Samen met nog een stel, zijnde een schoonzusje met haar man, naar Italië. We
hadden een leuke "cassetto" gehuurd. Boven ons vertoefde een gezellig Duits
echtpaar, waar we veel mee aan het zwembad zaten. Ook met een Italiaans
echtpaar hadden we contact, doordat ik vaak de neiging had wat Napolitaanse
liedjes aan dat bad te gaan zingen. Zij dachten meteen “Oh, die kan goed
Italiaans spreken, daar kunnen we mooi mee kletsen.” Maar, mooi niet! Die
liedjes kende ik onderhand wel "uit het hoofd" omdat ik ze al zo vaak gezongen
had, maar een gesprek voeren, dat kon ik niet!
Op een zekere avond gingen we met dertien personen naar een dorpsfeest, beneden
in een dal. We gingen lopend, want we hadden eerst gevraagd wie er met de auto
wilde en wie er wilde gaan lopen en omdat er zeven wilden lopen werd het dus
lopen. De
heenweg ging prima, maar de terugweg! Na al die....wijn, wijn en nog eens
wijn...!
Het dorpsfeest was op een groot plein met rondom alle dorpsbewoners, want er
trad een beroemde band op!
Toen het feest goed aan de gang was, en wij ook al enige wijntjes op hadden,
werd er door de bandleider omgeroepen of er iemand met de zangeres van de band
een speciale dans wilde doen. Om dat verzoek wat kracht bij te zetten ging er
een felle schijnwerper langzaam rond het plein over de hoofden van het publiek
heen, tot mijn leuke zwager Henkie mij bij de arm pakte en die arm met geweld
omhoog drukte en riep: HIERZO!!! En omdat ik me niet wilde laten kennen ging ik
maar richting de band. En wat hebben wij, de zangeres en ik, gedanst!
Na afloop moest ik achter het podium komen en werd mij nog wat te drinken aan
geboden, omdat dit wat lang duurde kwam de Duitser bezorgd naar het podium toe
en riep: "Geraldo (zo noemde hij mij), wo bleibst du?”. Hij was zo bezorgd
geworden. De terugwandeling was vreselijk vermoeiend, want we moesten om beurten
de, veel te dikke Duitser, de bergen op duwen.
Nou was het gebruikelijk dat ‘s ochtends, al heel vroeg de Duitser mij riep: "Geraldo,
gehst du mit?", dan gingen we verse broodjes bij een bakker beneden in het dorp
kopen. Onder aan de "cassetto" wachtte dan een vriend van die Duitser, dat was
een Fransman. Dan kreeg je dus het volgende beeld: achter het stuur zat
de Duitser, ernaast de Nederlander (ik dus) en achterin de Fransman. Dan kwamen
we met een stelletje "internationalen" die bakkerswinkel binnen en klonk het
van: "Gute Morgen ", "Goede morgen" , en "Bon jour" en toen we weg wilden gaan
vroeg de winkeljuffrouw: "Willen jullie even wachten" en ze haalde het
bakkerspersoneel in de winkel, waarop er een riep, wijzende naar mij: "Grando artisto!”
dat duidde op de avond tevoren.
Nog leuk om te vertellen is dat mijn zwager eens aan de Duitser de vraag stelde:
"Als wij te veel op hebben en je hebt de volgende dag hoofdpijn, dan noemen wij
dat een "Kater", maar hoe noemen jullie dat?", waarop hij antwoorde: "Dat noemen
wij broemen in die Schedel". Daardoor werd de Duitser, de dagen daarna "Her Brumschedel" genoemd!
Een Italiaan, die vaak rondom die "cassetto's" rondliep had een wandelstok.
Daarmee haalde hij dan wel eens voor ons een vijg van de boompjes af, want hij
had niet graag dat wij dat zelf deden. Als wij die man dan weer zagen aankomen,
riep mijn zwager: "Pas op, daar komt "Vijgio" ook weer aan!
Er waren door een van ons leuke foto's van dat dorpsfeest gemaakt alleen die
persoon had zijn camera te lang, met die hitte, in zijn auto laten liggen met
alle gevolgen van dien... Er is dus wat dat aparte feest betreft, alleen een
foto waarop een aankondiging van de band, waar ik ook opsta.
Het begon op de "Koningschool", een lagere school alleen toegankelijk voor
jongens! (Wist ik me daarom later op de MULO wat moeilijker aan te passen? Daar
waren dus ook meisjes aanwezig, dus veel leuker).
Het hoofd van die lagere school was geen prettige man, behoorlijk streng. Nou
was hij ook nog een klant van mijn vader. En nog erger hij was ook nog bevriend
met mijn vader! Zo kwam hij ook vaak op de zaterdagavond bij ons biljarten. Als
ik thuiskwam met een klacht dan zei mijn vader al gauw: "Dat zal je dan wel
verdiend hebben!" en daar was de kous mee af.
Omdat er een paar kinderen uit de klas, waar ik er ook een van was, de letter R
in een woord wat slecht uitsprak (die rolde niet genoeg, naar zijn zin), had hij
de gewoonte om de woorden Bduin en Bdood op het schoolbord te zetten. Wij
moesten dan allen tezamen de beide woorden achter elkaar opzeggen en dan steeds
sneller, dus tempo maken, dan "rolden" die woorden er goed uit (probeer het
maar eens).
Dat herhaalde hij dan een poosje en gaf met zijn viool- strijkstok de maat aan.
Die stok had hij bij zich, omdat we ervoor zangles kregen. Dan kon hij je er
mooi een tik mee geven, want na zo'n Bduin/Bdood-oefening kwam hij plots naast
je in de bank zitten en moest je dat woord ineens opzeggen! …maar dat lukte dan
mooi niet en dan kreeg je zo'n tik, met de vioolstok! En begon de oefening
opnieuw! Leuk he?
Op de foto sta ik, Gerrit, in de eerste klas geheel
rechts onderaan; het hoofd van de school staat helemaal achteraan.
De laatste jaren die we nog hadden te gaan, moesten we elders doorbrengen want
de school werd door de Duitse bezetter gevorderd. Toen hebben we om de beurt bij
verschillende leerlingen thuis, waar voldoende ruimte was, wat lessen gevolgd.
Zo ook bij ons in de bakkerij, van 10-12 uur. De jongens moesten dan wel zelf
een stoel meebrengen: ik zie ze nog met zo'n stoel onder de arm, over de straat
komen lopen.
