Opzegversjes
Haantje
op de toren
Moet
je horen op de toren,
Op de toren staat een haan
Staat een haan met gouden veren,
Dag en nacht te koketteren.
En de dorpse kippenschaar,
Wel zo 'n duizend bij elkaar,
Keek vol eerbied naar de top,
Van de hanentoren op.
"Kukeleku", zei een patrijsje,
Een lieftallig parenrijsje,
En een Barnevelder zei:
"Wat een stoere slag zijn wij."
Maar die haan staat bovenaan,
Zo heel hoog en zo heel vrij,
Aan hem behoort de heerschappij.
Alles is niet wat het lijkt,
Schijn bedriegt de werkelijkheid.
Zodat je 't verschil haast niet meer ziet,
Tussen wat echt is en wat niet.
Jan de wind die hoorde dit,
Jan die stijf vol grappen zit.
En hij sprak tot storm en Hein:
"Hoor is het zou zo aardig zijn,
Blaas jij die gouden haan,
Tegen het kerkpleintje aan."
"Dat is goed:, zei Hein
En Hein woei de wereld in
Alles is niet wat het lijkt,
Schijn bedriegt de werkelijkheid.
Zodat je 't verschil haast niet meer ziet,
Tussen wat echt is en wat niet.
Terug
naar overzicht
Had je taartjes en pasteitjes
(met dank aan Josée Reyners voor het
sturen van de tekst)
Had je taartjes
en pasteitjes,
Had je 's werelds
lekkernijtjes
Och, wat hielp
dat toch mijn schat,
Als je toch geen
honger had.
Terug
naar overzicht
Handje
plak
(S. Abramsz)
Handje
plak,
Ga
naar de markt,
Koop
een koe,
Een
stukje lever toe.
Een
stukje van de longen,
Voor
een zieken jongen.
Een
stukje van de pens,
Voor
een ziek mensch.
Een
stukje van de lever,
Voor
den zieken wever.
Terug
naar overzicht
Hans de
gans
(met
dank aan Cécile van Dongen voor het sturen van de tekst)
Hans de Gans,
Jongens, ik ben
heel wat mans.
Ik kan lopen op
het gras,
Ik kan zwemmen
in de plas.
Zelfs kan ik
een nestje bouwen,
Maar ik kan
niet mijn snaveltje houwen.
Terug
naar overzicht
Hans
worstje
(met
dank aan Mariek vd Feijst voor het sturen van de tekst)
Kom
Hans worstje, kom mijn popje,
Draai
eens even met je kopje.
Kleine
Lies zal voor je zingen,
Zie
dat kleine ding eens springen.
Au.......je
doet mijn neusje pijn,
Mag
jij zo ondeugend zijn ?
Terug
naar overzicht
Hansje gaat
(met
dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)
Hansje gaat 's
avonds laat,
Nog geheel
alleen op straat.
Stok en hoed
staan hem goed,
Hij is
welgemoed.
Bij de ingang
van het bos,
Vleit hij zich
op 't zachte mos,
Hansje gaapt,
Hansje slaapt
En snurkt als
een os.
In de nacht,
Hansje dacht,
Gunst nog toe
wat lig ik hier zacht.
Hij kijkt rond
maar hij vond,
Niets als
donkere grond.
Angstig roept
hij: "Lieve moe
Kom toch gauw
naar Hansje toe !"
Hansje gaat 's
avonds laat
Nooit meer
alleen op straat.
Terug
naar overzicht
Hansje kleen
(met
dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)
Hansje kleen,
gaat alleen in de wijde wereld heen,
Stok en hoed
staan hem goed, hij is welgemoed.
Maar zijn moeder
trouw en teer
Zegt: ,,nu heb ik
geen hansje meer,
Hansje kind,
welbemind, keer tot mij gezwind."
Zeven jaar vloden
daar heen voor onze wandelaar,
Nu bezint zich 't
kind, en keert weer gezwind.
Maar hij is geen
Hansje meer
Hij is nu een
grote heer,
Vol van zwier,
groot en fier, en wel sterk voor vier.
Menig man die
kijkt hem an, en vraagt wie dat wezen kan,
Zuster Griet die
hem ziet, kent dat heerschap niet.
Maar daar komt
zijn moeder aan,
En vol vreugd
ziet zij hem staan,
' t
Hart dat mint, is niet blind, welkom, welkom kind.
Terug
naar overzicht
Hansje
Knipperdolletje
Hansje
Knipperdolletje,
Die zat laatst aan de dijk.
Hij krabde daar zijn bolletje,
Zijn mutsje viel in 't slijk.
Hansje wil jij je mutsje verkopen?
Nee zus, malle zus,
Wie verkoopt er nou zijn muts !!
Terug
naar overzicht
Hansje
Pek zat op een hek
Hansje
Pek zat op het hek;
Toen
kwam zijn grootje,
Die
gaf hem een broodje.
Toen
kwam zijn zusje,
Die
gaf hem een kusje.
Toen
kwam een kindje,
Die
gaf hem een lintje.
En
toen kwam op 't lest de pastoor,
Die
gaf hem een ferme klap op zijn oor.
Terug
naar overzicht
Hansje
sokken
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Hansje sokken
Trek hem aan zijn
rokken
Trek hem aan zijn
staart,
Hansje is geen
oortje waard.
Terug
naar overzicht
Hazenkind
Tom
(met dank aan Rijkje van Gestel voor
het sturen van de tekst)
Hazenkind Tom was ondeugend geweest,
Had eerst tante's kopje gebroken.
Daarna toen zij hem een standje gaf,
Verbeeld je zijn tong uitgestoken.
Natuurlijk was tante verschrikkelijk
boos
En gaf hem een klap voor zijn broekje,
En zette het ondeugende hazenkind
Voor straf een poos in een hoekje.
Daar stond hij
hij nu, hij huilde tranen met tuiten,
Hij veegde zijn neus met zijn oren af,
Omdat hij niets had om te snuiten.
Terug
naar overzicht
Heer
ooievaar
(met dank aan Annette Pluijmen-Verweijen voor het
sturen van de tekst)
Heer Ooievaar,
Wat doe jij
daar???
Met je lange
dunne poten??
Stap jij zomaar
door de sloten??
Zeg mij eens,
Heer Flapperflap.
Doe jij dat zo
voor de grap??
Nee klein, lief
kind
Ik moet steeds in
alle hoeken
Kikkertjes en
visjes zoeken,
En geloof mij
beste vrind
Dat ik die héél
lekker vind.
Terug
naar overzicht
Heilige
Petrus
(met dank aan Dora van der Laar voor het
sturen van de tekst)
Heilige Petrus
Paulus van Rome
Laat mijn kindjes
vannacht niet eng dromen
Haal de duivel
van de deur
En zet de
engelbewaarder er veur
In de naam van de
vader, de zoon
En de heilige
geest amen.
Terug
naar overzicht
Hengelaar
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Hengelaar, wat
doe je daar ?
Visjes vangen ?
Oh, wat naar !
'k Wou toch dat
je liever was
En laat die
visjes in de plas !
Terug
naar overzicht
Herder,
laat je schaapjes gaan (S. Abramsz)
Herder,
laat je schaapjes gaan.
Ik
durf niet.
Waarom
niet ?
Om
den boozen wolf niet.
De
booze wolf is gevangen
Tusschen
twee ijzeren tangen,
Tusschen
zon en maan.
Herder,
laat je schaapjes gaan.
Terug
naar overzicht
Herfst
(met
dank aan Vrouke van Pel-Manuel voor het sturen van de tekst)
Het regent
eikels en kastanjes
Kijk, ze
vliegen in het rond.
Hier en daar
strooien de bomen
Beukennootjes
op de grond.
Je ziet de
paddenstoelen groeien,
Bladeren worden
geel en bruin,
De ganzen
vliegen naar het zuiden,
De wind blaast
door de hoogste kruin.
De bomen
verliezen al hun blaadjes,
De koeien gaan
weer naar de stal.
Het is of alles
wil vertellen
Dat het winter
worden zal.
Terug
naar overzicht
Herfst ga toch weg
(met
dank aan Corry van den Heuvel voor het sturen van de tekst)
Herfst, herfst,
ga toch weg,
"N ee",
zegt de herfst, dus we hebben pech.
