SeniorPlaza

 

Leve de burgertrut

 

Mijn ouders hadden een groot gezin. En mijn talrijke ooms en tantes hadden ook grote gezinnen. De tantes werkten hard binnens- en de ooms even intensief buitenshuis. De tantes hadden ’s avonds  veel stop-, naai- en verstelwerk, de ooms werkten ’s avonds ook nog al eens en/of zaten in de kerkeraad met alle gevolgen van dien .We merkten dat onze ouders klaar stonden voor anderen, ondanks dat ze het druk hadden. En gek, ze hadden altijd tijd voor bezoekers.

Als kinderen waren we altijd, elke dag en elk weekend, bij dezelfde vader en moeder.  We gingen in het algemeen aardig met elkaar om. Natuurlijk was er wel eens heibel maar dat kwam altijd weer goed.

Mijn moeder kookte wel eens spruitjes en ’s woensdag kregen we altijd een gehaktballetje ter grootte van een fikse stuiter.

Ik heb ontelbaar veel neven en nichten en over het algemeen kijken die allemaal terug op een zuinige maar mooie jeugd in een veilig en ook veelal gezellig nest. Je moet vroeger niet idealiseren maar het was zo gek nog niet.. Al die gezinnen, die hoekstenen van de samenleving, vormden een fors gebouw.

Hoe kom ik hierop? Door het met toenemende instemming en plezier  lezen van het boekje van journaliste en filosofe Fleur Jurgens: LEVE DE BURGERTRUT.

Het is een vlammend en met vaart en humor geschreven pamflet van iemand die m.i. een verbluffend goed inzicht heeft in de maatschappij van nu en hoe die maatschappij zo geworden is als-ie is.

In het verleden is er nogal eens geschreven over de afwezige vader, dit boekje gaat over de afwezige ouders.  De schrijfster signaleert veel kindonvriendelijkheid en minachting van het moederschap. Veel vrouwen willen geen kinderen of stellen de kinderwens te lang uit, waaruit allerlei problemen kunnen ontstaan. Andere vrouwen werken te veel en komen te weinig aan man en kinderen toe. Talloze gezinnen breken, het CBS berekende onlangs dat een derde van de paren het niet volhoudt. Een op de zes gezinnen met kinderen is een eenoudergezin.

Er zijn gelukkig gezinnen waar de huisgenoten het goed met elkaar hebben. Waar een basis wordt gelegd voor het leven, maar ach wat een ellende in andere gezinnen. Het vluchtgedrag in drank en sex en agressiviteit en onverschilligheid is overal te zien.  Wat een eenzame en gekwetste kinderen zijn er. Waar komen al die vernielende jongetjes vandaan? Dat is niet moeilijk.  Wie voelt geen tranen opkomen als hij de neergang en de afbraak ziet? De schrijfster van ,,Leve de burgertrut” is er gelukkig zeer mee begaan.

Ze ziet een lijn van de revolutie van 1968 en daarna, de feministische golven die over ons langs gingen en de situatie van nu. Hoewel natuurlijk VOOR gelijkberechtiging wijst ze het fanatisme en de eenzijdigheid van het feminisme af. ,,De uitkomst van het feminisme is dus dat vrouwen vooral dominante, egocentrische tangen zijn geworden, die hun mannen bij het minste of geringste berispen, zonder hem ooit dankbaar te zijn voor zijn inzet. Over onderdrukking gesproken”. (118)

Er is afkeer van de z.g. burgertrut. Maar is die (ik citeer) ,,niet de hoedster van goede zeden en daarmee het cement van een welvarende samenleving?” Ik citeer nog even verder: ,,…maakt Fleur Jurgens de balans op. Wat is de keerzijde van de vrouwenemancipatie: het gezin als sluitpost van het tweeverdienersmodel? Het kind als hindernis voor zelfontplooiing? De crèchleidster als surrogaatmoeder? Het lijkt tijd voor rehabilitatie van het gezin als hoeksteen van de samenleving”

Het wordt weer tijd voor de burgertrut, die haar kinderen opvoedt met ,,rust, reinheid en regelmaat”.

Mag ik het anders zeggen?  Het is tijd om respect en eerbied te hebben voor de vrouw voor wie de carrière niet een en alles is. Voor de vrouw die naast een beperkte baan buiten de deur echt tijd heeft voor zichzelf, voor man en kinderen. Voor de vrouw die samen met haar man elkaar en de kinderen een veilig en beschermend thuis biedt. Een gezin waar de liefde tastbaar is, ,,een kerkje in de kerk”. Het is toch zo: waar liefde woont woont ook de HERE God met zijn zegen..

Kees van Baardewijk

23 juni 2008

 

Terug naar Verhalen

 


Afscheidsbrief - Afscheid van U

Wie ouder wordt gaat zich trager bewegen in een vlakker wordend landschap. Op hoogten staan, neerzitten in dalen – het wordt geleidelijk aan minder.

Een mens wordt stiller, peinst meer, kijkt meer achterom en begint afscheid te nemen. Van wensen en idealen, die niet meer verwerkelijkt zullen worden, van dingen die minder nodig zijn of overbodig worden, van vrienden, familieleden, van de meest naaste naasten en tenslotte van zichzelf. Soms gebeurt dit met horten en stoten, soms in een zekere vrede en rust.

