Jaardag
(met
dank aan Be p
Bos voor het sturen van de tekst: " opzegversje
voor moeder, hetgeen je toen (1955) op een heel mooi blaadje, speciaal
gekocht bij de boekhandel, mocht schrijven. ")
Ik ben nog op mijn blote voetjes,
'k heb mijn nachtjapon nog aan
en hier komt uw kleine dreumes,
zomaar voor uw bedje staan.
Op uw wangen, op uw neusje,
geef ik u een dikke zoen
en ik hoop nog menig keertje
op uw jaardag dat nog te doen.
Terug
naar overzicht
Jan
de Klap
(met
dank aan Klaas van den Berg voor het sturen van de tekst)
Jan
de Klap die kwam mij tegen
Op
het strooien brugje.
Koek
in de zak,
Pijp
in de zak,
Jan
die dacht dat kermis was.
De
kermis mocht niet duren,
Toen
ging hij naar de buren.
De
buren waren niet thuis,
Toen
ging hij naar de sluis.
De
sluis die was gesloten,
Toen
ging hij naar de boten.
De
boten lagen niet aan,
Toen
ging hij naar de baan.
De
baan die was zo glad,
Toen
viel hij op zijn gat.
Zijn
gat dat deed zo zeer,
Toen
ging hij naar de beer.
De
beer die wou niet brullen,
Toen
ging hij naar het veulen.
Het
veulen was niet wakker,
Toen
ging hij naar de bakker.
De
bakker had geen brood,
Toen
ging Jan de Klap van de honger dood
Terug
naar overzicht
Jan de wind
Foei,
Jan de Wind,
Wat
blaas jij hard.
Over
het land
En
door de stad.
Jij
blaast er maar op los,
Over
de zee en door het bos.
Ik
hoor de dikke bomen kraken
En
akelige geluiden maken.
De
golven zijn huizenhoog,
Het
schuim gaat met een grote boog,
Over
de dijk en over de duinen,
Takken
breken uit de kruinen.
Daar
ligt in de sloot een tak,
Er
zijn al pannen van het dak.
Bladeren
stuiven door de straat.
Ik
hoop, Jan de Wind,
Dat
jij gauw liggen gaat.
Terug
naar overzicht
Jan
die sloeg Lijsje
(S. Abramsz)
Jan
die sloeg Lijsje,
En
Lijsje die sloeg Jan,
Al
met de koekepan.
O,
wat een ongeluk !
De
koekepan was stuk !
Terug
naar overzicht
Jan Sul
(met dank aan
Mariëlla van Geffen voor het sturen van de tekst en aan Marc Jaspers voor
de aanvullingen)
Versje uit Limburg in België (Terlenen ligt in de buurt van Geetbets),
Boer Snul de pachter van Terlenen
had zes ezels gekocht in stad.
Vijf joeg hij er voor zich henen,
terwijl hij op de zesde zat.
Na zo een poos met stille schreden,
gelijk een president gereden,
telt hij zijn ezels na. Ei roept hij, wat is dat?
Ik heb er toch maar vijf, of heb ik mij bedrogen?
Hij telt en hij hertelt. Hij draait zich tienmaal om
en keert naar ‘t allenkant zijn ogen
Ja, ja ik ben hem kwijt, ik zie hem nooit weerom
Hij’s weg, ik wil mijn hoofd daarmee niet langer kwellen
Zo nadert hij zijn huis met alle zijn gezellen
Zijn vrouw stond aan de deur, hij riep haar toe van wijd:
Margo, ik ben een ezel kwijt,
ik weet niet waar hij is gebleven,
ik had er zes gekocht en heb er nog maar vijf.
Maar vijf, zegt Margo, maar vijf? Ik zie er zeven!
Eén, twee, drie, vier vijf, zes, toen stiet ze hem tegen ’t lijf:
En gij, Snul, zijn er dat geen zeven?
Terug
naar overzicht
Jannetje huil, Jannetje pruil
(met dank aan Mary Moret voor het sturen van de tekst)
Jannetje huil, Jannetje pruil,
Wat ben jij toch dom !
Altijd heb je traantjes klaar,
Dadelijk trekt je lipje raar.
Jannetje huil, Jannetje pruil,
Wees wat flinker, kom !
Jannetje huil, Jannetje pruil,
Doe die tranen weg !
Zet toch niet zo'n boos gezicht,
Doe dat tranen-kraantje dicht.
Jannetje huil, Jannetje pruil,
Wees wat flinker, zeg !
Jannetje huil, Jannetje pruil,
Als jij altijd schreit,
Speelt er niemand om je heen,
Ben je straks nog maar alleen.
Jannetje huil, Jannetje pruil,
Wees een grote meid !
Terug
naar overzicht
Jan-oom
zat in een boom
(S. Abramsz)
Jan-oom,
Zat
op een boom
Te
wachten.
Toen
brak de boom,
Toen
viel Jan-oom,
En
al de koetjes lachten.
Terug
naar overzicht
Jantje
(met
dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst)
Ons Jantje had gisteren zo’n vreselijk verdriet
Het kind schreide tranen met tuiten
Het stumpertje…had hij zijn traantjes gedroogd
Dan moest hij zijn neusje weer snuiten.
Waarom dan ? er was iets verschrikkelijks gebeurd
Hij had aan een spijker zijn broekje gescheurd
En Jantje zijn hemdje oh…oh..wat een schik
Had even een kijkje genomen
Ja. ’t slipje was, vind je ‘t niet meer dan brutaal
Door ’t scheurtje naar buiten gekropen
En bengels van jongens die trokken er aan
Was dat niet genoeg om aan ’t huilen te gaan?
Terug
naar overzicht
Jantje bijdehandje
(met
dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst)
Jantje was een bij-de-handje
Met zijn mondje wel wat vlug
Maar wie kaatst moet ook verwachten
Dat de kaatsbal keert terug.
Eens zei vader :”Jan hou op toch”.
Plaag je zusjes toch niet meer
Want ik weet wel uit ervaring
Plagen doet zo zeer
Jan keek op en zei heel guitig
Grootva heeft van U verteld
Dat U in uw jonge jaren
Veel uw zusjes hebt gekweld.
Da’s waar zei vader lachend
Pats… daar heb je net zo’n veeg
Als ik voor mijn stoutigheden
Eertijds van mijn vader kreeg.
Terug
naar overzicht
Jantje
lief en bijdehand
(met
dank aan Jos Huisman voor het sturen van de tekst)
Jantje
lief en bijdehand
Had
opeens een zieke tand
Toen
moest hij naar de dokter toe
‘s
Woendagsmiddags met zijn moe
Maar
het viel nogal mee
Want
de dokter zei 1 2
En
toen lag het zieke tandje
Zo
opeens in het prullenmandje
Terug
naar overzicht
Jantje,
niet zo dicht bij het water
(S. Abramsz)
Jantje,
niet zo dicht bij het water,
Anders val je er heus nog in !
Ach, verbeeld je, kleine Jantje
In de sloot tot aan zijn kin !
Dus, wat achteruit, hoor Jan,
Wacht maar tot je zwemmen kan.
Terug
naar overzicht
Jantje
zag eens pruimen hangen
Jantje
zag eens pruimen hangen,
O, als eieren zoo groot.
't Scheen dat jantje wou gaan plukken,
Schoon zijn vader 't hem verbood.
Hier is, zei hij, noch mijn vader,
Noch de tuinman die het ziet.
Aan een boom, zoo vol geladen,
Mist men een, twee pruimen niet.
Maar ik wil gehoorzaam wezen
En niet plukken, ik loop heen.
Zou ik om een handvol pruimen,
ongehoorzaam wezen ? Neen !
Voort ging Jantje naar zijn vader,
Die hem stil beluisterd had.
Kwam hem in 't loopen tegen.
Vooraan op het middenpad.
Kom mijn Jantje, zei de vader.
Kom mijn kleine hartedief.
Nu zal ik pruimen plukken,
Nu heeft vader Jantje lief.
Daarop ging vader aan het schudden,
Jantje raapte schielijks op.
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
En liep heen op een galop.