Wind en regen,
veel te veel,
Snotverkouden
en zere keel.
Kastanjes
liggen op de grond,
Blaadjes
dwarrelen in het rond,
Blaadjes worden
rood en bruin,
Paddestoelen in
de tuin !!!
Terug
naar overzicht
Herfst is gekomen
(met
dank aan Fam. Noot voor het sturen van de tekst)
Herfst,
herfst, herfst is gekomen
nu waait de wind de blaadjes van de
bomen
alle blaadjes vallen, de takken
worden kaal
we trekken onze jasjes aan, allemaal
Terug
naar overzicht
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
A - dat is
Aafje, die houdt niet van thee
B - is een
Baker, die heet Bettekee
C - is een
Chinees, die een Kees kreeg gestuurd (hond)
D - is een
Diender, de schrik van de buurt
E - dat is
Evert, die houdt veel van taart
F - is een
Freule, die rijdt op een paard
G - is een
Graaf, zie hij groet de Gravin
H - is een Heks
met een puntige kin
I - is een
Indiër, die eet rijst met kerry
J - is een
Jonker, die drinkt een glas sherry
K- is een Kok,
hij snijdt een komkommer
L - is Lisette,
zij leest in het lommer
M - is een
Melkmeid, haar emmers zijn vol
N - is een Nar
en zijn wangen staan bol
O - is een
Orgel, dat bont is gekleurd
P - is een
Peuraar, die palingen peurt
Q - is Quirinus,
hij schrijft een quitantie
R - is
Rozientje, zij kreeg juist vacantie
S - is een
Strooper, die stroopt vroeg en laat
T - is een
Tamboer, die slaat op de maat
U - is een
Urker, die vaart naar zijn eiland
V - is een
Vischvrouw, die loopt door het weiland
W - is een
Wever, die weeft wat voor Jan
X - is het
X-been, van Xina's man
IJ - is een
ijstent, die stond bij de bocht
Z - is een
Zoetelaar waar 'k zuurtjes bij kocht.
Terug
naar overzicht
Het
bakkertje
(G. W. Lovendaal 1847-1939)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Weet je wat 'k
wil worden? ... bakker.
Bakker wezen
nou dat 's fijn !
'k Bak voor
Maatje taart en tulband,
Voor me zelven
marsepein.
'k Bak
biscuitjes en pastijtjes,
Bitterkoekjes
voor bezoek
En voor Paatje
bollebroodjes,
Knuppeltjes en
peperkoek.
'k Bak voor zus
beschuit met muisjes,
Broer krijgt
sprits een vinger dik,
Oude Geert en
Blinde Teuntje,
Iedre week een
krentenmik.
Terug
naar overzicht
Het
Boemeltreintje
(Uit:
Samen de Natuur in. Dr. W. E. De Mol)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)
Spoorken,
als ge 's avonds snelt
Door
heide en langs weideveld.
Dan
wringelt gij
En
tingelt blij
En
kringelt door de bomenrij;
En
'k volg uw gauwe gang
Zolang,
Tot
ik de laatste van uw lichtjes
Nog
tussen 't dicht geboomte vang.
Dan
luister 'k naar 't getingeltang,
Nog
lang daarna. . . .
Nog
lang. . . . heel lang. . . .
Terug
naar overzicht
Het bouquet
(Roel Dasmus)
(met
dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)
Ons Koosje is de
liefste thuis
Hij is dan ook de
kleinste.
We laten hem
graag zelf iets doen
Want….dat vindt
hij het fijnste.
Maar lachen,
lachen moeten wij !….
O, o, zeg….moet
je horen.
Laatst had hij
een bouquet geplukt….
Heus nogal naar
behoren !
Natuurlijk
mochten wij ze niet
Voor hem in ’t
vaasje schikken.
Neen, neen, dat
moest hij ,, zellef”doen….
Foei !…Neen, zeg,
nu niet schrikken…
Hij stak de
bloemen één voor één
In ‘t water onderste
boven .
En trots dat onze
man toen was….
Je zou het haast
niet geloven.
Gelukkig kon je
ze nog zien,
Het was een
glazen vaasje.
Maar, o !….Wij
proestten van de pret.
Wat zeg je van
zo’n baasje ?
Terug
naar overzicht
Het
fluitketeltje
Meneer
is niet thuis en mevrouw is niet thuis.
Het
keteltje staat op het kolenfornuis.
De
hele familie is uit
en
het fluit en het fluit en het fluit
Tuuuuuuuuuut
!!
De
pan met andijvie zegt: "Foei, o foei,
Hou
eindelijk op met dat nare geloei.
Wees
eindelijk stil alsjeblieft
Je
lijkt wel een locomotief."
Tuuuuuuuuuut
!!
De
deftige braadpan met lapjes en sjuu,
Zegt
"Goede genade, wat krijgen we nu ?
Je
kunt niet meer sudderen hier,
Ik
sudder niet meer met plezier."
Tuuuuuuuuuut
!!
Het
keteltje jammert: "Ik houd niet meer op,
Het
komt door mijn dop ! Het komt door mijn dop !
Ik
moet fluiten zolang als ik kook
En
ik kan het niet hellepen ook !"
Tuuuuuuuuuut
!!
Meneer
en mevrouw zijn nog altijd niet thuis.
Het
keteltje staat op het kolenfornuis.
Het
fluit en het fluit en het fluit,
Wij
houden het echt niet meer uit !
Tuuuuuuuuuut
!!
En
jullie?
Terug
naar overzicht
Het gebarsten kannetje
(M.A. de Wijs Mouton)
(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)
't Was herrie
in de huishoudkast
De borden ze
rammelden razend;
Het glaswerk
rinkelde van ergernis,
De boterpot
klapte verbazend,
Wat dolle
intriges, wat lijden en last
Was er in de
huishoudkast !
De broodtrommel
die wist 't wel,
Die had 't al
aan zien komen,
Maar geen die
van zijn ernstig woord
Notitie had
genomen.
De honingpot
preekte 't verstandigst van al
Berusting in 't
ongeval.
De olie met de
azijn getrouwd,
Stond preutsig
en schuintjes te gluren
Naar het
voorwerp van haar ergernis,
En kletste met
haar buren.
En 't zuurstel
werd beurtelings rood en bleek
Terwijl 't nog
zuurder dan anders keek.
De oorzak van
de narigheid
Stond stil en
nadenkend te staren
En dacht hoe
die kwaadwilligheid
Het beste te
bedaren.
Ze kende haar
luitjes van A tot Z
En had een
heimelijke pret.
't Was een
gebarsten kannetje,
Hier pas op dit
plekje verschenen
Toen d' oude en
deftige melkkan
Van 't
wereldtoneel was verdwenen.
Ze had, al deed
ze haar arbeid nog puik,
Een barst en
een scheur in haar kleine buik.
En bij dat
lawaai en die kibbelpartij
Stond ze stil
bij zich zelve te denken,
Hoe toch die
hele huishoudkast
Zo'n aandacht
haar kon schenken.
Ze wilde
gebarsten en levensmoe
Het liefst naar
haar graf en asbak toe.
De kaasstolp
vond dat ze blijven moest,
Had meelij met
de vreemdeling gekregen.
Maar 't
broodmes, minister van oorlog hield vol
En stemde
onherroepelijk tegen.
De vorken en
lepels als leden der raad
Waren innerlijk
woedend en dol obstinaat
Toen kreeg je
de strijd in de huishoudkast;
Een fles viel
op glazen en borden,
De stukken
sprongen links en rechts,
Een wilde
vernielende horde.
't Azijnstel
kapot en 't zuurstel in twee,
Hun scherven
die slierden het zoutvat nog mee.
Het kannetje
daar bleef ongedeerd,
Het kon wel een
stootje verdragen;
Als je eenmaal
een barst hebt, dan weet je van strijd,
En ben je
gehard tegen slagen.
Ze trok zich
van 't kibbelend zaakje niets an,
Ze was maar een
kleine, gebarsten kan.
Terug
naar overzicht
Het
geitenweitje
(Jacqueline E. van der Waals)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Op het
geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de groote geit.
