Het was een gewone schooldag die dag op 31 maart
1943. Op de gewone tijd waren mijn jongere broer Aad en ik 's middags naar
Schiedam gegaan per tramlijn 8. We zaten op de ambachtschool Schiedam, allebei
in de derde klas van de machinebankwerkers afdeling, maar wel in verschillende
klassen. Mijn broer en ik waren redelijk vroeg want de school ging pas om half
twee open en het was nog maar net over 1 uur.
We liepen op ons gemak kletsend en naar de
meisjes kijkend naar school toen opeens het luchtalarm afging. Dat was ondanks
dat het niet zo leuk was toch mooi meegenomen, want we mochten dan niet verder
over straat, we moesten de schuilkelder in. Hoewel de ambachtschool in Schiedam
een fijne school was met voor die tijd wat minder autoritaire leraren als toen
gewoon was, waren we schooljongen genoeg om er wat extra vrije tijd uit te
knijpen. We hadden ook niet veel keus, want er stond een hoge Duitse officier
van de Wehrmacht bij de vlak bijzijnde schuilkelder op het pleintje tussen de
twee bruggen en die bulderde ons de schuilkelder in.
De schuilkelders waren overal in de stad te
vinden, het waren eenvoudige schuilplaatsen van betonnen platen, overdekt met
zand en grond en beplant met gras. Van binnen waren er stenen banken in gemaakt
en daar kon je dan, weliswaar met een koud achterwerk, op gaan zitten. Maar daar
hadden we geen tijd voor. Nog tijdens het betreden van de schuilplaats hoorden
we de bommen al naar beneden gieren. Als je dat geluid eenmaal gehoord heb, dan
vergeet je dat je leven lang niet meer. Het geluid van de ontploffende bommen
kwam snel steeds dichterbij. De officier snauwde,”liggen !!”. Nou dat wilden we
wel. Wat was ik bang, de herrie werd steeds luider en ik had de gedachte dat het
wel eens te dicht bij zou kunnen komen. We lagen plat op de grond te trillen van
ellende en ik had het warm en koud tegelijk. Op een gegeven ogenblik nam het
lawaai, dat echt minuten lang doorging, af. Wij wilden de schuilkelder verlaten,
maar we werden tegengehouden door de Duitse officier, officieel mochten we de
kelder pas verlaten nadat het sein veilig was gegeven. Maar dat duurde zolang
dat we toch maar ondanks het verbod naar buiten gingen.
Tot onze verbazing en opluchting zag alles om ons
heen er normaal uit, totdat we de kreet hoorden dat Rotterdam in brand stond.
Ons hart stond stil, we liepen terug naar de tramhalte waar we langs de
Rotterdamse dijk in de richting van Rotterdam konden kijken. Op de dijk was
niets te zien, maar het Marconiplein aan het einde van de dijk was onzichtbaar
door de hemelhoge rookwolken. We renden naar de tram en vroegen de bestuurder om
naar Rotterdam te rijden. Hij wilde wel, maar het sein “ veilig” was nog steeds
niet gegeven en hij mocht niet rijden. We hebben hem gesmeekt om te gaan rijden
maar hij weigerde, hij moest wachten. Eindelijk loeiden de sirenes het sein dat
alles veilig was.
We bestormden de tram, maar die ging niet rijden.
De stroomtoevoer was uitgevallen en er was geen beweging in de tram te krijgen.
Met bange vermoedens zijn we de hele Rotterdamse dijk afgerend. Op het
Marconiplein aangekomen begonnen we beiden te janken van ellende, wij dachten
niet anders dan dat de rest van de Schiedamse weg en Delfshaven plat
gebombardeerd was. Wat de Schiedamse weg betrof was dat ook zo. Zover als we
konden zien stonden de huizen in de brand. We weken uit naar de Hudsonstraat
waar we langs het hek nog vooruit konden komen. Het trottoir ter plaatse was
geasfalteerd en stond al helemaal vol met huisraad en beddengoed zo ver als dat
je kon kijken. We wisten ons er doorheen te worstelen, liepen voor langs onze
oude school en zagen toen pas tot onze grote opluchting dat er voorbij het
Bospolderplein verder niets aan de hand was.
Het westen van Rotterdam is toen zwaar getroffen.
Op enkele plaatsen vonden ware tragedies plaats. We kwamen twee schoolvriendjes
tegen die huilend vertelden dat ze hun moeder dood tussen het puin hadden
gevonden. Dat waren de broertjes Van der Capelle, de moeder van Pietje Pelkman,
ook een schoolvriendje was onder het puin van de melkwinkel terecht gekomen en
is er niet meer levend uitgekomen. Zij is op een vreselijke manier aan haar eind
gekomen. Een groenteboer op de Schiedamse weg had tussen de middag zijn zaak
gesloten, maar deed zijn winkel open om de mensen uit de tram een gelegenheid te
geven om te schuilen. Het huis en de winkel kregen een voltreffer, uit die
winkel is niemand levend uitgekomen. Bij dokter Vader op de Schiedamse weg zat
de wachtkamer vol met patiënten, de wachtkamer kreeg een voltreffer. Een groot
deel van het westen van Rotterdam is toen vernield.
Op het Bospolderplein kwamen we mijn zus Klaartje
en mijn moeder tegen. Het Grote Visserijplein waar zij hun groentewinkel hadden,
stond al grotendeels in brand en we moesten direct mee om te gaan helpen spullen
te redden. Ik had mijn tas met schoolspullen nog onder mijn arm, omdat het tegen
de overgang naar de vierde klas liep en er op school weinig gedaan werd had ik
een boek van een particuliere bibliotheek in mijn tas, evenals mijn hele mooie
passerdoos. In de winkel van mijn zus aangekomen, heb ik die tas in een
aardappelbak gelegd. Ik heb drie of vier maal spullen van mijn zus (waaronder
hun radio) in veiligheid gebracht en heb nooit meer aan die tas met die
prachtige passerdoos gedacht. Ik heb dat ook nooit vergoed gekregen. Ook het
boek, een jongensboek, is verbrand.