Terug
naar overzicht
Jantsje met het slappe
hantsje
(met dank aan Jaap Klijnsma voor het sturen van de tekst)
Jantsje met het
slappe hantsje,
Met het scheve
nekje,
En het scheve
bekje,
En de riedel in
de kont.
Terug
naar overzicht
Jezus
zoet voor ik ga slapen
(met
dank aan Cor Heuvelmans en Laurens Tangena voor het sturen van de tekst)
Jezus zoet voor
ik ga slapen
Kniel ik hier
eerbiedig neer
Om u hartelijk
te danken
voor uw zorgen
lieve heer
Als ik soms ook
stout geweest ben
Dan vergeeft u
Jezus mij
Want ik wil u
graag beloven
Morgen zal ik
beter zijn
Laat uw moeder
mij bewaren
Laat uw engel
bij mij zijn
En dan vraag ik
u eerbiedig
Lieve Jezus
zegen mij
Zegen ook mijn
lieve ouders
Zegen allen die
ik bemin
En dan wens ik
u welterusten
Strakjes slaap
ik lekker in
(Dit
is een avondgebedje)
Terug
naar overzicht
Jij
uit je aarde
(S. Abramsz)
Jij
uit de aarde, wat doe je hier ?
Een
man van boven zendt me hier.
Als
ik je bijt, wat zal je dan zeggen ?
De
man van boven zal je in zijn tonnetje leggen.
(vis
spreekt tot worm bij het hengelen)
Terug
naar overzicht
Johanna
heeft een vriendje
Johanna
heeft een vriendje,
Maar 'k zeg niet hoe het heet.
Toch zou 'k willen weten,
Wie of zijn naam soms weet.
Ik zal je beetje helpen,
't Draagt horens op zijn kop.
Geloof je 't niet? 't Is werk'lijk waar,
Denk heus niet dat 'k je fop.
Het vriendje kan niet praten,
Maar stom? Waarempel niet!
Dat zul je wel geloven
Wanneer je 't prentje ziet.
En 'k wil je nóg wat zeggen,
Het draagt een lange baard,
Maar 't mooiste komt nog achteraan,
Het vriendje heeft een staart !
Hoe zou nu 't vriendje heten ?
Ik denk wel, dat je 't weet.
De naam is zó gemakkelijk,
Dat niemand hem vergeet.
Ik wil je nóg wat zeggen,
Denk heus niet dat ik jok.
Het woordje heeft drie letters maar.
Wie weet het? 't Is een .....
Terug
naar overzicht
Jonas
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Jonas in de
wallevis,
Die vannacht
gevangen is
In het zoute
water,
Visje hou je
snater,
Visje hou je
lachebek,
Van je een -
twee - drie.
Terug
naar overzicht
Juffrouw Diewertje Dee van
Duimen
(met dank aan Marja de Heer voor het sturen van de tekst)
Juffrouw
Diewertje Dee van Duimen
Had een hoed
met gele pluimen.
Vol met rozen
en rozetten
Die ze nooit
meer af wou zetten.
Niet in bed en
niet in bad
Niet bij 't
winkelen in de stad.
Niet in de
keuken onder het werk
Niet in de
kamer en niet in de kerk.
Juffrouw
Diewertje Dee van Duimen
Met haar hoed
met gele pluimen,
Ging aan het
wandelen in de regen,
's Avonds laat
om kwart voor negen.
Hoepla hoei
daar kwam de storm
En woei en woei
en woei enorm.
Ftttttttttt
zoals de storm dan doet
Weg was de hoed
voorgoed, voorgoed.
Juffrouw
Diewertje Dee van Duimen,
Zonder hoed met
gele pluimen,
Zit nu in de
droefenis
Weet niet meer
wie of ze is.
Vraagt aan
ieder die ze ziet,
Ben ik het nou
of ben ik het niet.
En de mensen
zeggen dan
Kijk me eerst
eens even an.
Nee juffrouw
het spijt me zeer,
Maar we kennen
u niet meer.
Wie geeft haar
een hoed present
Zodat ieder
haar weer kent ?
't Moet een
mooie zijn een nette,
Die ze nooit
meer af wil zetten.
Wie heeft er
een hoed met gele pluimen ?
Voor juffrouw
Diewertje Dee van Duimen ?
Terug
naar overzicht
Juffrouw
Katrijntje
Juffrouw
Katrijntje
Zat achter 't gordijntje.
Wat deed ze daar ?
Zij kamde haar haar,
Ze poetste haar tandjes
En waste haar handjes.
Zij droogde ze af
en stak z' in d'r zij;
Ze knielde er bij.
Terug
naar overzicht
Juffrouw
Lorre
(met
dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)
Juffrouw
Lorre, mens wat heb je,
Wie heeft dat gedaan ?
Ik vloog vannacht in 't pikkedonker,
Tegen een boomstam aan.
Ik schaafde erg mijn kopje
En ik brak een vingertopje.
Hier een wond
Daar een schram
Hoe ik toch zo suffig kwam ?
Terug
naar overzicht
Juffrouw muis
(met
dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)
Mutsje op en
rokje aan, was ze
's Morgens
uitgegaan juffrouw muis,
Maar het viel
haar tegen,
Het was een
koude najaarsregen.
Het water
drupte van haar staartje,
En ze rende met
een vaartje,
Lange benen
lopen vlug,
Haastig weer
naar huis terug
Maar o wee wat
zag ze daar,
Heel de boel
lag door elkaar.
O wie had dat
toch gedaan ?
Laat eens zien
wie hier tegenover woont.
Een kleine
wilde rover maar wacht eens.... het is bepaald de mol geweest
En terstond
stapt' onbevreesd juffrouw muis uit haar huis en klopte bij haar buurmans
huis.
Ze roep:
,,Zwarte mol kom jij eens uit je hol ben jij blind of ben jij dol ?"
,,O lieve muis,
het is gebeurd per abuis
Toen ik op het
veld kwam vanmorgen,
Voor mijn eten
wou gaan zorgen,
Kwam waf, waf,
waf,
Er een grote
keeshond op me af en ik vluchtte
Gauw naar een
veilige haven,
Door mijn in de
grond te graven.
Maar ik
bedacht,
Met zo ras dat
ik in uw huisje was."
,,De ramp is de
licht vergeten,
Ik denk waneer
je was gebeten dat je gauw door zo'n knauw,
Niet meer
vertellen zou.
En het is in
een keer weg je leven,
Niemand die je
het terug kan geven.
Maar een huis
van zand en hout,
Is in korte
tijd herbouwd !
Terug
naar overzicht
Juffrouw
van Dalen
( Vera
Witte, De
Kleine Troubadour 1964)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)
Juffrouw
van Dalen
spreekt
zeventien talen.
Juffrouw
van Dalen
is
vreeslijk geleerd
Ze
weet wel van wanten:
Ze
leest alle kranten,
en
zegt nooit een letter
of
woordje verkeerd.
Ze
leest alle boeken
om
wijsheid te zoeken,
de
moeilijke boeken,
waaruit
ze wat leert.
Ze
leest ze aan rafels.
Ook
kent ze de tafels
tot
over de honderd
Het
gaat zo gesmeerd.
Ze
leeft in haar huisje,
zo
stil als een muisje,
ze
leeft in haar huisje,
als
een mol in de grond.
Je
ziet er geen planten.
Wel
boeken en kranten.
Die
liggen in stapels
tot
aan het plafond.
Ze
rookt er sigaren,
Maar
enkel maar zware.
Ze
rookt en studeert.
Maar
wanneer gaat ze uit?
Héél
enkele malen
om
boeken te halen.
Dan
kruipt zij héél even
Haar
holletje uit.
Terug
naar overzicht
Juffrouw,
wil je je jongetje verbieden ? (S. Abramsz)
Juffrouw,
wil je je jongetje verbieden ?
Hij
komt 's avonds aan mijn deur !
Tingelingeling,
klop, klop, klop.
Juffrouw,
blief je ook zwavelstok ?