Geiteke, wat moet je
Met je fijne snoetje,
Dat zoo klaaglijk schreit ?
Met je bleeke bekje ?
Geiteke wat rek je,
Trek je aan het touw ?
Snuffende aan mijn mouwen
Met je lief vertrouwen
In zoo'n vreemde vrouw !
In mijn handen stop je
Nu je jonge kopje;
Zeg, wat moet ik doen ?
Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje,
Als een wittigheidje
In het prille groen.
Terug
naar overzicht
Het hondje
(met dank aan Joep Klijnsma voor het
sturen van de tekst)
Hondje zit op,
recht met je kop
Recht met je
lijf, hou je nu stijf,
Moet ik al
leren ? ben nog zo klein,
Wacht toch dat
ik wat groter zal zijn.
Nee hondje nee,
wachten is niet goed..
Het is beter
als je het nu maar doet.
Toen kon het
hondje binnen de kortste tijd
O p
zijn achterste pootjes rond de tafel gaan.
Terug
naar overzicht
Het
huis van Adriaan
(Mies Bouwhuys)
Dit
is het huis van Adriaan.
Dit
is het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.
Dit
is de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.
Dit
is de kat,
Die pakte de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.
Dit
is de hond,
Die wegjoeg de kat,
Die pakte de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.
Dit
is de koe van zeshonderd pond,
Die omhoogsmeed de hond,
Die wegjoeg de kat,
Die pakte de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.
Dit
is de dochter van Hillegond,
Die molk de koe van zeshonderd pond,
Die omhoogsmeet de hond,
Die wegjoeg de kat,
Die pakte de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.
Terug
naar overzicht
Het is
te wensen
(met
dank aan dhr. Bastemeijer voor het sturen van de tekst)
Het is te
wensen
dat alle
mensen,
met hun fouten
en gebreken
eerst eens naar
zich zelf keken.
Dan zouden ze
het praten
van anderen wel
laten.
Terug
naar overzicht
Het
jongetje dat wou groeien
(met
dank aan Henk Janssen voor het sturen van de tekst)
Er
was eens een jochie uit Anna Parochie,
Dat
dolgraag een man wezen wou.
Hij
at volle borden om groter te worden,
Wat
groeide dat kereltje gauw
En
steeds na het eten moest moeder hem meten,
Dat
deden ze vlug in de gang.
Dan
zuchtte het jochie uit Anna Parochie:
"O,
moeder, wat word ik al lang."
Hij
werd alsmaar groter van yoghurt en boter,
Van
erwten, bonen en brij.
En
na het eten, toen moeder wou meten,
Kon
zij er echt niet meer bij.
Toen
lachte het jochie uit Anna Parochie,
"Nu
zult U eens zien wat ik kan.
Bedankt
voor het eten, bedankt voor het meten,
Ha
moeder nu ben ik een man."
Terug
naar overzicht
Het
kaboutertje
Daar komt een
kaboutertje aangelopen )
Stap, stap, stap ) (arm)
Mag ik op je straatje lopen )
Mag ik op je stoepje staan (schouder)
Mag ik aan je belletje rinkelen (oren)
Deurtje open, deurtje dicht (ogen)
Trapje lopen, (neus)
Voetjes vegen, (bovenlip)
Kom maar binnen (mond)
Terug
naar overzicht
Het
kerstkind
(met dank aan Jo Hogeboom voor het
sturen van de tekst)
Zachtjes, zacht
Uit de nacht,
Waar de sterren
staan
Boog aan boog,
Komt het
kerstkind aan.
Zoetjes, zoetjes,
Blote voetjes,
Om zijn kopje,
teer en fijn,
’s hemels
zilverschijn.
Zachtjes, zacht
In de nacht,
Als een mooie
droom
Komt het kind,
Zoekt en vindt,
De versierde
boom.
Leven, leven
Wil het geven,
Alle kaarsjes
steekt het aan
En is weer
gegaan.
Terug
naar overzicht
Het
kleine bakkertje
(met dank aan Marjan Rave voor het
sturen van de tekst)
Daar liep een
vlug klein bakkertje
Met een grote
doos op straat
Hij bracht wel
honderd taartjes weg
En stapte als een
soldaat
Daar kwam een
nijdig keffertje
Die beet hem in
zijn broek
De taartjes
rolden over de stoep
En de jongens
riepen: zoek !
Maar grote Kees
zei: bakkertje
Wij pakken er
geen een
Wij helpen jou
meteen
Daar ging het
kleine bakkertje
Met zijn grote
doos over straat
Hij bracht weer
al zijn taartjes weg
En stapte als een
soldaat
Terug
naar overzicht
Het
klokje slaat (kindergebedje)
(met dank aan Riet Rademakers voor het
sturen van de tekst)
Het klokje slaat
het uur vergaat.
O Jezus red op
dit uur,
Duizend zieltjes
uit het vagevuur.
Mijn Jezus
barmhartigheid
Voor de arme
zondaars.....
Ave Maria.
Terug
naar overzicht
Het
luchtballonnetje
(met
dank aan Nico Koolsbergen voor het sturen van de tekst)
Levi
Konijn had met zijn konijntjes
(hiermee bedoel ik natuurlijk zijn kleintjes,
te weten zijn zoontjes) de kermis bezocht,
en had voor ieder van hen een luchtballonnetje gekocht.
Fier stappen ze naast hun vader voort.
Het gewone gekibbel wordt in het geheel niet gehoord.
En Eli, Ben en Riel, de drie kleine mannen,
smeden onafgebroken luchveroveringsplannen.
En Eli, de jongste, zegt heel laconiek:
“Zeg jongens, nou doen we fijn aan aviatiek.”
Ontzetting grijpt eensklaps het drietal aan,
want Ben zijn ballon is naar de maan toe gegaan.
Het touwtje was van zijn vinger geschoven.
De ballon zoekt zijn weg naar het onmetelijke boven.
De oude Levi vindt dat natuurlijk een strop,
roept “Gammer !” en geeft de jongen een klap voor zijn kop.
Riel, bang dat de zijne hem ook zou smeren,
stopte het ding heel handig onder zijn kleren.
Opeens: een knal! Wat was het geval ?
De ballon voelde zich in de nauwe ruimte nogal gedrongen
en was van pure benauwdheid uit elkander gesprongen.
De oude Eli maakt zich vreselijke kwaad.
Maar daar hij niet houdt van heibel op straat,
bezweert hij zijn kleintjes onder het lopen,
ze 'liever te verzuipen' dan nog een ballon te kopen.
Ik hoop dat u allemaal wel voelt,
dat hij hiermee niet zijn kleintjes maar zijn dubbeltjes bedoelt.
Eli, ook voor de zijne bevreesd,
is daarom praktischer geweest.
Hij heeft vlug de ballon en zijn benen genomen
en heeft daarmee heelhuids thuis weten te komen.
Daar aangekomen stopte hij het ding (staat u niet verwonderd)
onder het deksel van een zekere plaats. Afijn, nommer honderd...
Het toeval wilde dat ome Bram
die dag de familie bezoeken kwam.
Niet uit belangstelling, dan zou ik liegen,
dan kom je ook niet als een bezetene het huis binnenvliegen.
Nee, de nood was bij ome Bram zo hoog,
dat hij zonder te groeten naar achteren vloog.
Na een ogenblik hoorde men hem brommen:
"Bij me gesond, wat sal me nou overkommen ?"
De kleine Eli werd beurtelings rood en bleek,
de arme jongen raakte geheel van streek.
Maar wijselijk besloot hij maar te zwijgen,
uit angst dat hij van zijn pa op zijn falie zou krijgen.
Na een ogenblik van angstige spanning,
komt ome Bram, met een gezicht van 'zie je niks an me ?'
de kamer in. Zenuwachtig en aangedaan
spreekt hij de familie aan.
"Beste familie, kijk me eens an.
Want jullie ome Bram is een wonderman !
Nooit ken je raden wat me nou overkwam."
"Na", zei Konijn, "ken je eieren leggen ?"
"Veel erger", zei Bram, Ik zal het je zeggen.
