|
|
|
Geheimtaal in de Amsterdamse Haven Voor Amsterdam en omstreken ben ik op zoek gegaan naar benamingen van getallen, zoals die in de haven van Amsterdam door havenarbeiders werden gebruikt. Dit is het verhaal: In de Vlothaven in Amsterdam staat een loodsencomplex,
waarvan de loodsgedeelten de volgende namen dragen: Voor de meesten zullen deze namen wel enig wenkbrauwfronsen teweeg brengen, hier volgt echter de verklaring: Vroeger- en nu ook nog- was het bij oudere werknemers in de haven gebruikelijk om in plaats van getallen hiervoor bijnamen te gebruiken. Deels vloeide dit voort uit het gevoel voor humor, anderzijds was het wel praktisch, omdat bij het uitspreken van getallen verwarring kon ontstaan (zoals bijvoorbeeld bij zeven en negen). Verder kan één en ander worden verklaard vanuit de Hebreeuwse oorsprong. Omdat het opsommen van getallen vrij ééntonig en vervelend is, kwam men, mede door de welbekende Joodse humor, vaak tot originele vondsten. Hieronder de resultaten van het onderzoek: 1. Aas Dit is, vooral voor kaartspelers onder ons, bekend; het is nl. de 1 in het kaartspel 2. Zwaantje Afgeleid van de vorm van de 2 3. Kimmel Gimel Is de derde letter van het Hebreeuwse alfabet 4. Stoeltje Afgeleid van het cijfer 4 5. Handvol Dit is Bargoens voor vijf jaar gevangenisstraf (hij kreeg een handvol) 6. Pijpje of lepeltje Beide naar de vorm 7. Jood of Joop in de pot Jood uit een oud gezelschapsspel, genaamd ‘zevenrot’; ‘Joop in de pot’, afkomstig uit een spel met twee dobbelstenen (7 is pot); ‘broodje klimop’: op de 7e dag is het geld op, dus niets meer op brood 8. Krakeling Naar de vorm; Appie Verhaspeling, van achie voor acht 9. Neger De R aan het eind, vermoedelijk om verwarring met het getal 7 te voorkomen 10. Tellen Men telde niet verder dan een tiental; Tinus Skup Schrub is een dubbeltje in dieventaal 11. Kwak Als verklaring hiervoor wordt gegeven, dat bij het spuwen op de grond door iemand die pruimt, de twee straaltjes het getal 11 vormen. Het gebruik van pruimtabak was vroeger gangbaar, omdat tijdens het werk roken verboden was. Aardig is ook om te vermelden wat hierover geschreven is: “met dikke tabakspruimen in hun bakkes spuwen de boeren maar raak, zelfs in hun mooie kamer en zondags in de kerk hoort gij het kwakken op de vloer! Kwak aboe: waarschijnlijk ontstaan uit het Franse ‘à vous’, uitgesproken bij het elkaar toedrinken van de kwak (jenever), die om 11 uur verstrekt werd 12. Dozijn Dit spreekt voor zich 13. Judas Discipel, de dertiende aan het Heilig Avondmaal; verder ook nog wel: ‘alle bazen’; dat de havenarbeiders de bazen met ‘ongeluk’ vereenzelvigen, zal niemand verbazen 14. Kimmel Bas Zie bij 3. en 5. 15. Drie handel vol of drie stuivers 17. Jodesien Jod is de tiende letter van het Hebreeuwse alfabet en sajin de zevende letter; Jodesajin werd in plat Amsterdams ‘Jodesien’ 18. Duizend weken In Groningen gebruikt men nog de uitdrukking ‘een meisje van duizend weken’ 19. Kuiperspad Een berucht adres in Amsterdam, waar bij een inval van de politie 19 verdachten werden opgepakt 20. Tweemaal tellen 21. Baas Portieltje Bekend bij oude veemwerkers, waar baas Portieltje vier jaar te vroeg zijn 25-jarig jubileum vierde 22. Zwaantjes Zie onder 2. Ook werd ‘Vondelpark’ gebruikt; want welke Amsterdammer kent niet bank 22 in het Vondelpark? 24. Tweedozijn 25. Heitje Het is de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet; Het verkleinwoord ‘heitje’ dient als benaming voor het oude vijfstuiver stuk en wordt zodoende 25. Overigens kent bijna iedereen de uitdrukking ‘heitje voor een karweitje’. 28. Likmehol In het Bargoens woordenboek komt voor: “vroeger hadden wij nogal een likmehol in de kat”, waarbij ‘likmehol’ een achtentwintiger (geldstuk) en ‘kat’ een geldriem is. Het schijnt dat het geldstuk van 1,28 gulden een uitstekend object was voor valsemunters, voor de Staten van de Provincie Holland was dit ‘HOL’, wat reeds een groot deel van deze uitdrukking verklaart. Voor hen die Amsterdamse geintjes kennen, is het niet verwonderlijk dat 28 nog een andere benaming kreeg en wel ‘stinkerd’ dat natuurlijk berust op een absoluut verkeerde interpretatie van de eerste uitdrukking 30. Drie tienen 31. Ladde Een beruchte gelegenheid in de Pijp in Amsterdam, waarvan 31 het huisnummer was 33. Mottig “Het is een mottige drieëndertig”: wordt gezegd van een lelijke vrouw, die door de pokken mismaakt was 35. Makke Dit woord stamt van het Hebreeuwse ‘makoh’, een woord met meerdere betekenissen zoals: is geslagen, wonde, kwaal, plaag. Het is een verwensing, maar de relatie tot het getal 35 is onbekend 38. Jannie Smit 39. Oostmeijer Even berucht als het Kuiperspad dat voor 19 gebruikt wordt, schijnt 39 het huisnummer van Oostmeijer te zijn geweest 40. Het koude jaar Hiermee doelt men op de strenge winter van 1740 41. Op z’n elfendertigst of ‘op z’n doesie’ 44. Twee stoeltjes Zie onder 4. 45. Klap aan een smeeris Als men een agent een klap gaf, werd dit bestraft met 45 dagen gevangenis 50. Halve Meier Dit woord stamt uit het Hebreeuws: meióh is honderd. In het Bargoens is hiervan ‘meier’ afgeleid, een halve meier is dus 50. Kimmel meier is bijv. 300 gulden. Ook werd wel de uitdrukking ‘halfrond’ gebruikt; 100 is een rond getal, dus ‘halfrond’ is dan 50 51. Roelofs of koperbuikie 55. Bochels 66. Pijpenboot Waarschijnlijk ook naar de vorm; zie onder 6. 69. Kop en Staart of Kop en Kont Dit spreekt voor zich 77. De benen 88. Krakelingen In verband hiermee werden ook wel de uitdrukkingen ‘Herman de Bakker’ of ‘Piet de Bakker’ gebruikt 96. Hoe je ‘m draait Dat maakt dus niets uit 99. Hangen Waarschijnlijk ook naar de vorm 100. Rond of Ronde Jongen of Stinkert en Meier Dames en Heren; toilet is ook no. 100 101. Koninklijk Saluut Bij bepaalde gebeurtenissen met betrekking tot het Koninklijk Huis worden 101 saluutschoten afgevuurd 111. Vader, Zoon en Heilige Geest of Drie Smerissen 112. Dubbele Aas met Zwaan 113. Portret van alle bazen 123. Soldatenpas Bij getallen boven de 100 zegt men ook wel gewoonlijk: 111 - Honderd met kwak Heel veel combinaties zullen, zoals u zult begrijpen, worden gemaakt. Zo zegt men voor baal nummer 11 met 99 kilo ‘kwak met hangen’ en voor baal nummer 13 met 88 kilo ‘judas met krakelingen’. Ter verklaring van het ontstaan van de Amsterdamse haventaal kan men aannemen dat dit niet alleen voor de duidelijkheid is, maar ook om de eentonigheid van het noemen van hele cijferreeksen bij het rissen en wegen van de balen te vermijden. Het zal u duidelijk zijn dat dit verhaal niet volledig is en ik kan mij voorstellen dat de lezers op- /aanmerkingen en misschien aanvullingen zullen hebben. Uiteraard zijn deze van harte welkom! U kunt hier reageren. Ger Roessink (geboren met een dubbele kwak op het Kuiperspad op twee stoeltjes…) 11-11-1944 13 april 2012
De Nederlandse Staat heeft onder de kabinetten Lubbers en Kok in het kader van ´algemene herwaardering´ miljarden uit de boordevolle pensioenpotten getrokken om overheidstekorten te kunnen dekken. Ook werden op een gegeven moment de premies niet meer kostendekkend vastgesteld. Dat ging goed totdat de beurs begon te dalen en de rentevoet laag werd gehouden. Voor de duidelijkheid: die miljarden waren wel bijeengebracht door de werknemers! Deze miljarden aan betaalde premies zijn nooit teruggestort. Het lijkt mij dat de Staat en de werkgevers die van al dat geld geprofiteerd hebben, er nu zorg voor zullen dragen dat de tekorten worden aangevuld! Wij zijn dan ook van harte bereid om hiervoor op het Malieveld te gaan logeren! Ook vind ik de manier waarop de gepensioneerden van nú vaak in de media worden neergezet misleidend en misselijkmakend. De meeste Nederlanders die nu met pensioen zijn hebben hun hele leven hard gewerkt! Niks studeren, gelijk na school aan ´t werk, ook al was je pas 15 jaar oud. Niks 36-urige werkweek, maar 40 uur. Niks ADV-dagen, niks lange vakanties! Een modaal salaris. Sabbattical: nooit van gehoord. Zwangerschapsverlof: 6 weken voor de bevalling en 6 weken daarna.Voor de meesten onder ons geldt: 40 dienstjaren volgemaakt. In de jaren tachtig met heel veel moeite de stap
gewaagd en een eigen huis gekocht. Een hypotheek, die kreeg je niet zomaar, er
werd streng naar je inkomen gekeken. Tophypotheek: no way! Het werd een
doorzonwoning in een buitenwijk. Niks luxueus, wel met een tuintje en een eigen
slaapkamer voor iedereen. De huizenprijzen waren laag, de rente was torenhoog.