Terug
naar overzicht
Juttepeer en Zoetekauw
Dag meneer
Juttepeer
Dag mevrouw Zoetekauw
Komt u even naast me zitten
Wel mevrouw, zou ik het doen
Ik moet nog naar juffrouw Koen
Och vooruit, het is nog vroeg
Ik heb nog wel tijd genoeg
Kijkt u toch eens naar die mussen
Ja, ze hippen overal tussen
Weet u wat, ik neem een taartje
Wel, dan rook ik een sigaartje
Nou, ik moet er echt vandoor
Nou mevrouw, het beste hoor
Dag meneer Juttepeer
Dag mevrouw Zoetekauw
Terug
naar overzicht
Kaatje,
ben je boven ?
Kaatje,
ben je boven?
Ja, juffrouw.
Moet je wat beloven.
Goed juffrouw
Tien pond suiker, zes flessen wijn,
Wat zullen wij vanavond vrolijk zijn.
Doe dat in een keteltje,
Roer dat met een lepeltje.
Oh, wat zal dat lekker zijn,
Oh, wat zal dat lekker zijn
Terug
naar overzicht
Kaatje
ben je boven ?
(met
dank aan Marjolein de Haan voor het sturen van de tekst)
Kaatje
ben je boven? Jazeker dat klopt!
De spinnen die hebben mijn sokken gestopt.
Ze
deden het handig, ze deden het snel.
Kriskras
langs mijn tenen, maar het kriebelde wel.
Er staat hier op zolder 'n heerlijke rommel:
Een
lekkende gieter, een knarsende schommel.
Een
stoel met drie poten de vierde is krom.
En
als je niet stilzit dan kukel je om.
Een ketel vol deuken, een bel die niet belt,
Een
pijp zonder kachel, een beurs zonder geld.
Twee
manden vol lappen een deken vol motten,
Een
hoed met een veer maar het is een kapotte.
Daarop
danst een muisje haar muizenballet.
Zoiets
gebeurt niet bij ons op de flat.
Een mand met een gat, een kleed met een scheur,
Een
kap zonder lamp, een knop zonder deur,
Een
kam met drie tanden, een roestige pook
En
hoog in de balken een rammelend spook.
Soms
lacht het me toe want het spook is heel tam,
En
heeft ook drie tanden precies als de kam.
Het is hier gezellig, ik voel me hier thuis,
Bij
de spinnen, het spook en de dansende muis.
En
is er soms iemand die het niet wil geloven ?
Kom
dan bij Kaatje.. en Kaatje is boven !
Terug
naar overzicht
Kaatje
ben je boven ?
(met
dank aan Sandra Nederlof voor het sturen van de tekst)
Kaatje ben je
boven ?
Ja mevrouw ik
schudt het bed
Kijk je dan
ook naar de vlooien ?
J a
mevrouw ik vang (of tel ) ze net.
Terug
naar overzicht
Kaatje
Geitenbreier
(met
dank aan Corrie de Lange voor het sturen van de tekst)
Kaatje
Geitenbreier ging trouwen,
Met
haar vriendje Bertus Bok.
Heel
de buurt kwam bruiloft vieren,
In
't versierde geitenhok.
Kaatje
droeg een wit toiletje
En
een sluiertje erbij.
En
ze droeg een bruidsboeketje,
Van
versgeplukte prei.
Prei,
dat lust ze wel ons Kaatje.
En
als niemand op haar let,
Plukt
ze telkens een blaadje
Van
haar mooie bruidsboeket.
"Gunst,"
zei Bertus na een poosje:
"Waar
zou je boeketje zijn?"
"Lieve
help, 'k heb het op,
Het
rook zo fijn !"
Maar
de Bok begon te roepen:
"Ik
ga weer naar huis toe hoor.
Met
een geit die zo kan snoepen,
Gaat
het bruiloftsfeest niet door !"
Terug
naar overzicht
Kaatje morsebel
(met
dank aan Riet Rademakers en M.D.Ph. van der Werf voor het sturen van de teksten)
Kaatje, Kaatje,
morsebel,
Honderd maal
zei moeder wel,
Kaatje, Kaatje,
wees toch net,
Pas toch op je
servet.
Maar het hielp
geen ziertje,
Kaatje bleef
een morsig diertje.
Wat heeft
moeder toen gedaan,
Ze is naar het
varkenshok gegaan,
Daar heeft
Kaatje ingezeten
En met de
varkens pap gegeten.
Versie 2
Kaatje was
een morsebel.
Elken dag zei
moeder wel:
" Kind
gebruik toch je servet;
Houd je
jurkje toch wat net!"
Maar wat
z'ook zei, het hielp geen ziertje:
Kaatje bleef
een morsig diertje!
Wat heeft
moeder toen gedaan?
Ze is naar 't
varkenshok gegaan,
En, toen 't
uur van 't eten kwam,
Zij daaruit
drie bigjes nam.
Tusschen die
drie in gezeten,
Moest zij
toen dien avond eten.
Kaatje huilde,
en was ontzet,
Maar de
bigjes hadden pret!
Hun was 't
niet om het fatsoen,
Maar om het
lekkere eten te doen!
Terug
naar overzicht
Kabouter
Christoffel
Kabouter
Christoffel woont in een pantoffel,
In een pantoffel met ruiten.
Hij heeft er z'n bedje, z'n boeltje, z'n tafeltje en z'n stoeltje
En het is er véél lekkerder dan buiten.
Ik
ruil, zegt Christoffel, die fijne pantoffel
Nog
niet voor een huisje van stenen.
En
wil je 't proberen, je kunt hier logeren
Er
is wel plaats voor vijf tenen.
Terug
naar overzicht
Kabouter Joel
(met
dank aan Marja de Heer-van Buuren voor het sturen van de tekst)
Midden in het
grote bos,
Staat een
tafeltje van mos.
Daaraan zit
kabouter Joel,
Op een rode
paddestoel.
Voor hem staat
een napje,
Met een
heerlijk hapje.
En een
eikeldopje,
Gebruikt hij
als een kopje.
Kijk daar komt
zijn vriend konijn,
Zou die ook
niet hongerig zijn ?
Jawel zeker van
dat warme napje,
Lust hij ook
nog wel een hapje.
Hun buikjes
zijn nu vol en rond,
Ze gaan wat
slapen op de grond.
In het zachte
bed van mos,
Midden in het
grote bos.
Terug
naar overzicht
Kangoeroes
(met
dank aan Nicole Gast voor het sturen van de tekst)
(klik
op het plaatje om te vergroten)
Kangoeroes,
dat weet je wel,
Houden
veel van sport en spel.
Hoepla,
daar springt vlugge Leen
Over
zusje Nettie heen !
Maar
die domme, domme guit
Steekt
haar kopje wat vooruit ....
En
daar krijgt ze, tot haar schrik,
Van
Leens dikke staart een tik !
Terug
naar overzicht
Katje poesje Nelletje
(met
dank aan Aafke Simon - Versluis voor het sturen van de tekst)
Katje poesje
Nelletje
Waar ben je
toch geweest?
Je hebt
verbrand je velletje,
En je was zo’n
aardig beest.
Foei poes
lelijke poes is het toch een schande,
Dat jij je
mooie velletje zo lelijk laat verbranden.
Heb ik in mijn
laatje nog een naaldje en een draadje
En een stukje
poezevel waar ik je mee herstellen zal.
Terug
naar overzicht
Katrieneke
Elke
morgen hetzelfde lied,
Hé Katrieneke die is er niet.
Een half uur later komt ze aan
En ze zegt dan heel ontdaan:
"De wekker was stuk en de brug stond open,
Mijn band was lek dus ik moest gaan lopen.
Katrieneke, kom, kom,
Het is wat anders, het is wat anders.
Katrieneke, kom, kom,
Je bent te laat maar waarom ?"
Eind'lijk zegt de juffrouw "stop !
Mijn geduld is nu eind'lijk op.
Elke morgen hetzelfde lied.
Hé Katrieneke is er niet, want:
Je wekker was stuk en de brug stond open,
Je band was lek dus je moest gaan lopen.
Katrieneke, ik wed:
Het is wat anders, het is wat anders.
Katrieneke, ik wed:
Je gaat te laat naar je bed !"