Na de oorlog hebben de Canadezen ook nog een half jaar in die school
"huisgehouden", want het was me daar een troep! Toen we weer op die school
terecht konden hebben we maandenlang iedere dag “handenarbeid" als les moeten
doormaken. De privé-tuin van het schoolhoofd viel daar ook onder! Een paar
jongens, waar ik ook onder viel, waren zo slim om niet te snel naar de schuur te
rennen, want de kruiwagens stonden vooraan. Die moest je dan als eerste pakken
en kon je het zware werk gaan doen, dus rustig even afwachten en dan konden wij
de harken en de schoffels pakken voor het wat lichter werk. Als het schoolhoofd
wat te dicht in de buurt kwam gingen we driftig aan de slag! En zo kon je het
wel maanden lang volhouden.
Daarna ging ik naar de MULO en daar kreeg ik voor het eerst met meisjes te
maken. Buiten de schooltijd had ik al wel met meisjes "te doen gehad" (Ander
verhaal!). Blijkbaar hadden we daar toch wat moeite mee, want op een dag, zei de
jongen die naast me zat tegen mij: "Breng morgen eens een schaar mee!"
“Waarom dat dan?” vroeg ik. “Nou dan knippen we die vervelende vlechten van dat
meisje voor ons gezeten, eraf!”. Dus bracht ik de volgende dag een schaar mee,
wilde die aan hem geven, waarop hij zei: "Nee, dat moet jij doen!"
“Jij brengt die schaar toch mee!" En omdat ik me niet wilde laten kennen en
begon ik er een af te knippen. Ver kwam ik echter niet, want ze draaide zich om
en trok mij aan mijn haren over haar bank heen en daar lag Gerritje languit op
de grond, precies naast de leraar Duits. Hij werkte mij toen, al schoppende en
roepende "Zo, die heb je dan ook alvast gehad", mij de deur uit.
Ik ben maar twee jaar op die school gebleven, alhoewel ik overging naar de derde
klas. Ik was blij dat ik er af was: ik vond schoolgaan maar een vervelend gedoe!
Maar... daarna moest ik van mijn vader toch nog, drie jaren lang naar een zgn. "Handels-avondschool"
(HAS). Drie avonden per week na overdag in de bakkerij gezwoegd te hebben en op
de dinsdagmiddagen privéles van een leraar-banketbakker.
Aan dit alles kwam op mijn 20ste verjaardag een einde, want precies op die
verjaardag kon Gerrit de bus naar een kazerne in Wezep nemen. Bijna twee jaar
"mocht " ik mijn militaire Dienstplicht vervullen!
Regelmatig kwamen er vier Duitse officieren, in een 4-deurige DKW over de
Loseweg gereden. Tot op zekere dag dat ook gebeurde en ze hadden duidelijk veel
drank op. Mijn wat oudere broer en ik stonden voor ons huis op de stoep te
kijken. We konden nog maar net een sprong opzij maken, om die vier te kunnen
ontwijken! Ze belanden, schuin tegenover ons bij een huis, over de kop
geslagen, in de voortuin!
Ik zie nog de DKW, met de wielen aan de bovenkant, een ronddraaiende beweging
maken middels het dak. Toen het spul stilstond klommen de vier er met moeite
onderuit, raapten hun petten bij elkaar en schrompelden huiswaarts richting het
paleis waar ze ingekwartierd waren.
Op een dag was ik weer eens aan het hoepelen. Ik kwam bij ons het grindpad uit
en wilde de bocht, linksom de stoep op, maken, maar de hoepel gleed uit mijn
handen… rechtdoor de straat op! Daar bleef de hoepel een beetje staan draaien,
terwijl net die vier met hun DKW langskwamen. Dat was een verschrikkelijk hels
kabaal onder die auto: de remmen piepten, de vier portieren vlogen open en
Gerritje zette het op een lopen van jewelste, met vier hijgende vette officieren
achter zich aan! Ik ging bij onze buurman de tuin in; daar waren verscheidene
paadjes, maar na verschillende keren die paadjes genomen te hebben besloot ik
toch maar richting ons huis te rennen, tot ik helaas op het pad van de buurman
uitgleed in het grind en daar lag een angstige Gerritje met de vier om zich
heen, met een angstige blik naar boven te kijken, waarop een van de vier zijn
gelaarsde been op mijn ruggetje plaatste, een pistool trok en aan de andere drie
de vraag stelde: "Sollst das ein judenjung sein?". Door mijn donkere haar en wat
forse neus heb ik waarschijnlijk die gedachte gewekt. Waarop gelukkig (!!!) de
andere drie wat twijfelachtig met hun hoofd schudden, die ene zijn pistool dan
toch maar weer wegstopte, mij een flinke schop onder mijn kontje gaf en toen
vertrokken zij. Ik liep schoorvoetend achter hen aan en toen ze wegreden kon ik
een verschrompeld stuk ijzer oprapen en liep er mee onder mijn arm weer
richting ons grindpad.
Soms moet ik er nog wel eens aan denken en dan denk ik: "Wat heb ik toen toch
ongelooflijk veel geluk gehad!”.
Een foto uit die periode, gemaakt tijdens de bevrijdingsfeesten.
Ik ben degene met het witte overhemd.
Achttien jaar oud was ik. Ik had net mijn motorrijbewijs gehaald en mijn eerste
tweedehands motorfietsje, een 125 cc van het merk Sparta, gekocht voor de prijs
van 400 gulden. Mijn wat oudere broer kocht toen, voor dat bedrag een nieuwe
bromfiets van het merk "Kapitein Mobylette". Dit geldbedrag kregen wij van onze
ouders omdat onze vier zusjes een zogenaamde "Bruidsschat" van hen kregen.
Op Sinterklaasavond zeg ik tegen mijn moeder "Ik ga even langs vriend Jan".
Waarop zij zei "Maar je gaat niet op de motor met die goeie kleren aan! Als je
vader daarvan hoort dan zal hij nog harder brommen dan dat motortje van jou!".Toch maar
stiekem even doen, dacht ik.Bij vriend Jan
aangekomen hoorde ik, met mijn motorfietsje aan de weg staand, zijn moeder
vanuit de kamer roepen "Je gaat niet bij dat jong achterop!" waarop Jan zachtjes
riep "Rijd maar even naar hier om de hoek, dan kom ik eraan!".
