SeniorPlaza

Start
Nieuwtjes
Nieuwsbrief
Lente
Pinksteren
Gezondheid
Column
Componisten
Jazz
1930-1945
Jaren 45-50
De jaren 50
Jaren 60 en 70
Nostalgie
Oude foto's
Op zoek naar
Liedjes
Liedjes Zoek
Opzegversjes
Oude Gedichten
Voordrachten
Poezieversjes
Cadeautips
Vakantie
Wereldwonder
Financiën
Verhalen
Gedichten
Prikbord
Boeken
Er op uit
Uitgaan
Creatief
Spelletjes
Sport
Links

Opzegversjes

Haantje op de toren

Moet je horen op de toren,
Op de toren staat een haan
Staat een haan met gouden veren,
Dag en nacht te koketteren.

En de dorpse kippenschaar,
Wel zo 'n duizend bij elkaar,
Keek vol eerbied naar de top,
Van de hanentoren op.

"Kukeleku", zei een patrijsje,
Een lieftallig parenrijsje,
En een Barnevelder zei:
"Wat een stoere slag zijn wij."

Maar die haan staat bovenaan,
Zo heel hoog en zo heel vrij,
Aan hem behoort de heerschappij.

Alles is niet wat het lijkt,
Schijn bedriegt de werkelijkheid.
Zodat je 't verschil haast niet meer ziet,
Tussen wat echt is en wat niet.

Jan de wind die hoorde dit,
Jan die stijf vol grappen zit.
En hij sprak tot storm en Hein:
"Hoor is het zou zo aardig zijn,

Blaas jij die gouden haan,
Tegen het kerkpleintje aan."
"Dat is goed:, zei Hein
En Hein woei de wereld in

Alles is niet wat het lijkt,
Schijn bedriegt de werkelijkheid.
Zodat je 't verschil haast niet meer ziet,
Tussen wat echt is en wat niet.

 

Terug naar overzicht

Haantje op de toren (2)

(met dank aan Ben Kok voor het sturen van de tekst)

De haan, die wilde op de toren staan
Hij sprak, ik vlieg er aanstonds heen
De kippen kakelden er doorheen
Oh beste haantje, doe het niet
Maar het haantje luisterde tòch niet

Daar vloog het kleine haantje heen
De kippen schreeuwden er doorheen
Hij komt er niet, hij komt er niet
Maar het haantje kwam er wel

En zie, daar stond hij trots al op de toren
Beneden kon men zijn kraaien horen
Toen brak een stormwind los
Het haantje viel, hals over kop
Vanaf de toren naar benee

Daar lag het haantje, bijna dood
Het geschrei en het verdriet was groot
Nog even bleef het haantje leven
Om de kippetjes raad te geven

Toen stierf het haantje, wat een straf
De kippetjes droegen hem naar het graf
Op zijn graf heeft men geschreven
Wees maar nooit trots zoals ik was
Want zo komt straf altijd te pas

Bovenstaand kinderversje werd rond 1950 aangeleerd op de bewaarschool
bij de zusters van het Heilig Sacrament te Brakkenstein (Nijmegen).

 

Terug naar overzicht

Had je taartjes en pasteitjes

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Had je taartjes en pasteitjes,

Had je 's werelds lekkernijtjes

Och, wat hielp dat toch mijn schat,

Als je toch geen honger had.

 

Terug naar overzicht

Handje plak

(S. Abramsz)

Handje plak,

 Ga naar de markt,

 Koop een koe,

Een stukje lever toe.

 Een stukje van de longen, 

Voor een zieken jongen.

Een stukje van de pens,

Voor een ziek mensch.

Een stukje van de lever,

Voor den zieken wever.

 

Terug naar overzicht

Hans de gans

(met dank aan Cécile van Dongen voor het sturen van de tekst)

Hans de Gans,

Jongens, ik ben heel wat mans.

Ik kan lopen op het gras,

Ik kan zwemmen in de plas.

Zelfs kan ik een nestje bouwen,

Maar ik kan niet mijn snaveltje houwen.

 

Terug naar overzicht

Hans worstje

(met dank aan Mariek vd Feijst voor het sturen van de tekst)

Kom Hans worstje, kom mijn popje,

Draai eens even met je kopje.

Kleine Lies zal voor je zingen,

Zie dat kleine ding eens springen.

Au.......je doet mijn neusje pijn,

Mag jij zo ondeugend zijn ?

 

Terug naar overzicht

Hansje gaat

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Hansje gaat 's avonds laat,

Nog geheel alleen op straat.

Stok en hoed staan hem goed,

Hij is welgemoed.

 

Bij de ingang van het bos,

Vleit hij zich op 't zachte mos,

Hansje gaapt, Hansje slaapt

En snurkt als een os.

 

In de nacht, Hansje dacht,

Gunst nog toe wat lig ik hier zacht.

Hij kijkt rond maar hij vond,

Niets als donkere grond.

 

Angstig roept hij: "Lieve moe

Kom toch gauw naar Hansje toe !"

Hansje gaat 's avonds laat

Nooit meer alleen op straat.

 

Terug naar overzicht

Hansje kleen

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Hansje kleen, gaat alleen in de wijde wereld heen,

Stok en hoed staan hem goed, hij is welgemoed.

Maar zijn moeder trouw en teer

Zegt: ,,nu heb ik geen hansje meer,

Hansje kind, welbemind, keer tot mij gezwind."

 

Zeven jaar vloden daar heen voor onze wandelaar,

Nu bezint zich 't kind, en keert weer gezwind.

Maar hij is geen Hansje meer

Hij is nu een grote heer,

Vol van zwier, groot en fier, en wel sterk voor vier.

 

Menig man die kijkt hem an, en vraagt wie dat wezen kan,

Zuster Griet die hem ziet, kent dat heerschap niet.

Maar daar komt zijn moeder aan,

En vol vreugd ziet zij hem staan,

't Hart dat mint, is niet blind, welkom, welkom kind.

 

Terug naar overzicht

Hansje Knipperdolletje

Hansje Knipperdolletje,
Die zat laatst aan de dijk.
Hij krabde daar zijn bolletje,
Zijn mutsje viel in 't slijk.
Hansje wil jij je mutsje verkopen?
Nee zus, malle zus,
Wie verkoopt er nou zijn muts !!

 

Terug naar overzicht

Hansje Pek zat op een hek

Hansje Pek zat op het hek;

Toen kwam zijn grootje,

Die gaf hem een broodje.

Toen kwam zijn zusje,

Die gaf hem een kusje.

Toen kwam een kindje,

Die gaf hem een lintje.

En toen kwam op 't lest de pastoor,

Die gaf hem een ferme klap op zijn oor.

 

Terug naar overzicht

Hansje sokken

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hansje sokken

Trek hem aan zijn rokken

Trek hem aan zijn staart,

Hansje is geen oortje waard.

 

Terug naar overzicht

Hazenkind Tom

(met dank aan Rijkje van Gestel voor het sturen van de tekst)

Hazenkind Tom was ondeugend geweest,

Had eerst tante's kopje gebroken.

Daarna toen zij hem een standje gaf,

Verbeeld je zijn tong uitgestoken.

Natuurlijk was tante verschrikkelijk boos

En gaf hem een klap voor zijn broekje,

En zette het ondeugende hazenkind

Voor straf een poos in een hoekje.

Daar stond hij hij nu, hij huilde tranen met tuiten,

Hij veegde zijn neus met zijn oren af,

Omdat hij niets had om te snuiten.

 

Terug naar overzicht

Heer ooievaar

(met dank aan Annette Pluijmen-Verweijen voor het sturen van de tekst)

Heer Ooievaar,

Wat doe jij daar???

Met je lange dunne poten??

Stap jij zomaar door de sloten??

Zeg mij eens,

Heer Flapperflap.

Doe jij dat zo voor de grap??

 

Nee klein, lief kind

Ik moet steeds in alle hoeken

Kikkertjes en visjes zoeken,

En geloof mij beste vrind 

Dat ik die héél lekker vind.

 

Terug naar overzicht

Heilige Petrus

(met dank aan Dora van der Laar voor het sturen van de tekst)

Heilige Petrus

Paulus van Rome

Laat mijn kindjes vannacht niet eng dromen

Haal de duivel van de deur

En zet de engelbewaarder er veur

In de naam van de vader, de zoon

En de heilige geest amen.