Het was pittig kan ik u vertellen, vakanties zaten er toen niet in. Als binnen enkele jaren zal blijken dat Griekenland de geleende miljarden inderdáád nooit terug zal kunnen betalen en dat wel de korting op pensioenen is doorgezet, dan hoop ik op een zeer breed gedragen woedend protest van de ouderen en de jongeren in dit land! Ook de jongeren en werkenden van nú worden immers benadeeld: de premies stijgen al en er is minder pensioenopbouw! E. Engels
13 april 2012 Als er ook maar iets niet liep, zoals het moest en als er moeilijke tijden waren – en dat was heel erg vaak bij moeder – dan pakte zij op stille momenten haar rozenkrans en bad voor degenen die het op dat moment heel er nodig hadden. Ook vooral voor haarzelf; om kracht en moed, om door te kunnen gaan. Zij beiden waren er blij met elkaar, gelukkig en tevreden. Hij was een goede werker en zij knoopte de touwtjes thuis aan elkaar en dat kon ze als geen ander. Tot op een dag de dokter tegen hem zei: “Er zit een tumor in uw hoofd”. Hij moest daarvoor in Utrecht geopereerd worden. Dat was niet naast de deur; geen auto, geen geld en twee kleine kinderen… In die tijd heeft zij heel veel gebeden aan haar rozenkrans en veel mensen met haar. De tumor werd verwijderd (de pan van het hoofd noemden ze in die tijd zo’n operatie) en hij werd beter. Maar nooit is hij weer dezelfde man geworden van vroeger; de harde werker, de goede wever. Hij had altijd hoofdpijn, nooit zonder en dat met een gezin. Inmiddels waren dat vier kinderen. In die tijd was het zelfs in die omstandigheden niet mogelijk om zelf te plannen. Een tijd lang leefden ze van de ‘ steun’ en dat was warempel niet veel. Toen hij weer aan het werk moest, kreeg hij ook niet het loon meer, dat hij daarvoor als wever gehad had. Maar altijd was er die rozenkrans in stille momenten, die haar af en toe werden gegund. Het leven ging verder en haar kinderen waren allang niet meer thuis. Hij is op zijn zesenzestigste overleden, helemaal versleten na ontzettend veel operaties aan van alle mogelijke dingen. Steeds hield haar het bidden, de rozenkrans en haar sterke geloof haar overeind. Alle vier de kinderen hadden op hun beurt weer vier kinderen en daar was ze altijd zeer mee begaan. De rozenkrans was dun en versleten, net als zijzelf. Steeds ging de ketting ervan stuk en dat werd dan weer met een touwtje gerepareerd. Wat eens een flinke vrouw was, dat was nu een broos vrouwtje met vaak veel pijn van de reuma, maar daar zeurde zij niet over. Zij kreeg een mooie rozenkrans met grote kralen voor haar dunne handen. In die tijd studeerde haar kleinzoon voor dokter en daar was zij ongelooflijk trots op. Elke avond bad zij haar rozenkrans, maar dan een rozenhoedje speciaal voor hem, haar kleinzoon, dat hij toch maar een goed en eerlijke dokter mag worden. Bij het zeggen van de onderstreepte woorden knikte zij heel uitdrukkelijk met haar grijze hoofd. Moeder is al lang niet meer. Haar rozenkrans hing een paar jaar aan de trap bij haar kleinzoon in Utrecht en nu in het huis in Nijverdal aan een balk boven de haard. Het is een dierbare herinnering aan haar, zijn grootmoeder. En juist in het dorp, waar zijn grootouders woonden en zijn vader geboren is, heeft hij nu een huisartsenpraktijk. Ik ben trots op onze zoon. Ik ben ook trots op de vrouw, die jaren mijn schoonmoeder is geweest. Ze leeft in onze verhalen en gedachten nog elke dag voort. Siny ten Hove-Slaghekke
14 februari 2012 Naar de bioscoop - toen we jong waren Graag neem ik u mee terug naar de bioscoop in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. In Grave werd er in 1948 al een bioscoop geopend met de grote naam het “Palazzo theater”. Die naam waarschijnlijk uit Italië overgenomen van het “Palazzo Vecchio”, dekte naar ik nu meen, absoluut niet de lading. Jarenlang had het er de schijn van, dat het gebouw van binnen nooit echt was afgemaakt. Zo zaten er op de openingen, die misschien ooit bedoeld waren als een soort loges, kartonnen platen op kippengaas, die de bogen in de muren afdekten. De toenmalige exploitant van het theater zal terecht hebben gedacht: “Ik moet er eerst maar eens een paar centen mee zien te verdienen”. Een voordeel voor hem was, dat Grave in die tijd nog ‘parate troepen’ kende, die gelegerd waren op de Generaal de Bonskazerne. (Later had men daar overigens, zoals op vele legerplaatsen een eigen filmzaal.) Maar in die tijd zochten de militairen ’s avonds buiten de kazernepoort hun vertier. Om die reden was kennelijk het Palazzo theater genoodzaakt elke dag een andere speelfilm aan te bieden en ’s zondags soms wel 2 verschillende titels. Wij als ‘opgeschoten’ jeugd hebben natuurlijk gretig meegeprofiteerd van die unieke situatie, dat er in ons stadje een heuse bioscoop was. Als we de kans kregen en voldoende centen hadden zagen we ook 2-3 films per week. In die tijd vond men, dat zomaar niet elke film vertoont mocht worden. Dit namelijk, zou tot zedelijk verval van de jeugd leiden. Men kende toen de Katholieke Film Keuring, opgericht door bezorgde bisschoppen, die in principe elke film een certificaat van keuring meegaven. Voor zover ik mij herinner had je de volgende categorieën: 1. Alle leeftijden. Indien er lokaal twijfel bestond over de aangegeven categorie, dan kon de plaatselijk afdeling van de Katholieke Filmkeuring zelf een extra keuring aanvragen. Volgens mij heeft men toen niet echt goed begrepen, dat wanneer er lawaai rond een bepaalde film ontstaat en iedereen zich er mee gaat bemoeien, er alleen maar meer de neiging ontstond om juiste die films te gaan zien. Zo is het mij in ieder geval vergaan. Daarnaast wist de exploitant ons ook op voortreffelijk wijze op het verkeerde been te zetten. Hij had destijds de gewoonte met een aanhangwagen en een geluidsinstallatie door de stadswijken te rijden en naast aan te geven waar de film ongeveer over ging, luide te verkondigen dat die bedoelde film eigenlijk wel niet kon maar dat hij ons Gravenaren en militairen dat niet wilde onthouden. Extra kaartjes waren daarmee bij voorbaat verkocht. Ook de keuze van de titels, was destijds een gewild wapen. Alle films die werden vertoond waren uiteraard vrijwel alleen Amerikaanse en Duitse producten. Titels werden zo veranderd of vertaald, dat zij een bepaalde exotische lading kregen. Een gevoel waarop toen best kon worden ingespeeld omdat iedereen wel nieuwsgierig was en eigenlijk van toeten of blazen wist, daar waar het om erotiek ging. Ik zal u een paar voorbeelden geven van filmtitels, zoals die toen in de bioscoop werden vermeld, zo nodig voorzien van de originele filmtitel. 1. En God schiep de vrouw ( Et Dieu…. créa la
