SeniorPlaza

Opzegversjes

Een aapje wou eens lollig zijn

 Een aapje wou eens lollig zijn.
Hij beet in de neus van de kapitein.


De kapitein werd vreselijk boos
En stopte de aap in de poederdoos.

De poederdoos was veels te wit.
Hij stopte de aap in de kolenkit.

De kolenkit was veel te vies.
Hij stopte de aap in het theeservies.

Het theeservies was veel te mooi.
Hij stopte de aap in de apekooi.

Het deurtje ging weer open,
aapje kon weer lopen.

 

Terug naar overzicht

Een aardig klein wit poesje (Mis poes)

Een aardig klein wit poesje,
Was op de wandeling,
Een bandje met een belletje,
Al om haar halsje hing.
Dat belletje deed ring ting ting,
Zolang het poesje ging.

Het aardig klein wit poesje,
Had toch zo graag een muis.
Daarom sloop het heel zachtjes,
Tot boven in het huis.
En altijd klonk 't maar ring ting ting,
Wáár ook het poesje ging.

In 't hoekje van de zolder,
Daar moesten muisjes zijn.
Die dag gaf Jonkheer Knabbelaar,
Zijn vrienden een festijn.
Maar stil... plots hoorden zij de bel,
"Vlucht vrienden! staakt uw spel."

Poes vond een lege zolder,
En snuffelde: "miauw",
Wáár waren nou de muisjes ?
Wáár bleven zij zo gauw ?
't Kwam alles door de ring ting ting,
Die aan haar halsje hing.

Terug naar overzicht

Een aardig ventje

(J.J.L. ten Cate, bundel Het Nachtegaaltje 1851)

Daar ging eens een ventje al over de straat,

En hij droeg op zijn borst een ruiker.

Hij had er een hoedje van chocolaad,

En zijn haar was gespoten suiker.

En zijn wangen die waren van appelmoes,

Zijn lippen morellen, zijn neus een soes,

Elke tand een pepermentje,

Zijn oogen sucaden, in ijs gevat.

O! wat een aardig ventje was dat,

O! wat een aardig ventje.

 

Wel kinderen! was 't niet de pijne waard, 

Dat ventjen eens op te gaan zoeken?

Zijn hals was een abrikozentaart,

 Zijn armen twee deventerkoeken.

En halletjes waren zijn handjes zoo fraai,

En hij liep op twee beenen van taai taai.

Voorzeker ik wed om een centje,

Je mogt er om loopen door dorp of stad,

Nooit zag je zoo'n aardig ventjen als dat,

Nooit zag je zoôn aardig ventje.

 

Hij wandelde voort op zijn dooie gemak,

Al met bijzondere gratie:

Hij droeg een rokje van wafelgebak,

Met knoopen van speculatie.

Zijn schoenen die waren van witten drop,

En er blonken zwarte knoopjes op,

En elke knoop was een krentje.

'k Wou, ik zijn adres maar geweten had,

Want nooit zag ik aardiger ventje dan dat,

Neen, nooit zag ik aardiger ventje.

 

Terug naar overzicht

Een goed idee

(met dank aan Monique van Poecke voor het sturen van de tekst)

Oma heeft zo druk te naaien

Op haar neus een grote bril

Maar oh foei dat lastig draadje

Dat niet in het oogje wil

 

Corrie zag haar oma tobben

Maar ze dacht: “Ik weet wel raad”

En ze kocht twee pakjes naalden.

Stak in ieder oog een draad.

 

Moeders oude speldenkussen

Kreeg een mooie nieuwe jas,

Daarop kwamen al de naalden

Een cadeautje juist van pas.

 

Corrie sloop voorzichtig binnen

Oma sliep, dat trof ze fijn!

Oma zou verwonderd vragen:

“Maar…van wie kan dat toch zijn?”

 

Nu voorzichtig, eerst de spelden,

Dan het bruine pakpapier.

O! Wat maakte dat een leven…

Oma schrikt…: “Wat is dat hier?”

 

En daar ziet ze op de tafel

Honderd naalden mét een draad

Netjes in ’t gelid gestoken..

Nee maar, wat dat grappig staat.

 

Corrie’s vrolijk glunder snoetje

Zegt haar wie dat heeft gebracht.