 

Terug naar overzicht

Heintje wil op reis

(met dank aan Mieke Meeuws voor het sturen van de tekst)

Een dikke grijze olifant, hij heette geloof ik Heintje,
die wilde graag uit reizen gaan, en ging dus naar het treintje.
Toen Heintje bij ‘t station aankwam, toen kocht hij eerst een kaartje,
bij Constantijn de conducteur, een aapje met een baardje.
En daar komt Heintje bij de trein, hij koopt vlug bij een kraampje
wat chocola, en in de trein kiest hij een plaatsje bij het raampje.
Net als hij zit komt Constantijn om op zijn fluit te fluiten.
De trein begint te rijden nu, en Hein kijkt blij naar buiten.
Maar wat is dat nu bij die bocht? De vloer begint te scheuren!
Het dak zakt in, de bank valt om, wat gaat er nu gebeuren?
De trein staat stil en krak, krak, krak, Hein zakt met beide benen,
door de trein heen, op de rails en op de harde stenen.
Het dak ligt op Heins dikke rug en het scheelde maar een haartje,
of hij verloor tussen de deur, zijn mooie grijze staartje.
En daar is Constantijn, zijn mond staat van verbazing open,
“Jij bent te zwaar, jij dikke Hein, jij moet maar liever lopen,
want jij bent in mijn mooie trein, die pas van vorig jaar is,
nu wel een grote passagier, maar een die veel te zwaar is!”
Zo loopt hij daar, die dikke Hein, en aan zijn beide wangen,
zijn na dit onverwacht verdriet, twee tranen blijven hangen.

 

Terug naar overzicht

Hengelaar

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hengelaar, wat doe je daar ?

Visjes vangen ?

Oh, wat naar !

'k Wou toch dat je liever was

En laat die visjes in de plas !

 

Terug naar overzicht

Herder, laat je schaapjes gaan (S. Abramsz)

Herder, laat je schaapjes gaan.

Ik durf niet.

Waarom niet ?

Om den boozen wolf niet.

De booze wolf is gevangen

Tusschen twee ijzeren tangen,

Tusschen zon en maan.

Herder, laat je schaapjes gaan.

 

Terug naar overzicht

Herfst

(met dank aan Vrouke van Pel-Manuel voor het sturen van de tekst)

Het regent eikels en kastanjes

Kijk, ze vliegen in het rond.

Hier en daar strooien de bomen

Beukennootjes op de grond.

Je ziet de paddenstoelen groeien,

Bladeren worden geel en bruin,

De ganzen vliegen naar het zuiden,

De wind blaast door de hoogste kruin.

De bomen verliezen al hun blaadjes,

De koeien gaan weer naar de stal.

Het is of alles wil vertellen

Dat het winter worden zal.

 

Terug naar overzicht

Herfst ga toch weg

(met dank aan Corry van den Heuvel voor het sturen van de tekst)

Herfst, herfst, ga toch weg,

"Nee", zegt de herfst, dus we hebben pech.

Wind en regen, veel te veel,

Snotverkouden en zere keel.

 

Kastanjes liggen op de grond,

Blaadjes dwarrelen in het rond,

Blaadjes worden rood en bruin,

Paddestoelen in de tuin !!!

 

Terug naar overzicht

Herfst is gekomen

(met dank aan Fam. Noot voor het sturen van de tekst)

Herfst, herfst, herfst is gekomen

nu waait de wind de blaadjes van de bomen

alle blaadjes vallen, de takken worden kaal

we trekken onze jasjes aan, allemaal

Terug naar overzicht

Het A-B-C

(uit 1918)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

A - dat is Aafje, die houdt niet van thee

B - is een Baker, die heet Bettekee

C - is een Chinees, die een Kees kreeg gestuurd (hond)

D - is een Diender, de schrik van de buurt

E - dat is Evert, die houdt veel van taart

F - is een Freule, die rijdt op een paard

G - is een Graaf, zie hij groet de Gravin

H - is een Heks met een puntige kin

I  - is een Indiër, die eet rijst met kerry

J - is een Jonker, die drinkt een glas sherry

K- is een Kok, hij snijdt een komkommer

L - is Lisette, zij leest in het lommer

M - is een Melkmeid, haar emmers zijn vol

N - is een Nar en zijn wangen staan bol

O - is een Orgel, dat bont is gekleurd

P - is een Peuraar, die palingen peurt

Q - is Quirinus, hij schrijft een quitantie

R - is Rozientje, zij kreeg juist vacantie

S - is een Strooper, die stroopt vroeg en laat

T - is een Tamboer, die slaat op de maat

U - is een Urker, die vaart naar zijn eiland

V - is een Vischvrouw, die loopt door het weiland

W - is een Wever, die weeft wat voor Jan

X - is het X-been, van Xina's man

IJ - is een ijstent, die stond bij de bocht

Z - is een Zoetelaar waar 'k zuurtjes bij kocht.

 

Terug naar overzicht

Het bakkertje

(G. W. Lovendaal 1847-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Weet je wat 'k wil worden? ... bakker.

Bakker wezen nou dat 's fijn !

'k Bak voor Maatje taart en tulband,

Voor me zelven marsepein.

 

'k Bak biscuitjes en pastijtjes,

Bitterkoekjes voor bezoek

En voor Paatje bollebroodjes,

Knuppeltjes en peperkoek.

 

'k Bak voor zus beschuit met muisjes,

Broer krijgt sprits een vinger dik,

Oude Geert en Blinde Teuntje,

Iedre week een krentenmik.

 

Terug naar overzicht

Het Boemeltreintje

(Uit: Samen de Natuur in. Dr. W. E. De Mol)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Spoorken, als ge 's avonds snelt

Door heide en langs weideveld.

Dan wringelt gij

En tingelt blij

En kringelt door de bomenrij;

En 'k volg uw gauwe gang

Zolang,

Tot ik de laatste van uw lichtjes

Nog tussen 't dicht geboomte vang.

Dan luister 'k naar 't getingeltang,

Nog lang daarna. . . .

Nog lang. . . . heel lang. . . .

 

Terug naar overzicht

Het bouquet

(Roel Dasmus)

(met dank aan Alie Jansen voor het sturen van de tekst)

Ons Koosje is de liefste thuis

Hij is dan ook de kleinste.

We laten hem graag zelf iets doen

Want….dat vindt hij het fijnste.

 

Maar lachen, lachen moeten wij !….

O, o, zeg….moet je horen.

Laatst had hij een bouquet geplukt….

Heus nogal naar behoren !

 

Natuurlijk mochten wij ze niet

Voor hem in ’t vaasje schikken.

Neen, neen, dat moest hij ,, zellef”doen….

Foei !…Neen, zeg, nu niet schrikken…

 

Hij stak de bloemen één voor één

In ‘t water onderste boven.

En trots dat onze man toen was….

Je zou het haast niet geloven.

 

Gelukkig kon je ze nog zien,

Het was een glazen vaasje.

Maar, o !….Wij proestten van de pret.

Wat zeg je van zo’n baasje ?

 

Terug naar overzicht

Het draaiorgel
(Frater Theobaldus)
(Met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst.)

Hoor, daar rolt een heerlijk deuntje,
met gebel en roffelslag,
vol gerinkel, vol getinkel,
op een hete zomerdag.
Deuren, ramen, vliegen open.
Ieder zwelgt in de muziek.
Timmerlui en professoren,
Upper-ten en Jan Publiek.
Managers vergeten zaken.
Opa walst met grootmama.
Documenten, paparassen,
blijven even in de la.
Allerlei bekende dansjes,
luchtigjes, vol romantiek.
Niemand houdt zich meer afzijdig.
Heerlijk, pierementmuziek
Mannen, vrouwen, jonge meiden,
allen deinen maatgetrouw.
De pastoor danst oecumenisch
met de dominee z’n vrouw.
Mensen hangen uit de ramen,
staan op stoepen en balkon.
Ze genieten van de wijsjes
en de warme zomerzon.
Orgelman, wil blijven draaien,
hier en daar en overal.
Door de klanken uit jouw orgel
wordt de buurt een festival.
Graag zie ik de snoepgoed-kleuren
van je orgel: rose-wit.
De figuren die bewegen,
of er leven in hen zit.
Orgelman, trek door ons straatje,
breng er weer wat leven in.
Begeleid met orgeldeunen;
When the Saints go marching in.
Mensen hangen uit de ramen,
staan op stoepen en balkon.
Ze genieten van de wijsjes
en de warme zomerzon.
Orgelman, wil blijven draaien,
hier en daar en overal.
Door de klanken uit jouw orgel
wordt de buurt een festival.
Graag zie ik de snoepgoed-kleuren
van je orgel: rose-wit.
De figuren die bewegen,
of er leven in hen zit.
Orgelman, trek door ons straatje,
breng er weer wat leven in.
Begeleid met orgeldeunen;
When the Saints go marching in.

 

Terug naar overzicht

Het fluitketeltje

Meneer is niet thuis en mevrouw is niet thuis.

Het keteltje staat op het kolenfornuis.

