SeniorPlaza

Opzegversjes

Daar gingen eens drie oude wijfjes

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Daar gingen eens drie oude wijfjes over een zwik zwak bruggetje.

De een heette vrouw Biba, de tweede Biba de Binka

En de derde Sina Snikna Knikker de Knikna.

Toen nam vrouw Biba een steen,

En smeet dien naar vrouw Biba de Binka haar been,

Zodat vrouw Sina Snikna Knikker de Knikna daarom green.

 

Terug naar overzicht

Daar was ereis een koning (S. Abramsz)

Daar was ereis een koning,

Die smeerde zijn eigen met honing,

Die smeerde zijn eigen met roet,

Toen was die koning bitter en zoet.

 

Terug naar overzicht

Dagen van de week

(met dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst)

Zondag is de beste dag.

Maandag daar en tegen.

Dinsdag die het beter wacht.

Woensdag halver wegen.

Dan die bedroefde donderdag.

En vrijdag van ellende.

En die lieve zaterdag .

Was die maar ten ende.

 

Terug naar overzicht

Danderomdeine kwam van Brugge

(S. Abramsz)

Danderomdeine kwam van Brugge

Met zijn kastjen op zijn rugge,

Met zijn stokjen in zijn hand,

Zoo kwam Danderomdeine in 't land.

 

Terug naar overzicht

De appel en de haan

(met dank aan Johan Pieters voor het sturen van de tekst)

Er lag een dikke ronde appel

Midden in het groene gras.

Die dikke ronde appel huilde

Omdat hij maar een appel was.

 

 "Waarom huil je ?" vroeg het haantje,

Dat boven op de toren stond,

En draaide, toen het hard ging waaien,

Zomaar drie keer in het rond.

 

 "Ach haan, een kevertje kan lopen

En zo zijn er nog zo veel.

Maar een appel heeft geen beentjes,

Alleen een blaadje en een steel."

 

"Ik weet wel, dat de hemel blauw is,

De zon is geel, de bomen groen,

Maar ik heb nooit eens kunnen kijken,

Wat al die grote mensen doen."

 

 "Weet je wat," zei toen het haantje

En keek de appel ernstig aan,

"Ik zal jou straks wel komen halen

Als alle mensen slapen gaan."

 

En toen de grote mensen sliepen,

Vloog het haantje door de lucht.

En de dikke ronde appel

Zat tevreden op zijn rug

 

 "Appel, kijk eens gauw naar boven,

Daar komt een vlindertje voorbij.

En daar beneden staat een huisje,

Zomaar midden in de wei."

 

"En dat huisje heeft een deurtje,

Waar de mensen binnen gaan.

En dat huisje heeft een raampje,

Zullen wij eens kijken gaan ?"

 

Ze keken samen door het raampje

En weet je wat de appel zag ?

Een grote tros met blauwe druiven,

Die op een mooi wit bordje lag.

 

En een vorkje en een lepel

Op een kleedje blauw-geel-groen.

En een mesje, waar je altijd

Heel voorzichtig mee moet doen.

 

"Hoor eens, appel," zei het haantje,

We moeten nu naar huis toe gaan,

Want als de mensen wakker worden,

Moet ik weer op de toren staan."

 

En toen de mensen wakker werden,

Lag de appel in het gras

En riep vrolijk: "torenhaantje,

Weet je nog hoe leuk het was ?"

 

Terug naar overzicht

De arme mus

(met dank aan Johan Pieters voor het sturen van de tekst)

Ik ben een arme mus

Een hongerleider dus,

Ook plunder ik zoveel ik kan,

Totdat mijn buikje roept “ ik span “

Ai, de hemel sta mij bij

Bij ‘t schouwken van de boer,

Daar lig ik op den loer

Ik huppel op en huppel neer,

Ik fladder weg en fladder weer

Mijn tergend lied,

En zwijg voor de koning niet !

Maar ach die wrede boer,

Grijpt naar zijn roestig roer

En eer ik weg kom van zijn fruit,

Steekt hij het dreigend naar mij uit

Pif-paf,

Ik val verduizeld af

Maar zo er nog vergiffenis,

Ginds in den mussenhemel is

Ik vraag pardoen,

En zal het nooit meer doen.

 

Terug naar overzicht

De beer is los

Versie 1

 

Moeder, moeder de beer is los,

Hoor dat dier eens brullen !

Snijd hem neus en oren af,

Dan hebben wij wat te smullen.

 

Versie 2

 

De beer is los, de beer is los,

Hoor dat beest eens brullen !

Bindt hem maar aan een touwtje vast,

En stop het in de krullen.

 

Versie 3

(Brabants dialect)

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

 

Dun beer is los,

Dun beer is los,

Heddum nie heuren brullen.

Snijdt um zun neus en oren af,

Dan zal ie oe niemer kullen.

 

Terug naar overzicht

De beste medicijn

(Prudens van Duyse 1804 - 1859)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

‘Mijn hoofdje, moeder, doet mij zeer’
Riep ik voorleden nacht.
Weldra zat moeder naast mij neer,
Die troost en laafnis bracht.

Zij hield mijn gloeiend handje vast,
En bood mij koele drank,
En bad voor mij, bij leed en last;
Mijn hart werd minder krank.

Ik sliep, ontwaakte zonder pijn,
Met d'eerste morgengroet,
En dacht: ‘Geen beter medicijn,
Dan moederliefde en moed.’

 

Terug naar overzicht

De betoverde dwarsfluit

(met dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst)

Sint Andries nam een wilgentak

En maakte daarvan dras,

Voor Pieter, Pater, Peutelaar

En Mater, Mietje, Meutelaar,

Een wonderschone dwarsfluit klaar,

Die klonk als klinkklaar glas.

 

Toen Sint Andries die dwarsfluit had

Geschild van teen tot top,

 Hing Pieter,  Pater, Peutelaar

Met Mater, Mietje, Meutelaar

Die dwarsfluit aan een paardenhaar,

Hoog aan de zolder op.

 

En toen ze aan de zolder hing

Viel ’t hele huis in-een

Op Pater, Pieter, Peutelaar

En Mater, Mietje, Meutelaar,

Viel hutje, mutje, hot en haar,

’t lag alles van de been.

 

Terug naar overzicht

De bietebauw

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Kleine, kleine stouterik,
zoudt ge moeder tergen ?
wacht, ik zal hem roepen, ik,
uit de zwarte bergen.
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw !
de bietebauw !

 

Hoor hem, met zijn berenkop,
op de deuren bonzen.
Krak ! hij kruipt een zolder op,
oei, oei, oei, den onzen !
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw !
de bietebauw !

 

Recht naar bedde komt hij, boe,
riekt aan de gordijne,
doe maar zeere uw oogjes toe,
of ge ziet de zijne !
Grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw !
de bietebauw !

 

Neen, neen, neen ! Naar buiten, beest,
om de stoute knapen !
Moeders kind is braaf geweest;
kan zoo schoone slapen.
Douw, douw, kindje douw;
Zwicht u voor den bietebauw,
douw-douw-dijn;
en zoete zijn.

 

Terug naar overzicht

De bij en de wesp

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Bertje de Bij zoemt rustig en zoet,
Zijn vestje van fluweel staat hem goed.
Maar Wouter de wesp zoemt scherp als een zaag
En zijn geel gestreepte truitje zie ik niet graag !
Ze komen beiden als 't etenstijd wordt,
En pikken dan van 't fruit op mijn bord.

 

Terug naar overzicht

De ezel

(G. van der Linde (1808-1858))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een ezel is een heer met een staart,

Dien hij van achteren draagt als een paard.

Het verschil tussen ezels en geleerde doktoren

Zit hem soms minder in 't hoofd dan wel in de oren.

 

Terug naar overzicht

De fiets van Piet Paaltjens

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een woordenspelletje. De eerste zegt:'De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd', waarop de tweede invalt met: 'De wielen van de fiets van Piet Paaltjens zijn zojuist gepasseerd', waarna de derde zegt: 'De velgen van de wielen van de fiets van Piet Paaltjens zijn zojuist gepasseerd'',  waarop de vierde (of de eerste weer, als er maar drie deelnemers zijn) haastig uitroept: 'De spaken van de velgen van de wielen van de fiets van Piet Paaltjens zijn zojuist gepasseerd!', waarop de vijfde (of de tweede), nogal vindingrijk antwoordt met: 'De knijper op de spaken van de velgen van de wielen van de fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd', waarop de zesde, of de derde niet op het idee komt te zeggen dat 'het veertje van de knijper op de spaken van de velgen van de wielen van de fiets van Piet Paaltjens zojuist gepasseerd is', waardoor hij afvalt. Het hoeft overigens niet altijd de fiets van Piet Paaltjens te zijn, die passeert, het kan ook zijn bed zijn, of zijn oom,, of zijn hond, of zijn meisje. Maar het is wel altijd iets van Piet Paaltjens, nooit iets van Jan Janssen (de fiets van Jan Janssen etcetera'), of Beb Bakhuyys, of Han Hoekstra, of Cor Coster, laat staan Liesbeth List. Waarschuwing voor literatuurliefhebbers: Piet Paaltjens is dus géén familie van de dichter Piet Paaltjens.