Terug
naar overzicht
Keesje
(met dank aan J. v. Bockel Perdu voor het sturen van de tekst)
Uren
lang kan Keesje kijken,
Naar
de schepen groot en klein.
Varen,
varen denkt ons ventje,
Ik zal
zo graag schipper zijn.
Op een
goede morgen sprak ons ventje,
Schipper Arie aan.
Schipper mag ik met je varen gaan.
Wis en
zeker sprak de schipper,
Maar
je moet eerst nog wat groeien,
Voordat ik je gebruiken kan.
Terug
naar overzicht
Kees Koukleum
(met
dank aan Feico Nater voor het sturen van de tekst)
Klappertandend kwam Kees Koukleum kolen kopen.
"Kijk,
kijk," kakelde kolenkoopman Kuipers. "Kees klappertandt! Koud, Kees?"
"Kerel,"
klaagde Kees. "Knikkende knieën, krakende knoken, kompleet klapperende
kiezen..."
"Kurieuze
kou," knikte Kuipers. "Koop kolen, knul! Kolen kunnen kou klein krijgen!"
Terug
naar overzicht
Keizer
Karel had een hond
(S. Abramsz)
Keizer
Karel had een hond.
'k
Leg je 't woord al in den mond:
"Hoe
heet Keizer Karel z'n hond ?"
Terug
naar overzicht
Kerstmis
(met
dank aan M.D.Ph. van der Werf voor het sturen van de tekst)
Met Kerstmis,
met Kerstmis,
Dan is 't bij
ons volop:
d an
slacht mijn moeder een pekelharing,
En ik, ik krijg
de kop!
Terug
naar overzicht
Keteltje
dik van buik
Keteltje,
dik van buik
Dit is mijn oor
En dit is mijn tuit.
Als het water kookt
Dan roep ik luid:
"Til me op en schenk me uit."
Terug
naar overzicht
Keutje
wou niet naar schole gaan
(met
dank aan Carola)
Keutje
wou niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Toen gingen ze naar de honden:
Honden, wil je keutje bijten?
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Neen, zeien de honden.
Toen gingen ze naar de stokken:
Stokken, wil je honden slaan?
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Neen, zeien de stokken.
Toen gingen ze naar het vuur:
Vuur, wil je stokken branden?
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Neen, zei het vuur.
Toen gingen ze naar het water:
Water, wil je vuur blussen?
Vuur wil geen stokken branden,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Neen, zei het water
Toen gingen ze naar de koe:
Koe, wil je water drinken?
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Neen, zei de koe.
Toen gingen ze naar den man:
Man, wil je koe kuisen?
Koe wil geen water drinken,
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Neen, zei de man.
Toen gingen ze naar de galg:
Galg, wil je man hangen?
Man wil geen koe kuisen,
Koe wil geen water drinken,
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Neen, zei de galg.
Toen gingen ze naar de rat:
Rat, wil je galg krabbelen?
Galg wil geen man hangen,
Man wil geen koe kuisen,
Koe wil geen water drinken,
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Neen, zei de rat.
Toen gingen ze naar de kat:
Kat wil je ratten vangen?
Rat wil geen galg krabbelen,
Galg wil geen man hangen,
Man wil geen koe kuisen,
Koe wil geen water drinken,
Water wil geen vuur blussen,
Stokken willen geen honden slaan,
Honden willen geen keutje bijten,
Keutje wil niet naar schole gaan,
Of ze moest gedragen zijn
Van een meisje hupsch en fijn.
Ja, zei de kat.
En de kat naar de rat,
En de rat naar de galg,
En de galg naar de man,
En de man naar de koe,
En de koe naar het water,
En het water naar het vuur,
En het vuur naar de stokken,
En de stokken naar de honden,
En de honden naar keutje,
En keutje al haar best naar school !
Terug
naar overzicht
Kiekeboe
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor de tekst)
Kleine
zusje speelt met moe
Kiekeboe, kiekeboe,
Achter 't witte wiegekleedje.
Even open gaat het spleetje
Kiekeboe, kiekeboe,
Dan weer gauw het spleetje toe.
Kleine zusje wordt niet moe,
Kiekeboe, kiekeboe.
Moeder legt haar onder 't dekje,
Maar nog roept het aardig bekje:
Kiekeboe, kiekeboe.
Mondje open, mondje toe.
Eind'lijk vallen de oogjes toe,
Kiekeboe, kiekeboe,
Tussen beide ogenleedjes
Komen nog reis smalle spleetjes,
Kiekeboe, kiekeboe,
Dan gaan bei haar oogjes toe.
Terug
naar overzicht
Kiespijn
(S. Abramsz)
Kleine
Jantje heeft zo’n kiespijn,
Kleine
Jantje heeft verdriet.
Ach,
hij kan niet eens meer lachen
En
hij eet ook bijna niet.
O,
‘t is maar een heel klein gaatje
In
de zere kies van Jan.
Hoe
is ‘t mogelijk, zou je vragen,
Dat
hem dat zo plagen kan.
Maar
straks gaat ons Jantje even
Naar
de tandarts met zijn moe.
En
die maakt dat nare gaatje
Wel
weer keurig netjes toe.
En
als Jantje dan weer thuis is,
Wel,
dan huilt hij heel niet meer,
Want
dan is de kiespijn over
En....
Hij
lacht als vroeger weer.
Terug
naar overzicht
Kietelneus
(met
dank aan Hans Greuter voor het sturen van de tekst)
Kietelneus had erge tandpijn
En
toen nam moe,
O mdat
ze toch naar de stad moest,
H em
mee naar de tandarts toe.
Tandje
werd toen vlug getrokken,
Kiedtelneus was eeeerg geschrokken....
Terug
naar overzicht
Kijk Jan-Piet daar zit een
uil
(met
dank aan Willem Jan Jonker voor het sturen van de tekst)
Kijk... Jan-Piet, daar zit een uil,
In het
loof der boom houdt hij zich schuil.
Het
beest is ziek... of blind misschien
Welnee, hij kan bij dag niet zien.
Maar
nauwelijks is het zonnetje onder,
Of dan
snort ie door de lucht en snuift ie door de struiken
En
ontrooft ons in de nacht een menig kuiken.
In de
duisternis van de nacht,
Gaat
hij op vogels jacht.
Terug
naar overzicht
Kiki
Kor op weg naar Luilekkerland
(Vera Witte, De
Kleine Troubadour 1964)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)
Het
kleine muisje Kikie Kor,
Met
haar leuke grijze snor,
Is
stilletjes door ‘t hol gekropen,
En
ze zet het op een lopen,
Om
de wereld in te gaan
Waar
wel duizend kazen staan.
Waar
de boter ligt te blinken,
En
je vette room kunt drinken.
Met
haar vriendje Knabbeltand,
Wil
zij naar Luilekkerland.
Kijk
daar komt dat flinke muisje,
In
zijn grijs fluwelen buisje,
Opgetogen
aangesneld,
Als
een echte spring in ’t veld.
“Dag”
zegt Knabbeltandje fleurig.
“Kind,
wat staan je snorren keurig.
O,
je ziet er schattig uit,
Met
je kleine spitse snuit!”
“Kom”,
lacht Kikie “geen getreuzel !
Ruik
jij ook die varkensreuzel ?"
Snorrebaardje,
opgepast:
"Wij
gaan naar de keukenkast !”
Wip
– daar zitten ze te eten,
Tot
ze van geen tijd meer weten.
Maar
opeens zegt Kikie zacht:
“
‘k Hoor geritsel. Da ’s verdacht!”
O,
wat moeten zij beginnen!
Kikie’s
ouders komen binnen.
‘Piep”
zegt vader, wit van nijd.
“
Jij krijgt straf hoor, stoute meid”.
‘Vadertje”zegt
moeder bevend.
“Onze
Kikie is nog levend.
Laten
we toch dankbaar zijn!”
“Hm”
piept vader, “ nou affijn.
‘k
zal mijn tijd eerst goed gebruiken.
Moet
je toch dat vet eens ruiken!
Ik
ben hongerig en moe.
Geen
gezeur hoor. Tast maar toe”.
O,
dan gaan ze heerlijk eten.
En
de straf? Die wordt vergeten !