Ik realiseer me ineens hoe wrang dit klinkt.  Ik spreek over mezelf in een periode waarin nog een betrekkelijke rust is en vrede maar U hebt dat voorrecht in uw levenstijd niet gekend.

Afscheid nemen van. Afrekenen met. Achter je laten. Je  niet meer laten kwellen en verontrusten door niet vervulde wensen, door  boze herinneringen, door gebeurtenissen die je spijt en wroeging bezorgd hebben… Daar moet het toch van komen. En dat mag toch ook. Afscheid nemen en sterven is al moeilijk genoeg. Die weg gaan, gebukt onder allerlei lasten, dat wordt toch wel erg zwaar.

In deze brief wil ik afscheid nemen van U. Nee, toch niet werkelijk van U. Begrijpt U me alstublieft goed. Ik wil me ontdoen van die pijnlijke en bitterdroeve gedachten aan wat U als de zes miljoen overkomen is. In het volgende probeer ik duidelijk te maken waarom. Het mag geen last meer zijn die tot het eind meegedragen moet worden.

Wat Uzelf betreft:  met de Psalmdichter die sprak over Jeruzalem ben ik geneigd te zeggen: ,Indien ik u vergete,…, zo vergete (mij) mijn rechterhand.’

 Ik wil mezelf niet anders voordoen dan ik ben. Bewogener, betrokkener, mede-lijdender. Ook ik ben mezelf het meest na. Maar gelooft U me alstublieft: het is geen pose die me beweegt, geen willen etaleren van gevoelens en emoties. Ik schrijf met een diep gevoel van meedogen en van schaamte. Wat geeft me de vrijheid om mijn verdriet naast dat van U te leggen? Alsof er ook maar iets is dat vergelijking rechtvaardigt.

En dan nog dit: ik werp me niet op als woordvoerder van velen. Maar ik ben ervan overtuigd dat talloos veel van mijn generatie met dezelfde gevoelens leven..

Ik was bijna zes toen het begon en bijna elf toen het eindigde. We waren bevrijd, de demonen waren uitgedreven, we waren ontluisd van de kwelgeesten. We konden beginnen aan de maaltijd van de vrijheid, te eten als een gul ,goed brood.’

Het was te erg geweest. Nee, niet voor mij. Voor mij was het te dragen geweest. Er waren dingen die je angst aanjoegen: dat je huis trilde en schudde tijdens het grote bombardement in je stad Rotterdam, dat het donker werd op de middag, dat er rook was en stank. Dat de vader van een vriendje doodgeschoten werd omdat hij tien minuten na spertijd te laat was en dat zijn vrouw en kinderen hem op een paar meter afstand op straat zagen doodbloeden. Dat er mitrailleurs op alle hoeken van de straat stonden toen ze ook op mijn vader joegen. Dat er mensen in elkaar zakten voor je en achter je als je in de rij stond bij de gaarkeuken. Dat was erg. Maar ik leefde m’n jongensleventje, vermaakte met m’ n vriendjes in ,de puin’ schold nsb-ers uit. Ik sloop langs een Duitse kazerne met illegale blaadjes in m’n binnenzak en dacht: ,Jullie moesten ’s weten.’ Ik woonde teveel in m’n eigen wereldje om aan de grote wereld te lijden. Angst…die was er wel maar wat was dat voor angst in vergelijking met die van U.. Het was hanteerbare angst. Ik had angst als we midden in de nacht uit bed gehaald en geroepen werden en ons moesten aankleden en klaarstaan om te vluchten. Maar van vluchten is het gelukkig nooit gekomen en de angst en schrik waren de volgende dag weer grotendeels verdwenen. En wat ik ook wil zeggen is dit: angst hebben en tegelijk een hand van je vader op je schouder voelen of de stem horen van je moeder die geruststellende dingen zegt, dat is getemperde angst. Er waren de goede dingen van iedere dag, er was ook nog wat eten. Voor U was er geen geruststellende hand, geen warme stem, geen eten, geen veiligheid, geen rust, geen goede dingen.

Ik heb het goed doorstaan en het leven ging verder. Toen kwamen er steeds meer onthullingen uit eigen land en daarbuiten over die vreselijke jaren, over oorlogshandelingen, veldslagen en verwoestingen, over alle denkbare en niet denkbare gruwelen op straten, gevangenissen, folterkamers en kampen. Ik ging veel uit de weg en liet maar weinig toe. Ik kende mezelf. Ik moest wel.

Maar wat een zich ophopende woede en een ziek makend gevoel van onmacht en verdriet en treurigheid veroorzaakte waren toch de berichten, de verhalen, de boeken met foto’ s, de documenten, de tekeningen over de kampen die je toch niet helemaal kon mijden. De werk- en terreurkampen in ons eigen land, Vught, Amersfoort maar veelmeer die van buiten.