 

Hier nog een paar versies van de fiets van Piet Paaltjens.

 

 De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd

 De wielen van de fiets van ......

 De velgen van de wielen van de.........

 De banden om de velgen van de wielen..........

 Het klappen van de banden van om de..............

 Het schrikken van het klappen van.............

 Het bijkomen van het schrikken van.......

 

 

De fiets van Piet Paaltjens

De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd,
De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd,
De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd,
De fiets van Piet Paaltjens is zojuist gepasseerd.

De wielen van de fiets ....

De banden van de wielen ....

De velgen van de banden van de wielen ....

De spaken van de velgen van de banden van de ....

 

De assen van de spaken van de velgen van de ....

De kogels van de assen van de spaken van de ....

Het vet van de kogels van de assen van de ....

 

Terug naar overzicht

De glimworm

(David Tomkins)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Glimwormpje, glimwormpje in de nacht

straalt zijn lantaarntje, onverwacht.

Aan en weer uit, zonder geluid,

diep tussen heester en kruid.

 

Glimwormpje, glimwormpje, weet je wel

hoe ik verschrik van je spiegelspel ?

Aan en weer uit, zonder geluid,

diep tussen heester en kruid.

 

Glimwormpje, glimwormpje, toverding,

't lijkt of je een vonk van de zonne ving !

Aan en weer uit, zonder geluid,

diep tussen heester en kruid.

 

Terug naar overzicht

De groenteboer

(David Tomkins)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Daar is Joost, de groenteboer !

Kijk eens op zijn wagen.

Durf jij hem een witte knol

Of een wortel vragen ?

Straks als Mina groenten koopt,

Komt hij bij het hekje,

Moe zegt: ,,Wie maar alles vraagt,

Wordt een lekkerbekje.”

                                                                                                                                                                                      

Nee, ik durf niet ! – Karel jij ?

Kijk eens, wat een noten !

En kastanjes heeft hij ook

Naast die mand met kroten.

Zeg, wat zijn die knollen zwart !

Zijn die ongewassen?

Nee maar , jongens, hoor je hem ?

Dat zijn rammenassen.

 

Anna, duw me niet zo, hoor !

‘k Zie een fles met uitjes

En wat is dat rood en geel

Onder al die spruitjes ?

Joost komt langzaam aangestapt;

In zijn grove handen

Brengt hij elk een appel mee,

Om te watertanden !

 

Terug naar overzicht

De groeten aan oma

(met dank aan Lien Vieveen voor het sturen van de tekst)

Annelies kan amper lezen, als haar oma overlijdt,

En ze is heel erg verdrietig, want nu is ze oma kwijt....

Altijd mocht ze bij haar komen, elk tijdstip van de dag,

Nooit zou er een week voorbijgaan zonder dat ze oma zag.

 

Oma was voor 't kleine meisje de belangrijkste persoon.

Had ze haar iets te vertellen dan was daar de telefoon,

Heel wat keren had ze oma gebeld,

"Nu is oma in de hemel", heeft haar moeder haar verteld.

 

Annelies heeft geen notie, geen begrip nog van de dood.

Op een middag heeft de peuter 't telefoonboek op haar schoot.

IJverig speurt  ze daarin of ze 't nummer van de Hemel ziet,

Want natuurlijk vind ze 't niet.

 

"Mamma, mag ik oma bellen ?" klinkt het plotseling ontdaan.

"Wilt u dan het nummer zoeken ? want ik zie het nergens staan.

't Zal wel duur zijn om te bellen, maar mijn spaarpot is zo zwaar.

'k Zal het zelf dan wel betalen, neem de hele inhoud maar.

 

Moeder kan geen woord uitbrengen, in haar keel daar zit een prop,

Tranen schieten in haar ogen, en ze tilt haar meisje op.

"Oma kun je niet meer bellen", zegt ze dan op zachte toon,

Z' is nu  bij de Here Jezus, en die heeft geen telefoon."

 

In het kleine hoofdje heeft zich dit gezegde vastgezet,

En die avond word een stukje toegevoegd aan haar gebed.

"Ik verlang zo naar mijn oma, Here Jezus is ze daar ?

Als u haar mocht tegen komen, doe de groeten dan aan haar."

 

Terug naar overzicht

De grote hond en de kleine kat

(Albert Verwey)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een grote hond en een kleine kat,

Die zaten op de kamermat

En de hond, die zei: Zeg, scheelt jou wat ?

Scheer je weg !

 

En de kat, die zei: Jij bent een hond

En ik een kat, niet zonder grond

Hou jij dus nou jouw grote mond

Scheer je weg !

 

Scheer je weg: waf, waf ! scheer je weg: sis, sis

Scheer je weg: die is raak: scheer je weg: die 's nie mis !

Waf waf ! sis sis ! woef woef ! mauw mauw !

En een houw en een beet en een blaf en een grauw

En de grote hond en de kleine kat,

Die vlogen van de kamermat,

 

En de keuken in: Zeg, scheelt jullie wat ?

En hij trapte op een teen,

En zij beet in een been

Van de meid, die riep: ga je heen ! o mijn been !

Scheert je weg !

 

En de grote hond en de kleine kat,

Die zaten weer samen op de kamermat,

En ze lachten en praatten: 'och hemeltje, wat

Trapte ik op haar teen !'

'En beet ik in haar been !'

''t Is gek, maar zo'n mens krijgt ook altijd wat !'

 

Terug naar overzicht

De hik

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik heb de hik

Ik heb de dik

Ik heb de nauw

En ik geef 'm aan jou.

 

Terug naar overzicht

De hond

(Den schoolmeester G. van der Linde)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

 Een hond is vermaard
 Om zijn gezellige aard
 En 't kwispelen van zijn staart.
 Zijn neus, doorgaans rond,
Staat gewoonlijk in 't front,
En zo lang die maar nat en fris is,
Is 't een bewijs, dat meneer zo gezond als een vis is.

Een hond is iemand, die van zijn baas bijzonder veel houdt,
Die hij, om zo te spreken, als zijn derde vader beschouwt,
En die hem dikwijls een hele boerewoning toevertrouwt,
Waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven vandaan weet te jagen
En de post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.

Als een haas niet op zijn tellen past,
Wordt hij dikwijls door een hond verrast;
Doch een hond loopt er ook wel tegen aan,
Als men hem in de hondsdagen uit laat gaan.

Menig een blinde hond
Is verdronken, omdat hij geen zwemmen verstond;
Doch zodra zij dit verstaan,
Kan men ze rustig uit baaien laten gaan.

Honden zijn dol op kalfslever en benen;
Doch, volgens Esopus, loopt er dikwijls een derde mee henen.
Ook nuttigt een hond met plezier water en droog brood;
Doch een pak slaag, daar heeft hij een broer aan dood.

Het opzetten is ook iets, daar hij niets om geeft,
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hij nog leeft.
Ook blaffen honden niet langer, als ze eenmaal dood zijn;
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn. 

 

Terug naar overzicht

De hond en het bokje

(J.J.A Goeverneur 1809 - 1898)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst

Hond:
Bokje, pas op, anders bijt ik u zeer !

Bokje:
Hondje, pas op, anders stoot ik u weer !

Hond:
Bokje, mijn tanden zijn scherp, pas maar op !

Bokje:
Hondje, mijn horens staan vast op de kop !

Hond:
Bokje, het was maar uit gekheid gezeid,
Laat ons wat spelen, wij hebben tijd.

Zij stoeiden en speelden en huppelden rond,
En buitelden soms alle twee op de grond;
Dan rustten ze een poosje, dan sprongen zij weer
Al holderdebolder, de tuin op en neer,
En kregen elkaar eens fiks bij de kladden,
Het was om te lachen, zo'n pret als zij hadden.

 

Terug naar overzicht

De kapper

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst

’t Was op een dag, eens in de zomer

Overal was ‘t snikkend heet

Zodat menigeen zich weldra

Van zijn jas en boord ontdeed

 

En de meeste kapperszaken

Hadden heden werk genoeg

Even knippen, maar wat kort hoor

Was hetgeen men telkens vroeg

 

In één van de kapperszaken

Kwam toen een bejaarde heer

Zette zich met zoontje Karel

Bij de andere klanten neer

 

Wel moesten zij een tijdlang wachten

Maar daarover niet getreurd

Want straks kwamen pa en zoonlief

Toch wel één maal aan de beurt

 

Pa z’n dunne kransje haar

Niet de moeite voor de schaar

Was in een ogenblik verdwenen

Hij stond op en was al klaar

 

Toen kreeg Kareltje een wenkje

Ga maar zitten jongeheer

Hoe wens je geknipt te worden

Zeker net als vorig keer?

