|
| |
Opzegversjes
|
Daar gingen eens drie oude
wijfjes
(met
dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst) |
|
Daar gingen eens
drie oude wijfjes over een zwik zwak bruggetje.
De een heette
vrouw Biba, de tweede Biba de Binka
En de derde Sina
Snikna Knikker de Knikna.
Toen nam vrouw
Biba een steen,
En smeet dien
naar vrouw Biba de Binka haar been,
Zodat vrouw Sina
Snikna Knikker de Knikna daarom green.
Terug
naar overzicht |
| Daar
was ereis een koning (S. Abramsz) |
|
Daar
was ereis een koning,
Die
smeerde zijn eigen met honing,
Die
smeerde zijn eigen met roet,
Toen
was die koning bitter en zoet.
Terug
naar overzicht |
|
Dagen
van de week
(met
dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst) |
|
Zondag is de
beste dag.
Maandag daar en
tegen.
Dinsdag die het
beter wacht.
Woensdag halver
wegen.
Dan die bedroefde
donderdag.
En vrijdag van
ellende.
En die lieve
zaterdag .
Was die maar ten
ende.
Terug
naar overzicht |
|
Danderomdeine
kwam van Brugge
(S. Abramsz) |
|
Danderomdeine
kwam van Brugge
Met
zijn kastjen op zijn rugge,
Met
zijn stokjen in zijn hand,
Zoo
kwam Danderomdeine in 't land.
Terug
naar overzicht |
|
De
appel en de haan
(met dank aan Johan Pieters voor het
sturen van de tekst) |
|
Er lag een
dikke ronde appel
Midden in het
groene gras.
Die dikke ronde
appel huilde
Omdat hij maar
een appel was.
"Waarom huil
je ?" vroeg het haantje,
Dat boven op de
toren stond,
En draaide,
toen het hard ging waaien,
Zomaar drie
keer in het rond.
"Ach haan, een
kevertje kan lopen
En zo zijn er
nog zo veel.
Maar een appel
heeft geen beentjes,
Alleen een
blaadje en een steel."
"Ik weet wel,
dat de hemel blauw is,
De zon is geel,
de bomen groen,
Maar ik heb
nooit eens kunnen kijken,
Wat al die
grote mensen doen."
"Weet je wat,"
zei toen het haantje
En keek de
appel ernstig aan,
"Ik zal jou
straks wel komen halen
Als alle mensen
slapen gaan."
En toen de
grote mensen sliepen,
Vloog het
haantje door de lucht.
En de dikke
ronde appel
Zat tevreden op
zijn rug
"Appel, kijk
eens gauw naar boven,
Daar komt een
vlindertje voorbij.
En daar beneden
staat een huisje,
Zomaar midden
in de wei."
"En dat huisje
heeft een deurtje,
Waar de mensen
binnen gaan.
En dat huisje
heeft een raampje,
Zullen wij eens
kijken gaan ?"
Ze keken samen
door het raampje
En weet je wat
de appel zag ?
Een grote tros
met blauwe druiven,
Die op een mooi
wit bordje lag.
En een vorkje
en een lepel
Op een kleedje
blauw-geel-groen.
En een mesje,
waar je altijd
Heel
voorzichtig mee moet doen.
"Hoor eens,
appel," zei het haantje,
We moeten nu
naar huis toe gaan,
Want als de
mensen wakker worden,
Moet ik weer op
de toren staan."
En toen de
mensen wakker werden,
Lag de appel in
het gras
En riep
vrolijk: "torenhaantje,
Weet je nog hoe
leuk het was ?"
Terug
naar overzicht |
|
De arme
mus
(met dank aan Johan Pieters voor het
sturen van de tekst) |
|
Ik ben een arme mus
Een hongerleider dus,
Ook plunder ik zoveel ik kan,
Totdat mijn buikje roept “ ik span “
Ai, de hemel sta mij bij
Bij ‘t schouwken van de boer,
Daar lig ik op den loer
Ik huppel op en huppel neer,
Ik fladder weg en fladder weer
Mijn tergend lied,
En zwijg voor de koning niet !
Maar ach die wrede boer,
Grijpt naar zijn roestig roer
En eer ik weg kom van zijn fruit,
Steekt hij het dreigend naar mij uit
Pif-paf,
Ik val verduizeld af
Maar zo er nog vergiffenis,
Ginds in den mussenhemel is
Ik vraag pardoen,
En zal het nooit meer doen.
Terug
naar overzicht |
|
De
beer is los |
|
Versie 1
Moeder, moeder de beer is los,
Hoor dat dier eens brullen !
Snijd hem neus en oren af,
Dan hebben wij wat te smullen.
Versie 2
De beer is los, de beer is los,
Hoor dat beest eens brullen !
Bindt hem maar aan een touwtje vast,
En stop het in de krullen.
Versie 3
(Brabants dialect)
(met dank aan Riet Rademakers voor het
sturen van de tekst)
Dun beer is los,
Dun beer is los,
Heddum nie heuren brullen.
Snijdt um zun neus en oren af,
Dan zal ie oe niemer kullen.
Terug
naar overzicht |
|
De
beste medicijn
(Prudens van Duyse 1804 - 1859)
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) |
|
‘Mijn hoofdje, moeder, doet mij zeer’
Riep ik voorleden nacht.
Weldra zat moeder naast mij neer,
Die troost en laafnis bracht.
Zij hield mijn gloeiend handje vast,
En bood mij koele drank,
En bad voor mij, bij leed en last;
Mijn hart werd minder krank.
Ik sliep, ontwaakte zonder pijn,
Met d'eerste morgengroet,
En dacht: ‘Geen beter medicijn,
Dan moederliefde en moed.’
Terug
naar overzicht |
|
De betoverde dwarsfluit
(met
dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst) |
|
Sint Andries nam een wilgentak
En maakte daarvan dras,
Voor Pieter, Pater, Peutelaar
En Mater, Mietje, Meutelaar,
Een wonderschone dwarsfluit klaar,
Die klonk als klinkklaar glas.
Toen Sint Andries die dwarsfluit had
Geschild van teen tot top,
Hing Pieter, Pater, Peutelaar
Met Mater, Mietje, Meutelaar
Die dwarsfluit aan een paardenhaar,
Hoog aan de zolder op.
En toen ze aan de zolder hing
Viel ’t hele huis in-een
Op Pater, Pieter, Peutelaar
En Mater, Mietje, Meutelaar,
Viel hutje, mutje, hot en haar,
’t lag alles van de been.
Terug
naar overzicht |
|
De
bietebauw
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) |
|
Kleine, kleine stouterik,
zoudt ge moeder tergen ?
wacht, ik zal hem roepen, ik,
uit de zwarte bergen.
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw !
de bietebauw !
Hoor hem, met zijn berenkop,
op de deuren bonzen.
Krak ! hij kruipt een zolder op,
oei, oei, oei, den onzen !
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw !
de bietebauw !
Recht naar bedde komt hij, boe,
riekt aan de gordijne,
doe maar zeere uw oogjes toe,
of ge ziet de zijne !
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw !
de bietebauw !
Neen, neen, neen ! Naar buiten, beest,
om de stoute knapen !
Moeders kind is braaf geweest;
kan zoo schoone slapen.
Douw, douw, kindje douw;
Zwicht u voor den bietebauw,
douw-douw-dijn;
en zoete zijn.
Terug
naar overzicht |
|
De
bij en de wesp
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Bertje de Bij zoemt rustig en zoet,
Zijn vestje van fluweel staat hem goed.
Maar Wouter de wesp zoemt scherp als een zaag
En zijn geel gestreepte truitje zie ik niet graag !
Ze komen beiden als 't etenstijd wordt,
En pikken dan van 't fruit op mijn bord.
Terug
naar overzicht |
|
De ezel
(G. van der Linde (1808-1858))
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Een ezel is een heer met een staart,
Dien hij van achteren draagt als een
paard.
Het verschil tussen ezels en geleerde
doktoren
Zit hem soms minder in 't hoofd dan
wel in de oren.
Terug
naar overzicht |
|
De fiets van Piet Paaltjens
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) |
|
Een woordenspelletje. De eerste
zegt:'De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd', waarop de tweede
invalt met: 'De wielen van de fiets van Piet Paaltjens zijn zojuist
gepasseerd', waarna de derde zegt: 'De velgen van de wielen van de fiets
van Piet Paaltjens zijn zojuist gepasseerd'', waarop de vierde (of de
eerste weer, als er maar drie deelnemers zijn) haastig uitroept: 'De
spaken van de velgen van de wielen van de fiets van Piet Paaltjens zijn
zojuist gepasseerd!', waarop de vijfde (of de tweede), nogal vindingrijk
antwoordt met: 'De knijper op de spaken van de velgen van de wielen van de
fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd', waarop de zesde, of de
derde niet op het idee komt te zeggen dat 'het veertje van de knijper op
de spaken van de velgen van de wielen van de fiets van Piet Paaltjens
zojuist gepasseerd is', waardoor hij afvalt. Het hoeft overigens niet
altijd de fiets van Piet Paaltjens te zijn, die passeert, het kan ook zijn
bed zijn, of zijn oom,, of zijn hond, of zijn meisje. Maar het is wel
altijd iets van Piet Paaltjens, nooit iets van Jan Janssen (de fiets van
Jan Janssen etcetera'), of Beb Bakhuyys, of Han Hoekstra, of Cor Coster,
laat staan Liesbeth List. Waarschuwing voor literatuurliefhebbers: Piet
Paaltjens is dus géén familie van de dichter Piet Paaltjens.