Namen als van Auswitz, Mauthausen, Sobibor, Sachsenhausen, Dachau, Neuengamme – Uw kampen. Namen die steeds angst en huiver opriepen. Ik wilde als overgevoelige puber het ergste en het vreselijkste mijden en uit de weg gaan maar werd er toch soms naar toe getrokken. Je keek steels in ,,De gele ster”, hoorde van Kogons boek over de concentratiekampen. Na Pressers ,,De nacht der Girondijnen” liep je nog lang met een weekmakend verdrietgevoel. Later zag ik Bakels’ boek ,,Nacht und Nebel”  vluchtig in maar ,,Schindlers List” wilde ik tot geen enkele prijs zien.

Toch werd het geheel van al die indrukken, het horen van die in beeld gebrachte gruwelijke schreeuwen als een klamme deken die je probeerde van je af te duwen. Vergeefs.

Teveel beelden klonterden samen en drongen zich op. Soms te verschrikkelijk om onder woorden te brengen, soms bestonden er geen woorden voor. Er is geen taal voor wat de meest verdorven, zieke en ontluisterde exemplaren van de menselijke soort bedenken en uitvoeren. Er bestaan geen mogelijkheden waarmee gekwelde, gepijnigde, onschuldige mensen zich kunnen uiten.

En van kennis van die duivelse veelheid van perverse daden en handelingen is verreweg het meeste me bespaard gebleven.

Wat ik gedurende mijn leven eindeloos veel in dromen gezien heb is de kluwen mensen samengetrapt in bijvoorbeeld het Amsterdamse Schouwburggebouw. Of in Loods 24 in Rotterdam. En ik hoorde het  droeve huilen van babies die weggesleurd werden van de moeder en van wie de hoofdjes verpletterd werden tegen de muren. En ik hoorde het vloeken en tieren van de onmensen. Onder degenen die deze wandaden pleegden zullen vaders geweest zijn… Wat een mens zo angstig kan maken is de onzekerheid waartoe een andere mens in staat is. De ene mens is de andere een wolf. Maar waar moet je schuilen als de wolven je aanvallen en je zelf geen wolf kan of wil zijn.

Wat ook onuitwisbaar is: het beeld dat zich altijd weer opdringt zodra de woorden Holocaust, Joden, Wereldoorlog II gehoord of gelezen worden is het beeld van het jochie. Het staat verdwaasd met de armen omhoog tussen cynische nazis alsof hij in staat was ook maar iets uit te richten.

Op zijn jasje de Jodenster, die hem met velen van de zes miljoen vogelvrij maakten, tot schietschijf, die hen probeerde de identiteit te ontnemen. Niet het jongetje wordt lachwekkend tentoongesteld. Nee, die soldaten zetten zichzelf in hun beestachtige ontluistering te kijk. Hoe hebben ze, vraag ik, hoe hebben ze ooit later in hun leven nog een kind onder ogen durven komen?

En dan dat meisje, met dat machteloze handje tussen de nog net openstaande deur van de beestentrein… Ze is niet van de harde schijf van je geheugen te wissen.

Wie ik altijd, altijd  terugzie is die oude Joodse man met zijn lange, grijze baard. We waren op reis in Israël en wilden wel eens gebruik maken van de trein. Ergens tussen Tel Aviv en Natanya stapten we uit. Er was geen perron. Je stapte zo op een kaal, grinderig stuk grond. Het was er stil en desolaat en armoedig rond de spoorlijn. Er kroop iets omhoog, iets bekends. Die grauwheid, die rails. De man, hij leek wel een rabbijn, kwam op ons toe, hield zijn hand op en vroeg geld.

Ik durfde niets te geven, uit schaamte. Geld geven aan een eerbiedwaardig mens, waarschijnlijk een overlevende. Alleen, het was wel zo dat híj mocht vragen. Híj mocht alle jaren die hem nog restten vragen omdat iedereen, die niet hoort bij de zes miljoen, in de schuld staat. Bij hem, bij alle overlevenden.

Wat hij ,ondanks mijn weigering zei, schreef ik op in een gedicht:

Met een enkel woord als sleutel

opende hij de deur van een inferno.

Hij rilde, zag opnieuw vlammen

en zijn ogen vernauwden zich.

Bergen Belsen, zei hij,

meine ganze Familie ermördet, ich allein…,

solche kleine Kinder…

wees hij.

 

God, ik zeg niets:

wee wie met zijn Maker twist.

Maar leg uw hand, leg alstublieft uw hand,

op hen die leefden en nog dagelijks sterven.

Op weg naar Yad Vashem. Opnieuw een oude, bebaarde man, een zichtbaar geteisterde figuur. Hij leek uit leed te bestaan. Ik kan niet vertellen wat er gebeurde maar er brak iets in me. Een huilbui, zo heftig als ik nooit meegemaakt had, maakte me voor een moment ziek en doodmoe.

Ik noemde hierboven boeken, beelden, filmbeelden. En gedichten…. In  ,Sobibor’ van Maurits Mok is de werkelijkheid van de shoah stem gegeven.  

'Tussen de aarde en de hemel staan

als oerdieren de ovens van de dood.

Zeshonderd mensen, uit het licht vandaan-

geranseld, houden het wanhopig rood

van hun gesperde mond naar het vergif,

dat als een wolkbreuk door de ruimte stoot.