“Kom eens hier”, zegt oma hartelijke

“Kind, heb jij dat zelf bedacht?”

 

“Dank je schat! Wat is dat aardig.

O, wat heb je mij verrast

Dat is echt een fijn cadeautje

Dat precies bij oma past.”

 

“Nu zal oma heerlijk naaien.

Breng zo straks je pop maar mee.”

Zo bracht Corrie’s leuk cadeautje

Nog plezier voor alle twee.!!

 

Terug naar overzicht

Een hele dikke olifant

Een hele dikke olifant,

Die liep eens langs de waterkant.

En boven op z`n rug, o jee,

Daar liep een heel klein mugje mee

En dat kriebelde de olifant een beetje.

Ze snoof haar slurf vol water vlug 

En spoot het mugje van haar rug.

De zon maakte het mugje snel weer droog 

En ze ging weer vliegen, heel heel hoog !

 

Terug naar overzicht

Een hondje en een katje

Versie 1

(met dank aan Jca Wilmes voor het sturen van de tekst)

 

Een hondje en een katje,

Die zaten op een matje.

Het hondje zei: ik heb zo'n schik,

Mevrouw die bakt weer krentenmik

Van honing, sukade en ei.

De bruine korstjes zijn van mij.

Die kan mevrouw niet bijten.

Het katje zei: wat krijg ik ?

Jij,jij, jij krijgt de kruimeltjes van de krentenmik !

 

Versie 2

(met dank aan Cécile van Dongen voor het sturen van de tekst)

 

Een hondje en een katje

zaten samen op een matje.

het hondje zei:" Ik heb zo'n schik,

de vrouw bakt weer een krentenmik

met room, sukade en een ei.

de bruine korstjes zijn voor  mij,

die kan de vrouw niet bijten!"

En het poesje zei: "En wat krijg ik?"

"Jij krijgt de kruimeltjes van de mik!"

 

Terug naar overzicht

Een houtworm

Een houtworm zat in een keukenstoel
En at, en at, een heleboel.
En op die stoel zat tante Mien.
Ze had de houtworm nooit gezien.
Die at maar door en at maar door,
Totdat het krikte en krakte.
En tante Mien om kwart voor tien
Pardoes door de stoel heen zakte...

 

Terug naar overzicht

Een kleine krullebol

(met dank aan Ad en Leny voor het sturen van de tekst)

Een kleine krullebol,

Die had zijn handjes vol

Met lekker suikergoed,

Dat smaakte o zo zoet.

En toen zijn moeder kwam

Met een dikke boterham,

Toen zei de lekkerbek:

"Ik heb geen trek"

 

Terug naar overzicht

Een koe in Apeldoorn

(Auteur Fantasia)

(met dank aan Lies Pragt voor het sturen van de tekst)

Een koe in Apeldoorn,

Die had haar staart verloren,

Die had haar staart verloren,

Zomaar midden in de week.

Ze was op straat gaan lopen,

Om kina-wijn te kopen,

En heeft die staart verloren,

Toen ze eventjes niet keek.

 

Ze kon 'm nergens vinden,

En vroeg aan alle vrinden:

" Heb jullie ook een staart gezien ?

Zo eentje met een kwast ?"

" Nee, zeiden alle ossen,

En zeker niet een losse,

We hebben wel een staart gezien,

Maar ja die zat nog vast !"

 

"Je ziet het niet van voren !"

Zei men in Apeldoorn,

Je ziet het wel van achteren,

Maar hindert dat? Och kom...

De koe ging aan het schreien,

En alle ossen zeien:

"We kunnen haar niet troosten,

Want ze wil die staart weerom."

 

En toen kwam er een vrindje,

Een lief klein koeiekindje,

Dat zei: "Ik heb vanmorgen toch zo'n rare koe gezien,

Twee staarten aan haar bastje,

Aan ied're staart een kwastje,

Zou een daarvan de staart zijn,

Die verloren is, misschien ?"

 

Toen riepen alle ossen tegelijk: "Hoera ! Hoera !"

En heeft de koe haar staart terug ?

Nou, reken maar van ja !

 

Terug naar overzicht

Een mannetje van snoep

'k Droomde gist'ren van een ventje,
En zijn neusje was van koek.
Van sukade was zijn buikje,
En van chocola zijn broek.
't Ventje liep op witte klompjes,
En die waren van fondant.
En een wandelstok van suiker,
Had hij in zijn rechterhand.