Juist op het moment – je begrijpt wat ik bedoel –
kreeg ik opeens een eigenaardig gevoel.
Ik kon maar niet begrijpen wat het was,
maar toen ik opgestaan was, zag ik het pas.
Er steeg iets omhoog, verschrikt keek ik om,
en stond van verbazing een ogenblik stom.
Want wat had ik van mijzelf in de gaten ?
Ik had een wind met een velletje er omheen gelaten !"
Terug
naar overzicht
Het mannetje in de maan
(met dank aan Sonja Knubben voor het sturen van de tekst)
Er staat een
mannetje in de maan,
wat heeft hij dan voor kwaad gedaan?
't Was op een avond bitterkoud,
hij had geen kolen en geen hout.
Toen is hij naar het bos gegaan,
en heeft een bussel hout gestolen.
Had hij dat maar niet gedaan,
nu moet hij voor straf in het maantje staan.
Terug
naar overzicht
Het
mezennest
(met dank aan Wim Hanekamp voor het sturen van de tekst)
Hoor, eens pa
moet u eens luisteren,
Weet u nog dat
mezennest.
Achter in de tuin
bij buurman,
U zei laatst nog,
't ligt daar best.
Nou toen 'k er
vanmiddag langs kwam,
Zag ik opeens een
grote kat,
Die met
fonkelende ogen,
Bij de heg te
loeren zat.
Maar dat is niet
meegevallen,
Want de meesjes
kwamen niet.
Nee, er kwam
opeens een ander,
Die een kat zo
graag niet ziet.
Nou dat had u
moeten zien pa,
' t
Leek wel of de rakker vloog.
Zo snel klom hij
toen een boom in,
Langs de dikke
stam om hoog.
Vindt u het niet
lief van Bello,
Dat hij op de
meesjes past,
Als ik weer een
stukje koek heb,
Krijgt hij ook
wat, dat staat vast.
Terug
naar overzicht
Het oude jaar is heengegaan
(met dank aan Anny van Dooren voor
het sturen van de tekst)
Het oude jaar is
heengegaan,
met twee fluwelen
slofjes aan.
Het zuchtte
"nooit keer ik weerom,
dag allemaal,
mijn tijd is om."
En alle mensen
riepen luid:
"Het oude jaar is
lekker uit.
Kijk, daar staat
een aardig ventje klaar,
zeg eens ben jij
het Nieuwe jaar?"
"Ja", zei het met
een lach,
en "ik wens
jullie allemaal goeden dag,
en al ben ik nog
wat jong en klein,
ik hoop een heel
goed jaar te zijn."
"Ik breng u dit,
ik breng u dat;
ik breng iedereen van alles wat;
wat hoop, wat vreugde, wat verdriet,
wat zorgen en een vrolijk lied."
"Kom, lieve
mensen, ik begin;
stap dapper het nieuwe schuitje in.
Al ben ik nog een kleine puk,
ik wens u allen veel geluk !"
Terug
naar overzicht
Het prinsje
(met dank aan Mieke Cuppen voor
het sturen van de tekst)
Er was eens een
prinsje, zo vrolijk en klein,
Een prinsje dat
heel vroeg al koning moest zijn,
Ze zetten op het
hoofdje, blond lokkig en teer,
Een kroontje van
goud en vol pareltjes neer.
Men hing om zijn
schouders zo smal nog en klein,
Een mantel van
laken, en wit hermelijn
Men stak in zijn
handjes, zo mollig en zacht
Een stafje ten
teken van vorstelijke macht.
Toen plaatsten ze
het prinsje heel hoog op een troon,
Ze bogen en
knielden met zeer veel vertoon.
Maar het prinsje
riep spoedig, die kroon is zo zwaar
Ik wil hem niet
dragen, bewaar hem nog maar,
En verder die
mantel die mij ook nog niet past,
Hangt heren
ministers hem weg in de kast,
En het stafje
verveelt me, zet dat in de hoek,
En wil mij
verschonen reeds van uw bezoek.
Zo 't prinsje al
spelend vergat dra zijn troon
Zijn rijk en zijn
mantel, zijn staf en zijn kroon.
En het land zeer
genadig die liet hem zijn spel,
De heren
ministers regeerden heel wel.
Terug
naar overzicht
Het regent
(met dank aan Josée Reyners voor
het sturen van de tekst)
Het regent dat
het giet
Zie alle jongens
vluchten weg,
Ze worden nat
…….. Ik niet
Weet ge waarom ze
lopen gaan ?
En ik mag blijven
staan
Ik heb… ik heb…..
Maar ge ziet het niet !
Een regenscherm
en zij niet.
Terug
naar overzicht
Het regent
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Het regent, het
regent,
De wolken hebben verdriet.
Ze laten hun tranen vallen,
Een zakdoek hebben ze niet.
Terug
naar overzicht
Het regent dikke druppels
(met dank aan Loes van Zandvoort voor
het sturen van de tekst)
Het regent dikke
druppels,
Klein Toosje kan
niet uit.
Ze drukt haar
kleine neusje,
Plat tegen de
vensterruit.
Een diepe boze
rimpel,
Komt in haar
hoofdje klein.
Als ik maar
eenmaal groot ben,
Zo zegt ze tot
pop Lien.
Dan maak ik droge
regen,
Echt waar, dat
zul je zien.
Terug
naar overzicht
Het
roodborstje aan het venster
(Johan Jacob Antonie Goeverneur 1809 -
1898)
Het
roodborstje tikt aan het venster: tin ! tin !
En
zegt: "Ach, doe open en laat mij er in.
Doe
open, lief meisjen, 'k weet anders geen raad,
Zoo
sneeuwt en zoo waait het hier buiten op straat;
Ik
sterf van de koude, toe, laat mij er binnen,
' k
Zal zoet zijn en allerlei grapjes beginnen."
Het
meisje deed open en gaf, op haar schoot,
Aan
't roodborstje suiker en kruimeltjes brood;
Wat
was het vogeltje toen vrolijk !
Het
sprong en danste op haar' schouder,
Het
piepte en zong,
Het
vloog van de tafel de kamer in 't ronde,
En
dankte 't lief meisje, zoo goed het maar konde.
Maar
toen het daar buiten zoo koud niet meer was,
En
't zonnetje scheen, zat roodborstje voor 't glas,
Het
speelde niet langer, maar keek door de ruit,
En
piepte zoo droevig. Als wou het er uit.
Het
meisje deed open; wip ! Vloog het daarhenen,
En
was één, twee, drie in de boomen verdwenen.
Terug
naar overzicht
Het
slimme muisje
(G.W. Lovendaal 1847-1939)
(met dank aan Sietske Tempelman voor het
sturen van de tekst)
Een muisje zat
Voor een
muizengat,
En vlak bij het
gaatje, daar zat de kat.
Het muizeke likte
zijn baardje.
Het poesje kwik
te zijn staartje.
Het poesje zei:
“Kom eens
dichterbij !
Hoe zacht is dat
pootje van mij ! Als zij !
Zal ik jouw
fluwelige buisje
Eens aaien, mijn
snoeperig muisje ?"
Het muisje riep:
“Sliep uit, sliep
sliep !
Dan was het
gedaan met mijn piep- piep- piep !
Dag poeslief, je
bent er niet achter,
Mijn moederken
aait me veel zachter !
Terug
naar overzicht
Het
sneeuwklokje
(met dank aan Henk en Frieda voor het
sturen van de tekst)
Als ik zelf niet
had gekeken
bij de kale boom,
had het net een droom geleken
zoals je ze 's winters droomt.
Maar ze staan er.
Sprietjes staan
van een vinger lang,
zo maar uit de grond geschoten
voor geen wind of winter bang.
Sneeuw, in fijne
witte vlokjes
op elk sprietje groen:
klokjes die met klepels luiden
zoals echte klokken doen.
Soms kun je om
kleine dingen
zó verwonderd staan
dat je hardop wilt gaan zingen
en dat heb ik dus gedaan.
Terug
naar overzicht
Het
snuffelneusje
(met dank aan Thea Arlestein voor het
sturen van de tekst)
In de keuken ging
ze aan het snuffelen,
Alle potjes keek
ze na,
Maar daar op het
bovenste plankje
Stond een pot met
gember ja.