Terug
naar overzicht
Kikker
(met
dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst)
Er zat
een kikker in de sloot,
Hij
was niet klein, hij was niet groot,
Hij
was zowat van midden slag,
Het
was op een snik snikhete dag,
Ik wou
dat ik een vogel was,
Dan
vloog ik naar een diepe plas.
Maar
’t arme kikkervolk, niet waar,
Bezit
geen veren en geen haar.
Terug
naar overzicht
Kindergedachten
(C.S. Adema van Scheltema)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Het
regent, o wat regent het !
Ik
hoor het uit mijn warme bed,
Ik
hoor de regen zingen.
Het
regent, regent dat het giet
Dat
niemand daar nou niets van ziet
Van al
die donkere dingen !
Het
ruist en regent en het spat
Nou
worden alle bomen nat
En
plast het in de sloten.
Het
regent, regent overal !
O hé !
daar loopt het zeker al
Bij
straaltjes uit de goten !
Wat is
dat gek en leuk geluid !
Wat is
dat lekker om dat uit
Je
donker bed te horen.
't Is
of de regen samen praat,
Of dat
een kerel buiten staat
Te
fluisteren aan je oren !
Nou
druipt het in dat open gras
Nou
zal er wel een grote plas
Op
alle wegen komen.
Nou
lopen nergens mensen meer.
Verbeel je eens, in zo een weer !
Daar
wou ik wel van dromen !
En
vroeg, morgen, in de zonneschijn,
Als
dan de blaadjes zilver zijn
Met
druppeltjes bepereld.
Dan
doe ik toch mijn eigen zijn.
Dan
loop ik héél en héél ver in
De
schoongeworden wereld !
Terug
naar overzicht
Kinderlijk
geloof
(van bidprentje de Volks-missionaris)
(met
dank aan Christel Aarts voor het sturen van de tekst)
Daar
trok weleer een godsgezant
Door
dorp en stad van Engeland,
Verkondigde
daar Jezus’ leer,
Bracht
menigeen ten Schaapstal weer.
Eens
sprak hij voor een kindrenschaar
Van
Jezus, die op ’t hoogaltaar
In
’t gouden tabernakel woont,
En
zich aan elk zoo minzaam toont.
Strak
luistrend zat de lieve jeugd,
Op
elk gelaat blonk hemelvreugd,
In
menig oog een heldre traan,
Zoo
innig waren ze aangedaan.
De
leering eindt – men gaat naar huis.
Één
knaapje blijft bij ’t missiekruis,
En
gaat, als niemand zich meer toont,
De
kerk weer in, waar Jezus woont.
Omzichtig
treedt hij in, en ziet,
Of
nergens iemand hem bespiedt.
»Ja,«
fluistert hij: »nu maar gegaan,
’t
Klop zachtjes daar bij Jezus aan!«
Maar
hoe hij de armpjes rekken moog’
Het
gouden deurtje was te hoog…
Wat
nu?… Voor ’t kind is ’t geen bezwaar.
Het
klautert boven op ’t altaar.
’t
Is still… tik, tik… ’t klopt aan en hoort–
Daar
binnen klinkt geen enkel woord.
»Maar,
Jezus, ‘k leerde nog zoo juist,
Dat
Gij in ’t tabernakel huist?«
En
’t klopt al harder, harder aan,
Misschien
had Jezus ’t niet verstaan.
»Spreek,
lieve Heer, och spreek nu toch!
Gij
zijt hier – waarom zwijgt Gij nog?«…
»Och
Jezus, spreek een enkel woord,
Ik
ga van hier niet onverhoord!
Mijn
Jezus, ‘k min U toch zoo zeer,
Ach,
luister toch eens, lieve Heer!« –
O
wonder! Hij, die ’t schuldloos kind
Zoo
vaderlijk, zoo godlijk mint,
Niet
langer, neen, schijnt Jezus doof
Voor
’t kloppen van dat sterk geloof.
»Ja,«
spreekt Hij, »hier is Jezus’ woon,
Ik
rust hier op een gouden troon,
En
hoor naar elk vol medelij,
Spreek,
kindeken, wat wildet gij?«
»Och
Jezus, vader is zoo kwaad,
Zoodat
hij vloekt en ons zoo slaat.
Sterft
vader zoo, dan moet Gij wel
Hem
eeuwig straffen in de hel!«
»Mijn
Jezuslief, Gij zijt zoo zoet,
Maak
vader ook weer braaf en goed,
Opdat
hij eens voor eeuwig blij
Bij
U en mij en moeder zij.«
En
Jezus treft die kinderbêe,
»Ga
knaapje,« zegt Hij, »ga in vrêe,
Ik
zorg dat vader zich bekeer,
Ga
maar getroost naar moeder weer.«-
En
’t kind gelooft dat zoete woord,
’t
Klimt af, en spoedt zich huiswaarts voort
En
huppelt straks aan moeders zij,
O
als een e ngeltje
zoo blij.
Maar
’s avonds kwam bij ’t schemerlicht,
De
vader van het lieve wicht
Half
schuchter naar het kerkgebouw,
Het
hart vermorzeld door berouw.
Daar
knielt hij voor Gods Priester neer,
Gods
Priester geeft hem de onschuld weer
Dan
snelt hij naar zijn gade en kind,
Waar
hij nu ware vreugde vindt.
Terug
naar overzicht
Kinderlijk geluk
(Hieronymus van Alphen 1746 - 1803)
(met
dank aan Christel Aarts voor het sturen van de tekst)
Ik ben
een kind,
Van God bemind,
En tot geluk geschapen.
Zijn liefde is groot;
'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood,
Een wieg om in te slapen !
Ik leef gerust;
Ik leer met lust;
Ik weet nog van geen zorgen.
Van 't spelen moe,
Sluit ik mijn oogjens 's avonds toe,
En slaap tot in de morgen.
Geloofd zij God
Voor 't ruim genot
Van zo veel gunstbewijzen !
Mijn hart en mond,
Zal hem, in elke morgenstond,
En elke avond prijzen.
Terug
naar overzicht
Kindje
ben je weggelopen
Kindje,
kindje, ben je weggelopen,
Stilletjes
de heuvel op gekropen ?
Foei,
jij stoute kind, moesje zal je wel eens zoeken,
Overal
in alle hoeken, of ze jouw ook vindt.
Kom
maar gauw bij moesje, bij je speelgoed en je poesje,
Thuis
is het net zo goed.
Ik
denk dat jij net zoals een geitje,
In
een zonnig bloemenweidje,
Aan
een touwtje moet.
Terug
naar overzicht
Kindje,
ga naar bedje
(S. Abramsz)
Kindje,
ga naar bedje,
En
doe je oogjes toe.
En
als je dan weer wakker wordt,
Dan
spelen we kiekerdeboe.
Terug
naar overzicht
Kip
Kakelaar
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk
voor het sturen van de tekst)
Kip
Kakelaar had kuikens: een, twee, drie, vier, vijf, zes,
Die
kregen iedere morgen een uurtje kakelles.
Dan
klom de kippemoeder parmantig op een steen
En 't
kleine grut stond luisterend al om de moeder heen.
Maar
één van het zestal kuikens, dat was een raar geval,
´t
Scheen vreselijk dom te wezen, want het leerde niemendal.
´t Had
mogelijk geen oren ofwel een spraakgebrek,
Want
´t riep in plaats van toktoktok alleen maar kwekkwekkwek.
Toen
dat een poos geduurd had, werd moeder kip heel kwaad
En
vroeg op zekere morgen aan vader haan om raad.
Die
zou eens komen luisteren naar het onderwijs der zes
En
toen hij was gezeten, begon de kakelles.
Kwekkwek, riep weer die domoor; toen sprak de haan gezwind;
Dat
beest leert nimmer kakelen, dat is geen kippekind !
Vrouw
Kakelaar verschrikte en sprak met groot verdriet:
Wat
moet ik nu beginnen ? Ik weet....ik weet het niet....
Kom
vrouw, wees niet zo droevig, zei toen weer vader haan,
We
zullen het beest verdrinken, dan is het meteen gedaan !
