Ik dacht waar zal ik nu eens
fijn over gaan vertellen. Er wordt in dit wiebelende land over niets anders
gesproken dan over de aardkwakjes waar we steeds weer opnieuw door geteisterd
worden. En wat kan ik hier nu nog aan toevoegen. Het enige is dat ik
persoonlijk toch nog steeds liever de humoristische verhalen hoor dan de
verdrietige na deze laatste aardbeving.
We zitten allemaal in het
zelfde schuitje maar de een roeit en de andere zit lekker te vissen ! Nu moet
je natuurlijk ook roeiers hebben maar als je je riemen verliest dan is het
toch wel fijn als iemand anders voor een vismaaltijd kan zorgen. (Nu ja, de
vegetariers onder ons moeten het dan maar met een beetje zeewier doen ! Heel
gezond overigens, heb ik me laten vertellen).
Iedereen die dit verhaal
leest moet niet te erg op de typootjes letten. Ik zit namelijk tot mijn
elleboog in het gips. Ik had u hier graag een heldhaftig verhaal over willen
vertellen.
Bijvoorbeeld dat ik, toen de
aarde weer ging verschuiven, net iemand uit een brandend huis wilde redden,
maar daar viel op dat moment net een heel groot stuk rots van de berg zo op
mijn arm. Helemaal verbrijzeld !!!
Welnee, geen prachtig verhaal
met foto in de ochtendkrant. Ikzelf, die ondersteund wordt door iemand die mij
een engel noemt omdat ik hem uit zijn brandende huis redde tijdens de laatste
6.3 op de schaal van Richter. Nee hoor. Gewoon een operatie om een door
artritis verkromde hand weer een beetje in zijn fatsoen te zetten. In ieder
geval ik type met één hand en ook nog de linker, dus dingen lukken niet zo als
ze zouden moeten. Jammer hè, zo gewoontjes, zo helemaal niet spannend.
Maar er is wel weer een boel
gebeurd op maandagmiddag in Huisje Weltevree van de familie Van Urk. Zij, die
het Monopolie spel spelen, kennen het vast wel: "Ga terug naar af en ontvang
geen $200." Zo is het in ons gezin, alles is alweer stuk gevallen en alweer
geen stroom, geen water en..... geen riolering !
Ik verzamel kikkertjes, al
jaren. Nu krijg ik dus steevast van die dingen voor verjaar- moeder- en andere
Christelijke feestdagen van de kinderen en kleinkinderen en soms ook van goed
bedoelende vriendinnen. Sinds september vorig jaar zijn er al heel wat van die
beestjes gebroken. Heel jammer, want er zaten echt juweeltjes tussen. Allemaal
naar de kikkerhemel of hel, hoe men dit ook maar bekijken wil. Behalve dan een
paar kikker-boekensteunen die ik van een vriendin kreeg. Zo lelijk als de
nacht ! Die dingen zijn niet kapot te krijgen. Ik zet ze al steeds vooraan op
de plank zodat ze een goede kans maken om te pletter te vallen bij de eerst
volgende aardschok. Maar nee hoor, ook maandagmiddag toen ik eindelijk van de
grootste schrik bekomen was zocht ik tussen het puin in mijn huiskamer, alles
aan gruzelementen, maar de oerlelijke lezende kikkers in hun luie stoel lezen
rustig door, zelfs geen blad uit hun stenen boek kapot.
's Avonds vertel ik mijn
lieve schoondochter dat haar laatste geschenk aan mij, een met prachtige
steentjes bezette kikker, alweer kapot is. Even is ze stil dan zegt ze met een
zucht: "Nu dan ga ik maar rubberen kikkers zoeken, die stuiteren tenminste
!"
Nu heb ik me stiekem
voorgenomen dat, zodra mijn arm uit het gips is, ik Martin's grootste hamer ga
pakken en dan die boekensteunende kikkers de doodslag zal verkopen en dan erna
tegen mijn vriendin zeggen: "Goh, zo jammer, maar je lezende kikkers hebben
het deze keer toch niet gehaald !"
Ach....u snapt het al....dat
kan ik toch niet over mijn hart verkrijgen.
Voor de zoveelste keer in 14
dagen zit ik in een klein kleedhokje, gekleed in een vreemde
ziekenhuis-sarong, te wachten tot ik aan de beurt ben. Scans en X-rays zijn
er gemaakt. Vandaag moet er een ultrasound gemaakt worden.
Ik voel me opstandig. "Waarom
moet mij dat nu overkomen ? Waar heb ik dit aan te danken ?" Deze en nog vele
andere egoïstische gedachten flitsen door mijn hoofd als ik naar het gordijn,
dat vlak voor mijn neus hangt, zit te staren en ontzettend veel meelij met
mezelf heb.
Om toch maar iets te doen pak
ik een van de vele tijdschriften, die in het hokje liggen, en sla het op een
willekeurige bladzij open. Vanaf het mooie glanzende papier kijken twee
donkere ogen in een guitig lachend gezichtje mij aan. Het gezichtje komt me
vaag bekend voor en ik begin te lezen. Het gaat over de rechtszaak van de
mishandeling en de daarop volgende moord op een driejarige jongetje, James
genaamd. De beschuldigden zijn z'n moeder en stiefvader. Het korte, trieste
leven van dit kleine kereltje wordt tot in de kleinste details beschreven.
Terwijl ik lees voel ik letterlijk en figuurlijk de angst, de wanhoop en de
pijn, die deze kleine man in zijn eentje geleden heeft.
Ik denk terug aan de tijd dat
ik zijn leeftijd had. Het was een tijd van oorlog, met een vijand die door de
straat marcheerde, een vijand die mijn grote broer wegsleurde van mijn
huilende moeder. Mijn moeder, die ik 's nachts in bed hoorde huilen om mijn
vader, die al jaren weg was en waarvan ze niet wist of hij nog wel in leven
was. Dit alles maakte mij angstig en verdrietig. Maar als angst en verdriet
teveel voor me werden waren daar altijd mijn moeders armen en haar schoot.