Gember, ooo, dat
was haar kostje,
Een heel klein
stukje maar,
Als ze erbij kon,
Gauw een stoel en
ze is al klaar.
Nu nog een stoof,
Gauw een stuk
eruit genomen.
Ja ze krijgt
voorwaar haar zin,
Hé zwarte gember
kan wel zijn,
In de winkel ziet
men immers
O ok
twee kleuren in de wijn.
Wip daar gaat het
in haar mondje,
Maar op het
zelfde ogenblik,
Springt ze van
haar hoge plaats af
En geeft een gil
van schrik.
Bah wat zou dat
nu wel zijn,
Het lijkt precies
op medicijn.
Deze kost is niet
om te eten,
Zou dat zwarte
gember zijn ?
Moeder had het af
staan luisteren
En vroeg
vriendelijk en heel zoet:
,,Wel mijn aardig
snuffelneusje,
Smaakt die
schoensmeer niet heel zoet ?"
Kwam ze later in
de keuken weer,
Dacht ze altijd
aan de gember,
Wat geen gember
was maarrrr smeer !
Terug
naar overzicht
Het spook
(met dank aan Jef Heyligen voor het
sturen van de tekst)
Eens keerde vader
laat naar huis
D aar
sprong voor hem met veel gedruis
E en
lelijk spook
't Had scherpe
horens lijk nen os
En 't wilde ermee
op vader los
Oei lelijk spook!
Maar vader greep
het bij de kop
En hief de boeman
vierkant op,
H ei
lelijk spook
H ij
smeet het beest in 't kolenkot
En sloeg en kapte 't heel kapot
Daar lelijk spook !
De stukken stookte moeder dan
En heette ermee de koekenpan
Ha lelijk spook !
We lachten met de bullebak
't Was maar een afgewaaide tak
Dag lelijk spook !
Terug
naar overzicht
Het
stoutekinderhuis
Op
de weg naar Hellemanssluis,
Staat
het stoutekinderhuis.
Allemaal
kinderen wonen daar,
Wel
honderd kinderen bij elkaar.
Allemaal
willen ze stoute dingen,
Heel
hard schreeuwen en heel hard zingen.
Schreeuwen
van, hoe, en schreeuwen van, hei,
Is
er dan geen meester bij?
Jazeker
!!
Meester
Joachim Bedewaard,
Heeft
een griezelige lange baard.
Stilte,
stilte, bengels, vlegels.
Anders
krijgen jullie 100 regels.
Maar
de kinderen roepen, bèh.
Oh
oh oh, wat schandelijk hè?
Zie
ze daar eens joelend gaan,
Joelend
over de oprijlaan.
Trekken
aldoor aan de baard,
Van
meester Joachim Bedewaard.
Klimmen
in bomen en hangen aan rekken,
Tieren
en gillen en schreeuwen als gekken.
Zeg
eens, hoor jij ook niet thuis,
In
dat stoute kinderenhuis?
Niks
hoor !!
Terug
naar overzicht
Het tortelke
(Gijsbert Willem Lovendaal (1847-1939),
uit: Lentedagen (1879))
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Tortelke treurt
in de linde,
Gaaikelief is er niet meer,
Ach, ze zit droevig te turen;
Gaaike beminde haar zeer.
Blij vloog het paar, in den morgen,
Hoog door de zonnige lucht
Over de groene landouwen,
Klapwiekte in dartele vlucht,
Speelde in het lommer der Lente,
Bouwde er een nestjen in Mei,
Was er zoo rijk, zoo gelukkig:
't Had er al spoedig een ei !
Daar kwam een jager getreden;
Hagel was op zijn geweer...
Paf! Ach! de vederen stoven;
Gaaikelief tuimelde neer.
't Bloed vloeide en gutste uit zijn borstje,
't Aâmde nog eens, voor 't lest,
Trok toen nog eens met de wiekjes,
't Oogje gericht naar het nest...
Tortelke treurt in de linde,
Zit er zoo roerend en stom
Nu op haar eitje te turen...
Jager, och jager, waarom?
Terug
naar overzicht
Het weer
is guur
(Bernard Zweers)
(met dank aan Jaap Klijnsma voor het
sturen van de tekst)
Het weer is guur,
de winter nadert,
Het zonnetje gaat
al vroeg ter rust;
Geen vogeltje
heeft in zingen lust,
Want alle bomen
zijn ontbladerd,
En 't laatste
bloempje in de hof,
Verwelkt' en boog
terneer in 't stof.
Terug
naar overzicht
Het
winkeltje
(met dank aan Jo Hogeboom voor het
sturen van de tekst)
Jetje, kom je
kopen ?
Juffrouw heb je
knopen
Elastiek en
veterband
N ee,
juffrouw, niet bij de hand.
Maar voor zeven
centen
Krijg je rijst
met krenten
Heb je een
stuivertje tekort ?
Zorg dan dat je
rijker wordt.
Juffrouw heb je
kralen ?
‘k Zal ze even
halen:
Boven in de
zolderkast
Staan ze netjes
opgetast
Hoor eens hier,
mijn hartje,
Wou je voor een
kwartje ?
Nee, voor
veertien cent, juffrouw,
Krullemietje haal
ze gauw.
Lieve, lieve
Lijsje
Zing nog eens dat
wijsje
Nee, juffrouw, ik
heb geen tijd
“k Wacht hier al
een eeuwigheid.
Heb je zeep
gewogen ?
Peper in je ogen?
Blazen, blazen
wat je kunt
Voor de schrik
een pepermunt.
Waar is Jan
gebleven ?
Staat ie gort te
zeven ?
Jan je moet een
boodschap doen,
Haal eens even
een citroen.
Zeg dan bij de
slager
Dat ie spek
brengt, mager,
Neem meteen wat
kranten, Jan,
Dat ik zakjes
plakken kan.
Wie stond daar te
kijven ?
Wil je netjes
blijven ?
’t Is een winkel
eerste klas,
Vechten komt
hier niet van pas.
Juffrouw, Pietje
krabt me,
Juffrouw, Karel
trapt me,
Zet ze gauw de
winkel uit,
Dit is het
besluit !
Terug
naar overzicht
Het
wonderhuisje
In
Den Haag daar staat een huisje
En dat is een wonderhuisje.
In dat huisje is een kamer
En dat is een wonderkamer.
In die kamer is een kastje
En dat is een wonderkastje.
In dat kastje is een plankje
En dat is een wonderplankje.
Op dat plankje staat een flesje
En dat is een wonderflesje.
In dat flesje is een drankje
En dat is een wonderdrankje.
Van dat drankje - luister goed -
Worden stoute kind'ren zoet.
Dus moet Hansje met zijn moe
Mee naar het wonderhuisje toe.
Terug
naar overzicht
Het
wevertje zat naast zijn vrouw
(S. Abramsz)
Het
wevertje zat naast zijn vrouw.
Hij
wist niet, wat hij weven zou.
Hij
weefde een ditje, hij weefde een datje,
Hij
weefde een kussentje voor zijn katje.
Terug
naar overzicht
Hete pootjes
(Guido Gezelle 1830 - 1899)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Een schalkaard
had een bie gevaân
en hield ze bij
haar vleren;
"Komt hier !" hij
zag een jonkske staan,
"kom hier mijn
knappe kerel!
Hier heb ik zulk
een schoon fatsoen
van beestje, ik
wil 't u geven;
P ast
op maar van 't niet dood te doen,
en laat het
beestje leven.
"Kom aan, je
hand, doet toe,'t vliegt weg
Doet toe, want 't
gaat ontsnappen !"
't Kind hield
zijn handje toe,
"nie waar, hoe
schoon dat is, hoe lieflijk !"
Ha ! 't kindje wier te laat gewaar
hoe schoon en hoe
bedrieglijk.
Het liet het
beestje los, en 't loeg
de traantjes uit
zijn oogskes,
E n
zei " 't Beestje is schoon genoeg,
maar 't heeft
zulke hete pootjes."
Terug
naar overzicht
Hinkeldepink
(met dank aan Piets Bakker voor het
sturen van de tekst)
Hinkeldepink daar
kom ik aan,
'k kan mijn eigen
weg al gaan.