Hier nog een paar versies van de fiets
van Piet Paaltjens.
De fiets van Piet Paaltjens is
zojuist gepasseerd
De wielen van de fiets van ......
De velgen van de wielen van
de.........
De banden om de velgen van de
wielen..........
Het klappen van de banden van om
de..............
Het schrikken van het klappen
van.............
Het bijkomen van het schrikken
van.......
De fiets van Piet Paaltjens
De fiets van Piet Paaltjens is zojuist
gepasseerd,
De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd,
De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd,
De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd.
De wielen van de fiets ....
De banden van de wielen ....
De velgen van de banden van de wielen
....
De spaken van de velgen van de banden
van de ....
De assen van de spaken van de velgen
van de ....
De kogels van de assen van de spaken
van de ....
Het vet van de kogels van de assen van
de ....
Terug
naar overzicht |
|
De
glimworm
(David Tomkins)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Glimwormpje, glimwormpje in de nacht
straalt zijn lantaarntje, onverwacht.
Aan en weer uit, zonder geluid,
diep tussen heester en kruid.
Glimwormpje, glimwormpje, weet je wel
hoe ik verschrik van je spiegelspel ?
Aan en weer uit, zonder geluid,
diep tussen heester en kruid.
Glimwormpje, glimwormpje, toverding,
't lijkt of je een vonk van de zonne
ving !
Aan en weer uit, zonder geluid,
diep tussen heester en kruid.
Terug
naar overzicht |
|
De
groenteboer
(David Tomkins)
(met
dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst) |
|
Daar is Joost,
de groenteboer !
Kijk eens op
zijn wagen.
Durf jij hem
een witte knol
Of een wortel
vragen ?
Straks als Mina
groenten koopt,
Komt hij bij
het hekje,
Moe zegt: ,,Wie
maar alles vraagt,
Wordt een
lekkerbekje.”
Nee, ik durf
niet ! – Karel jij ?
Kijk eens, wat
een noten !
En kastanjes
heeft hij ook
Naast die mand
met kroten.
Zeg, wat zijn
die knollen zwart !
Zijn die
ongewassen?
Nee maar ,
jongens, hoor je hem ?
Dat zijn
rammenassen.
Anna, duw me
niet zo, hoor !
‘k Zie een fles
met uitjes
En wat is dat
rood en geel
Onder al die
spruitjes ?
Joost komt
langzaam aangestapt;
In zijn grove
handen
Brengt hij elk
een appel mee,
Om te
watertanden !
Terug naar overzicht |
|
De
groeten aan oma
(met
dank aan Lien Vieveen voor het sturen van de tekst) |
|
Annelies kan
amper lezen, als haar oma overlijdt,
En ze is heel
erg verdrietig, want nu is ze oma kwijt....
Altijd mocht ze
bij haar komen, elk tijdstip van de dag,
Nooit zou er
een week voorbijgaan zonder dat ze oma zag.
Oma was voor 't
kleine meisje de belangrijkste persoon.
Had ze haar
iets te vertellen dan was daar de telefoon,
Heel wat keren
had ze oma gebeld,
"Nu is oma in
de hemel", heeft haar moeder haar verteld.
Annelies heeft
geen notie, geen begrip nog van de dood.
Op een middag
heeft de peuter 't telefoonboek op haar schoot.
IJverig speurt
ze daarin of ze 't nummer van de Hemel ziet,
Want
natuurlijk vind ze 't niet.
"Mamma,
mag ik oma bellen ?" klinkt het plotseling ontdaan.
"Wilt
u dan het nummer zoeken ? want ik zie het nergens staan.
't
Zal wel duur zijn om te bellen, maar mijn spaarpot is zo zwaar.
'k Zal het zelf
dan wel betalen, neem de hele inhoud maar.
Moeder kan geen
woord uitbrengen, in haar keel daar zit een prop,
Tranen schieten
in haar ogen, en ze tilt haar meisje op.
"Oma
kun je niet meer bellen", zegt ze dan op zachte toon,
Z' is nu bij
de Here Jezus, en die heeft geen telefoon."
In het kleine
hoofdje heeft zich dit gezegde vastgezet,
En die avond
word een stukje toegevoegd aan haar gebed.
"Ik
verlang zo naar mijn oma, Here Jezus is ze daar ?
Als u haar
mocht tegen komen, doe de groeten dan aan haar."
Terug naar overzicht |
De grote hond en de kleine
kat
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst) |
|
Een grote hond
en een kleine kat,
Die zaten op de
kamermat
En de hond, die
zei: Zeg, scheelt jou wat ?
Scheer je weg !
En de kat, die
zei: Jij bent een hond
En ik een kat,
niet zonder grond
Hou jij dus nou
jouw grote mond
Scheer je weg !
Scheer je weg:
waf, waf ! scheer je weg: sis, sis
Scheer je weg:
die is raak: scheer je weg: die 's nie mis !
Waf waf ! sis
sis ! woef woef ! mauw mauw !
En een houw en
een beet en een blaf en een grauw
En de grote
hond en de kleine kat,
Die vlogen van
de kamermat,
En de keuken
in: Zeg, scheelt jullie wat ?
En hij trapte
op een teen,
En zij beet in
een been
Van de meid,
die riep: ga je heen ! o mijn been !
Scheert je weg
!
En de grote
hond en de kleine kat,
Die zaten weer
samen op de kamermat,
En ze lachten
en praatten: 'och hemeltje, wat
Trapte ik op
haar teen !'
'En beet ik in
haar been !'
''t Is gek,
maar zo'n mens krijgt ook altijd wat !'
Terug
naar overzicht |
|
De hik
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst) |
|
Ik heb de hik
Ik heb de dik
Ik heb de nauw
En ik geef 'm
aan jou.
Terug
naar overzicht |
|
De hond
(Den schoolmeester G. van der Linde)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst) |
|
Een hond is
vermaard
Om zijn gezellige aard
En 't kwispelen van zijn staart.
Zijn neus, doorgaans rond,
Staat gewoonlijk in 't front,
En zo lang die maar nat en fris is,
Is 't een bewijs, dat meneer zo gezond als een vis is.
Een hond is iemand, die van zijn baas bijzonder veel houdt,
Die hij, om zo te spreken, als zijn derde vader beschouwt,
En die hem dikwijls een hele boerewoning toevertrouwt,
Waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven vandaan weet te jagen
En de post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.
Als een haas niet op zijn tellen past,
Wordt hij dikwijls door een hond verrast;
Doch een hond loopt er ook wel tegen aan,
Als men hem in de hondsdagen uit laat gaan.
Menig een blinde hond
Is verdronken, omdat hij geen zwemmen verstond;
Doch zodra zij dit verstaan,
Kan men ze rustig uit baaien laten gaan.
Honden zijn dol op kalfslever en benen;
Doch, volgens Esopus, loopt er dikwijls een derde mee henen.
Ook nuttigt een hond met plezier water en droog brood;
Doch een pak slaag, daar heeft hij een broer aan dood.
Het opzetten is
ook iets, daar hij niets om geeft,
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hij nog leeft.
Ook blaffen honden niet langer, als ze eenmaal dood zijn;
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn.
Terug
naar overzicht |
|
De
hond en het bokje
(J.J.A Goeverneur 1809 - 1898)
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst |
|
Hond:
Bokje, pas op, anders bijt ik u zeer !
Bokje:
Hondje, pas op, anders stoot ik u weer !
Hond:
Bokje, mijn tanden zijn scherp, pas maar op !
Bokje:
Hondje, mijn horens staan vast op de kop !
Hond:
Bokje, het was maar uit gekheid gezeid,
Laat ons wat spelen, wij hebben tijd.
Zij stoeiden en speelden en huppelden rond,
En buitelden soms alle twee op de grond;
Dan rustten ze een poosje, dan sprongen zij weer
Al holderdebolder, de tuin op en neer,
En kregen elkaar eens fiks bij de kladden,
Het was om te lachen, zo'n pret als zij hadden.
Terug
naar overzicht |
|
De kapper
(met dank aan Tobias van der Hoeven voor
het sturen van de tekst |
|
’t Was op een
dag, eens in de zomer
Overal was ‘t
snikkend heet
Zodat menigeen
zich weldra
Van zijn jas en
boord ontdeed
En de meeste
kapperszaken
Hadden heden
werk genoeg
Even knippen,
maar wat kort hoor
Was hetgeen men
telkens vroeg
In één van de
kapperszaken
Kwam toen een
bejaarde heer
Zette zich met
zoontje Karel
Bij de andere
klanten neer
Wel moesten zij
een tijdlang wachten
Maar daarover
niet getreurd
Want straks
kwamen pa en zoonlief
Toch wel één
maal aan de beurt
Pa z’n dunne
kransje haar
Niet de moeite
voor de schaar
Was in een
ogenblik verdwenen
Hij stond op en
was al klaar
Toen kreeg
Kareltje een wenkje
Ga maar zitten
jongeheer
Hoe wens je
geknipt te worden
Zeker net als
vorig keer?