Weet je wat zijn oogjes waren?
Kleine ronde stukjes drop.
En hij had zowaar als hoedje,
Een rozijnen tulband op.
Droeg daarbij een keurig kieltje,
En dat was van pannenkoek.
En dat stond hem even netjes,
Als zijn chocolade broek.

't Stak zijn armpjes recht naar boven,
En hij riep "Nu ben 'k een reus".
En hij maakte met zijn handjes,
Voor de grap een lange neus.
Even later ging hij dansen,
En hij zong van tralala.
En tot slot gaf hij m' een stukje,
Van zijn broek van chocola.

 

Terug naar overzicht

Een muisje trippelde langs de grond

Een muisje trippelde langs de grond,

Hij had een heel spits snuitje.

Hij keek de hele kamer rond,

Ik zag het door het ruitje.

O wee, daar klonk geritsel.

O wee, de kat kwam aangeslopen.

En weet je wat dat muisje deed ?

Hij is gewoon snel weggekropen.

 

Terug naar overzicht

Een oude vlo

(met dank aan Joop Visser voor het sturen van de tekst)

Een oude vlo die in z'n leven

veel zware zonden had bedreven,

werd naar een klooster toegezonden

om er te boeten voor z'n zonden.

 

Maar toen de Abt de zondaar zag

die snikkend op z'n knieën lag,

sprak hij: "O vlo, o zondig wicht

die voor mij op uw knieën ligt,

 

Ik vrees dat gij door 't zondig springen

die broeders storen zult bij 't zingen,

en jeuk zal brengen in ons midden

door ons te kietelen onder 't bidden.

 

De vlo, diep van z'n schuld doordrongen,

verliet de Abt met lome sprongen,

en buiten gaf het arme beest

van louter narigheid de geest.

 

Terug naar overzicht

Een poesje uit Drenthe

(met dank aan Lisette Konings voor het sturen van de tekst)

Een poesje uit Drenthe,

Liet z'n staartje permanenten.

Een hond die dat zag,

Schoot in de lach,

En verslikte zich in de krenten.

 

Terug naar overzicht

Een ruitertje

(S. Abramsz)

Er was eens een gansje,

Gak-gakker-de-gak.

Er was eens een kikkertje,

Kwakker-de-kwak.

 

Dat kikkertje sprong

Als een muisje zo vlug,

En zonder te vallen

Op ‘t gansje zijn rug.

 

Nu gingen zij samen

Op reis door het land

En ‘t kikkertje riep maar:

"Dat moet in de krant !"

 

En het gansje riep vrolijk:

"Gak-gakker-de gak."

"‘t Gaat prachtig", zei het kikkertje.

"Kwakker-de kwak."

 

Maar ach, daar ineens,

Kwam heer ooievaar aan.

"Kwak-kwak !" riep het kikkertje,

"Vlug hier vandaan !"

 

Toe nam hij een sprong,

O, verschrikkelijk groot...

"Gered !" dacht ons Groentje

En dook in de sloot.

 

Terug naar overzicht

Een schildpad

Een schilpad voelde zich zo raar
En riep :"Wat is mijn schild toch zwaar.
Ik kan het bijna niet meer sjouwen,
Het is gewoon niet bij te houden !"
"Geen wonder" dacht de lapjeskat,
Die boven op de schilpad zat.

Terug naar overzicht

Een, twee, kopje thee

(S. Abramsz)

Een, twee,

Kopje thee.

Drie, vier,

Glaasje bier.

Vijf, zes,

Kurk op de flesch.

Zeven, acht,

Soldaat op wacht.

Negen, tien,

'k Heb een dief gezien.

Tien, elf,

Jij bent de dief zelf !

 

Terug naar overzicht

Een vliegeliedje

(met dank aan Cécile van Dongen voor het sturen van de tekst)

In een overheerlijk bad

Spat Fietje Vlieg haar buikje nat.

Ze poetst haar witte tandjes

Wast alle zes haar handjes,

Schrobt haar kleine knietjes

Sopt haar fijne sprietjes

En zoemt wat vliegeliedjes.

 

Terug naar overzicht

Een witte duif

(met dank aan Frank Hooyer voor het sturen van de tekst)

Er vloog een witte duif hoog boven het beukenbos,

En van zijn verenkleed liet zacht een veertje los.