femme.) Op 14, 15 jarige leeftijd was het natuurlijk sport om ook de films te zien die 18 jaar of ouder waren. Het ompraten van de ouvreuse was een goed middel of, iemand die wel 18 was kaartjes te laten kopen en die ons dan via een achterdeur toch de zaal in kon loodsen. Dat alleen al gaf een scheut adrenaline. Ik herinner me nog dat we ons bezig hielden met de wildste fantasieën. ‘Zondaars in spijkerbroek’. Vrijwel niemand in Grave had zo’n ding, laat staan dat hij of zij wist hoe dat eruit zag. We waren verschrikkelijk benieuwd wat er dan wel in die spijkerbroek zat en welke zonde er bedreven ging worden. We hoopte natuurlijk fel, dat dit er een was die we nog niet kende. De meest gekke voorstellingen liet je in je hoofd rondspoken. Nadat het gelukt was in de zaal te zitten bij zo’n film, was het toch weer een desillusie. De enige zonde die we te zien kregen in een plat liefdesverhaal was het feit, dat het meisje van huis was weggelopen. Ja, dat was toen wel heel apart. Veel konden we ons daarbij niet echt voorstellen. In onze brave wereldje was nog nooit dat idee opgekomen, laat staan er over nagedacht hoe zoiets in de praktijk uit te voeren. Nee, maar dan ‘Kan echt liefde zonde zijn?’ Dat was toch werkelijk een kans bij uitstek, zo meenden wij, om twee vliegen in een klap te slaan. We zouden aan de weet komen wat liefde was en vooral, wanneer dat het geen zonde was. Immers ons werd voorgehouden, dat alles zonde was. Zelfs het kijken naar een griet, werd in menig huisgezin tenminste toch wel geduid, als ‘dagelijkse’ zonde. Dat schoot niet op. Praten over gevoelens, wensen, eventuele verliefdheid was niet aan de orde. Dus, wanneer is liefde zonde? Ook die film gaf geen éénduidig antwoord op die vraag. Er werd veel gepraat, dialogen, zouden we dat nu noemen. Een echt verhaal konden we niet ontdekken. Dus weer 80 cent armer, ontevreden naar huis. Je kon het niet laten. Steeds als je weer zo’n titel zag en de exploitant weer uitstekend zijn reclame had gedaan, ging je weer twijfelen. Zou er dit keer echt iets te zien zijn van het vrouwelijk lichaam. Was er echt iets te ontdekken. Bij de film ‘Liane het wilde meisje uit het oerwoud’ kon het eigenlijk niet mis. Immers dat hadden we wel gezien op plaatjes uit de ‘missie’, veel kleren hadden die mensen in het oerwoud niet aan hun lijf. Ja en de film was ’18 jaar’. Dus wie weet. Nou u raadt het al. Een slappe film waarin Liane probeerde als vrouw de ‘Tarzan acteur’ Johny Weissmuller te evenaren. We hebben niets gezien dan een meisje dat weliswaar blote benen en armen had, maar voor de rest alle voor ons interessante lichaamsdelen angstvallig bedekt hield. Zelfs bij de meest wilde capriolen bleef alles op zijn plek. Persoonlijk heb ik ze ervan verdacht, dat ze de kleding aan haar lijf hadden vastgeplakt. Schrale troost bij deze film was, dat er in ieder geval nog wat actie was. Nog zo’n voorbeeld: de film ‘La Dolce Vita’ was met heel veel bombarie aangekondigd, de reclamekar had niet alleen op zaterdag rondgereden, maar ook op zondag en dinsdag. Ja, ja. Hangend op onze hangplek in het centrum van de stad bespraken wij, nozems, de kansen van de film. Veel vrije vertalingen deden de ronde. Het dolle leven, de gevallen vrouw etc. Bij deze film waren de verwachtingen dus hoog gespannen. Er is maar een beeld uit die film dat ik mij herinner en wel de scène in de fontein, waarbij de hoofdrolspeelster kletsnat werd, ook haar blouse. Die scène leverde in ieder geval de wetenschap op dat een vrouw daadwerkelijk twee! borsten had. Verder bleken ze niet vierkant te zijn. Dus ook hier weinig nieuws onder de zon. ‘God schiep de vrouw’ met daarin de wereld beroemde Brigitte Bardot bracht ook al niet wat wij er van gedacht hadden. Tot slot dan de film : ‘Ik ben nieuwsgierig: geel’ Dat kon toch niet missen. De filmkeuring, had vertoning ernstig ontraden. De plaatselijke ‘keuringscommissie’ had de film letterlijk verboden. Poe, Poe. Vooral het woord ‘geel’ in de titel sprak ons wel aan. We hadden ook ontdekt, dat de film uit Zweden kwam. Dat land hadden wij via ‘De Lach’ een toenmalig mannenmagazine hadden leren kennen als een land, waar seks en blote foto’s veel minder een probleem waren dan bij ons. De exploitant wilde zich niet houden aan het advies van de lokale filmkeuring en zette de film gewoon op het program. Wij staken de koppen bij elkaar om een plan de campagne te maken hoe we verzekerd konden zijn van een plaatsje in de filmzaal als die film gedraaid werd. Er waren er twee in de groep die al achttien waren en wij waren inmiddels ook allemaal rond de 17 jaar oud. De echte 18-jarige zouden de kaartjes kopen voor een doordeweekse voorstelling. De kans dat er gecontroleerd zou worden was dan beduidend geringer. Man, man, wat waren we opgewonden. Nu zou eindelijk de wondere wereld van de lijfelijke liefde voor ons opengaan. Dit kon toch echt niet missen. Helaas, steeds als er een lang verwacht bloot lijf tevoorschijn zou komen op het witte doek, hoorde je de bijbehorende muziek overslaan. Wij, ervaren filmbezoekers wisten dan: Er is ‘geknipt’ in deze film. Potverdorie. Weer niks. Waren we dan toch weer om de tuin geleid? We spraken met elkaar af er niet meer in te trappen. Onze kans langs deze weg wat seksuele voorlichting te krijgen en opgewonden te worden van vertoonde plaatjes was echt voorbij. Heden ten dage kan men zich dat niet meer voorstellen. Maar wij probeerden op die manier toen hopeloos die informatie te vergaren. Uit nieuwsgierigheid ben ik op het internet gaan zoeken naar de film ‘Ik ben nieuwsgierig: geel’. U weet wel, daar vind u seks en porno in grote hoeveelheden voor iedereen bereikbaar. Dat hoeft voor mij nu ook weer niet zo nodig. Ik hoefde maar een keer de Zweeds titel in te tikken en ik vond de film meteen. Dat onze verwachtingen destijds niet zo vreemd waren moge blijken uit onderstaand citaat, dat ik vond bij de omschrijving van die film. De film “Jag är Nyfken: Jammer dat we dat origineel toen niet hebben kunnen aanschouwen. Onze jeugd heeft nu alle kans om zich via velerlei wegen op de hoogte te stellen van wat wij toen graag in de bioscoop hadden willen zien. Tot slot wil ik u onderstaand gedicht niet onthouden, wat in de dertiger jaren van de vorige eeuw verscheen in het blad MKS. Ode aan de bioscoop
Licht der dwazen. Bioscoop,
Jeugd en grijsheid, meisje en man
Opgewonden lichtzinnigheid Van hetgeen in dit gedicht verteld wordt, hadden wij nu juist in de vijftiger jaren wat mee willen pikken. Helaas is het bij wensen gebleven. Een les die wel geleerd kan worden is dat de een filmtitel bijna nooit de lading dekt! Frans Pennings
30 maart 2010 (ingezonden 27 januari 2012) (klik op de foto om die te vergroten) mien voader Jacob Reint Imminga, 1960 Joakob zien voader het n pittje kocht, n mooi
jong daaierke, mit vaaier slanke baintjes onder zien pokkeltje. “Mòst ains
kieken Joakob wat k op t adrilntjemaat kocht heb.” Joakob kikt mor zegt niks,
“nou? hou liekt e die tou?” “Joa joa dat zel den wel zo wezen” zegt Joakob: mor gerust is e der nait op. In hoes verteld Joacob van ‘t pittje. Hindertje zien vraauw dij net aan t eten koken is keek om
aan. “Loat dien voader zien lol, doe waist dat e stoapel is op peerden, en