De honderden, met krampend middenrif,

draaien hun armen in de stiklucht rond

en gillen zich de aderen kapot.

Dan hangen zij, met nog gapende mond

gestorven om elkanders strot.’

Ik ben vlak in de buurt van Yad Vashem geweest. Ik heb het niet bezocht. Ik kon niet over de drempel heen. Alleen die kinderschoentjes en die namen…

En een levenlang was er de gedachte aan de gelijktijdigheid. Ik kom langs een gebouw en denk: dat was er toen ook, in de tijd van de grote schande. Ik zie een oude boom en denk: die stond er ook indrukwekkend te zijn, in de tijd van de massale mensenvernietiging. Ik spreek mensen en denk: die leefden toen ook, toen het gebeurde, in diezelfde tijd. De tijd waarin gezinnen uiteengerukt en mensen ten dode toe vernederd werden, toen geweerkolven op hen neer kwamen, toen ze met zwepen bewerkt werden, mensen op wie wrede medische experimenten werden uitgevoerd, mensen die mishandeld, verkracht, verdronken werden. Ten dode gekweld in de gruwelkamers van de SS..

Ik moet deze brief aan U afsluiten. Ik heb een vermoeden wat U aangedaan is voor U stierf.

Ter dood gebracht werd  op een wijze die nooit in de geschiedenis eerder plaatsvond. Zo ondenkbaar wreed en sinister. Ik ben me bewust dat ik wel een vermoeden kan hebben maar niet in het minst begrijp hoe groot en diep Uw lijden geweest is.

Wij blijven toeschouwers, hoe oprecht onze deernis en onze pijn ook mag zijn. Wij begrijpen het niet echt.  Net zomin als we enig inzicht hebben hoe zij moeten proberen in leven te blijven die de shoah overleefd hebben. Met hun bittere herinneringen, hun pijn, hun zich, ons inziens, onterechte maar toch reële schuldig voelen: ,Waarom zij wel en ik niet?’

Ik heb geprobeerd te zeggen wat ik wil met deze afscheidsbrief. Eindeloos vaak heb ik berekend dat de gedemoraliseerde beulen en sadisten niet meer in leven zijn. Dat kan ik toch zeggen. Stel dat zij dertig, veertig waren toen zij hun wandaden pleegden dan zijn ze nu, zestig jaar na dato, negentig of honderd.

 Het zullen er niet veel zijn. De daders zijn niet meer in het land der levenden en zullen eens voor de rechterstoel van God moeten verschijnen. Laten we er niet meer van zeggen.

De beulen zijn weg.  De onwetenden, de wetenden, de toeschouwers, de tijdgenoten van hen die de hel op aarde hebben leren kennen, zijn ook aan het uitsterven.

Zij mogen bevrijd worden van de treurigheid en van de schaamte, die hun hele leven begeleidde.

Het mag een keer voorbij zijn. De herinneringen, de pijn, de schaamte. De last ervan. Maar U vergeten zal nooit mogen gebeuren. Nooit en zeker nu niet, nu er weer, wolven rondsluipen en uitingen zichtbaar worden van Jodenhaat.

Als U zegt: ,Gij hebt mijn omzwervingen geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in hun register?’(Psalm 56:9) vergeet Hij U niet en zullen wij het ook niet doen.

Kees van Baardewijk

28 mei 2008

 

Terug naar Verhalen


De ongelukkige klas 

Ik denk nu even aan de vierde klas van de Prinses Julianaschool, waarvan ik anderhalf jaar deel uitmaakte. Het is najaar 1944.

Stel, u stapt naar binnen. U ziet een overvol lokaal, tot de verste uithoeken bevolkt met nogal armoedig geklede kinderen met magere hongersmoeltjes. Wat zitten die kinderen dicht op elkaar. Hoe kunnen ze zo schrijven en zo? Wat u niet ziet, is de vreselijke herinneringen van sommige kinderen, de zorg die ze van thuis mee naar school nemen en nog veel meer.

Waarom al die kinderen? Dat zit zo. In Rotterdam, tijdens het meibombardement, waren er nogal wat schoolgebouwen zodanig verbouwd dat ze geen enkel doel meer dienden. De scholieren konden niet bij de puinhopen blijven staan er werden verdeeld over scholen die intact gebleven waren. En zo vulden de lokalen zich moeiteloos met allerlei soorten kinderen, o.a. ook van een school die wij hoovaardig de ,,schoffiesschool” noemden. Ze waren van kleurrijker en ruwer kaliber, die kinderen,  dan wij en we hoorden van hen moppen en vieze liedjes , waarvan een olifant nog zou blozen, en die we thuis niet aan de man konden brengen.

Tot mijn schaamte is er meer van bewaard gebleven dan ik zou wensen. Maar je leerde ze zo makkelijk, makkelijker dan een psalmversje bijvoorbeeld. Ik zal nooit de jongen vergeten die naast mij zat in de driezitsbank die consequent het woord ,,hysop” in de regel ,,Ontzondig mij met hysop” verving door zeepsop.

Ik had wel een goed contact met de meeste jongens, ondanks mijn impopulariteit bij voetballen bijvoorbeeld. Voor de aanvang van de school werd er op de straat voor het gebouw een balletje getrapt. Meest een bol oude kranten bij elkaar gehouden door elastieken.