Gooi ik nu mijn
hinkelsteentje,
spring weer op
mijn rechterbeentje;
Hinkeldepink daar
kom ik aan.
Hinkeldepink nu
ben ik af,
krijg voor een
enkel streepje straf.
Gooi niet meer
mijn hinkelsteentje
spring niet op
mijn rechterbeentje;
Hinkeldepink nu
ben ik af.
Terug
naar overzicht
Hinkeldepinkel
Hinkel
de Pinkel daar komen wij aan.
Wij hebben geen kousjes of schoentjes meer aan.
Met de handjes op de rug.
Hinkel de Pinkel en dan weer terug.
Terug
naar overzicht
Hinkelepink en Pimpeledonk
(met dank aan Klaas van de Berg voor het
sturen van de tekst)
Hinkelepink en
Pimpeledonk
Die sprongen eens
over een slootje.
Hinkelepink kreeg
een scheur in zijn broek
En Pimpeledonk
brak zijn pootje.
Toen kwam er een
man
Met een naald en
een draad,
Een potje met
lijm en een schaartje.
Die naaide de
scheur en lijmde het been,
Van dat aardige
springende paartje.
Terug
naar overzicht
Hollebolle
Gijs
Heb
je niet gehoord van dien hollebollewagen,
Waar
die hollebolle Gijs op zat?
Hij
kon schrokken
Groote
brokken:
Een
koe en een kalf,
Een
heel paard en een half,
Een
os en een stier
En
zeven tonnen bier,
En
een schuit met schapen.
En
nog kon Gijs van den honger niet slapen.
Terug
naar overzicht
Hompeltje
en Pompeltje
Hompeltje
en Pompeltje, die klommen op een berg.
Hompeltje was een kaboutertje en Pompeltje een dwerg.
Ze klommen tot hoog in het topje
En schudden, schudden met hun kopje.
Toen zijn ze in de berg gekropen,
En niemand heeft ze meer horen lopen.
Ze sliepen zachtjes op een oor,
Ssttt, ik geloof dat ik ze hoor.
Terug
naar overzicht
Hoor eens
even
(met dank aan Pieter Masereeuw voor het
sturen van de tekst)
Hoor eens even,
afgebleven, vreemde snoeshaan die je bent!
Zeg hoe heet je, gauw een beetje, 'k loop subiet naar een agent.
En die zet je, ook een pretje, in een pik-, pikdonker hol.
Wat een leven, denk eens even, domoor, enkel om zo'n tol.
Terug
naar overzicht
Hop hop paardje op een draf
(met dank aan H. Metz-Onstein voor het
sturen van de tekst)
Hop hop paardje
op een draf
Morgen is het
Zondag
En dan komen de
heren
M et
hun lange kleren
En dan komt de
akkerman
M et
ons kindje achteran.
Terug
naar overzicht
Houd de
roeperd en de poeperd open
(met dank aan Tessa voor het
sturen van de tekst)
Houd de roeperd
en de poeperd open,
dan kan de dokter
naar de bliksem lopen.
Terug
naar overzicht
Hu,
hu, hu, zo riep de wind
Hu,
hu, hu zo riep de wind.
En hij bromde,
En hij gromde,
Tegen ieder kind.
Hu,hu, hu ga gauw naar huis.
Ik wil blazen,
Ik wil razen,
Moeder wacht je thuis.
Hu,hu,hu maak toch wat voort.
Ik wil tieren,
Ik wil gieren.
Heb je 't niet gehoord?
Maar de kind'ren lachten wat.
Wil je blazen,
Wil je razen ?
Wel, wat hindert dat.
Nee, we zijn voor jou niet bang,
Want je tieren
En je gieren
Kennen wij al lang.
Terug
naar overzicht
Hu,
hu, paardje
(S. Abramsz)
Hu,
hu, paardje,
Met
je vossestaartje,
Met
je ruige pootje,
Spring
ereis over een slootje,
Van
het slootje in het riet,
Dat
doet kindje's paardje niet.
Terug
naar overzicht
Huiswerk
(G.W. Lovendaal)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Die nare sommen,
wat verdriet !
Ik kán ze niet en
'k máák ze niet !
Ze denken maar,
dat je alles weet
En nooit een
snars vergeet.
Je hebt
tienduizend kapitaal ....
Dat lees ik nu al
twintigmaal -
Tienduizend
gulden, ik ? ... Dat 's lak,
Ik heb geen duit
op zak.
Laat A. maar
zoeken naar procent,
Scheelt jou het,
als je platzak bent ?
't Zijn
goocheltoeren met een breuk.
Nooit vin-j'reis:
die is leuk.
Die nare sommen,
wat verdriet !
Ik kán ze niet en
'k máák ze niet !..
En buiten schijnt
de zon zo blij -
Is dat geen
plagerij ?
Terug
naar overzicht
Hummeltje-Tummeltje
(S. Abramsz)
(met dank aan Jo Hogeboom voor het
sturen van de tekst)
Hunmmeltje-Tummeltje sprong op de wagen
Hummeltje-Tummeltje kom op de trê
Hummeltje-Tummeltje zou je niet vragen
Voerman, ach
neem mij een reizeken mee?
Hummeltje-Tummeltje opgepast;
Hou je met bei
je handjes vast.
Hummeltje-Tummeltje reed langs de hagen
Hummeltje-Tummeltje reed langs de zee
Hummeltje-Tummeltje viel van de wagen
Sloeg op een
keisteen en brak in twee;
Ik denk niet
dat er een timmerman
Hummeltje-Tummeltje
maken kan.
Terug
naar overzicht
Ie auw eeuw
(met dank aan Riet Rademakers voor het
sturen van de tekst)
Ie auw eeuw,
Ons poes liep
door de sneeuw.
En toen ze weer
naar huis toe kwam,
Toen had ze
witte sokjes an.
Ie auw eeuw ons
poes liep door de sneeuw.
Terug
naar overzicht
Iene
miene mutte
Iene
miene mutte
Tien
pond grutten
Ten
pond kaas
Iene
miene mutte blijft de baas
Terug
naar overzicht
Iets
vergeten
(met dank aan Cor Heuvelmans voor het
sturen van de tekst)
Kom eens hier,
sprak grootma blij
Tot ons kleine
Jetje,
Zie eens, wat jij
gekregen hebt
Wat ligt daar in
dat bedje ?
En Jet ze kraaide
van plezier,
Want wat had zij
gekregen,
Een broertje, het
lijkend wel een pop,
Was in de wieg
gelegen.
Wacht, ik heb een
koekje nog bewaard,
Dat zal ik aan
hem geven.
Ach, grootmoe het
ligt daar in de kast,
Wil ik het
krijgen even.
Wel zeker Jet,
maar broertje,
Kan dat nog niet
bijten.
Hij heeft nog
niet, als jij en ik,
Al tandjes in
zijn mondje.
Hoe kan dat, zij
keek eens goed
Haar grootmoe
aan,
Of deze soms haar
fopte,
Maar nee, toen
zij haar kleine hand
In broertjes
mondje stopte,
Toen riep ze uit:
o ja,
Het is waar, zijn
mondje is leeg van binnen.
Ik voel alleen
een beetje vlees
Wat moeten wij
beginnen.
En even blijft ze
staan
Om op een
antwoord te blijven wachten,
En zie …daar
schiet een goed idee
Haar eensklaps in
gedachten.
En met de oogjes
op elkaar,
De handjes saam
gevouwen,
En met het
kinderlijke stemmetje, zegt ze:
U wordt bedankt o
Lieve Heer,
Voor het broertje
mij geschonken,
Ik heb het
zojuist mogen zien,
En o zo lief
gevonden.
Maar weet u wat
zo jammer is,
U hebt nog iets
vergeten,
De tandjes in
broertjes mondje doen,
Nu kan hij heel
niet eten.
Ach toe laat
straks een engeltje,
De tandjes
brengen even,
Dan zullen wij
die,
Ik beloof het u,
heel voorzichtig samen,
De tandjes in
broertjes mondje doen,
Dag Lieve
Heertje ... amen.