Daar vond ik altijd weer vrede en bovenal veiligheid.
Wat was ik rijk vergeleken
bij de kleine James ! Hij had niemand gehad om te vertrouwen, om troost bij te
zoeken, om zijn pijn te verzachten. Er is geen erger noodlot dan een
mensenkind dat zich niet kan beroepen op de liefde en bescherming van z'n
moeder.
Mijn tranen vallen en ik voel
me op een vreemde manier ook schuldig aan de moord op James. Waarom ? Omdat ik
hier zit en meelij met me zelf heb ! Omdat ik al zo veel verschillende versies
van dit verhaal gelezen heb en alleen mijn hoofd heb geschud. Omdat ik met
vriendinnen schande gesproken heb over de mensen, die kleine kinderen
mishandelen ! Omdat ik nooit de moeite genomen heb om te proberen of ik iets
kan doen om dit kwaad te voorkomen of om dit lijden te verzachten !
Mijn tranen vallen in de
mooie donkere ogen van James, die vanaf de pagina naar mij kijken. Mijn tranen
zijn voor hem te laat. Maar het is nog niet te laat voor velen andere
kleintjes.
In dit kleine hokje leg ik
stilletjes een eed af dat ik zal trachten om het leed en pijn te verminderen
van de vele kinderen in dit land, die er naar snakken, hier in Nieuw Zeeland.
Op welke manier ? Dat weet ik
nog niet, maar waar een wil is is een weg ! Lieve, kleine James, dit is de
belofte aan jou van een oude vrouw, een oma.
Mijn eerste gewaarwording als
ik wakker word is dat mijn rug zeer doet. Even vraag ik me af waarom ik in ons
kleine studeerkamertje op een nauw vouwbed lig, samen met m'n twee hondjes,
die ook nog eens een derde van dit kleine bed in beslag nemen, aan het
voeteneind. Ineens weet ik waarom: Omdat mijn stiefdochter in m'n heerlijke
ruime 'queen size' bed ligt. Daarom ! Terwijl ik mijn vriendjes van mijn bed
schop vraag ik me af wat ik haar voor ontbijt zal maken, want het zal goed
moeten zijn !
Ik strek de stramme ledematen
en zet zuchtend de douche aan. Ik voel me moe maar weet dat ik flink moet zijn
en opschieten want Tania, ik noem haar al jaren Taniwha (in de Maori taal
betekent dat draak), moet om half negen de deur uit en wil m'n auto lenen op
de koop toe!
Terwijl het hete water over
mijn hoofd stroomt denk ik terug aan die morgen, achttien jaar geleden, toen
Tania als een opstandige teenager mijn huis binnenstapte. Haar vier oudere
broers stonden haar op te wachten. De oudste vertelde haar: "Dit is een
jongenshuis, wij zijn in de meerderheid dus jij zult je aan onze regels moeten
houden." Ik zie nog hoe ze hooghartig naar hem opkeek terwijl ze Iangs hem
liep en even op een niet al te zachte manier haar laars op zijn blote voet
zette. "Ja, kapitein," zei ze en toen hij een kreet van pijn slaakte vervolgde
ze: "0, je voet... .het spijt me... ik zag het even niet !" De andere drie
jongens keken verbaasd toe hoe hun grote broer en aanvoerder alleen maar zijn
tenen wreef en haar met open mond nakeek terwijl ze mij volgde om haar nieuwe
kamer te inspecteren.
Van die dag af liepen de
jongens als slaafjes achter haar aan. Ze brachten haar wat te drinken als ze
haar huiswerk zat te maken, ze namen haar mee naar de bioscoop (en betaalden
ook nog eens voor haar !). Ze wachtten zonder te mopperen voor de deur als ze
weer eens haar tijd nam in de badkamer. Als er een kracht term viel uit zo'n
jongemannen mond hoefde ze hem alleen maar een dodelijke blik toe te werpen en
hij verontschuldigden zich. Ze hoefde maar te kikken en één van hen gaf haar
wel een lift naar haar vriendin, de tennisbaan of waar onze Taniwha ook maar
naar toe wilde.
Op een avond kwam ze de kamer
in om te pronken in haar eerste avondjurk om naar het afscheidsbal te gaan van
school. De complimenten die ze van haar stiefbroers ontving waren niet van de
lucht.
Toen haar 'date' aanbelde
liep broer Nummer Twee even naar buiten en vertelde de jongeman dat zijn
ribben gekraakt zouden worden als hij 'ons zusje' niet op tijd thuis bracht.
De arme jongen keek angstig om zich heen toen hij verlegen de corsage aan
Tania overhandigde. Hij dacht waarschijnlijk dat hij bij de Soprano familie
aangekomen was. Tania liep zoals altijd zelfverzekerd de deur uit terwijl zij
de verschrikte jongen aan de hand mee naar buiten trok. Hij zag niet eens dat
Tania er mooi uitzag, hij zag alleen maar de vier paar ogen, die niet veel
goeds voorspelden als hij ook maar een voet verkeerd zou plaatsen. Wij hebben
deze jonge man ook nooit meer terug gezien. Maar dat kan gekomen zijn omdat de
Taniwha hem gedurende het bal in een kikker heeft veranderd.
En nu jaren later heeft mijn
kleine stiefdochter nog steeds de macht om mij, zonder morren, m'n bed aan
haar te laten afstaan. Ja echt, zonder morren ! Ik bood het zelfs aan, ik zei
dat ik er niets meer over horen wilde Zij moest in mijn bed slapen of ze wilde
of niet !