 

’t Ventje streek zijn lange krullen

Van zijn  voorhoofd en zei dra

Wijzend met zijn kleine duimpje

In de richting van zijn pa:

 

Ik heb in die lange krullen

Nu ’t zo warm is niets geen zin

Knipt u mij maar net als vader

Met zo’n gat er boven in

 

Terug naar overzicht

De karekiet

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst

In de schone lentedagen,

Bij de oever van de vliet,

Hoort men vaak een vogel zingen,

Lustig zingen in het riet.

En als gij zijn naam wilt weten,

O, geloof me vraag hem niet,

Want hij zegt hem hele dagen in zijn lustig kwetterlied !

 

Karrekiet-kiet-kiet,'k woon in 't riet-riet-riet,

Karrekiet in het riet, maar ge vindt me toch niet.

Karrekiet-kiet-kiet, ah, ge vindt me niet ! Om de duivel niet !

 

Jantje Koek eet gaarne eiers,

Vogeleiers vindt hij goed,

En zo komt het dat hij heden,

In het bos zijn ronde doet.

Ei, wat hoort hij daar aan 't water ?

Wacht maar, kleine deugeniet,

Ha, ge durft mij komen plagen,

Met uw aardig spotterslied !

 

Jantje Koek kan 't niet meer horen,

Woedend loopt hij van de dijk

Maar, in plaats van 't nest te vinden,

Schiet hij netjes in het slijk

En als Jan er nog niet uit is,

Ja, dan steekt hij er nog in,

Maar nog zingt het Karrekietje

't Lustig liedje blij van zin !

 

Terug naar overzicht

De kerstboom

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

De kerstboom is versierd

Met zilverwitte draden

En alle takken zijn

Met verse sneeuw beladen

Naast appel peer en pruim

Staan sterretjes en lichtjes

Zij spiegelen in het fruit

Hun brandende gezichtjes

Daar komt de Kerstman aan

Zijn zak vol lekkere dingen

Hij luistert naar het lied

Dat alle kinderen zingen

 

Terug naar overzicht

De kies

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst)

Vastberaden……, ijzig….., koel……

Stond hij achter haren stoel

Een schreeuw, een snik, een kra….kend geluid,

Bloed…..’t was gedaan…..

 

De kies was eruit !

 

Terug naar overzicht

De kikvors

(met dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst)

Aan de oever van de Schie,

Zat een kikvos luid te wenen,

Met een zuigeling op haar knie.

En zo sprak zij tot de kleine:

Zie je daar die ooievaar ?

’t Is de moordenaar van je vader.

Hij vrat hem op met huid en haar.

 

(variant op "Aan de oever van de Rotte, zie Jeugdliedjes van deze site)

 

Terug naar overzicht

De kippen !

(met dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst)

De zon zinkt in het westen weg,

De kippen gaan op stok.

 Ze stommelen en rommelen

In ’t oude  kippenhok.

 

Eerst gaat de haan, dan volgen hem

De kippen op elkaar.

Ze tokkelen en kokkelen

En maken veel misbaar.

 

't Is of er altijd herrie is,

In ernst of voor de mop.

Ze kakelen en rakelen

Steeds oude kwesties op.

 

Terug naar overzicht

De kleine porder

(G.W. Lovendaal  1847 - 1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wie roept daar voor Moe's kamertje:
Doe open, doe open ?
Wie klopt daar met zijn hamertje:
Doe open nu de deur ?
Ik weet het al ! ...
Wie is het dan ? ...
Dat's onze kleine Janneman
Die niet meer slapen kan,
Die met zijn dikke vuistjes tromt
En om een morgenzoentje komt.

 

Terug naar overzicht

De klok slaat

(met dank aan Henny Verstege voor het sturen van de tekst)

De klok slaat

De tijd vergaat

Heer vergeef ons alle kwaad

Dat de zondaar zich bekere

En Uw heilige naam verere

Heer vergeef ons in dit uur

De zielen in het vagevuur.

 

 “Alles ter ere Gods”

 

Terug naar overzicht

De kronkelworm

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

"Dinkel-donkel wat een gekronkel !"
Riep de worm die de grond uit kroop.
Hij rekte en wringelde,
Kromde en kringelde,
En raakte bijna in de knoop.
Geen wonder dat het diertje zo spartelt,
Als je weet wat z'n hartje bezwaart.
Hij kon er niet tegen,
En maakt hem verlegen ,
Dat zijn kop net eender is als zijn staart.

 

Terug naar overzicht

De Leeuw

(De schoolmeester Gerrit van de Linde (1808-1858))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een leeuw is eigentlijk iemand,
Die bang is voor niemand,
Zijne oogen en zijn neus
Zijn grooter dan die van een reus;
En zijn muil
Is een ware moordkuil;
Met zijn klaauw
Is een leeuw geweldig gaauw;
Met zijn staart
Gooit hij een schutter van zijn paard;
En met zijn tanden
Durft hij de heele schutterij wel aanranden.
Enfin, hij is altijd het verscheurendste beest
Onder de dieren geweest.
Onlangs heeft hij immers in Londen
Nog een juffrouw verslonden;
Doch, nu ik mij bezin,
Was hij het niet: het was de leeuwin.

 

De leeuw wordt viervoetig geboren:
Twee van achteren en twee van voren;
Of, volgens anderen, twee aan zijn rechterhand:
En de andere twee aan deze kant.

 

De leeuw zijn gemalin
Is mevrouw de leeuwin,
En de jongelui, zoolang zij zich met de borst behelpen,
Noemt men gewoonlijk: welpen.

 

Gouden leeuwen en leeuwen van hout,
Mitsgaders de Hollandsche, worden heel oud;
Men ziet ze nog wel op uithangborden en schilden, doch zeldzaam in 't woud.
Komt ooit de ware leeuw rechtstreeks op u aan,
Dan is 't beste om maar regelrecht uit den weg te gaan.
Doch niet als hij opgezet of dood is,
Daar er in dat geval volstrekt geen nood is. 

 

Terug naar overzicht

De lente is gekomen

(Jac. Schreurs)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

De vogels hebben al een nest

En in de hoge bomen,

Daar ordent zich een heel orkest;

De mus, de merel en de rest

De lente is gekomen !

 

De morgen met de gouden mond,

Wat kan die lieflijk dromen !

Die roept het heel de wereld rond

Met alle klokken in verbond:

De lente is gekomen !

 

De bomen staan in groot toilet,

Die hebben 't nieuws vernomen

En eensklaps - hoor die klarinet.

De grote wegen afgezet:

De lente is gekomen !

 

Ik ben zo och ik ben zo blij,

Mijn hart wordt o zo vrome,

Omdat het licht, omdat de Mei,

Omdat nu alles omdat Gij,

Maria, zijt gekomen !

 

Terug naar overzicht

De les is uit (Henriëtte Blaauw)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

De les is uit,

Mijn kleine guit.

Hier, nog een lekker klontje.

’t Is goed gegaan;

‘k Ben erg voldaan;

Doe jij je best maar, hondje.

 

Je geeft een poot,

Ligt netjes dood;

Zo’n leerling moet een prijsje.

Heus, jij verdient,

Mijn beste vriend,

Een tien wel op je lijstje.

 

Ja, ja Fidel,

Ik zie het wel;

Je zit er als een koning.

Wie zo studeert

En kunstjes leert,

Krijgt dikwijs een beloning.

 

Terug naar overzicht

De moeder van een duizendpoot

(S. Abramsz)

De moeder van een duizendpoot
Is vreselijk ontevreden.
Want haar zoontje is zojuist
In de sloot gegleden.

En als je even rekent
Weet je wat dat betekent:
Op z'n hoofd een grote buil
En duizend sokjes vuil !!!

 

Terug naar overzicht

De mol

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De zwarte kleine mol
Kan niet tegen het licht.
Daarom draagt hij een zonnebril
Op zijn spits gezicht.
Hij valt over een stronk hard tegen een cipres
En zegt beleefd: "pardon !
Ik deed het niet expres !"

 

Terug naar overzicht

De molen

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Daar staat hij

Met zijn grijze kap,

Zijn lange staart,

Zijn steile trap,

En vier rode wieken,

Hoog in de lucht,

Die zwieren en zwaaien

In volle vlucht.

Aan een zeel daar

Hangt een zak,

Die langzaam

Naar boven gaat

En de molenaar

Wit bestoven,

Fluit een deuntje

Blij van zin

En trekt hij de

Zak het venster in.

 

Terug naar overzicht

De muis

(Jan van Droogenbroeck (1835-1902))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De muis, de muis, de kleine muis,

Wat maakt zij toch voor een gedruis

Geheele nachten in ons huis !