De hele familie is uit

en het fluit en het fluit en het fluit

Tuuuuuuuuuut !!

De pan met andijvie zegt: "Foei, o foei,

Hou eindelijk op met dat nare geloei.

Wees eindelijk stil alsjeblieft

Je lijkt wel een locomotief."

Tuuuuuuuuuut !!

De deftige braadpan met lapjes en sjuu,

Zegt "Goede genade, wat krijgen we nu ?

Je kunt niet meer sudderen hier,

Ik sudder niet meer met plezier."

Tuuuuuuuuuut !!

Het keteltje jammert: "Ik houd niet meer op,

Het komt door mijn dop ! Het komt door mijn dop !

Ik moet fluiten zolang als ik kook

En ik kan het niet hellepen ook !"

Tuuuuuuuuuut !!

Meneer en mevrouw zijn nog altijd niet thuis.

Het keteltje staat op het kolenfornuis.

Het fluit en het fluit en het fluit,

Wij houden het echt niet meer uit !

Tuuuuuuuuuut !!

En jullie?

 

Terug naar overzicht

Het gebarsten kannetje

(M.A. de Wijs Mouton)

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

't Was herrie in de huishoudkast

De borden ze rammelden razend;

Het glaswerk rinkelde van ergernis,

De boterpot klapte verbazend,

Wat dolle intriges, wat lijden en last

Was er in de huishoudkast !

 

De broodtrommel die wist 't wel,

Die had 't al aan zien komen,

Maar geen die van zijn ernstig woord

Notitie had genomen.

De honingpot preekte 't verstandigst van al

Berusting in 't ongeval.

 

De olie met de azijn getrouwd,

Stond preutsig en schuintjes te gluren

Naar het voorwerp van haar ergernis,

En kletste met haar buren.

En 't zuurstel werd beurtelings rood en bleek

Terwijl 't nog zuurder dan anders keek.

 

De oorzak van de narigheid

Stond stil en nadenkend te staren

En dacht hoe die kwaadwilligheid

Het beste te bedaren.

Ze kende haar luitjes van A tot Z

En had een heimelijke pret.

 

't Was een gebarsten kannetje,

Hier pas op dit plekje verschenen

Toen d' oude en deftige melkkan

Van 't wereldtoneel was verdwenen.

Ze had, al deed ze haar arbeid nog puik,

Een barst en een scheur in haar kleine buik.

 

En bij dat lawaai en die kibbelpartij

Stond ze stil bij zich zelve te denken,

Hoe toch die hele huishoudkast

Zo'n aandacht haar kon schenken.

Ze wilde gebarsten en levensmoe

Het liefst naar haar graf en asbak toe.

 

De kaasstolp vond dat ze blijven moest,

Had meelij met de vreemdeling gekregen.

Maar 't broodmes, minister van oorlog hield vol

En stemde onherroepelijk tegen.

De vorken en lepels als leden der raad

Waren innerlijk woedend en dol obstinaat

 

Toen kreeg je de strijd in de huishoudkast;

Een fles viel op glazen en borden,

De stukken sprongen links en rechts,

Een wilde vernielende horde.

't Azijnstel kapot en 't zuurstel in twee,

Hun scherven die slierden het zoutvat nog mee.

 

Het kannetje daar bleef ongedeerd,

Het kon wel een stootje verdragen;

Als je eenmaal een barst hebt, dan weet je van strijd,

En ben je gehard tegen slagen.

Ze trok zich van 't kibbelend zaakje niets an,

Ze was maar een kleine, gebarsten kan.

 

Terug naar overzicht

Het geitenweitje

(Jacqueline E. van der Waals)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de groote geit.
Geiteke, wat moet je
Met je fijne snoetje,
Dat zoo klaaglijk schreit ?

Met je bleeke bekje ?
Geiteke wat rek je,
Trek je aan het touw ?
Snuffende aan mijn mouwen
Met je lief vertrouwen
In zoo'n vreemde vrouw !

In mijn handen stop je
Nu je jonge kopje;
Zeg, wat moet ik doen ?
Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje,
Als een wittigheidje
In het prille groen.

 

Terug naar overzicht

Het hondje

(met dank aan Joep Klijnsma voor het sturen van de tekst)

Hondje zit op, recht met je kop

Recht met je lijf, hou je nu stijf,

Moet ik al leren ? ben nog zo klein,

Wacht toch dat ik wat groter zal zijn.

Nee hondje nee, wachten is niet goed..

Het is beter als je het nu maar doet.

Toen kon het hondje binnen de kortste tijd

Op zijn achterste pootjes rond de tafel gaan.

 

Terug naar overzicht

Het huis van Adriaan

(Mies Bouwhuys)

Dit is het huis van Adriaan.

Dit is het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de kat,
Die pakte de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de hond,
Die wegjoeg de kat,
Die pakte de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de koe van zeshonderd pond,
Die omhoogsmeed de hond,
Die wegjoeg de kat,
Die pakte de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.

Dit is de dochter van Hillegond,
Die molk de koe van zeshonderd pond,
Die omhoogsmeet de hond,
Die wegjoeg de kat,
Die pakte de rat,
Die at van het graan,
Dat lag in het huis van Adriaan.

 

Terug naar overzicht

Het hutje in de bergen

(Met dank aan H.J. van Beusekom voor het sturen van de tekst)

In een hutje in de bergen
Leefden 't is al lang geleen
Een oude houthakker met z'n dochter gans alleen
's Morgens vroeg bij 't ochtend gloren ging de oude man reeds heen
En hij keerde 's avonds weder als de zon in 't dal verdween

Eenmaal op een goede morgen toen hij weer naar zijn somber werk zou gaan
Bleef z'n dochter vol van vreeze, angstig bevend voor hem staan.
Vader spraak zij, vader ga niet naar uw werk vandaag want ik zag u in een droom,
bleek en roerloos nederliggen onder een gevelde boom

Kindlief sprak de goede oude, kindlief dromen zijn bedrog
Blijf ik hier of ga ik hennen wat mijn deel is krijg ik toch

's Avonds zit ze weer aan 't venster
Angstig turend in 't verschiet
Niemand komt er langs haar hutje
Ook haar vader ziet ze niet

Schemerig daalt reeds op de velden
Eindelijk komt iets naderbei
Langzaam 't kronkelend wegje volgend
dat neerdaalt in de vallei

Voor de deur der schamele woning komt de kleine stoet thans aan
Een der mannen stapt naar binnen en spreekt met doffe stem haar aan
Kind we brengen hier je vader. Zorg voor hem de arme man
Want hij is zo straal bezopen, dat hij niet meer lopen kan.

 

Terug naar overzicht

Het is te wensen

(met dank aan dhr. Bastemeijer voor het sturen van de tekst)

Het is te wensen

dat alle mensen,

met hun fouten en gebreken

eerst eens naar zich zelf keken.

Dan zouden ze het praten

van anderen wel laten.

 

Terug naar overzicht

Het jongetje dat wou groeien

(met dank aan Henk Janssen voor het sturen van de tekst)

Er was eens een jochie uit Anna Parochie,

Dat dolgraag een man wezen wou.

Hij at volle borden om groter te worden,

Wat groeide dat kereltje gauw

 

En steeds na het eten moest moeder hem meten,

Dat deden ze vlug in de gang.

Dan zuchtte het jochie uit Anna Parochie:

"O, moeder,  wat word ik al lang."

 

Hij werd alsmaar groter van yoghurt en boter,

Van erwten,  bonen en brij.

En na het eten, toen moeder wou meten,

Kon zij er echt niet meer bij.

 

Toen lachte het jochie uit Anna Parochie,

"Nu zult U eens zien wat ik kan.

Bedankt voor het eten, bedankt voor het meten,

Ha moeder nu ben ik een man."

 

Terug naar overzicht

Het kaboutertje

Daar komt een kaboutertje aangelopen )
Stap, stap, stap  ) (arm)
Mag ik op je straatje lopen )
Mag ik op je stoepje staan  (schouder)
Mag ik aan je belletje rinkelen  (oren)
Deurtje open, deurtje dicht  (ogen)
Trapje lopen,  (neus)
Voetjes vegen, (bovenlip)
Kom maar binnen (mond)

 

Terug naar overzicht

Het kerstkind

(met dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst)

Zachtjes, zacht

Uit de nacht,

Waar de sterren staan

Boog aan boog,

Komt het kerstkind aan.

Zoetjes, zoetjes,

Blote voetjes,

Om zijn kopje, teer en fijn,

’s hemels zilverschijn.

 

Zachtjes, zacht

In de nacht,

Als een mooie droom

Komt het kind,

Zoekt en vindt,

De versierde boom.