’t Ventje
streek zijn lange krullen
Van zijn
voorhoofd en zei dra
Wijzend met
zijn kleine duimpje
In de richting
van zijn pa:
Ik
heb in die lange krullen
Nu ’t zo warm
is niets geen zin
Knipt u mij
maar net als vader
Met zo’n gat er
boven in
Terug
naar overzicht |
|
De karekiet
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst |
|
In de schone
lentedagen,
Bij de oever
van de vliet,
Hoort men vaak
een vogel zingen,
Lustig zingen
in het riet.
En als gij zijn
naam wilt weten,
O, geloof me
vraag hem niet,
Want hij zegt
hem hele dagen in zijn lustig kwetterlied !
Karrekiet-kiet-kiet,'k woon in 't riet-riet-riet,
Karrekiet in
het riet, maar ge vindt me toch niet.
Karrekiet-kiet-kiet, ah, ge vindt me niet ! Om de duivel niet !
Jantje Koek eet
gaarne eiers,
Vogeleiers
vindt hij goed,
En zo komt het
dat hij heden,
In het bos zijn
ronde doet.
Ei, wat hoort
hij daar aan 't water ?
Wacht maar,
kleine deugeniet,
Ha, ge durft
mij komen plagen,
Met uw aardig
spotterslied !
Jantje Koek kan
't niet meer horen,
Woedend
loopt hij van de dijk
Maar, in plaats
van 't nest te vinden,
Schiet hij
netjes in het slijk
En als Jan er
nog niet uit is,
Ja, dan steekt
hij er nog in,
Maar nog zingt
het Karrekietje
't Lustig
liedje blij van zin !
Terug
naar overzicht |
|
De
kerstboom
(met
dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst) |
|
De kerstboom is
versierd
Met zilverwitte
draden
En alle takken
zijn
Met verse
sneeuw beladen
Naast appel
peer en pruim
Staan
sterretjes en lichtjes
Zij spiegelen
in het fruit
Hun brandende
gezichtjes
Daar komt de
Kerstman aan
Zijn zak vol
lekkere dingen
Hij luistert
naar het lied
Dat alle
kinderen zingen
Terug
naar overzicht |
|
De kies
(met
dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst) |
|
Vastberaden……,
ijzig….., koel……
Stond hij
achter haren stoel
Een schreeuw,
een snik, een kra….kend geluid,
Bloed…..’t was
gedaan…..
De kies was
eruit !
Terug
naar overzicht |
|
De kikvors
(met
dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst) |
|
Aan de oever
van de Schie,
Zat een kikvos
luid te wenen,
Met een
zuigeling op haar knie.
En zo sprak zij
tot de kleine:
Zie je daar die
ooievaar ?
’t Is de
moordenaar van je vader.
Hij vrat hem op
met huid en haar.
(variant op "Aan de oever van de
Rotte, zie Jeugdliedjes van deze site)
Terug
naar overzicht |
|
De kippen !
(met
dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst) |
|
De zon zinkt
in het westen weg,
De kippen gaan
op stok.
Ze stommelen
en rommelen
In ’t oude
kippenhok.
Eerst gaat de
haan, dan volgen hem
De kippen op
elkaar.
Ze tokkelen en
kokkelen
En maken veel
misbaar.
't
Is of er altijd herrie is,
In ernst of
voor de mop.
Ze kakelen en
rakelen
Steeds oude
kwesties op.
Terug
naar overzicht |
|
De
kleine porder
(G.W. Lovendaal 1847 - 1939)
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) |
|
Wie roept daar
voor Moe's kamertje:
Doe open, doe open ?
Wie klopt daar met zijn hamertje:
Doe open nu de deur ?
Ik weet het al ! ...
Wie is het dan ? ...
Dat's onze kleine Janneman
Die niet meer slapen kan,
Die met zijn dikke vuistjes tromt
En om een morgenzoentje komt.
Terug
naar overzicht |
|
De klok
slaat
(met
dank aan Henny Verstege voor het sturen van de tekst) |
|
De klok slaat
De tijd vergaat
Heer vergeef
ons alle kwaad
Dat de zondaar
zich bekere
En Uw heilige
naam verere
Heer vergeef
ons in dit uur
De zielen in
het vagevuur.
“Alles ter ere
Gods”
Terug
naar overzicht |
|
De
kronkelworm
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
"Dinkel-donkel
wat een gekronkel !"
Riep de worm die de grond uit kroop.
Hij rekte en wringelde,
Kromde en kringelde,
En raakte bijna in de knoop.
Geen wonder dat het diertje zo spartelt,
Als je weet wat z'n hartje bezwaart.
Hij kon er niet tegen,
En maakt hem verlegen ,
Dat zijn kop net eender is als zijn staart.
Terug
naar overzicht |
|
De Leeuw
(De schoolmeester Gerrit van de Linde
(1808-1858))
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Een leeuw is
eigentlijk iemand,
Die bang is voor niemand,
Zijne oogen en zijn neus
Zijn grooter dan die van een reus;
En zijn muil
Is een ware moordkuil;
Met zijn klaauw
Is een leeuw geweldig gaauw;
Met zijn staart
Gooit hij een schutter van zijn paard;
En met zijn tanden
Durft hij de heele schutterij wel aanranden.
Enfin, hij is altijd het verscheurendste beest
Onder de dieren geweest.
Onlangs heeft hij immers in Londen
Nog een juffrouw verslonden;
Doch, nu ik mij bezin,
Was hij het niet: het was de leeuwin.
De leeuw wordt
viervoetig geboren:
Twee van achteren en twee van voren;
Of, volgens anderen, twee aan zijn rechterhand:
En de andere twee aan deze kant.
De leeuw zijn
gemalin
Is mevrouw de leeuwin,
En de jongelui, zoolang zij zich met de borst behelpen,
Noemt men gewoonlijk: welpen.
Gouden leeuwen
en leeuwen van hout,
Mitsgaders de Hollandsche, worden heel oud;
Men ziet ze nog wel op uithangborden en schilden, doch zeldzaam in 't
woud.
Komt ooit de ware leeuw rechtstreeks op u aan,
Dan is 't beste om maar regelrecht uit den weg te gaan.
Doch niet als hij opgezet of dood is,
Daar er in dat geval volstrekt geen nood is.
Terug
naar overzicht |
|
De
lente is gekomen
(Jac.
Schreurs)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst) |
|
De
vogels hebben al een nest
En
in de hoge bomen,
Daar
ordent zich een heel orkest;
De
mus, de merel en de rest
De
lente is gekomen !
De
morgen met de gouden mond,
Wat
kan die lieflijk dromen !
Die
roept het heel de wereld rond
Met
alle klokken in verbond:
De
lente is gekomen !
De
bomen staan in groot toilet,
Die
hebben 't nieuws vernomen
En
eensklaps - hoor die klarinet.
De
grote wegen afgezet:
De
lente is gekomen !
Ik
ben zo och ik ben zo blij,
Mijn
hart wordt o zo vrome,
Omdat
het licht, omdat de Mei,
Omdat
nu alles omdat Gij,
Maria,
zijt gekomen !
Terug
naar overzicht |
|
De les is
uit (Henriëtte Blaauw)
(met
dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst) |
|
De les is uit,
Mijn kleine guit.
Hier, nog een
lekker klontje.
’t Is goed
gegaan;
‘k Ben erg
voldaan;
Doe jij je best
maar, hondje.
Je geeft een
poot,
Ligt netjes dood;
Zo’n leerling
moet een prijsje.
Heus, jij
verdient,
Mijn beste
vriend,
Een tien wel op
je lijstje.
Ja, ja Fidel,
Ik zie het wel;
Je zit er als een
koning.
Wie zo studeert
En kunstjes
leert,
Krijgt dikwijs
een beloning.
Terug
naar overzicht |
|
De
moeder van een duizendpoot
(S. Abramsz) |
|
De
moeder van een duizendpoot
Is vreselijk ontevreden.
Want haar zoontje is zojuist
In de sloot gegleden.
En als je even rekent
Weet je wat dat betekent:
Op z'n hoofd een grote buil
En duizend sokjes vuil !!!
Terug
naar overzicht |
|
De mol
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
De zwarte
kleine mol
Kan niet tegen het licht.
Daarom draagt hij een zonnebril
Op zijn spits gezicht.
Hij valt over een stronk hard tegen een cipres
En zegt beleefd: "pardon !
Ik deed het niet expres !"
Terug
naar overzicht |
|
De molen
(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst) |
|
Daar staat hij
Met zijn grijze
kap,
Zijn lange
staart,
Zijn steile
trap,
En vier rode
wieken,
Hoog in de
lucht,
Die zwieren en
zwaaien
In volle
vlucht.
Aan een zeel
daar
Hangt een zak,
Die langzaam
Naar boven gaat
En de molenaar
Wit bestoven,
Fluit een
deuntje
Blij van zin
En trekt hij de
Zak het venster
in.
Terug
naar overzicht |
|
De muis
(Jan van Droogenbroeck (1835-1902))
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
De muis, de
muis, de kleine muis,
Wat maakt zij
toch voor een gedruis
Geheele nachten
in ons huis !
Ze ritselt, ze
hippelt,
Ze kwispelt, ze
trippelt,
Ze knaagt,
Ze zaagt,
Ze haalt en
draagt.