Ze ritselt, ze hippelt,

Ze kwispelt, ze trippelt,

Ze knaagt,

Ze zaagt,

Ze haalt en draagt.

Ze krabt,

Ze schrabt,

Ze kleutert,

Ze peutert,

Ze plukt wol tot een bolleken

En rolt het op een rolleken,

Recht naar heur holleken.

Ze bijt lapjes en papierkens

Tot kleine fijne zierkens

En maakt daarvan een nestje klaar,

Zoo zacht, alsof het zijde waar.

 

Zóó, van den avond tot den morgen

Is 't aardig dier aan 't zorgen:

Aan 't hutselen,

Aan 't futselen,

Aan 't knabbelen,

Aan 't krabbelen,

Aan 't schikken,

Aan 't flikken,

In alle hoeken

Aan 't zoeken,

Hier in slippende,

Daar uit glippende,

Ginds weg wippende....

En dan terug naar heur nest

Want zij weet: Oost, West,

't huis best.

In pluimen, wolle, pluk en pluis

Slaapt de familie van de muis.

De jongskens zijn nog o ! zoo klein !

De muize houdt ze warm en rein;

Want onze kruimeldief

Heeft ze zoo lief !

Daar heeft de kat de muis geroken:

Ze kijkt in 't hol, zeer diep, diep, diep.

Maar knagelijntje blijft verstoken,

En zegt van binnen: piep, piep, piep !

 

Terug naar overzicht

De muis

(met dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst)

Ik vroeg aan de muis: waar is je huis?

Dat zal ik eens zeggen zei hij oprecht,

Als je de kat er maar niets van zegt.

Eerst gaan we op een draf,

Trap op, trap af.

Eerst rechts dan links,

Dan rechtsomkeer, dan linksom weer

En dan recht uit.

Nu heb ik mijn woning uitgeduid.

Mijn deurtje is klein, vergeet niet te bukken.

 

Terug naar overzicht

De muis

(met dank aan Els van Pelt-Maronier voor het sturen van de tekst en Marian Rosmalen voor de correcties en aanvulling)

Onder het dak van ons huis

Had een aardige muis

Een lief nestje gebouwd voor haar jongen

En daar speelden zij blij

Met hun moesje erbij

En ze speelden en stoeiden en sprongen..

 

En dan 's nachts sloop zij zacht

Naar omlaag, elke nacht

Om wat rijst uit de kelder te stelen.

En dan keerde zij vlug,

Naar de zolder terug

Om de rijst met de kleintjes te delen.....

 

Maar ach eens op een keer

Kwam de oude niet meer

En de kindertjes kregen geen eten

Een ondeugende kat

Had het muisje gevat

En er zomaar de kop afgebeten...

 

Terug naar overzicht

De muizenford

(met dank aan Joke Hendriksen voor het sturen van de tekst)

Alle kinderen van Snort,

Mogen in de Muizenford.

Met z’n tienen, met z’n tienen,

In de muizenlimousine.

Vader Snort zegt om te beginnen:

"Kinderen houd je staarten binnen."

Alle kinderen riepen: "Moe,

Waar gaan wij vandaag naar toe ?

"Piep", zei moeder, nu je het zegt,

Niet naar de Veluwe, niet naar de Vecht,

Niet naar het bos en niet naar het strand,

Wij gaan vandaag naar het Zwoerdjesjesland,

Waar het spek aan de bomen groeit,

Waar de Leidse kaasboom bloeit,

Waar de dorpen en het plein,

Allemaal van zwoerdjes zijn.

Ieder huis en ieder hek,

Is van boterhammenspek

En daar tussen vloeit een stroom,

Niet van modder, maar van room.

O wat kan ik er naar verlangen,

Met mijn staart in de room te hangen."

"Rijden pa, pas op die paal",

Vader drukt op ’t gaspedaal.

Dan opeens een reuze knal,

Piep, piep, piep, daar heb je het al.

Midden op de grote weg,

Hadden de muizen bandenpech.

Later als het donker wordt,

Slepen ze heel verdrietig de muizenford

Weer naar huis,

"Pech gehad", zei vader Muis.

Moeder Snort zei: "Lieve kinderen, lieve kinderen,

’t Mag niet hinderen, 't mag niet hinderen.

Morgen met een nieuwe band,

Gaan wij toch naar Zwoerdjesland."

 

Terug naar overzicht

De muren waren van pannekoek

(met dank aan H. Metz- Onstein voor het sturen van de tekst)

De muren waren van pannekoek,

Het dak van chocolade

En uit de kraantjes kwam alleen maar

Frambozenlimonade

De trappen waren van botersprits

De vloeren van fondant

Dat stond er op een mooie dag

Te lezen in de krant.

Toen zijn er wel duizend kindertjes

Naar 't huisje toegekomen

En ieder heeft, want ja dat mocht,

Een stukje er van genomen

Toen hebben al die kindertjes

Het samen opgegeten

En waar het huisje heeft gestaan

Dat ben ik glad vergeten !

 

Terug naar overzicht

De nieuwe broek

(met dank aan Johan Raaijmakers voor het sturen van de tekst)

Jantje had een nieuwe broek gekregen

Met aan elke kant een zak

Die hij al de eerste middag

Vol met mooie dingen stak.

Knikkers, dropjes, krijt, een bal.

Slakkenhuisjes, wat niet al.

In die huisjes zaten slakken

Daar had Jan niet aan gedacht

En toen zijn moeder hem ’s avonds

Naar zijn bedje had gebracht

Deed zij ook een onderzoek

In de zakken van zijn broek

Hu… daar greep ze glibber glabber

Koud en week op een zo’n slak

Weet je wat er toen gebeurd is

’s Avond laat met elke zak ?

Moeder heeft met draad en naald

Een voor een ze toegehaald.

 

Terug naar overzicht

De nieuwe tand !

(met dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst)

Een tand is los gaan zitten,

Een kleine witte tand,

Hoe moet je die nou trekken ?

Gewoon maar met de hand ?

“t komt vanzelf wel zegt het praatje,

Ik denk, met een zijden draadje,

En oom Nol

Houdt maar vol,

Bijten in een knollebol !

 

 

De tand is uitgevallen,

Een nieuwe tand komt door,

Je kon het eerst niet merken,

De oude zat ervoor.

Kijk eens, wat een grappig tandje,

Melkwit met een parelrandje,

Teer en fijn,

Dun en klein,

Net van blinkend porcelein !

 

Terug naar overzicht

De olifant

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Toen kwam er een olifant

Met een lange snuit

En die blies het hele verhaaltje uit.

 

Terug naar overzicht

De olifant Amalia (Vera Witte, De Kleine Troubadour 1964)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

De olifant Amalia

Zingt in het woud een aria.

Ze tettert in het avondlicht

En knijpt verrukt haar ogen dicht.

 

Waar alle apen roepen: “Wel,

Wat krijst die olifant weer schel !

Wat doen we met Amalia

En met haar nare aria ? 

 

We gooien noten naar haar kop,

Dan houdt dat zingen vast wel op.”

Daar smijten ze, pats, noot na noot;

En lachen stiekem in hun poot.

 

Maar hoor, wat roept Amalia ?

Een kokosnootbombaria !

"Het zal me smaken. Dank je wel.

Een zangeres is hier in tel.

Dat het zó mooi was, wist ik niet.

’t Is heerlijk”, zegt Amalia.

“ Ik zing morgen weer een aria.”

 

Terug naar overzicht

De pereboom

(Jacqueline van der Waals 1868-1922)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Langzaam op het schelpenwegje

Bij het geurend rozenhegje

Van haar kleinen bloemenhof

Wandelt Aagje, die wat luiert,

En ze plukt, terwijl ze kuiert,

Hier en daar een bloempje af.

 

Peinst en toeft en glimlacht, even

Luisterend het hoofd geheven,

Of ze hoorde naar een tred

Bloost en zucht en gaat zich bukken,

Om een onkruidje uit te rukken

Uit het bloeiend rozenbed.

 

En dan draagt ze in haar mandje

Dit zoo ongewenschte plantje

Of een schadelijk insect,

Of een wormpje, of een slekje,

Buiten het getralied hekje,

Waar haar tuintje niet meer strekt.

 

En, terwijl ze daar zoo drentelt,

Komt een blaadje neergewenteld

Uit den lagen perelaar

Voor de voeten van Agaat je,

Die het langgesteelde blaadje

Vallen ziet, en kijkt er naar.

 

Komt ze weer den boom genaderd,

Valt er weer zulk groen gebladert

Voor de voeten van Agaat,

Die zich thans toch gaat verbazen,

Dat zoo zonder windeblazen

Hij zijn blaadjes vallen laat.

 

Is de herfst alreê gekomen ?

Valt het zomerblad der boomen

Gaaf en groen en onverdord,

Waar gewoonlijk toch het loover

Hangen blijft den zomer over

Tot het welhaast winter wordt ?

