|
|
|
Prikkebeen (J.A.A. Goeverneur) (met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Inleiding Kindren, komt en hoort mij aan, 'k Zal je hier vertellen gaan, Hoe 't heer Prikkebeen verging, Die zo graag kapellen ving, Maar wiens zuster, Ursel, wou, Dat hij 't vangen laten zou,
Hoort, hoe hij, ten einde raad, Voor zus Ursel vluchten gaat; Hoe een walvis hem zó maar Binnenslokt met huid en haar; En hoe eindlijk de arme bloed Aan het braadspit krimpen moet.
Al, wat met hem is geschied, Zult gij horen in dit lied, En, al klinkt dat soms wat raar, Wat gedrukt staat, dat is waar, Fidel-die! Wilt dan verstaan, Nu vangt de historie aan:
1. Hoe mijnheer Prikkebeen zich met de kapellevangst verlustigt
's Morgens vroeg sjokt Prikkebeen Druk door dik en dun al heen; Vlinders vangen in zijn net Is zijn allergrootste pret En, als men hem dat verbood, Kniesde hij zich zeker dood.
Heeft hij zo na lange jacht Eén gevangen - o, wat lacht Prikkebeen dan wonderzoet! 't Beestje speldt hij op zijn hoed, En geen gouden koningskroon Is dan in zijn oog zo schoon.
Komt hij eindlijk, moe en mat, 's Avonds thuis met heel zijn schat, Dan wordt alles net geschikt En in kastjes vastgeprikt. - Croesus, schoon als rijk bekend, Was bij Prik een arme vent.
Nog voordat hij slapen gaat En in 't blote hemd al staat, Neemt hij zo een beestje op En bekijkt het op en top, - zoals afgebeeld staat hier, Ginnegapt hij van plezier.
En zelfs 's nachts nog op zijn bed, Met zijn slaapmuts opgezet, Droomt hij van vlinders aan de wand Zitten en waar overal Torren vliegen zonder tal.
Vroeg, vóór dag en dauw al, staat Hij weer voor zijn bed paraat, Brommend: `'k Ben nieuwgierig al, Wat vandaag ik vangen zal.' - Prikkebeen, ik raad je man, Trek toch eerst je broek maar an!
Maar helaas, 't was jammer, dat Prik een boze zuster had, Die hem dagelijks bekeef, Dat hij bij haar thuis niet bleef. Tot hij eindelijk op papier Bracht dit korte briefje hier:
2. Hoe mijnheer Prikkebeen aan zijn zuster een afscheidsbrief schrijft
'Lieve zuster Ursula! 'Ik ga naar Amerika; 'Dat is 't echt kapelleland. - ''k Schrijf je dit met eigen hand 'En blijf, evenals voorheen, 'Je getrouwe Prikkebeen.'
Doch, pas is dit schrijven klaar, Of wie komt me binnen daar? 't Is zijn eigen zusjelief; Dadelijk pakt die de brief, Leest en ... arme, onnoozle Prik Staat te trillen al van schrik.
Ursel krijgt een kleur als bloed, Pakt zijn net en schreeuwt verwoed: `Wat? Jij woudt van mij vandaan? Jij woudt mij verlaten gan?' - Bevend, bang, bleek als een doek Kruipt ons Prikke in een hoek.
Ursel gaat vlak voor hem staan, Kijkt hem met boze ogen aan. Tikt hem op zijn lange neus En zegt: `Nu vertel me eens, heus Wil je reizen, broertjelief?' - 'Neen, nooit', zegt hij, `hartedief!'
Och, 't ontbijt, het smaakt hem niet, Vol van spijt en van verdriet Zit hij daar en spreekt geen woord; Ursel, die hem zuchten hoort, Zegt in 't end: `Toe, praat eens wat; Wees niet zo triest, mijn schat.'
`Kom, ik wil tot je plezier Eens wat spelen op 't klavier.' En met hoge schelle stem Zingt ze een mooi lied voor hem; Doch hij hoort het brommend aan En denkt: `Loop jij naar de maan!'
Eindelijk houdt hij 't niet meer uit; `Laat mij gan zus!' roept hij luid; Maar zij schreeuwt: `Daar komt niet van, Jij zult stil hier blijven, man!' Waarbij ze op de tafel slaat, Dat die 'tonderst boven gaat.