Voort
ging het naar de vijver. Mars beest ! riep Kakelaar,
En
smeet het jong in het water: Vooruit, verdrink nu maar.
Maar het kuiken kwaakte vrolijk en dreef op de effen plas
Zo
dartel rond alsof het op een partijtje was.
't
Zwom naar de zwanekuikens en stoeide er lustig mee
En aan
de oever stonden zijn ouders, alle twee.
Dat
kan ik niet begrijpen, zei moeder Kakelaar,
Ik zeg
je: het is een wonder, een wonder-kip, voorwaar !
Maar
vader haan riep kraaiend: Nee vrouw, dat heb je mis.
Ik zeg
je dat die kwaker een eendekuiken is !
Terug
naar overzicht
Klaas en Pietje
(Hieronijmus van
Alphen 1746-1803)
(met dank aan
Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Klaasje
Pietje, zoo gij niet wilt deugen,
Dan verschijnt de zwarte man.
Pietje
Klaasje, foei, dat is een leugen !
Laat hem komen als hij kan.
Die aan zulk een man gelooft,
Is van zijn verstand beroofd.
Terug
naar overzicht
Klaas
Vaak die komt
(S. Abramsz)
Klaas
Vaak die komt,
Klaas
Vaak die komt,
Hij
komt den schoorsteen in.
Hij
komt op kindjes oogjes,
Is
dat geen goed begin ?
Terug
naar overzicht
Klein Jantje
Ik ken
een heel klein ventje.
Klein
Jantje van oom Koos,
Zijn
mond moest altijd lachen,
Geen
mens vond hem ooit boos.
En als
we met hem speelden,
Dan
was hij o zo blij,
Geen
een van al de kinderen,
Was
dan zo blij als hij.
Maar....ziek werd ons klein Jantje,
Erg
ziek, naar dokter zei,
Geen
pillen, poeders, drankjes,
Niets
hielp, zo ziek was hij.
Klein
Jantje is gestorven,
En nu
is oom alleen.
Het is
zo stil zo akelig,
Zo
eenzaam om hem heen.
In een
hoekje van de kamer,
Verborgen achter het gordijn,
Staat
nu klein Jantje's stoeltje,
Waar
zou klein Jantje zijn ??
Terug
naar overzicht
Klein Jantje
(met dank aan
Jacqueline Clement
voor het sturen van de tekst)
Wat
hebben we laatst gelachen,
Bij
ons in de klas.
Het
was om kleine Jantje,
Die
waarlijk grappig was.
Hij
vroeg aan onze meester:
Meester als ik zoet ben mag ik dan
Mijn
krentenbol opeten?
Een
krentenbol, mijn ventje,
Hoe
kom je daar nu an ?
Die
heb ik van mijn moeder gekregen
Toen
ik naar school toe kwam.
Ligt
die niet in mijn kastje,
Dan
ligt hij wel op de grond.
Ik kan
hem echt niet vinden,
Ik wou
dat iemand hem vond.
Opeens
begon Jantje te huilen,
Huilen, wat is dat.
Ik heb
hem al opgegeten
En ik
dacht dat ik hem nog had.
De
klas begon te lachen,
Ze
schaterden het uit,
Toen
moest Jantje ook maar lachen,
Die
kleine domme guit.
Terug
naar overzicht
Klein Keesje en klein Koosje
(met dank aan Wim Hanekamp
voor het sturen van de tekst)
Klein
Keesje en klein Koosje die gingen samen uit.
Klein
Keesje mocht wel wand’len gaan,
Maar
Koosje had het stil gedaan.
Zo’n
stoute, stoute guit.
Klein
Keesje en klein Koosje die kwamen bij een sloot.
Klein
Koosje wou er overheen,
Maar
Keesje schudde flink van neen.
Want
wie verdrinkt is dood.
Klein
Koosje nam een aanloop en sprong er midden in.
En het
arme domme ventje zat,
Al
stond er juist niet heel veel nat.
Toch
onder tot zijn kin.
Terug
naar overzicht
Klein,
klein, muisje
(S. Abramsz)
Klein,
klein, muisje !
Waar
zit-ie ?
In
't huisje.
Wat
doet-ie ?
Hij
werkt.
Voor
wie ?
Voor
de kleine poppedijne,
Voor
de groote bombam.
Goeien
avond, speelman.
Terug
naar overzicht
Klein Willemijntje
Klein
Willemijntje zat achter het gordijntje,
Wat deed ze daar ?
Ze kamde haar haar,
Ze waste haar handjes,
Ze poetste haar tandjes,
Toen deed ze een mooie strik in het haar,
En toen was kleine Willemijntje klaar.
Terug
naar overzicht
Klein
zusje
(S. Abramsz)
Kopje
rond,
Kopje
blond.
Dag,
mijn lieve zusje.
Neusje
klein,
Oortje
fijn,
Zus,
ik geef je een kusje.
Zusjelief,
Hartedief.
O,
wat lacht je mondje.
Heb
je hier
Zo’n
plezier,
Aardig,
vriendelijk blondje
Terug
naar overzicht
Kleine blonde krullenbol
(met dank aan Joke Leenders voor het sturen van de tekst)
Kleine
blonde krullenbol,
Stond
voor het spiegelglas,
Keek daar heel verwonderd
Dat
daar net zo'n zusje was.
Net zulke mooie krullen,
Net
zo'n strik in 't haar,
Net zo'n mooie jurk aan,
Hé wat
is dat raar !
Kleine blonde krullenbol,
Bleef
van verbazing staan,
Lachte ,wuifde, en vroeg
Zeg
waar kom jij vandaan.
Hier heb je een kusje,
Praat
dan toch eens zeg,
Hé wat ben je klein en dom,
Nee
dan loop ik weg.
Terug
naar overzicht
Kleine dingen
(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)
Knielen bij de kleine dingen,
Bij
het wiegje van een kind,
Voor
een vreugd om van te zingen,
Dat ik
leef en word bemind.
Voor
een nieuwe blijde morgen,
Voor
de slaap van heel de nacht,
Voor
't gezin dat ik mag verzorgen,
Voor
de brief die werd gebracht.
Danken
als het land mag drinken,
Na een
frisse regenval,
Voor
de zon , als druppels blinken,
Schitteren als fijn kristal.
Als
daar stralend in de wolken,
Staat
Gods wijde regenboog,
Waarin
Hij tot alle volken,
Zich
in liefde neder boog.
Knielen bij de kleine dingen,
Worden
kleine dingen groot,
Zie ik
steeds meer zegeningen,
Word
ik kleiner, en God groot.
Terug
naar overzicht
Kleine guit
(met dank aan Tilly Kuijpers voor het sturen van de tekst en Toos
Pietersma voor de aanvulling)
Kleine
guit zag eens een vinkennest,
Hij
dacht dat moet ik hebben,
Want
klimmen kan ik best.
Al
ho-oger, al ho-oger,
Klom
toen die kleine guit
Om
’t vinkennest te stelen,
Maar
ach dat kwam slecht uit.
Want
kri-ik krak, want kri-ik krak,
De tak
waarop hij stond,
Brak
onder zijne voeten,
En hij
viel op de grond.
Daar
lag hij daar lag hij
Nu in het bos alleen,
Met krabben op zijn gezichtje
En een gebroken been.
Terug
naar overzicht
Kleine
mensen willen groot zijn
Kleine
mensen willen groot zijn,
Grote mensen vaak weer klein.
Zou het niet het beste wezen,
Altijd maar jezelf te zijn ?
Terug
naar overzicht
Kleine poes zit voor het raam
(met dank aan Cécile van Dongen voor het sturen van de tekst)
Kleine
poes zit voor het raam
en zij
likt haar pootje
en zij
kijkt haar oogjes uit
naar
het vogelkooitje.
Foei,
jij stoute deugeniet,
laat
dat kooitje hangen !
Vogeltjes zijn niet voor de poes,
poes
moet muisjes vangen.
Terug
naar overzicht
Kleine
waterdruppels
Kleine
waterdruppels,
Kleine korrels zand,
Vormen saâm de trotse zee
En het stille strand.