Daar kwam Jan aan, met onder zijn arm een enorme lampenkap van zo'n 80 cm
doorsnee. "Wat moeten we daarmee” riep ik verbaasd. "Die
moet naar een klant van mijn moeder, op de Wolweg” riep Jan boven het getetter
van het motortje uit. Zijn moeder had namelijk een lampenkappenatelier. "Kom er
dan maar mee achterop" riep ik en Jan klom achterop met het joekel. Zo reden we
richting de klant, maar vrij kort daarna passeerden wij een paar fietsers, en
stoten we met die kap tegen hen aan. Ik was helemaal vergeten dat Jan een
lampenkap onder zijn rechterarm droeg. Bij de klant aangekomen werd een lichte
beschadiging ontdekt, dus gingen we ermee terug naar huis. “Rijdt a.u.b. wat
kalmer aan, want ik heb nu al gedonder. En help me wat te verzinnen.” zei Jan.
"Zal ik zeker
doen” zei ik en dus reden we rustig terug tot we een eindje verderop een paar
militairen, ook op de fiets, wilden passeren. Onverwachts stak er een hondje
schuin voor hen langs de weg over en wij kregen dat beest onder het voorwiel. En
ja hoor, daar gingen wij met een salto door de lucht. We kwamen aan de overkant
op de stoep terecht en lagen beiden te creperen van de pijn. Ik zie Jan, als ik
eraan denk, nog over mij heen komen, precies vallende bovenop de lampenkap. Het
verzachtte wel even zijn val, maar de kap was zo plat als een dubbeltje geworden
en de baleinen staken van alle kanten door de jute zak, waarin de kap werd
vervoerd. Personeel van de winkel, waarvoor we op de stoep lagen, heeft
onze wonden met pleisters beplakt.
"Ik ga wel even
met je mee naar huis” zei ik "Oh, doe dat maar mooi niet; blijf jij voorlopig
maar uit de buurt!" riep Jan. Zo liep Jan, zielig alleen, nog wat tranen van de
schrik wegvegend, met z'n bundeltje onder de arm huiswaarts en ik schoof mijn
‘tweedehandsie’ richting een, gelukkig dichtbij gelegen, motorzaak.
Toen ik thuis
kwam riep mijn moeder "Jonk, waar blijf je toch! Jan z'n ouders hebben ook al
gebeld. Die snappen er ook al niets van, waar jullie toch verblijven.". Toen zag
mijn moeder het gat in mijn rechter broekspijp en riep "Ga gauw naar boven en
trek een andere broek aan, want als je vader dat ziet, dan waait er wat!".
Waarop ik, vanaf de trap riep "Het waait toch al hard, dat hoort toch
bij Sinterklaasavond?". Waarop zij riep "Ach hou toch op, jonk, moet je daar ook
nog grappen staan maken?” Toen hebben we er beiden toch hartelijk staan te
lachen... Ik weet niet meer hoeveel de reparatiekosten van het motorfietsje
waren, maar ik weet wel, dat ik toen niet meer hoefde te lachen...
Mijn moeder
heeft de volgende dag de broek stiekem (net zoals ik dus was) weggebracht om
onzichtbaar te laten stoppen. Ik vraag me nog wel eens af of mijn vader daar
eigenlijk ooit iets van geweten heeft. Ik heb hem er in ieder geval nooit over
gehoord. Toen ik in het voorjaar weer bij vriend Jan thuis "mocht" komen hebben
we met z'n allen toch zitten lachen! "Hou op” riep Jan' s moeder “ik krijg
er weer buikpijn van, als ik daar nog aan denk! Maar nu, gelukkig, van het
lachen!". Ze kroop gauw achter de piano en wij gingen met z'n allen vrolijk
zingen. Dat deden we trouwens vaker als ik bij hen was.
Schitterend
weer, dus lekker fietsen. Eerst een eind met de auto? “Nee” zegt Truuske “dan
zitten we met dit mooie weer uren in die auto.” Okay rijden maar, waarheen?
Maakt niet uit!
We rijden
richting Teuge, vandaar naar Twello en zo richting Voorst. Daar aangekomen
wilden we beide wel eens even ergens zitten, op een bankje bijvoorbeeld> Die
zijn tegenwoordig, vind ik althans, nog maar schaars te vinden, zeker als je er
net toevallig een nodig hebt.
"Oh, daar heb je
een restaurant” zegt Truuske. "Joechee" zeg ik “daar staan genoeg stoelen op het
terras; daar kunnen we mooi zitten!”
"Mooi niet" zegt Truuske “de zaak is nog niet geopend"
"Nou en?" zei ik.
"Kijk” zegt Truuske weer “nog 5 km dan zijn we mooi in dat leuke plaatsje
Posterenk, daar vinden we wel wat leuks"
“Goed, maar geen kilometer verder!” zei ik.
Daar aangekomen was de hoofdstraat, waar we op reden ineens helemaal afgesloten!
Potverd... “Wat nu?” vraagt Truuske. “Ik ga geen meter meer terug, ik ga
rechtdoor, ik ben hondsmoe.
Dus
rechtdoor door de feestvierenden "gekropen", want er was een buurtfeest aan de
gang: een grote tent met allemaal zitjes, je kent dat wel. Achteraan was de
straat afgezet met een vrachtauto met daarin een band. Toen ik aan de
organisatie vertelde dat we van Apeldoorn afkwamen en al een tijd lang op
zoek waren naar een plekje om even wat uit te kunnen rusten, zei de man: "Jullie
mogen hier gerust een plek uitzoeken, er is nog plaats.”
Dus zaten we
mooi op een soort picknickbank en we zaten nauwelijks of er diende zich al een
ober aan en plaatste een schaaltje met gesorteerde nootjes voor onze neuzen op
tafel! "drankjes en hapjes moet u zelf afhalen" zei de man. Sommige mensen
vroegen of we pas in Posterenk woonden omdat ze ons nog niet kenden...
Na een half uur
een dameskoortje aangehoord te hebben, die o.a, heel toepasselijk het bekende
"Daar bij die molen zongen" (want vlakbij kon je een echte molen zien staan;
was dat even een mooi decor), kwam na hen een Allround-band optreden. Nou daar
hebben wij zo'n twee uur heerlijk van kunnen genieten!
En dit allemaal onder het
genot van drankjes; een paar glazen bier. Truuske maakte mij er even goed attent
op dat ook ik nog enkele kilometertjes te fietsen had. "Laten we nu dan maar als
de ... verder gaan” zei ik “want we zijn inderdaad nog niet thuis!"
Thuisgekomen
konden we zo' 55 km op de teller aflezen... Het was best de moeite waard!