3. Hoe mijnheer Prikkebeen op reis gaat en per schip Europa verlaat
Nu heeft Prikkebeen gewacht Tot in 't hartje van de nacht, En toen sloop hij als een muis Op zijn tenen uit het huis. - 'k Groet je zus! Als 't kan geschiên, Hoop ik je nooit weer te zien.'
En toen hij nu reizen ging, Wat was 't eerste, dat hij ving? In zijn net een ... grenadier, In zijn hoed een ... vrouw. Getier En geschimp was 't geen gebrek; Iedereen hield hem voor de gek.
Maar tot laat nog in de nacht Houdt hij vol toch met zijn jacht, Tot een katuil, schuw door 't licht, Hem komt vliegen in 't gezicht. Dat maakt aan het spel een end En hij zoekt een logement.
Eindelijk, na een dag of twee, Komt hij aan het strand der zee, Waar een schip juist zeilreê ligt. Bij dat heugelijk gezicht Juicht heer Prikkebeen het uit En neemt aanstonds een besluit.
In een bootje roeit hij voort Naar het grote schip aan boord; Vrolijk zwaait hij net en hoed, `Holland' roept hij, `wees gegroet! 'k Lach nu met zus Ursula! En ga naar Amerika!'
Ach, pas komt hij op 't schip, Of ... wie krijgt hem bij zijn slip? Zijn lief zustertje Ursula, Was gereisd hem achterna, Zag, hoe hij naar boord vertrok, en pakt hem nu bij zijn rok.
En ze huilebalkt en schreit, Tot hij haar heeft toegezeid, Af te zien zijn leven lang Van zijn dwaas kapelgevang, - Prikkie kuiert stil en stom Met haar op het schip wat om.
Ursel speelt tot zijn plezier Blindeman met broerlief hier, En de onnoozle sukkel tast Zoekend rond ... potsierlijk was 't! Tot hij eindelijk als buit Ursula in de armen sluit.
Thans is Ursel blindekoe; Stijf trekt hij de doek haar toe, En wipt met zachte stap De kajuit uit langs de trap. Ursula blijft dus alleen En zoekt vruchtloos Prikkebeen.
Op het dek staat hij daar zo En zucht klaaglijk och en o! Omdat hij niet meer voortaan Op de vlinderjacht mag gaan. - Kijk, zijn ogen rollen wild En tot zelfs zijn neus toe trilt.
Onderwijl zit Ursula Nog maar altijd broerlief na; Maar al zoekt zij al haar best, Nergens vindt ze iets, tot op 't lest Zich de doek van de ogen trekt
4. Hoe mijnheer Prikkebeen in 't water springt en wat daarop volgt
Gillend komt ze bovendeks. - Prikkebeen staat eerst perpleks, Maar neemt dan een kloek besluit, Strekt zijn lange benen uit En ploft boven neer in zee ... Ursula schreeuwt ach en wee.
In 't verschiet ziet hij een zeil. Daarheen zwemt hij in der ijl; Doch zijn zuster Ursula Springt hem in haar wanhoop na; Plomp! - De kapitein ziet haar Door zijn kijker tuimlen daar.
De kaptein ziet dat met schrik Maar verzuimt geen ogenblik; Met zijn degen en zijn hoed Werpt ook hij zich in de vloed: Plomp! - De stuurman die dat hoort, Kijkt nieuwsgierig over boord.
'Jongens, helpt je kapitein! Roept hij, springt en ... groot en klein, Oud en jong, in dichte klomp Volgt hem alles: plomp, plomp, plomp! Alles plompt in 't zilte nat, Dat het bobbelt, schuimt en spat.
Tot de dieren zelfs op 't schip Nemen allen vlug een wip. Plompt! daar tuimlen zo pardoes Paard, koe, varken, bok en poes; Muis en rot zelfs springen mee Plomp, plomp! in de natte zee.
Op 't schip in de verte daar Was een Turkse roverschaar. - Toen die merkten, wat er was Kwamen ze nog net van pas En ze visten, kop voor kop, De arme natte zwemmers op.
Ursel was in doodsgevaar, Maar een Turk, die pakte haar Met een haak en trok haar op. Prikkebeen duikt met zijn kop Onder water, toen hij 't ziet: Met háár meegaan wil hij niet.
Twee ton water, ongejokt, Had hij vast wel ingeslokt, Toen hij eindelijk, dik als wat, Boven kwam weer uit het nat En een klein zwart eiland vond, Waar hij opkroop, tonnerond.
Ach, geen huis, geen boom, geen plant Was daar op dat kleine land, En het scheen wel dat het zwom. Prikkebeen kijkt angstig om En wordt dodelijk vervaard, Want het eiland heeft ... een staart.