Hoe kan een mens zich toch zo
laten gaan denkt u waarschijnlijk. Dat zal ik dan even haarfijn uitleggen.
Gisteren kwam onze Taniwha even op bezoek vanuit Nelson omdat ze me iets heel
belangrijks te vertellen had. Ik voelde me meteen al nerveus worden. Eerst nam
ze me mee uit naar de bioscoop en daarna gingen we uit dineren. We babbelden,
lachten en roddelden over mensen, die wij beide kennen en op het eind van de
avond pakte ze m'n hand en zei: "Yoka, jij bent de eerste die het weten mag
omdat je m'n allerbeste, bovenstebeste en liefste stiefmoeder bent al zo veel
jaren lang. In september krijg ik een kindje en jij mag 'stief-oma' zijn !!!"
Een paar maanden geleden zag
ik mijn jongste kleinzoon stiekem met een doosje lucifers weglopen. De
lucifers liggen netjes in een laatje samen met kaarsen voor in tijd van nood !
“Wat ga je doen met die
lucifers, William ?” vroeg ik. “”Ik moet drukken” was zijn antwoord. “Heb je
daar lucifers bij nodig ?” “Ja, Omie, dat doet Uncle Rick ook altijd. Hij
brandt een lucifer want dat is goed voor de luchtvervuiling, zegt hij.”
“Ja, maar jij hoeft dat niet
te doen voordat je een jaar of achttien bent. Jij vervuilt de lucht op het
toilet nog niet echt !” probeer ik hem voorzichtig van gedachten te doen
veranderen. Hij geeft mij onwillig het doosje lucifers terug en gaat
binnensmonds mopperend de kamer uit. Ik kan me wel voorstellen dat hij het oer
interessant vindt om lekker een vlammetje te maken, maar daar komen natuurlijk
ongelukken van als je een kereltje bent van net zes jaar oud. Bovendien heb ik
iets met brandje stichten. Nu moet u niet denken dat ik te voorzichtig ben,
juist helemaal niet en daarom ben ik er bang van.
In 1966 was mijn oudste zoon
zes jaar oud. In die dagen waren wij net in de door mijn man gebouwde
spiksplinternieuwe benedenverdieping getrokken van ons in aanbouw zijnde huis.
Mijn oudste lag met griep in bed en de twee kleintjes van twee en drie
speelden in de kamer. Ik was net begonnen om ‘ouwemannetjes’ vlees te braden,
oftewel stoofvlees. In die dagen gebruikte ik daarvoor bijna een heel pakje
boter. Terwijl dat lekker stond te smelten in de pan op de kookplaat werd er
op de deur geklopt. Mijn buurvrouw en vriendin Theresa vertelde opgewonden dat
haar hond Vicky weer heelhuids was teruggekeerd van een lange wandeling (5
dagen). We hadden verwacht haar nooit meer terug te zien.
“Kom even kijken !” riep
Theresa. Dus ik pakte één zoontje bij de hand en zwaaide de andere op mijn
heup en holde achter mijn opgewonden vriendin aan naar haar huis. We
bewonderden Vicky en onderzochten haar grondig om te zien of ze geen
‘kleerscheuren’ had opgelopen op haar lange reis. Maar alles was prima in
orde, ze had alleen een goed bad nodig.
Theresa ging direct aan de
slag om een kop koffie te maken en zo bleven we nog even nababbelen. Tot ik
uit haar raam keek naar mijn hoger op de heuvel gelegen huis. Ik zag grote
rookwolken uit het slaapkamerraam komen. “O, hemel,” gilde ik “Dat is Rick,
die heeft vast met lucifers gespeeld.” Ik vloog naar huis en deed de voordeur
open. Een dikke witte muur van rook verwelkomde mij. Ik was totaal in paniek
en probeerde over de grond te kruipen naar de slaapkamer waar ik mijn zoontje
wist. Maar ik stikte zowat en moest weer terug naar buiten. Na een beetje adem
gehaald te hebben kroop ik weer naar binnen. Hoeveel keer ik dit geprobeerd
heb weet ik echt niet meer. Maar op een gegeven moment hoorde ik glas breken.
Een taxichauffeur, die toevallig voorbij kwam, was de heuvel op geklommen en
had het verhaal al gehoord van mijn vriendin dat Rick zich in de slaapkamer
aan de voorkant van het huis bevond. Hij sloeg het raam kapot en sprong naar
binnen. Hoestend kwam hij weer naar buiten om te vertellen dat er niemand in
de kamer was. Maar ik was door het dolle heen omdat ik wel beter wist.
Intussen was de brandweer gearriveerd en die trokken me hardhandig uit de met
rook gevulde hal. Zij gingen met maskers op naar binnen en wisten me binnen de
kortst mogelijke tijd te vertellen dat er echt niemand in huis was. Terwijl ik
daar stond te huilen tussen de spuitende brandweermannen kwamen daar ook nog
mensen van de TV en radio naar boven. (In die dagen was zo iets nog
nieuwswaardig) Terwijl ik mijn wanhopige verhaal deed keek ik naar beneden en
zag daar mijn zoontje doodgemoedereerd de bocht om komen samen met een
buurmeisje. Later heb ik gehoord dat het meisje Rick tegenkwam toen zij naar
beneden liep en hem vertelde dat zijn huis in brand stond. Rick had namelijk
zijn kans gezien, toen zijn moeder even naar Aunty Theresa overliep, om zijn
bed te verlaten en lekker buiten te gaan spelen.
Nog nooit in mijn leven ben ik
zo blij geweest met een ongehoorzaam kind. Natuurlijk had hij niet met lucifers
gespeeld, maar zijn onnadenkende moeder had een pan met kokende boter op de
kookplaat achtergelaten. De vlam was op de één of andere manier in de pan
geslagen toen de boter over de pan bruiste. Maar toen was mijn Rick al lang naar
buiten.
