|
| |
Opzegversjes
| A
is een aapje |
|
A
is een aapje, dat eet uit zijn poot.
B is de bakker, die bakt voor ons brood.
C is Charlotte, die drinkt chocolaad.
D is een dame, die drentelt op straat.
E is een ezel, die gaat naar het land.
F is een fruitvrouw, met fruit in haar mand.
G is een geitje, en Gijs staat er bij.
H is een held, met een houwer op zij.
I is de inktpot, waar Isaac uit schreef.
J is een jasje, dat kreeg ik van neef.
K is een koopman, die koffie verzond.
L is een landman, die leeuw'riken vond.
M is de molen, die maalt door de wind.
N is een nestje, dat Nicolaas vindt.
O is een otter, die zwemt in het meer.
P is een papje, dat pikt aan een peer.
Q is Quirinus, die zuurtjes uitdeelt.
R is een rover, die appelen steelt.
S is het scheepje, waar Steven mee speelt.
T is de trommel, die tante mij schonk.
U is een uiltje, dat zit op een tronk.
V is een visser, met vis in zijn schuit.
W is de wagen, daar rij ik mee uit.
X is een letter, zeg ken je die wel ?
IJ is een ijsbeer, die wit is van vel.
Z is een zeeman, die zegt u vaarwel.
(Papje
van P = papegaai)
Terug
naar overzicht |
| A,
b, c, d, e, f, g, meester de jongens nemen knikkers van me mee (S.
Abramsz) |
|
A,
b, c, d, e, f, g …
Meester
de jongens nemen knikkers van me mee !
Stoute
jongen, je mag niet klikken,
Anders
krijg je zeven tikken !
Meester,
ga gerust je gang,
'k
Ben voor een tik zoo gauw niet bang.
Terug
naar overzicht |
| A,
B, C, de kat gaat mee (S. Abramsz) |
|
A,
B, C,
De
kat gaat mee,
De
hond blijft thuis.
‘Piep
!’ zei de muis
In
't voorhuis.
Terug
naar overzicht |
| A,
B, C, de meisjes drinken thee (S. Abramsz) |
|
A,
B, C,
De
meisjes drinken thee;
De
jongetjes koopen brokken
En
de meisjes die eten mee.
Terug
naar overzicht |
|
Aaltje
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst) |
|
Aaltje zat op een
paaltje
Krak zei 't
paaltje,
En weg was
Aaltje.
Terug
naar overzicht |
|
Aan de groene waterkant
(met dank aan Caterine Rietkerk voor het
sturen van de tekst) |
|
Aan de groene
waterkant
Zat
klein Toosje al een poosje
Met
wat kruimpjes in haar hand.
En met luid
gesnater kwamen
Door
het water alle eendjes
Een
voor een naar klein Toosje heen.
Maar toen kwam er
een grote hond,
Die
ging aan 't grommen en aan 't brommen
En
sprong woedend in 't rond.
En met luid
gesnater vlogen door t water
Alle
eendjes een voor een
Naar
de overzij heen.
Maar toen kwam
een oude heer,
Die
deed Moortje aan een koordje
En
de eendjes kwamen weer
En
met luid gesnater kwamen door het water
Alle
eendje een voor een, naar klein Toosje heen.
Terug
naar overzicht |
|
Aan de haven
(met dank aan Gonny Nedermeyer voor het
sturen van de tekst) |
|
Uren lang kan
Keesje kijken,
Naar de schepen
groot en klein.
Varen, varen
dacht ons Keesje,
Ik zou zo graag
maatroosje zijn.
Op een morgen
sprak ons ventje,
Zomaar schipper
Arie aan:
"Schipper" zei
ons Keesje dapper,
"Mag ik met u
varen gaan ?"
"Of jij mee mag
varen baasje,
Wis en zeker
kleine man,
Maar dan moet je
eerst wat groeien,
Voor ik jou
gebruiken kan."
Terug
naar overzicht |
| Aangebrand
(Staring) |
|
Aagt
Morsebel nam kleinen Piet
In kost, en als het kind, te middag aangezeten
Haar soms zijn walging merken liet:
De vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweten,
Aan kaarsvet, roet, noch snuif: 't was altoos : "Lekkertand,
Wat zou het anders zijn, als aangebrand?"