5. Hoe mijnheer Prikkebeen in de walvis gezelschap vindt en wat verder gebeurt
Kort en goed, het eiland was Een gediert van 't walvisras; En toen 't beest zich schudde, gleed Prikkebeen er af. Het deed Op zijn bek en ... Prikkebeen Vloog door 't wijde keelgat heen.
Toen nu Prikkebeen omlaag Neerkomt in de walvismaag, Vindt hij tot zijn blijdschap daar Al een heerschap, kort en zwaar, Die, hoog boven nat en slib Stijf zich vasthoudt aan een rib.
En die kleine dikbuik zeit: `Ik begrijp niet, waar 't aan leit, Dat ik nog mijn pruik niet vang. 'k Hengel al drie maanden lang En nog krijg ik hem niet beet; - 't Is, zo waar, een kruis en leed.'
`Broertje-lief', ziet Prikkebeen, `Twee zijn knapper vaak as één, `'k Wil zien, of 'k je helpen kan.' - `Doe dat!' ziet de dikke man; `Als je 't pruikje wedervindt, `Ben ik je allerdikste vrind.'
Op een goede morgen, dat 't Paar zo in de ribben zat, Slokte 't hongerige dier Nog weer op een mens of vier. 't Was aandoenlijk, de arme liên Daar zo spartelend te zien.
' Was een speelman, zoals bleek, En een boer met grote steek, Met een knecht en Peternel, Die zijn dochter was en fel Schreeuwde en die haar zwarte mop Stevig vasthield bij zijn kop.
Wat bekomen van de schrik, Kuiert Nel een rond met Prik, Die verliefd raakt op en top; Speleman strijkt vrolijk op, Terwijl Dikkie breed vertelt, Hoe 't is met zijn pruik gesteld.
Prikkebeen, die thans bedenkt, Wat geluk het huwlijk schenkt, Vraagt den boer te goeder trouw Peternel tot echtevrouw. - `Ik mag 't lijen', zeit de man; `Als ze je aanstaat, trouw haar dan.'
Bal is 't in de walvisbuik, Alles danst naar oud gebruik; Zó vol gratie, kunst en zwier Walsen Prik en Nelle hier, Dat men wis op 't wereldrond Zelden huns gelijken vond.
Doch helaas! door al 't gestamp Krijgt de wallevis een kramp, Die hem ziek en misselijk maakt; 't Is, of hij aan 't braken raakt. - Dikkie, Dikkie - opgepast! Hou de rib toch stevig vast!
Peternel, in dat gevaar, Dacht nu aan haar mopshond maar; Zij laat los ... daar vliegt terstond Speelman, boer, knecht, Nel en hond Met een vreselijk gerucht
6. Hoe mijnheer Prikkebeen bitter bedroefd is, maar eindelijk toch uit de vis verlost wordt
't Was gelukkig, dat net kwam 't Schip `Fortuin van Rotterdam' En door 't zenden van een boot Allen redde van de dood. - Vier stuks mensen en de mop Haalden ze uit het water op.
Onderwijl zit Prikkebeen Nu met Dikkie heel alleen Tot des walvis bittre last Nog daar in zijn ribben vast. - 't Beest had hen van harte graag Ook gesmeten uit zijn maag.
Doch, dat lukte ditmaal niet. - Prikkebeen huilt van verdriet En is dodelijk bedrukt, Dat zijn Nel hem is ontrukt. Wat al Dikkie zegt en troost, Prikkie huilt maar onverpoosd.
Eindlijk echter krijgt het dier Aan het braken weer plezier; 't Hossebost hen heen en weer, 't Gooit en smakt hen op en neer, Tot hun alles binnen kort Geel en groen voor de ogen wordt.
De arme walvis hijgt en kreunt, Dat zijn ganse lichaam dreunt; Uit zijn zijde druppelt bloed, Prikkebeen krijgt weer wat moed, Doch de Dikke, daar hij 't ziet, Roept: `Grut, dat begrijp ik niet!'
Werkelijk was hulp nabij, Walvisvangers waren 't. Zij Kregen pas de vis in 't oog, Of ze kwamen, en daar vloog, Een harpoen hem zó door 't lijf, Dat hij gauw lag dood en stijf.
't Beest werd aan de wal gebracht, Stuk gemaakt en afgeslacht; Doch, bij 't oopnen van zijn mond, Raad ereis, wie men daar vond? `Goeie morgen!' riep heer Prik, `Goeie morgen!' riep heer Dik.