De elftallen werden samengesteld via ,,poten” Twee aanvoerders tegenover elkaar die voet voor voet zetten en zo hun voorkeuren konden uitspreken.  Enfin, u snapt me wel. Ik bleef altijd over en werd dan zomaar aan een team toegevoegd door de aanvoerder. Met een nonchalant gebaar zei hij dan grootmoedig ,,Nemen jullie Paardezijk dan maar”. Op de markt van de handel in voetballers kostte ik niks.

Terug naar de ongelukkige klas. Ach, misschien is dat woord toch wat overdreven. Maar er hing wel de stank van armoe. Er was wel het gedrag van vroegwijze kinderen. Er was wel de sfeer die ze van thuis meebrachten.

Zo’n enorm aantal leerlingen – dat kostte de meester best moeite om de orde te handhaven. Chaos lag voor de deur. Maar mijn meester redde het aardig met behulp van een spaans rietje dat in de la van z’ n tafel lag te wachten op activiteit. Hij was er altijd zo snel bij. Je moest dan voorover gaan staan en ,,jetzt geht’s loss”.  Mijn vader adviseerde een kussentje in mijn broek te stoppen, maar dat zou te veel opvallen met gepest als gevolg.

Maar op donderdagmiddag om drie uur werd de klas ineens een gelukkige klas. Meester deed weer een greep in z’n la, ditmaal niet voor het rietje, maar voor ,,Willem Wijcherts” van Van de Hulst of voor een ander meeslepend boek. Het samengeraapte zooitje werd één klont concentratie en aandacht, de kale omgeving en de kilte vielen weg, de honger werd minder gevoeld en de spanning vloeide af. Hij was goed in straffen, die meester van Dam, maar ook in voorlezen. Eigenlijk vertelde hij meer dan hij las. Hij las over ,,Schele Ebbe” wiens laffe bloed wij wel konden drinken. En over de wrede ,,Spekken”, de Spanjaarden. Wat ik nooit vergeet is dat meester van Dam zijn rechterneusvleugel naar links drukte en flemend vroeg: ,,Ebbe, waar komen de geuzen vandaan?” We deden het voortdurend na.

Gelúksmomenten waren het op die donderdagmiddagen waaruit je ruw ontwaakte door de schoolbel.

Toen het december was in de beruchte hongerwinter werden we naar huis gestuurd en bestond de klas tijdelijk niet meer. Ondanks dat we op z’n winters gekleed voorzien van dikke wanten in de klas zaten was het niet meer te harden. Een lange droeve vakantie brak aan die tot mei 1945 geduurd heeft.

Kees van Baardewijk

29 november 2007

 

Terug naar Verhalen

 


Van ouder worden word je een ander mens

Zo voelde en ervoer hij het werkelijk, maar waarin was dat anderszijn gelegen? Dat was moeilijk onder woorden te brengen.

Dat je minder snel dacht en praatte, dat je langzamer liep, minder hoorde en zag en minder opmerkte, minder interesses dreigde te krijgen, meer behoefte aan rust had, met minder eten genoegen nam, sneller vermoeid was – dat waren verschillende voor de hand liggende dingen.

Dat anderszijn – was dat misschien je andere positie op het speelveld van het leven dat voor jou niet meer zo ,,speelveld” was. Je stond toch eigenlijk grotendeels langs de lijn te kijken, hoe anderen het deden. Dat was weer te sterk uitgedrukt, maar er zát wat in.

Hóe deden anderen het? Sommige dingen minder goed, andere beter. Er was in ieder geval geen aanleiding om te steunen ,,alles wordt minder.” Om zo’n ,,alles-wordt-minder-man”te worden.

Een ander mens worden. Je keek niet meer naar het leven als naar een oneindigheid van mogelijkheden en kansen. Als naar een tijd waar nooit een eind aan zou komen. Eigenlijk was je je nooit echt bewust geweest van de eindigheid van het leven hier. Nu werd je dat wel. Als je de rouwadvertenties in de krant las (en dat deed hij altijd) viel je op hoeveel mensen er overleden van 65, 70 jaar. Dan realiseerde je je dat je geluk had. ,,Reservetijd” kwam in je gedachten. Dat verzoende je met een zeker gevoel van teleurstelling omdat je aan de kant stond te kijken, zonder actief mee te doen.

Ach, die levensperiode leverde ook veel winst op. Een beetje rust omdat je krachten het toch niet toelieten om zo actief op te treden. Hij ervoer een minder verantwoordelijkheidsgevoel voor alles.

En dat was behagelijk. En dan was er ook een ander, nieuw lezen van de Bijbel. Dat leidde ertoe concreter uit te zien naar de Vader, om Hem eindelijk echt te zien met nieuwe ogen in zijn glorie. Verlost van pijn en onbehagen, verlost van het kwellende gevoel van medeplichtigheid in en aan een wereld die verging van ellende en misère.

Was er dan geen angst om oog in oog te staan met Hem? Jawel, maar veel minder dan geweest was.

Bijbellezen in deze levensfase had hem iets duidelijk gemaakt van het ,,in Christus zijn.”