Nu kwam er eens een schotel vol groen eten
Te voorschijn, die Kok Aagt spinazie had geheten:
Hiervan kreeg kleine Piet zijn deel op 't bord gesmakt;
Hij roert er in; hij vindt twee achterpooten
Van 'd armen kikvorsch, onder 't warmoes kort gehakt,
En legt, met de oogen half gesloten,
Zijn eetvork neêr, terwijl hij vraagt:
"Heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aagt?"
Terug
naar overzicht |
|
Aart, den baard, den
bontenboer
(met dank aan mevrouw J. Mans voor het sturen van de tekst) |
|
Aart, den
baard, den bontenboer,
Die op zijn
klompen naar Gorkum voer,
Kocht een wijf,
Oud en stijf
En zette haar
op een kartonneke
En schoot haar
met een kannonneke...
Morsdood.
Terug
naar overzicht |
|
Abraham had zeven zonen
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Abraham had
zeven zonen
Zeven zonen had
Abraham.
Ze aten niet,
ze dronken niet.
Ze deden
allemaal zo !
Terug
naar overzicht |
|
Adam en Eva
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) |
|
Adam en Eva
Die aten samen
gort;
Adam at zijn
buikje vol,
En Eva kwam te
kort.
Adam en Eva
Die zaten op
een tonnetje;
Adam had een
rokje aan
En Eva een
japonnetje.
Adam en Eva,
Die zaten op
een boom;
Ze dronken
lekkere koffie
Met dikke vette
room.
Adam en Eva,
Die zaten op
een stoepje;
Adam zeî: wat
stinkt er zoo?
En Eva liet een
poepje.
Adam en Eva,
Die hadden saâm
een doekje,
Eva maakte er
een japonnetje van
En Adam een
broekje.
Adam en Eva,
Die zaten in
een hutje,
Ze zouden
karnemelk koken,
En vochten om
een grutje.
Kaïn sloeg Abel
zoo miserabel
Met een
pannekoek op zijn ziel,
Dat hij dood
ter neder viel.
Terug
naar overzicht |
| Als
de zomer haast voorbij is |
|
Als
de zomer haast voorbij is,
Staat de herfst voor de deur.
Dan krijgen alle groene blaadjes,
Stuk voor stuk een andere kleur.
Soms gaat dat een beetje langzaam,
Elke dag een blad of twee.
Als de boswachter dus tijd heeft,
Helpt hij graag een handje mee.
Hij staat urenlang te zwoegen,
Met een verfbord en penseel.
En hij maakt de groene blaadjes,
Rood, oranje, bruine en geel.
Eindelijk .. het laatste blaadje,
Nu zijn alle bomen klaar.
En als de blaadjes straks gaan vallen,
Harkt hij alles bij elkaar !
Terug
naar overzicht |
|
Als
goede kinderen slapen zacht
(Rooms
opzegversje)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst) |
|
Als
goede kinderen slapen zacht,
Dan
houden de Engelen trouw de wacht.
Staan
aan hun bedje
En hoeden hen teer,
Zien
op de kinderen in liefde neer.
Maar zijn de kinderen opgestaan,
Dan
mogen de Engelen slapen gaan.
Nu
reikt niet langer Engelen uw macht,
God onze Vader houdt zelf de wacht.
Terug
naar overzicht |
| Als
't klokje klingelt |
|
Klokje,
klokje, klein en klaar,
Wil ons wat vertellen;
't Klingelt, klingelt, klingelt maar,
Of er belkens bellen.
't Gaat maar al, het kleine ding,
Kling, klang, kling, klang, kling, klang, kling,
Of er belkens bellen.
Oud en jong en groot en klein,
Spreek ik tot het harte,
Maan ik goed en vroom te zijn,
Zo in vreugd als smarte.
Dat is 't wat ik aldoor zing,
Kling, klang, kling, klang, kling, klang, kling,
Zing tot aller harten.
Terug
naar overzicht |
|
Altijd is er wat te spelen
(met dank aan Mary Moret voor het sturen
van de tekst) |
|
Margreetje en
Marjaantje,
Die
wandelden in 't laantje.
Ze plukten
meizoentjes in 't gras,
Omdat
het heerlijk lente was !