7. Hoe mijnheer Prikkebeen aan de Noordpool komt en wat daar verder met hem gebeurd is
Prikkebeen tast, pas aan land, Naar de Haarlemse krant; Maar de dikke roept: `Och heer, Lieveling, heb 'k jou daar weer!' Want hij vond zijn pruikje, dat In een van de darmen zat.
Zoetjes aan al komen zij Nu de Noordpool mooi nabij. 't Sneeuwt, rijpt, hagelt; de ijsbre kou Verft hen beiden bont en blauw, En de vorst bevriest hun, heus, Tenen, vingers, mond en neus.
Eindlijk is hun 't bloed gestolt. Prikkebeen valt om en rolt Zo pardoes op Dikkie neer; Die ook heeft geen leven meer, Maar ploft, met zijne éne been In de lucht, als blok daar heen.
Toen de visvangst was volbracht En het schip met traan bevracht, Vond men de bevroren twee En nam ze op de schouders mee, Enkel om de vreemdigheid, Als een ding van rariteit.
Met om hals en been een strop Hing men aan de mast hen op. Koud, verkleumd, hard, stijf en strom Bongelden daar beiden om. 't Was, begrijpt een ieder licht, Een heel akelig gezicht.
Maar zie daar, een woeste orkaan Dreef hier thans ook 't roofschip aan. Ursel lag met Turken daar Stijf bevroren door malkaar, En zo hees men met een wip Heel de troep in 't walvisschip.
't Manvolk wierp men onder dek, Geen bewoog zich van de plek; Maar toen m' ook een dame vond, Nam men die apart en bond Naast den kapitein haar vast, Tot versiering van de mast.
Daags daarna, toen een matroos Vuur sloeg in zijn tondeldoos, Spatte een vonk, en daardoor kwam De arme Turk in laaie vlam; Doch de warmte en hitte doet Prik en Ursel innig goed.
Toen de Turk van kop tot zool Was verbrand tot as en kool, Komt in beiden 't leven weer. Zij omhelst haar broeder teêr, Doch die knijpt, benauwd te moê Dadelijk weer zijn ogen toe.
Prikkebeen houdt zich als dood; Dat brengt Ursel zeer in nood; Zij bevrijd hem van zijn strop, Pakt hem aan en zet hem op; Doch, bewegingloos en stijf, Valt hij, bons, haar tegen 't lijf.
Schoon ze bitter klaagt en schreit, Hem met zoete naampjes vleit En met tranen overgiet, Wat ze doet het helpt haar niet; Koud en hard als marmersteen, Blijft de hele Prikkebeen.
8. Hoe mijnheer Prikkebeen door de zorg van zus Ursula toch nog ontdooit raakt
Daar zij evenwel 't gebons Van zijn hart voelt, neemt ze een spons En ze wrijft hem heel niet mals Daarmee borst, gezicht en hals. Door 't gekriewel en gedoe Is hij haast aan 't lachen toe.
Al, wat zij bedenken kan, Doet zij voor den armen man; Kommen vlierthee, kokend heet, Giet zij in hem. 't Klamme zweet Breekt weldra den sukkel uit En ontdooit zijn harde huid.
Ursula, zodra zij 't ziet, Treuzelt nu ook verder niet, Maar bindt hem, zo lang hij is, Aan een braadspit, waar toch wis Nu de hitte en laaie gloed Hem wel heel ontdooien moet.
Daar de hitte in korte tijd Zich door 't ganse schip verbreidt, Dringt die ook door lijf en leên Der bevroren Turken heen. Zoetjes aan ontdooid geraakt, Zijn ze als uit een droom ontwaakt.
En in woeste toorn ontbrand, Grijpen ze nu 't zwaard ter hand, Komen boven en verslaan Al, wie hun maar durft weerstaan; En hun sabels, scherp en goed, Druipen dra van Christenbloed.
Ursula zit, bleek van schrik Nog bij 't vuur en braadt haar Prik, Tot een grimmig turks mijnheer Binnenkomt met blank geweer. `Och pardon, heer officier'! Riep ze, `ik braad een Christen hier.'
Prikkebeen begreep thans wel, Dat het uit was met het spel; Ook was voet, wang, oor en hand Hem al tamelijk verbrand. `Ursel,' riep hij, `schielijk, bind Los me; ik ben ontdooid weer, kind.'