Ze krabt,
Ze schrabt,
Ze kleutert,
Ze peutert,
Ze plukt wol
tot een bolleken
En rolt het op
een rolleken,
Recht naar heur
holleken.
Ze bijt lapjes
en papierkens
Tot kleine
fijne zierkens
En maakt
daarvan een nestje klaar,
Zoo zacht,
alsof het zijde waar.
Zóó, van den
avond tot den morgen
Is 't aardig
dier aan 't zorgen:
Aan 't
hutselen,
Aan 't
futselen,
Aan 't
knabbelen,
Aan 't
krabbelen,
Aan 't
schikken,
Aan 't flikken,
In alle hoeken
Aan 't zoeken,
Hier
in slippende,
Daar uit
glippende,
Ginds weg
wippende....
En dan terug
naar heur nest
Want zij weet:
Oost, West,
't huis best.
In pluimen,
wolle, pluk en pluis
Slaapt de
familie van de muis.
De jongskens
zijn nog o ! zoo klein !
De muize houdt
ze warm en rein;
Want onze
kruimeldief
Heeft ze zoo
lief !
Daar heeft de
kat de muis geroken:
Ze kijkt in 't
hol, zeer diep, diep, diep.
Maar
knagelijntje blijft verstoken,
En zegt van
binnen: piep, piep, piep !
Terug
naar overzicht |
|
De muis
(met
dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst) |
|
Ik vroeg aan de
muis: waar is je huis?
Dat zal ik eens
zeggen zei hij oprecht,
Als je de kat
er maar niets van zegt.
Eerst gaan we
op een draf,
Trap op, trap
af.
Eerst rechts
dan links,
Dan
rechtsomkeer, dan linksom weer
En dan recht
uit.
Nu heb ik mijn
woning uitgeduid.
Mijn deurtje is
klein, vergeet niet te bukken.
Terug
naar overzicht |
|
De muis
(met
dank aan Els van Pelt-Maronier voor het sturen van de tekst en Marian
Rosmalen voor de correcties en aanvulling) |
|
Onder het dak
van ons huis
Had een aardige
muis
Een lief nestje
gebouwd voor haar jongen
En daar
speelden zij blij
Met hun moesje
erbij
En ze speelden
en stoeiden en sprongen..
En dan 's
nachts sloop zij zacht
Naar omlaag,
elke nacht
Om wat rijst
uit de kelder te stelen.
En dan keerde
zij vlug,
Naar de zolder
terug
Om de rijst met
de kleintjes te delen.....
Maar ach eens
op een keer
Kwam de oude
niet meer
En de
kindertjes kregen geen eten
Een ondeugende
kat
Had het muisje
gevat
En er zomaar de
kop afgebeten...
Terug
naar overzicht |
|
De
muizenford
(met dank aan Joke Hendriksen voor het sturen van de tekst) |
|
Alle kinderen
van Snort,
Mogen in de
Muizenford.
Met z’n tienen,
met z’n tienen,
In de
muizenlimousine.
Vader Snort
zegt om te beginnen:
"Kinderen houd
je staarten binnen."
Alle kinderen
riepen: "Moe,
Waar gaan wij
vandaag naar toe ?
"Piep", zei
moeder, nu je het zegt,
Niet naar de
Veluwe, niet naar de Vecht,
Niet naar het
bos en niet naar het strand,
Wij gaan
vandaag naar het Zwoerdjesjesland,
Waar het spek
aan de bomen groeit,
Waar de Leidse
kaasboom bloeit,
Waar de dorpen
en het plein,
Allemaal van
zwoerdjes zijn.
Ieder huis en
ieder hek,
Is van
boterhammenspek
En daar tussen
vloeit een stroom,
Niet van
modder, maar van room.
O wat kan ik er
naar verlangen,
Met mijn staart
in de room te hangen."
"Rijden pa, pas
op die paal",
Vader drukt op
’t gaspedaal.
Dan opeens een
reuze knal,
Piep, piep,
piep, daar heb je het al.
Midden op de
grote weg,
Hadden de
muizen bandenpech.
Later als het
donker wordt,
Slepen ze heel
verdrietig de muizenford
Weer naar huis,
"Pech gehad",
zei vader Muis.
Moeder Snort
zei: "Lieve kinderen, lieve kinderen,
’t Mag niet
hinderen, 't mag niet hinderen.
Morgen met een
nieuwe band,
Gaan wij toch
naar Zwoerdjesland."
Terug
naar overzicht |
|
De muren waren van pannekoek
(met dank aan H. Metz- Onstein voor het sturen van de tekst) |
|
De muren waren
van pannekoek,
Het dak van
chocolade
En uit de
kraantjes kwam alleen maar
Frambozenlimonade
De trappen
waren van botersprits
De vloeren van
fondant
Dat stond er op
een mooie dag
Te lezen in de
krant.
Toen zijn er
wel duizend kindertjes
Naar 't huisje
toegekomen
En ieder heeft,
want ja dat mocht,
Een stukje er
van genomen
Toen hebben al
die kindertjes
Het samen
opgegeten
En waar het
huisje heeft gestaan
Dat ben ik glad
vergeten !
Terug
naar overzicht |
|
De
nieuwe broek
(met
dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst) |
|
Jantje had een
nieuwe broek gekregen
Met aan elke
kant een zak
Die hij al de
eerste middag
Vol met mooie
dingen stak.
Knikkers,
dropjes, krijt, een bal.
Slakkenhuisjes,
wat niet al.
In die huisjes
zaten slakken
Daar had Jan
niet aan gedacht
En toen zijn
moeder hem ’s avonds
Naar zijn bedje
had gebracht
Deed zij ook
een onderzoek
In de zakken
van zijn broek
Hu… daar greep
ze glibber glabber
Koud en week op
een zo’n slak
Weet je wat er
toen gebeurd is
’s Avond laat
met elke zak ?
Moeder heeft
met draad en naald
Een voor een ze
toegehaald.
Terug
naar overzicht |
|
De nieuwe
tand !
(met
dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst) |
|
Een tand is los
gaan zitten,
Een kleine
witte tand,
Hoe moet je die
nou trekken ?
Gewoon maar met
de hand ?
“t komt vanzelf
wel zegt het praatje,
Ik denk, met
een zijden draadje,
En oom Nol
Houdt maar vol,
Bijten in een
knollebol !
De tand is
uitgevallen,
Een nieuwe tand
komt door,
Je kon het
eerst niet merken,
De oude zat
ervoor.
Kijk eens, wat
een grappig tandje,
Melkwit met een
parelrandje,
Teer en fijn,
Dun en klein,
Net van
blinkend porcelein !
Terug
naar overzicht |
|
De olifant
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Toen kwam er
een olifant
Met een lange
snuit
En die blies
het hele verhaaltje uit.
Terug
naar overzicht |
|
De
olifant Amalia
(Vera Witte, De Kleine Troubadour 1964)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst) |
|
De
olifant Amalia
Zingt
in het woud een aria.
Ze
tettert in het avondlicht
En
knijpt verrukt haar ogen dicht.
Waar
alle apen roepen: “Wel,
Wat
krijst die olifant weer schel !
Wat
doen we met Amalia
En
met haar nare aria ?
We
gooien noten naar haar kop,
Dan
houdt dat zingen vast wel op.”
Daar
smijten ze, pats, noot na noot;
En
lachen stiekem in hun poot.
Maar
hoor, wat roept Amalia ?
Een
kokosnootbombaria !
"Het
zal me smaken. Dank je wel.
Een
zangeres is hier in tel.
Dat
het zó mooi was, wist ik niet.
’t
Is heerlijk”, zegt Amalia.
“
Ik zing morgen weer een aria.”
Terug
naar overzicht |
|
De pereboom
(Jacqueline van der Waals 1868-1922)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst) |
|
Langzaam op het
schelpenwegje
Bij het geurend
rozenhegje
Van haar
kleinen bloemenhof
Wandelt Aagje,
die wat luiert,
En ze plukt,
terwijl ze kuiert,
Hier en daar
een bloempje af.
Peinst en toeft
en glimlacht, even
Luisterend het
hoofd geheven,
Of ze hoorde
naar een tred
Bloost en zucht
en gaat zich bukken,
Om een
onkruidje uit te rukken
Uit het
bloeiend rozenbed.
En dan draagt
ze in haar mandje
Dit zoo
ongewenschte plantje
Of een
schadelijk insect,
Of een wormpje,
of een slekje,
Buiten het
getralied hekje,
Waar haar
tuintje niet meer strekt.
En, terwijl ze
daar zoo drentelt,
Komt een
blaadje neergewenteld
Uit den lagen
perelaar
Voor de voeten
van Agaat je,
Die het
langgesteelde blaadje
Vallen ziet, en
kijkt er naar.
Komt ze weer
den boom genaderd,
Valt er weer
zulk groen gebladert
Voor de voeten
van Agaat,
Die zich thans
toch gaat verbazen,
Dat zoo zonder
windeblazen
Hij zijn
blaadjes vallen laat.
Is de herfst
alreê gekomen ?
Valt het
zomerblad der boomen
Gaaf en groen
en onverdord,
Waar gewoonlijk
toch het loover
Hangen blijft
den zomer over
Tot het
welhaast winter wordt ?
Is het soms een
booze ziekte,
Die den boom
zijn groengewiekte,
Stille
vlinderkens ontrukt ?