Marjaantje en
Margreetje,
Die luierden een
beetje,
Ze roeiden op de
waterplas,
Omdat het
heerlijk zomer was !
Margreetje en
Marjaantje,
Die
zochten langs het laantje
Naar
beukennootjes in het gras,
Omdat het
heerlijk herfst was !
Marjaantje en
Margreetje,
Die reden in een
sleetje,
Ze breiden elk
een dikke das,
Omdat het
heerlijk winter was !
Terug
naar overzicht |
|
Amen
zei de koster
(met dank aan Margo Boer voor het sturen
van de tekst) |
|
Amen zei de
koster,
De kerk ging uit.
Hij poepte in
zijn broek
En het liep zijn
pijp weer uit.
Foei ! Zei de
dominee,
Is dat gewoon !
Geef me maar een
papiertje,
Dan
veeg ik het weer schoon.
Terug
naar overzicht |
| Amsterdam,
die groote stad |
|
Amsterdam,
die groote stad,
Is gebouwd op palen.
Als ze nu eens ommevalt,
Wie zal dat dan betalen?
Variant:
Amsterdam,
die groote stad,
Is gebouwd op palen.
Als
men de stad ommekeert,
Dan
kan men erin verdwalen.
Terug
naar overzicht |
| Annekeetje |
|
Annekeetje,
zeg wat deed je ?
Was die grote peer van jou ?
Leg hem Jantje gauw in 't mandje,
Want die peer is nog niet goed.
Moeder moet hem eerst nog stoven,
Annekee zul jij beloven,
Dat jij zoiets nooit meer doet?
Terug
naar overzicht |
|
Appele
Sienemietje
(met dank aan Sjaak Klumpers voor het
sturen van de tekst) |
|
Appele
Sienemietje,
Moeder wat ga je
doen,
Moeder moet gaan
werruken
En ze het maar
ene schoen.
Trek dan vaders
laarzies an,
Maar die benne me
veel te groot.
Knip d'r dan een
stukkie af,
En dan ben je een
ouwe jood.
Terug
naar overzicht |
| Appeltje
met je rode wangen |
|
Appeltje
met je rode wangen,
Had ik jou maar in mijn mond.
Waarom blijf je zo hoog hangen?
Val toch liever op de grond.
Terug
naar overzicht |
|
Arie
bombarie
|
|
Versie 1
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Arie bombarie
Van regen en
wind
Als je getrouwd
bent
Dan krijg je
een kind
Een kind van
roggebrood
Als het valt,
dan valt het dood.
Versie 2
(met
dank aan Arie van der Ende voor het sturen van de tekst)
Arie Bombarie
Van regen en wind,
Als je getrouwd bent,
Dan krijg je een kind,
Een kind met een bult,
Dat is Arie zijn schuld.
Terug
naar overzicht |
|
Au !
(Felicie Jehu)
(met
dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst) |
|
Bom ! wie valt
daar op zijn neus ?
Is dat kleine
Hansje ?
Ach, hij maakte
net zo leuk,
Met de poes een
dansje !
Maar….daar
hield de poes niet van,
Eerst riep zij:
,,Miauw !”
En, toen Hans
niet luisterde,
Krabde poesje !
Au !
Toen liet
Hansje poesje los,
En van schrik,
ja heus,
Tuimelde die
Hanzeman,
Bom ! Vlak op
zijn neus !
Terug
naar overzicht |
|
Avondgebedje
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst) |
|
’s
Avonds als ik slapen ga
Volgen
mij veertien engeltjes na
Twee
aan mijn hoofdeind
Twee
aan mijn voeteneind,
Twee
aan mijn linkerzij,
Twee
aan mijn rechterzij,
Twee
die mij dekken,
Twee
die mij strekken,
Twee
die mij wijzen,
Naar
’s hemels paradijzen.
Terug
naar overzicht |
|
Avondrood
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst) |
|
Avondrood,
Mooi weer aan
boord,
Morgenrood,
Water in de
sloot.
Terug
naar overzicht |
| 's
Avonds als het donker en stil wordt op straat |
|
's
Avonds als het donker en stil wordt op straat
Als bij moeke het lamplicht op gaat
Spelende kind'ren ga vlug nu naar huis
Loop toch voorzichtig, zoo zacht als een muis
Want zusje slaapt reeds een paar uren lang
Daarom is moeke van leven zoo bang !