Leven, leven

Wil het geven,

Alle kaarsjes steekt het aan

En is weer gegaan.

 

Terug naar overzicht

Het kleine bakkertje

(met dank aan Marjan Rave voor het sturen van de tekst)

Daar liep een vlug klein bakkertje

Met een grote doos op straat

Hij bracht wel honderd taartjes weg

En stapte als een soldaat

 

Daar kwam een nijdig keffertje

Die beet hem in zijn broek

De taartjes rolden over de stoep

En de jongens riepen: zoek !

 

Maar grote Kees zei: bakkertje

Wij pakken er geen een

Wij helpen jou meteen

 

Daar ging het kleine bakkertje

Met zijn grote doos over straat

Hij bracht weer al zijn taartjes weg

En stapte als een soldaat

 

Terug naar overzicht

Het klokje slaat (kindergebedje)

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Het klokje slaat het uur vergaat.

O Jezus red op dit uur,

Duizend zieltjes uit het vagevuur.

Mijn Jezus barmhartigheid

Voor de arme zondaars.....

Ave Maria.

 

Terug naar overzicht

Het luchtballonnetje

(met dank aan Nico Koolsbergen voor het sturen van de tekst)

Levi Konijn had met zijn konijntjes
(hiermee bedoel ik natuurlijk zijn kleintjes,
te weten zijn zoontjes) de kermis bezocht,
en had voor ieder van hen een luchtballonnetje gekocht.

Fier stappen ze naast hun vader voort.
Het gewone gekibbel wordt in het geheel niet gehoord.
En Eli, Ben en Riel, de drie kleine mannen,
smeden onafgebroken luchveroveringsplannen.
En Eli, de jongste, zegt heel laconiek:
“Zeg jongens, nou doen we fijn aan aviatiek.”

Ontzetting grijpt eensklaps het drietal aan,
want Ben zijn ballon is naar de maan toe gegaan.
Het touwtje was van zijn vinger geschoven.
De ballon zoekt zijn weg naar het onmetelijke boven.
De oude Levi vindt dat natuurlijk een strop,
roept “Gammer !” en geeft de jongen een klap voor zijn kop.

Riel, bang dat de zijne hem ook zou smeren,
stopte het ding heel handig onder zijn kleren.
Opeens: een knal! Wat was het geval ?
De ballon voelde zich in de nauwe ruimte nogal gedrongen
en was van pure benauwdheid uit elkander gesprongen.

De oude Eli maakt zich vreselijke kwaad.
Maar daar hij niet houdt van heibel op straat,
bezweert hij zijn kleintjes onder het lopen,
ze 'liever te verzuipen' dan nog een ballon te kopen.
Ik hoop dat u allemaal wel voelt,
dat hij hiermee niet zijn kleintjes maar zijn dubbeltjes bedoelt.

Eli, ook voor de zijne bevreesd,
is daarom praktischer geweest.
Hij heeft vlug de ballon en zijn benen genomen
en heeft daarmee heelhuids thuis weten te komen.
Daar aangekomen stopte hij het ding (staat u niet verwonderd)
onder het deksel van een zekere plaats. Afijn, nommer honderd...

Het toeval wilde dat ome Bram
die dag de familie bezoeken kwam.
Niet uit belangstelling, dan zou ik liegen,
dan kom je ook niet als een bezetene het huis binnenvliegen.
Nee, de nood was bij ome Bram zo hoog,
dat hij zonder te groeten naar achteren vloog.

Na een ogenblik hoorde men hem brommen:
"Bij me gesond, wat sal me nou overkommen ?"
De kleine Eli werd beurtelings rood en bleek,
de arme jongen raakte geheel van streek.
Maar wijselijk besloot hij maar te zwijgen,
uit angst dat hij van zijn pa op zijn falie zou krijgen.

Na een ogenblik van angstige spanning,
komt ome Bram, met een gezicht van 'zie je niks an me ?'
de kamer in. Zenuwachtig en aangedaan
spreekt hij de familie aan.

"Beste familie, kijk me eens an.
Want jullie ome Bram is een wonderman !
Nooit ken je raden wat me nou overkwam."
"Na", zei Konijn, "ken je eieren leggen ?"
"Veel erger", zei Bram, Ik zal het je zeggen.
Juist op het moment – je begrijpt wat ik bedoel –
kreeg ik opeens een eigenaardig gevoel.
Ik kon maar niet begrijpen wat het was,
maar toen ik opgestaan was, zag ik het pas.

Er steeg iets omhoog, verschrikt keek ik om,
en stond van verbazing een ogenblik stom.
Want wat had ik van mijzelf in de gaten ?
Ik had een wind met een velletje er omheen gelaten !"

Terug naar overzicht

Het mannetje in de maan

(met dank aan Sonja Knubben voor het sturen van de tekst)

Er staat een mannetje in de maan,
wat heeft hij dan voor kwaad gedaan?
't Was op een avond bitterkoud,
hij had geen kolen en geen hout.
Toen is hij naar het bos gegaan,
en heeft een bussel hout gestolen.
Had hij dat maar niet gedaan,
nu moet hij voor straf in het maantje staan.

 

Terug naar overzicht

Het mezennest

(met dank aan Wim Hanekamp voor het sturen van de tekst)

Hoor, eens pa moet u eens luisteren,

Weet u nog dat mezennest.

Achter in de tuin bij buurman,

U zei laatst nog, 't ligt daar best.

 

Nou toen 'k er vanmiddag langs kwam,

Zag ik opeens een grote kat,

Die met fonkelende ogen,

Bij de heg te loeren zat.

 

Maar dat is niet meegevallen,

Want de meesjes kwamen niet.

Nee, er kwam opeens een ander,

Die een kat zo graag niet ziet.

 

Nou dat had u moeten zien pa,

't Leek wel of de rakker vloog.

Zo snel klom hij toen een boom in,

Langs de dikke stam om hoog.

 

Vindt u het niet lief van Bello,

Dat hij op de meesjes past,

Als ik weer een stukje koek heb,

Krijgt hij ook wat, dat staat vast.

 

Terug naar overzicht

Het oude jaar is heengegaan

(met dank aan Anny van Dooren voor het sturen van de tekst)

Het oude jaar is heengegaan,

met twee fluwelen slofjes aan.

Het zuchtte "nooit keer ik weerom,

dag allemaal, mijn tijd is om."

 

En alle mensen riepen luid:

"Het oude jaar is lekker uit.

Kijk, daar staat een aardig ventje klaar,

zeg eens ben jij het Nieuwe jaar?"

 

"Ja", zei het met een lach,

en "ik wens jullie allemaal goeden dag,

en al ben ik nog wat jong en klein,

ik hoop een heel goed jaar te zijn."

 

"Ik breng u dit, ik breng u dat;
ik breng iedereen van alles wat;
wat hoop, wat vreugde, wat verdriet,
wat zorgen en een vrolijk lied."

 

"Kom, lieve mensen, ik begin;
stap dapper het nieuwe schuitje in.
Al ben ik nog een kleine puk,
ik wens u allen veel geluk !"

 

Terug naar overzicht

Het prinsje

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Er was eens een prinsje, zo vrolijk en klein,

Een prinsje dat heel vroeg al koning moest zijn,

Ze zetten op het hoofdje, blond lokkig en teer,

Een kroontje van goud en vol pareltjes neer.

Men hing om zijn schouders zo smal nog en klein,

Een mantel van laken, en wit hermelijn

Men stak in zijn handjes, zo mollig en zacht

Een stafje ten teken van vorstelijke macht.

Toen plaatsten ze het prinsje heel hoog op een troon,

Ze bogen en knielden met zeer veel vertoon.

Maar het prinsje riep spoedig, die kroon is zo zwaar

Ik wil hem niet dragen, bewaar hem nog maar,

En verder die mantel die mij ook nog niet past,

Hangt heren ministers hem weg in de kast,

En het stafje verveelt me, zet dat in de hoek,

En wil mij verschonen reeds van uw bezoek.

Zo 't prinsje al spelend vergat dra zijn troon

Zijn rijk en zijn mantel, zijn staf en zijn kroon.

En het land zeer genadig die liet hem zijn spel,

De heren ministers regeerden heel wel.

 

Terug naar overzicht

Het regent

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Het regent dat het giet

Zie alle jongens vluchten weg,

Ze worden nat …….. Ik niet

Weet ge waarom ze lopen gaan ?

En ik mag blijven staan

Ik heb… ik heb….. Maar ge ziet het niet !

Een regenscherm en zij niet.

 

Terug naar overzicht

Het regent

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Het regent, het regent,
De wolken hebben verdriet.
Ze laten hun tranen vallen,
Een zakdoek hebben ze niet.