Terug
naar overzicht
Ik en
mijn nichtje, zwart gezichtje
(met dank aan Els Toet voor het
sturen van de tekst)
Ik en m'n
nichtje, zwart gezichtje,
zeg heb jij een
hemd voor mij ?
Nee zei m'n
nichtje, zwart gezichtje,
ik heb er zelf
maar vijf.
twee in de was,
twee in de kast,
één aan m'n lijf,
dat zijn er samen vijf !
Terug
naar overzicht
Ik
ga slapen ik ben moe
(kindergebedje)
Ik
ga slapen ik ben moe
sluit mijn beide oogjes toe
Here, houdt ook deze nacht
Over mij getrouw de wacht
't Boze dat ik heb gedaan
Zie dat Here toch niet aan
Schoon mijn zonde velen zijn
Maak om Jezus wil mij rein
Zorg voor de arme kind'ren Heer
En herstel de zieken weer
Ja voor alle kind'ren saam
Bid ik U in Jezus naam
Sta mijn ouders trouw ter zij
Wees mijn vrienden ook nabij
Geef ons allen nieuwe kracht
Door de rust van deze nacht
Doe mij dankbaar en gezond
Opstaan in de morgenstond
Als ik mijn oogjes open doe
Lacht Uw zon mij vriend'lijk toe.
Terug
naar overzicht
Ik
heb een potje gekocht
(S. Abramsz)
Ik
heb een potje gekocht.
Wat
voor een potje ?
Een
groen potje.
Wat
was er in dat potje?
Pap,
pap, slabberdepap.
Van
den ketel in den lepel,
Van
den lepel in den nap,
Slabber
op je pap.
Terug
naar overzicht
Ik
heb er nu een broertje bij
Ik
heb er nu een broertje bij,
Oom alles mee te delen.
Een lief klein kindje,dat ben jij,
En strakjes gaan wij spelen.
Terug
naar overzicht
Ik
heb ook zoveel tenen
(met dank aan Wim Hanekamp voor het
sturen van de tekst)
Een jongen die
zich zelve kleedt,
Is waard dat hij
een kerel heet.
Maar als moe bij
alles helpen moet,
Zelfs kousjes aan
zijn voetjes doet,
Dan is hij maar
een ukkie,
Zo’n heel klein
ziele pukkie.
Zo sprak mama,
haar Willem aan,
Aankleden had hij
nog nooit gedaan.
Maar nu, bij
zulks een ernstig woord,
Was hij in een
keer aangespoord.
Hij wou het eens
proberen,
Zou hij ’t niet
kunnen leren ?
Hij spant zich in
maar ’t gaat verkeerd,
Gaat door tot dat
hij transpireert.
Hij schaamt zich
vreselijk voor zijn Moe,
En huilt van zorg
en arbeid moe.
Door tranen
stromen henen,
Ik heb ook zoveel
tenen.
Terug
naar overzicht
Ik wou dat ik even de wind was
(P. van Moerlande)
(met dank aan Lieven Embrechts voor het
sturen van de tekst)
Ik wou dat ik
even de wind eens was,
Dan liep ik al
dansend over het water
En tuimelde gek
over koren en gras
En lachte van
pret met luid geschater.
Dan plaagde ik
graag eens de molenaar :
Ik deed de wieken
draaien;
De balken kraken;
de mulder beeft
En meent : hij
zal nog omverrewaaien.
Ik greep eens
stevig de bomen vast
Om appels en
peren te grabbel te gooien,
En ik schudde te
vroeg het lover af
Om straatjes en
paadjes er mee te bestrooien.
Dan plaste en
woelde ik wild in de zee :
De schepen wippen
lijk noteschalen,
En de visman
pruttelt : " Die donderse wind !
We krijgen geen
vis en geen garnalen ! "
Dan beukte en
bonsde ik -- bom ! -- op de deur
Waar lastige
kleuters liggen te krijten.
Dan rukte ik
pannen heel hoog uit het dak
Om ze -- plof !
-- op de straat kapot te smijten.
Dan blies ik
lampjes en kaarsjes uit,
En kletste met
hagel tegen de ruiten,
Dan woei ik heren
hun hoofddeksel af
En dames hun
regenscherm 't binnenste buiten.
Ik liet het
linnen klapperdeklap
Aan de waskoord
wappren in bont gewemel;
Dan brak het touw
en ik joeg de was
Lijk joelende
vogels hoog in de hemel.
Dan opende ik
plots een raam in de klas
En buitelde er
binnen holderdebolder;
Ik stiet er
bloempot en inktfles omver
En flapte de
landkaart tegen de zolder.
En maakt ik het
soms wat al te grof,
Dan zou er wel
één mijn zotheid remmen :
Die stilde de
storm en het wilde meer,
Die zou, met Zijn
stemme, ook mij wel temmen.
Terug
naar overzicht
Ik
wou zo graag naar school toe
Ik
wou zo graag naar school toe,
Maar mijn moeder zei altijd:
"Nee kind je moet nog wachten,
Totdat
je groter zijt."
Nu ben ik groot geworden,
Zie
mij maar eens goed aan.
Vanmorgen ben ik heel stilletjes,
Heel
zoet naar school gegaan.
En als ik strakjes thuis kom,
Weet
ik wel wat ik doe.
'k Ga van de school vertellen,
Aan
vader en aan moe.
Terug
naar overzicht
Ikke pikke porretje
(met dank
aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Ikke pikke
porretje
De meester
heeft een snorretje,
De meester
heeft een sik,
Af ben ik.
Terug
naar overzicht
In
Bemmelekom
In
Bemmelekom, in Bemmelekom,
Daar viel vandaag de toren om,
Om vijf voor half negen.
De koster is aan het hollen gegaan
En als de koster dat niet had gedaan,
Dan had hij warempel de torenhaan
Nog op zijn kop gekregen.
Hoe is het gegaan? Hoe is het gegaan?
Er was toch geen storm en er was geen orkaan,
Alleen maar een buitje regen.
Wat zeg je? Vanzelf? Och kom, och kom,
Zo’n toren valt toch vanzelf niet om
En zeker niet die van Bemmelekom
Om vijf voor half negen.
Maar zie je dat jongetje staan?
Die heeft het gedaan! Die heeft het gedaan!
Die jongen z’n naam is Gerritje.
Hij schoot met z’n kattepult, rommelebom,
Pardoes ineens de toren om,
Die hele toren van Bemmelekom.
Hij deed dat het met een erretje.
Wat ’n ongeluk! Wat ’n ongeluk!
Daar is me die hele toren stuk,
Van onderen en van boven !
Maar Gerritje zegt: "Het was heus niet mijn schuld,
Het ging zo vanzelf met die kattepult."
En: of je hem niet verklappen zult….
Dat moeten we hem beloven.
Ssst… mondje toe!
Terug
naar overzicht
In de
kakschool
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Zuster, zuster
mag ik even...
Even
naar de koer
toe gaan?
Jongen, jongen,
jij moet nu
matjes weven
Had 't onder
speeltijd maar gedaan...
Zuster toen
wilde het niet lukken
Maar nu voel ik
't heel erg
drukken.
Er stonden
tranen in mijn ogen
De zuster had
geen
medelijden.
Ik zat te
pitsen en te nijpen
Ze kon mijn
leed
maar niet
begrijpen.
Ik moest in de
hoek gaan staan
en heb 't maar
in mijn broek
gedaan.
Terug
naar overzicht
In
de keuken zit Miebetje
(met
dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)
In
de keuken zit Miebetje
Op
een houten kruk.
En
ze maalt de koffiebonen,
Ja,
ze heeft het druk;
Strakjes
moet ze stof afnemen,
Bedden
schudden, glazen zemen,
Kleedjes
kloppen, kousen stoppen,
En
een kilo erwten doppen !
Terug
naar overzicht
In
de winkel van Sinkel
Versie 1
In
de winkel van Sinkel,
Is alles te koop.
Potten en pannen,
Mosterd en stroop,
Hoeden en petten,
Ook damescorsetten,
Drop om te snoepen,
En pillen om te poepen.
Versie 2
(met dank aan Margo Boer voor het
sturen van de tekst)
In de Winkel
van Sinkel
Is alles te
koop.
