie maar beter wordt “ zei het paard.

De schimmel beet zich op de lippen.  “Als het dan moet “ zei hij, “begin !”

Toen ze als dol begon te knippen, hield het hele bos zijn adem in.

Twee glinsterende tranen gleden, de schimmel kon er niks aan doen,

Over zijn wangen naar beneden, vlak voor de boze heks haar schoen.

 

Het oude hoofd vol van gedachten, lag Sinterklaas, nog steeds met griep,

Op het drankje van het paard te wachten. En niemand in heel Spanje sliep.

De wachters tuurden op de toren door kijkers van het fijnste glas.

En iedereen spitste de oren of het paard nog niet in aantocht was.

Tot eindelijk, na lange dagen, ze zeiden al “hij komt niet terug“,

De schimmel langs de weg kwam jagen, het toverdrankje op zijn rug.

De poort van het paleis vloog open, de wachters staken de trompet.

Het paard, z’n hoeven stukgelopen kwam hinnikend aan Sint zijn bed.

Een glas werd haastig volgeschonken, het hele hof stond er om heen.

En nog voor hij het had uitgedronken was Sinterklaas weer op de been.

“Geef mij“ sprak hij “mijn staf en mantel. Wij gaan naar Holland, nog vannacht.

Waar onder iedere schoorsteenmantel een kinderschoentje op mij wacht. “

De Pieten werkten wat ze konden. “Kom paard“ riep Sint, “de boot vertrekt. “

Maar toen ze op vertrekken stonden, toen werd dat van die staart ontdekt.

De schimmel boog zijn hoofd en wachtte, hij dacht “ze sturen me terug.”

Hij voelde hoe ze om hem lachten en wezen op zij kale rug.

“Hé paard, ben jij niet wat verloren, vergeet je niks, mis je niet wat ?”

Maar toen trad Sinterklaas naar voren, dia alles al begrepen had.

“Wat jullie Pieten heel je leven nooit had gedaan“ zei Sint, “deed hij.

Hij heeft de heks zijn staart gegeven ! Zijn staart ! En dat alleen voor mij !”

En toen, nog altijd op die kade, wat kreeg die trouwe schimmel daar ?

Hij kreeg, je kunt het vast wel raden : een staart, zo mooi als engelenhaar !

 

Terug naar overzicht

Onder het glazen bruggetje

Versie 1

(met dank aan Els Toet)

 

Onder het glazen bruggetje

daar lag een hoopje pap.

Twee dikke dames, die hadden er in getrapt,

Twee dikke plietsies die hadden het gezien,

zij moesten betalen één gulden tien !

Tien, tien, tien, ik heb je blote bips gezien !!

 

Versie 2

 

Onder het glazen bruggetje

Daar lag een hoopje kak.

Akkekakkedeister die had erin getrapt.

Jan van de politie die had het gezien,

Hij moesten betalen één gulden tien !

 

Terug naar overzicht

One menone meniene

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

One menone meniene,

Tjoeke tjoeke tjoek benzine.

Alle eendjes zwemmen in de plas,

Jij bent af pief paf

 

Terug naar overzicht

Ons prinsesje is jarig

(met dank aan Mary Moret voor het sturen van de tekst)

Ons prinsesje Beatrix

Wordt vandaag één jaar.

Nu zijn alle mensen blij,

Zie die vlaggen maar !

 

We marcheren door de straat,

Zwaaiend met de vlag.

Alle kind'ren hebben vrij

Op zo'n blijde dag.

 

Broer krijgt een oranje sjerp,

Zus een mooie strik.

En we binden zelfs een lint

Om de staart van Fik!

 

Alle vlaggen, rood-wit-blauw,

Wapp'ren in de wind,

Voor prinsesje Beatrix,

Voor ons koningskind !!

 

Terug naar overzicht

Onze Bello

(met dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst)

Wij hebben thuis een hondje

Een alleraardigst dier

Wij spelen altijd samen

En hebben veel plezier

 

Als ik een boodschap doen moet

Kijkt Bello mij al aan

Precies of hij wil vragen

Zal ik ook maar mede gaan

 

Dan draaft hij als een paardje

Een heel eind voor mij uit

Dan komt hij gauw weer bij mij

En blaft en keft dan luid

 

Als ik naar school toe ga

Dan laat hij ’t kopje hangen

 En kijkt mij treurig aan

 

Eens op een zekere morgen

Toen ik naar school toe ging

Was Bello nageslopen

 Heel stil

 

Toen ik op mijn plaatsje zat

 Kwam Bello naast mij zitten

Oh ,wat een pret was dat

 

De kinderen lachten allen

De zuster lachte mee

 Maar zei:

Een leerling met vier pootjes

Dat staat mij toch niet aan

Nou Bello, ik zou maar gauw naar huis toe gaan

 

’t Leek dat onze Bello

De zuster goed verstond

Wip sprong hij van de bank af

 En weg was de stoute hond

 

Terug naar overzicht

Onze kat

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Onze kat kan ratten vangen,

Dat is waar dat kan ze fijn,

Maar ze kan ook boter langen

En dit zou niet mogen zijn.