Terug
naar overzicht |
|
Baas
Nijlpaard
(met
dank aan Nicoline Gast coor het sturen van de tekst) |
|
(klik
op het plaatje om te vergroten)

Elke
morgen loopt Baas Nijlpaard
Naar
den kapper op een draf.
En
hij zegt dan: "Help me spoedig
Van
mijn stoppels af, Giraf !
Nergens
kan ik mij vertonen
Met
dat haar op kin en konen."
"Met
plezier" zegt de barbier,
"Wilt
u maar gaan zitten hier."
Terug
naar overzicht |
| Bakker,
bakker, bolleman |
|
Bakker,
bakker, bolleman,
Bak een broodje, als je kan.
Bak een broodje, lekker rond,
Voor mijn broertje's kleine mond.
Bakker, bakker, bolleman,
Stook je vuurtje nog wat an !
Stook je vuurtje met wat hout,
Want je deeg dat is nog koud.
Haal je brood en je beschuit,
Nu maar gauw den oven uit.
Dank je baas, nu met mijn vracht,
Naar mijn broer, die lang al wacht.
Terug
naar overzicht |
| Bedtijd |
|
't
Is tijd om te gaan slapen,
Komt kind'ren staakt uw spel,
Neen, neen, niet tegen spart'len,
't Is tijd, dat weet je wel.
En als je dan in bed ligt,
Dan komt Klaas Vaak met zand,
Dat strooit hij in de oogjes,
Hij strooit met volle hand.
Het bloempje sluit haar kelkjes,
't Is moe van al de pret,
Zie zoo nu nog een nachtzoen
En één twee drie, naar bed.
Terug
naar overzicht |
|
Bellen
blazen
(P.A.E. Oosterhof)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Op een stoepje
bij een hek zit een aardig troepje;
Bellen blazen
is het spel van dit leuke groepje.
Liesje, met een
liniaal roert in 't lauwe sopje,
Jan houdt in
zijn kleine vuist 't witte pijpekopje.
Karel blaast
reeds in de lucht zulke mooie bellen.
Wimpje is bezig
om ze gauw een voor een te tellen.
Maar de kleine,
stoute Bets met haar guitestreken,
Heeft eerst
rustigjes en stil naar het spel gekeken.
Nu neemt zij
een pijpje op, vult het met 't sopje,
En wat doet ze
dan ? O wee: blaast ze in het kopje !
Uit het
steeltje komt een straal en bespuit het troepje,
Daad'lijk
vluchten allen weg van het kleine stoepje.
Terug
naar overzicht |
|
Ben
ik niet een arme smid
(met
dank aan Carola voor het sturen van de tekst) |
|
Ben
ik niet een arme smid,
Die met smeden zijn brood moet verdienen.
Dat gaat zo maar altijd voort,
Alle dagen zo het behoort.
Van rikkede, tikkede, rikkedetik,
Van rikkede, tikkede, rikkedetik,
Van rikkede tik.
Ben ik niet een flinke smid,
Die met vlijt zijn kost moet winnen;
Dat gaat zo maar altijd voort,
Alle dagen zo het behoort.
Van rikkede, tikkede, rikkedetik,
Van rikkede, tikkede, rikkedetik,
Van rikkede tik.
Terug
naar overzicht |
| Ben
je boos |
|
Ben
je boos,
Pluk een roos.
Zet hem op je hoed,
Dan ben je morgen weer zoet.
Versie 2
(met dank aan Ingrid
Ouwerkerk)
Ben je boos ?
Pluk een roos
Zet 'm op je
hoed,
Dan ben je
morgen weer goed.
Terug
naar overzicht |
|
Benjamin – af
(P.A. de Génestet 1829-1861)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst) |
|
Haast ben je niet
meer Benjamin,
Dan neemt een ander je plaatsje in,
Mijn lieve, kleine jongen !
Dan zet je moeder je neer op de grond,
Dan zegt je vader: loop heen, loop rond,
Je wordt door een aapje verdrongen.