Maar daar stond ons gezin dan,
de keuken was totaal verwoest door de brand en de rest van het huis zat vol met
roet en stonk verschrikkelijk naar de rook. We konden er niet in wonen. Mijn man
kon dus weer onmiddellijk aan de slag om het huis op te knappen. Maar mijn
kinderen en ik werden in een leegstaand huis ondergebracht ongeveer 150 km ten
Noorden van Wellington door vriendelijke Nieuw –Zeelanders, die mij huilend met
een druipnatte teddybeer onder mijn arm op de TV gezien hadden tijdens het
journaal.
Men zou zeggen dat ik mijn
lesje wel geleerd zou hebben, maar toch ben ik nog vele malen met vuur in
aanraking geweest in mijn leven (niet altijd door mijn schuld) Maar dat zijn
weer andere verhalen. O ja, en ‘ouwe mannetjes vlees’ is zeker 25 jaar lang van
de menu gebleven in mijn huis !
Allen deuren staan tegen elkaar
open omdat het erg warm is. Het is half drie in middag en ik sta in de keuken
met me zelf te overleggen wat ik voor het avondmaal zal klaar maken. Opeens
krijg ik een gevoel of er iemand naar me kijkt. Ik draai me om en zie een klein
hoofdje met twee pientere oogjes, die om het hoekje van de keukendeur me
aanstaren.
“Hallooooo,” zeg ik “wie ben
jij ?”
“Ik heet Adrian Nigel Graig
Evans-Latham.” antwoordt het kleine kereltje (ik schat hem op een jaar of vier).
“Dat is een mond vol voor zo’n
klein manneke !” zeg ik. “Mag ik je Adrian noemen ?”
“Ben jij een vriendin van mij
?” is zijn wedervraag.
“Nog niet, maar ik zou het wel
erg leuk vinden als ik een vriendin van jou mocht zijn.”
“Goed,” zegt hij nonchalant
“en dan mag jij me Angel noemen want zo noemen al mijn familieleden en vrienden
me.”
“Dank je wel, Angel en mijn
naam is Yoka.”
“Heb jij ook een dubbele
achternaam ?" vraagt Angel.
“Nee, die heb ik net
opgegeven.” antwoord ik naar waarheid.
“Waren jou vader en moeder ook
niet getrouwd ?” vraagt hij weer.
“Jawel, maar daar ik had zelf
voor gekozen maar nu heb ik er ineens geen zin meer in dus noem ik me zelf weer
bij mijn meisjesnaam.”
“Mijn Vader heeft gezegd dat
als ik later geen dubbele naam meer wil hebben dat ik dan mag kiezen of mamma’s
of pappa’s naam. Voorlopig vind ik het wel goed zo” vervolgt hij vol
overtuiging.
“Waar kom je eigenlijk
vandaan?” vraag ik.
“O, hier in het laantje….”
klinkt het vaag.
“Woon je hier of ben je op
visite ?”
“Dat weet ik eigenlijk niet.
Jij vraagt wel een hoop vragen hoor.” Zo, daar kan mijn nieuwsgierigheid het dan
even mee doen.
Ik probeer een andere tactiek :
“Maar zullen ze je niet missen ? Je vader of je moeder ? Misschien zijn ze wel
ongerust als ze je niet zien.”
“Nee hoor, ze hebben het veel
te druk, er is wijn en er zijn hapjes. En de tuin is erg groot, ze missen me
vast niet. Heb jij een sapje voor me ? En een lekker koekje of zo ?”
Wat moet ik doen ? Het is
tegenwoordig niet meer zo eenvoudig een vreemd klein jongetje in je huis te
hebben en eten en drinken te geven.
“Angel, ik weet niet of jouw
ouders het wel goed vinden dat ik jou wat te eten en te drinken geef, ik ken ze
niet eens.” zeg ik terwijl ik me een beetje stom voel.
Gelukkig loopt hij de keuken al
weer uit en speelt even met Sam, mijn hond, die Angel eens goed besnuffelt. Hij
schaterlacht als Sam hem een lik over zijn snuitje geeft. “Heeft hij een naam ?”
vraagt Angel op Sam wijzend. Ik vertel het hem.
“Ja, maar heeft hij ook een
dubbele achternaam zo als ik ?”
“Nee.” zeg ik.
“Zijn zijn vader en moeder dan
wel getrouwd ?”
“Ik weet het echt niet, ik ken
ze niet zo goed.”
“Wanneer krijgt Sam zijn eten
?”
“Vanavond om 5 uur.”
“Geef jij hem te eten ?”
“Ja, natuurlijk.”
“Dat mag niet hoor.” zegt de
kleine parmantig.
“Waarom dan niet ?” vraag ik
verbaasd.
“Omdat je zijn ouders niet kent
!” flapt de wijsneus er uit.
Hij kijkt mij aan met een
grijns op zijn wijze smoeltje en slaat dan plotseling zijn kleine armpjes om
mijn middel en zegt: “Ik ga er weer vandoor hoor. Mamma kan me wel eens nodig
hebben met de hapjes en de wijn te serveren. Het was gezellig hier en ik vind
Sam een leuke hond. Misschien kom ik nog wel eens een keertje terug, maar dat
weet ik nog niet helemaal zeker. Dag Yoka Metmaaréénnaam !”
Angel huppelt naar buiten en ik
voel me ineens een beetje eenzaam.
Onlangs ontving ik een
e-mailtje van een kennis in Nederland en het ging over een programma dat zij op
de Nederlandse TV had gezien. Het was zo’n wonderlijk verhaal dat ik haar maar
even opbelde om helemaal duidelijk te horen wat het nu toch inhield. Zij
vertelde me het volgende: “De schapen in Nieuw Zeeland krijgen een jasje aan,
waar hun wol doorheen groeit. Het scheelt veel werk, maar het is niet zo dat je
het jasje zomaar kunt uitrekken, want de vacht zit natuurlijk vast aan de huid.