 

Moeder stelde gisterenmorgen

Eene melkpot op de kast,

Onze kat was weer verborgen

Niemand wist weer waar ze was.

 

Moeder ging dan in de kelder

Om wat rapen om wat selder,

En wat spek voor hutsepot.

Vrezend dat de slimme kater

Daar zou zijn een weinig later,

Deed ze nog de deur op slot.

 

Moeder was nog niet beneden

Of daar kwam met stille treden,

Onze poese voor de dag

Uit de wieg waar 't kind in lag.

 

Recht naar 't kaske, daar aan't krabben

Wip en ……………….

Daar aan't slabben,

Maar haar kop was juist zo groot

Dat het in het potje sloot.

 

Moeder deed de deur weer open

Poesje meende weg te lopen,

Toch niet ziende waar ze was

Viel hij neder van de kas.

 

Liep ineens de trappen op

Met de melkpot op zijn kop.

 

Terug naar overzicht

Onze meester

(Frans de Cort (1834-1878))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Onze meester zegt ons:
Lieve knapen, zegt hij,
Hier en valt er, zegt hij,
Niet te slapen, zegt hij,
Maar te leren, zegt hij,
Zoals ’t hoort, zegt hij,
En te luisteren, zegt hij,
Naar mijn woord !

Onze meester zegt ons:
Lieve kind'ren, zegt hij,
‘k Wil u ’t spelen, zegt hij,
Niet verhind'ren, zegt hij,
Wel te weten, zegt hij,
Na de klas, zegt hij,
Hier en komt het, zegt hij,
Niet te pas !

Onze meester zegt ons:
Lieve vrienden, zegt hij,
Later zult gij’t, zegt hij,
Ondervinden, zegt hij,
Wie de leertijd, zegt hij,
Niet verloor, zegt hij,
Komt alomme, zegt hij,
Vóór en door !

Onze meester zegt ons:
Lieve maten, zegt hij,
Eenmaal zult ge, zegt hij,
Mij verlaten, zegt hij,
Aan u denkend, zegt hij,
Zegge ik dan, zegt hij:
Here, ‘k maakte er, zegt hij,
Mensen van !

 

Terug naar overzicht

Onze musjes

(Ch. van Zijll. de Jong)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Op een aardig hekje

Bij een groene wei  

Zaten eens vijf musjes

Netjes op een rij.

 

’t Was hun babbeluurtje;

In het avondrood

Zaten ze gezellig

Bij de kant der sloot.

                            

Weet je wat ze zeggen?

Ik versta het niet;

’t Is hun vogeltaaltje,

’t Is hun vogellied.

 

Laat ze stil zo babb’len

En verjaag ze niet !

Kind, doe nooit en nimmer

Vogeltjes verdriet.

 

Terug naar overzicht

Onze poes

(G.W. Lovendaal)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Onze poes zit voor het raam
En ze likt haar pootje
En ze kijkt haar oogjes uit
Naar mijn vogelkooitje.

Hoor eens, deugniet daar je bent,
Laat mijn kooitje hangen:
Vogeltjes zijn niet voor poes,
Jij moet muizen vangen.

 

Terug naar overzicht

Ooievaar, lepelaar

(S. Abramsz)

Ooievaar,

 Lepelaar,

Takkendief -

Ooievaar heeft de kindertjes lief.

Terug naar overzicht

Op de Amstelveense weg

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Op de Amstelveense weg

Stond een rijtje bomen

Al die bomen waaiden weg

Op de Amstelveense weg.

Ie, wie, waai, weg.

 

Terug naar overzicht

Op de dijk staan met z'n vieren

Op de dijk staan met z'n vieren
Hoge zilverpopulieren
Die wuiven maar en ruisen maar
Van elkaar en naar elkaar
En al die kleine zilverblaadjes
Houden duizend fluisterpraatjes
Wist je dit en wist je dat ?
Ik zou wel eens willen weten wat.

 

Terug naar overzicht

Op de hoogte

(Clinge Doorenbos)

Het onderwijzeresje had
Haar twintig kleine vrindjes,
Verteld van storm en van vulkaan
Van winden en van windjes.
Van Oosten en van Noordenwind,
Die koud en fel van kracht zijn,
En van den zoelen Zuidenwind
En Zéphyrs, die zóó zacht zijn.
'k Zat laatst, besloot zij toen haar les,
Eens in het park te droomen,
Toen is daar iets héél teers, héél zachts
Stil naar mij toe gekomen.
Het streelde mij zacht in mijn hals,
Stééds zachter, stééds maar záchter,
Dus, kinders, wat is dat geweest ?
't Koor riep: "De parrekwachter !"