misschien vaalt aalmoal ja wel tou.” Aanderdoags al vroug in de mörgen stof voader bie Joakob en Hindertje keuken in, hailmoal overstuur. “Och jong kom gaauw mit t peerd is oetbroken.” Gaauw schut Joakob zien olle bokzem aan, graaide zien blauwboantje van spieker en doar goan ze, op jacht achter t peerd aan, want kriegen zöllen ze hom, wèlwas hier aigenlieks boas? peerd nait vanzulfs. Mor ‘t pittje doch doar hail aans over, want vrijwezen was mooier dan in t gruinlaand tussen t stiekelwier. Joakob zien vraauw en ain van zien kinder kieken ze noa. “As dat mor goud òflopt moeke” zegt t wicht. “Joa? dien voader en opa loaten zok der zomoar nait onder kriegen, dij zetten deur tot ze t daairke weer achter t stiekelwier hebben.” “Geleuf mie mor, ik ken dij baaide kerels.” t Lopt al tegen middag en voader en opa bin nog in gain velden òf wegen te zain. “Woar blieven dij wel, der zel toch niks aargs mit ze wezen” t wicht spitst d oren en lustert of ze wat aan kommen heurt. En joa, in d verte klinkt t geluud van peeriezers. Gaauw ropt ze heur moeke en mit ze baaide ston ze op dam uit te kieken noar voader en opa:, zellen ze t peerd ook bie zok hebben?. t Geluud van klepperende peeriezers komt aal dichter bie. En joahur doar kommen ze aan. Mor wat is dat, t liekt wel of t peerd op hol sloagen is, joa? En hai het d gang der oardeg in. Voader hangt aan teugels en sleepte over de weg. Opa rit op fiets der noast en bölkt “hoal vast! hoal vast!.” As t peerd oetroast is en endelk stil staait zit voader onder de boeln en bulten, en zit der gain knoop meer aan zien boantje, knijen bin deur d boksem:, en zien handen!, doar zit gain vèl meer op. Mor ’t pittje is kalm en mot weer t gruinlaand in. Moeke kikt heur dochter aan en zegt: “hest zeker wel deur dat de aanholder wint.” En mit n lag om heur mond verbindt ze d stôkkende vingers van mien voader. n woar gebeurd verhoal van mien voader en opa
Alberta T van Dijk Imminga
7 december 2011 (klik op de foto om die te vergroten, © Leo van Hoek)
Leo van Hoek
19 augustus 2011 Voorwoord De generatie van voor de oorlog viel tussen de Wal en het Schip en werden daarna vele malen nagetrapt. Een verhaal is dan pas kompleet als alles vanaf het begin op een rijtje wordt gezet. Vandaar een nuchtere uiteenzetting zonder te dramatiseren of te romantiseren. Na diverse spontane gesprekken met leeftijdgenoten heb ik besloten om onze kinder- en jeugdjaren aan het papier toe te vertrouwen. Aan babyboomers, immigranten, hangjongeren, studenten en aan vele andere groepen wordt regelmatig aandacht geschonken. De generatie van voor 1940 is een vergeten groep. Schijnbaar geen aandacht waard. Vandaar dat er nooit enige publiciteit aan besteed is. Voorgeschiedenis Mijn ouders
zijn in Mijn vader was grenssoldaat in de Eerste Wereldoorlog en had de ellende van de overburen gezien. In het zuiden waren kampen waar de vluchtelingen uit België ondergebracht waren. Mijn moeder was bediende in de winkel in zulk een opvangkamp. In 1925 zijn ze getrouwd. Vier jaar daarna brak de economische crisis van 1929 uit. Werkeloosheid en armoede, er was geen cent te verdienen voor de boer, de middenstand en de arbeider. In een krant uit die tijd stond het bericht dat de onderwijzers 4 % minder loon kregen. Dat hield in dat ze ook 4 % minder uit konden uitgeven. Besteedbaar inkomen was een onbekend begrip. Bedrijfssluitingen, loon inleveren, was aan de orde van de dag. Werkverschaffingsprojecten, met de schop en kruiwagen een bocht in de Maas uitgraven met scheppen of vergelijkbare projecten, daar werden zelfs mensen aan gezet die in het geheel niet geschikt waren voor zwaar lichamelijk werk. Al die jaren was het een zware tijd voor iedereen, terwijl de staatskist uitpuilde van het goud. In 1938 begon de economie wat aan te trekken, maar het was nog steeds geen vetpot. Slechts twee jaar daarna was het oorlog, 1940 – 1945 was enkel een tijd om te overleven. Na de oorlog was het bepaald geen weelde. In 1960 begon het wat beter te worden. Doch toen was die generatie 60 jaar of ouder. Hun actieve leven zat er op. Deze voorgeschiedenis is om aan te geven in wat voor een situatie ons leven is begonnen. De lagere school Mijn oudste broer is in 1929 geboren, ik ben van 1934, de jongste is van 1938. Met de 6 jaar naar de Grote School. Dat was in dezelfde tijd als de Duitse inval. Die schooltijd is in geen enkel opzicht te vergelijken met heden. In het zuiden is iedereen, generatie getrouw, Rooms Katholiek. De geestelijken hadden een grote invloed op het gehele leven. Er was een drukkende sociale controle, al werd die niet als zodanig gevoeld. Verplicht kerkbezoek voor de schoolkinderen. Godsdienstlessen namen een groot deel van de schooltijd in beslag, gevolgd door jaartallen opdreunen, geschiedenis. Piet Hein was een zeeheld, want die had het zilver van de Spanjaarden ,,gestolen" en nog meer van die ,,helden". Allemaal dingen waar je als mens niet veel aan hebt. De hoofdvakken waren: rekenen, schrijven, taal en lezen. Daarom hoor ik steeds van leeftijdgenoten: ,,Hadden ze ons maar Engels geleerd in plaats van de catechismus." Dit is een symbolische uitdrukking die aanduidt wat voor een primitieve tijd het toen was. Doordat de Duitser op twee fronten oorlog voerden waren de grenzen rondom Duitsland en de bezette landen gesloten. Dat had een veel grotere invloed als de strijd zelve. Europa heeft niet al te veel grondstoffen en Nederland al helemaal niet. Om maar een voorbeeld te noemen. Als er geen huiden meer ingevoerd worden uit Argentinië is de lederindustrie snel uitgewerkt. Als er geen chemische producten meer worden ingevoerd geldt dat ook voor de verf, inkt, medicijnen, enz. Een ieder kan dit verder zelf invullen, betreffende wol, katoen,,gereedschap enz. Het resulteerde voor ons schoolkinderen een tekort aan leermiddelen. Bij het leren lezen wordt een kind het best geactiveerd door op gezette tijden nieuwe leesboeken aan te schaften. Het tot in de treure toe hetzelfde leesboek lezen was niet bepaald een stimulans. Schrijven werd geleerd met een potlood, daarna volgde de kroontjespen. Kinderen drukken nu eenmaal te hard op de kroontjespen waardoor de pootjes uit elkaar gaan staan. Aanvoer van nieuwe pennen was er niet. Die pootjes werd door de meester weer zo goed als het kon rechtgebogen. En de roest werd er met zilverzand afgeschuurd. Wij zaten met 32 kinderen in een klas. Op een gegeven dag kreeg de meester 10 potloden. Het potlood werd op de lessenaar gelegd en hij rolde er met zijn zakmes overheen, waardoor er drie stompjes ontstonden, 30 stuks in totaal. De meester hield de kinderen in de gaten en die het eerst klaar was moest zijn potlood inleveren voor een ander die er geen had. Met drie kinderen hadden wij samen een gum zo groot als een tuinboon. Er was een tekort aan schoolschriften, pennen, inkt, letterlijk aan alles, niet meer voor te stellen. In de winter mocht de kachel na 3 uur niet meer bijgevuld worden. Na enige tijd had de bovenmeester gevraagd of de kinderen stook mee konden brengen. Enkelen hadden wat meegebracht, de ene jongen had drie turven, de ander een paar briketten en weer een ander een paar klosjes hout. De meesten hadden niets meegebracht. Dit heeft geen week geduurd, omdat de mensen zelf niet voldoende hadden. Na enige tijd werd onze school gesloten. In ons dorp was nog een school die iets kleiner was. De leerlingen van beide scholen werden samengevoegd. Wij hadden les op de voormiddag en de anderen na de middag. En dat wisselde om de week. In elk lokaal was aan de voorkant een ruimte om binnen te komen, daar stond de lessenaar en tegen de muur het bord. Vier rijen banken met daartussen een looppad en aan muurzijden een ook looppad. Achter in de klas was ook een grotere ruimte, daar stond meestel een kast met boeken. Aangezien er twee jaargangen in één lokaal ondergebracht waren, hield dat in dat er