Een "Poppey-achtige spierbal"…, maar niet van de
spinazie…
Het geschiede
omstreeks september 2011
De weerberichten
klonken gunstig. Oh, dan kunnen we nog mooi een keer een tuinfeestje houden.
Maar ja, je weet het maar nooit met dat weer hier in Holland. Laat ik voor de
zekerheid maar een kabel over de voortent gooien en vastzetten met wat flinke
haringen.
Zo gezegd, zo
gedaan. Maar bij het indraaien van de eerste haring (geen zoute en ook geen
zure) hoorden we, Truuske stond vlakbij me, een raar geluid in mijn rechter
bovenarm! Ik had teveel van die spieren gevergd en was het hele ‘spul’ van de
schouder afgescheurd. "Zou je daar niet eens mee naar de dokter gaan?" vroeg
onze zoon zich na een paar dagen af. En dus ging ik naar de huisarts, die op
zijn beurt vroeg waarom ik er niet meteen mee was gekomen.
Er konden snel
foto's gemaakt worden en ook die arts was eigenlijk niet te spreken over mijn
late actie. "Ik zal proberen z.s.m. een afspraak met een chirurg te regelen"
zuchtte ze. Dat kon meteen de volgende dag. Die arts, een chirurg dus, vroeg
zich echter weer af waarom er zo'n paniek gemaakt was: “We gaan het eens rustig
bekijken, ik wil u over een maand terugzien en dan kunnen we bepalen of er wel
wat aangedaan moet worden; het kan voorlopig geen kwaad”.
"Maar beste man,
ik zie dat u van voor de oorlog bent, qua leeftijd zou u het best eens wat
rustiger aan kunnen doen" zei hij "en u heeft dus ook bewust de oorlog mee
gemaakt" zo stelde hij. Toen ik hem mijn verhaal over: "Sollst dasz ein
Judenjung sein" vertelt had zei hij: "Hebt u ook nog een stukje geschiedenis aan
dit doktertje verteld". Een maand later zoals afgesproken, kwam ik terug. "Hoe
is het met u" vroeg hij meteen. "Met mij gaat het goed, alleen die bult die daar
zit” wijzend naar mijn rechter bovenarm “zit nog niet op die plek waar ie hoort
te zitten” zei ik. Waarop de arts meteen antwoorde met "En daar komt ie ook niet
meer te zitten!"
"Geef me eens een hand" vroeg hij “en zo hard mogelijk drukken! Doet het pijn?”
“Nee” kon ik gelukkig meedelen. "Dan doen we er niets aan, of u moet zo
eigenwijs als mijn vader zijn, die zat ooit met hetzelfde euvel. wilde perse
eraan geopereerd worden, maar het heeft niets geholpen.”
"Tussen twee haakjes, u bent toch die man van dat "Judenjung-verhaal? Heb ik nog
vaak aan moeten denken".
“Ja , dat was ik” zei ik “dat hebt u goed onthouden”.
" Doe wat rustiger aan, vooral met die rechter arm" stelde de arts. “Zal ik
doen” zei ik “ik heb er trouwens vorige week nog houtjes mee gehakt.”
"Maak dat u weg komt " riep hij "Het ga u goed en geniet nog maar van het
leven".
“Doe ik ook” zei ik “vandaag ben ik lekker met mijn brommertje gekomen, gisteren
was het ook zo mooi weer, toen ben ik nog, met mijn zoon, beiden op een motor
over Hoogsoeren, Asselt enz. gereden.”
"Dan bent u langs mijn huis gereden want ik woon n.l. aan de Soerensweg" zei de
arts. "Ik zal de volgende keer een claxonnetje geven” beloofde ik.
En zo " bromde"
ik weer tevreden (gelukkig geen operatie!) huiswaarts, met 1 "stoere" spierbal,
niet van de spinazie... en die blijft zitten waar ie zit!
Zo'n 10 jaar
geleden schoof ik regelmatig op verschillende locaties achter een daar staande
piano en speelde daar mijn repertoire, meestal gecombineerd met zang. De
"opbrengst" hiervan ging dan naar het project van onze zoon.
Een van de door
mij meest bezochte locaties, was een winkelcentrum genaamd "de Korenpassage" in
Apeldoorn. In het midden van dit winkelcentrum was een pleintje waarop een
gezellig terrasje was gevestigd. Daar stond dus ook een piano; vele malen kon
men mij daar aantreffen. Eén van de (horeca-)ondernemers noemde mij "zijn
pianistje"! Eens vroeg een stel bezoekers uit Amsterdam mij of ik niet daarheen
wilde komen om te spelen. Als je daar geregeld vertoeft merk je eigenlijk pas,
doordat je vaak aangesproken wordt, dat zoveel mensen uit verschillende plaatsen
(uit het hele land) toch naar zo'n winkelcentrum komen.
Eén van de
mensen die mij aansprak was een pianoleraar. Het was een bejaarde man (net als
ik nu) die netjes wachtte tot ik uitgespeeld was met een bepaald lied en vroeg:
"Mag ik u even onderbreken?"
"Ja, dat mag wel” zei ik. “Ik ben pianoleraar geweest en alhoewel u eenvoudig
speelt wil ik u ook zeggen dat u zo mooi speelt! Ik kom hier vaak stiekem naar u
luisteren” vervolgde hij. Ik voelde me even zeer vereerd, maar toen het echter
goed tot me doordrong dat daar af en toe een echte pianist zat te luisteren...
Toch was dit
moment één van de mooiste complimenten die ik in mijn "pianotijd" ervaren heb
maar het allermooiste geschiedde een paar dagen daarna. Het was in diezelfde
week, daarom weet ik het nog zo goed. Er kwam een jongetje van een jaar of tien
(!) bij me staan en wachtte OOK netjes tot ik klaar was met een lied en riep
toen: "U speelt zo leuk en u zingt er ook nog bij. Ik heb hier een kwartje voor
U, voor Uw goede doel!". Toen ik thuiskwam heb ik het kwartje meteen in mijn
plakboek geplakt! Het zit er nu nog in. Voor mij heeft in mijn hele leven een
kwartje nog nooit zoveel waarde gehad als dit ene kwartje!
Op
de foto het kwartje en een momentopname tijdens een Sinterklaasfeest in het
winkelcentrum.
Wie kent niet de
TV-show "Memories", zover hoeft het voor mij niet te gaan, maar ik heb wel
mijn eigen "Memorieverhaal". Zo geschiede het...