 

Terug naar overzicht

Op een konijn

(Kees Stip)

Bij Noordwijk zwom een nat konijn,
Te midden van een school tonijn.
"Tja," sprak het beest, "dat tomt er van,
Als men de té niet zeggen tan."

 

Terug naar overzicht

Op een zeeleeuw

(Kees Stip)

Een zeeleeuw aan de Côte d'Azur,
Jongleerde elke dag een uur.
"En wat," vroeg een verbaasde geit,
Is daarvan nu de aardigheid ?"
"Men moet," zo sprak die zeeleeuw toen,
"Jongleren om het oud te doen."

 

Terug naar overzicht

Op het strand van Ameland

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Op het strand van Ameland
liggen zeven schelpen
nummer een is groen,
nummer twee is rood,
nummer drie is klein,
nummer vier is groot,
nummer vijf heeft ribbels
nummer zes heeft snibbels
nummer zeven is een vlug dingetje
en ze liggen met z’n allen in een kringetje.

 

Terug naar overzicht

Op vaders knie

(met dank aan Mary Moret voor het sturen van de tekst)

(vlug)

Hop, hop, hop, 

Hop, hop, hop,

Vader is Jan's paardje.

,,Zeg mijnheer, waar wil je heen,

Naar Den Bosch of Overveen ?

Op zo'n vurig beest alleen

Ga je met een vaartje."

 

(kalmer)

Hop, hop, hop,

Hop, hop, hop,

't Is de beurt van Maartje.

,,Zeg mevrouw, hoe gaat de reis,

Naar Schiedam of naar Parijs ?

Als je mij de weg maar wijst

Ben ik een mak paardje."

 

(langzaam)

Hop, hop, hop,

Hop, hop, hop,

Nu komt kleine Letje.

,,Zeg mevrouwtje, weet je 't al ?

Naar Zaandam of Nijverdal ?"

,,Ho paard, ga jij maar naar stal,

Want ze gaan naar bedje !!"

 

Terug naar overzicht

 

Otto bouwde een hutje

(met dank aan Andre-Hilly voor het sturen van de tekst)

Otto bouwde een hutje,

Daartegen zette hij een stutje.

Toen maakte hij een vissekom,

Daar zette hij drie wachters om.

Toen kwamen er twee dieven aan,

Al door de lange lindelaan.

De eerste wachter die schoot toe,

De tweede zei van ping pang poe.

Maar de derde ging naar Otto toe

En toen hij bij Otto kwam, wat zag hij daar?

Het was zowaar een OOIEVAAR.

 

En al opzeggende teken je een ooievaar.

 

Terug naar overzicht

Oude Peken

(met dank aan Cécile van Dongen voor het sturen van de tekst)

Oud Peken zegt: “Daar was een keer

Een toverslot vol pracht en praal,

Waarin een klein prinsesje liep.

Zij heette juffrouw Zonnestraal.

Een woudheks vloekte haar in slaap

Een lome slaap van honderd jaar.

Totdat een schone prins verscheen

En kijk, zijn zoenen wekten haar!”

 

En toen?  En toen? 

En toen daar kwam een varken met een lange snuit,

En toen? En toen?

En toen: ’t vertelseke is uit!

 

Oud Peken zegt: “Hoort wat weleer

Met Assepoester is geschied

Die altijd even lustig zong

Ofschoon men haar met voeten stiet.

Een fee bezorgde haar een koets

Zo reed zij naar het koningshof

Daar mocht ze trouwen met de prins

Hoe dankte zij haar kleine slof !”.

 

En toen?

 

Oud Peken zegt: “Daar was ’n keer

Een guitig ventje in zijn tijd

Niet groter weet je, dan mijn duim,

En ’t heeft de wrede reus misleidt.

’t Trok de man zijn laarzen uit

En beende naar zijn hutje toe.

Hij vond zijn wegen overal,

Tot in de darmen van een koe”.

 

En toen?

 

Terug naar overzicht

Ouwe Jan en jonge Jan

Ouwe Jan en jonge Jan,

Die zouden samen pompen.

Ouwe Jan, die brak zijn been,

En jonge Jan zijn klompen.

 

Terug naar overzicht

Over de woeste baren

Over de woeste baren,
Ver van overzee,
Daar kwam een schip gevaren,
Schatten bracht het mee.
Van binnen was het zilver,
Van buiten was het goud,
De zeilen zijn van zeildoek,
De masten zijn van hout.

Vierentwintig muizen,
Die werkten o zo vlug.
De kapitein, die dikzak,
Stond boven op de brug.
Het was een leuk verhaaltje
Maar och, het was niet waar,
Een jongetje (meisje) in z'n (d'r) bedje,
Die droomde alles maar.

Terug naar overzicht