 

Is het soms een booze ziekte,

Die den boom zijn groengewiekte,

Stille vlinderkens ontrukt ?

Houdt zich iemand soms verstoken

In dien boom, die weggedoken

Tusschen 't groen, de blaadjes plukt ?

 

Langs het geurend rozenhaagje,

Op het schelpenpad loopt Aagje,

Met een lachje om den mond,

Naar de bladerkens te kijken,

Die al draaiend nederstrijken

Voor haar voeten, op den grond.

 

Terug naar overzicht

De poes

(met dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst)

O Nel, o Nel ondeugend beest,

Wie is er aan de melk geweest ?

Ja. kijk me maar zo stout niet aan,

Ik weet wel wie het heeft gedaan.

 

Och vrouwtje, ’t is mijn schuld toch niet,

De kan viel om zoals u ziet.

‘k Wou even proeven, vrouwtje heus,

Ik stootte er tegen met mijn neus.

 

Toen tuimelde de kan opzij,

Ik schrok er van, geloof me vrij,

Was nu die kan maar blijven staan,

Dan was alles goed gegaan.

 

Ik had de melk snel opgedronken,

Voordat de thee werd ingeschonken,

En niemand wist wie ’t had gedaan,

Maar vrouwtje toen kwam jij er aan.

 

Ja Nel, dat is nu wel heel goed,

Maar melk te snoepen is niet goed.

En als je kwaad doet, kleine guit,

Kom er dan liever rond voor uit.

 

Terug naar overzicht

De pop van Jet

(met dank aan Betty Conijn voor het sturen van de tekst en Maria Janssen voor de correctie)

De pop van Jet lag in het bos

Heel lief te slapen op het mos

Haar moeder zei: "maar Jetje toch

Gisteren was je pop er nog"

En Jetje dacht ik ga eens zien

Mijn pop ligt in het bos misschien

En Jetje vond haar popje weer

En moeder was zo boos niet meer. 

 

Terug naar overzicht

De poppendokter

(met dank aan Marja van de Vathorst, Danielle Segers en Rene Bongers voor het sturen van de tekst)

Dokter, ik kwam eens even vragen
Om een drankje voor mijn pop,
Want dat akelige hoesten
Houdt maar in 't geheel niet op.

Maandag was ze reeds verkouden
En nu is het al donderdag.
Zou het niet het beste wezen,
Dat u haar eens even zag ?

Kijk, hier is ze, maar wat zie ik,
Ga jij huilen, kleine meid ?
En je zou mooi antwoord geven
Heb je strakjes nog gezeid.

Weest u maar gerust mevrouwtje,
Trek u daar toch niets van aan.
Zo'n paar traantjes, ach wat zou dat,
Dat zal straks wel over gaan.

Kom, geef jij mij maar een handje.
Goed, laat nu je tong eens zien.
Wel, verbazend, wat een lange !
Zijn 't er soms ook twee misschien ?

Maar nu moet ik nog heel even,

Nee, je hoeft niet bang te zijn,
Achter in je keeltje kijken.
Nee, het doet je echt geen pijn.

Doe maar wijd je mondje open,
Nog wat wijder als het kan.
Foei, wat is die keel ontstoken,
Wezenlijk, ik schrik er van !

Weet u wat u doet mevrouwtje,
Dat zal kost'lijk zijn voor haar,
Kluts maar gauw een lekker eitje
Met wat melk door elkaar.

Als u haar zo tussenbeide
Eens een slokje daarvan geeft,
Wed ik, dat ze morgenochtend
In 't geheel geen pijn meer heeft.

 

Nu, dat is een lekker drankje,

‘t Lijkt wel wat op advocaat.

Als het maar niet bij vergissing,

Door je eigen keeltje gaat !

 

Maar, daar zal ik wel op passen.

Ik dank u ondertussen zeer

Voor de aardige visite

En uw goede raad meneer.

 

Terug naar overzicht

De poppenwagen

(John Simson)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Verdrietig stond Marietje daar,

Zij had ook geen geluk:

Haar poppenwagen liep niet meer;

Het linker wiel was stuk.

 

Ze tilde dus de wagen op,

Terwijl haar popje sliep,

En duwde hem tweewielig voort

Omdat één wiel niet liep.

 

Zo kwam ze bij de achterdeur

En wilde binnen gaan.

De wagen schoof ze half in huis,

Toen bleef ze zuchtend staan.

 

Daar zag haar Ans, haar tweelingzus.

,, Ik help je !” zei die vlot.

,, Ik zie het al: dat linker wiel

Dat is daarginds kapot !”

 

Ze tilden saam de wagen op

Een ieder aan een kant.

Ze werkten hard, maar vreemd genoeg,

Hij hield onwrikbaar stand.

 

De wagen leek wel vastgeroest,

Daar midden in de deur.

Hij ging nog voor- noch achteruit,

En stelde bei te leur.

 

,,’k Begrijp niet,”zei Marietje toen,

,, Dat ding verroert geen vin !

Daarnet toen ging het beter nog.

We krijgen ‘r hem nooit in !”

 

,, Er in !”stoof Ans toen dad’lijk op

En lachte daarbij luid,

,,Had dat dan toch direct gezegd,

Ik dacht, hij moest er uit !”

 

Terug naar overzicht

De raaf

(Johan Jacob Antonie Goeverneur)

Zie daar dien bedelaar eens staan;

Hij heeft een pikzwart rokje aan,

En stapt, zoo lang de winter duurt,

Langs alle huizen in de buurt,

En roept: Kras! Kras!

Ach, geef me een beentje,

Ik ben tevreê, al is 't maar ééntje.

Maar komt de lieve lente in 't land,

Dan is hij blij, de slimme klant;

Dan vliegt hij op een' hoogen tak,

En fladdert vrolijk op het dak.

En roept: "ik dank u. lieve vrinden",

Nu kan ik zelf den kost weer vinden !

 

Terug naar overzicht

De regen

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Het regent, regent…..jongens ! Wat is het weer fris

Ja, roept men door het venster, ……..dat regen welkom is.

Hoe rolt hij van de daken,

Hoe pletst hij in de goot

En valt dan in  de sloot.

Alles word er door gereinigd,

Gezuiverd van het stof.

Het haantje op de toren,

De bloemen in den hof.

Waarna dit schone refrein,

“Na regen komt zonneschijn“.

 

Terug naar overzicht

De regenworm en zijn moeder (Annie M.G. Schmidt)

Er was eens een regenworm in Sneek,
Die altijd naar de sterrren keek.
En fluisterde: "Hoe schoon, hoe schoon……".
Zijn moeder zei: "Doe toch gewoon.
Kijk naar beneden, naar de grond
Dat is normaal, dat is gezond
Kijk naar beneden, zoals ik…"
En toen? Toen kwam de Leeuwerik !
Het wormpje, dat naar boven staarde,
Zag hem op tijd en dook in de aarde.
Maar moe, die naar beneden keek,
Werd opgegeten daar in Sneek.
Dus doe nooit wat je moeder zegt
Dan komt het allemaal wel terecht !

Terug naar overzicht

De ruiter

(G. van der Linde (1808-1858))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een ruiter is een mens te paard,

Omtrent drie voet hoger dan een mens op aard,

En die zich somtijds vasthoudt aan de manen

En somtijds aan de staart.

 

Terug naar overzicht

De schooiertjes

(met dank aan Marian Heeringa voor het sturen van de tekst)

Koude gure wintervlagen,

Regen, sneeuw en hagelbui,

Zus en broertje kijken samen,

Naar 't gedoe der rijke lui.

 

Dame stapt er uit haar rijtuig,

Veel parfum en heel dik bont,

In haar arm, heel warm gekoesterd,

Kleine aangeklede hond.

Zijden dekje op zijn rugje,

Lekker in een wollen doek.

 

Kijk zegt zus en trekt haar broertje,

Rillend aan zijn dunne broek.

 

Winkeljuffrouw houdt een koekje,

Vleiend voor de lieve hond.

Eerst wordt het weifelend aangenomen,

Dan valt het kruimelend op de grond.

 

Hè zegt zus, ik wou dat ik was zo'n dame,

Zo rijk, zo chique, zo fijn.

Ja, sprak broer bibberend van de koude,

Mag ik dan je hondje zijn ?

 

Terug naar overzicht

De schuiftrompet

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Op een zolderkamertje in z'n opklapbed,

Oefent Joost de olifant op z'n schuiftrompet.

 

Oempà oempà oempà oempà oempà oempà oempàpà,

Oempà oempà oempà oempà oempà oempàpà.

 

Hij studeert een feestmars in voor het blaasorkest,

Teteretet, geen noot ernaast, Joost doet zo zijn best.

Hoor hoe hij dat loopje blaast: do la sol fa mi.