Bij mijn broer Wim die in de Gijsingstraat
woonde, hebben we echt alles naar beneden gebracht wat er in huis was tot en met
de brandende haard. Maar alles is toen op het plein toch nog in brand gevlogen.
Van hun spullen vonden we twee dagen later alleen een grote theekist terug die
aan de kanten verkoold was. In die kist waren de lakens en ander linnengoed van
mijn schoonzus keurig opgevouwen, opgeborgen, alles was tot kleine vierkante
lappen geschroeid, ook vonden zij hun zilveren tafelbestek aan elkaar gesmolten
terug.
Mijn vader, met zijn waterboot, heeft nog liggen
blussen. Vanuit de Lekhaven had men slangen gelegd over de spoorrails tot op het
plein waar zijn dochter en zoon woonden. De afstand was echter veel te groot en
het waterstraaltje dat uit de slang kwam was miniem. Maar hij wilde echt alles
proberen. In het huis en de winkel van mijn zus Klaar en haar man was alles
verbrand, alleen wat in de grote kelder onder de winkel had gelegen was bewaard
gebleven. De welgevulde aardappelhokken waren nog goed op de bovenste laag na,
deze aardappelen waren gaar gepoft door de enorme hitte van de brand. Wij hebben
alles er uit gehaald wat de moeite waard was en mijn zwager heeft een bord
opgehangen van karton dat de klanten terecht konden in de Korverstraat. Een
broer van hem had daar ook een groentewinkel en die bood royaal zijn pakhuis aan
om de geredde spullen neer te zetten. Daar is de handel in groenten ook weer
begonnen, de oude klanten die in het gebombardeerde en uitgebrande gebied kwamen
zoeken of er nog wat te redden viel, vonden het bord en kwamen graag even
bijpraten. Later hebben zij een winkel gehuurd op de Schiedamseweg , vanaf 1943
tot het jaar 2000 is daar dus de groentezaak van de Familie Bezemer geweest.
Aan de Koushaven in Delfshaven, bewaar ik zalige
herinneringen. Ik heb er zwemmen geleerd, ik heb er mijn eerste meisje gezoend,
(dat was geen kussen, dat was nog zoenen, want je wist nog niet hoe het moest).
Ik heb er jarenlang gewerkt. Maar lang daarvoor zat ik al bijna altijd aan de
Koushaven. Het was zo dat, als mijn vriendjes mij zochten om te spelen, dan
kwamen ze naar de Koushaven om me daar op te halen, het was onze
ontmoetingsplaats. Meestal bleven we daar dan hangen. Als we trek kregen wisten
we bij ”Betz and Jay” altijd wel een stuk kaas te bietsen. “Betz and Jay” was
een kaassmelterij. De Koushaven was bovendien een plaats waar ‘s avonds minnend
Delfshaven een plekje wist te vinden. Wij, apenkoppen die we waren, hingen dan
in de buurt van een dergelijk stelletje rond totdat ze ons afkochten met een
zakje chocolaatjes of een pakje sigaretten. Maar dan gingen we ook weg en lieten
ze met rust.
Aan de Pelgrimskade die daar langs de rivier
liep, was een dependance van de werf Niehuis vd Berg. Er was daar een grote
steiger met hijswerk en een ijzeren loods met daarin een soort van werkplaats en
een opslag van gereedschap. Het was najaar 1939 en toen de oorlogsdreiging
groter werd heeft daar een hele tijd een Spaans schip gelegen. Dat schip lag
daar om in geval van oorlog het Spaanse gezantschap te repatriëren, ik denk dat
die Spanjaarden toen al wisten dat de Duitsland op een dag Nederland binnen zou
vallen. Behendig als Rotterdamse jongens zijn, klommen wij langs de trossen op
het voorschip naar boven, zwaaiden ons aan boord en vlogen dan over het dek naar
de loopplank om weer aan wal te komen. De pret was dan om ergens onderweg een
hutdeur open te maken en je hoofd dan om de hoek van de deur te steken en dan
zei je heel zachtjes tegen de mannen die daar binnen zaten:” He,…psst…Franco,
nogood !”, en dan vlogen we
weer van boord af. Niet dat we politiek geëngageerd waren hoor, maar ja, je
hoorde thuis wel eens wat en dan vond je toch dat je de wereld moest verbeteren.
Een keer zag mijn vader die net met zijn waterbootje binnenkwam, mij van boord
van die Spanjaard afkomen. Toen ik bij hem aan boord kwam moest ik vertellen wat
ik aan boord was wezen doen. Hij had een 6de
zintuig voor kwajongenswerk en hij was een meester in de ondervraging, hij had
bij de politie moeten gaan werken. Nou, dan kreeg ik weer een paar klappen, maar
ik wist toen natuurlijk nog niet dat er rare kerels rondlopen, mannen die een
tijdje van huis zijn en het niet zo nauw nemen met de zedelijkheid. Ik wist toen
nog niet eens hoe ik zoenen moest, ja, mijn moeder en mijn zussen als ik ’s
avonds naar bed ging, van mijn tantes moest ik al niks hebben. Dat zoenen heb ik
later geleerd, ook aan diezelfde Koushaven ! Maar dat is een heel ander verhaal,
daar heb ik het nu niet over.