Kleine liefdesdaden,
Woordjes teer en zacht,
Hebben vaak in 't kleinste huisje,
't Grootst geluk gebracht.
Terug
naar overzicht
Kleuter
(Ebbinge Wubben-Van Hasselt)
(met dank aan Sietske
Tempelman
voor het sturen van de tekst
Laatst
liep ik op de straatweg,
En zag
een ventje staan,
Dat
stond zo droef te huilen;
Ik ben
er heen gegaan.
“Heb
jij je bal verloren ?
Of
soms je bloes gescheurd ?
Vertel
mij eens, jij ventje,
Wat of
er is gebeurd ?”
Met
oogjes nat van tranen,
Sprak
kleuter, vol verdriet:
“Vandaag is het vacantie
En Nel
en Koos en Piet
Zijn
allemaal op school verhoogd,
En…ik
allenig niet.”
“Maar
zeg mij eens, jij ventje,
Hoe is
dat wel gegaan,
Heb
jij het hele jaar door
Wel
flink je best gedaan ?
Of wou
je soms niet leren
En
maakte je maar jóól ?"
“Ik,”
– sprak de kleine snikkend,
“Ik ga
nog niet naar school,
Ik heb
nog geen vacantie,
Ik ben
nog altijd vrij.
En ik
wil óók vacantie
En óók
verhoogd als zij !”
Terug
naar overzicht
Kleuterdans
(Jan
H. de Groot)
(met dank aan Wilma van der Valk voor het sturen van de tekst)
Op de
hoek van de straat
Staat
een kerel, die draait
Met
een pet op één oor, en een broek zonder end
Aan
het slingerend wiel
Van
een oud pierement.
Tjang,
jiengele, joengele bom.
Om de
hoek van de deur
Komt
een vrouw, met een scheur
I n
haar rok, en een kind op 'r sproetige arm.
De
centebaas veegt
Rond
zijn kop, want 't is warm.
Tjang,
jiengele, joengele bom.
Uit
hoeken en gaten
Der
achterbuurtstraten
Daar
kuiert zo zoetjes het kleuterpubliek,
Smoeslige stelletjes
Met
goorgele velletjes,
Een
snotneus, een hangkous, de haren vol stof,
Op en
schoen en een klomp, of een klomp en een slof.
Maar
knusjes-kneutert, de kleuterkliek
Rond
het knarrig getjoeng van de orgelmuziek:
Tjang,
jiengele, joengele bom.
En
voordat je 't weet,
Ze
pakken mekaar beet.
En het
danst en het klept
En het
tript en het stept
En het
draait rondomheen,
Met
een slingerend been
En het
schuifelt en stapt
En het
trippelt en trapt
Dat
het kletst en het klinkt
In het
rond op de grond.
Aan de
hoek van de straat
Is het
bal zonder end,
Op de
dwingende maat
V an
het oud pierement.
En ik
stond en ik keek en ik wachtte,
V an
tjiengele, joengele bom.
En ik
schommelde mee en ik lachte,
Ik
lachte m'al kijkende krom.
Terug
naar overzicht
Klikspaan
Versie
1:
Klikspaan,
Boterspaan,
Je mag niet door mijn straatje gaan.
't Hondje zal je bijten,
't Poesje zal je krabben,
Dat komt van al dat babbelen.
--------------------------------------------------------------------------------
Versie
2 (S. Abramsz)
Klikspaan,
Halve
maan,
Je
durft niet over mijn straatje te gaan !
't
Hondje zal je bijten,
't
Katje zal je krabbelen,
Dat
komt van al je babbelen !
Terug
naar overzicht
Klits, klats
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Klits,
klats, klander,
Van
d'ene bil op d'ander
Terug
naar overzicht
Klompertje
en zijn wijfje
(S. Abramsz)
Klompertje
en zijn wijfje
Die
gingen vroeg opstaan,
Om
met hun boter en eiertjes
Al
naar de markt te gaan.
Ze
waren halverwege,
Halverwege
den dijk,
Toen
braken al de eiertjes
En
't botertje viel in 't slijk.
Het
speet 'r niet om d'r eiertjes,
Maar
om d'r mooien doek,
Dien
ze gister pas gemaakt had
Van
Klompertje's beste broek.
Terug
naar overzicht
Klop,
klop hamertje
Klop,
klop hamertje,
Is er niemand thuis ?
Er is nog een oud vadertje,
Dat is alleen in huis.
Wat zal dat vadertje eten ?
Kaas en brood.
Wat zal dat vadertje drinken ?
Water uit de sloot.
Terug
naar overzicht
Kloppe
kloppe hamertje
(met
dank aan H. Dikstaal voor de tekst)
Kloppe
kloppe hamertje
Wie
zit er in het kamertje
Een
heel klein meisje
Wat
had dat meisje op haar schoot
Een
heel klein boekje
Wat
stond er in te lezen
Vader
en moeder liggen in bed
En
ik lig in m'n kribbetje
Het
kribbetje moest ter maken
Toen
sliep ik in het laken
Het
laken moest gewassen
Toen
sliep ik in de plassen
De
plassen waren diep
Toen
sliep ik in het riet
Het
riet dat was te scherp
Toen
sliep ik in de kerk
De
kerk was te lang
Toen
sliep ik bij de slang
De
slang die wou me bijten
Toen
sliep ik bij de geiten
De
geiten wouden me schoppen
Toen
sliep ik bij de bokken
De
bok die wou me slaan
Toen
sliep ik bij de haan
De
haan die wou me pikken
Vanachter
in me nikke
Vanachter
in me hoofd
En
toen was ik hardstikke doof !!!!
Terug
naar overzicht
Kluwentje,
kluwentje garen
(S. Abramsz)
(springtouwversje)
Kluwentje,
kluwentje garen,
Mooi
meisje van zestien jaren,
Keer
omme, keer omme,
Mooi
Jantje, keer je eens omme.
Mooi
Jantje heeft zich al omgekeerd,
Dat
heeft hij van een mooi meisje geleerd;
Keer
omme, keer omme,
Mooi
Jantje, keer je eens omme.
Terug
naar overzicht
Knaap de kapper
Knaap
de kapper kan goed koppen kappen en knippen,
Maar
de knecht van Knaap de kapper
Kan
nog veel knapper kopen knippen en kappen
Dan
Knaap de kapper zelf koppen knippen en kappen kan.
Terug
naar overzicht
Knagelijntje was een muisje
(met dank aan Erna Hamerlynck voor het sturen van de tekst)
Knagelijntje was een muisje,
Altijd
even vlug en blij,
' t
Woonde met zijn oude moeder
In een
huisje op de hei.
Zekere
dag zei moeder ik moet even buiten gaan
....
Maar gij moogt niet hene lopen,
Ook
niet aan uw deurke staan.
Maar
nauwelijks was moeder weggeslopen,
Of
Knagelijntje voelde zich vrij,
't
Kwam uit 't kleine hol gekropen ...
Sprong
en huppelde vrij.
Maar
opeens kwam er daar een dikke kater
Uit de
brede diepe sloot
En hij
klauwde met zijn scherpe nagels
Knagelijntje...dood.....
Kinderen zult gehoorzaam wezen,
Luister steeds naar goede raad ...
Het
zal je nooit beklagen,
Hetzij
vroeg of laat.
Terug
naar overzicht
Kobus
en Rinus
(met
dank aan Marieke vd Feijt voor het sturen van de tekst)
Kobus
Kikker en Rinus Reiger,
Zaten
samen op de steiger,
Turend
in de troebele sloot,
Die
een sombere aanblik bood.
Zelfs
de wind had hen verlaten,
Er
blies geen zuchtje door het riet,
Rinus
wilde even praten,
Helaas
kwaken kon hij niet.
Kobus
moest hem ook wat zeggen,
Maar
hij wist alleen niet hoe,
Iets
aan een Reiger uit gaan leggen,
Was
voor een kikker toch taboe ?
Kobus
kreeg ineens een inval,
Zag
de moeilijkheid al ras,
Rinus
kon misschien beloven,
Niet
te vissen in zijn plas.
Kobus
voelde plotsklaps vreugde,
Over
dit te gek idee,
Rinus
Reiger werd hier blij van,
Dacht
deze kikker neem ik mee.