veel meer kinderen geplaatst werden. In die noodsituatie waren er banken bij gezet. De buitenste twee rijen werden pal tegen de muur geschoven en de tussenpaden smaller gemaakt. Zo ontstond er een ruimte voor nog een rij banken. Zowel in het voorste als het achterste deel van de klas werden banken bijgeplaatst. Soms zaten er drie in plaats van twee kinderen in een bank. Totaal 68 kinderen in een klaslokaal. Van leren kwam niet al te veel terecht. Het stonk er van het zuurstofgebrek. Het aantal kinderen in een klas werd nog eens extra groot door de kinderen van geëvacueerden die in de dorpen verbleven. Die moeten ook ondergebracht worden. Deze situatie heeft een hele tijd geduurd. Schoeisel en kleren waren zeer slecht. De mensen maakten van diverse stoffen kleding. Kinderen liepen met kapotte klompen en geen sokken aan . Als er een vliegtuig was neergestort waren de mensen er als de kippen bij om te zien of er een parachute te bemachtigen was om bijvoorbeeld een bloesje van te maken. Van overgordijnen en dekens werden eveneens kleren gemaakt. Zo had ik ondergoed aan van meelzakjes met de zwarte letters er nog op. Door gebrek aan hygiëne zaten veel kinderen onder de luizen. Vele artikelen waren vervangen door surrogaat, kleizeep, eigen teelt tabak, gerstenkoffie, kunstboter, kunsthoning, enz. Superslechte kwaliteit. Zeg maar gewoon troep. Om stookkosten te sparen zaten de mensen in een klein kamertje, je zat als het ware bij de ander op de lip. De elektriciteit was uitgevallen en werd plaatselijk voorzien door een noodaggregaat van de textielfabriek. Het aantal af te nemen Kilowatt was beperkt, bij overtreding werd alles afgesloten. Ieder gezin mocht enkel lampen van 15 W gebruiken. In de kamer liep je bij wijze van spreken de stoel ondersteboven. Menigmaal flikkerde de lamp, waarop mijn vader dan zei: ,,Ze hebben zeker weer een turf op het vuur gegooid." Mochten er jonge mensen zijn geweest die een avondcursus volgden en hun huiswerk moesten maken, dan was dat zeer belastend. Met z'n allen in een heel kleine kamer, de een stoorde de ander en de rozenkrans werd iedere avond met z'n allen gebeden. Iedereen kan zich indenken dat van huiswerk maken niet veel terecht kwam. In de winter ging men om 10 uur naar bed, wat inhield dat de kachel na 9 uur niet meer bijgevuld werd. De rode draad Door die
schooljaren liep tevens een zwarte draad, beter gezegd een rode draad. Met mijn
zesde jaar zat ik in de schuilkelder die mijn vader in de achtertuin had
gemaakt. Op In de oorlog
was er regelmatige wat aan de hand. Zo werd er een jonge man vermoord omdat die
dienst had genomen bij de SS. Daarop volgde een razzia. Dan storten er weer een
vliegtuig neer of soms een V 1. Op een dag viel er een vliegtuig op circa Op mijn tiende heb ik met enige volwassenen tegen een huis geschuild, de kogels vlogen letterlijk om de oren. Dat was mijn eerste vuurdoop. Toen het stil werd zij wij zo snel mogelijk naar huis gefietst, op een fiets met harde banden. Onderweg vond vlak voor ons een luchtgevecht plaats, waardoor een jongen van 14 jaar door zijn knie werd geschoten. Aangekomen bij de laatste zandweg stond er een man voor zijn boerderij. Hij adviseerde ons om de fietsen bij hem onder de bessenstruiken te verstoppen. In het dorp werden door de Duitsers fietsen gevorderd. Een paar dagen later hebben wij de fietsen opgehaald. Enige tijd later was ik met twee vriendjes in een bos, van takken een hut aan het bouwen. Plotseling vlogen de kogels over onze hoofden. Wij zijn niet direct vertrokken, pas toen de schors boven onze hoofden van de bomen vloog gingen wij weg. In de Dorpen in het zuiden was in de oorlogsjaren niet direct honger. Iedereen had wel een moestuin, het eten was wel van een slechte kwaliteit. Dat lag wel een stuk anders voor het westen, waar de voedselvoorziening stukken slechter was. Gevolgd door de Hongerwinter. Op het laatste waren de distributiebonnen waardeloos, er was niets meer of van een zeer slechte kwaliteit. Het enige was ruilhandel, althans voor hen die iets te ruilen hadden. Het is overbekend dat de mensen uit de grote steden hun sierraden en trouwringen voor voedsel ruilden en soms werden ze ook nog bedrogen. De kinderjaren in het westen waren vele malen beroerder dan op de dorpen in het oosten en zuiden. Dit is in grote lijnen het leven van mijn kinderjaren, die van andere leeftijdgenoten was niet veel anders. In ieder geval geef ik hier een overzicht van de primitieve schooljaren. De jaren na de oorlog Na de oorlog kwam de regering uit het veilige Engeland terug. De propaganda richtte zich op de wederopbouw. De mensen verdienden zo veel, beter gezegd zo ,,weinig". Dat ze net te eten hadden, aangevuld met eigen moestuin. Ze konden de huur betalen en zo nu en dan een stukje kleding kopen. Diverse Moeders hadden in de keukenkast een potje staan of een kopje waar het oor vanaf was. Was er een dubbeltje of kwartje ,,over", dan werd dat in dat spaarpotje gedaan. Dat was bestemd bijvoorbeeld voor een paar schoenen voor een kind. Deed er zich een ander financieel probleem voor, dan werd dat potje aangesproken en moest het kind wachten op de schoenen. Het improviseren, in de oorlog geleerd, werd noodgedwongen voortgezet. Afgedragen kleding werd losgetornd en gekeerd om zo een ,,nieuw" jasje , broek of rokje van te maken. Dikwijls droegen de jongeren de afgedragen kleding van een oudere broer of zus. Schoenen, die zich naar de voeten van een oudere broer of zus hadden ,,gezet", werden door een jongere gedragen, wat niet bevorderlijk is voor de ontwikkeling van de voeten. Geld en aandacht voor de opgroeiende jeugd was er niet. Geen sportvoorzieningen enz. De voetbalclub was het enige. Op het veld speelden de kinderen door de week en groeven er zelfs gaten. Voor de meisjes was er HELEMAAL niets. Die telden in het geheel niet mee. Ze hoefden zelfs geen beroep te leren. Dat was niet eens nodig. De gedachte was, als ze later trouwen moet de man voor de kost zorgen. Die enkelen die naar de textielfabriek gingen werken, om de lasten van de ouders wat te verlichten, werden sterk onderbetaald. Waarbij ze de denigrerende naam kregen van ,,fabrieksmeiden". Niet bepaald opbeurend. Nu kan ik de problematiek van de meisjes niet geheel overzien omdat er bij bij ons thuis enkel jongens waren. De jeugdjaren van de meisjes waren eerder slechter dan van de jongens en er waren minder vooruitzichten. De bevrijding in het zuiden Toen de geallieerden bij Arnhem bleven steken, stroomde het bevrijde deel vol met soldaten. Elk openbaar gebouw werd gevorderd, scholen dans- en feestzalen, café s, boerenschuren, kippenhokken, bedrijfsloodsen, delen van particuliere huizen, letterlijk alles. Een onbevangen kindertijd was dat wel. 