Haast ben je niet meer Benjamin
Dan krijg je niet altoos meer je zin,
En moogt je fortuin gaan zoeken,
Dan eet er een ander de kaas van je brood,
Dan heerscht er een ander op moeders schoot,
Een koninkje in linnen doeken.
Dan sta je gelijk, jij, met je andere broêrs,
En maak je spektakel, men noemt u jaloersch,
Men lacht om uw gramschap, klein wichtje !
Dan, wie er je soms nog beschermen moog,
Een ander heeft ieders hart en oog,
In spijt van je lieve gezichtje !
Ja, haast ben je niet meer Benjamin,
Je rijk heeft uit en een nieuw neemt begin,
Zoo gaat het met de aardsche rijken !
’t Is goed dat je dit nu maar vroeg ondervindt:
Het loopt in de wereld niet anders, lief kind !
Dat zal je licht later blijken.
Eerst wordt je vertroeteld, eerst ben je de man !
Maar denk je, dat het lang duren kan ?
Wel neen, slechts een poosje, mijn baasje !
Dan komt er een wolkjen in ’t verschiet,
Dan komt er een aapje, dat je eerst niet ziet,
Hij schreeuwt en zit op je plaatsje !
Terug
naar overzicht |
| Beschuit
met muisjes |
|
Beschuit,
beschuit met muisjes,
Dat hoort erbij, dat hoort erbij.
Er is er één geboren en daarom eten wij:
Beschuit, beschuit met muisjes.
Heeft iedereen gehad ?
En als er muisjes over zijn,
Dan zijn ze voor de kat.
Terug
naar overzicht |
|
Betje,
ben je boven ?
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst) |
|
Betje, ben je
boven ?
Ja, Juffrouw !
Breng het vuur
eens in de stoven !
Terug
naar overzicht |
| Bibelebontse
berg (Mies Bouwhuys) |
|
Hier
is de sleutel
Van de Bibelebontse berg.
Op de Bibelebontse berg,
Daar staat een Bibelebonts huis,
Wonen Bibelebontse mensen.
En die Bibelebontse mensen,
Hebben Bibelebontse kinderen.
En die Bibelebontse kinderen,
Eten Bibelebontse pap,
Met een Bibelebontse lepel,
Uit een Bibelebontse nap.
Terug
naar overzicht |
|
Bij ons in 't boerenlaantje
(springtouwversje jaren 40)
(met dank aan mevr. W. van Amstel voor
het sturen van de tekst) |
|
Bij ons in 't
boerenlahaaantje
Daar woont een boerenmeid.
Zij houdt zo veel van prahaaatjes
En raad eens wat ze zei:
Mijn vrijer die is ziek ziek ziek,
Hij heeft de reumatiek tiek tiek tiek,
Hij ligt in 't hospitaal taal taal taal,
Z'n hele kop is kaal kaal kaal.
Terug
naar overzicht |
| Bim
bam beieren |
|
Bim
bam beieren,
De kippen leggen eieren.
Bim ban bom,
Ik vraag me af waarom.
Waarom
is niet te zeggen,
Omdat ze willen leggen.
Ze leggen hier, ze leggen daar,
Ze leggen maar, ze leggen maar.
Bom
bim bam,
Eitje op je boterham.
Versie 2
(met dank aan Riet Rademakers)
Bim bam
beieren,
De koster lust
geen eieren,
Wat lust hij
dan,
Spek uit de
pan,
Daar word hij
lekker vet van.
Terug
naar overzicht |
|
Bim,
bam, de klok die luidt
(S. Abramsz) |
|
Bim,
bam, de klok die luidt.
Weet
je wel, wat dat beduidt ?
De
boeren loopen de kerk uit.
Terug
naar overzicht |
|
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Ik heb een
lief, klein tuintje,
Daar kweek ik
bloemen in,
En als mijn
aardig zusje komt,
Dan zing ik
blij van zin.
"Klein
kleuterke, klein kleuterke,
Wat doe je in
mijn hof ?
Pluk toch niet
al de bloempjes af,
O, maak het
niet te grof !"
Maar als mijn
zus de plantjes ziet,
Met zoveel zorg
gekweekt,
Dan weet ik,
dat het lieve kind
Geen van die
bloempjes breekt.