Op de hoek van de haven op de gemeentesteiger
stond een kruisnet, dat behoorde aan mijnheer Bras. Een kruisnet was een groot
net dat in een vierkant metalen frame hing. Dat hele geval hing aan een soort
van hijstuig wat boven het water uitstak. Mijnheer Bras zorgde ook voor de
stormbal die daar op een heuveltje stond en waarin een bal werd opgehesen om te
waarschuwen als er een storm verwacht werd. Op die bult stond ook een groot
kippenhok, ook van Bras. Op die plaats is later een voorraadwatertank gebouwd
van de firma Hatenboer. Toen moesten die stormpaal en het kippenhok weg en de
stormpaal is toen naar de benedenhoek van de Waalhaven gegaan, bij de keet van
de roeiersvereniging “Eendracht”. Dat waren de jongens die de binnenkomende en
verhalende zeeschepen vast en los maakten. Later ben ik veel met die jongens
opgetrokken. We namen ze ook wel eens mee achter de waterboot als ze naar de
Maashaven moesten. Mijn vader voer dan met een grote bocht langs hun houten keet
aan de Waalhaven, zij wierpen dan een dubbele lijn op die ze handig om de bolder
sloegen, ze lieten zich dan wat naar achteren zakken en voeren dan prinsheerlijk
mee naar hun bestemming.
Maar ik had het over dat kruisnet. Ik heb al eens
meer gezegd dat het water in de rivier toen zo schoon was, er zwom zo veel vis
in de rivier dat mijnheer Bras daar een goede boterham mee verdiende. Hij
leverde zowaar op bestelling, als hij een klant had die karper wilde, dan gooide
hij wat koude aardappels in het kruisnet voordat hij het liet zakken en prompt
kwam daar karper op af. Als we met het waterbootje ergens lagen te pompen of te
wachten bij het dok van Bart Wilton in Schiedam, gooiden wij zelf ook wel eens
een tuigje uit met twee haken en een stukje kaas daaraan. We vingen daar eerste
klas paling bij die dokken van Bart Wilton. Als we er genoeg gevangen hadden, en
dat duurde echt geen halve dag, dan sneed mijn vader die paling in stukjes van
ongeveer 15 cm lang. Griezelig hoor, want die paling leefde dan nog. Vervolgens
werden die stukjes recht overeind gezet in een pannetje tot dit helemaal vol
stond. Er ging dan een kwak boter op, (bietsen bij de kok op de zeeboot), en dan
werd dat op de uitlaatketel van de motor gezet. Dat stond daar dan de hele
middag lekker te stoven en tegen dat we naar huis gingen was het gaar. Ik heb
nooit meer zo lekker paling gegeten als toen, maar ‘s avonds thuis at ik toch
wat minder dan gewoonlijk, want machtig was het wel. Het wemelde in de rivier
ook van spiering, je gooide een lijntje met haken overboord en dan had je gelijk
beet, al had je er maar eentje, dan kon je die versnijden tot aas en dan had je
heel gauw een maaltje bij elkaar. Ze werden thuis door mijn moeder hard gebakken
en dan aten we ze met kop en al op.
Er
was toen veel te zien op de Nieuwe Maas. In de dertiger jaren zag je nog
dagelijks zeilkastjes, klippers en tjalken op de zeilen varen. Een schitterend
gezicht. Later zag je bij deze schepen hoe langer hoe meer een klein motortje op
het voordek staan. Met een haakse koppeling werd er dan een schroefas
buitenboord gestoken en het zeilschip was een motorschip geworden. Een lamme arm
noemden ze dat. Ook kwamen er steeds meer opduwertjes in de mode. In een vlet,
die anders altijd tijdens de vaart met een lijn achter het schip hing, werd een
motor geplaatst, meestal was dat een oude motor uit een T Ford, die waren
ijzersterk en gemakkelijk in te bouwen en de benzine kostte haast niks. Het
opduwertje werd stevig achter het schip vastgelegd en daar gingen ze. En dan
moest ik wel eens aan de verhalen van mijn moeder denken die in haar jonge jaren
samen met haar moeder in het trekzeel liep om de paviljoentjalk van 60 ton van
haar vader, afgeladen met suikerbieten voort te trekken als er geen wind was om
te zeilen. En daar was ze nog trots op ook. Ik ook een beetje.
Alle Rotterdamse jongens spelen aan de waterkant.
Of het nou aan de Rijnhaven is of de Parkkade, Schiemond of de Koushaven, dat
doet er niet toe, ikzelf speelde ook aan de waterkant. En we vielen allemaal een
keer in het water. Mijn vader voer als schipper op een waterbootje van Hatenboer.
Na schooltijd moest ik mij eerst thuis bij moeder afmelden. Soms moest ik
boodschappen doen, maar daarna mocht ik dan naar de Koushaven. Lag het schip van
mijn vader te laden en had ik een beetje geluk dat hij nog naar een zeeboot
moest, dan voer ik lekker mee. Niemand had een vader zoals ik. Was hij er niet
dan, speelde ik dus aan de waterkant, zoals ik al zei.
Op de hoek van de haven, beneden aan de glooiing
lagen een aantal grote steenblokken. Daar liepen we bij laag water overheen en
we vonden er van alles. Flessen en stukken drijfhout, ooit vond ik er een
opgevouwen koeienhuid, zeker uit een hijs gevallen en we vonden er altijd wel
kalkstenen pijpenkoppen. Waar die vandaan kwamen weet ik niet, maar we vonden ze
bij tientallen. We liepen dan stoer te doen en staken die dingen als oude
schippers ondersteboven in onze mond en deden net of we rookten.
Een jongere broer van mijn vader werkte ook in de
haven, hij heette ook Harm, ik geloof dat we alle twee naar mijn grootvader
waren genoemd. Mijn oom Harm zat als machinist op een grote kolenkraan van de
SHV, het was een machtig gezicht om hem daarboven in het bedieningshuis van de
kraan te zien zitten, met grote armzwaaien trok hij dan aan de handels en op
zijn commando bewoog de kraan vooruit, achteruit, omhoog, omlaag, prachtig. In
de winter nam hij iedere dag een zak kolen mee naar huis, of dat mocht weet ik
niet, maar in die crisisjaren voor de tweede wereldoorlog was dat toch mooi
meegenomen.