Nee, als de scheertijd er is dan krijgen de schapen een injectie waardoor de wol
losraakt van die huid en dan kun je na een paar dagen dat jasje zo uittrekken
met vacht en al er aan vast. Dan kun je ze ook weer meteen een nieuw jasje
aandoen. Bij het jasje moet je je voorstellen een groen gaasachtig rol ding,
waar ze hier de kerstbomen in verpakken. Het schaap gaat op de rug in een soort
trog en die klapt samen of schuift er overheen en dan heeft hij z’n nieuwe jasje
aan.”
Het eerste wat ik zei toen ik
dit hoorde was: “Dit is zeker een programma dat werd uitgezonden op 1 april !”
“Nee,” riep ze verontwaardigd, “het is echt waar !”
Omdat ik het uitbrulde van de
lach smeet ze nijdig de telefoon op de haak. Hier schrok ik toch even van en
aangezien ik nu eenmaal overal het mijne van moet hebben ging ik op onderzoek
uit. Eerst belde ik iemand, die ooit in de wolindustrie werkte. Hij zei dat
aangezien hij al 20 jaar gepensioneerd was ik het maar eens bij de Federated
Farmers moest proberen. Ik belde op en kreeg een heel lieve dame aan de lijn. Ik
vertelde m’n verhaal. Er volgde zeker 15 seconden doodse stilte toen vroeg ze
mij: “Zitten er ook mouwtjes in die jasjes?” “Hoe dat zo?,” vroeg ik haar. “Wel,
dan kunnen ze direct op een hangertje gehangen worden in de winkels als hippe
jasjes voor kinderen. Dat lijkt me een goede business !” antwoordde ze. Ik kreeg
toen het idee dat ik behoorlijk in het ootje genomen werd. Maar dat was toch
weer niet helemaal waar. Want ze vertelde me nog wel dat ze haar hart vast hield
voor al die schapenscheerders, die zonder werk zouden komen te zitten in de
toekomst als dit verhaal werkelijk waar zou zijn. Ze beloofde me ook dat ze
navraag zou doen en ik dus spoedig een telefoontje kon verwachten.
Omdat ik nog al ongeduldig ben
belde ik dus ook, voor alle zekerheid, de Lincoln Universiteit nog even. Ook zij
beloofden me terug te bellen, maar ik meende dat terwijl de telefoon werd
neergelegd ik een zacht schaapachtig gehinnik kon vernemen. Maar ik kan me
vergist hebben natuurlijk.
Na een paar uur kreeg ik een
telefoontje van een dame die werkzaam was bij de Federated Farmers. En, wie zou
het willen geloven, zij vertelde mij dat het echt waar is. Maar dat het
toegepast wordt in Australië en er in NZ alleen nog maar aan gedacht wordt.
De schapen krijgen een proteïne
injectie, waardoor de wol op een natuurlijke wijze afbreekt. Het schijnt dat dit
in het verleden ook gebeurde maar op een natuurlijke manier. De beesten gingen
tegen de zomer gewoon van zelf in de rui en hun vachtje viel zo van hun af
totdat de mens er zich mee ging bemoeien. Ze gingen alle schapen op een door hun
bepaalde tijd scheren. Hierdoor raakte de natuurlijk ruitijd volkomen in de war
en bleef de vacht gewoon doorgroeien tot dat de schapen scheerders er hun schaar
in zetten.
Maar nu krijgen ze dus een
soort haarnetje om hun bast, een ‘boob tube’ zou je het haast kunnen noemen dat
tegen de tijd van de scheertijd netjes uitgetrokken kan worden met de wol er
aan. Het proces heet Natuurlijke Wol Oogst. Stelt u zich eens voor, geen schapen
meer met grote wonden van de knipperij, geen stress voor het arme beest.
Misschien gaan ze zelfs netjes in de rij staan om hun jasje uit te laten
trekken. En wie weet, in de toekomst krijgt zo’n schaap misschien wel een net om
MET mouwtjes! En dan kunnen we inderdaad de jasjes zo kant en klaar in de
winkels hangen. Stel u het zich eens voor: Het zou een rage kunnen worden en de
natuurlijke aroma van schapen zo uit de wei krijg je er als extraatje bij ! Als
die aroma na een jaar of zo wat vervaagd is zal er wel weer een Nieuw Zeelandse
entrepreneur zijn, die net even zonder nummer acht heining ijzerdraad (*)
zit, die een spuitbus met schapenkeutel aroma op de Aziatische toeristen markt
brengt
(*) Nummer
acht heining ijzerdraad = number eight fencing wire. Nieuw Zeelanders staan
bekend om hun vindingrijkheid en het is ook bekend dat zij letterlijk alles
kunnen fabriceren en repareren met dit bepaalde nummer 8 ijzerdraad.
Van goede vrienden kreeg ik een
boek te leen getiteld "Het Wrede Paradijs" geschreven door Hylke Speerstra.
Speerstra zwierf over alle
continenten om verhalen van Nederlandse emigranten te verzamelen. Op een paar na
zijn het de levensgeschiedenissen van mensen uit Friesland. Deze landverhuizers
hebben zich gevestigd in vele landen rond de aardbol en vertelden hem over hoe
zij hun vertrek uit Nederland ervoeren en wat voor gevolg deze stap op hun
verdere leven gehad had.
Hij beschrijft de moeilijkheden
die men moest overwinnen om een plaatsje in zo'n nieuw, vreemd land te
veroveren, de heimwee waar zovelen mee hadden te kampen.
En het uit elkaar spatten als
zeepbellen van de toekomstdromen die ze hadden, maar bovenal het koppig
doorvechten om dat beetje vrijheid en geluk en om maar niet een mislukte
emigrant te worden. Een ontroerend boek waar wij, als emigranten, ons zelf
steeds weer in herkennen.