Houdt zich
iemand soms verstoken
In dien boom,
die weggedoken
Tusschen 't
groen, de blaadjes plukt ?
Langs het
geurend rozenhaagje,
Op het
schelpenpad loopt Aagje,
Met een lachje
om den mond,
Naar de
bladerkens te kijken,
Die al draaiend
nederstrijken
Voor haar
voeten, op den grond.
Terug
naar overzicht |
|
De poes
(met dank aan Hennie Schreurs voor het
sturen van de tekst) |
|
O Nel, o Nel
ondeugend beest,
Wie is er aan
de melk geweest ?
Ja. kijk me
maar zo stout niet aan,
Ik weet wel wie
het heeft gedaan.
Och vrouwtje,
’t is mijn schuld toch niet,
De kan viel om
zoals u ziet.
‘k Wou even
proeven, vrouwtje heus,
Ik stootte er
tegen met mijn neus.
Toen tuimelde
de kan opzij,
Ik schrok er
van, geloof me vrij,
Was nu die kan
maar blijven staan,
Dan was alles
goed gegaan.
Ik had de melk
snel opgedronken,
Voordat de thee
werd ingeschonken,
En niemand wist
wie ’t had gedaan,
Maar vrouwtje
toen kwam jij er aan.
Ja Nel, dat is
nu wel heel goed,
Maar melk te
snoepen is niet goed.
En als je kwaad
doet, kleine guit,
Kom er dan
liever rond voor uit.
Terug
naar overzicht |
|
De pop
van Jet
(met
dank aan Betty Conijn voor het sturen van de
tekst en Maria Janssen voor de correctie) |
|
De pop van Jet
lag in het bos
Heel lief te
slapen op het mos
Haar moeder
zei: "maar Jetje toch
Gisteren was je pop er nog"
En Jetje dacht
ik ga eens zien
Mijn pop ligt
in het bos misschien
En Jetje vond
haar popje weer
En moeder was
zo boos niet meer.
Terug
naar overzicht |
|
De
poppendokter
(met
dank aan Marja van de Vathorst, Danielle Segers en Rene Bongers voor het
sturen van de
tekst) |
|
Dokter,
ik kwam eens even vragen
Om een drankje voor mijn pop,
Want dat akelige hoesten
Houdt maar in 't geheel niet op.
Maandag was ze reeds verkouden
En nu is het al donderdag.
Zou het niet het beste wezen,
Dat u haar eens even zag ?
Kijk, hier is ze, maar wat zie ik,
Ga jij huilen, kleine meid ?
En je zou mooi antwoord geven
Heb je strakjes nog gezeid.
Weest u maar gerust mevrouwtje,
Trek u daar toch niets van aan.
Zo'n paar traantjes, ach wat zou dat,
Dat zal straks wel over gaan.
Kom, geef jij mij maar een handje.
Goed, laat nu je tong eens zien.
Wel, verbazend, wat een lange !
Zijn 't er soms ook twee misschien ?
Maar nu moet ik nog heel even,
Nee,
je hoeft niet bang te zijn,
Achter in je keeltje kijken.
Nee, het doet je echt geen pijn.
Doe maar wijd je mondje open,
Nog wat wijder als het kan.
Foei, wat is die keel ontstoken,
Wezenlijk, ik schrik er van !
Weet u wat u doet mevrouwtje,
Dat zal kost'lijk zijn voor haar,
Kluts maar gauw een lekker eitje
Met wat melk door elkaar.
Als u haar zo tussenbeide
Eens een slokje daarvan geeft,
Wed ik, dat ze morgenochtend
In 't geheel geen pijn meer heeft.
Nu,
dat is een lekker drankje,
‘t
Lijkt wel wat op advocaat.
Als
het maar niet bij vergissing,
Door
je eigen keeltje gaat !
Maar,
daar zal ik wel op passen.
Ik
dank u ondertussen zeer
Voor
de aardige visite
En
uw goede raad meneer.
Terug
naar overzicht |
|
De
poppenwagen
(John Simson)
(met dank aan Alie Jansen voor het
sturen van de tekst) |
|
Verdrietig stond
Marietje daar,
Zij had ook geen
geluk:
Haar poppenwagen
liep niet meer;
Het linker wiel
was stuk.
Ze tilde dus de
wagen op,
Terwijl haar
popje sliep,
En duwde hem
tweewielig voort
Omdat één wiel
niet liep.
Zo kwam ze bij de
achterdeur
En wilde binnen
gaan.
De wagen schoof
ze half in huis,
Toen bleef ze
zuchtend staan.
Daar zag haar
Ans, haar tweelingzus.
,, Ik help je !”
zei die vlot.
,, Ik zie het al:
dat linker wiel
Dat is daarginds
kapot !”
Ze tilden saam de
wagen op
Een ieder aan een
kant.
Ze werkten hard,
maar vreemd genoeg,
Hij hield
onwrikbaar stand.
De wagen leek wel
vastgeroest,
Daar midden in de
deur.
Hij ging nog
voor- noch achteruit,
En stelde bei te
leur.
,,’k Begrijp
niet,”zei Marietje toen,
,, Dat ding
verroert geen vin !
Daarnet toen ging
het beter nog.
We krijgen ‘r hem
nooit in !”
,, Er in !”stoof
Ans toen dad’lijk op
En lachte daarbij
luid,
,,Had dat dan
toch direct gezegd,
Ik dacht, hij
moest er uit !”
Terug
naar overzicht |
|
De
raaf
(Johan Jacob Antonie Goeverneur) |
|
Zie
daar dien bedelaar eens staan;
Hij
heeft een pikzwart rokje aan,
En
stapt, zoo lang de winter duurt,
Langs
alle huizen in de buurt,
En
roept: Kras! Kras!
Ach,
geef me een beentje,
Ik
ben tevreê, al is 't maar ééntje.
Maar
komt de lieve lente in 't land,
Dan
is hij blij, de slimme klant;
Dan
vliegt hij op een' hoogen tak,
En
fladdert vrolijk op het dak.
En
roept: "ik dank u. lieve vrinden",
Nu
kan ik zelf den kost weer vinden !
Terug
naar overzicht |
|
De regen
(met dank aan Josée Reyners voor het
sturen van de tekst) |
|
Het regent,
regent…..jongens ! Wat is het weer fris
Ja, roept men
door het venster, ……..dat regen welkom is.
Hoe rolt hij van
de daken,
Hoe pletst hij in
de goot
En valt dan in
de sloot.
Alles word er
door gereinigd,
Gezuiverd van het
stof.
Het haantje op de
toren,
De bloemen in den
hof.
Waarna dit schone
refrein,
“Na regen komt
zonneschijn“.
Terug
naar overzicht |
| De
regenworm en zijn moeder (Annie M.G. Schmidt) |
|
Er
was eens een regenworm in Sneek,
Die altijd naar de sterrren keek.
En fluisterde: "Hoe schoon, hoe schoon……".
Zijn moeder zei: "Doe toch gewoon.
Kijk naar beneden, naar de grond
Dat is normaal, dat is gezond
Kijk naar beneden, zoals ik…"
En toen? Toen kwam de Leeuwerik !
Het wormpje, dat naar boven staarde,
Zag hem op tijd en dook in de aarde.
Maar moe, die naar beneden keek,
Werd opgegeten daar in Sneek.
Dus doe nooit wat je moeder zegt
Dan komt het allemaal wel terecht !
Terug
naar overzicht |
|
De ruiter
(G. van der Linde (1808-1858))
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Een ruiter is
een mens te paard,
Omtrent
drie voet hoger dan een mens op aard,
En die zich
somtijds vasthoudt aan de manen
En somtijds aan
de staart.
Terug
naar overzicht |
|
De
schooiertjes
(met dank aan Marian Heeringa voor het sturen van de tekst) |
|
Koude gure
wintervlagen,
Regen, sneeuw
en hagelbui,
Zus en broertje
kijken samen,
Naar 't gedoe
der rijke lui.
Dame stapt er
uit haar rijtuig,
Veel parfum en
heel dik bont,
In haar arm,
heel warm gekoesterd,
Kleine
aangeklede hond.
Zijden dekje op
zijn rugje,
Lekker in een
wollen doek.
Kijk zegt zus
en trekt haar broertje,
Rillend aan
zijn dunne broek.
Winkeljuffrouw
houdt een koekje,
Vleiend voor de
lieve hond.
Eerst wordt het
weifelend aangenomen,
Dan valt het
kruimelend op de grond.
Hè zegt zus, ik
wou dat ik was zo'n dame,
Zo rijk, zo
chique, zo fijn.
Ja, sprak broer
bibberend van de koude,
Mag ik dan je
hondje zijn ?
Terug
naar overzicht |
|
De
schuiftrompet
(met
dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst) |
|
Op een
zolderkamertje in z'n opklapbed,
Oefent
Joost de olifant op z'n schuiftrompet.
Oempà oempà
oempà oempà oempà oempà oempàpà,
Oempà oempà
oempà oempà oempà oempàpà.
Hij studeert
een feestmars in voor het blaasorkest,
Teteretet, geen
noot ernaast, Joost doet zo zijn best.
Hoor hoe hij
dat loopje blaast: do la sol fa mi.
Joost heeft het
sinds gisteren fijn onder de knie.