Er hebben in vroegere jaren nog twee broers bij
de SHV gewerkt, maar dat was geloof ik nog voor de eerste wereldoorlog. Een is
gestorven na een ziekte, dat was Barend die had geloof ik TBC. Dat was toen een
volksziekte. Oom Piet heeft een ongeluk gehad.. Hij liep onder de kraan door en
die draaide ineens de andere kant uit. Het gevolg was dat hij door de grijper
geraakt en half verpletterd werd. Van de jongste broer van mijn vader, mijn Oom
Jaap, weet ik dat hij lang werkeloos is geweest. Maar dat was toen een algemeen
bekend beeld, er waren toen zoveel mensen werkeloos. Maar hij had wel een paar
gouden handjes. Af en toe verschenen er in ons huis producten van zijn hand, zo
hing er opeens een koerduif in een hokje boven de schuifdeuren, maar mijn moeder
was geen mens voor zoiets, dus was de duif ineens gevlogen. Ook hadden we opeens
een voetbalspel, mooi uitgezaagd en in de kleuren van Feijenoord en Ajax. Toen
al.
Maar ‘s middags zat ik dus aan de Koushaven, daar
gebeurde altijd wel wat. Je had er bijvoorbeeld het zwembad. Een apart herenbad
en een damesbad, gescheiden door een schutting. Aan de waterkant langs de Maas
stonden hoge populieren, u snapt het al, wij klommen in de bomen en gluurden in
het damesbad, en we zagen nooit wat maar we verbeelden ons van alles, maar je
kon vandaar ook kijken naar het vliegveld Waalhaven en daar kon je de
vliegtuigen zien opstijgen en landen natuurlijk. Kleine tweedekkers, maar ook
grote zoals de Uiver of de Pelikaan. Toen wisten ze in Amsterdam amper wat
vliegtuigen waren.
In het zwembad Koushaven heb ik zwemmen geleerd,
evenals de hele jeugd van Delfshaven. Je had daar ook de kaasfabriek van Betz en
Jay, daar maakten ze Edammerkaas. Er kwamen ladingen ouwe kaas aan en die werden
gesmolten, in vormen gegoten en als ze afgekoeld waren werden ze in een bad met
rode was gedompeld, en dan had je een mooi rond Edammer kaasje. Als we lang
stonden te kijken gooide de baas wel eens een stuk kaas naar ons hoofd, om ons
weg te krijgen natuurlijk. Maar even zo goed had je toch wat te kluiven. We
rekenden er ook wel op, want jongens kunnen doorlopend eten. En 's avonds thuis
smaakte het avondeten ook weer als godenspijs. Zoals mijn moeder zuurkool
maakte, zo kunnen ze het in de hele Elzas niet.
Een oliemaatschappij die ook aan de Koushaven
haar kantoor en werkplaats had, was de American Petroleum Company, later werd
dit de Standard Oil en dat werd later afgekort tot Esso. Die hadden daar ook hun
stallen. He, zult u nu wel denken, stallen ? Ja hoor, daar stonden ongeveer 50
paarden op stal die in tweespan de geel geverfde wagens van de ”Automaat”
trokken. Nou ja, als mijn vader niet voor de kant lag en het spelen aan de
waterkant verveelde, nam je een lift met de paardentractie van de Automaat.
Onderweg kon je altijd overstappen op een andere sleperswagen, wel buiten het
bereik van de zweep van de voerman blijven want dat kon gemeen zeer doen. Het
was 1939 en er liepen in Delfshaven zoveel paarden rond, niet te tellen. Je had
er de stallen van Barendrecht in de Albrecht Engelmanstraat, dan had je de
stallen van Comenijs bij het Piet Heynsplein, we hoefden nooit mest te kopen
voor ons stadstuintje, en als wij jongens ruzie kregen onder elkaar, hadden we
altijd voldoende munitie om te gooien.
Op het Korverpleintje had je een smid. Buiten de
smederij stond een soort van kooi, een travalje werd dat genoemd, waar die grote
trekpaarden in werden gezet als ze beslagen moesten worden. Zo'n poot (eigenlijk
moest je been zeggen, want alleen mensen hebben poten) werd dan vastgesjord en
dan werd de hoef, die zo groot was als een soepbord, pas gemaakt met een
gloeiend heet hoefijzer, dat rookte van jewelste, mijn moeder vond dat een vieze
lucht, maar ik vond dat wel lekker, maar dat ruik je nergens meer. Op de
Vierhavenstraat vlakbij het café van Willie Oversier stond een drinkbak voor de
paarden en daar werd een druk gebruik van gemaakt. We dronken er zelf wel uit,
want paarden zijn zo zuiver en trouwens wat maalde je daarom als een jongen van
een jaar of 11. Een heerlijke rit was langs de hele Westzeedijk achterop zittend
op zo’n sleperswagen, langs het Vasteland en dan naar de Boompjes. Vandaar naar
het Haringvliet, daar stapten we meestal af, want daar werden matten met
rozijnen uit binnenschepen gelost en een handje met rozijnen was nooit weg, daar
kon geen snoepwinkel tegen op.
Aan de Boompjes lagen altijd wel kleine
zeebootjes van de Batavier en ook van de Neptun lijn. Dat was een Duitse
maatschappij met een blauwgele band in de schoorsteen. De grootste pret hadden
we als we via de trossen aan boord probeerden te klimmen, alleen stond er
toevallig altijd iemand je op te wachten aan dek en die schopte jou dan weer
naar beneden. Ja, en dan viel je wel eens in het water. Het overkwam mij ook
eens een keer. Ik zwom gelukkig als een zeehond, dat moest van mijn vader,
anders mocht ik niet meevaren op de waterboot. De zeeman, die mij boven aan dek
stond op te wachten, schudde net zolang aan de tros waaraan ik hing tot ik als
een rijpe pruim in het water viel, ik probeerde nog een mooie duik te maken,
maar dat lukte maar half. Nou, ik kwam er gelukkig makkelijk uit, maar aan de
wal stond een politieagent me op te wachten. Ik kreeg een paar opvoedende
klappen op mijn achterkant (ze heetten toen nog geen Oom Agent, ze waren niet
makkelijk en hun handjes zaten nog wel eens een beetje los) en ik stoof naar
huis. Niks ritje op een sleperswagen, ik stierf van de kou en ik had teveel
haast om in het wandeltempo van de trekpaarden naar huis te gaan. Ik was maar
een klein opdondertje en ik kon met mijn elf jaar niet bij de bel. Ik dreunde
dan met mijn achterste tegen de voordeur totdat mijn moeder de deur opendeed.