9. Hoe mijnheer Prikkebeen en zijn dikke vriend gered worden en onder de Turken gaan
Doch de Turken zijn niet mak, Wat hij daar ook tegen sprak, Wou hij 't leven redden, dan Moest hij worden Muzelman. - Knielend en diep aangedaan, Neemt hij dus de turban aan.
Dikkie, bonglend aan de mast, Wordt in 't eind ook aangetast Door de warmte en raakt ontdooit: Schoon in 't hoofd nog vrij berooid, Laat hij zich van boven neer Zakken, en ... dan staat hij weer.
Van verbazing sprakeloos Staat hij daar een hele poos, En, toen hij de Turken ziet, Waarlijk, neen, toen vat hij 't niet. Hij begrijpt van heel 't geval Net zoveel als niemendal.
En een van de Turken scheen Hem precies wel Prikkebeen; Lichaam mager, dun en schraal, Neus lang, wangen geel en vaal; Dikkie ziet hem, schrikt en ... Bom! Tuimelt van ontstelnis om.
Prikkebeen lacht en vertelt, Hoe de dingen zijn gesteld, Waarna Dikkie ook cordaat Tot de Turken overgaat. Met de turban op zijn kop Lijkt hij net een vette mop.
Ursel nochtans praat en vleit, Tot haar Prik heeft toegezeid, Dat hij huiswaarts met haar gaan Zal en 't reizen laten staan. - Op een goed gezegeld blad Schrijft hij en belooft hij dat.
Toen 't stuk was in schrift gebracht, Heeft eerst Prikkebeen bedacht, Dat zijn zus toch maar altoos Met hem deed, wat zij verkoos, En dat hij zich altijd maar Ringeloren liet door haar.
Daar op eens komt in zijn kop Een gelukkig denkbeeld op; Zijn gezicht ontplooit zich weer, Moedig stapt hij op en neer En, na kort en goed beraad Zegt hij tot zijn dikken maat:
`Hoor eens hier, wat dunkt je er van, Wil je nooit gaan trouwen, man? Ik weet zeker, dat een vrouw Je gelukkig maken zou, En ... denk er eens over na,
10. Hoe mijnheer Prikkebeen Ursula andermaal verlaten wil en hoe dat afloopt
Dikke zegt hierop zijn vrind, Dat hij 't voorstel kostlijk vindt, En heeft, zwaar verliefd geraakt, Ursula zijn hof gemaakt, - Prikkebeen ziet hoogst voldaan 't Zoet gevrij der beiden aan.
Zo slijt men in liefde en vreê Wel een week, twee, drie op zee; Prikkebeen heeft rust voortaan, Dikkie kust, hoogst aangedaan, 't Roosje liefelijk en schoon, Hem door Ursel aangeboôn.
Eindlijk wordt men land gewaar; Prikkie maakt zich aanstonds klaar, Stelt de Dikke aan Ursel voor En zegt: `Lieve zussie, hoor, Nu je een man krijgt, kun je mij Missen, en dus scheiden wij.'
Ursel echter schreeuwt verwoed: `Neen, 'k zeg, dat je blijven moet!' Prikkebeen valt om van schrik, Evenzo ook meester Dik. - Beiden liggen stil en stom, Ursul trappelt op hen om.
Doch van drift en boosheid krijgt Ursel zelf een flauwte en zijgt Met een gil op beiden neer. Geen van hen verroert zich meer, En zo liggen alle drie Nu zo stil in compagnie.
Eindlijk, na een uur misschien, Wagen zij 't eens op te zien, En daar Ursel ba noch boe Zegt, zo sluipen zij op haar toe. - Och, daar ligt ze levenloos Als een bleke witte roos.
Wis en stellig is zij dood! Dikkie'a droefenis is groot, Want hij had het lieve kind Allertederlijkst bemind. - Diep geroerd en aangedaan, Vatten zij het lichaam aan.
Doch toen zij dat, naar 't behoort, Willen gooien over boord, Komt de dode opeens weer bij En stoot beiden wild op zij. - Prikkebeen ontstelt geducht En neemt overhaast de vlucht.
Och, die goeie Prikkebeen! Hij wil vluchten, maar waarheen? Rondom 't schip is alles zee, Nergens is een veilge steê. Rustloos, al rondom, rondom, Rent hij op het vaartuig om.
11. Hoe mijnheer Prikkebeen met al het scheepsvolk krijgertje speelt
En pas ziet dat Ursula, Of zij ... wip! hem achterna. Zo vervolgt ze in brede kring Vliegensvlug den vluchteling. Rustloos, al rondom, rondom, Rent ook zij 't vaartuig om.