Dan wordt op de
deur gebonsd: "Hee, ga slapen vent !
Weet je dat je
al drie uur aan het toet'ren bent."
't Is Piet
Nijlpaard van drie hoog; die maakt dat kabaal,
"Ach, zo'n
nijlpaard is" denkt Joost, "ook niet muzikaal."
"Jammer dat je
nog niet slaapt" roept hij naar buur Piet,
"Want als jij
aan het snurken bent, hoor je 't spelen niet."
Boos komt Piet
de kamer in, op een nijlpaarddraf.
"Geef je
schuiftrompet" roept hij of ik pak hem af.
"Ha," lacht
Joost de olifant, "als je dat eens durft....
Want die mooie
schuiftrompet IS MIJN EIGEN SLURF !"
Terug
naar overzicht |
|
De
sneeuwpop
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst) |
|
Ik ben een
sneeuwpop dik en rond,
Met mijn pijpje in mijn mond.
Op mijn hoofd een oude hoed,
Die staat mij reuze goed.
Terug
naar overzicht |
|
De
spin
|
|
Versie 1
(met
dank aan Carola voor het sturen van de tekst)
Op
een heel klein zigzag paadje liep een spin,
Een hele grote, met waggelpoten middenin.
En
die stapte ó zo deftig, réuze deftig heen en weer.
De bloempjes in het koren zeiden: "dat is een heer!"
Maar
toen kwam er, och wat jammer, réuze jammer, de boerin.
En die trapte, och wat jammer, réuze jammer, op de spin.
Nu
ligt het paadje heel verlaten, heel verlaten in de zon.
En de bloempjes in het koren zouden tranen huilen, als het maar kon.
Versie 2
(met
dank aan Henk Doelman voor het sturen van de tekst)
Op het smalle
paadje, zig-zag paadje, liep een spin;
Liep met héle
lange poten, liep met waggelpoten, middenin !
De bloempjes in
het koren knikten "dag !";
't Spinnetje
stak zijn borst naar voren toen hij 't zag.
't Spinnetje
dacht wat loop ik deftig, réuze deftig, op en neer;
En de
bloempjes zeiden "da's een heer!"
Maar toen kwam
er, ach wat jammer, réuze jammer, een boerin;
En die stapte,
och wat jammer, réuze jammer, op de spin.
Nu ligt het
paadje heel verlaten, héél verlaten in de zon.
Alle bloempjes
zouden huilen, trááánen huilen;
Als 't maar
kon.
Terug
naar overzicht |
|
De
spoortrein
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst) |
|
Vrolijk
rent door bos en beemden
't
IJzeren paard maar lustig voort.
Krachtig
snuivend dartelt briesend,
Door
geen zweepslag aangespoord !
Altijd
is ons zwartje klaar,
Om
te hollen, hollen maar.
Of
't hele dagen rondzwerft,
Nimmer
is het moede of mat.
En
mijn eigen ogen zagen dat
Hij
kachelkolen at......
Hij
behoeft niet op de baan,
Onder
't eten stil te staan !
Is
dat niet een aardig zwartje ?
Is
dat niet een kostelijk beest ?
Neen,
er is geen beter draver,
Op
de wereld ooit geweest !
Spoortrein
heet zijn lange staart.
Kent
ge nu de naam van 't paard ?
Terug
naar overzicht |
|
De
tocht naar ’t strand
(Rie Cramer)
(met
dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst) |
|
In ’t wiele-wiele
wagentje,
Zit heel parmant
ons Jantje.
Het is zo’n
blijde zomerdag,
Ons Jantje heeft
een eigen vlag
Die zwaait hij in
zijn handje.
Voor ’t wagentje
loopt broertje Piet,
Die trekt daar
met een vaartje,
Zijn vrachtje
door het mulle zand,
Tot aan het wijde
zonnestrand,
Al dravend als
een als een paardje.
Margootje helpt
hem dapper mee,
Het gaat in een
galopje,
En achteraan komt
kleine Ton,
Die niet meer in
de wagen kon,
Met emmer en met
schopje.
Terug
naar overzicht |
|
De tram
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst) |
|
Bem, bem met de
tram.
Om de hoek daar heb je hem.
Eén, twee op de tree, alle mensen moeten mee.
Gauw gauw, kom juffrouw,
Help eens even die mevrouw.
Hé hé wacht op mij,
En een meneer wil er ook nog bij.
Nee, meneer het gaat niet meer,
Tring, tring, we rijden weer
Terug
naar overzicht |
|
De
vlieg en het web
(met
dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst) |
|
Vliegje, vliegje,
pas toch op.
Toe, laat je niet
vangen.
Zie je daar dat
spinneweb,
Aan die tak niet
hangen ?
Maar het vliegje
vliegt maar steeds,
Om het spinweb
henen.
Met haar blauwe
vleugeltjes,
Door de zon
beschenen.
En de spin zit o
zo stil
Daar, tussen de
bomen.
Want zij weet,
het vliegje zal,
Straks beslist
wel komen.
Eindelijk daar is
de vlieg
In het web
gevlogen.
Vliegje, zie je
het nu in
Dat je bent
bedrogen ?
Nu haal ik je er
nog uit,
Maar, dát moet je
weten,
Jij was, stond ik
nu niet hier
Weldra opgegeten.
Terug
naar overzicht |
|
De vlo
(met
dank aan Gonny Nedermeyer voor het sturen van de tekst) |
|
De vlo die in
zijn leven
Veel euveldaden
had bedreven,
Werd naar een
klooster toe gezonden
Om er te boeten
voor zijn zonden.
Maar toen de abt
de zondaar zag,
Die snikkend op
zijn knieën lag sprak hij,
"O vlo o zondig
wicht dat voor mij op uw knieën ligt,
Ik vrees dat jij
de broeders storen zult bij het bidden
En jeuk zult
brengen in hun midden."
De vlo diep van
zijn schuld doordrongen,
Verliet de abt
met lode sprongen.
En buiten gaf het
arme beest
Van louter
narigheid ... de geest.
Terug
naar overzicht |
| De
vuurtorenwachter |
|
De
vuurtorenwachter woont heel alleen
In zijn vuurtoren van witte steen.
Hij zit er wel vrij want hij heeft geen buren,
Alleen maar de zee om naar te turen.
Soms ziet hij een schip op de oceaan,
Maar dat vaart voorbij, nooit legt er een aan.
Alleen
als hij jarig is, 17 mei,
Dan komt er een roeiboot met vriendjes langszij.
De hond en de meeuw en de witte muis,
Die vieren dan feest in het vuurtorenhuis.
De muis loopt voorop en de hond loopt erachter:
"Lang zal hij leven, de vuurtorenwachter !"
Terug
naar overzicht |
|
De
week van de pop
(met
dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst) |
|
's Maandags sta
ik aan de tob,
was ik de
kleren van mijn pop.
Dinsdag rek ik
het droge goed
en al wat ik
verstellen moet.
Waar knoopje of
bandje is afgegaan,
zet ik er 's Woendags
nieuw weer aan.
Wat oud is of
gescheurd,
komt Donderdags
aan de beurt.
Het strijkgoed
vocht ik Vrijdags in,
de droge was is
naar mijn zin.
En 's Zaterdags
strijk ik jurk en schort,
dat alles glad
en glanzend wordt.
En 's Zondags
als wij wandelen gaan,
krijgt pop haar
mooiste pakje aan.
Terug
naar overzicht |
|
De
weifelende ezel
(J. van Lennep)
(met dank aan Ingrid Ouwerker voor het
sturen van de tekst) |
|
't Was op een
zonnigen zomerdag,
Dat, tussen twee
schelven hooi,
Een ezel vlak in
het midden lag:
Wat lag er die
ezel mooi !
Eerst keek hij
rechts, toen keek hij links,
En scheen maar
niet te weten
- Zo geurig toch
was elke schelf -
Van welke hij zou
vreten;
Tot hij ten
leste, droef genoeg,
Met wijde mond
aan 't balken sloeg:
"Hi ha ! hi ha !
hi ha !"
En toch lag hij
zo mooi
Tussen
twee schelven hooi !
Hij stak er beide
zijn oren omhoog,
En keek er al
heen en weer.
Aan weerszij
blonk hem het voer in 't oog
En streelde de
reuk hem zo zeer.
Och, keus geeft
angst, en hij begon
Te rillen als een
ezel,
En toonde zich in
allen deel
Een dwazen,
dommen ezel.
En onophoud'lijk
ging hij voort
Te steunen met
een droef akkoord:
"Hi ha ! hi ha !
hi ha !" -
En toch lag hij
zo mooi
Tussen twee
schelven hooi.
Hoe jammer, dat
hij dus tot zijn scha
Het
uurtje voorbij liet gaan !
Die dwaasheid
kwam ook - het bleek weldra ! -
Ons
ezeltje duur te staan.
Of was 't niet
dwaas en ezeldom,
Dat hij bleef
honger lijden,
Wijl hij niet
wist, aan welke zij
Hij
't eerst zijn keus zou wijden ?
Totdat ten leste
Jaap, de boer,
Van
ver vernam het luid rumoer:
"Hi ha ! hi ha !
hi ha !"
En er heen reed
heel mooi,
Om
de twee schelven hooi.
Ons Jaapje
bedacht zich waarlijk niet,
Maar laadde 't
hooi op zijn kar.