Terug
naar overzicht |
|
Boer
Akkermans
(met
dank aan Jac Wilmes voor het sturen van de tekst) |
|
Hatsjie,
hatsjie, zei Akkermans,
Wat ben ik toch
verkouden.
Als ik op stal
de koeien melk,
Moet ik de deur
dicht houden !
Hatsjie,
hatsjie, ik heb in de tocht gestaan
En ik moet
voortdurend niesen.
Hatsjie,
hatsjie, ik zou warempel nog
Mijn dikke neus
verliezen !
Terug
naar overzicht |
|
Boer Krelis
(met dank aan Ineke Bontje voor het
sturen van de tekst) |
|
Krelis, die
zichzelve vond,
De leukste
snaak van 't wereldrond.
Op een bankje
voor zijn woning zat,
Toen daar een
vreemd'ling nader trad.
Zeg heerschap,
sprak hem, Krelis aan,
Schijnt hier de
zon, of wel de maan.
Ik weet het
niet, klonk het gevat,
Ik ben een
vreemdeling in deze stad !
Terug
naar overzicht |
|
Brief
aan Grootmoe
(G.W. Lovendaal)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerke voor het
sturen van de tekst) |
|
Liefste
Grootmoe ! 'k Zal eris
Gauw een briefje U schrijven.
Wij zijn nog gezond en fris
Allen met ons vijven.
Grootmoe, 'k heb zo leuk gedroomd
Van een spierwit bokje;
't Stond getuigd en opgetoomd
In ons kolenhokje.
Ook een wagentje voor twee
Stond er zo bezijden.
Vindt U 't ook niet heerlijk hé,
Met een bok te rijden ?
O, ja, Grootmoe, weet U 't nog ?
Net nog zeven weken,
Dan ben 'k jarig; U hebt toch
Al 'ris rond gekeken ?
Maatje zei, 'k mag in mijn brief
Niets aan Grootmoe vragen,
Anders zei ik: Grootmoelief,
Geef me een bok met wagen.
'k Weet wel, dat dit lelijk staat,
U zal 't toch wel weten ....
Gus, ja ! - hoe het Grootmoe gaat ?
'k Zou het haast vergeten !
Terug
naar overzicht |
|
Brilslang |
|
Een
brilslang van een jaar of tien,
Die kon opeens niet goed meer zien.
Hij gaf van schrik een gilletje.
Hij was een week geheel van streek.
Nu heeft hij een nieuw brilletje...
Terug
naar overzicht |
|
Broekman
wou een pijpje roken
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
|
|
Broekman
wou een pijpje roken
Maar
papa zei: "Ben je mal,
Roken
voegt jou niemandal.
Moeder
zal j' een papje koken
Later
zullen wij eens zien
Als
je groot ben dan misschien."
Broekman
moppert in zijn hoekje:
"Ben
ik nu dan nog niet groot ?
'k
Zit niet meer op moeders schoot
En
ik lees al in mijn boekje."
Toen
hij dacht dat pa 't niet zag,
Sloeg
hij eindelijk zijn slag.
Broekman
sloop toen stil naar boven
En
stak toen de brand er in.
Toen
had broekeman zijn zin
En
hij dampte als een oven.
Maar
wat later is geschied,
Jongens
dat verklap ik niet.
Terug
naar overzicht |
|
Broer
leert lopen
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst) |
|
Mijn
broertje leert nu lopen,
Hij
kan al stevig staan.
Eerst
heeft hij maar gekropen,
Nu
moet hij leren gaan.
Daar
komt hij aan die kleine guit,
En
moeder spreidt haar armen uit.
Opeens
doet hij een pas of vier,
En
kraait dan van plezier.
Nu
kan klein broertje lopen.
Hij
is zo blij, zo blij.
Nu
gaan we koekjes kopen
En
mag hij mee met mij.
Ik
trek hem mooie schoentjes aan.
Och,
och wat zal dat aardig staan.
En
morgen gaan we een wandeling doen,
Naar
buiten in 't plantsoen.
Terug
naar overzicht |
|
Broertje's
boterham
(met
dank aan Johanna Schipper voor de tekst) |
|
Broer
zit heel parmant aan tafel
En
zijn makker Hek de hond,
Zit
vol ongeduld te wachten,
Vlak
bij 't baasje op de grond.