Zelfs de korte dikke man Loopt, zo hard hij lopen kan, Met vooruitgestoken buik En verliest daarbij zijn pruik. - Rustloos stappend ... bom, bom, bom! Rent hij ook het dek zo om.
Alle Turken, twee aan twee, Lopen nu ook spoedig mee In gedurig sneller vaart; 't Zweet druipt taplings uit hun baard. - Rustloos, hijgend, stom en krom, Rennen alle Turken om.
Ganzen, eenden, duif en kip, Al 't gevogelte op het schip Komt ook dra in rep en roer; En met vreselijk rumoer Fladdren zij in dichte drom Om de mast al om en om.
Schoenen, kousen, buis en hoed, Vaten, tonnen, beddegoed, Tafels, banken, mes en schaar, Waterpot en kandelaar, Kortom, wat maar is aan boord Gaat mee in de maling voort.
Paard en koe en zwijn en os Breken uit hun hokken los; Hond en kat, de hele hoop Gaat als razend op de loop; Rustloos, al rondom, rondom, Rennen ze op het vaartuig om.
Zelfs uit het scheepshol, reet en gat Komt gekropen muis en rat; Oud en jong en groot en kleen En rent, onder dof gebrom, Rusteloos op 't vaartuig om.
Prikkebeen en Ursel daar, Dikke en de Turkenschaar, Vee, gereedschap, ieder ding Komt in wilde slingering, Tot in 't eind het schip zelf zwaait En als dol in 't ronde draait.
Aan het strand met zijn viziers Zit de Dei daar van Algiers En rookt lekkre varina, De éne pijp vóór, de andre na; Slaaprig kijkt hij voor zich neer En verveelt zich uiterst zeer.
Eindlijk echter wordt hij daar Ver in zee een ding gewaar, Dat, als razend, gek en dol, In het rond draait als een tol. - Schoon hij 't met zijn ogen ziet, Wat het is, dat vat hij niet.
Hierop dus ontbiedt de Dei Al zijn wijzen ... Kijk, wat rei! En hij vraagt hun kort en goed, Wat dat ding beduiden moet. - Geven ze er geen antwoord op, Dan dreigt hij met galg en strop.
12. Hoe de wijzen van de dei van Algiers het draaiende schip voor een komeet houden
Bleek van schrik en heel ontdaan Vangen nu de Wijzen aan, Slaan het ding door kijkers ga, Lezen honderd boeken na; Doch, wat of zij doen of niet, Ook zij vatten 't wonder niet.
Eindlijk komt men overeen, Dat het een komeet wel scheen; En nu stelt de vlugste kop Knapjes een verhandling op, Waarin aan zijn Majesteit Alles breed wordt uitgeleid.
`Strenge Heer!' zo spreken zij, `De overtuiging kregen wij, Dat het voorwerp, 't welk Gij ziet, Een komeet is, anders niet. Die u roem en heil voorspelt.' - Elk kreeg duizend gulden geld.
's Andren daags kwam, draaiend nog, Maar wel en behouden toch, 't Schip aan bij de havendam. - Toen het daar tot stilstand kwam, Kon, van al 't in 't ronde gaan, Geen meer op zijn benen staan.
Prikkebeen voelt maagkoliek, Dikkie ligt naar, flauw en ziek, Ursel staat met duizlend hoofd, 't Scheepsvolk is heel afgesloofd; Allen tasten mislijk rond Of ze tuimlen op de grond.
13. Hoe mijnheer Prikkebeen en de dikke in de slavernij komen
Toen de Dei de zaak vernam, Werd hij allervreeslijkst gram En hing, ieder aan een strom, Al zijn domme wijzen op, Omdat die hem altemaal Fopten door hun leugentaal.
Die drie Christen houdt de Dei Voortaan wreed in slavernij. Met een keten zwaar belaan, Moet Prik naar de moestuin gaan, En wordt op het hete veld Ergens aan het werk gesteld.
Doch, pas hoort de Dei er van, Wat dóórknap en kundig man Dikkie is, of levenslang Schenkt hij hem de doctorsrang, Waarvoor hij 't jongeling prinsegoed Handig lezen leren moet.
Maar de Prinsjes, speels en lui, Hebben van 't A.B. de brui; Leren kunnen ze altijd wel, Zij begeren pret en spel, En dus staat, tot hun plezier, Dikkie voor hen bokje hier.