Samen
zijn ze toen vertrokken,
Naar
een land hier ver vandaan.
Ze
hebben daarop snel besloten,
Om
als vrienden voort te gaan.
Nu
nog even de moraal:
"Vriendschap
spreekt zijn eigen Taal".
Terug
naar overzicht
Koekebakker
Versie 1
(met
dank aan Dineke de Haan voor het sturen de tekst)
Ei
ei, zo'n koekebakker
Heeft
toch maar prettige dagen.
Heeft
hij trek, dan eet hij maar
En
hoeft geen mens te vragen.
Ulevellen,
koningsbrood,
Honderd
zoete dingen.
Ga
ik 's avonds naar mijn bed,
Word
ik 's morgens wakker,
Altijd
staat mijn boterham klaar.
Ik
word: KOEKEBAKKER !
Versie 2
(met
dank aan Ally van Mourik voor het sturen van de tekst)
Zo’n
koekebakker
Heeft
toch maar prettige dagen
Heeft
hij trek, dan smult hij maar
Hij
hoeft het nooit te vragen
Koek,
banket en krakelingen
En
honderd andere lekkere dingen
Ga ik
's avond’s naar mijn bed
Word
ik 's morgens wakker
Altijd
maar een boterham
IK
WORD KOEKEBAKKER !!
Terug
naar overzicht
Koen,
maak je mijn schoen ?
Koen,
maak je mijn schoen?
Ja, juffrouw, 'k zal het dadelijk doen.
Koen, maak je hem sterk?
Ja, juffrouw, dat is m'n dagelijks werk !
Koen, is m'n schoen al klaar?
Ja, juffrouw, betalen maar !
Koen, ik heb geen geld ontvangen.
Wel, dan blijft die schoen daar hangen,
Want op mensen zonder geld,
Daar ben ik niet op gesteld.
Dag, Koen.
Dag, juffrouw zonder schoen.
Terug
naar overzicht
Koentje
(met
dank aan Marieke v.d. Feijst voor de tekst)
De
Moeder van de Duizendpoot,
is
héél erg ontevreden,
haar
lieve kleine Koentje
is 't
water in gegleden.
Zijn
kopje draagt een grote buil
en
daarbij, duizend sokjes vuil.
Alle
schoentjes, 't is me wat,
zijn
nu helemaal kletsnat.
Vijfhonderd paar op het balkon,
staan
reeds te drogen in de zon.
't
Ventje wacht nu stil en zoetjes,
met
zijn duizend koude voetjes.
Moe
krijgt meelij met haar Koentje,
geeft
alle voetjes snel een zoentje.
Ineens
zijn die veel minder koud,
Koen
weet, dat Moesje van hem houdt.
Terug
naar overzicht
Koning Lariloff is ziek
(Annie M.G.Schmidt)
Er was
ereis een koning; hij heette Lariloff,
het
was een beetje zielig, want die koning had de bof,
zijn
ene wang werd reuze-dik en toen zijn and're wang,
er
kwamen zeven dokters en die dokters keken bang...
Ze
zeiden: Sire, zeiden ze, en streken over hun kin,
wanneer u niet naar bed gaat, staan wij nergens meer voor in !
Naar
bed gaan, riep de koning. Versta ik jullie goed ?
Wie
moet er dan regeren, als de koning het niet doet ?
Wie
moet er dan regeren, he? Vertel me dat eens even.
Verdwijn ! Ik wil je niet meer zien. Verdwijn maar alle zeven.
Toen
was er dus geen dokter meer, geen dokter aan het hof,
en
iedereen riep: Oei-la-la!, die koning Lariloff !
En
Oei-la-la ! en Ai-la-la ! riep iedereen aan 't hof,
er is
geen éne dokter en de koning heeft de bof !
Toen
kwam er uit een rommelhoek een oude apotheker,
die
stampte zeven spinnen fijn en deed ze in een beker.
Hij
deed er nog wat maggi bij en ook een scheut azijn
en zei
toen: Sire, alstublieft, hier is uw medicijn.
Ik wil
niet, zei de koning en hij trok een vies gezicht,
ik wil
niet en ik wil niet en hij hield zijn mond stijf dicht.
Ze
kwamen met een lepel en ze zeiden: Sire, ja !
Toen
moest hij wel, hij slikte en hij zei alleen maar: Báh.
En is
die koning Lariloff nu heuselijk genezen ?
Ik
weet het niet, ik weet het niet. Heb jij het soms gelezen ?
Terug
naar overzicht
Koop
thee voor je geld
(S. Abramsz)
Koop
thee voor je geld,
Koop
thee voor je geld,
Koop
thee met witte puntjes.
Zet
je handen in je zij,
Dat
hoort er zoo bij.
Doe
je handen op je borst,
Dat
is goed voor den dorst.
O,
mijn lieve Truitje, hoe kan je zoo wezen !
O,
mijn lieve Truitje, hoe kan je zoo zijn !
Is
er dan geen dokter, om jou te genezen ?
Is
er dan geen dokter of chirurgijn ?
Terug
naar overzicht
Koukleum Jaapje
(met
dank aan Opa Braam voor het sturen van de tekst)
Op een
heldere wintermorgen,
Jaapje
lag nog in zijn bed,
Kwam
broer Hans naar binnen stormen,
Springend glunderend van pret.
" Jaap
zeg Jaapje kom toch buiten,
Joh
het sneeuwt nu toch zo fijn,
Hoe
kan jij zo'n luilak zijn !"
" Sneeuwt
het roept Jaapje gapend,
Maar
dan is het buiten koud."
Hans
stuift weg en roept: "Die slaperd,
Jongens Jaapje wordt al oud."
't Is
acht uur, Moe roept: "Ontbijten !"
Hans
stuift binnen warm en blij,
Jaap
staat bibberend bij de kachel,
Koukleum slap als rijstebrij.
Terug
naar overzicht
Kraantje
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Kraantje, kraantje...droppe...drop,
Druppelt maar en houdt niet op.
Wat ik ook doe en hoe ik ook draai,
Jij gaat maar door met dat lawaai.
Tikke-tik…. Is het een verhaal ?
Toe… wat zeg je nu allemaal.
Drippe-druppe, drippe-drop,
Dom kraantje, hou toch eens op !
Terug
naar overzicht
Krieltje
is verdwaald
(Mies Bouhuys, De Kleine Troubadour 1964)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)
Hoe
kan dat nou, hoe kan dat nou,
een
hond verdwaalt toch niet zo gauw?
Je
ligt voor het huis, je slaapt eens wat,
Je
gromt eens naar een zwarte kat,
daar
ga je blaffend achteraan
De
straat door en dan om de hoek.
Maar
dan ineens is alles zoek.
Je
huis, je deur, je baas, je mand.
Het
poesje van de overkant.
De
bakker en de kruidenier.
En
niemand, niemand ken je hier.
En
niemand, niemand, niemand weet,
waar
of je woont en hoe je heet.
Je
zoekt en en zoekt en loopt maar in het rond,
maar
niemand ziet zo’n kleine hond.
Het
wordt al donker in de straat,
Je
bent zo moe en weet geen raad.
Je
weet niet waar je heen moet gaan.
Maar
wat is dat? Wie komt daar aan?
Je
gaat aan ’t rennen als een haas,
daar
in de verte komt je baas!
Terug
naar overzicht
Krik krak, m'n neus die brak
(met
dank aan Lisette Konings voor het sturen van de tekst)
Krik,
krak,
M'n
neus die brak,
Ik
stak hem in m'n binnenzak.
Ik
ging ermee naar het politiebureau,
En
kreeg een nieuwe neus cadeau.
Terug
naar overzicht
Krullebolletje
ging eens wandelen
(S. Abramsz)
Krullebolletje
ging eens wandelen
En
hij nam zijn zusje mee.
Toen
kocht hij een pond amandelen
En
hij deelde dat in twee.
Zus,
wat zal ik voor je koopen,
Al
voor je nieuwe jaar?
Een
heel mooi poppetje,
Met
lang en krullend haar.
Terug
naar overzicht