Een
aardig klein wit poesje,
Was op de wandeling,
Een bandje met een belletje,
Al om haar halsje hing.
Dat belletje deed ring ting ting,
Zolang het poesje ging.
Het aardig klein wit poesje,
Had toch zo graag een muis.
Daarom sloop het heel zachtjes,
Tot boven in het huis.
En altijd klonk 't maar ring ting ting,
Wáár ook het poesje ging.
In 't hoekje van de zolder,
Daar moesten muisjes zijn.
Die dag gaf Jonkheer Knabbelaar,
Zijn vrienden een festijn.
Maar stil... plots hoorden zij de bel,
"Vlucht vrienden! staakt uw spel."
Poes vond een lege zolder,
En snuffelde: "miauw",
Wáár waren nou de muisjes ?
Wáár bleven zij zo gauw ?
't Kwam alles door de ring ting ting,
Die aan haar halsje hing.
Een
houtworm zat in een keukenstoel
En at, en at, een heleboel.
En op die stoel zat tante Mien.
Ze had de houtworm nooit gezien.
Die at maar door en at maar door,
Totdat het krikte en krakte.
En tante Mien om kwart voor tien
Pardoes door de stoel heen zakte...
'k
Droomde gist'ren van een ventje,
En zijn neusje was van koek.
Van sukade was zijn buikje,
En van chocola zijn broek.
't Ventje liep op witte klompjes,
En die waren van fondant.
En een wandelstok van suiker,
Had hij in zijn rechterhand.
Weet je wat zijn oogjes waren?
Kleine ronde stukjes drop.
En hij had zowaar als hoedje,
Een rozijnen tulband op.
Droeg daarbij een keurig kieltje,
En dat was van pannenkoek.
En dat stond hem even netjes,
Als zijn chocolade broek.
't Stak zijn armpjes recht naar boven,
En hij riep "Nu ben 'k een reus".
En hij maakte met zijn handjes,
Voor de grap een lange neus.
Even later ging hij dansen,
En hij zong van tralala.
En tot slot gaf hij m' een stukje,
Van zijn broek van chocola.
Een
schilpad voelde zich zo raar
En riep :"Wat is mijn schild toch zwaar.
Ik kan het bijna niet meer sjouwen,
Het is gewoon niet bij te houden !"
"Geen wonder" dacht de lapjeskat,
Die boven op de schilpad zat.
Klosjeklos,
klep, klop.
Zoo gaat het op de steentjes.
Daar komt de kleine Janneman,
Hij heeft z'n nieuwe klompjes ân,
En kijkt maar naar z'n beentjes.
Klosjeklos, klep, klop.
Zie toch die kleine klompenman,
Hij kijkt niet op, hij kijkt niet om,
Dat was toch wel een beetje dom,
Want och, wat kwam daar van ?
Klosjeklos, au-au, wat doet Jantje nou ?
Hij zag die dikke boom niet staan !
Nu heeft z'n bol een groote bult,
Dat was toch heusch z'n eigen schuld,
Daar kun je van op aan !
Er
was eens een mannetje,
dat was niet wijs.
Hij bouwde zijn huisje
Op het ijs.
't Begon te dooien,
't Hield op met vriezen.
Toen moest dat mannetje
Zijn huisje verliezen.
(met
dank aan Anny voor het sturen van de tekst, aangevuld door Klaas van den
Berg en M.W. Baayen)
Er
was er eens een mannetje,
Dat
veegde zijn stalletje.
Wat
vond hij daar ?
Een
goud, goud stuivertje.
Wat
kocht hij daar voor ?
Een
vet, vet, varken,
Maar
het varken wou niet gaan,
Of
het moest gedragen worden op een berrie of kruiwagen.
Toen
ging de man naar de hond.
Hond
wil je varken bijten ?
Want
het varken wil niet gaan,
Of
het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.
(Rwaf rrrrwaf) "Nee"
zei de hond.
Toen
ging de man naar de stok.
Stok
wil je hond slaan ?
Hond
wil niet varken bijten
En
het varken wil niet gaan,
Of
het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.
"Nee" zei
de stok.
Toen
ging de man naar het vuur.
Vuur
wil je stok branden ?
Stok
wil niet hond slaan,
Hond
wil niet varken bijten
En
het varken wil niet gaan,
Of
het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.
(shhh, sis) "Nee" zei
het vuur.
Toen
ging de man naar het water.
Water
wil je vuur blussen ?
Vuur
wil niet stok branden,
Stok
wil niet hond slaan,
Hond
wil niet varken bijten
En
het varken wil niet gaan,
Of
het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.
"Nee" zei
het water.
Toen
ging de man naar de koe.
Os
wil je water drinken ?
Water
wil niet vuur blussen,
Vuur
wil niet stok branden,
Stok
wil niet hond slaan,
Hond
wil niet varken bijten
En
het varken wil niet gaan.
Of
het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.
(Moeeeeh) "Nee" zei
de koe.