Dat behaagt hun extra zeer, Van het leren komt niets meer. Wat ook Dikke knort of scheldt, Wat al moois hij hun vertelt, Altijd is 't `Kom, Doctor, kom, Sta nog maar eens knapjes krom.'
Eindlijk komt op dat schandaal De oude Dei eens in de zaal. `Kennen', roept hij, `deze twee Morgen niet heel 't A.B.C., Vriendjelief, dan, bouw er op, Zult gij bonglen aan de strop.'
Onze Dikkie staat ontzet; In de galg vindt hij geen pret, En dus zeit hij al maar door 't A.B. aan de Prinsjes voor; Doch terwijl hij de ene guit Leert, wat voert toen de ander uit?
Kijk, die slaat om 't vette been Van den Dikke een touwstrik heen, En daar bindt hij nog tot last Een hele zware balk aan vast. - Toen nu Dikkie lopen wou, Zat hij vast aan blok en touw.
Daarop vluchten zij tezaam Naar de tuin. Dik roept door 't raam: `Lieve Prinsjes, alle twee, 'k Bid je, leer toch 't A.B.C.! - Och, als je 't morgen niet ken, Hangt je Pa mij, arme vent!'
14. Hoe het waardige drietal uit de slavernij ontvlucht
Dikkie, die graag vluchten wou, Zit nu deerlijk in het nauw; Want, of hij al trekt en doet, Vast zit hij met de ene voet. Wat hij trappelt, spartelt stampt, Stijf blijft hij daar vastgeklampt.
Eindlijk echter, met een ruk, Raakt hij los. Bij ongeluk Stort de kamer van de Dei Tevens heelmaal in daarbij; Zó ijsbaarlijk was de schok, Toen Dik zo vervaarlijk trok.
En thans springt hij, desperaat, Uit het raam, dat open staat; Doch, niet denkend aan het ding, Dat aan 't ene been hem hing; Houdt dat aan 't kozijn hem vast... Daar is Holland weer in last.
Toen de Prinsjes evenwel Zagen de afloop van hun spel, Pakte de een hem bij zijn rok, De ander gaf een stootje aan 't blok, En zo kwam de Dikke weer Op zijn beide voeten neer.
Nauwlijks staat hij op de grond, Of hij kijkt verbijsterd rond, Neemt een vaart en gaat als dol Met zijn blok aan 't been op hol. - Hij had wél zo wijs gedaan Door zich eert daarvan te ontslaan.
Ursel, die voor 't venster staat, Ziet, hoe Diklief vluchten gaat, En terstond vlucht nu ook zij Uit de wrede slavernij. - Met op zij een blinkend zwaard Loopt zij als een hollend paard.
Onderwijl plant Prikkebeen Kropsla, bloemkool, ui en peen, En een baardig turks soldaat, Die daarbij op schildwacht staat, Geeft hem ieder ogenblik Op zijn lange neus een tik.
15. Hoe bij de vlucht al de bewoners van het land om het leven komen
Schoon, daar op een morgen ziet Hij zus Ursel in 't verschiet, En dat maakt hem zo benauwd, Dat hij vlucht naar 't naaste woud, Waar hij in zijn angst de wijk Neemt en klautert in een eik.
Prikkebeen zit hoog en droog Op de eik; maar 't scherpziend oog Van zijn zuster Ursula Merkt zijn lange benen dra. - `Kom broer', roept ze, `vlucht met mij Uit de wrede slavernij!'
Broerlief nochtans houdt zich doof En klimt hoger op in 't loof. - Wat zus Ursel roept of bid Prik verroert geen enkel lid, `Hoe gelukkig' - denkt de man - `Dat mijn zus niet klautren kan!'
Onderwijl vlucht doctor Dik, Voortgezweept door angst en schrik; Doch, door 't schuren, dat het doet, Raakt zijn blok allengs in gloed. Vonk en vlam slaat er uit op; Dikkie's wanhoop rijst ten top.
Gras en kruiden, heester, plant, Alles raakt weldra in brand. - Met de staarten in de lucht Komen leeuwen aangevlucht. - Mens en dier stormt, bang te moê, Op 't naburig zeestrand toe.
Prikkebeen, die spoedig ook Op zijn boom de brandlucht rook, Moest nu, om de dood te ontgaan, Ook wel uit zijn hoek vandaan. - Toen hij naar beneden kwam, Stond de stam al half in vlam.