Zij was 13, ik
14 jaar oud (jong). Ze woonde schuin
tegenover mij. Vanuit mijn slaapkamerraampje kon ik nog net haar slaapkamerraam
zien. Dikwijls "seinden" we naar elkaar en renden dan naar het schoolplein, dat
schuin tegenover haar huis gelegen was. Daar konden we dan fijn in het
fietsenhok "vertoeven".Vaak mocht
ik haar rolschaatsen lenen. Wandelden we door het romantische zandpaadje,
gelegen tussen de Amersfoortseweg en de Jachtlaan, het Valkenberglaantje
geheten. Ook mocht ik op haar verjaardagen komen. We gingen in de zomer wel eens
samen naar het "Bosbad". Dat bad heeft kortgeleden deze naam weer teruggekregen.
Dikwijls hielp ik haar met haar huiswerk (van
school). Niet omdat ze dom was - helemaal niet, het was juist een heel bijdehand
meiske - maar meer om contact met elkaar te hebben. Na het helpen met het
huiswerk, kreeg ik een paar kussen. Dus.. tot op een dag...we zaten beide op de
vensterbank van onze winkel en toe zag mijn oudste zus (die zo'n beetje mijn
tweede moederrol vervulde) ons kussen en kwam naar buiten gerend. Ze stuurde mij
naar binnen onder de woorden: "Snotneus, wat denk jij wel!" Was hier wat
jaloezie aan het spelen..? wie zal het zeggen.
Trouwens, kort daarna, na zo'n 2 jaar
"verkering" maakte ze het uit. Ik heb er toen best veel verdriet van gehad, tot
mijn vader op een gegeven moment tegen me zei: "Kop op jong, er is geen hand
vol, maar een land vol!" Een jaar daarna ging ze ook nog verhuizen en dacht ik:
"Die zie ik nu NOOIT meer terug".
Tot ik een paar jaar geleden van
een oud buurmeisje hoorde, dat ze weer terug was in Apeldoorn. Na heel veel
speurwerk kwam ik erachter waar ze woonde en nog woont. Van mijn vrouw kreeg ik
alle medewerking om contact op te nemen met haar. Er is een leuke vriendschap
van overgebleven. Soms komt ze bij ons en soms gaan Truuske en ik
naar haar toe.
Sinds een jaar
of 15 ondersteunen wij bewoners van een krottenwijk in India. Het is een project
opgezet door onze zoon.Eén van onze
activiteiten is het werven van donateurs en het volgende kan dan gebeuren...
Tijdens
een onverwachts bezoek aan ene familie Balk, één van onze collectebushouders
(gedeponeerd in hun zaak ): "Kom binnen" zegt moeder Ria “koffie?"
“Ja, graag” zei
ik. "Hoe was de reis naar India? Vertel eens!” Vader Joop zit op de bank. Zijn
dochtertje Kimberly van 11 jaar, zit er ook bij. Vader Joop zet de TV uit "Ja,
vertel eens" vraagt ook hij.
Dus ik vertel
over de reis. Ik had ook wat lichtbakjes (Diwaly-lights) en boekenleggers,
gemaakt door de door Marcel opgeleide ass. soc. werksters (zes meisjes in
getal) meegenomen. Na een tijdje, één en ander aangehoord te hebben zegt het
dochtertje: "Over tien jaar, als ik wat groter ben, ga ik met u mee om te
helpen!" Waarop ik zei: "Ach mijn kind, dan ben ik te oud ". Ik was toen 72 jaar
"Nee hoor” zegt ze “ik ga toch met u mee, dus u moet blijven leven!"
"En ik wil ook donateur worden, mag dat mamma?"
"Van mij wel” zegt moeder Ria
"Dat betaal ik zelf uit mijn spaarpot " en ze gaf me drie euro.
"Nu mag jij een lichtbakje of een boekenlegger uitzoeken" zei ik “en jij komt
bovenaan de donateurslijst te staan!" Waarna ze me om de hals vloog en drie
dikke zoenen gaf. "En ik ga er op school over vertellen!"
“Doe dat maar” zei ik.
"Wij kunnen ook wel wat lichtbakjes in de winkel gaan verkopen" zei vader Joop
"en de collectebus moet geleegd worden" riep moeder Ria.
"Hoe heet je ook alweer?" vroeg ik het meiske en ze pakte een papiertje en
schreef: ‘Kimberly, 11 jaar oud’ en gaf het mij.
Toen ik wegging
bedankten zij allen mij, waarop ik zei: "Jullie hoeven mij niet te bedanken, ik
moet jullie bedanken!"
Onderweg naar huis dacht ik: "Wat is dit eigenlijk MOOI WERK, dat ik dit nog
doen kan!
Bij thuiskomst
heb ik de naam van het meisje meteen bovenaan de lijst gezet. Truuske en ik
geraakten steeds meer gemotiveerd, het kan toch niet anders als je dit soort
dingen meemaakt.
Wij zijn nog
steeds zeer gemotiveerd bezig (al ben ik nu inmiddels alweer 78 geworden) met
Marcel’ s project. Ik moet maar eens gauw die familie bezoeken en horen of Kimberly
nog meegaat...
P.S. Binnenkort
verschijnt er een geheel vernieuwde site betreffende het project.
Mijn ouders hadden ooit een Brood- & Banketzaak. Voordat de zogenaamde bakfiets
en transportfiets (met een mand voorop) verscheen, ging mijn vader met paard en
wagentje zijn klanten bedienen. Voor privédoeleinden had hij ook nog een wat
luxere wagen aangeschaft, een zogenaamde ’Tonneau’. Daar gingen wij dan, vooral
op zondagen mee rondtoeren.
Juli 1934.
Opa van Kampen, Marietje, Truusje, Wim, Wily Jopie ,Gerrit en Oma.
Op een bewuste
maandagochtend echter, kwam mijn vader zoals gewoonlijk bij een klant aan de
deur. Het was bij een Freule, wonende aan de Loolaan.Bij het openen van de deur, van de prachtige villa, zei de Freule al
meteen: "Wat zag ik gisteren, bakkertje?"
"Dat moet u mij dan
maar eens vertellen", zei mijn vader verbaasd! "Kwam u langsrijden met paard en
wagentje?" vroeg de Freule. "Ja, dat klopt!" zei mijn vader “hoezo?”
"Nou dat heeft geen
pas", ik rijd namelijk zelf ook met precies zo’n wagen. U hoeft voortaan niet
meer aan te komen!" Dus was mijn vader een (‘goede’?) klant kwijt.