De overweldigende ontdekking vrij te zijn van alles en in Hem te leven, en te bewegen en te bestaan. ,,Dit is het eeuwige leven dat zij U kennen.” Iets van dat nieuwe leven leek hij te ervaren. En dan stopt het schrijven. Want er zijn geen woorden voor om dat mee aan te geven. Hoe lang kréég hij nog? Hoe lang zou de wereld nog bestaan? De spanning werd groter en was voelbaar. Het kon niet anders – wie echt luisterde hoorde de voetstappen van de Heer en zag al iets van de grote morgen.

En dan zou alles niet minder  worden, maar meer. Je kon erover zingen: we zijn er bijna!

(Uit: ,,Nog even en we zijn er!”- net verschenen – info bel.055 5418607 of bezoek zijn site)

Kees van Baardewijk

29 november 2007

 

Terug naar Verhalen


Een onvergetelijke overnachting

Met voldoening mag ik zeggen dat ik een evenwichtig en probleemloos overnachtingsleven leid. Bijna alle nachten lijken op elkaar en dat geeft rust.

Vrijwel altijd in eigen bed,  op pocketverenmatras, dat, zoals bekend, garant staat voor soepelheid, hoogste elasticiteit en goede ventilatie. De verkoper had ons verzekerd dat hijzelf al jaren een dergelijk matras koesterde en niet dan met de grootste moeite uit bed kon komen. Dat wekte vertrouwen.

Een enkele keer beleven wij overnachtingen waaraan geen eind schijnt te komen. Bij  logeerpartijen bij familie of vrienden waar je nachten doorworstelt in een niet meer op slapen berekend bed, geeuwend, woelend, eindeloos op de wekker kijkend. Of ook wel in een uitnodigend  hotelbed, waar niet vertrouwde geluiden je dan weer verontrusten.  In een wereld die op zichzelf al eigenaardig aandoet is ontwaken in een ander bed in het algemeen onaangenaam en vervreemdend.

Misschien wilt u hierover even nadenken, voor ik u bericht over het meest onvergetelijk overnacht- en ontwaakevenement uit mijn leven.

Wakker worden op een eiland waar je nooit eerder geweest bent, in een gietijzeren minibedje, in een zaaltje, dat mits opgeknapt en aangepast een passende bestemming zou  kunnen krijgen als onderkomen voor kleine huisdieren, vlak naast iemand die er bij het inslapen niet was en nu indrukwekkend aanwezig bleek te zijn…dat is wat, hoor!

Even wat achtergrondinformatie.

Een en ander vond plaats op Kreta. Een hartveroverend eiland met hotels die nakomen wat ze beloven, met indrukwekkend natuurschoon, veel opgegraven verleden, vriendelijke bewoners en forse prijzen. Een subtropische verrassing.

Dat bed en wat er verder volgt - dat kwam zo. Zittend in een bus, op weg naar Ghania, vertoonde ik  verschijnselen die ziekenhuisopname noodzakelijk maakten.

Een aan de afdeling Zeer Antieke Voertuigen van een nabij museum ontfutselde ambulance was, naar Kretenzische begrippen, wonderlijk snel ter plekke. Alras kwam, dankzij de houten banden, de wereld mij wat bekender voor.

In het ziekenhuis was communicatie vrijwel onmogelijk. De cardiologe sprak geen Engels en ik geen Grieks. Dus dat schoot niet op.

Gelukkig bleek er een zuster die zich van gebroken Duits bediende.

Goede wil was aanwezig. Ik ontdekte twee soorten hulpverleners:: één waarschijnlijk gerekruteerd uit een onlangs ontdekt bergvolk – ruig maar goedmoedig – en één die gelijkenis vertoonde met de ons vertrouwde verpleegkundige. Maar toch weer anders.

De ziekenkamer waar ik binnengekruid werd, telde vier bedden en één nachtkastje uit overgrootmoeders tijd. De wanden zagen hunkerend uit naar een schilder. Op een der muren hing een icoon van een plaatselijke heilige die in zichzelf gekeerd van mij afkeek.

Vier manshoge zuurstofflessen, wat achteloos tegen een wand geparkeerd, oogden op het eerste gezicht en ook op het tweede als schietklare projectielen.

Er was één afwerend urinaal voor de hele zaal met rafelige rand. Een waterfles waarvan de hals op ruwe wijze verwijderd was. ,,Mijn” verblijf mondde uit op een balkon waar zich een wirwar bevond van patiënten, zorgzame familieleden en achteloos weggeworpen afval.

Behalve mijzelf was er in ieder geval één patiënt. Maar  nu komt het! Let op!

Het duurde lang voor ik insliep. Door het ongewone, door het lawaai en door tal van schouwspelen die via de geopende deur naar de gang zichtbaar werden. (Oud moedertje, dat hangend tussen twee familieleden van jongere editie, naar het onbebrilde toilet gesleept werd. Door een broeder die een zuster achternazat, of omgekeerd, door het gietijzeren bedje dat kreunend aankondigde: lig stil of ik begeef het, door het kussen dat niet hoger was dan twee opgestapelde A-viertjes, enzovoort)

Tenslotte viel ik in slaap. Met dromen zo benauwend en alarmerend dat ik ze uit zorg voor u voor me houd.