 

Terug naar overzicht

Het regent dikke druppels

(met dank aan Loes van Zandvoort voor het sturen van de tekst)

Het regent dikke druppels,

Klein Toosje kan niet uit.

Ze drukt haar kleine neusje,

Plat tegen de vensterruit.

Een diepe boze rimpel,

Komt in haar hoofdje klein.

Als ik maar eenmaal groot ben,

Zo zegt ze tot pop Lien.

Dan maak ik droge regen,

Echt waar, dat zul je zien.

 

Terug naar overzicht

Het roodborstje aan het venster

(Johan Jacob Antonie Goeverneur 1809 - 1898)

Het roodborstje tikt aan het venster: tin ! tin !

En zegt: "Ach, doe open en laat mij er in.

Doe open, lief meisjen, 'k weet anders geen raad,

Zoo sneeuwt en zoo waait het hier buiten op straat;

Ik sterf van de koude, toe, laat mij er binnen,

'k Zal zoet zijn en allerlei grapjes beginnen."

Het meisje deed open en gaf, op haar schoot,

Aan 't roodborstje suiker en kruimeltjes brood;

Wat was het vogeltje toen vrolijk !

Het sprong en danste op haar' schouder,

Het piepte en zong,

Het vloog van de tafel de kamer in 't ronde,

En dankte 't lief meisje, zoo goed het maar konde.

Maar toen het daar buiten zoo koud niet meer was,

En 't zonnetje scheen, zat roodborstje voor 't glas,

Het speelde niet langer, maar keek door de ruit,

En piepte zoo droevig. Als wou het er uit.

Het meisje deed open; wip ! Vloog het daarhenen,

En was één, twee, drie in de boomen verdwenen.

 

Terug naar overzicht

Het slimme muisje

(G.W. Lovendaal 1847-1939)

(met dank aan Sietske Tempelman voor het sturen van de tekst)

Een muisje zat

Voor een muizengat,

En vlak bij het gaatje, daar zat  de kat.

Het muizeke likte zijn baardje.

Het poesje kwik te zijn staartje.

 

Het poesje zei:

“Kom eens dichterbij !

Hoe zacht is dat pootje van mij ! Als zij !

Zal ik jouw fluwelige buisje

Eens aaien, mijn snoeperig muisje ?"

 

Het muisje riep:

“Sliep uit, sliep sliep !

Dan was het gedaan met mijn piep- piep- piep !

Dag poeslief, je bent er niet achter,

Mijn moederken aait me veel zachter !

 

Terug naar overzicht

Het sneeuwklokje

(met dank aan Henk en Frieda voor het sturen van de tekst)

Als ik zelf niet had gekeken
bij de kale boom,
had het net een droom geleken
zoals je ze 's winters droomt.

 

Maar ze staan er. Sprietjes staan
van een vinger lang,
zo maar uit de grond geschoten
voor geen wind of winter bang.

 

Sneeuw, in fijne witte vlokjes
op elk sprietje groen:
klokjes die met klepels luiden
zoals echte klokken doen.

 

Soms kun je om kleine dingen
zó verwonderd staan
dat je hardop wilt gaan zingen
en dat heb ik dus gedaan.

 

Terug naar overzicht

Het snuffelneusje

(met dank aan Thea Arlestein voor het sturen van de tekst)

In de keuken ging ze aan het snuffelen,

Alle potjes keek ze na,

Maar daar op het bovenste plankje

Stond een pot met gember ja.

Gember, ooo, dat was haar kostje,

Een heel klein stukje maar,

Als ze erbij kon,

Gauw een stoel en ze is al klaar.

Nu nog een stoof,

Gauw een stuk eruit genomen.

Ja ze krijgt voorwaar haar zin,

Hé zwarte gember kan wel zijn,

In de winkel ziet men immers

Ook twee kleuren in de wijn.

Wip daar gaat het in haar mondje,

Maar op het zelfde ogenblik,

Springt ze van haar hoge plaats af

En geeft een gil van schrik.

Bah wat zou dat nu wel zijn,

Het lijkt precies op medicijn.

Deze kost is niet om te eten,

Zou dat zwarte gember zijn ?

Moeder had het af staan luisteren

En vroeg vriendelijk en heel zoet:

,,Wel mijn aardig snuffelneusje,

Smaakt die schoensmeer niet heel zoet ?"

Kwam ze later in de keuken weer,

Dacht ze altijd aan de gember,

Wat geen gember was maarrrr smeer !

 

Terug naar overzicht

Het spook

(met dank aan Jef Heyligen voor het sturen van de tekst)

Eens keerde vader laat naar huis

Daar sprong voor hem met veel gedruis

Een lelijk spook

 

't Had scherpe horens lijk nen os

En 't wilde ermee op vader los

Oei lelijk spook!

 

Maar vader greep het bij de kop

En hief de boeman vierkant op,

Hei lelijk spook

 

Hij smeet het beest in 't kolenkot
En sloeg en kapte 't heel kapot
Daar lelijk spook !


De stukken stookte moeder dan
En heette ermee de koekenpan
Ha lelijk spook !


We lachten met de bullebak
't Was maar een afgewaaide tak
Dag lelijk spook !

 

Terug naar overzicht

 

Het stoutekinderhuis

Op de weg naar Hellemanssluis,

Staat het stoutekinderhuis.

Allemaal kinderen wonen daar,

Wel honderd kinderen bij elkaar.

Allemaal willen ze stoute dingen, 

Heel hard schreeuwen en heel hard zingen.

Schreeuwen van, hoe, en schreeuwen van, hei, 

Is er dan geen meester bij?

 

 Jazeker !!

 

Meester Joachim Bedewaard,

Heeft een griezelige lange baard.

Stilte, stilte, bengels, vlegels.

Anders krijgen jullie 100 regels.

Maar de kinderen roepen, bèh.

Oh oh oh, wat schandelijk hè?

Zie ze daar eens joelend gaan,

Joelend over de oprijlaan.

Trekken aldoor aan de baard,

Van meester Joachim Bedewaard.

Klimmen in bomen en hangen aan rekken,

Tieren en gillen en  schreeuwen als gekken.

Zeg eens, hoor jij ook niet thuis,

In dat stoute kinderenhuis?

 

Niks hoor !!

 

Terug naar overzicht

Het tortelke

(Gijsbert Willem Lovendaal (1847-1939), uit: Lentedagen (1879))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Tortelke treurt in de linde,
Gaaikelief is er niet meer,
Ach, ze zit droevig te turen;
Gaaike beminde haar zeer.

Blij vloog het paar, in den morgen,
Hoog door de zonnige lucht
Over de groene landouwen,
Klapwiekte in dartele vlucht,

Speelde in het lommer der Lente,
Bouwde er een nestjen in Mei,
Was er zoo rijk, zoo gelukkig:
't Had er al spoedig een ei !

Daar kwam een jager getreden;
Hagel was op zijn geweer...
Paf! Ach! de vederen stoven;
Gaaikelief tuimelde neer.

't Bloed vloeide en gutste uit zijn borstje,
't Aâmde nog eens, voor 't lest,
Trok toen nog eens met de wiekjes,
't Oogje gericht naar het nest...

Tortelke treurt in de linde,
Zit er zoo roerend en stom
Nu op haar eitje te turen...
Jager, och jager, waarom?

 

Terug naar overzicht

Het weer is guur

(Bernard Zweers)

(met dank aan Jaap Klijnsma voor het sturen van de tekst)

Het weer is guur, de winter nadert,

Het zonnetje gaat al vroeg ter rust;

Geen vogeltje heeft in zingen lust,

Want alle bomen zijn ontbladerd,

En 't laatste bloempje in de hof,

Verwelkt' en boog terneer in  't stof.

 

Terug naar overzicht

Het winkeltje

(met dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst)

Jetje, kom je kopen ?

Juffrouw heb je knopen

Elastiek en veterband

Nee, juffrouw, niet bij de hand.

Maar voor zeven centen

Krijg je rijst met krenten

Heb je een stuivertje tekort ?

Zorg dan dat je rijker wordt.

 

Juffrouw heb je kralen ?

‘k Zal ze even halen:

Boven in de zolderkast

Staan ze netjes opgetast

Hoor eens hier, mijn hartje,

Wou je voor een kwartje ?

Nee, voor veertien cent, juffrouw,

Krullemietje haal ze gauw.

 

Lieve, lieve Lijsje

Zing nog eens dat wijsje

Nee, juffrouw, ik heb geen tijd

“k Wacht hier al een eeuwigheid.

Heb je zeep gewogen ?

Peper in je ogen?

 Blazen, blazen wat je kunt

Voor de schrik een pepermunt.

 

Waar is Jan gebleven ?

Staat ie gort te zeven ?