Ik zal maar niet
schrijven wat mijn vader toen gezegd heeft tegen haar. Maar zij die hem gekend
hebben, weten wel zo ongeveer wat hij gezegd zal hebben...
Jaarlijks, medio Januari, was het bij Banketbakkerij Maassen, de (goede)
gewoonte om met het personeel en 'aanhang' te gaan eten in Restaurant De gouden
karper in Hummelo. We waren dan met zo'n 20 personen en reden daar dan met vier
of vijf auto's heen en voor zo goed als het kon, terug...
Daar aangekomen had baas Maassen OOK de goede gewoonte om dan maar meteen een
van de obers 'aan de jas te trekken' en hem mede te delen, al wijzende naar
mij: "Deze man moeten jullie vanavond extra goed verzorgen, dat is de man waar
het om draait!". Nou...dat uitte zich dan meteen in vele - en veel te snel
achter elkaar opgediende - cognacjes, zodat ik in korte tijd...
Die bewuste avond moesten / mochten wij, omdat het hotel ons vergeten was te
boeken, gebruik maken van hun huiskamer, waar heerlijke fauteuils stonden. Een
paar banketbakkers doken, uit nieuwsgierigheid al gauw in een van de kasten en
vonden daar onder andere een spuitbus met sneeuw… wat daar toen mee
gebeurde…baas Maassen greep gelukkig gauw in!
In die kamer stond ook een redelijk klinkende piano (was dat maar niet zo
geweest!), dus ik ging erachter zitten en vrij gauw kwamen de andere
banketbakkers om me heen staan en begonnen luid mee te zingen. Niet lang daarna
kwam een ober de menu's opnemen en vroeg dus ook mij wat ik wenste te eten.
Omdat ik het vervelend vond dat hij ons stoorde onder het gezellige gezang riep
ik wat nors: "Doe voor mij part maar een bord havermout!". Nou, dat heb ik toen
geweten!
Daar kwam een ober, knoopte triomfantelijk een flinke servet om mijn hals,
deponeerde een best bord havermout voor mijn neus en zei met zeer luide
stem: "Eet u smakelijk, meneer". Het heeft eigenlijk best lekker gesmaakt, maar
mensen, wat zat ik VOL, ik kon geen hap meer op! Toen kwamen de lekkerste hapjes
op tafel. Ik heb toen maar gewacht tot de puddingen langskwamen, nee... niet de
appelmoes. En toen kreeg ik nog het volgende ‘toetje’. Wat gebeurde er
namelijk...
Ergens in de
bakkerij, met een collega.
Een
'blik' op een van de prachtige panden
van Banketbakkerij Maassen
Baas Maassen, kwam met nog iemand van het toilet af en zij wilden het
handdoekapparaat gebruiken maar deden dat kennelijk iets te wild, want het
gehele ding kwam van de muur afzeilen. Ze hebben beide nog geprobeerd dat
apparaat weer op te hangen, maar ze zeiden al gauw: "Laat maar liggen". Toen ik
echter van het toilet afkwam, dacht ik bij mezelf: "Dat moet toch makkelijk weer
op te hangen zijn" en toen ik dit probeerde, hoorde ik ineens achter me, met
brullende stem: "Zijn we hier de zaak zo'n beetje aan het slopen?". Het was de
restauranthouder zelf... ik wist niet wat ik zeggen moest, want ik wilde de
vorige gebruikers niet verraden.
Iets dergelijks overkwam mij, niet lang geleden, tijdens een etentje, gegeven
door een jarige buurvrouw, elders in een restaurant. Aan het eind van dit feest
liep de jarige, met haar dikke k... tegen een grote (antieke) staande klok.
Hierdoor braken er wat stukken af en die kwamen met een donderend geweld op de
grond terecht.
Iedereen liep er voorbij en overheen naar de garderobe toen en ik dacht: "Dit
kan niet jongens" en ging de stukken bij elkaar rapen. Tot er opeens weer iemand
achter me stond: de restauranthouder(!) en hij brulde: "Gaan we hier de boel een
beetje afbreken!"...in de verte, bij de garderobe, waar het een geschater was,
van jewelste, hoorde ik iemand tegen de jarige buurvrouw zeggen: “Oh, Moe, noe
krig oe buurman op zien donder omdat ie met oe dikke konte die klok zowat
onderste boven liep".
Beste mensen, ik heb me voorgenomen NOOIT MEER, VOOR EEN ANDER ‘de kastanjes uit
het vuur te halen'!
Op de foto: de tractorboer die een een ander
veroorzaakte.
Een ongelooflijk verhaal... nu niet uit de oorlogsjaren,
maar het geschiedde in mei van dit jaar, tijdens een weekje 'Bed & Breakfasten',
ergens op een boerencamping, aan het Tjeukermeer, in Friesland.
Op een dag wilden we maar eens niet fietsen maar gingen
we met de auto naar Sneek. Op de heenweg zag ik een imposante rij windmolens
staan. "Daar wil ik een foto van maken" riep ik "Dat doe je dan maar mooi op de
terugweg" zei Truuske, "eerst naar Sneek." Okay, zo gezegd, zo gedaan. Op de
terugweg, troffen we, op de linkerberm een boer aan met twee paarden, met
erachter een machine, om het hooi mee los te gooien. Iets verderop, in de
rechterberm, troffen we hetzelfde aan; dat bleek een zoon van de eerste boer, te
zijn. Alleen, deze stond stil, oh, dacht ik, dat komt effe mooi uit, dan kan ik
mooi een foto maken van een oud stukje techniek, met op de achtergrond, als
decor, die moderne windmolens. Dus een unieke combinatie, oude en nieuwe
techniek. We hebben de auto in de berm geparkeerd.
Ik zei tegen de boerenzoon: "Ik ben blij dat u even
stilstaat, want ik wilde u vragen of ik een foto mag maken van deze unieke
situatie, waarop hij zei: "Dat mag wel , maar ik ben NIET blij dat ik stil sta.
Het moet wel want het stoeltje, van de machine, waar ik gewoonlijk op zit, is
afgebroken en dus kan ik niet verder met mijn werk. Ik zit nu te prakkiseren wat
ik zal doen: zal ik eerst de paarden wegbrengen, (hij had ze dus gelukkig
(blijkt straks wel!) van de machine afgekoppeld) of zal ik met een lasapparaat
hierheen komen.
De foto, echter kon worden gemaakt. "Zal ik hem per pc
opsturen?" vroeg ik hem. "Nee, dat kan niet, want ik doe niks met een computer.