Nou, ik trof het niet. Het was mijn moeders verjaardag. Alle 5 zussen van mijn
moeder waren bij haar op visite en allemaal moesten ze lachen, mijn moeder
gelukkig ook en ik werd in een teil met warm water gestopt en schoongeborsteld.
Kun je dat voorstellen, met al je tantes om je heen en allemaal gillen van het
lachen. Het is ruim 70 jaar geleden, en als ik daar nu aan terug denk, kan ik er
ook om lachen, maar het maakt me ook een beetje verdrietig.
Mijn zus Klaar en haar man, Hans Bezemer hadden
een groentezaak. Zij zijn voor de oorlog getrouwd, ik geloof in 1937, en ze
begonnen een groentewinkel op het Grote Visserijplein hoek Gijsingstraat. Bij de
opening was de etalage ingericht als een druivenkas en de hopelijk vele en
nieuwe klanten moesten raden hoeveel trossen er in die kas hingen.
Mijn broer Wim, die een prachtig handschrift had,
had de prijskaartjes gemaakt voor de appelen en peren en het andere fruit in de
etalage. Hij deed dat met een penseel en zwarte inkt. Ik heb daar veel in de
zaak geholpen. Ik niet alleen, mijn grote broer Hans ook en mijn jongste broer
Aad. Allemaal op ons beurt hebben we meegeholpen. Al voor de oorlog moest we
kisten vol met prinsessenbonen en snijbonen afhalen, die brachten dan wat meer
op en de klanten van de groentewinkel gebruikten die afgehaalde bonen voor de
inmaak. Iedereen die het zich een beetje kon veroorloven maakte in, dat was de
gewoonte. Mijn moeder maakte altijd vóór iedere winter een Keulsche pot met
zoute snijbonen in en een met zoute prinsessenbonen. Dan was er nog een pot met
witte kool, dat werd dan zuurkool en ze had altijd een kleinere Keulsche pot met
varkensvet. De bonen werden met zout ingemaakt en mijn vader was daar gek op.
Als hij na zijn werk thuis kwam liep hij dikwijls even de kelder in om een
handje zoute bonen te pakken. Hij at die dan rauw op.
De groentewinkel van mijn zwager en zus was op de
hoek van het Grote Visserijplein en de Gijsingstraat. Ik was toen nog maar een
jaar of tien, maar ik vond het toch leuk om daar te zijn en te helpen. Maar toen
bracht ik nog geen bestellingen rond. Dat was te zwaar werk, maar bonen afhalen
kon ik en ik kon op Kees, hun eerste kind, passen. Mijn zus stond dikwijls
alleen in de winkel. Haar man was veel onderweg met de vrachtwagen van zijn
oudere broer. Hij moest dan bij een aantal groentewinkels kisten met groenten
brengen die gezamenlijk werden ingekocht.
Na het vergeten bombardement in 1943 is er veel
verloren geraakt. We hebben geprobeerd om zoveel mogelijk spullen naar een ander
adres te brengen. Ik heb met een damesfiets hele vrachten linnengoed
weggebracht, de radio, een levensgrote Philco achter op de fiets, kun je dat
voorstellen ? Maar alles wat we niet weggebracht hadden is verbrand en weg. Het
kostte mij mijn schoolspullen, een leesboek en een prima passerdoos. Alleen dat
wat in de kelder gelegen had was gespaard gebleven, dat wil zeggen, de bovenste
aardappelen in de hokken in de kelder waren gaar geworden door de intense hitte
van de brand. Maar verder alles van de inboedel van het huis en de winkel was
weg. Bij een broer van mijn zwager in de Korverstraat mocht Hans Bezemer het
pakhuis gebruiken.
Waar de winkel was geweest was een karton
opgehangen met informatie waar de klanten terecht konden. En waarachtig de
klanten kwamen daar naar toe. Ze waren eerst wezen kijken wat er eventueel van
hun spulletjes over was. Nou, dat was niet veel. Wat men uit de huizen had
kunnen redden en naar buiten was gedragen was allemaal midden op het plein
verbrand of onherstelbaar beschadigd. Ze kwamen in hoofdzaak een babbeltje maken
over de ramp die hen getroffen had.
De winkel is toen niet veel later weer geopend op
de Schiedamseweg in de helft van de winkel van Daan Kuyper. Die had daar een
galanteriezaak met een speelgoedzaak erbij. Van het begin af aan heeft de
groentewinkel goed gelopen, als je tenminste in oorlogstijd over goed lopen kon
praten. Er was namelijk maar weinig te koop. Toen de hongerwinter aanbrak in
1944 was er helemaal niks te doen als het van te voren innemen van bonnen voor
aardappelen en suikerbieten. Als die dan later geleverd werden moesten de
klanten toch in de rij staan en wachten op hun beurt. Dat was een smerige tijd.
Eenmaal op een nacht zijn alle aardappelen, die
in de kelder opgeslagen waren, gestolen. Na de oorlog werd het gelukkig weer
beter. Er was weer van alles volop. Ik werkte toen bij mijn vader aan boord van
zijn schip, maar als ik zaterdagmiddag vrij was dan hielp ik graag in de winkel,
ik bracht dan de bestellingen van de grote klanten weg. Die werden dan in een
kist gedaan, bv. 25 kg aardappelen, die gingen precies in een groentekist en dan
daar bovenop een andere net zo'n grote kist met groenten. Dat nam je dan op je
nek en dan wandelde je naar de klant. Het leverde af en toe aardig wat fooi op
vooral als je, nadat je aan de deur gebeld had, zwaar hijgend je kisten
neerzette. Dat hijgen deed het dan. En een fooitje was nooit weg. Maar je had er
ook krenten bij hoor. Ik had een klant op de Aelbrechtskade die je de kist met
aardappelen eerst naar de keuken liet brengen, dan moest je buiten de deur
wachten en dan woog zij de aardappelen een voor een op een kleine weegschaal na.