Jan je moet een boodschap doen,

Haal eens even een citroen.

Zeg dan bij de slager

Dat ie spek brengt, mager,

Neem meteen wat kranten, Jan,

Dat ik zakjes plakken kan.

 

Wie stond daar te kijven ?

Wil je netjes blijven ?

’t Is een winkel eerste klas,

 Vechten komt hier niet van pas.

Juffrouw, Pietje krabt me,

Juffrouw, Karel trapt me,

Zet ze gauw de winkel uit,

Dit is het besluit !

 

Terug naar overzicht

Het wonderhuisje

In Den Haag daar staat een huisje
En dat is een wonderhuisje.
In dat huisje is een kamer
En dat is een wonderkamer.
In die kamer is een kastje
En dat is een wonderkastje.
In dat kastje is een plankje
En dat is een wonderplankje.
Op dat plankje staat een flesje
En dat is een wonderflesje.
In dat flesje is een drankje
En dat is een wonderdrankje.
Van dat drankje - luister goed -
Worden stoute kind'ren zoet.
Dus moet Hansje met zijn moe
Mee naar het wonderhuisje toe.

Terug naar overzicht

Het wevertje zat naast zijn vrouw

(S. Abramsz)

Het wevertje zat naast zijn vrouw.

Hij wist niet, wat hij weven zou.

Hij weefde een ditje, hij weefde een datje,

Hij weefde een kussentje voor zijn katje.

 

Terug naar overzicht

Hete pootjes

(Guido Gezelle 1830 - 1899)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een schalkaard had een bie gevaân

en hield ze bij haar vleren;

"Komt hier !" hij zag een jonkske staan,

"kom hier mijn knappe kerel!

 

Hier heb ik zulk een schoon fatsoen

van beestje, ik wil 't u geven;

Past op maar van 't niet dood te doen,

en laat het beestje leven.

 

"Kom aan, je hand, doet toe,'t vliegt weg

Doet toe, want 't gaat ontsnappen !"

't Kind hield zijn handje toe,

"nie waar, hoe schoon dat is, hoe lieflijk !"


Ha ! 't kindje wier te laat gewaar

hoe schoon en hoe bedrieglijk.

Het liet het beestje los, en 't loeg

de traantjes uit zijn oogskes,

 

En zei " 't Beestje is schoon genoeg,

maar 't heeft zulke hete pootjes."

 

Terug naar overzicht

Hinkeldepink

(met dank aan Piets Bakker voor het sturen van de tekst)

Hinkeldepink daar kom ik aan,

'k kan mijn eigen weg al gaan.

Gooi ik nu mijn hinkelsteentje,

spring weer op mijn rechterbeentje;

Hinkeldepink daar kom ik aan.

 

Hinkeldepink nu ben ik af,

krijg voor een enkel streepje straf.

Gooi niet meer mijn hinkelsteentje

spring niet op mijn rechterbeentje;

Hinkeldepink nu ben ik af.

 

Terug naar overzicht

Hinkeldepinkel

Hinkel de Pinkel daar komen wij aan.
Wij hebben geen kousjes of schoentjes meer aan.
Met de handjes op de rug.
Hinkel de Pinkel en dan weer terug.

 

Terug naar overzicht

Hinkelepink en Pimpeledonk

(met dank aan Klaas van de Berg voor het sturen van de tekst)

Hinkelepink en Pimpeledonk

Die sprongen eens over een slootje.

Hinkelepink kreeg een scheur in zijn broek

En Pimpeledonk brak zijn pootje.

Toen kwam er een man

Met een naald en een draad,

Een potje met lijm en een schaartje.

Die naaide de scheur en lijmde het been,

Van dat aardige springende paartje.

 

Terug naar overzicht

Hollebolle Gijs
(Simon Abrahamsz. 1887 1924)

Heb je niet gehoord van dien hollebollewagen,

Waar die hollebolle Gijs op zat?

Hij kon schrokken

Groote brokken:

Een koe en een kalf,

Een heel paard en een half,

Een os en een stier

En zeven tonnen bier,

En een schuit met schapen.

En nog kon Gijs van den honger niet slapen.

 

Terug naar overzicht

Hompeltje en Pompeltje

 Hompeltje en Pompeltje, die klommen op een berg.
Hompeltje was een kaboutertje en Pompeltje een dwerg.
Ze klommen tot hoog in het topje
En schudden, schudden met hun kopje.
Toen zijn ze in de berg gekropen,
En niemand heeft ze meer horen lopen.
Ze sliepen zachtjes op een oor,
Ssttt, ik geloof dat ik ze hoor.

 

Terug naar overzicht

Hoor eens even

(met dank aan Pieter Masereeuw voor het sturen van de tekst)

Hoor eens even, afgebleven, vreemde snoeshaan die je bent!
Zeg hoe heet je, gauw een beetje, 'k loop subiet naar een agent.
En die zet je, ook een pretje, in een pik-, pikdonker hol.
Wat een leven, denk eens even, domoor, enkel om zo'n tol.

 

Terug naar overzicht

Hop hop paardje op een draf

(met dank aan H. Metz-Onstein voor het sturen van de tekst)

Hop hop paardje op een draf

Morgen is het Zondag

En dan komen de heren

Met hun lange kleren

En dan komt de akkerman

Met ons kindje achteran.

 

Terug naar overzicht

Houd de roeperd en de poeperd open

(met dank aan Tessa voor het sturen van de tekst)

Houd de roeperd en de poeperd open,

dan kan de dokter naar de bliksem lopen.

 

Terug naar overzicht

Hu, hu, hu, zo riep de wind

Hu, hu, hu  zo riep de wind.
En hij bromde,
En hij gromde,
Tegen ieder kind.

Hu,hu, hu ga gauw naar huis.
Ik wil blazen,
Ik wil razen,
Moeder wacht je thuis.

Hu,hu,hu maak toch wat voort.
Ik wil tieren,
Ik wil gieren.
Heb je 't niet gehoord?

Maar de kind'ren lachten wat.
Wil je blazen,
Wil je razen ?
Wel, wat hindert dat.

Nee, we zijn voor jou niet bang,
Want je tieren
En je gieren
Kennen wij al lang.

Terug naar overzicht

Hu, hu, paardje

(S. Abramsz)

Hu, hu, paardje,

Met je vossestaartje,

Met je ruige pootje,

Spring ereis over een slootje,

Van het slootje in het riet,

Dat doet kindje's paardje niet.

 

Terug naar overzicht

Huiswerk

(G.W. Lovendaal)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Die nare sommen, wat verdriet !

Ik kán ze niet en 'k máák ze niet !

Ze denken maar, dat je alles weet

En nooit een snars vergeet.

 

Je hebt tienduizend kapitaal ....

Dat lees ik nu al twintigmaal -

Tienduizend gulden, ik ? ... Dat 's lak,

Ik heb geen duit op zak.

 

Laat A. maar zoeken naar procent,

Scheelt jou het, als je platzak bent ?

't Zijn goocheltoeren met een breuk.

Nooit vin-j'reis: die is leuk.

 

Die nare sommen, wat verdriet !

Ik kán ze niet en 'k máák ze niet !..

En buiten schijnt de zon zo blij -

Is dat geen plagerij ?

 

Terug naar overzicht

Hummeltje-Tummeltje

(S. Abramsz)

(met dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst)

Hunmmeltje-Tummeltje sprong op de wagen

Hummeltje-Tummeltje kom op de trê

Hummeltje-Tummeltje zou je niet vragen

Voerman, ach neem mij een reizeken mee?

Hummeltje-Tummeltje opgepast;

Hou je met bei je handjes vast.

 

Hummeltje-Tummeltje reed langs de hagen

Hummeltje-Tummeltje reed langs de zee

Hummeltje-Tummeltje viel van de wagen

Sloeg op een keisteen en brak in twee;

Ik denk niet dat er een timmerman

 Hummeltje-Tummeltje maken kan.

 

Terug naar overzicht

Ie auw eeuw

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Ie auw eeuw,

Ons poes liep door de sneeuw.

En toen ze weer naar huis toe kwam,

Toen had ze witte sokjes an.

Ie auw eeuw ons poes liep door de sneeuw.

 

Terug naar overzicht

 

Iene miene mutte

Iene miene mutte

Tien pond grutten

Ten pond kaas

Iene miene mutte blijft de baas

 

Terug naar overzicht

Iets vergeten

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

Kom eens hier, sprak grootma blij

Tot ons kleine Jetje,

Zie eens, wat jij gekregen hebt

Wat ligt daar in dat bedje ?

En Jet ze kraaide van plezier,

Want wat had zij gekregen,

Een broertje, het lijkend wel een pop,

Was in de wieg gelegen.