Tot ik met een schok wakker werd. Zag ik het goed? Er lag gisteravond toch maar één persoon behalve mijzelf… Nu lag in het bed naast mij, op geen tien centimeter afstand nog iemand. Een volledig gekleed persoon. Een overblijvende arts? Een binnengeslopen zwerver? Wat het maar waar…Vast een in slaap gevallen bandiet met een keur aan wapens en explosieven onder zijn deken?

Wat moest ik? De deuren naar de gang waren gesloten. Een alarmknop ontbrak. Schreeuwen lukte me niet – rond m’ n huig zat een klont specie of deeg. Tabletjes onder de tong  werkten niets uit. Verkrampt hield ik mij aan de spijlen van het bedje vast. Ach, we hadden zo genoten op deze reis, mijn vrouw en ik. We hadden al zo veel gezien op dit bekoorlijke eiland.  De hotels waren zo voortreffelijk en de maaltijden zo verrukkelijk. Zou nu mijn leven op ellendige wijze eindigen? Zou het nu allemaal abrupt afgelopen zijn?  Ik zag de krantenkoppen al: Hulpeloze toerist op ziekenzaal koelbloedig afgeslacht.

De figuur ontwaakte met veel omhaal en grijnsde me toe. Dat gaf geen enkel vertrouwen. Hoe vaak vertonen wolven zich niet in de vacht van schapen?

Hij liet zich uit bed glijden, negeerde mij verder, schudde de andere gast wakker die hij, maakte ik op, bleek te herkennen.

Weldra stonden ze samen bij de deur, gewikkeld in een discussie. Ik dacht dat dit moest leiden tot een handgemeen maar achteraf begreep dat de harde toon, het geschreeuw en gestamp tot de kenmerken van een hartelijk gesprek hoorden.

Het viel dus allemaal mee. Mijn trillen werd minder, mijn hartslag regelmatiger. Ik had de vreemde overnachting dus overleefd, maar hij zou wel nooit meer op de harde schijf van m’ n geheugen gewist kunnen worden en in alle hevigheid  regelmatig spokend het brein binnendringen.

Overigens is van het betreffende ziekenhuis ook wel iets gunstigs te melden. De medische zorg, hoorde ik, was redelijk. Er bestond een zekere kiesheid die elders wel eens ontbreekt. In een ander ziekenhuis op Kreta kan men op de gangen vrolijk koutende chirurgen aantreffen met bebloede voorschoten. Maar ook hier waren toch medische missers. Zo ontving ik een prik met een niet steriel verpakte naald, die voordat hij in mij werd gejast, op de grond (waarvan het niet raadzaam was te eten) gevallen was.

Maar gaat u rustig naar Kreta. Het is een schitterend eiland met comfortabele hotels en aardige mensen.

Kees van Baardewijk

10 oktober 2007

 

Terug naar Verhalen


Nu zilver ... het goud voor later

Wij hadden vroeger meer ooms en tantes dan we met goed fatsoen aankonden. We zagen elkaar te weinig – een uitzondering daargelaten -  en daardoor was er altijd achterstallig onderhoud.

Zo’n uitzondering was oom Johan. (Een grapjas: toen mijn vader een keer jarig was en het huis uit zijn voegen barstte van al het bezoek belde hij aan, bleef onder aan de trap staan en vroeg of mijn vader thuis was). Die kwam regelmatig oplopen. Voor een praatje, een damspelletje of voor wat geklooi aan het harmonium. Dat heeft helaas weinig uitgehaald. Het psalmenkistje was ten prooi gevallen aan chronische emfyseem en, zoals u weet, is daar weinig kruid tegen gewassen.

O ja, dan was er ook oom Goos. Voluit Gozewijn. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe zijn ouders op zo’ n pompeuze naam gekomen zijn, later werd dat duidelijk. Toen oom Goos het levenslicht aanschouwde (met één oog, het andere functioneerde niet of nauwelijks) was juist neef Gozewijn uit Amerika op bezoek. Deze neef werd in de familie gekoesterd. Dat sierde onze familie want hij bezat niets, behalve nogal wat geld en goed.

Oom Goos, die ons dus ook regelmatig bezocht, werd geboren en overleed als vrijgezel. In zijn jongelingsjaren was hij ervan overtuigd dat de Wederkomst aanstaande was en waarom zou hij zich dan nog in zoiets ingrijpends, als het huwelijk toch is, begeven.

Hij was een beetje apart maar sympathiek en vriendelijk. Hij had iets eigenzinnigs en zelfstandigs over zich dat vaker voorkomt bij mannen die de dagelijkse corrigerende werking van een echtvriendin ontberen.

Maar terug naar oom Johan.

Ik bewonderde hem. Vooral om zijn dichterschap. Hij schreef gedichten of verzen voor allerlei familiale aangelegenheden. Verzen soms van drie à vier bloknootvellen waarvan de regels altijd rijmden. En alles met de hand. Tekstverwerken deed hij alleen ’s zondags, na de ochtendpreek.

Hij maakte ook voor mij eens een versje dat ik mocht voordragen op het koperen huwelijksfeest van mijn ouders. Leest u even mee.