En dan kwam ze na verloop van tijd vertellen dat er 100 gram te weinig was
geleverd. Als het teveel was geweest dan hoorde je ze niet en dan kreeg ik 5
centen fooi.
Maar schuin tegenover de groentewinkel woonde een
klant die voor dat korte eindje, als de baas zelf aan de deur kwam, een piek
fooi gaf. Kijk, dat zette aan. Toen ik in 1945 begon bij mijn vader, verdiende
ik 5 gulden per week, dus een gulden fooi voor het schuin oversteken van de
Schiedamseweg, dat was de moeite waard. Mijn zwager had ook een transportfiets
daar moest ik wel eens mee naar de Franse Laan, vlakbij Schiedam, maar wat een
zwaar kreng was dat, maar je wist toen eigenlijk niet beter. Je gebruikte wat je
had en je werd er sterk van.
Tot mijn 9de jaar woonden wij in de Albrecht
Engelmanstraat op nr 45 in Rotterdam in het bovenhuis, naast de ingang van de
kleuterschool. In de crisistijd van voor de oorlog werd die school tussen de
middag ook gebruikt als eetzaal voor kinderen van arme gezinnen, die tegen
inlevering van een bonnetje een warme maaltijd kregen.
In
die tijd kwam mijn moeder een oude kennis tegen uit Zeeland, die een
benedenhuisje in de 2de Schansstraat leeg had staan. Dat moet voorjaar 1938
geweest zijn. Mijn zussen Klaar en Juup waren getrouwd en mijn zus Jo was naar
Indië, met de handschoen getrouwd met een koloniaal, en twee van mijn broers
waren het huis uit. Dus het oude huis werd te groot, al kan ik me niet meer
voorstellen hoe wij daar gewoond hebben met vader, moeder en 8 kinderen. Maar
het was fijn om in een benedenhuis te wonen. We hadden een tuintje aan de
achterkant en het was in de zomer best prettig om de deuren aan de achterkant
van het huis open te doen. En we hadden een geweldige ruimte in het souterrain,
een kelder die onder het hele huis doorliep en waar een slaapkamer in getimmerd
werd. Ik sliep daar met mijn jongste broer. Mijn moeder deed in die kelder de
was en er werd ook een badkamer gemaakt aan de achterkant van de kelder. Ik vind
dat nu nogal vooruitstrevend van mijn ouders. Er kwam een raam op uit dat met
glaspapier was beplakt en dat uitkwam op de achtertuin.
Warm water werd bij de waterstoker gehaald. Er
liep een rioleringsbuis door de kelder die ommetseld was en waar een gootsteen
in was gemaakt. Als we in bad waren geweest moesten we met emmers daar ons
waswater in weggooien. In die hoek van de kelder stond ook de wasmachine, een
Miele, dat moet wel een van de eerste geweest zijn want hij had nog een houten
kuip en een wringer die je op een apart staande elektromotor kon laten werken.
Er zat een schakelaar tegen de muur en die moest je met twee verschillende
standen aanzetten. Het hele geval maakte een jankend geluid. Ik moest dan bij de
waterstoker altijd twee emmers heet water halen. Dat kostte 2 cent per emmer en
dan moest ik ze de keldertrap afdragen en in de wasmachine gooien.
Eens, ook weer op een wasdag, moest ik weer twee
emmers heet water halen en kreeg een stuiver mee. Ik liet ze vullen bij de
waterstoker en hield een cent over. Waar ik de moed vandaan haalde weet ik nu
nog niet, maar ik kocht voor die ene cent een grote schuine drop. Ik stopte hem
wijselijk in mijn zak, want mijn moeder mocht dat niet weten. Ik gooide de
emmers water leeg in de houten kuip van de wasmachine en liep de kelder uit naar
boven. Heel voorzichtig verliet ik het huis om een paar huizen verder in een
portiek die schuine drop op te eten. Het was nog donker buiten, het was winter
en nog erg vroeg en ik stond daar heerlijk te sabbelen en te genieten. Opeens
kwam er een hand om de hoek van de buitenmuur van het portiek waar ik stond. Die
hand pakte mij bij mijn keel en die hand zat vast aan …….mijn moeder.” Wat heb
je in je mond”, vroeg ze mij streng. Ik was zo geschrokken dat ik geen woord kon
uitbrengen. Ze haalde de drop uit mijn mond en stopte hem in haar
schortzak.””Nooit meer doen “, waarschuwde ze mij. Ik heb die drop nooit meer
gezien, die zal ze snikkend van de lach wel zelf opgegeten hebben.
De waterstoker uit de Albrecht Engelmanstraat had
grote handen, dat kon een voordeel zijn, maar ook wel eens niet ! Dat zat zo.
Een of tweemaal in de week hadden wij, mijn broertje Aad en ik, een cent te
verteren. En dat was heel wat, je kon toen bijvoorbeeld nog een puntje ijs voor
een cent kopen of in de snoepwinkel een keus maken uit een heel assortiment van
toverballen of grote schuine droppen.
Mijn oudste broer Wim werkte al, hij zat op
kantoor bij de Holland Amerika Lijn en later bij een fruitimport firma van
Solbandera, ook mijn zus Juup had een baan bij een kledingatelier, ik geloof dat
die zaak van ene De Hartog was, en dan waren er nog Klaartje en Jo, die hadden
een dienstje. Dat was toen heel gewoon, ze waren 's avonds weer thuis, maar
overdag deden ze huishoudelijk werk bij een mevrouw ergens in Rotterdam. En ze
verdienden ook wat en dat was in die vooroorlogse jaren mooi meegenomen, En dan
was er nog een broer, Hans, maar die zat nog op de ULO.