Wacht, ik heb een koekje nog bewaard,

Dat zal ik aan hem geven.

Ach, grootmoe het ligt daar in de kast,

Wil ik het krijgen even.

Wel zeker Jet, maar broertje,

Kan dat nog niet bijten.

Hij heeft nog niet, als jij en ik,

Al tandjes in zijn mondje.

Hoe kan dat, zij keek eens goed

Haar grootmoe aan,

Of deze soms haar fopte,

Maar nee, toen zij haar kleine hand

In broertjes mondje stopte,

Toen riep ze uit: o ja,

Het is waar, zijn mondje is leeg van binnen.

Ik voel alleen een beetje vlees

Wat moeten wij beginnen.

En even blijft ze staan

Om op een antwoord te blijven wachten,

En zie …daar schiet een goed idee

Haar eensklaps in gedachten.

En met de oogjes op elkaar,

De handjes saam gevouwen,

En met het kinderlijke stemmetje, zegt ze:

U wordt bedankt o Lieve Heer,

Voor het broertje mij geschonken,

Ik heb het zojuist mogen zien,

En o zo lief gevonden.

Maar weet u wat zo jammer is,

U hebt nog iets vergeten,

De tandjes in broertjes mondje doen,

Nu kan hij heel niet eten.

Ach toe laat straks een engeltje,

De tandjes brengen even,

Dan zullen wij die,

Ik beloof het u, heel voorzichtig samen,

De tandjes in broertjes mondje doen,

Dag Lieve Heertje ...  amen.

                                                           

Terug naar overzicht

Ik en mijn nichtje, zwart gezichtje

(met dank aan Els Toet voor het sturen van de tekst)

Ik en m'n nichtje, zwart gezichtje,

zeg heb jij een hemd voor mij ?

Nee zei m'n nichtje, zwart gezichtje,

ik heb er zelf maar vijf.

twee in de was, twee in de kast,

één aan m'n lijf, dat zijn er samen vijf !

 

Terug naar overzicht

Ik ga slapen ik ben moe

(kindergebedje)

Ik ga slapen ik ben moe
sluit mijn beide oogjes toe
Here, houdt ook deze nacht
Over mij getrouw de wacht

't Boze dat ik heb gedaan
Zie dat Here toch niet aan
Schoon mijn zonde velen zijn
Maak om Jezus wil mij rein

Zorg voor de arme kind'ren Heer
En herstel de zieken weer
Ja voor alle kind'ren saam
Bid ik U in Jezus naam

Sta mijn ouders trouw ter zij
Wees mijn vrienden ook nabij
Geef ons allen nieuwe kracht
Door de rust van deze nacht

Doe mij dankbaar en gezond
Opstaan in de morgenstond
Als ik mijn oogjes open doe
Lacht Uw zon mij vriend'lijk toe.

 

Terug naar overzicht

Ik heb een potje gekocht

(S. Abramsz)

Ik heb een potje gekocht.

Wat voor een potje ?

Een groen potje.

Wat was er in dat potje?

Pap, pap, slabberdepap.

Van den ketel in den lepel,

Van den lepel in den nap,

Slabber op je pap.

 

Terug naar overzicht

Ik heb er nu een broertje bij

Ik heb er nu een broertje bij,
Oom alles mee te delen.
Een lief klein kindje,dat ben jij,
En strakjes gaan wij spelen.

 

Terug naar overzicht

Ik heb ook zoveel tenen

(met dank aan Wim Hanekamp voor het sturen van de tekst)

Een jongen die zich zelve kleedt,

Is waard dat hij een kerel heet.

Maar als moe bij alles helpen moet,

Zelfs kousjes aan zijn voetjes doet,

Dan is hij maar een ukkie,

Zo’n heel klein ziele pukkie.

 

Zo sprak mama, haar Willem aan,

Aankleden had hij nog nooit gedaan.

Maar nu, bij zulks een ernstig woord,

Was hij in een keer aangespoord.

Hij wou het eens proberen,

Zou hij ’t niet kunnen leren ?

 

Hij spant zich in maar ’t gaat verkeerd,

Gaat door tot dat hij transpireert.

Hij schaamt zich vreselijk voor zijn Moe,

En huilt van zorg en arbeid moe.

Door tranen stromen henen,

Ik heb ook zoveel tenen.

 

Terug naar overzicht

Ik wou dat ik even de wind was

(P. van Moerlande)

(met dank aan Lieven Embrechts voor het sturen van de tekst)

Ik wou dat ik even de wind eens was,

Dan liep ik al dansend over het water

En tuimelde gek over koren en gras

En lachte van pret met luid geschater.

 

Dan plaagde ik graag eens de molenaar :

Ik deed de wieken draaien;

De balken kraken; de mulder beeft

En meent : hij zal nog omverrewaaien.

 

Ik greep eens stevig de bomen vast

Om appels en peren te grabbel te gooien,

En ik schudde te vroeg het lover af

Om straatjes en paadjes er mee te bestrooien.

 

Dan plaste en woelde ik wild in de zee :

De schepen wippen lijk noteschalen,

En de visman pruttelt : " Die donderse wind !

We krijgen geen vis en geen garnalen ! "

 

Dan beukte en bonsde ik -- bom ! -- op de deur

Waar lastige kleuters liggen te krijten.

Dan rukte ik pannen heel hoog uit het dak

Om ze -- plof ! -- op de straat kapot te smijten.

 

Dan blies ik lampjes en kaarsjes uit,

En kletste met hagel tegen de ruiten,

Dan woei ik heren hun hoofddeksel af

En dames hun regenscherm 't binnenste buiten.

 

Ik liet het linnen klapperdeklap

Aan de waskoord wappren in bont gewemel;

Dan brak het touw en ik joeg de was

Lijk joelende vogels hoog in de hemel.

 

Dan opende ik plots een raam in de klas

En buitelde er binnen holderdebolder;

Ik stiet er bloempot en inktfles omver

En flapte de landkaart tegen de zolder.

 

En maakt ik het soms wat al te grof,

Dan zou er wel één mijn zotheid remmen :

Die stilde de storm en het wilde meer,

Die zou, met Zijn stemme, ook mij wel temmen.

 

Terug naar overzicht

Ik wou zo graag naar school toe

Ik wou zo graag naar school toe,
Maar mijn moeder zei altijd:
"Nee kind je moet nog wachten,

Totdat je groter zijt."

Nu ben ik groot geworden,

Zie mij maar eens goed aan.
Vanmorgen ben ik heel stilletjes,

Heel zoet naar school gegaan.

En als ik strakjes thuis kom,

Weet ik wel wat ik doe.
'k Ga van de school vertellen,

Aan vader en aan moe.

Terug naar overzicht

Ikke pikke porretje

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ikke pikke porretje

De meester heeft een snorretje,

De meester heeft een sik,

Af ben ik.

 

Terug naar overzicht

In Bemmelekom

In Bemmelekom, in Bemmelekom,
Daar viel vandaag de toren om,
Om vijf voor half negen.
De koster is aan het hollen gegaan
En als de koster dat niet had gedaan,
Dan had hij warempel de torenhaan
Nog op zijn kop gekregen.

Hoe is het gegaan? Hoe is het gegaan?
Er was toch geen storm en er was geen orkaan,
Alleen maar een buitje regen.
Wat zeg je? Vanzelf? Och kom, och kom,
Zo’n toren valt toch vanzelf niet om
En zeker niet die van Bemmelekom
Om vijf voor half negen.

Maar zie je dat jongetje staan?
Die heeft het gedaan! Die heeft het gedaan!
Die jongen z’n naam is Gerritje.
Hij schoot met z’n kattepult, rommelebom,
Pardoes ineens de toren om,
Die hele toren van Bemmelekom.
Hij deed dat het met een erretje.

Wat ’n ongeluk! Wat ’n ongeluk!
Daar is me die hele toren stuk,
Van onderen en van boven !
Maar Gerritje zegt: "Het was heus niet mijn schuld,
Het ging zo vanzelf met die kattepult."
En: of je hem niet verklappen zult….
Dat moeten we hem beloven.

Ssst… mondje toe!

Terug naar overzicht

In de kakschool

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zuster, zuster

mag ik even...

Even

naar de koer toe gaan?

 

Jongen, jongen,

jij moet nu

matjes weven

Had 't onder speeltijd maar gedaan...

 

Zuster toen wilde het niet lukken

Maar nu voel ik

't heel erg drukken.

 

Er stonden tranen in mijn ogen

De zuster had

geen medelijden.

 

Ik zat te pitsen en te nijpen

Ze kon mijn leed

maar niet begrijpen.

 

Ik moest in de hoek gaan staan

en heb 't maar

in mijn broek gedaan.