Doe maar per post"zo zei hij. "Dan heb ik je adres nodig" zei ik. Maar omdat we
beide geen papier en pen op zak hadden, zei ik: "Ik loop wel even naar mijn
vrouw in de auto, ben zo terug".
In de verte, tussen de paarden en de
boer,
zie je onze rode auto, met daarin een
wachtende Truuske.
Geheel rechts, de boer
met de tractor nog op het land bezig.
De boerenzoon, die
noodgedwongen moest
stoppen met zijn werk.
Op dat moment, was aan de overkant van de weg, op het land, een andere boer (ze kenden elkaar) met een beste tractor
hetzelfde aan het doen, maar hij was er klaar mee en kwam met het spektakel de
weg op en reed zo kort langs de twee paarden, dat ze van schrik rechtovereind
gingen staan en links omkeert maakten! Ze sloegen op hol richting, een in de
auto wachtende Truuske, die angstig riep: "Gerrit, pas op, ga liggen!", maar dat
kon ik nooit verstaan.
Ik heb de paarden niet langs me heen zien komen, wel
gehoord, ik ben in elkaar gekropen van schrik en heb wel de boerenzoon horen
schreeuwen tegen de paarden: "HO! STOP! AUTO!". Of die paarden het woord " auto
" wel begrepen hadden vraag ik me nu nog af.
Truuske zag dus de paarden op haar afkomen, het ene
paard wilde de wegkant van onze auto nemen, de ander de bermkant, ze zaten met
riemen aan elkaar , gelukkig trok het paard aan de bermkant de ander nog net op
tijd mee, rakelings langs de geparkeerde auto. Als die machine er nog achter
gehangen had dan... had ik waarschijnlijk dit verhaal niet zitten samenstellen.
Kort daarna kwam er een auto aangereden, de bestuurder
opende het raam en vroeg mij: "Gaat het een beetje?" Waarop ik vroeg: "Hoe gaat
het met jou, dan wel?"
" Met mij goed, maar mijn broer, die mij gebeld heeft en die ik net naar huis
gebracht heb, zit thuis, in de keuken nog na te shaken. Ik kom namelijk om mijn
vader te helpen de 4 paarden naar huis te brengen. Even later kwam ook de
vaderboer met zijn paarden onze kant op, we hebben nog wat na gepraat, die vader
heeft trouwens de op hol geslagen paarden weten tegen te houden. "Gelukkig is
het goed afgelopen" zei hij "eigenlijk best wel gevaarlijk, wat wij doen, maar
wij mogen van de Gemeente deze bermen afmaaien."
Een week daarna heb ik de foto's opgestuurd, een paar
dagen daarna belde de boer (van de tractor) mij op en bedankte voor de
foto's. "We mogen blij zijn dat die machine afgekoppeld was anders had u
Apeldoorn nooit meer terug gezien" zei hij. "Is er bij jullie, in Friesland, in
een of ander blad nog aandacht aan geschonken, over geschreven, of zo?" vroeg ik
hem tot slot. "Nee, antwoordde de boer, "dan had er echt wat ernstigs
gebeurd moeten zijn".
Op de foto: mijn vader en ik bezig aan het biljart.
Anno 1944.
Mijn ouders hadden een Brood-en
Banketzaak. Een van hun klanten was een Joodse familie, woonachtig in een
prachtige villa, aan het " Marialust ", te Apeldoorn. Daar was ook een
biljartkamer, met een biljart, aanwezig. Omreden dat die familie moesten
vluchten voor de Duitse Bezetters vroegen die mensen aan mijn vader of hij het
biljart wilde overnemen. Ook hadden zij nog een filmcamera met wat films aan te
bieden. Hij heeft toen beide gekocht.
Zo gebeurde het dat op de
zaterdagavonden, nadat eerst 's middags na het werk (en de bakkerij
schoongemaakt was), het biljart werd geinstalleerd. Dat was iedere keer weer een
behoorlijke klus, dat door 3 personen geklaard moest worden. 's Zondags in de
loop van de avond moest het biljart weer teruggezet worden. Het ging naar een
ruimte, wel dicht in de buurt van de bakkerij. Voor het overplaatsen had mijn
vader een speciaal karretje gemaakt.
Het was op die zaterdagavonden een dolle
boel, want er waren genoeg belangstellenden voor dat biljartspel! Een van hen
was een oom van mij, die het spel al goed beheerste. Ik heb toen, als kleine
jongen van zo' n jaar of tien, al veel van van hem geleerd. Ook kwamen er buren
en hun echtgenoten en kinderen mochten ook meekomen. De bakkerij zat stampvol
met feestvierende kinderen.
TOT...
Op een gegeven moment kwam er een
(Duitse) verordening dat men 's avonds na 20.00 uur niet meer de straat op
mocht. Op een bewuste zaterdagavond echter, kwam onverwachts een Hollandse SS-er
achterom de bakkerij in en nam plaats op het biljart! Nou, dat moest je nou net
niet bij mijn vader flikken, dan werd ie donders. Het mag ook niet, want dan kan
het blad (gemaakt van lei) breken. Dus schreeuwde mijn vader heel hard tegen de
Duitse officier: "Eraf". Maar hier gaf de man geen gehoor aan. Echter toen mijn
vader dreigde met een behoorlijk groot broodmes, die hij van een werkbank pakte,
ging hij toch maar van het biljart af.
Hij nam toen plaats op een werkbank,
waarna hij riep: "schamen jullie je niet om zo maar feest te vieren, terwijl
onze jongens aan het front zich dood vechten?" Hierop antwoordde mijn vader:
"Dan moet je niet bij ons zijn, maar bij je baas Adolf Hitler!" Daarop trok de
man zijn pistool en dreigde ermee tot de kinderen begonnen te schreeuwen van
angst, waarop hij zei: "Wees maar niet bang, ik schiet niet, dat doen de "Tommies"
straks wel". Waar dat op sloeg heb ik nooit begrepen. Hij wilde kennelijk nog
wat indruk maken, maar had allang door dat het voor hen een verloren zaak was.
Toen stond de 'soldaat' op, pakte een brood van de werkbank, wilde er nog meer
(maar die gaf mijn vader niet) en schreeuwde: "Opgedonderd allemaal en laat het
niet weer gebeuren!"
We zijn gewoon doorgegaan met de
gezellige zaterdagavonden en hij is nooit meer teruggekomen. GELUKKIG maar,
bedenk ik nu!