Joost heeft het sinds gisteren fijn onder de knie.

 

Dan wordt op de deur gebonsd: "Hee, ga slapen vent !

Weet je dat je al drie uur aan het toet'ren bent."

't Is Piet Nijlpaard van drie hoog; die maakt dat kabaal,

"Ach, zo'n nijlpaard is" denkt Joost, "ook niet muzikaal."

 

"Jammer dat je nog niet slaapt" roept hij naar buur Piet,

"Want als jij aan het snurken bent, hoor je 't spelen niet."

Boos komt Piet de kamer in, op een nijlpaarddraf.

"Geef je schuiftrompet" roept hij of ik pak hem af.

 

"Ha,"  lacht Joost de olifant, "als je dat eens durft....

Want die mooie schuiftrompet IS MIJN EIGEN SLURF !"

 

Terug naar overzicht

De sneeuwpop

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik ben een sneeuwpop dik en rond,
Met mijn pijpje in mijn mond.
Op mijn hoofd een oude hoed,
Die staat mij reuze goed.

 

Terug naar overzicht

De spin

Versie 1

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Op een heel klein zigzag paadje liep een spin,
Een hele grote, met waggelpoten middenin.

En die stapte ó zo deftig, réuze deftig heen en weer.
De bloempjes in het koren zeiden: "dat is een heer!"

Maar toen kwam er, och wat jammer, réuze jammer, de boerin.
En die trapte, och wat jammer, réuze jammer, op de spin.

Nu ligt het paadje heel verlaten, heel verlaten in de zon.
En de bloempjes in het koren zouden tranen huilen, als het maar kon.

 

Versie 2

(met dank aan Henk Doelman voor het sturen van de tekst)

Op het smalle paadje, zig-zag paadje, liep een spin;

Liep met héle lange poten, liep met waggelpoten, middenin !

De bloempjes in het koren knikten "dag !";

't Spinnetje stak zijn borst naar voren toen hij 't zag.

't Spinnetje dacht wat loop ik deftig, réuze deftig, op en neer;

En de bloempjes zeiden "da's een heer!"

 

Maar toen kwam er, ach wat jammer, réuze jammer, een boerin;

En die stapte, och wat jammer, réuze jammer, op de spin.

Nu ligt het paadje heel verlaten, héél verlaten in de zon.

Alle bloempjes zouden huilen, trááánen huilen;

Als 't maar kon.

 

Terug naar overzicht

De spoortrein

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Vrolijk rent door bos en beemden

't IJzeren paard maar lustig voort.

Krachtig snuivend dartelt briesend,

Door geen zweepslag aangespoord !

Altijd is ons zwartje klaar,

Om te hollen, hollen maar.

Of 't hele dagen rondzwerft,

Nimmer is het moede of mat.

En mijn eigen ogen zagen dat

Hij kachelkolen at......

Hij behoeft niet op de baan,

Onder 't eten stil te staan !

Is dat niet een aardig zwartje ?

Is dat niet een kostelijk beest ?

Neen, er is geen beter draver,

Op de wereld ooit geweest !

Spoortrein heet zijn lange staart.

Kent ge nu de naam van 't paard ?

 

Terug naar overzicht

De tocht naar ’t strand

(Rie Cramer)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

In ’t wiele-wiele wagentje,

Zit heel parmant ons Jantje.

Het is zo’n blijde zomerdag,

Ons Jantje heeft een eigen vlag

Die zwaait hij in zijn handje.

 

Voor ’t wagentje loopt broertje Piet,

Die trekt daar met een vaartje,

Zijn vrachtje door het mulle zand,

Tot aan het wijde zonnestrand,

Al dravend als een als een paardje.

 

Margootje helpt hem dapper mee,

Het gaat in een galopje,

En achteraan komt kleine Ton,

Die niet meer in de wagen kon,

Met emmer en met schopje.

 

Terug naar overzicht

De tram

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Bem, bem met de tram.
Om de hoek daar heb je hem.
Eén, twee op de tree, alle mensen moeten mee.
Gauw gauw, kom juffrouw,
Help eens even die mevrouw.
Hé hé  wacht op mij,
En een meneer wil er ook nog bij.
Nee, meneer het gaat niet meer,
Tring, tring, we rijden weer

 

Terug naar overzicht

De vlieg en het web

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Vliegje, vliegje, pas toch op.

Toe, laat je niet vangen.

Zie je daar dat spinneweb,

Aan die tak niet hangen ?

 

Maar het vliegje vliegt maar steeds,

Om het spinweb henen.

Met haar blauwe vleugeltjes,

Door de zon beschenen.

 

En de spin zit o zo stil

Daar, tussen de bomen.

Want zij weet, het vliegje zal,

Straks beslist wel komen.

 

Eindelijk daar is de vlieg

In het web gevlogen.

Vliegje, zie je het nu in

Dat je bent bedrogen ?

 

Nu haal ik je er nog uit,

Maar, dát moet je weten,

Jij was, stond ik nu niet hier

Weldra opgegeten.

 

Terug naar overzicht

De vlo

(met dank aan Gonny Nedermeyer voor het sturen van de tekst)

De vlo die in zijn leven

Veel euveldaden had bedreven,

Werd naar een klooster toe gezonden

Om er te boeten voor zijn zonden.

Maar toen de abt de zondaar zag,

Die snikkend op zijn knieën lag sprak hij,

"O vlo o zondig wicht dat voor mij op uw knieën ligt,

Ik vrees dat jij de broeders storen zult bij het bidden

En jeuk zult brengen in hun midden."

De vlo diep van zijn schuld doordrongen,

Verliet de abt met lode sprongen.

En buiten gaf het arme beest

Van louter narigheid ... de geest.

 

Terug naar overzicht

De vuurtorenwachter

De vuurtorenwachter woont heel alleen
In zijn vuurtoren van witte steen.
Hij zit er wel vrij want hij heeft geen buren,
Alleen maar de zee om naar te turen.
Soms ziet hij een schip op de oceaan,
Maar dat vaart voorbij, nooit legt er een aan.

Alleen als hij jarig is, 17 mei,
Dan komt er een roeiboot met vriendjes langszij.
De hond en de meeuw en de witte muis,
Die vieren dan feest in het vuurtorenhuis.
De muis loopt voorop en de hond loopt erachter:
"Lang zal hij leven, de vuurtorenwachter !"

 

Terug naar overzicht

De week van de pop

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

's Maandags sta ik aan de tob,

was ik de kleren van mijn pop.

Dinsdag rek ik het droge goed

en al wat ik verstellen moet.

Waar knoopje of bandje is afgegaan,

zet ik er 's Woendags nieuw weer aan.

Wat oud is of gescheurd,

komt Donderdags aan de beurt.

Het strijkgoed vocht ik Vrijdags in,

de droge was is naar mijn zin.

En 's Zaterdags strijk ik jurk en schort,

dat alles glad en glanzend wordt.

En 's Zondags als wij wandelen gaan,

krijgt pop haar mooiste pakje aan.

 

Terug naar overzicht

De weifelende ezel

(J. van Lennep)

(met dank aan Ingrid Ouwerker voor het sturen van de tekst)

't Was op een zonnigen zomerdag,

Dat, tussen twee schelven hooi,

Een ezel vlak in het midden lag:

Wat lag er die ezel mooi !

Eerst keek hij rechts, toen keek hij links,

En scheen maar niet te weten

- Zo geurig toch was elke schelf -

Van welke hij zou vreten;

Tot hij ten leste, droef genoeg,

Met wijde mond aan 't balken sloeg:

"Hi ha ! hi ha ! hi ha !"

En toch lag hij zo mooi

Tussen twee schelven hooi !

 

Hij stak er beide zijn oren omhoog,

En keek er al heen en weer.

Aan weerszij blonk hem het voer in 't oog

En streelde de reuk hem zo zeer.

Och, keus geeft angst, en hij begon

Te rillen als een ezel,

En toonde zich in allen deel

Een dwazen, dommen ezel.

En onophoud'lijk ging hij voort

Te steunen met een droef akkoord:

"Hi ha ! hi ha ! hi ha !" -

En toch lag hij zo mooi

Tussen twee schelven hooi.

 

Hoe jammer, dat hij dus tot zijn scha

Het uurtje voorbij liet gaan !

Die dwaasheid kwam ook - het bleek weldra ! -

Ons ezeltje duur te staan.

Of was 't niet dwaas en ezeldom,

Dat hij bleef honger lijden,

Wijl hij niet wist, aan welke zij

Hij 't eerst zijn keus zou wijden ?

Totdat ten leste Jaap, de boer,

Van ver vernam het luid rumoer:

"Hi ha ! hi ha ! hi ha !"

En er heen reed heel mooi,

Om de twee schelven hooi.

 

Ons Jaapje bedacht zich waarlijk niet,

Maar laadde 't hooi op zijn kar.