"Broertje
eet toch eens wat vlugger !"
Zegt
zijn moeder keer op keer.
Maar
broertje heeft geen trek in eten,
Maar
zijn hondje des te meer.
Broer
zit met zijn brood te spelen.
Kijk
daar valt het op de grond.
Het
is een stukje brood met suiker,
Hap,
dat is fijn denkt Hek de hond.
Broer
klapt juichend in zijn handjes.
Ha,
dat is een grappig spel.
Telkens
laat de guit wat vallen
En
.. de hond bevalt dat wel.
Daar
komt moeder uit de keuken
En
ze blijft verwonderd staan.
"Heb
je alles opgegeten ?
Nou
dat heb je vlug gedaan !"
"Nog
een boterham moes" zegt broertje
"Zo"
vraagt moe "heb jij zo'n trek ?"
"Nee
hoor moesje" zegt de deugniet
"Maar
ik speel zo leuk met Hek."
Terug
naar overzicht |
|
Broodkruimels
(Jan Pieter Heije) |
|
Wat
pikt er tegen 't vensterglas,
Alsof het vroeg: "doe open?"
Zoo 't eens die kleine vogel was...
Die 'k op de plaats zag loopen!
Och ja! daar zit hij, koud en stram;
Hoe sjilpt hij om wat eten...
Och, dat ik nu mijn boterham
Maar niet had opgegeten !
Of had ik al de krummels maar,
Die moeder weg moest vegen,
Dan was het arme diertje klaar
En stond ik niet verlegen !
Och, Moeder! Help mij uit den nood...
En 'k zal het nooit vergeten,
Dat ook geen krummeltje van brood
Mag worden weggesmeten.
Terug
naar overzicht |
| Buiten
in de biezen |
|
Buiten
in de biezen,
Daar lei een hondje dood.
Zijn staartje was bevroren,
Zijn billetjes waren bloot.
Toen kwam Lijsje Lonken,
Die zei: "Dat beest is dronken !"
Toen kwam Lijsje Lollepot,
Die zei: "Dat beest is half zot !"
Toen kwam Jan de slager,
Die zei: "Dat beestje is mager !"
Toen kwam Thijs de timmerman,
Die lapte er weer een staartje an.
Toen liep dat hondje henen,
Met 't staartje tussen de benen.
Terug
naar overzicht |
|
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Buurman Jan is
nooit tevreden,
En hij vindt
het nergens goed:
Gispen doet hij
zonder reden,
Wat men zegt en
wat men doet.
't Is op zijn
gezicht te lezen,
In zijn ogen
ziet gij 't staan,
Ja, zijn eens
zo vriend'lijk wezen
Werd zo geel
gelijk saffraan.
Langzaam heeft
hij 't aangewend:
Schaam u,
Jantje, malle vent.
Altijd wil hij
ruzie maken,
Twisten is zijn
grootst vermaak;
Moet hij
slapen, hij wil waken;
Moet hij waken,
hij heeft vaak.
Leren wij, dan
wil hij spelen;
Spelen wij, hij
neemt een boek;
Uren kan hij
zich vervelen,
Eenzaam
pruilend in een hoek.
Jan is overal
bekend:
Arme Jantje,
malle vent.
Is het zomer,
't is te broeiend;
Is het winter,
't is te guur;
Stookt gij
hard, hij vindt het gloeiend;
Stookt gij
niet, hij kruipt bij 't vuur.
't Water is te
nattig, zegt hij,
't Zand is al
te droog, dat spreekt;
En bij alles
overlegt hij
Of er niet wat
aan ontbreekt:
't Is toch
waarlijk een ellend'
Met dien
ontevreden vent.
Terug
naar overzicht |
|
Buurman
Snater
(met
dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst) |
|
(Klik
op het plaatje om te vergroten)

"Goedemorgen
buurman Snater."
"Goedemorgen
juffrouw Kwak.
Met
dit warme weer in 't water
Voel
'k me meer op mijn gemak !
Maar
ik moet naar stad toelopen
Om
mijn eitjes te verkopen."
"Stap
dan maar een beetje door,
Buurman,
goede zaken, hoor !"
Terug
naar overzicht |
| |
|