Het daalde zoetjes aan,

Juist waar drie dikke beuken staan.

 

En onder één der beuken groot

Stond net  kabouterman.

Hij zag het dalend veertje gaan

En dacht er ’t zijne van !

De eerste sneeuwvlok dwarrelt neer,

Nu krijgen we dus winterweer !

 

En in zijn huisje in de grond

Kroop snel kabouterman,

De toegang stevig dichtgestopt

Dat kou niet binnen kan.

Ziezo, ’t mag sneeuwen , vriezen gaan,

Toch laat ik winter buiten staan.

 

Zij handjes wrijvend vergenoegd,

Spreekt zo kabouterman:

"Maar….. ’t lijkt wel of het puft en blaast,

Hoe raar waar is dat van ?"

Ten laatste houd hij het niet meer uit,

En als hij dan zijn deur ontsluit…..

Dan straalt de herfstzon goed en warm

Nog door het beukenbos.

 

De sneeuwvlok die een veertje was,

Ligt ginder op het mos.

En peinzend zegt kabouterman:

“Hoe toch z’n ding  je foppen kan.”

 

Terug naar overzicht

Eendjes

(met dank aan Marieke vd Feijst voor het sturen van de tekst)

Eendjes, eendjes, kwak, kwak, kwak,

Kom maar gauw bij Jantje.

Nee niet bang zijn eendjes hoor,

'k Heb wat in mijn handje.

Het is niet voor mij, 't is niet voor jou,

't Is voor mijn zieke grootje.

Ze krijgt van moesje en van mij,

Een lekker krentenbroodje.

 

Terug naar overzicht

Eigen schuld

Klosjeklos, klep, klop.
Zoo gaat het op de steentjes.
Daar komt de kleine Janneman,
Hij heeft z'n nieuwe klompjes ân,
En kijkt maar naar z'n beentjes.

Klosjeklos, klep, klop.
Zie toch die kleine klompenman,
Hij kijkt niet op, hij kijkt niet om,
Dat was toch wel een beetje dom,
Want och, wat kwam daar van ?

Klosjeklos, au-au, wat doet Jantje nou ?
Hij zag die dikke boom niet staan !
Nu heeft z'n bol een groote bult,
Dat was toch heusch z'n eigen schuld,
Daar kun je van op aan !

Terug naar overzicht

Eikels en kastanjes

Het regent eikels en kastanjes.
Kijk ze vliegen in het rond.
Hier en daar strooien de bomen,
Beukennootjes op de grond.

Je ziet de paddestoelen groeien.
Blaadjes worden geel of bruin.
Ganzen vliegen naar het zuiden,
En 't wordt steeds kouder in de tuin.

Een boom verliest zijn laatste blaadjes.
De koeien blijven in de stal.
Het is of alles wil vertellen,
Dat het winter worden zal.

 

Terug naar overzicht

Eldert Egel

(met dank aan Marieke vd Feijst voor het sturen van de tekst)

Niemand wou hem aardig vinden,

niemand zei: "wat is hij leuk",

Geboren met een vracht aan stekels,

't gaf zijn houding toch een deuk.

 

Wanneer men vroeg: "waar is je kop"?

hield Eldert stug zijn stekels op.

Eigenlijk trof hem nog een blaam,

"Stekelvarken", tweede naam.

 

Op een dag, 't was als een wonder,

ontdekte hij een fraaie Roos,

welke was getooid met doornen,

nee, hij bleef niet langer boos.

 

Stekels, doornen, bloem en dier,

steekligheid deed zelfs plezier,

want, nam iemand hem ertussen,

héla, jij daar "Speldenkussen",

dan kent Eldert nooit meer toorn,

door die Roos met scherpe doorn.

 

Eldert is nu dik tevreden,

vindt zichzelf niet langer raar,

maar.......zit het hem soms eens tegen,

voelt hij zich wel  prikkelbaar.

 

Moraal: blijven je gedachten puur,

leer je veel van de natuur.

 

Terug naar overzicht

Engelenwacht

Als goede kinderen slapen zacht,
Dan houden Eng'len trouw de wacht.
Staan aan hun bedje, hoeden hen teer,
Zien op de kind'ren met liefde neer.