Weg reed hij - en
Langoor bleef in 't verdriet
en dacht: "Wat
was ik een nar !
'k Zal nooit
voortaan, wat ook gebeur',
Mij zelf dus
noodloos plagen,
Noch
midden in den overvloed
Gebrek
en armoe dragen."
Toen stond hij op
en liep van daar,
Al zuchtend met
een luid misbaar:
"Hi ha ! hi ha !
hi ha !"
En ik lag er zo
mooi
Tussen
twee schelven hooi !
Terug
naar overzicht |
|
De
wereld geschapen
(met dank aan Marc Blokland (†) voor het
sturen van de tekst) |
|
Toen onze lieve
Heer de wereld had geschapen
Eerst de koeien,
en daarna de apen
En dat alles
zomaar uit het niet
Toen was hij
blijde dat het was geschied
Toch moest er nog
een wezen komen
Waarvan de dieren
zouden schromen
Hij schiep de
mens zo wijd en zijd beaamd
En toen werd die
eerste mens Adam genaamd
Maar Adam was zo
eenzaam en verlaten
Hij had niemand
om mee te kunnen praten
En het werd
donker, en het werd nacht
Maar wat toen
gebeurde had Adam niet verwacht
Toen is er een
engeltje zacht op pantoffeltjes gekomen
En heeft een rib
uit Adams lijf genomen
En maakte daar
een vrouwtje van
Tot genoegen van
de eerste man
En bij het
ontwaken wat moest Adam horen?
Een stemmetje
lief en zacht klonk hem in d' oren
Zeg Adam, luister
eens even hier
Ik ben hier
gekomen voor jouw plezier
En Adam was
verheugd in grote mate
Hij kon het loven
en prijzen niet meer laten
En vol verrukking
riep hij luid
Neem al mijn
ribben Heer en maak daar vrouwtjes uit
En daarom zijn de
vrouwen op dees aarde
Voor de mannen
van zoveel waarde
Daarom hulde aan
de vrouw
Want zij blijft
in alles trouw
Terug
naar overzicht |
| De
wip |
|
Jet,
Marie en Fien,
Pieter, Jan en Flip,
Heb je 't al gezien?
Zitten op de wip.
Wip hoog, wip bom,
Gaan ze aldoor om en om.
Fientje hou je vast,
Pieter zit toch recht !
Straks val je der af,
Dat bevalt je slecht.
Wip hoog, wip bom,
Gaan ze aldoor om en om.
O, wat gaat dat fijn !
Fientje geeft een gil...
Zou ze duiz'lig zijn ?
Houdt de wip maar stil.
Wip laag, wip stil,
Niemand die meer wippen wil !
Terug
naar overzicht |
|
De
zandman
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst de tekst) |
|
De
zandman heeft vlugge vleugeltjes
En
schoentjes van puur goud.
Hij
komt als de sterretjes schijnen gaan
En
de nacht is nog niet oud.
Hij
heeft een mooi zilveren lepeltje
En
ook een emmertje klein.
Hij
strooit je oogjes vol stukjes maan
En
sterrezand heel fijn.
Hij
neemt je mee op een schip dat vaart,
Naar
het land van vreugd' en dromen
En
vertelt verhaaltjes wondermooi,
Over
elfjes, bloemen, bomen.
Dus
leg je slaap'rig hoofd neer
En
sluit je oogjes gauw.
Want
als je nu nog wakker blijft,
Komt
de zandman niet bij jou.
Terug
naar overzicht |
|
De
zomer is gekomen |
|
De
zomer is gekomen,
De wereld is weer blij.
Je ziet het aan de bomen
En aan de lammetjes in de wei.
Je ziet het aan de bloempjes
In het groene gras.
Ik wou dat het voor altijd
Heerlijk zomer was.
Terug
naar overzicht |
| Dertig
dagen heeft november |
|
Dertig
dagen heeft november,
April,
juni en september.
De
and're hebben dertig en één,
Uitgenomen
februari alleen,
Want
die heeft er viermaal zeven,
't
Schrikkeljaar nog één daarneven.
Terug
naar overzicht |
|
Des avonds (J.
J. A. Gouverneur)
(met
dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst) |
|
Goede nacht, gij
allen !
‘k Ben van spelen
moe,
En mijn oogjes
vallen
Haast van slaap
al toe.
Moeder legt me in
’t bedje
Kust mij goede
nacht,
En dan slaapt
haar Jetje
Tot de morgen
zacht.
Zij en vader
komen
Strakjes ook, en
zijn
Gauw in slaap en
dromen,
Zonder zorg en
pijn.
Maar, al slapen
beide:
God, die alles
ziet,
Waakt te allen
tijde,
Slaapt of
sluimert niet.
Vriendelijk en
teder
Ziet hij, dag en
nacht,
Van de hemel
neder,
Geeft op alles
acht.
Goede Hemelvader,
Zie op mij ook
neer,
Dat geen leed mij
nader
En geen ramp mij
deer !
Terug
naar overzicht |
| Des
avonds als het klokje tikt |
|
Des
avonds als het klokje tikt
Dan zeg ik mijn gebed
Dan brengt mij van het spelen moe
Mijn moedertje naar bed
Zij dekt mij lekker warmpjes toe
En vraagt dan, lig je zacht ?
Dan geeft ze mij een dikken zoen
En zegt dan goedenacht
Ik wil niet dadelijk slapen gaan
En wacht dan nog een poos
Opeens gaan dan mijn oogjes toe
En slaap ik als een roos
En als mijn moelief 's
morgens wekt
En ik haar armen vat
Dan denk ik, lieve Moeder
Wat
ben je toch een schat !
Terug
naar overzicht |
| Die
kleine krullebol |
|
Die
kleine krullebol, die had haar zakken vol
Met heerlijk suikergoed, dat smaakte o zo goed.
Maar toen ze snoepen wou, toen kwam de schooljuffrouw
Die zei: "Dat mag jij niet jij kleine deugniet !"
Terug
naar overzicht |
|
Die
stoute krullebol
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst) |
|
Die
stoute krullebol
Die
had zijn handjes vol
Met
snoep en suikergoed
Dat
smaakte oh zo zoet
Maar
toen zijn moeder kwam
Met
een dikke boterham
Toen
zei die lekkerbek
Ik
heb geen trek
Terug
naar overzicht |
| Dikkertje
zat in een hoekje |
|
Dikkerdje
zat in een hoekje,
Dikkerdje las in een boekje.
Want daar stonden versjes in
En bij ieder versje een prentje.
"O, wat mooi toch!" riep ons ventje,
Da 's een boekje naar mijn zin !"
Toen kwam Dikkerdje zijn zusje
En die gaf haar broertje een kusje:
"Mag ik ook dat boekje eens zien ?"
Dikkerdje wou vriend'lijk wezen,
Dikkerdje hield op met lezen
En hij zei: "Hier heb je 't Mien."
Terug
naar overzicht |
|
Dit
is de sleutel van de Muiderpoort
(S. Abramsz) |
|
Dit
is de sleutel van de Muiderpoort;
Breng
hem zonder lachen voort;
Er
leit een schuitje van Amersfoort;
't
Is belaân met isme, krisme, krasme, krullemarijn.
De
schipper van 't schuitje met isme, krisme, krasme, krullemarijn,
Die
vroeg aan mijn,
Of
isme, krisme, krasme, krullemarijn
Wel
van goed papier zou zijn.
Terug
naar overzicht |
|
Dokter Haas van Knabbelstein |
|
Voor zijn
zandhof zit des morgens,
Dokter Haas van Knabbelstein
En hij helpt daar alle beesten, die niet goed in orde zijn.
Hij weet raad voor alle kwalen, en ook laat men hem vaak halen,
Maar wie kan komt bij hem aan, om genezen weg te gaan.
"Wat wilt u juffrouw kikvors?" " 'k Heb een doperwt ingeslikt
En omdat ie in m'n keel zit, al geen dag gerikketikt."
"Dan zal ik die erwt eens even, 'n duwtje naar beneden geven."
"Hup, daar gaat ie naar omlaag, zo, daar plonst ie in uw maag."
"Goedendag meneer de veldmuis" "Dokter trek mij gauw een tand."
"Boven, voor, achter of onder?" "Au, au,au, aan deze kant"
"Nou, u hoeft niet zo te beven, geef mij vlug de tang eens even,"
"Trekken is voor deze pijn, wel de beste medicijn."
"Wat heeft u, mejuffrouw Sprinkhaan?" "Dokter, ach ik heb zo'n pijn"
"In m'n beide achterpoten, zou dat van de regen zijn?"
"Wilt u even zitten blijven, dan zal ik met olie wrijven,"
"Olie is voor deze pijn, wel de beste medicijn."
"Goedendag meneer de dokter", "Goedendag, wie volg er nu ?"
Hagedis een klap gekregen met een blauwe paraplu.
Een verband, nu weer een ander, zo helpt hij ze na elkander,
Dokter Haas van Knabbelstein, heeft voor elk een medicijn.
Terug
naar overzicht |
|
Dokter
levertraan
(met dank aan Tom Booij voor het
sturen van de tekst) |
|
Jantje krijgt,
Voor 't slapen-gaan,
eerst een lepel levertraan,
En daarna mag hij een klontje,
Voor de nare smaak in 't mondje.