Weg reed hij - en Langoor bleef in 't verdriet

en dacht: "Wat was ik een nar !

'k Zal nooit voortaan, wat ook gebeur',

Mij zelf dus noodloos plagen,

Noch midden in den overvloed

Gebrek en armoe dragen."

Toen stond hij op en liep van daar,

Al zuchtend met een luid misbaar:

"Hi ha ! hi ha ! hi ha !"

En ik lag er zo mooi

Tussen twee schelven hooi !

 

Terug naar overzicht

De wereld geschapen

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Toen onze lieve Heer de wereld had geschapen

Eerst de koeien, en daarna de apen

En dat alles zomaar uit het niet

Toen was hij blijde dat het was geschied

 

Toch moest er nog een wezen komen

Waarvan de dieren zouden schromen

Hij schiep de mens zo wijd en zijd beaamd

En toen werd die eerste mens Adam genaamd

 

Maar Adam was zo eenzaam en verlaten

Hij had niemand om mee te kunnen praten

En het werd donker, en het werd nacht

Maar wat toen gebeurde had Adam niet verwacht

 

Toen is er een engeltje zacht op pantoffeltjes gekomen

En heeft een rib uit Adams lijf genomen

En maakte daar een vrouwtje van

Tot genoegen van de eerste man

 

En bij het ontwaken wat moest Adam horen?

Een stemmetje lief en zacht klonk hem in d' oren

Zeg Adam, luister eens even hier

Ik ben hier gekomen voor jouw plezier

 

En Adam was verheugd in grote mate

Hij kon het loven en prijzen niet meer laten

En vol verrukking riep hij luid

Neem al mijn ribben Heer en maak daar vrouwtjes uit

 

En daarom zijn de vrouwen op dees aarde

Voor de mannen van zoveel waarde

Daarom hulde aan de vrouw

Want zij blijft in alles trouw

 

Terug naar overzicht

De wip

Jet, Marie en Fien,
Pieter, Jan en Flip,
Heb je 't al gezien?
Zitten op de wip.
Wip hoog, wip bom,
Gaan ze aldoor om en om.

Fientje hou je vast,
Pieter zit toch recht !
Straks val je der af,
Dat bevalt je slecht.
Wip hoog, wip bom,
Gaan ze aldoor om en om.

O, wat gaat dat fijn !
Fientje geeft een gil...
Zou ze duiz'lig zijn ?
Houdt de wip maar stil.
Wip laag, wip stil,
Niemand die meer wippen wil !

Terug naar overzicht

De zandman

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst de tekst)

De zandman heeft vlugge vleugeltjes

En schoentjes van puur goud.

Hij komt als de sterretjes schijnen gaan

En de nacht is nog niet oud.

Hij heeft een mooi zilveren lepeltje

En ook een emmertje klein.

Hij strooit je oogjes vol stukjes maan

En sterrezand heel fijn.

Hij neemt je mee op een schip dat vaart,

Naar het land van vreugd' en dromen

En vertelt verhaaltjes wondermooi,

Over elfjes, bloemen, bomen.

Dus leg je slaap'rig hoofd neer

En sluit je oogjes gauw.

Want als je nu nog wakker blijft,

Komt de zandman niet bij jou.

 

Terug naar overzicht

De zomer is gekomen

De zomer is gekomen,
De wereld is weer blij.
Je ziet het aan de bomen
En aan de lammetjes in de wei.
Je ziet het aan de bloempjes
In het groene gras.
Ik wou dat het voor altijd
Heerlijk zomer was.

 

Terug naar overzicht

Dertig dagen heeft november

Dertig dagen heeft november,

April, juni en september.

De and're hebben dertig en één,

Uitgenomen februari alleen,

Want die heeft er viermaal zeven,

't Schrikkeljaar nog één daarneven.

 

Terug naar overzicht

Des avonds (J. J. A. Gouverneur)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Goede nacht, gij allen !

‘k Ben van spelen moe,

En mijn oogjes vallen

Haast van slaap al toe.

 

Moeder legt me in ’t bedje

Kust mij goede nacht,

En dan slaapt haar Jetje

Tot de morgen zacht.

 

Zij en vader komen

Strakjes ook, en zijn

Gauw in slaap en dromen,

Zonder zorg en pijn.

 

Maar, al slapen beide:

God, die alles ziet,

Waakt te allen tijde,

Slaapt of sluimert niet.

 

Vriendelijk en teder

Ziet hij, dag en nacht,

Van de hemel neder,

Geeft op alles acht.

 

Goede Hemelvader,

Zie op mij ook neer,

Dat geen leed mij nader

En geen ramp mij deer !

 

Terug naar overzicht

Des avonds als het klokje tikt

Des avonds als het klokje tikt
Dan zeg ik mijn gebed
Dan brengt mij van het spelen moe
Mijn moedertje naar bed
Zij dekt mij lekker warmpjes toe
En vraagt dan, lig je zacht ?
Dan geeft ze mij een dikken zoen
En zegt dan goedenacht

Ik wil niet dadelijk slapen gaan
En wacht dan nog een poos
Opeens gaan dan mijn oogjes toe
En slaap ik als een roos
En als mijn moelief  's morgens wekt
En ik haar armen vat
Dan denk ik, lieve Moeder

Wat ben je toch een schat !

 

Terug naar overzicht

Die kleine krullebol

Die kleine krullebol, die had haar zakken vol
Met heerlijk suikergoed, dat smaakte o zo goed.
Maar toen ze snoepen wou, toen kwam de schooljuffrouw
Die zei: "Dat mag jij niet jij kleine deugniet !"

 

Terug naar overzicht

Die stoute krullebol

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Die stoute krullebol

Die had zijn handjes vol

Met snoep en suikergoed

Dat smaakte oh zo zoet

Maar toen zijn moeder kwam

Met een dikke boterham

Toen zei die lekkerbek

Ik heb geen trek

 

Terug naar overzicht

Dikkertje zat in een hoekje

Dikkerdje zat in een hoekje,
Dikkerdje las in een boekje.
Want daar stonden versjes in
En bij ieder versje een prentje.
"O, wat mooi toch!" riep ons ventje,
Da 's een boekje naar mijn zin !"

Toen kwam Dikkerdje zijn zusje
En die gaf haar broertje een kusje:
"Mag ik ook dat boekje eens zien ?"
Dikkerdje wou vriend'lijk wezen,
Dikkerdje hield op met lezen
En hij zei: "Hier heb je 't  Mien."

Terug naar overzicht

Dit is de sleutel van de Muiderpoort

(S. Abramsz)

Dit is de sleutel van de Muiderpoort;

Breng hem zonder lachen voort;

Er leit een schuitje van Amersfoort;

't Is belaân met isme, krisme, krasme, krullemarijn.

De schipper van 't schuitje met isme, krisme, krasme, krullemarijn,

Die vroeg aan mijn,

Of isme, krisme, krasme, krullemarijn

Wel van goed papier zou zijn.

 

Terug naar overzicht

Dokter Haas van Knabbelstein

Voor zijn zandhof zit des morgens,
Dokter Haas van Knabbelstein
En hij helpt daar alle beesten, die niet goed in orde zijn.
Hij weet raad voor alle kwalen, en ook laat men hem vaak halen,
Maar wie kan komt bij hem aan, om genezen weg te gaan.

"Wat wilt u juffrouw kikvors?" " 'k Heb een doperwt ingeslikt
En omdat ie in m'n keel zit, al geen dag gerikketikt."
"Dan zal ik die erwt eens even, 'n duwtje naar beneden geven."
"Hup,  daar gaat ie naar omlaag, zo, daar plonst ie in uw maag."

"Goedendag meneer de veldmuis" "Dokter trek mij gauw een tand."
"Boven, voor, achter of onder?" "Au, au,au, aan deze kant"
"Nou, u hoeft niet zo te beven, geef mij vlug de tang eens even,"
"Trekken is voor deze pijn, wel de beste medicijn."

"Wat heeft u, mejuffrouw Sprinkhaan?" "Dokter, ach ik heb zo'n pijn"
"In m'n beide achterpoten, zou dat van de regen zijn?"
"Wilt u even zitten blijven, dan zal ik met olie wrijven,"
"Olie is voor deze pijn, wel de beste medicijn."

"Goedendag meneer de dokter", "Goedendag, wie volg er nu ?"
Hagedis een klap gekregen met een blauwe paraplu.
Een verband, nu weer een ander, zo helpt hij ze na elkander,
Dokter Haas van Knabbelstein, heeft voor elk een medicijn.

 

Terug naar overzicht

Dokter levertraan

(met dank aan Tom Booij voor het sturen van de tekst)

Jantje krijgt,
Voor 't slapen-gaan,
eerst een lepel levertraan,
En daarna mag hij een klontje,
Voor de nare smaak in 't mondje.