Maar zijn de kind'ren opgestaan,
Dan mogen d' Engelen slapen gaan.
Nu reikt niet langer, Eng'len, uw macht,
God, onze Vader, houdt zelf de wacht.

Terug naar overzicht

Er staat een boom

(Daan Zonderland)

(met dank aan Liebeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Er staat een boom in Nederland

Dicht bij het plaatsje Duiven

Daar groeien rode neuzen aan

En al die neuzen snuiven

 

Zodra het echter winter wordt

En het begint te vriezen

Dan worden al die neuzen paars

En al die neuzen niezen

 

Terug naar overzicht

Er vloog een witte duif

(met dank aan Dick Bol voor het sturen van de tekst)

Er vloog een witte duif hoog boven het beukenbos

Maar van zijn witte verenkleed liet zacht een veertje los.

Het daalde daalde zoetjes aan

Juist waar drie dikke beuken staan

Maar onder ene beuke groot stond kabouterman.

Hij zag het dalend veertje gaan en sprak de eerste sneeuwvlok dwarrelt neer,

Nu krijgen wij de winter weer.

En in zijn huisje in de grond kroop snel kabouterman.

Het lijkt wel of het puft en blaast hoera waar is dat van.

Maar als hij weer zijn deur ontsluit dan straalt de herfstzon goud en warm nog door het beukenbos

En het veertje dat een sneeuwvlok was ligt ginder op het mos.

En peinzend zegt kabouterman

Hoe toch zo'n ding je foppen kan

 

Terug naar overzicht

Er waait een zacht windje langs de boom

Er waait een zacht windje langs de boom.

De takken buigen langzaam mee.

En dan opeens heel sloom,

Dwarrelt een blaadje naar beneê.

En terwijl ik daar zo stond,

Valt het blaadje op de grond.

Er liggen al veel meer blaadjes,

Met mijn voeten maak ik paadjes,

Oh boompje nu sta je daar,

Te wachten en te wachten op het voorjaar.

   

Terug naar overzicht

Er was eens een katje dat sprak tot een muis

Versie 1

(met dank aan Diana Aarts voor het sturen van de tekst)
 

Er was eens een katje dat sprak tot de muis,

Zeg eens klein ding, is je moeder niet thuis ?

 

Welnee zei het muisje, mijn moeder is uit,

Ze is naar de keuken daar haalt ze beschuit.

 

Da's braaf van je moeder, maar niet te bezin,

De deur is gesloten, hoe komt ze er dan in ?

 

Kijk, daar door dat gaatje, daar kruipt ons moeder door,

Je moet het niet vertellen, verklap het niet hoor !

 

En zal ik je nu vertellen wat er is gebeurd,

En weet je waarom nu de babbelkous treurt ?!

 

De poes ... heeft het muisje ... aan het gaatje gesnapt ... !!

Dat komt ervan als je geheimpjes verklapt !!!

 

Versie 2

(met dank aan Hanny Baetsen voor het sturen van de tekst)

 

Er was eens een poesje, die zei tot de muis,

Zeg eens klein ding, is jou moeke niet thuis,

Nee zei muisje, mijn moeke is uit,

Ze is naar de keuken , en haalt daar beschuit

Dat is lief van jou moeke, maar nu tot bezin

De deur is gesloten, hoe komt daar in,

Kijk door dat gaatje, daar kruipt moeder door,

Maar dat mag je niet verklappen hoor.

 

Terug naar overzicht

Er was eens een mannetje

Er was eens een mannetje,
dat was niet wijs.
Hij bouwde zijn huisje
Op het ijs.
't Begon te dooien,
't Hield op met vriezen.
Toen moest dat mannetje
Zijn huisje verliezen.

 

Terug naar overzicht

Er was eens een mannetje

(met dank aan Anny voor het sturen van de tekst, aangevuld door Klaas van den Berg en M.W. Baayen)

Er was er eens een mannetje,

Dat veegde zijn stalletje.

Wat vond hij daar ?

Een goud, goud stuivertje.

Wat kocht hij daar voor ?

Een vet, vet, varken,

Maar het varken wou niet gaan,

Of het moest gedragen worden op een berrie of kruiwagen.

 

Toen ging de man naar de hond.

Hond wil je varken bijten ?

Want het varken wil niet gaan,

Of het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.