Wij waren met zijn tienen in ons gezin, vader,
moeder en 8 kinderen. De ouderen droegen in ieder geval bij aan het totale
inkomen. Met onze verjaardagen werden wij, de twee jongsten, ongelooflijk
verwend. Er stonden dan in ons huis echt tafels vol met speelgoed. Als mijn
broertje jarig was kreeg ik dezelfde cadeautjes en andersom werkte dat precies
eender.
Op zaterdag kregen mijn grote broers en zussen
hun zakgeld en dan schoot er altijd wel wat over voor de twee kleintjes, zoals
we heel lang genoemd zijn geweest. Dat was meestal een cent. Die werd ons door
onze oudere broers of zusters in de hand gefrommeld met de boodschap, ga maar
een cent kopen. Toen mijn zusters, ik had er drie, verkering begonnen te krijgen
had ik een gouden tijd. Soms zag ik ze wel eens met een jongen lopen en dat
leverde altijd wat op. Ook kregen we wel eens zomaar midden in de week een cent
om voor schooltijd wat dropjes te kopen. We gingen dan naar de waterstoker die
in het midden van de Albrecht Engelmanstraat in Delfshaven woonde, maar als de
vrouw van de waterstoker in de winkel was, wachtten we tot ze weg was, want haar
man had veel grotere handen en dat leverde soms wel de helft meer dropjes op. We
kochten dan van die kleine schuine salmiakdropjes voor een ½ cent en kregen een
½ cent terug. Die ½ cent was voor na school, bovendien was het lucratiever
tweemaal een ½ cent te kopen dan 1 maal 1 cent.
Naar school was niet ver lopen, je liep de straat
uit naar het Boschpolderplein en dan was je er. Je was altijd te vroeg en dan
werd er hartstochtelijk gevoetbald. Als we een echte bal hadden speelden we
daarmee, maar ook in die dagen waren de “juuten“ actief op, volgens ons jongens,
de verkeerde overtredingen. Daarom was onze bal over het algemeen van een prop
krantenpapier gemaakt met elastieken van een verknipte fietsband er omheen en
daar werden hele matches mee uitgevochten. Door middel van wat wij “poten“
noemden werden de ploegen samengesteld en als er dan een man over was, werd die
bij de zwakste ploeg gezet, eigenlijk was dat het echte fair play. Ik ben
trouwens ook van mening dat het spelen met de soort ballen die wij hadden veel
betere voetballers opleverde dan tegenwoordig met
voetballes aan pupillen op het voetbalveld. Straatvoetballers bestaan niet meer.
Voetbal was toen al populair, maar we konden ook bokspringen, soms met een hele
sliert achter elkaar of langs de stoep en dan stond de bok na elke sprong wat
verder weg. Wie van ons kent niet de woorden, duim, olie of dik bij het
bokspringen tegen de muur van een huis.
We hadden ook een
spelletje dat heette busje-trap. Werd ook op de middenstraat gespeeld, auto’s
zag je haast nog niet en als ze al voorbijkwamen dan reden ze nooit hard. Je
moest eerder uitkijken voor fietsers. En we speelden “diefje met verlos”, dat
was mijn favoriete spelletje, maar ik kon dan ook ontzettend hard lopen. Wat was
dat spannend als je alleen overbleef en de hele sliert jongens aan de paal
stonden te wachten totdat jij ze vrij kon tikken, terwijl je achterna gezeten
werd om ook gevangen te worden.
We speelden ook
koetsiertje, met een eind touw werden leidsels gemaakt, om de beurt was je paard
of koetsier. Helemaal mooi was het als je met zijn drieën was, dan had je
namelijk een tweespan. We speelden ook ridderspelen, je ging op de rug van een
ander zitten, dat was dan je paard en dan probeerde je een andere jongen van
zijn paard te trekken. Ik was niet groot van stuk maar erg lenig en ik zat
meestal op de rug van Willie de Ronde, een stevige knul die moeilijk van zijn
plaats was te krijgen. Wij waren een onoverwinnelijk stel en soms stonden de
leraren voor schooltijd of in het speelkwartier even naar ons jongens te kijken.
Ik weet niet zeker of ze zich amuseerden of dat ze uitkeken dat er niets
gebeurde.
Als je een oud
fietswiel kon bemachtigen dan kon je daar een prachtige hoepel van maken. Je
sloopte er de spaken uit en als je dan nog aan een binnen- en buitenband kon
komen van een oude fiets dan had je een zeer luxe hoepel die bijna geruisloos
liep. We speelden ook voor vliegtuig, je strekte je armen, maakte een brommend
geluid om de motoren te imiteren, dan stormde je over straat, en voor je gevoel
was je de piloot van de Uiver. Dat was in de tijd van de grote race naar
Australië.
Een groot deel van
het plein voor de openbare school werd ingenomen door een plantsoen, daar mocht
je niet opkomen, dat was een halsmisdaad. Het was dan ook afgezet met een
ijzeren hek en als er toevallig een bal ingeschopt was dan keken we eerst goed
rond of er geen juut in de buurt was. Die proppen papier werden weliswaar nooit
in beslag genomen, maar in het plantsoen over het gras lopen was de goden
verzoeken.
Toen er in 1939
schuilkelders in het plantsoen werden gebouwd, was dat een hele schok voor ons,
dat mooie plantsoen was weg. Na verloop van een paar maanden groeide er gras op
de schuilkelders en dat maakte het wat minder lelijk. Rondom het plein stonden
prachtige platanen en een tijd lang stonden er ook nog stenen palen om het
plein, met elkaar verbonden met ijzeren stangen. Op het grasveld binnen het hek
stond een prachtige muziektent waar in de zomer druk gebruik van werd gemaakt
door verschillende harmonieorkesten en zangkoren. De stoeltjes en de
muziekstandaards stonden onder de vloer van de muziektent, dat zou tegenwoordig
misschien niet eens meer kunnen.