's Morgens een boterham en dan naar de soldaten om chocola en sigaretten te vragen en wij leerden van allerhande kattenkwaad van die soldaten. Na enige tijd werd het salaris van de leerkrachten ingetrokken. Door dit schokeffect zochten die naar andere mogelijkheden. Wij hebben met een stel van 12 kinderen voor een halve dag les gekregen bij een boer in de huiskamer. Andere kinderen hadden daar de andere halve dag les. Daarna verhuisden wij naar een glazen serre van een villa. In normale toestanden zaten er 32 kinderen in een klas, nu gaf de meester les aan slechts 12 kinderen. De 18 anderen kregen les van een gepensioneerde of van een persoon die in het geheel niet bevoegd was of kregen met tussenposen les. Mijn buurjongen had les in een particulier huis. Bij dat huis was de voordeur in het midden met daarachter een gang naar achteren. Link en rechts was een klein kamertje, daarin waren de kinderen verdeeld , de meester stond in de gang met een klein bord. Dit is nu niet meer voor te stellen. Een hopeloze zaak Uiteindelijk verplaatste het front zich en trokken de soldaten verder. In een bouwvallig pand werd voor de zesde jaargang een klaslokaal ingericht. Dat lokaal was in tweeën gedeeld door houten harmonicadeuren. Aan de andere kant werd lesgegeven aan overwegend boerenmeisjes van 17 jaar en ouder. Die hadden daar kookles en ander huishoudelijk onderwijs. Het schoolmeubilair bestond uit een bijeengeraapt rommeltje van tafeltjes van diverse hoogtes en kleuren en afmetingen en stoelen met biezen zittingen. Onze aanwezigheid stoorde de meisjes in het onderricht en omgekeerd. En nog steeds een gebrek aan leermiddelen. Einde schooltijd Wij hadden 6 klassen gehad. Althans de tijd was verstreken. Maar wij kende net zo veel als een kind dat in een normale tijd 3 jaar naar school was gegaan. Nu spreekt men van de Basisschool. Juist, het is de basis waarop de rest wordt gebouwd. Als de basis niet goed is deugt de rest ook niet. Oorlogstuig verzamelen Afgemat trokken de laatst Duitse soldaten oostwaarts. De meesten waren oorlogsmoe. Bij gebrek aan vervoer gingen velen te voet en als ze hun spullen niet konden dragen smeten ze die weg. Overal lagen geweren, granaten enz., enz. Op last van het gemeentebestuur werd dat verzameld in een appelboomgaard met bewaking van de politie. Die politie was er zelden of nooit. Beter gezegd, die fietsten er wel eens langs. Dat was een trekpleister voor de jeugd. Wij sleepten de granaten en al wat er verder draagbaar was, mee naar huis waar het verstopt werd. Nu was niet alles in die boomgaard opgeslagen, er lag in de bossen en afgelegen plaatsen volop van dat gevaarkijk spul. Wij kinderen demonteerden de granaten met hamer en knijptang. In ons dorp zijn slecht drie jongens gewond geraakt en twee volwassenen. Slechts één is er dodelijk verongelukt door demontage van oorlogstuig. In de meeste dorpen waren meer slachtoffers. Dit kwam door een laakbaar bestuur. Met al de gevolgen van dien. Beroepsvoorlichting Beroepsvoorlichting, begeleiding en testen, van dat alles hadden wij nooit gehoord. In zulke dorpen behoorden de burgemeester, de notaris de pastoor en de bovenmeester tot de dorpselite. Dat waren de ,,geleerde" mannen, die wisten toch alles en dat werd klakkeloos aangenomen. Niemand had de moed om zich daartegen te verzetten. Zo zie ik nog de bovenmeester met zijn fiets stoppen, met zijn ene voet op de grond om het evenwicht te bewaren. Hij zei tegen mijn moeder: ,,Je moet de kinderen niet meer het beroep van de vader opdringen, je moet ze zelf laten kiezen." Hier werd de ene stommiteit ingeruild voor een andere stommiteit. Hoe kun je een kind van 12 jaar met de verantwoording opzadelen waar die in het geheel niet aan toe is. Een beroepskeuze voor een kind is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de volwassenen. Wat heeft een 12 jarige voor inzichten ? Laat een kind van die leeftijd een hele week bij een boer meehelpen, op de brede rug van het paard zitten, dan wordt die boer. Breng hetzelfde kind volgende maand naar de bakker en het mag daar ook meehelpen en al de scheefgezakte gebakjes opeten. Dan is de keus snel aangepast en kiest die voor bakker. Zoiets is toch niet verwonderlijk. Ik wilde bloemist worden omdat ik wel eens bij een bloemist de bloemen water had mogen geven. Dat werd niet toegestaan, met als reden, als het weer oorlog wordt hebben de mensen geen bloemen nodig maar brood. Heel begrijpelijk van mijn moeder met haar achterliggende gedachte , zoals haar leven was verlopen. Ook al was dat een tijd geleden, het speelde in de gedachten van die mensen wel een rol. Mijn vriendjes gingen naar de ambachtsschool. Daar was een meester die zo interessant kon vertellen over de Grieken, de Romeinen enz. Dat was de enige reden waarom ik ook naar de ambachtsschool ging. In ons Dorp was als enigste HOGESCHOOL de Mulo, die was in die tijd snel gebouwd van ronde knuppel zo uit het bos, vandaar de toepasselijke naam Het Knuppelhutje. Ieder dag Het onderricht op zich In augustus was de grote vakantie, daarna begon het nieuwe schooljaar. De eerste dag verzamelden de kinderen zich op het schoolplein, bij de eerste bel verzamelde iedereen zich bij de juiste groep. Bij de tweede bel ging de deur van het klaslokaal open en stormden de kinderen naar binnen. De beste leerlingen verkozen de eerste banken en de wat tragere de achterste, met de hoop dat er een jongen voor kwam te zitten met een brede rug om zo aan de aandacht van de meester te ontglippen. Er werd nooit door de leerkracht ingegrepen, om op gezette tijden van plaats te wisselen of door te schuiven. Lezen; ook een heet onderwerp. Elk kind moest om de beurt hardop voorlezen. Was er een trage aan de beurt en brak die zijn hals, nek en nieren bij een woord van drie kettergrepen dan was het al snel: ,,De volgende !" Diegene die goed kon lezen mocht wel vier bladzijdes voorlezen. Het had andersom moeten zijn. Onze bovenmeester was het onbetwiste ,,opperhoofd" met veel aanzien en hij dulde nooit tegenspraak. Menig keer als hij les gaf ging hij op de eerste bank zitten en met zijn voeten op de zitplaats van de leerling. Die moest dan opschuiven. Op zekere dag was hij iets aan het uitleggen. Aan de muur hing een plaat met een afbeelding van de wereld. De plaat werd strak gehouden door onder en boven een ronde stok. De plaat was van uitgeverij Noordhoff uit Groningen. Ik zat heel geïnteresseerd naar die plaat te kijken. Plotseling riep ik: ,, Meester die plaat is fout !" Hij keek om en vroeg: ,,Wat is er dan met de kaart ?" Waarop ik antwoordde: ,,Groenland is veel te groot !" Zijn antwoord was: ,,Wat denk jij wel snotneus, dat jij het beter weet als Noordhoff ?" Typerend voor die man, die niet in staat was om op een spontane vraag van een kind een adequaat antwoord te geven. Op een dag zat de bovenmeester weer op de bank. Nu sprak hij wat vochtig en de jongen veegde zijn gezicht af en zei:,, Meester ik ben al gewassen." Pats en daar kreeg die een flinke draai om zijn oren. Brutaal jong , snotaap, deugniet en zulke benamingen lagen in die tijd voor in de mond van de Heren. Daardoor werden kinderen klein gehouden en werd de status van de leraar niet aangetast. Nu zat ik altijd in boeken te bladeren en had een zeer brede belangstelling. Onder de ramen zaten hardstenen dorpels, soms kon men afbeeldingen van fossiele schelpen zien. Zo was ik een keer aan enkele jongens aan het uitleggen dat die witte tekens van schelpen waren. Een andere meester passeerde en keek naar ons. De dag daarna had een jongen van de andere klas daarvan gehoord en sprak mij aan. Wij samen naar de dorpel en ik legde hem hetzelfde uit. Op dat moment passeerde dezelfde meester. En zei: ,,Ben jij daar nog altijd mee bezig ?" Niet bepaald