Daar kan men
krijgen:
Mandjes met
vijgen,
Doosjes
pommade,
Flesjes orgeade,
Hoeden en
petten
En
damescorsetten,
Drop om te
snoepen,
En pilletjes om
te poepen.
Terug
naar overzicht
In
Engeland
In
Engeland, in Engeland,
Daar
vliegen duizend meeuwen.
Daar
is een schip met meisjes vergaan.
Wat
zullen de jongens schreeuwen.
Terug
naar overzicht
In
het land van de Orrekiedorren
(Susan
van der Ploeg)
In
het land van de Orrekiedorren
Daar
zijn ze allemaal gek.
Daar
hebben ze grote snorren
Met
vlaggetjes in hun nek.
Daar
hebben ze koperen tenen
Met
veren op hun hoofd.
Daar
eten ze kiezelstenen
Met
boter en suiker gestoofd.
Als
je iemand ziet flaneren
Met
een grote groene snor
En
een hoofd vol wuivende veren
Dan
is het een Orrekiedor.
Terug
naar overzicht
In
ied're kleine appel
In
ied're kleine appel,
Daar
lijkt 't wel een huis.
Want daarin zijn vijf kamertjes,
Precies
als bij ons thuis.
In ieder hokje wonen,
Twee
pitjes zwart en klein.
Die liggen daar te dromen
Van
licht en zonneschijn.
Terug
naar overzicht
In
Impetimpelagnelaan
In
Impetimpelangelaan,
Komt
elke week een bootje aan.
Wat
brengt dat bootje mee ?
Een
kistje koffie, een kistje thee,
Een
grote gieter, een jas voor neef Pieter,
Een
mandje vol fruit, een trommel beschuit
En
zeven Vlaamse reuzen,
Met
spikkeltjes op hun neuzen.
Terug
naar overzicht
In Mei
(J.P. Heye)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
In Mei,
Dan leggen alle
vogeltjes
Een ei !
En waar ze zitten
broeien,
Daar zullen wij
niet stoeien.
In Mei,
Dan kruipt een
heel klein vogeltje
Uit 't ei.
Wie zou het
willen deren,
Het heeft niet
eens nog veren.
In Mei,
Dan leggen alle
vogeltjes
Een ei !
En wie die
beestjes hind'ren
Dat zijn wel boze
kind'ren.
Terug
naar overzicht
In
onze buurt daar woont een vrouw
In
onze buurt daar woont een vrouw,
Een oude vrouw met ere.
Ze hinkte zwaar ze deed soms raar
En droeg ook gekke kleren.
Maar goed dat was ze door en door,
Want al dat narren en plagen,
Dat ik haar deed
Was haar tot leed
En kon zij niet verdragen
Eens liep ons oudje langs de straat
En toen we haar nu zagen,
Begon alweer en telkens meer,
Het sarren ons schelden en plagen.
Ze stak haar vuist nu op en riep:
"O, bengels wil je zwijgen !"
Maar elke guit riep lachend uit:
"Je kunt ons toch niet krijgen !"
"Zo is 't" sprak de diender nu,
Die ons was nagelopen.
"Vrouw ga maar door.
Geen deugniet hoor
Zal mij niet meer ontlopen."
We zetten 't op een lopen, maar
Ik keek niet voor mij henen.
Ik liep maar door en kwam nu voor
Een hoopje klinkerstenen.
Plof, daar lag ik al kermend neer,
De diender kwam nu nader.
Hij greep mij aan, maar zonder slaan,
Bracht
hij mij thuis bij vader.
Daar lig ik nu al weken ziek,
Geen mens komt mij bezoeken.
Alleen 't vrouwtje van de hoek,
Komt steeds met lekkere koeken.
Terug
naar overzicht
In Scheveningen woont een
paard
(met
dank aan Theo Staes voor het sturen van de tekst)
In Scheveningen
woont een paard,
Dat noest
sigarenbandjes spaart.
Het wist er reeds in enkele jaren
Meer dan
duizend te vergaren.
De dubbele, een negenhonderd,
Hiervan
natuurlijk uitgezonderd.
Met welk fameus getal dat spreekt
Het iedere koe
de loef afsteekt.
Daarom zien koeien steeds zo droef,
Immers wat doet men zonder loef.
Terug
naar overzicht
In Siddeburen was een bok
(met
dank aan Loes van der Gouw voor het sturen van de tekst)
In Siddeburen
was een bok,
Die machtsverhief en wortel trok.
Die bok heeft onlangs onverschrokken
Een wortel uit zichzelf getrokken,
Waarna hij zonder ongerief
Zich weer in het kwadraat verhief.
Maar "t feit waardoor hij voort zal leven is,
Dat hij achteraf nog even
De massa die hem huldigde,
Met vijf vermenigvuldigde.
Terug
naar overzicht
In
vaders grote zetel
(uit:Leven,
Lieven, Zingen. G. TH. Antheunis)
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)
De
knaap is nauwlijks drie jaar oud,
Maar
struis en rap; hij klimt reeds stout
In
vaders grote zetel.
Neemt
plaats zo diep als hij maar kan,
En
spreidt zijn armen open dan
In
vaders grote zetel.
En
heft het hoofd en blikt zo fier,
En
roept en zingt: "Nu zit ik hier
In
vaders grote zetel."
Het
zusterken, dat pas kan gaan,
Komt
wagg'lend vol bewond'ring staan
Voor
vaders grote zetel.
"Ik
ook!" zegt zij, "ik ook daarop,
Ik
ook met zoete Mieke-pop,
In
vaders grote zetel."
"Wacht!"
zegt hij, "zusje, ik kom terstond."
En
wip ! hij glijdt weer op de grond
Uit
vaders grote zetel.
"Wat
is mijn zusje toch nog kleen!"
Zo
denkt hij, "zij kan niet alleen
In
vaders grote zetel."
Zij
kruist haar armkens rond zijn hals,
Hij
heft - en kust haar dan eens mals, -
In
vaders grote zetel.
En
klimt er aanstonds weder bij
En
vlijt zich juichend aan haar zij
In
vaders grote zetel.
En
Mieke-pop wordt zachtjes dan
Geplaatst
daar tussen vrouw en man,
In
vaders grote zetel.
En
't duurt niet lang, of arm in arm
Slaapt
't kleine drietal, blozend warm,
In
vaders grote zetel.
Terug
naar overzicht
Inkie Tinkie Teddybeer
(met dank aan Hillie Kalter voor het
sturen van de tekst)
Inkie Tinkie
Teddybeer
Die houdt van
lekker eten.
Eerst nam hij
een ossenlap,
Toen twee
borden vol met pap,
Toen een appel,
Toen een peer,
Toen lustte
Inkie Tinkie Teddybeer niets meer.
Oh, wat heb ik
lekker gegeten.
Terug
naar overzicht
Intellect
(Clinge
Doorenbos)
’t
Nieuwe zusje lag in ’t wiegje,
Nog een beetje schuw voor ’t licht,
Jantje stond er naar te kijken,
Met een blij verrukt gezicht.
Vader, die wel eens wou weten,
Wat of Jantje zeggen zou,
Zei, dat er een man geweest was,
Die het zusje koopen wou.
Honderd gulden wou hij geven!
Zeg nu maar, wat wil je Jan?
’t Kleine zusje zelf maar houden,
Of verkoopen aan dien man ?
Jan bekeek het kleine meisje,
Dacht nog een seconde na,
En zei toen, heel vast besloten:
"Laten wij het houden, Pa !"
"Hou j’ al zooveel van je zusje,
Al is het nog maar zo klein,
Dat je het voor honderd gulden
Zelfs al niet meer kwijt wilt zijn ?"
"Och", zei Jan, "ze is zoo klein nog !
Over ’n paar jaar biedt die heer,
Als ze zwaarder is en dikker,
Honderd vijftig ---- of nog meer.
Terug
naar overzicht
't Is in dit huisje geheel
verdraaid
(met dank aan Marian Brouwer voor het
sturen van de tekst)
't Is in dit
huis geheel verdraaid
Waar 't haantje
zwijgt en het hennetje kraait.
Terug
naar overzicht