Hoe dit goed heeft kunnen aflopen komt
waarschijnlijk doordat, aan de straat, op die avond, in een auto, een
goede bekende van mijn vader, een zgn NSB-er, heeft staan te wachten. Dat hebben
buren gezien. Hij moet tegen de 'Invaller' gezegd hebben: "Maak niet teveel
poppenkast; ik moet na de oorlog ook nog verder!", aldus mijn vader's
gedachtegang.
Een van mijn vroegere vrienden, ene Ben,
tegenwoordig een zwager van mij, vroeg mij toendertijd of ik Piet wilde spelen,
hijzelf was de Goede Sint. Zo stelde hij voor om op die bewuste dag, 's middags
in onze bakkerij, ons voor te bereiden en aan te kleden. We hadden de
kleedpartij net achter de rug en toen kwam mijn vader de bakkerij in en vroeg
ons mee te helpen het aapje te zoeken.
Wij hadden namelijk, boven op de oven in
de bakkerij, een plekje voor dat beest gemaakt. Dit aapje was afkomstig van
dierentuin(-tje) Put, gevestigd aan de toenmalige Zwolseweg, dat nu
Koninginnelaan heet. Familie Put was een klant van mijn vader en hij vroeg mijn
vader of dat aapje de wintermaanden bij ons in de warme bakkerij mocht
'overwinteren'. Dat beest mocht eigenlijk nooit van die oven afkomen, i.v.m.
hygiene-voorschriften. Dat was dus toch gebeurd.
Opeens hoorden wij het dier ergens onder
een werkbank krijsen. Om hem daar weg te lokken gingen wij beiden plat op de
grond liggen: Sint met zijn staf naast zich en ik naast hem. Dit kon, want de
bakkerij was netjes geschrobd. Dus wij maar roepen: "kom maar" en "kom dan",
enzovoorts, tot er plotseling op de achterdeur van de bakkerij geklopt werd.
Nee, het was geen andere Sint, maar een klant die nog wat brood en dergelijke
wilde kopen!
"Kom maar binnen!", riep het op de grond
liggende paar. De klant kwam binnen, keek vreselijk verbaasd, nam gauw de
spullen in ontvangst en maakte snel, hoofdschuddend, dat ie weg kwam! Ik denk
dat die klant gedacht heeft: "Daar is iets niet in orde!"
Kort daarna kwam het aapje toch maar te
voorschijn. "Zullen we dan nu maar eens gauw aan onze bezoeken beginnen?" vroeg
de Sint mij. "Ja, laten we dat maar gauw doen" zei ik "voordat we weer plat op
de grond moeten voor dat beest." Het eerste bezoek (en tevens de LAATSTE!) was
aan een familie. De kamer zat vol met zingende kinderen, een hels kabaal, de
hele buurt was kennelijk uitgenodigd! De vloer van de kamer lag bezaaid met
knikkers en stuiters, ze waren dus lekker bezig. De Sint ging voorop de de kamer
in en ik volgde de hem gedwee, nog niets vermoedende van die knikkers. Toen ik
echter ook naar binnen stapte viel ik meteen achterover want ik kreeg zo'n vette
stuiter onder een van de hakken van een schoen en kwam precies met mijn stuitje
op zo' n rot stuiter terecht!
Dat was BRULLEN van het lachen door die
kinderen. Nou, ik kon ook wel brullen, maar niet van het lachen... De kinderen
dachten namelijk dat het een grapje van die leuke Piet was; wilde hij opvallen
of zo? "Ik doe geen enkel bezoek meer na deze, fluisterde ik de Sint meteen in
het oor"
"Of jij moet alleen verder willen; dat moet jij dan maar weten"
Kwam er nog af en toe zo'n blaag bij me
op schoot zitten, dat deed door het gewicht nog meer pijn aan mijn zere stuitje.
Eentje kwam naar me toe en zei met een bepaalde blik op haar snuit: "ik weet
toch wel wie u bent: u bent ome Gerrit, dat zie ik aan die grote neus van U".
Ach, toen moest ik toch ook lachen en kon ik toch nog dat ene bezoek met een
lach beeindigen.
De foto toont een 6 cyl. 1900 cc. Opel
Cabrio, bouwjaar: 1934, met een topsnelheid van 60 km/uur.
In de auto zijn gezeten: achter het
stuur mijn oudste zus, op de treeplank: v.l.n.r.: ikzelf, en 2 jongere zusjes.
Deze auto kocht mijn vader, in
1934, voor de prijs van 800 gulden. Na de oorlog, in 1948. Na er 14 jaar veel
plezier van te hebben gehad, verkocht hij hem voor dezelfde prijs!
Deze Duitse oldtimer is tijdens de
oorlogsjaren bespaart gebleven van de Duitse bezetters. Verscheidene malen is
vooral mijn vader met de dood bedreigd omdat hij de schuur, waar het vehikel
zich ophield, niet wilde openen. Als de Duitse militairen dan dreigden het slot
van de schuur kapot te schieten en tevens het geweer op hem richtten, haalde
mijn vader uit de naastgelegen schuur een bijl en dreigde hen neer te slaan,
waarop de Duitsers dan het geweer maar weer aan hun schouder hingen. Ik begrijp
nog niet dat dit goed heeft kunnen aflopen.
Direct na de oorlog werd het wagentje,
door de regering (Departement van Oorlog, D.V.O. geheten) opgeëist. Iedere
burger die een vervoermiddel had, zelfs een paard en wagen viel daar ook onder,
was daartoe verplicht. Twee dagen in de week werd de auto opgehaald. Alhoewel
mijn vader in eerste instantie "donders" was, bond hij later toch wel in, want
hij kreeg een vergunning om met z'n gezin ook de straat op te gaan, kreeg
daarvoor een speciale vergunning en een toewijzing benzine.
Zo kon het gebeuren dat wij meteen naar
het zo verwoeste Arnhem konden gaan, wat wij als kinderen helemaal niet zo leuk
vonden. Daarna vertrokken wij een keer op een zondagochtend om 5 uur! naar de
Bollenvelden. Ja, dat moest wel zo vroeg, want het autootje had maar een
kruissnelheid van 40 km/per uur, dus kwamen wij om een uur of 10 in Lisse aan.
Toen ik zo'n jaar of 14 was mocht ik de
auto uit de schuur rijden en klaar zetten voor de volgende trip. Ook mocht ik
wel eens op een wat rustige weg een eindje rijden als ik dan iets boven de 40
km- snelheid kwam dan brulde mijn vader het uit van: " HOO, jong, niet zo hard!"