Voor mij werd dit boek een
inspiratie om u het levensverhaal te vertellen van een emigrant met een zelfde
doorzettingsvermogen, die ik heb leren kennen. Ik heb de naam hier veranderd,
maar ik kan u verzekeren dat ze wel degelijk bestaat !
Ria werd in Rotterdam geboren
in een gezin van 4 broers, die in de jaren vijftig allemaal naar Nieuw-Zeeland
vertrokken. Haar vader en moeder gingen op een gegeven moment hun zoons
achterna, maar Ria's man wilde niet emigreren. Na een lange ernstige ziekte
overleed haar man. Ze was 38 jaar oud en had 3 kleine kinderen. Haar ouders
zeiden: “Kom toch naar Nieuw-Zeeland dan is de familie weer compleet.”
Zo gezegd, zo gedaan. Haar
oudste zoon en dochter deden het goed op school in Nieuw-Zeeland. Zij gingen
beiden naar de universiteit. Ria kreeg een weduwepensioen uit Nederland om het
gezin in leven te houden. Maar haar jongste zoon had moeilijkheden, hij bleek te
lijden aan schizofrenie. Deze moeilijkheden werden steeds groter toen hij ouder
werd. Maar Ria voelde zich verantwoordelijk voor hem dus hij bleef thuis met
alle moeilijkheden van dien.
Anton is 38 jaar oud. Ook heeft
Ria haar moeder, die intussen 96 is geworden, al meer dan 20 jaar bij zich in
huis. Zij is incontinent en dementeert.
Ria gaat nooit uit, behalve dan
af en toe even een paar boodschappen doen, als haar broer op oma komt passen.
Oma wil niemand anders bij zich hebben en Ria prakkiseert er niet over om haar
in een tehuis te stoppen.
Nadat Ria aan haar schouder
geopereerd moest worden omdat ze zich vertild had aan oma kreeg zij eindelijk
hulp met het wassen en aankleden van de oude dame.
Maar voordat zij in het
ziekenhuis werd opgenomen liet ze haar zoon beloven haar elke dag te bezoeken,
daar had ze zo haar redenen voor. Hij weigerde namelijk nogal eens zijn
medicijnen te slikken. Elke dag als Anton zijn moeder bezocht bood ze hem een
frisdrankje aan waar ze heimelijk z'n medicatie in deed.
En zo zorgt ze dus al vele
jaren voor haar gezinnetje, zonder vakantie maar wel met liefde en volledige
toewijding.
Oma houdt van Nederlandse
kinderliedjes zingen. Laatst kwam ik onverwacht bij Ria op bezoek terwijl ze
samen met oma uit volle borst "Daar Was Laatst Een Meisje Loos" zong. En weet u
wat ze zei nadat we met z'n drietjes het lied van het 'Loze Meisje' hadden
beëindigd? "Als Oma één dezer dagen overlijdt en Anton een beetje beter wordt
dan ga ik lekker reizen. Ik trek de hele wereld door. Niet met een zware koffer.
Nee, met een rugzakje op mijn rug. Ga je ook met me mee, Yoka?”
"Maar voor ik vertrek," grapte
ze verder, "ga ik een lekker bakkie koffie voor je maken. Wat gezellig dat je er
weer eens bent."
En terwijl oma in een
makkelijke stoel zit te dutten en Anton met een koptelefoon op naar z'n
muziek luistert praten we een poosje over koetjes en kalfjes. Even is het heel
vredig in het knusse, kleine huisje.
Ria is nu 68 jaar oud en oma
kan nog wel 4 of 5 jaar mee zegt de dokter en Anton is ook een jonge, sterke
vent en hij wordt nooit meer beter.
Als de koffie op de tafel staat
en als ze me een lekker stukje eigen gebakken cake aanbiedt dan zegt ze met een
vrolijke lach op haar gezicht: "Wat hebben we het toch goed he?"
Kunt u zich voorstellen dat ik
door het vuur ga voor zo'n dapper wijfie?
Ze zit in de keuken op de
kokosmat, die prikkelt aan haar knieën en kijkt in het kastje, waar vier rode
emaille pannen keurig op een rijtje staan. In de loop der jaren zijn er hier en
daar stukken emaille van de pannen gebroken. Het is alsof er grote en kleine
zwarte vlekken op zitten.
Het rijtje loopt van groot naar
klein. Ze noemt de grootste pan Pappa, de volgende Mamma, dan Joop en als
laatste Anton. Ze is beetje verdrietig want ze had graag nog een vijfde pannetje
gezien, die zij dan naar zichzelf zou kunnen noemen. Terwijl ze zo zit te dromen
komt haar broer Anton binnen en vraagt wat ze in de kast doet. Ze legt het hem
uit en vertelt ook dat het fijn zou zijn als er een vijfde pan was. Als hij een
beetje verwonderd naar haar kijkt legt ze uit waarom ze dat zo graag wil.
Anton is acht jaar ouder dan
zijn zusje en weet overal raad op. “Wacht maar.” zegt hij en pakt van achter de
pannen een klein rood schaaltje. Het is nog helemaal gaaf omdat het niet erg
veel gebruikt wordt. “Dit,” zegt hij, “is een turke petje en dit kan dienen als
een vijfde pannetje.” “Waarom heet het een turke petje ?” vraagt ze. Hij legt
uit dat het zo heet omdat de Turken zulke hoofddeksels dragen. “Dat noemen ze
een fez maar hier in Rotterdam noemen we dat een turke petje.”