 

Terug naar overzicht

In de keuken zit Miebetje

(met dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)

In de keuken zit Miebetje

Op een houten kruk.

En ze maalt de koffiebonen,

Ja, ze heeft het druk;

Strakjes moet ze stof afnemen,

Bedden schudden, glazen zemen,

Kleedjes kloppen, kousen stoppen,

En een kilo erwten doppen !

 

Terug naar overzicht

In de winkel van Sinkel

Versie 1

In de winkel van Sinkel,
Is alles te koop.
Potten en pannen,
Mosterd en stroop,
Hoeden en petten,
Ook damescorsetten,
Drop om te snoepen,
En pillen om te poepen.

Versie 2

(met dank aan Margo Boer voor het sturen van de tekst)

 

In de Winkel van Sinkel

Is alles te koop.

Daar kan men krijgen:

Mandjes met vijgen,

Doosjes pommade,

Flesjes orgeade,

Hoeden en petten

En damescorsetten,

Drop om te snoepen,

En pilletjes om te poepen.

 

Terug naar overzicht

In Engeland

In Engeland, in Engeland,

Daar vliegen duizend meeuwen.

Daar is een schip met meisjes vergaan.

Wat zullen de jongens schreeuwen.

 

Terug naar overzicht

In het land van de Orrekiedorren

(Susan van der Ploeg)

In het land van de Orrekiedorren

Daar zijn ze allemaal gek.

Daar hebben ze grote snorren

Met vlaggetjes in hun nek.

Daar hebben ze koperen tenen

Met veren op hun hoofd.

Daar eten ze kiezelstenen

Met boter en suiker gestoofd.

Als je iemand ziet flaneren

Met een grote groene snor

En een hoofd vol wuivende veren

Dan is het een Orrekiedor.

 

Terug naar overzicht

In ied're kleine appel

In ied're kleine appel,

Daar lijkt 't wel een huis.
Want daarin zijn vijf kamertjes,

Precies als bij ons thuis.
In ieder hokje wonen,

Twee pitjes zwart en klein.
Die liggen daar te dromen

Van licht en zonneschijn.

 

Terug naar overzicht

In Impetimpelagnelaan

In Impetimpelangelaan,

Komt elke week een bootje aan.

Wat brengt dat bootje mee ?

Een kistje koffie, een kistje thee,

Een grote gieter, een jas voor neef Pieter,

Een mandje vol fruit, een trommel beschuit

En zeven Vlaamse reuzen,

Met spikkeltjes op hun neuzen.

 

Terug naar overzicht

In Mei

(J.P. Heye)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

In Mei,

Dan leggen alle vogeltjes

Een ei !

En waar ze zitten broeien,

Daar zullen wij niet stoeien.

 

In Mei,

Dan kruipt een heel klein vogeltje

Uit 't ei.

Wie zou het willen deren,

Het heeft niet eens nog veren.

 

In Mei,

Dan leggen alle vogeltjes

Een ei !

En wie die beestjes hind'ren

Dat zijn wel boze kind'ren.

 

Terug naar overzicht

In onze buurt daar woont een vrouw

In onze buurt daar woont een vrouw,
Een oude vrouw met ere.
Ze hinkte zwaar ze deed soms raar
En droeg ook gekke kleren.

Maar goed dat was ze door en door,
Want al dat narren en plagen,
Dat ik haar deed
Was haar tot leed
En kon zij niet verdragen

Eens liep ons oudje langs de straat
En toen we haar nu zagen,
Begon alweer en telkens meer,
Het sarren ons schelden en plagen.

Ze stak haar vuist nu op en riep:
"O, bengels wil je zwijgen !"
Maar elke guit riep lachend uit:
"Je kunt ons toch niet krijgen !"

"Zo is 't" sprak de diender nu,
Die ons was nagelopen.
"Vrouw ga maar door.
Geen deugniet hoor
Zal mij niet meer ontlopen."

We zetten 't op een lopen, maar
Ik keek niet voor mij henen.
Ik liep maar door en kwam nu voor
Een hoopje klinkerstenen.

Plof, daar lag ik al kermend neer,
De diender kwam nu nader.
Hij greep mij aan, maar zonder slaan,

Bracht hij mij thuis bij vader.

 
Daar lig ik nu al weken ziek,
Geen mens komt mij bezoeken.
Alleen 't vrouwtje van de hoek,
Komt steeds met lekkere koeken.

 

Terug naar overzicht

In Scheveningen woont een paard

(met dank aan Theo Staes voor het sturen van de tekst)

In Scheveningen woont een paard,

Dat noest sigarenbandjes spaart.
Het wist er reeds in enkele jaren

Meer dan duizend te vergaren.
De dubbele, een negenhonderd,

Hiervan natuurlijk uitgezonderd.
Met welk fameus getal dat spreekt

Het iedere koe de loef afsteekt.
Daarom zien koeien steeds zo droef,
Immers wat doet men zonder loef.

 

Terug naar overzicht

In Siddeburen was een bok

(met dank aan Loes van der Gouw voor het sturen van de tekst)

In Siddeburen was een bok,
Die machtsverhief en wortel trok.
Die bok heeft onlangs onverschrokken
Een wortel uit zichzelf getrokken,
Waarna hij zonder ongerief
Zich weer in het kwadraat verhief.

Maar "t feit waardoor hij voort zal leven is,
Dat hij achteraf nog even
De massa die hem huldigde,
Met vijf vermenigvuldigde.

 

Terug naar overzicht

In vaders grote zetel

(uit:Leven, Lieven, Zingen. G. TH. Antheunis)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

De knaap is nauwlijks drie jaar oud,

Maar struis en rap; hij klimt reeds stout

In vaders grote zetel.

 

Neemt plaats zo diep als hij maar kan,

En spreidt zijn armen open dan

In vaders grote zetel.

 

En heft het hoofd en blikt zo fier,

En roept en zingt: "Nu zit ik hier

In vaders grote zetel."

 

Het zusterken, dat pas kan gaan,

Komt wagg'lend vol bewond'ring staan

Voor vaders grote zetel.

 

"Ik ook!" zegt zij, "ik ook daarop,

Ik ook met zoete Mieke-pop,

In vaders grote zetel."

 

"Wacht!" zegt hij, "zusje, ik kom terstond."

En wip ! hij glijdt weer op de grond

Uit vaders grote zetel.

 

"Wat is mijn zusje toch nog kleen!"

Zo denkt hij, "zij kan niet alleen

In vaders grote zetel."

 

Zij kruist haar armkens rond zijn hals,

Hij heft - en kust haar dan eens mals, -

In vaders grote zetel.

 

En klimt er aanstonds weder bij

En vlijt zich juichend aan haar zij

In vaders grote zetel.

 

En Mieke-pop wordt zachtjes dan

Geplaatst daar tussen vrouw en man,

In vaders grote zetel.

 

En 't duurt niet lang, of arm in arm

Slaapt 't kleine drietal, blozend warm,

In vaders grote zetel.

 

Terug naar overzicht

Inkie Tinkie Teddybeer

(met dank aan Hillie Kalter voor het sturen van de tekst)

Inkie Tinkie Teddybeer

Die houdt van lekker eten.

Eerst nam hij een ossenlap,

Toen twee borden vol met pap,

Toen een appel,

Toen een peer,

Toen lustte Inkie Tinkie Teddybeer niets meer.

 

Oh, wat heb ik lekker gegeten.

 

Terug naar overzicht

Intellect

(Clinge Doorenbos)

’t Nieuwe zusje lag in ’t wiegje,
Nog een beetje schuw voor ’t licht,
Jantje stond er naar te kijken,
Met een blij verrukt gezicht.


Vader, die wel eens wou weten,
Wat of Jantje zeggen zou,
Zei, dat er een man geweest was,
Die het zusje koopen wou.


Honderd gulden wou hij geven!
Zeg nu maar, wat wil je Jan?
’t Kleine zusje zelf maar houden,
Of verkoopen aan dien man ?


Jan bekeek het kleine meisje,
Dacht nog een seconde na,
En zei toen, heel vast besloten:
"Laten wij het houden, Pa !"


"Hou j’ al zooveel van je zusje,
Al is het nog maar zo klein,
Dat je het voor honderd gulden
Zelfs al niet meer kwijt wilt zijn ?"


"Och", zei Jan,  "ze is zoo klein nog !
Over ’n paar jaar biedt die heer,
Als ze zwaarder is en dikker,
Honderd vijftig ---- of nog meer. 

 

Terug naar overzicht

't Is in dit huisje geheel verdraaid

(met dank aan Marian Brouwer voor het sturen van de tekst)

't Is in dit huis geheel verdraaid

Waar 't haantje zwijgt en het hennetje kraait.

 

Terug naar overzicht