stimulerend . Van de Kapelaan kregen wij Godsdienstles, de meeste jongens zaten dan te suffen, aan hun nagels te peuteren of keken naar buiten om te zien onder welke dakpan die mus een nest aan het bouwen was. Het was niet bepaald boeiend. De Kapelaan zei, als je thuis nog een beetje wijwater in een fles hebt kun je dat met kraanwater aanvullen. Blijkbaar was ik de enige die oplette, en zei: ,,Kapelaan, als dat zo is, dan giet ik het wijwater in de sloot en die mond uit in de Maas en die ,,,,, Verder kwam ik niet. Hij begon mij uit te kafferen dat ik een brutaal jong was, zoiets zei je niet, dat was Godslastering. Hiermee wil ik duidelijk maken wat voor een primitief stel er voor de klas stond. Dit zijn slechte een paar voorvallen. Slaan was heel normaal. Ook met de aanwijslat. Jij mag dat niet, ik wel De textielfabriek werd van turf voorzien en dat werd met een kleine vrachtwagen aangeleverd. In een haakse bocht vielen er bijna altijd turven af. Mogelijk deed de chauffeur dat expres om de mensen wat extra te bezorgen. Daar woonde een gezin met twee zonen, de moeder hield er telkens één thuis om turf te rapen. Daarop reageerde de bovenmeester met sancties. Een paar maande later was zijn vrouw ernstig ziek, toen ding de gehele school onder schooltijd op bedevaart. Advies aan de ouders ?? Zo was er een jongen die problemen had met zijn speeksel, het vocht liep altijd uit zijn mondhoeken. Zo erg dat zijn kleren altijd nat waren. Die jongen werd ook geplaagd, doch geen enkele leerkracht heeft ook maar een keer ingegrepen, hem in bescherming genomen, laat staan om zijn ouders te adviseren betreffende een medische behandeling. De jongen was geheel in zichzelf gekeerd en ik neem aan zeer eenzaam. Wat was het toch een onbenullige toestand in die tijd. Te laat Na de ambachtsschool ging je werken. Wij waren toen veertien tot vijftien jaar. Toen ik 17 jaar was kwam er de mammoetwet. Dat hield in dat er een groot bedrag op de staatsbegroting werd uitgetrokken voor het onderwijs. Op zich een heel goede zaak. Helaas was het voor onze leeftijdsgenoten TE LAAT. Dubbel moraal Direct na de bevrijding kwam de regering terug uit het veilige Engeland. Die accepteerde niet dat ons volk door een vreemde mogendheid (de Duitsers) werd bezet. Na de capitulatie van de Jappen streefde Indonesië naar zelfstandigheid. De toen regerende regering besloot om Nederlandsch Indië met geweld als koloniaal land te behouden. Zoiets wordt hypocriet genoemd. De wet werd zeer snel aangepast, zodat niet alleen vrijwilligers doch ook dienstplichtige naar Nederlandsch Indië werden gezonden. Wel een draai van 180 graden. Volgens de regeringsleider was het in Indië GEEN OORLOG. Het was een POLITIONELE AKTIE. Ik heb nooit geweten dat politiemensen over vliegtuigen, kanonnen en tanks beschikken. De OORLOGSPROPAGANDA draaide op volle toeren. Het eerste dat in een oorlog sneuveld is ,,de waarheid". De jongens van die leeftijd werden opgeroepen, dat werd door de kerkelijke overheid gestimuleerd en de bevolking zelf was zo geïndoctrineerd en dacht werkelijk dat ze streden voor Volk en Vaderland. Voor ons Indië Wij hebben rijke kolonie Ons en wij zijn begrippen die een gezamenlijk bezit inhouden. Van dat gezamenlijk bezit heb ik in ieder geval nooit ook maar een pond koffiebonen of degelijke gratis gekregen. Ook mijn ouders en grootouders niet. Dit doelt niet letterlijk op ons gezin, het geldt voor heel het Nederlandse volk. Als er een gesneuveld was, kregen de ouders het lijk niet eens terug om hier op een gepaste wijze te begraven. De jongens werd bij terugkeer een baan beloofd. Van alles werden ze beloofd. Wat kregen ze, 200 gulden voor een nieuw kostuum. Verder werden ze aan hun lot overgelaten. Geen bijstand van welke aard dan ook. Oorlogstrauma bestond toen zeker niet. Zelfs voor hen die afgekeurd waren en door die oorlog de tropenkolder hadden opgelopen was geen enkele opvang geregeld. Allemaal loze beloftes. Deze jongens, die enkele jaren ouder zijn dan wij, hebben in de bezettingjaren wat simpel werk gedaan om te overleven. Aan een gedegen opleiding ontbrak het zo wie zo al. In het boek ,,En ons moeder schruwde" (huilde) wordt de belabberde opleiding van die generatie op pagina 12 en 13 duidelijk omschreven, met vijftig kinderen in een klas. Van overheidswege werd er steeds de nadruk op gelegd. De Nederlandse belangen behartigen !!????????????? Ze bedoelden de belangen van de Heren die privé belangen hadden in Nederlandsch Indië. De vraag is of deze jongens over die tropenjaren later een pensioen hebben ontvangen ? Al is het maar over de dienstjaren ? De kosten werden gesocialiseerd en de winsten geprivatiseerd. Anders gezegd; Het leger werd betaald van de belastingcenten. Dus het volk zelf en dat net na de oorlog. En de opbrengsten van plantages enz. gingen naar de aandeelhouders. Bijna alle andere landen waren tegen deze oorlog. Extra aandacht Voorbeeld: Een kind van bijvoorbeeld 8 jaar heeft de ontwikkeling van een achtjarige, de een is wat verder en de ander wat achter in ontwikkeling. Dat is een normaal voorkomende situatie. Bij het lesgeven is een bepaalde snelheid ingepland. Een lesperiode duurt zeg maar drie kwartier, bijvoorbeeld rekenen. Eén van de kinderen snapte de leerstof niet. Na beëindiging van de lestijd volgt een andere leerstof. De week daarop is het rekenen iets verder gevorderd . Het desbetreffende kind snapt er nu helemaal niet meer van, die kon het van de vorige week al niet verwerken. Zo raakt dat kind steeds verder achter. Betreft het twee vakken die aan zo'n kind voorbijgaan, dan blijft dat kind zitten. Volwassen leerkrachten beslisten daarover, zijn ouders en het kind zelf stonden in die tijd daar geheel buiten. De grote vakantie is aangebroken en dat kind slaakt een zucht van verlichting om nu eens niet door die moeilijke leerstof te worden geplaagd. De klap komt pas bij het nieuwe schooljaar. Zo'n kind voelt zich buitengesloten. De anderen zijn doorgegaan naar de volgende klas. Dit kind moet alles overdoen en is de oudste in de nieuwe klas. Kinderen kunnen hard zijn onder elkaar. Niet zelden wordt die uitgemaakt voor stommeling. Het ene kind wordt apathies en slaat helemaal dicht, het andere wordt opstandig, in een vorm van, ik kan wel niet leren maar ik ben van niemand bang en zoekt om de haverklap ruzie of gaat spijbelen. Kinderruzie is meer een krachttoer om zich te bewijzen, er vloeit zelden bloed. Het resultaat is, zie je wel te stom om te leren maar vechten dat kan hij wel. Er komt niets van terecht, hij groeit op voor galg en rad. En meer van die vernederende benamingen. Zo wordt een kind verder in een hoek gedrukt, met fatale gevolgen. Wat extra aandacht dat had zo'n kind nodig. Een kind wat extra bijles geven is goed en is overduidelijk aangetoond door de heer Prem Radhakishun tijdens de TV uitzending van 2009. Extra aandacht is in allen tijden van toepassing. Onze jongens in Indië Oorlog voeren en dat op grote afstand, dat kost pas geld. MILJOENEN PER DAG. In een oogwenk werd de wet aangepast dat er ook dienstplichten naar Indië gezonden konden worden. Juist de gezonde kerels werden daarvoor genomen en als een sneuvelden kregen de ouders het lijk niet eens terug om het hier met alle eer te begraven . Brieven door de ouders aan hun zoon geschreven moesten van de normale porto worden voorzien. Ik zie mijn moeder nog in elke brief een paar vloeitjes en een plukje tabak insluiten, zodat mijn broer twee sigaretten kon roken. De ouders konden op eigen kosten een pakje zenden. De Indiëgangers zijn letterlijk besodemieterd. Bij mij komt de vraag naar voren van: ,,Wat zijn oorlogsslachtoffers ? Is dat enkel wat zichtbaar is ? Een been of arm er af. En waar het huis plat geschoten is ? Valt al het andere er buiten ? De mensen van voor de oorlog ? Onze Jongens in Indië ? De evacués ? Mensen die de Hongerwinter hebben doorstaan ?" Maar na afloop van die periode hebben ze ons allen letterlijk in ons hemd laten staan. Door de gebrekkige opleiding. Beter gezegd , primitief geklungel. Een inhaalcursus, verlicht examen, geen van alle. Wel werden wij steeds nagetrapt. Van, stommerik, als je een brief schreef met de nodige taalfouten er in. Belachelijk werd je gemaakt. Noodgedwongen ging je alle situaties uit de weg en werd een kunstenaar in het camoufleren van je gebrekkige ontwikkeling. Wij konden geen vuist maken, waren niet verenigd of georganiseerd, dus berustte een ieder in zijn eigen lot. Zo ver mij bekend is er niemand van mijn leeftijdgenoten in het crimineel vak terechtgekomen. Die tijd was wel een goede voedingsboden voor dat vak. Wel ben ik ervan overtuigd dat er beslist talent verloren is gegaan. Het is wel typerend dat een man van mijn leeftijd zei: ,,Mijn enige diploma dat ik heb is mijn rijbewijs." Dienstplicht Amper 19 jaar oud moest ik in dienst. Na 18 maanden voor 75 cent en later een gulden per dag gingen wij met grootverlof zoals dat in het leger werd genoemd. Uiteraard waren er die een hogere school bezochten, die kwamen uit de steden of uit bevoorrechte families, waren jonger en profiteerden van de Mammoetwet. Deze waren vrijgesteld van de dienstplicht. De BB (Bescherming Bevolking) en Nationale Reserve waren mislukt wegens te weinig vrijwilligers Ons onderdeel werd opgeheven en wij, inmiddels weer burger, werden gedwongen dienst te nemen in de BB of Nationale Reserve. Bij navraag waarom wij dat moesten opknappen en dat zij die reeds een vrijstelling hadden ook een steentje konden bijdragen, kreeg ik als antwoord: ,,De een moet nu eenmaal meer bijdragen als de ander." Een goedkoper smoesje was er niet te vinden. In die tijd ben ik getrouwd en had een kleine winkel die nog geheel opgebouwd moest worden. Mijn vrouw werkte buiten huis en had het weekeind gepland voor huishoudelijke werkzaamheden. Juist op zaterdag was het verplicht oefening draaien. Dat bracht spanningen met zich mee, na verloop van tijd ben ik niet meer gegaan. Op een dag verschenen er twee mannen van de Militaire Politie. Uniform en geweer inleveren, de heren overhandigden mij een brief met: ONEERVOL ONTSLAG. Dat hield tevens in dat ik niet meer in aanmerking kwam voor een overheidbaan. Bij gebrek aan enig diploma was dat toch al uitgesloten. In die tijd stond er in de krant dat een sportleraar in Utrecht drie maanden gevangenis straf had gekregen omdat hij op de zaterdagen niet kwam opdagen bij de BB oefeningen. Maar juist op de vrije zaterdag had hij de meeste leerlingen. De vrijwillige BB was mislukt en zo moest er zo nodig een voorbeeld worden gesteld om toch aan voldoende mankracht te komen. Zulke dingen zijn in deze tijd niet te geloven ! Slot Met dit verhaal heb ik mijn persoonlijke belevenissen weergegeven, maar iedere andere leeftijdgenoot kan een verhaal beschrijven dat gelijkluidend is. In latere jaren werd wel aandacht en veel geld geïnvesteerd in het voortgezet onderwijs. Wel wrang is dat er voor de meest uiteenlopende dingen nu wel geld beschikbaar is. Om een paar voorbeelden te noemen. Criminele worden in het gevang begeleid en daarna opgevangen door de reclassering. De drugskoning verdient miljoenen, komt zelden voor de rechtbank of zijn advocaat weet het wel zo te draaien dat er een typefout gemaakt is, dat heet dan ,,vormfout", zodat hij vrij komt. Naar mijn mening is het en blijft het een crimineel. De verslaafden stelen alles bij elkaar en moeten dan zonodig opgevangen worden, afkicken heet dat, wel van de belastinggelden. De personen die er een baan aan hebben zullen dat afkicken wel verdedigen. Hier is weer hetzelfde kapittel. De drugskoning heeft de winst en de kleine man betaalt de kosten. Dat geld ook voor de drankverslaafde. Het casino, daar wordt ook nog reclame voor gemaakt: ,,Gezellig een dagje uit." Een dronkaard stopt als ie vol zit, een gokverslaafde stopt nooit , die wil telkens zijn ,,verlies terugwinnen". Dat de gokverslaafde steelt ligt voor de hand, de zaak oplicht, geld leent dat nooit terugbetaald kan worden, daar hoor je niets over. STAATSBELANG denk ik. Zowel de basisschool tot en met de universiteit wordt van de belastingcenten gefinancierd. De uitverkoren die de universiteit bezoeken profiteren na de Middelbare School nog eens zes jaar van de gemeenschap. De bijdragen staat in geen enkele verhouding tot wat een studie kost. Al bij de geringste verhoging schreeuwen ze hulp en moord. Mocht er zich een situatie voordoen dat er een gedeelte van de kosten c.q. studietoelage terugbetaald moet worden, wordt dat als een onoverkoombaar probleem naar voren gebracht. Daar tegenover staat het volgende voorbeeld. Als een timmerman start als zelfstandige, staat die voor de volgende kosten: een werkplaats, machines, kantoorruimte met inventaris, enz. Hij moet zelf voor klanten zorgen, reclame maken, verstand hebben van de producten, boekhouding, verzekering en dat het geld binnenkomt. En dat voor een normaal uurloon. Iedereen heeft zijn beperkingen. Moet de zelfstandige een beslissing nemen en die valt verkeerd uit, dan gaat hij failliet, wat inhoudt dat zijn zakelijke en privé spullen onder de hamer gaan, zelfs het bedrag dat zijn vrouw erin heeft gestoken. Plus dat het een afgang is, een schande waar hij jaren later nog op aangekeken wordt. De persoon met een universitaire opleiding heeft overwegend een vaste baan, is verzekerd van goede voorzieningen. Mocht hij een fout maken dan kan ie ten hoogste ontslagen worden, maar zijn privé spullen blijven buiten schot. Allemaal privileges die voor de universitair opgeleide lieden weggelegd zijn. Persoonlijk heb ik het bange vermoeden dat er niets verandert. Waarom ook ? De vooroorlogse leeftijdsgroep is toch al bijna uitgestorven en die paar die nog leven worden niet gehoord. Teleurgesteld, in de steek gelaten, beschimpt als dommerik , ongeschoolde arbeider, wij kwamen nergens voor in aanmerking. Geen diploma . dus ook geen baan. Je kon nooit ervaring opdoen, een vicieuze cirkel, wel belasting betalen voor de nakomers waar wel al die faciliteiten voor waren. Met de nek aangekeken worden, dat noem ik natrappen en dat je leven lang. Al is dit verhaal wat onsamenhangend is, dan is dat zuiverste bewijs van onze gebrekkige start in de maatschappij. Ik heb een krantenknipsel van een man die als dienstplichtige naar Indië werd gestuurd en er net zo over denkt. De vooroorlogse generatie; Dit is slechts een beperkte omschrijving van onze kinder- en jeugdjaren. WERKEN, BELASTING BETALEN EN OVERAL VAN BUITEN WORDEN BESLOTEN. Jan Willemsen
21 juli 2011
|
|