Ze begrijpt het nog niet
helemaal. Daarom zoekt Anton even in de keukenla en er komt een kwastje en een
bandje uit, die hij om het schaaltje bindt. Hij zet het schaaltje op zijn hoofd
en begint een beetje met zijn hoofd te wiebelen, hij loopt met rare stappen op
en neer door de keuken en zingt er een raar liedje bij. Ze lacht heel hard om
haar malle broer, vooral als ze het kwastje voor zijn ogen ziet bengelen.
De deur gaat open en daar staat
haar moeder. “Wat zijn jullie in vredesnaam aan het doen ?” vraagt ze. “O,
Mamma, Anton is een Turk en hij heeft een turke petje op zijn hoofd,” giert het
kleine meisje. De moeder lacht ook om het spektakel, maar zegt dan: “Laat het
nou niet vallen want dan vliegt er ook een stuk emaille af en dit is het laatste
wat nog ongeschonden is.”
Van die dag af is het turke
petje heel speciaal voor het meisje. Ze mag er soms soep uit eten of een
puddinkje. Het staat nu ook heel parmantig aan het einde van de rij pannen in
het kastje.
De tijden zijn slecht, want er
heerst al jaren oorlog. Er is bijna geen eten meer en Anton en zijn zusje gaan
naar de zogenaamde gaarkeuken om wat bijgevoed te worden.
Op een dag zijn ze weer op weg
voor hun middageten. Zij draagt een tas van touw gehaakt met daarin twee
schaaltjes en twee lepels, die nodig zijn om de maaltijd mee te nuttigen.
Plotseling zien ze in de verte
uit de winkel van C. Jamin mannen wegrennen. Er wordt gegild en ze rennen beiden
naar de winkel en kijken naar binnen. In de ingang liggen twee Duitse soldaten
op een bizarre manier over elkaar heen gedrapeerd. Vanonder hun lichaam loopt
een dikke stroom bloed over de stoep, naar het trottoir en vandaar druipt het
langzaam in de goot. Ze staart met haar kinderlijke nieuwsgierigheid
onbegrijpend naar dit tafereel tot haar broer haar weg trekt en roept: “Vlug
wegwezen, ze hebben twee moffen kapot geschoten, rennen !!!”
Twee weken later zal ze alleen
naar de gaarkeuken moeten omdat Anton ergens aan het hout sprokkelen is. Ze
huilt een beetje en zegt tegen haar moeder dat ze niet alleen wil gaan. Haar
moeder probeert haar op allerlei manieren van gedachten te veranderen. Als het
kind voet bij stuk houdt dat ze beslist niet wil gaan vindt haar moeder een
oplossing en komt uit de keuken met het turke petje en zegt: “Je mag dit mee
nemen om uit te eten als je een grote meid bent, die zonder mopperen alleen
gaat.” Het kind straalt alweer en gaat zonder verder te morren op stap.
In de gaarkeuken krijgt ze
bietjessoep, een waterige rode massa, die ze, ondanks de honger die ze heeft,
toch bijna niet door haar keel kan krijgen. Ze treuzelt heel erg en gaat
hierdoor als laatste de zaal uit op weg naar huis.
Onderweg komt ze langs een
groot stuk braak liggend land. Er staan wel honderd mensen in een halve cirkel
naar iets te kijken. Ze loopt er op af en duwt tussen de mensen door naar voren
om te zien wat er aan de hand is.
Ze ziet een rij met twintig
mannen en jongens staan. Tegenover hen staan Duitse soldaten met geweren in de
aanslag. De menigte er omheen dringt naar voren alsof te proberen het noodlot,
wat hier staat te gebeuren, te verhinderen. Als de menigte te dicht bij de
Duitse soldaten komt draaien zij zich plotseling om en sommigen slaan in het
wilde weg met de kolven van hun geweer naar de woedende maar ook angstige
mensen.
Het kleine meisje staat voorop
en als iedereen probeert weg te vluchten voor de dreigende soldaten voelt ze de
zware kolf op haar rug komen. En dan wordt het zwart om haar heen……
Als ze eindelijk haar ogen weer
opslaat ziet ze een zee van gezichten, die zich over haar heen buigt. Ze ligt op
de grond in een lampenwinkel. De mensen praten allemaal tegelijk, wrijven haar
koude handen en wikkelen haar in een deken. Een grote man in een lange jas en
een hoed op pakt haar op en draagt haar naar huis. Geholpen door de man legt
haar moeder haar in het kinderbedje. Ze valt bijna onmiddellijk in een diepe
slaap.
Als ze wakker wordt ziet ze
door de spijltjes van haar kinderledikantje haar moeder staan met de tas van
touw gehaakt over haar arm en het kleine rode schaaltje, het turke petje, in
haar handen. De moeder huilt als ze de deuk in het schaaltje ziet en zegt
zachtjes voor zich heen: “Nu is dit kleintje ook nog beschadigd net als de
rest.”
Er waren eens drie ganzen, ze
heetten Snip, Snap en Snater. Met z’n drietjes zwommen, liepen of zaten ze in de
buurt van de Wetlands bij Linwood Avenue in Christchurch.
Een oud mannetje en vrouwtje,
Jip en Janneke genaamd, reden in hun auto bijna dagelijks langs dat water en
keken dan naar Snip, Snap en Snater. Jip en Janneke noemden de drie ganzen hun
vriendjes ook al waren Snip, Snap en Snater zich van deze vriendschap helemaal
niet bewust.
Op een goede dag was Snater
verdwenen. Jip en Janneke stopten hun auto en keken rond, liepen een stuk langs
het water, keken onder bosjes maar zagen de gans niet. Ook de volgende dag waren
het slechts Snip en Snap, die langs de water kant zaten. “Wat zou er toch
gebeurd zijn ?” vroeg Janneke verdrietig aan Jip. Jip wilde zijn vrouwtje niet
verdrietig zien en zei: “Ach, misschien vond Snater het wel vervelend om
het vijfde wiel aan de wagen te zijn en is hij wel een ander maatje gaan
zoeken.” Dit vrolijkte Janneke weer helemaal op. En zo keken ze weer iedere dag
uit om hun twee witte vriendjes daar bij of in het water te zien.