Dus - niet waar -
wat wil je meer ?
Toch gaat Jantje erg te keer !
Altijd is 't het zelfde lied:
Jantje wil dat goedje niet !
Jantje schreeuwt, en huilt, en trapt,
Tot hij van de lepel hapt !
Zo, daar ligt dat stoute Jantje,
Eindelijk in zijn ledikantje.
Oei - hij zet zo'n boos gezicht !
Maar - - zijn ogen vallen dicht, -
En dan slaapt dat kleine klantje.
Sst ! - wees stil - - -uit gaat het licht !
Maar - wat is dat ?
- klop - klop - klop -
Jantje zit verschrikt recht op.
En hij ziet, of zou hij dromen,
Iemand naar zijn bedje komen !
Nee - maar - kijk - !
Wie komt daar aan ?
Dat is Dokter Levertraan !
Kijk, hij komt naar 't ledikantje
Van klein Jantje.
Klaasje Klont die kleine guit,
Springt tevreden Voor hem uit !
Bij het bedje blijft hij staan,
En ziet Jantje treurig aan
En hij zegt: Foei schaam je, Jan,
Zo word jij geen sterke man !
Als je altijd zo blijft zeuren,
Weet je wat dan gaat gebeuren ?
Dan komt of je wilt of niet
Heintje Hoest, en nummer twee,
Slappe Piet, Komt met hem mee.
En, als derde van de rij
Komt er Bleekneus Witwang bij !
Jan - Jan - Jan - !
Hoe moet het dan,
als ik je niet helpen kan !
Als je maar te keer blijft gaan,
Roept: "ik wil geen levertraan"?
Jantje knikt - ,
en kijkt verschrikt
Naar wat nu gebeuren zal.
Kijk - daar heb je Heintje al !
Uche - kuch,
Met een penseel,
Kriebelt die in Jantjes keel !
Jantje kucht,
En hapt naar lucht !
Hij wil weg, maar, opgepast,
Slappe Piet houdt Jantje vast !
En hij lacht en zegt:
- - geen grapjes ! - -
Jij bent immers veel te slapjes !
Bleekwang grijnst en zegt:
"welzeker,
Zo zie jij al heel wat bleker.
Ga jij maar gerust je gang !"
Jantje huilt, hij is zo bang !
Maar - maar - - maar - - -
dokter Levertraan staat klaar !
Met zijn lepel als een speer
Slaat hij Bleekneus Witwang neer !
Ha ! daar slaan ze op de vlucht !
Kijk ze lopen !
't Is een klucht !
Daar springt Jantje uit zijn bed,
En hij schatert van de pret.
En hij roept: "nu zal 'k voortaan
Nooit - daar kunt u vast van op aan -
Zeuren bij het slapen gaan !
Leve Dokter Levertraan !"
Terug
naar overzicht |
|
Dommie Dick
(met dank aan Corry Geerlof- Busch en
Renate Karsdorp voor het sturen van de tekst) |
|
Dommie Dick had
de hik
Al een hele tijd
Ikke hikke telkens weer
Ikke hikke nog een keer
't Is een narigheid
Neeltje Feit, de oude meid,
Kwam erbij en had gezeid
Zeven slokjes water slikken
Zonder hikken
En dan ben je vast het hikken
Na die zeven slokjes kwijt
Dommie dronk voor haar plezier
Maar helaas, het hielp geen zier
Toen kwam Dientje, Dick zijn vrouw
En die zeit "Hier neem maar gauw,
Op het puntje van je tong een pepermuntje,
En zeg
Ik me kik de hik is weg"
Dommie had bij 't eerste ik me kik,
Het pepermuntje doorgeslikt
En hij hikte "O, o wat naar"
Wel zestien keren na elkaar
Rettettet tat, Rattattat,
Lieve deugd wat was me dat?
Daar was Moor, de zwarte kat
Op de vensterbank gesprongen
Omdat er buiten vogels zongen
Rettettet, boems
Op de grond lag de cactus die daar stond
Neeltje Feit, de oude meid
Werd opeens verbazend bleek
En raakte geheel van streek
Moeder Dientje gaf een gil
En toen werd het verder stil
Want de hik, was van de schrik
Weg, voorgoed bij Dommie Dick
Terug
naar overzicht |
|
D'r op
(met dank aan Hanneke Peters voor
het sturen van de tekst) |
|
Drie jongens
gingen samen
naar één drogistenzaak.
Zij wilden wat gaan kopen,
een ieder naar zijn smaak.
Daar kwam de baas naar voren
“Wat blieft U?”, vroeg hij Klaas,
“Ik wil een duppie droppies
graag van U hebben baas”.
De baas haalde de ladder,
de dropdoos stond zo hoog,
Dat was er goed voor,
stonden ze goed droog.
Met moeite en gescharrel
had hij eindelijk de doos,
Hielp Klaas, zette de ladder
weer op z’n plaats, “en Koos?”,
“Een duppie drop, meneer.”
“Kon je dat niet eerder zeggen,
Nu moet ik nog een keer
de ladder gaan verzetten.”
En nogmaals op de ladder
stond hij met het doosje klaar,
Riep hij een beetje kwaad tot Jan:
“Moet jij soms ook een duppie drop
zeg het meteen dan maar”.
“Welnee meneer,” was het antwoord.
De baas was alweer klaar
“Hier heb je ze al, zie daar.”
En nu tot Jan zich wendend:
“En U dan jongeheer?”
En ijskoud zei ons Jantje,
“Een ‘stuiver’ drop, meneer!”
Terug
naar overzicht |
|
Drie
boodschappers
(Mien Labberton)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst) |
|
Daar stapt een
klein klein kleuterke
Op 't jonge
lelieblad,
Hij heeft een
vuurrood pakje aan,
Waar zeven
stippeltjes op staan,
Een wónder,
Een wonder, ja,
is dat !
Zeg,
lieveheersbeestje, licht en fijn,
Wat mag je
blijde boodschap zijn ?
Het spreidt
zijn vlerkjes beie
En vleugelt
naar de weien:
" 't Wordt Meie
!"
Daar zweeft een
licht licht lieveke
Langs 't nieuwe
bloesemblad,
Ze heeft twee
eng'lenwiekjes aan,
Die zijn uit
trage rups ontstaan,
Een wónder,
Een wonder, ja,
is dat !
Zeg,
vlinder-citroentje, ijl en teer,
Wat goede
tijding breng je weer ?
Ze streelt zo
zacht als zije
Langs alle
bloesems blije:
" 't Wordt Meie
!"
Daar komt een
sterk sterk vliegertje
Vanuit het
palmenblad,
Het heeft een
blauw-wit rokje aan,
Daar kan 't
door weer en wind mee gaan,
Een wónder,
Een wonder, ja,
is dat !
Zeg, zwaluwtje
vér van over zee,
Wat voor een
boodschap breng je mee ?
De vogel zwiert
maar blije
In 't
zondoorglansde vrije:
" 't Wordt Meie
!"
Terug
naar overzicht |
|
Drie
huilende uilen
(Annie M.G. Schmidt)
(met dank aan Liesbeth de Nijs voor
het sturen van de tekst) |
|
Waarom zitten
ze zo te huilen,
Deze zielige, oude uilen,
Waarom, zitten ze zo te huilen in die boom ?
Zijn ze bits en
ontevreden ?
Is hun tante overleden ?
Of hun opoe, of hun opa of hun oom ?
Is er een
uilenkind beneden
Door een autobus overreden,
Toen dat uilenkind ging wandelen in het bos ?
Waarom zouden
ze dan toch huilen,
Deze oude, dikke uilen,
Ssst, ik zal het je vertellen: 't is de Vos !
Heeft de vos
hen dan gebeten ?
Nee, hij kookt zijn avondeten
En hij maakt een uitje schoon, voor in de sla.
Strakjes zullen
zij hun ogen
Met een uilenzakdoek drogen.
Is dit allemaal gelogen, denk je ? JA !
Terug
naar overzicht |
|
Drie kleine grijze muizen
(met dank aan Ria Bevers voor
het sturen van de tekst) |
|
Drie kleine
grijzen muizen die liepen door de goot,
Ze hadden een
hele lange staart, hun oogjes waren rood.
Ze gingen op
visite op bezoek bij ome Bram,
Daar kregen ze
altijd lekkere worst en spek op de boterham ..
Maar toen bij
oom gekomen vertelde de buurvrouw dat,
En hele grote
zwarte kat ..hun ome opgegeten had ..
Drie kleine
grijzen muizen die liepen door de goot
Hun staartjes
hingen naar beneê want ome Bram was dood....
Terug
naar overzicht |
|
Duimpje
pruimpje
(met dank aan Moena de Koning voor
het sturen van de tekst) |
|
Duimpje
pruimpje appeltje peertje
Dag mijnheertje
!
Terug
naar overzicht |
|
Durven
(met dank aan Vicky de Heer voor
het sturen van de tekst) |
|
Durven is een
heerlijk woord
Als je durft zoals het behoort,
Weet je wat je durven moet
Al wat waar is recht en goed.
Maar als iemand je iets vraagt
Dat de naam van laagheid draagt,
Zeg dan wat er ook geschiedt
Flink en vrij: ,,dat durf ik niet !"
Terug
naar overzicht |
| |
|