Om half twee
luidde de schoolbel en begon de school, de jongens beneden op de begane grond en
de meisjes gingen naar boven naar de 1ste
etage. Wij hadden nog gasverlichting in de lokalen, grote witte bollen met
kettingen waaraan de juffrouw of de meester trok en met een lange stok met een
brandende lont werd de lamp dan aangestoken. Er hingen vier van die bollen in de
klas en die gaven schitterend licht. Ik heb het altijd prettig gevonden om naar
school te gaan, niet omdat ik zo’n geweldige leerling was, maar er hing altijd
een fijne sfeer in de leslokalen. De leraren in die tijd wisten hun lessen te
brengen en er waren best leuke vakken bij, ik vond tekenen heerlijk, we kregen
zangles, we moesten het notenschrift leren en bij de Nederlandse taal vond ik
het heerlijk om opstellen te maken.
Op zaterdag gaf
het laatste lesuur ons een verfijnd genoegen als de meester ging voorlezen. Hij
las voor uit boeken zoals, “Kay”, een jongen in de steentijd, de “Club uit
Rustoord “ was een van mijn favoriete verhalen en niet te vergeten ”Fulco de
Minstreel“ en de verhalen over Floris de vijfde, ”Der Keerlen God“ zoals hij
genoemd werd. We zaten te grommen en zachtjes te vloeken als hij vermoord werd.
Wij mochten zaterdags altijd op de banken inschikken. Mijnheer van Gameren, mijn
leraar vanaf de derde klas tot het einde van mijn lagere schooltijd, zette dan
zijn hoge stoel naast zijn katheder, nam een wybertje uit zijn doosje en stopte
dat onder zijn tong. Hij poetste met een zakdoek zijn neus en zijn snor op en
dan begon hij onder ademloze stilte. Wij waren dan tot de bel van 12 uur weg van
deze wereld. Dan ging de school uit en joelend omdat Floris de Vijfde, Der
Keerlen God, weer vermoord was door de edelen, renden we over straat richting
huis.
Bij de waterstoker
stonden altijd wel een paar bossen aanmaakhoutjes en wat emmers buiten, klaar om
gevuld te worden met heet water en nog wit van woede schopten wij die emmers
over de straat. Maar hij had een zesde zintuig en stond ons al op te wachten.
Toen heb ik pas echt gemerkt hoe groot de handen van onze waterstoker waren……. ,
en hoe hard !
Mijn moeder was een kanjer en ik kon goed met
haar opschieten. Natuurlijk kreeg ik wel op mijn mieter als ik kattenkwaad
uithaalde, maar als ik met een verkoudheid of een griepje thuis uit school
bleef, bracht ze altijd een paar cakejes mee van bakker van der Linden op de
hoek.
Ik
had al eens een modelvliegtuig gehad met een zogenaamde rubbermotor, maar toen
ik op mijn 8ste verjaardag in 1936 een zweefvliegtuigje van balsahout kreeg nam
ze me mee naar het Park om het uit te proberen. In die tijd, voor de oorlog, was
het streng verboden op het gras van plantsoenen te komen. Het werd je zwaar
aangerekend als je op de prachtig bijgehouden grasvelden kwam. We waren toen nog
niet toe aan speelweiden zoals ze er later waren. Tegenwoordig mag je overal
over het gras lopen, maar in die tijd was mocht dat niet.
Ik herinner mij, dat ik eens voor onze twee
konijnen, die achter het huis op het plaatsje een hok hadden, een zakje met gras
in het plantsoen van het Boschpolderplein had gesneden. Dat plantsoen was
ingesloten door een hekwerk waar ik overheen geklommen was. Ik werd gesnapt door
Buikie, de wijkagent van Delfshaven. Ik moest mee en ik heb een halve dag op de
post in Delfshaven zitten wachten om opgehaald te worden door mijn vader die pas
‘s avonds thuis kwam. Ik kreeg toen van hem ook nog een draai om mijn oren, maar
dat was meer omdat ik me had laten pakken. Want met de Kerst zat hij ook te
smullen van onze kerstbout.
Maar mijn moeder vond dat gras bestond om er op
te lopen, dat was ze zo gewend in Zeeland waar ze vandaan kwam. Pas op, we waren
toen nog niet in het stadium van “dat moet kunnen”, maar ze was van niemand
bang, ze stapte voortvarend op het grasveld en hielp mij met het in de lucht
schieten van mijn zweefvliegtuigje met een lang elastiek.. Het was maar een
eenvoudig ding maar oh, lieve mensen, wat vloog dat vliegtuigje mooi.
En ja hoor, we waren nauwelijks 5 minuten bezig
en daar klonk langs de kant van het grasveld het bekende “PING PONG” van het
fietsbelletje van een politieagent. Ik verstijfde, maar mijn moeder verblikte of
verbloosde niet en wilde gewoon doorgaan. Ik trok mijn moeder aan haar arm om
haar op de agent te wijzen. Maar niks hoor, “Kom op “, zei ze “we doen geen
kwaad”, en ze stond klaar om het vliegtuig weer in de lucht te schieten . Maar
het lukte niet hoor, we moesten naar de kant van het grasveld komen. Ik moet
toegeven dat de agent tegen mijn moeder heel wat aardiger en beleefder was als
hij tegen mij zou zijn geweest. Ondanks dat hij toegaf niet te weten waar we dan
maar naar toe moesten gaan en ja, hij was het met mijn moeder eens dat mijn
vliegtuigje prachtig vloog, Maar we moesten toch van dat grasveld af. Ik
realiseer mij dat mijn moeder ongeveer 42 of 43 jaar moet zijn geweest, zo oud
als nu mijn dochter is. Mijn moeder droeg altijd een hoedje, dat was toen gewoon
en ze zag er altijd leuk uit. Ik was best trots op haar en ik denk dat daarom
die agent zo aardig tegen haar was, maar we moesten toch van het grasveld af. Zo
ging dat toen in die goeie ouwe tijd in de jaren voor de oorlog.