Dus - niet waar -
wat wil je meer ?
Toch gaat Jantje erg te keer !
Altijd is 't het zelfde lied:
Jantje wil dat goedje niet !

Jantje schreeuwt, en huilt, en trapt,
Tot hij van de lepel hapt !

Zo, daar ligt dat stoute Jantje,
Eindelijk in zijn ledikantje.
Oei - hij zet zo'n boos gezicht !
Maar - - zijn ogen vallen dicht, -
En dan slaapt dat kleine klantje.
Sst ! - wees stil - - -uit gaat het licht !

Maar - wat is dat ?
- klop - klop - klop -
Jantje zit verschrikt recht op.
En hij ziet, of zou hij dromen,
Iemand naar zijn bedje komen !

Nee - maar - kijk - !
Wie komt daar aan ?
Dat is Dokter Levertraan !
Kijk, hij komt naar 't ledikantje
Van klein Jantje.
Klaasje Klont die kleine guit,
Springt tevreden Voor hem uit !

Bij het bedje blijft hij staan,
En ziet Jantje treurig aan
En hij zegt: Foei schaam je, Jan,
Zo word jij geen sterke man !
Als je altijd zo blijft zeuren,
Weet je wat dan gaat gebeuren ?

Dan komt of je wilt of niet
Heintje Hoest, en nummer twee,
Slappe Piet, Komt met hem mee.

En, als derde van de rij
Komt er  Bleekneus Witwang bij !
Jan - Jan - Jan - !
Hoe moet het dan,
als ik je niet helpen kan !
Als je maar te keer blijft gaan,
Roept: "ik wil geen levertraan"?

Jantje knikt - ,
en kijkt verschrikt
Naar wat nu gebeuren zal.
Kijk - daar heb je Heintje al !
Uche - kuch,
Met een penseel,
Kriebelt die in Jantjes keel !
Jantje kucht,
En hapt naar lucht !

Hij wil weg, maar, opgepast,
Slappe Piet houdt Jantje vast !
En hij lacht en zegt:
- - geen grapjes ! - -
Jij bent immers veel te slapjes !

Bleekwang grijnst en zegt:
"welzeker,
Zo zie jij al heel wat bleker.
Ga jij maar gerust je gang !"
Jantje huilt, hij is zo bang !

Maar - maar - - maar - - -
dokter Levertraan staat klaar !
Met zijn lepel als een speer
Slaat hij Bleekneus Witwang neer !
Ha ! daar slaan ze op de vlucht !
Kijk ze lopen !
't Is een klucht !

Daar springt Jantje uit zijn bed,
En hij schatert van de pret.
En hij roept: "nu zal 'k voortaan
Nooit - daar kunt u vast van op aan -
Zeuren bij het slapen gaan !
Leve Dokter Levertraan !"

 

Terug naar overzicht

Dommie Dick

(met dank aan Corry Geerlof- Busch en Renate Karsdorp voor het sturen van de tekst)

Dommie Dick had de hik
Al een hele tijd
Ikke hikke telkens weer
Ikke hikke nog een keer
't Is een narigheid

Neeltje Feit, de oude meid,
Kwam erbij en had gezeid
Zeven slokjes water slikken
Zonder hikken
En dan ben je vast het hikken
Na die zeven slokjes kwijt

Dommie dronk voor haar plezier
Maar helaas, het hielp geen zier

Toen kwam Dientje, Dick zijn vrouw
En die zeit "Hier neem maar gauw,
Op het puntje van je tong een pepermuntje,
En zeg
Ik me kik de hik is weg"

Dommie had bij 't eerste ik me kik,
Het pepermuntje doorgeslikt
En hij hikte "O, o wat naar"
Wel zestien keren na elkaar

Rettettet tat, Rattattat,
Lieve deugd wat was me dat?
Daar was Moor, de zwarte kat
Op de vensterbank gesprongen
Omdat er buiten vogels zongen

Rettettet, boems
Op de grond lag de cactus die daar stond

Neeltje Feit, de oude meid
Werd opeens verbazend bleek
En raakte geheel van streek

Moeder Dientje gaf een gil
En toen werd het verder stil

Want de hik, was van de schrik
Weg, voorgoed bij Dommie Dick

 

Terug naar overzicht

D'r op

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Drie jongens gingen samen
naar één drogistenzaak.
Zij wilden wat gaan kopen,
een ieder naar zijn smaak.

Daar kwam de baas naar voren
“Wat blieft U?”, vroeg hij Klaas,
“Ik wil een duppie droppies
graag van U hebben baas”.

De baas haalde de ladder,
de dropdoos stond zo hoog,
Dat was er goed voor,
stonden ze goed droog.

Met moeite en gescharrel
had hij eindelijk de doos,
Hielp Klaas, zette de ladder
weer op z’n plaats, “en Koos?”,

“Een duppie drop, meneer.”
“Kon je dat niet eerder zeggen,
Nu moet ik nog een keer
de ladder gaan verzetten.”

En nogmaals op de ladder
stond hij met het doosje klaar,
Riep hij een beetje kwaad tot Jan:
“Moet jij soms ook een duppie drop

zeg het meteen dan maar”.
“Welnee meneer,” was het antwoord.
De baas was alweer klaar
“Hier heb je ze al, zie daar.”

En nu tot Jan zich wendend:
“En U dan jongeheer?”
En ijskoud zei ons Jantje,
“Een ‘stuiver’ drop, meneer!”

 

Terug naar overzicht

Drie boodschappers

(Mien Labberton)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Daar stapt een klein klein kleuterke

Op 't jonge lelieblad,

Hij heeft een vuurrood pakje aan,

Waar zeven stippeltjes op staan,

Een wónder,

Een wonder, ja, is dat !

Zeg, lieveheersbeestje, licht en fijn,

Wat mag je blijde boodschap zijn ?

Het spreidt zijn vlerkjes beie

En vleugelt naar de weien:

" 't Wordt Meie !"

 

Daar zweeft een licht licht lieveke

Langs 't nieuwe bloesemblad,

Ze heeft twee eng'lenwiekjes aan,

Die zijn uit trage rups ontstaan,

Een wónder,

Een wonder, ja, is dat !

Zeg, vlinder-citroentje, ijl en teer,

Wat goede tijding breng je weer ?

Ze streelt zo zacht als zije 

Langs alle bloesems blije:

" 't Wordt Meie !"

 

Daar komt een sterk sterk vliegertje

Vanuit het palmenblad,

Het heeft een blauw-wit rokje aan,

Daar kan 't door weer en wind mee gaan,

Een wónder,

Een wonder, ja, is dat !

Zeg, zwaluwtje vér van over zee,

Wat voor een boodschap breng je mee ?

De vogel zwiert maar blije

In 't zondoorglansde vrije:

" 't Wordt Meie !"

 

 

Terug naar overzicht

Drie huilende uilen

(Annie M.G. Schmidt)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Waarom zitten ze zo te huilen,
Deze zielige, oude uilen,
Waarom, zitten ze zo te huilen in die boom ?

 

Zijn ze bits en ontevreden ?
Is hun tante overleden ?
Of hun opoe, of hun opa of hun oom ?

 

Is er een uilenkind beneden
Door een autobus overreden,
Toen dat uilenkind ging wandelen in het bos ?

 

Waarom zouden ze dan toch huilen,
Deze oude, dikke uilen,
Ssst, ik zal het je vertellen: 't is de Vos !

 

Heeft de vos hen dan gebeten ?
Nee, hij kookt zijn avondeten
En hij maakt een uitje schoon, voor in de sla.

 

Strakjes zullen zij hun ogen
Met een uilenzakdoek drogen.
Is dit allemaal gelogen, denk je ? JA !

 

Terug naar overzicht

Drie kleine grijze muizen

(met dank aan Ria Bevers voor het sturen van de tekst)

Drie kleine grijzen muizen die liepen door de goot,

Ze hadden een hele lange staart, hun oogjes waren rood.

Ze gingen op visite op bezoek bij ome Bram,

Daar kregen ze altijd lekkere worst en spek op de boterham ..

Maar toen bij oom gekomen vertelde de buurvrouw dat,

En hele grote zwarte kat ..hun ome opgegeten had ..

Drie kleine grijzen muizen die liepen door de goot 

Hun staartjes hingen naar beneê want ome Bram was dood....

 

Terug naar overzicht

Duimpje pruimpje

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

Duimpje pruimpje appeltje peertje

Dag mijnheertje !

 

Terug naar overzicht

Durven

(met dank aan Vicky de Heer voor het sturen van de tekst)

Durven is een heerlijk woord
Als je durft zoals het behoort,
Weet je wat je durven moet
Al wat waar is recht en goed.
Maar als iemand je iets vraagt
Dat de naam van laagheid draagt,
Zeg dan wat er ook geschiedt
Flink en vrij: ,,dat durf ik niet !"

 

Terug naar overzicht