(Rwaf rrrrwaf) "Nee" zei de hond.

 

Toen ging de man naar de stok.

Stok wil je hond slaan ?

Hond wil niet varken bijten

En het varken wil niet gaan,

Of het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.

"Nee" zei de stok.

 

Toen ging de man naar het vuur.

Vuur wil je stok branden ?

Stok wil niet hond slaan,

Hond wil niet varken bijten

En het varken wil niet gaan,

Of het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.

(shhh, sis) "Nee" zei het vuur.

 

Toen ging de man naar het water.

Water wil je vuur blussen ?

Vuur wil niet stok branden,

Stok wil niet hond slaan,

Hond wil niet varken bijten

En het varken wil niet gaan,

Of het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.

"Nee" zei het water.

 

Toen ging de man naar de koe.

Os wil je water drinken ?

Water wil niet vuur blussen,

Vuur wil niet stok branden,

Stok wil niet hond slaan,

Hond wil niet varken bijten

En het varken wil niet gaan.

Of het moet gedragen worden op een berrie of kruiwagen.

(Moeeeeh) "Nee" zei de koe.

 

Toen ging de man naar de slager.
Slager wil je koe slachten ?
Koe wil niet water drinken,
Water wil niet vuur blussen,
Vuur wil niet stok branden,
Stok wil niet hond slaan,
Hond wil niet varken bijten
En varken wil niet gaan.
Of het moet gedragen worden op een berrie of een kruiwagen.
"Nee" zei de slager.
 

Toen ging de man naar het touw.
Touw wil je slager hangen ?
Slager wil niet koe slachten,
Koe wil niet water drinken,
Water wil niet vuur blussen,
Vuur wil niet stok branden,
Stok wil niet hond slaan,
Hond wil niet varken bijten
En varken wil niet gaan.
Of het moet gedragen worden op een berrie of een kruiwagen.
"Nee" zei het touw.

 

Toen ging de man naar de muis.
Muis wil je touw knagen ?
Touw wil niet slager hangen,
Slager wil niet koe slachten,
Koe wil niet water drinken,
Water wil niet vuur blussen,
Vuur wil niet stok branden,
Stok wil niet hond slaan,
Hond wil niet varken bijten
En varken wil niet gaan.
Of het moet gedragen worden op een berrie of een kruiwagen.
(piep piep) "Nee" zei de muis.
 

Toen ging de man naar de kat.
Kat wil je muis vangen ?
Muis wil niet touw knagen,
Touw wil niet slager hangen,
Slager wil niet koe slachten,
Koe wil niet water drinken,
Water wil niet vuur blussen,
Vuur wil niet stok branden,
Stok wil niet hond slaan,
Hond wil niet varken bijten
En varken wil niet gaan.
Of het moet gedragen worden op een berrie of een kruiwagen.
(mreow) "JA" zei de kat.
 

(zo snel mogelijk zeggen:)


En de kat ving de muis,
En de muis knaagde het touw door,
En het touw hing de slager,
En de slager slachtte de koe,
En de koe dronk het water,
En het water bluste het vuur,
En het vuur bran
dde de stok,
En de stok sloeg de hond,
En de hond beet het varken en......


Kijk Kijk Kijk, daar gaat ie ! 

(met de vinger omhoog wijzen alsof je een voorbij racende auto aanwijst, kleine kinderen kijken altijd)

 

Terug naar overzicht

Er was eens een muisje

Er was eens een muisje,
Een aardig klein ding,
Dat heel in zijn eentje,
Wat wandelen ging.

't Droeg glimmende schoentjes,
Een broekje, een jas,
Een boordje, een hoedje,
Een keurige das.

Daar zag ons meneertje,
Een muizeke gaan,
Met rokje en bloesje
En manteltje aan.

Hij groette heel vriend'lijk.
Zij groette terug.
Zó maakten ze kennis,
Ging dat nu niet vlug ?

En zes weken later,
Toen zijn ze getrouwd.
En nooit heeft het onze
Twee muisjes berouwd.

Terug naar overzicht

Er was eens een poesje

Er was eens een poesje,

Dat sprak tot de muis:

"Zeg eens klein ding

Is je moeder niet thuis?"

 

"Welnee" zei het muisje,

Mijn moeder is uit,

Ze is naar de keuken,

Daar haalt ze beschuit."