Toen ging de
man naar de slager.
Slager wil je koe slachten ?
Koe wil niet water drinken,
Water wil niet vuur blussen,
Vuur wil niet stok branden,
Stok wil niet hond slaan,
Hond wil niet varken bijten
En varken wil niet gaan.
Of het moet gedragen worden op een berrie of een kruiwagen.
"Nee" zei de slager.
Toen ging de
man naar het touw.
Touw wil je slager hangen ?
Slager wil niet koe slachten,
Koe wil niet water drinken,
Water wil niet vuur blussen,
Vuur wil niet stok branden,
Stok wil niet hond slaan,
Hond wil niet varken bijten
En varken wil niet gaan.
Of het moet gedragen worden op een berrie of een kruiwagen.
"Nee" zei het touw.
Toen ging de
man naar de muis.
Muis wil je touw knagen ?
Touw wil niet slager hangen,
Slager wil niet koe slachten,
Koe wil niet water drinken,
Water wil niet vuur blussen,
Vuur wil niet stok branden,
Stok wil niet hond slaan,
Hond wil niet varken bijten
En varken wil niet gaan.
Of het moet gedragen worden op een berrie of een kruiwagen.
(piep piep) "Nee" zei de muis.
Toen ging de
man naar de kat.
Kat wil je muis vangen ?
Muis wil niet touw knagen,
Touw wil niet slager hangen,
Slager wil niet koe slachten,
Koe wil niet water drinken,
Water wil niet vuur blussen,
Vuur wil niet stok branden,
Stok wil niet hond slaan,
Hond wil niet varken bijten
En varken wil niet gaan.
Of het moet gedragen worden op een berrie of een kruiwagen.
(mreow) "JA" zei de kat.
(zo snel
mogelijk zeggen:)
En de kat ving de muis,
En de muis knaagde het touw door,
En het touw hing de slager,
En de slager slachtte de koe,
En de koe dronk het water,
En het water bluste het vuur,
En het vuur brandde
de stok,
En de stok sloeg de hond,
En de hond beet het varken en......
Kijk Kijk Kijk, daar gaat ie !
(met
de vinger omhoog wijzen alsof je een voorbij racende auto aanwijst, kleine kinderen kijken altijd)
Er
woont een clowntje in mijn hart,
heel klein, maar heel apart.
Het kan dansen en springen,
Lachen en zingen.
Heb je verdriet, en moet je wenen.
Dan mag je het van mij lenen.
"Foei,
wat een weer", bromde de beer.
"Ik blijf thuis", piepte de muis.
De vos zei: "Regen ? daar kan ik wel tegen !"
"'t Is om te huilen", krasten de uilen.
"En dan die wind", zei het eekhoornskind.
"'t Is bar en slecht", tikte de specht."
Maar de haas, die guit,
Ging doodgewoon uit !
Hij nam een blad en legde dat,
Over zijn oren en werd niet nat !
En
vouw nu mijn handjes,
Ik kom hier bidden voor uw beeld,
Moeder zegen onze Jantjes,
Onze jongens in de oost,
Wees hun sterkte, wees hun troost,
Wees hun toevlucht in gevaren,
Wil hen voor hun moeder sparen,
Dat ze op een goede keer,
Ja met vlag en wimpel weer,
Gisteravond
in mijn bedje,
Heb ik Sinterklaas gehoord.
Op zijn paardje reed hij zachtjes,
Over onze daken voort.
Trippel, trappel, trippel, trap.
'k Hoorde duid'lijk paardjes stap.
Nu zal 't ook niet lang meer duren,
Eer ik Sinterklaasje zie !
Vader zegt, en die kan het weten,
Nu
nog maar een dag of drie.
Ja, dan belt hij bij ons aan,
En je ziet hem voor je staan !
'k Doe mijn best geduld te hebben,
Maar gerust, het gaat haast niet.
Zo verlang ik naar de bisschop,
En die goeie zwarte Piet.
Want hij komt nooit zonder knecht,
Dat heeft vader zelf gezegd.
Gistermorgen
had klein Keesje,
In de straat een ongeluk.
Keesje viel pardoes voorover,
En zijn linkerbeen was stuk.
Niet een beetje maar... nee,nee,
't Been lag helemaal in twee.
Moest klein Keesje nu niet huilen?
Nee, het ventje had plezier !
Daad'lijk stond hij op en lachte.
Had hij dan geen pijn? - Geen zier !
Met de stukken van zijn been,
Liep hij op een drafje heen
Goedemorgen
maandag
Hoe gaat het met dinsdag
Doe de groeten aan woensdag
Zeg tegen donderdag
Dat is a.s. vrijdag
Met de trein van zaterdag
Op zondag kom logeren
Grote
klokken zeggen bim, bam, bim, bam.
Kleine klokken zeggen tikke, takke, tikke, takke.
En de hele kleine polshorloges zeggen
Tikketikketikketikketik.