Zo verliepen er een paar jaar.
Als Jip en Janneke langzaam voorbij reden draaiden de ganzen vaak hun kopjes
naar de auto toe en was het net of dat ze naar hen knikten. Misschien
verbeeldden Jip en Janneke zich dit wel maar het was in ieder geval een heel
leuke gedachte.
Een paar weken geleden ging
Janneke even alleen uit om een paar boodschappen te doen omdat Jip druk in de
tuin bezig was. Zij reed langs het water en zag in de verte al dat Snip en Snap
in het water waren. Toen zij vaart minderde zodat ze even kon kijken naar haar
vriendjes merkte ze dat Snip de kop wel heel lang in het water hield. Vaak had
ze gezien dat ze hun kopjes diep in het water staken om te zoeken naar iets
eetbaars maar deze keer duurde het wel erg lang. Ze draaide de auto om en
parkeerde langs de weg. Ze sprong er uit en ging kijken. Snap, die vijf meter
verderop zwom, kwam heel vlug terug en ging vlak naast Snip zwemmen. Janneke
keek en keek, wel vijftien minuten lang maar Snip bracht de kop niet meer
omhoog. Heel langzaam drong het tot Janneke door dat Snip dood was. Ze barstte
in tranen uit en reed heel vlug naar huis om Jip er bij te halen want hij wist
altijd overal raad op. Jip probeerde haar te troosten maar toen hij Snip daar zo
met de kop in het water zag rond drijven begreep ook hij dat hier niets meer aan
te doen was.
Jip en Janneke besloten naar
hun dierenarts te gaan om te vragen wat er nu moest gebeuren. Ze wilden niet dat
Snip op zou worden gegeten door de palingen, die ook in grote getalen in het
riviertje rondzwommen. De receptioniste van de dierenarts zei: “Ik weet echt
niet wat er gebeuren moet, maar we hebben toevallig het vrouwtje van de Vogel
Reddings Brigade in de wachtkamer. Vraag het haar even.” Janneke stapte op het
vrouwtje toe, die daar net op haar beurt zat te wachten met een zieke zeemeeuw
op haar schoot. Na het verhaal gehoord te hebben zei zij: “Maak je maar geen
zorgen, ik ga direct nadat ik de dierenarts gezien heb naar de gans kijken en
dan haal ik hem uit het water. Hoe gaat het met de andere gans ?” Janneke
vertelde dat die trouw de wacht hield bij zijn maatje. “Ja,” zei het vrouwtje
van de Vogel Reddings Brigade “dat kan nog wel eens een treurige geschiedenis
worden, want die beesten rouwen heel lang en heel intens als hun kameraadje
overlijdt.” “Ojee,” riep Janneke “wat gaat er dan gebeuren ?” Het vrouwtje van
de VRB vertelde haar dat ze Snap na een dag of drie op zou halen en zou zorgen
dat hij een goed tehuis zou krijgen. Zij vond het daar toch al niet zo’n beste
plaats voor ganzen, heel vaak werden ze overreden en ze hadden ook veel last van
vervelende jongens, die de beesten vaak plaagden. Janneke was toen gerustgesteld
dat er ook goed voor Snap gezorgd zou worden.
Ze ging samen met Jip haar
boodschapjes doen en op de terugweg reden ze nog even langs het water om te
kijken hoe het gesteld was met Snap. Ze vonden het vrouwtje van de VRB met haar
handen in het haar, want zij kon de grote gans heel moeilijk uit het water
verwijderen met haar schepnet. En Snap bleef ook steeds dreigend naar haar
kijken. Ganzen staan er om bekend dat zij hun maatjes soms tot de dood
beschermen of verdedigen.
Intussen waren er nog heel wat
andere mensen gearriveerd, die allemaal goede raad gaven en oplossingen wisten.
Maar niemand deed verder iets. Maar Jip, die heel dapper is, bood toen aan om in
het water te stappen en op die manier Snip er uit te halen. Iedereen zei toen
“Oooooo…..” en “Aaaaa…..” “Meneer, weet u wel dat het water daar op die plek
behoorlijk diep is ?” Snap was intussen een heel stuk weg gezwommen
waarschijnlijk had hij honger en zocht naar iets om te eten. Jip keek naar
Janneke, zij knikten naar elkaar en toen rolde Jip heel kordaat zijn korte broek
nog korter op en stapte in het water, dat er niet erg fris uit zag. Hij waadde
naar de gans toe. Soms moest hij zich aan de bosjes, die langs de kant groeiden,
vastgrijpen want de bodem was ook erg modderig en soms zakten zijn voeten heel
diep weg. Toen hij eindelijk bij de gans was duwde hij hem heel voorzichtig
naar de kant. Het duurde heel lang omdat Jip steeds vast raakte in de modder. De
mensen op de kant stonden allemaal druk met elkaar te praten en niemand trok
zich eigenlijk verder iets van Jip aan, maar Janneke hield goed een oogje op
haar dappere mannetje en hoopte dat alles toch maar goed verlopen zou.
Eindelijk kon Jip Snip op het
drogen tillen en kon het vrouwtje van de VRB hem meenemen naar de plaats waar
dode ganzen naar toe gaan. Iedereen vertrok en Jip stond naast Janneke en ze zag
dat Jip een schoen kwijt was maar dat kon haar niets schelen, want ze was zo
vreselijk trots op haar Jip!
Snap is nu intussen ook
verdwenen van de waterkant bij Linwood Avenue. Jip en Janneke hopen nu maar dat
hij een fijn plaatsje heeft gevonden waar hij het verdriet om zijn maatje gauw
zal kunnen vergeten.