 

"Dat ’s braaf van je moeder,

Maar nu het begin

De deur is gesloten

Hoe komt ze erin?"

 

"Kijk door dat kleine gaatje,

Daar kruipt moeder door.

Maar ik mag het niet verklappen,

Ik zeg het niet hoor !"

 

"Zeg, ga vlug naar je bedje

Je zit op de tocht.

Je krijgt koude voetjes

De vloer is zo vocht."

 

En, kun je nu raden wat er toen is gebeurd?

De poes heeft de muis bij het gaatje gesnapt.

Dat komt er nu van

Als je geheimpjes verklapt.

 

Terug naar overzicht

Er woont een clowntje in mijn hart

Er woont een clowntje in mijn hart,
heel klein, maar heel apart.
Het kan dansen en springen,
Lachen en zingen.
Heb je verdriet, en moet je wenen.
Dan mag je het van mij lenen. 

 

Terug naar overzicht

Er zat op een latje

(met dank aan Ad Fuijkschot voor het sturen van de tekst)

Er zat op een latje

Een hagelwit katje,

Een schat van een poesje

In een woord een snoesje.

Zij zat daar te gapen

En is toen gaan slapen,

Maar ach in haar dromen

Is er onheil gekomen.

Zij viel  in de teerton,

Waar zij niet meer uit kon.

Toen was er ons katje

Een neger in het vatje

 

Terug naar overzicht

Etersbaas

Heb je wel gehoord
Van de kleine dikke jongen
Die zo vrees'lijk eten kon?

'k Zal je eens gauw vertellen
Wat hij gist'ren heeft gegeten
En dan zul je vragen
Hoe de jongen 't toch verzon.

Zeven diepe borden
Karnemelkse brij
Met een pondje stroop erbij.

Zeven dikke boterhammen,
Flink belegd met plakken kaas.
Is dat nu geen etersbaas?

Maar toen had dat etersbaasje
Nog niet eens genoeg.
Weet je wat hij toen nog vroeg?

Zeven krentepannekoeken
Als zijn duim zo dik,
Zeven sneeën krentemik,
En nog tot besluit
Zeven rol beschuit.

En nu is mijn versje uit...  

 

Terug naar overzicht

Fikje, Fikje luister eens

(met dank aan Ria Zorn voor het sturen van de tekst)

Fikje, Fikje luister eens

Straks bij tante Door

Niet met vuile pootjes

Binnen komen hoor

Niet om koekjes vragen

Dat staat niet beleefd

Wachten moet je Fikje

Tot men jou wat geeft

Heb je het goed begrepen

Heb je het goed verstaan

JA? Dan mag Fikje mee naar tante gaan

 

Terug naar overzicht

Fluitketel

Ik ben een keteltje, rond van buik,

Links zit mijn oortje en rechts mijn tuit.

Als het water kookt dan gaat de fluit.

Pak mij op en schenk mij uit.

 

Terug naar overzicht

Foei, wat een weer, bromde de beer

"Foei, wat een weer", bromde de beer.
"Ik blijf thuis", piepte de muis.
De vos zei: "Regen ? daar kan ik wel tegen !"
"'t Is om te huilen", krasten de uilen.
"En dan die wind", zei het eekhoornskind.
"'t Is bar en slecht", tikte de specht."
Maar de haas, die guit,
Ging doodgewoon uit !
Hij nam een blad en legde dat,
Over zijn oren en werd niet nat !

 

Terug naar overzicht

Gebed voor de soldaten in Nederlands-Indië

(tijdens de politionele acties)

Moeder, ik ben moe gespeeld,

En vouw nu mijn handjes,
Ik kom hier bidden voor uw beeld,
Moeder zegen onze Jantjes,
Onze jongens in de oost,
Wees hun sterkte, wees hun troost,
Wees hun toevlucht in gevaren,
Wil hen voor hun moeder sparen,
Dat ze op een goede keer,
Ja met vlag en wimpel weer,

In behouden haven varen.

 

Terug naar overzicht

Geiteke

(met dank aan Liza Waalen voor het sturen van de tekst)

Geiteke was losgebroken,

uit de stal en weggelopen.

Ver van huis en 't had plezier,

ik hou van vrijheid riep het fier.