Ik kom verheugd en blij

Mijn lieve va en moe

Op deze vreugdedag

Vlug naar U toe!

 

 Reeds Twaalf en een half jaar

Zijt gij te zaam

Door God, den Heer, gespaard

Lof zij Zijn Naam

 

En kon het, dat God gaf

Na langen tijd

Uw Zilv’ren feest

‘k Was dan verblijd.

 

Uw liefhebbenden Zoon Kees.

Dat zilv’ren huwelijksfeest viel mijn ouders ook ten deel, twaalf en een half jaar later. Het werd gevierd met veel aanwezigen in een gewoonlijk droefstemmend zaaltje dat echter door ons als kinderen opgemonterd was met slingers en bloemen.

Ik weet nog  goed dat we deze samenkomst begonnen zijn met een lied, natuurlijk van oom Johan:

 ,,Bruigom en bruid (2 x),

 op deez’ dag van vreugde,

 heffen wij een loflied aan,

 ja, wij prijzen nu te zaam,

 ’s Heren naam en deugden (2 x)

De slotregel die we er na vele coupletten enigszins vermoeid uitbrachten was:

,,Boven zult gij landen” (2 x)

Tredend in het voetspoor  van oom Johan, begon ik ook verzen te schrijven en droeg een der producten na bovengenoemd lied voor. Een gedicht dat ik tot een van mijn beste reken. Geniet u even mee.

Twaalf en een half jaar – wat een tijd geleden!

Stond ik ook voor u, met nerveus bevende leden.

Toch was ik blij dat ik dat zomaar mocht:

een wens voorlezen, door oom Johan gewrocht.

 

Ik sprak de hoop uit dat over twaalf en een half jaar en Deo Volente

er  weer feest gevierd zou mogen worden in onze tente(n).

En werkelijk, met een blij en dankbaar bruidspaar

zijn we gezellig en vergenoegd bij elkaar.

 

Wat kunnen wij deze lieve mensen

-- onze ouders – anders toewensen –

dan een gouden huwelijksfeest met uitgestoken vlag?

Brengen wij een toast uit op deze komende dag!

Gaan voor goud…voor een gouden huwelijksfeest…ze wilden niets liever.

Dit was niet mijn enige optreden op deze feestelijke dag. Ik was door broers en zussen benoemd tot ceremoniemeester (of ik had mijzelf benoemd, dat weet ik niet meer) en moest uit dien hoofde voortdurend mededelingen verstrekken en programmapunten aankondigen.

Het was een andere tijd waarin we dit soort vierdagen vierden dan de onze.

Een heel andere tijd. Zoveel dingen waren anders.. Dat weten we en dat moge ook blijken uit het volgende.

Ik heb tot ongeveer mijn elfde een vrij normaal postuur en uiterlijk gehad. Ik was geen Adonis, maar je kunt niet alles hebben. Daar wij zojuist en met moeite de hongerwinter hadden overleefd was er geen aanleiding tot liposuctie, waar dan ook.

Op mijn twaalfde vond er iets plaats in mijn lichaam dat mij in korte tijd tot de langste jongen van de klas metamorfoseerde. Dit gevoegd bij een breekbare dunte maakte mij tot een weinig begerenswaardige partij in de ogen van vrouwelijke klasgenootjes. Ik leed daar niet zichtbaar, maar wel in stilte, onder. Mijn bijnaam werd ,,de Lange” en voortdurend werd mij naar de temperatuur boven gevraagd.

Het heeft jaren geduurd voor ik (althans in eigen oog) op een enigszins normaal uiterlijk kon bogen. Dat stadium was nog niet bereikt in de tijd van het zilveren feest van mijn ouders.

Stelt u zich voor dat ik daar als ceremoniemeester op het podium sta. Ik neem een enigszins hellende positie in en dat gevoegd bij die onafzienbare lengte en vreeswekkende dunte en het geheel gestoken in een zogenaamd net pak levert een bijzondere en onvergetelijke aanblik op.

Echter, niemand die in dat zaaltje, toen, met mij geconfronteerd werd barstte in hilariteit uit. Niemand begon smadelijk te fluiten. Ik zag er voor die tijd dus nog niet eens zo erg ongewoon uit.

En daarmee is nog eens het verschil in tijd en dus ook in heersende mode getypeerd.

Want komen onze kinderen de foto nu tegen waarop ik vooroverhel op dat podium dan barstten ze uit een hikkende huillach, waar geen einde aan lijkt te komen. Prettig is dat voor mij nooit.

Terug naar het zilveren feest. Ze gingen dus voor goud – mijn ouders – maar het was niet voor ze weggelegd. Een paar jaar later overleden ze.

,, Boven zult gij landen” – ik denk dat de profetie van oom Johan vervuld zal worden. En dan zie ik ze gaan, in gedachten, hand in hand op straten van goud. Toch goud!  Met stralende gezichten, zonder sporen van pijn.

Soms staan ze stil. Ze kijken voor de zoveelste keer naar Hem. Maar verzadigd worden ze nooit.

Kees van Baardewijk

10 oktober 2007

 

Terug naar Verhalen