 

Hans was stiekem wat gaan dwalen

dacht, ik ga wat besjes halen,

bloempjes plukken lief en fijn,

het is zo naar steeds thuis te zijn.

 

Hansje zag het geitje lopen,

wat ben jij weer los gebroken ?

riep hij toen. Gauw naar je hok

of je krijgt wat met m'n stok.

 

Wees maar wat voorzichtig maatje,

zei de geit, ofwel ik laat je

voelen dat ik ook wat kan.

Ik heb twee horens kleine man.

 

Dat deed Hans een beetje vrezen.

Ik zal, dacht hij, maar vriendelijk wezen.

Zacht sprak hij het geitje aan

en......'t is met hem meegegaan.

 

Terug naar overzicht

Gerrit de Bok

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Dit is een verhaal van Gerrit de Bok

Hij heeft heel lang haar

En woont in een hok.

Gerrit lust alles wat hij maar vindt,

Van bolletjes touw

Tot zakjes met grind.

Op een dag in de tuin

Vond hij een plastic bal,

Hij wou hem verslinden

Met kleur en al.

Maar bij 't eerste hapje

Hield Gerrit al stop.

Want de bal zei toen

Eensklaps en reuze hard: Plop !

 

Terug naar overzicht

Gijsje wou zijn melk niet drinken

(met dank aan Mark Landman voor het sturen van de tekst en J. Booij voor de aanvulling)

Gijsje wou zijn melk niet drinken,

Gijsje was een beetje klein.

Gijsje moest aan tafel blijven,

Tot zijn beker leeg zou zijn.

 

Gijsje wou niet, Gijsje zou niet,

Zei dat hij niet drinken kon,

Maar hij hoorde zusje roepen

Buiten in de warme zon.

 

Vijf minuten, tien minuten,

Toen nam Gijsje een besluit

En dronk als een grote jongen

1,2,3 zijn beker uit.

 

Terug naar overzicht

Gisteravond in mijn bedje

Gisteravond in mijn bedje,
Heb ik Sinterklaas gehoord.
Op zijn paardje reed hij zachtjes,
Over onze daken voort.
Trippel, trappel, trippel, trap.
'k Hoorde duid'lijk paardjes stap.

Nu zal 't ook niet lang meer duren,
Eer ik Sinterklaasje zie !
Vader zegt, en die kan het weten,

Nu nog maar een dag of drie.
Ja, dan belt hij bij ons aan,
En je ziet hem voor je staan !

'k Doe mijn best geduld te hebben,
Maar gerust, het gaat haast niet.
Zo verlang ik naar de bisschop,
En die goeie zwarte Piet.
Want hij komt nooit zonder knecht,
Dat heeft vader zelf gezegd.

Terug naar overzicht

Gistermorgen had klein Keesje

Gistermorgen had klein Keesje,
In de straat een ongeluk.
Keesje viel pardoes voorover,
En zijn linkerbeen was stuk.
Niet een beetje maar... nee,nee,
't Been lag helemaal in twee.
Moest klein Keesje nu niet huilen?
Nee, het ventje had plezier !
Daad'lijk stond hij op en lachte.
Had hij dan geen pijn? - Geen zier !
Met de stukken van zijn been,
Liep hij op een drafje heen

 

Terug naar overzicht

Goedemorgen maandag

Goedemorgen maandag
Hoe gaat het met dinsdag
Doe de groeten aan woensdag
Zeg tegen donderdag
Dat is a.s. vrijdag
Met de trein van zaterdag
Op zondag kom logeren

 

Terug naar overzicht

Goeiemorgen zei de spin

"Goeiemorgen" zei de spin.

Ik heb vandaag zo’n zin, zo’n zin,

Om een webje te gaan weven,

Nou, dat doe ik dan maar even.

Rond en rond en draaien maar,

Ziezo, mijn webje is al klaar.

 

Terug naar overzicht

Groen, groen grasje (S. Abramsz)

Groen, groen grasje,

Melk in mijn taschje,

Melk in mijn kommetje,

Dag mijn zoete jongetje !

 

Terug naar overzicht

Grote klokken zeggen ..

Grote klokken zeggen bim, bam, bim, bam.
Kleine klokken zeggen tikke, takke, tikke, takke.
En de hele kleine polshorloges zeggen
Tikketikketikketikketik.

 

Terug naar overzicht