Ursel grijpt hem bij de hand, Om te vluchten naar het strand; Dikkie volgt met luid gekerm; Mens, gediert - een dichte zwerm Loopt, loeit, brult uit volle keel ... 't Is een akelig toneel!
Stadig wint de brand meer veld. Alles vlucht voor 't vuurgeweld, Alles springt pardoes in zee, Alles, tot de leeuw zelfs mee; Alles spartelt nog een poos, En verzinkt dan voor altoos.
Dikkie's blok was echter toch Helemaal verbrand niet nog, En dient nu het drietal tot Een hun 't leven reddend vlot. - De arme Dei zien ze ondergaan In de koele oceaan.
16. Hoe de reis op het blok voorspoedig afloopt
Daar dus dobberen de drie Zoetjes voort in compagnie, Tot hun oog in 't ver verschiet Eindelijk een vaartuig ziet. - Langzaam komt dat naderbij En verneemt hun noodgeschrei.
Spoedig nu verscheen een boot, Die hen redde uit alle nood; En, wie had wel ooit verwacht, Wie 't ooit mogelijk gedacht, Dat het schip, waarop men kwam, Was ... `'t Fortuin van Rotterdam?'
Ursel had door 't koele bad Evenwel toch kou gevat, En voelt zich van rheumatiek Onplezierig, flauw en ziek, Waarom broerlief nacht en dag, Van har bed niet wijken mag.
`Prikkie', zucht ze voor en na, `'k Voel, dat ik gauw sterven ga; Maar als je mij wàt bemint, Dan beloof me, beste vrind, Van dat dwaas kapelgevang Af te zien je levenlang.'
Prikkie wordt van schrik zo bleek, Dat hij zelf ook ziek wel leek, En dus dringt zij hem een kop Uit haar eigen drankfles op. - Zuchtend slikt hij met haar mee Vliersop en kamillethee. -
Eens, toen hij aan 't snurken hoort, Dat zij slaapt, pakt hij zich voort. Zoetjes, zonder 't minste geluid, Wipt hij de kajuitsdeur uit. Tot hij eindelijk onverlet Op het dek zijn voeten zet.
Lieve Grut ... wie, denkt ge wel, Staat daar vóór hem? - Pieternel, Zijn als dood betreurde bruid! Van verrukking giert zij 't uit, Pakt hem, zoent hem. - Speleman Speelt zo mooi, als hij maar kan.
17. Hoe mijnheer Prikkebeen nogmaals de vlucht neemt
Nelle zegt: `Kom vluchten wij En kom naar mijn land met mij!' Doch hij schudt bedroefd het hoofd; Wat hij Ursel heeft beloofd Valt hem eensklaps zwaar op 't hart. - Arme man, groot is zijn smart.
Maar toen eindlijk Peternel Zegt: `Kom, engel, kom toch snel; In de landstreek, waar ik woon, Vindt ge vlinders wonderschoon,' Toen kon Prik haar niet weerstaan En roept: `Schatje, laat ons gaan!'
Voordat Ursula ontwaakt, Wordt nu alles klaar gemaakt. De kapitein geeft op hen beê Hun een boot met roeier mee, Die hen zonder ongeval Brengen moet naar vaste wal.
Prikkebeen, zijn lieve bruid, Die haar mop in de armen sluit, en de Speelman ... deze drie Vluchten zo in compagnie. - Op de maat van Speleman Roeit de roeier wat hij kan.
Door een lange slaap verkwikt, Ontwaakt Ursel en ze schrikt, Daar ze Prikkebeen niet ziet. `Broer, waar ben je? Hoor je niet?' Roept ze; maar er antwoordt geen; Driftig springt ze op de been.
Prikkie was al ver van boord, En toen Ursula dat hoort, Krijgt ze een vlaag van razernij; - Wild stoot ze iedereen op zij, Grijpt zich aan de touwen vast En klimt in de hoogste mast.
Daar komt juist de sloep aan 't strand; Allen springen blij aan land En een warm: `Wien Neerlands bloed' Geeft lucht aan hun vol gemoed. - Zelfs de mop bromt wel te vreê In het koor met de andren mee.
18. Hoe Ursula uit kwaadaardigheid jammerlijk aan haar einde komt
Ursel, ziende hoe Prik landt, Houdt, in woede en drift ontbrand, Zich niet meer behoorlijk vast; Gillend tuimelt ze uit de mast; Maar gelukkig houdt een touw Nog in 't vallen de arme vrouw.
Toen ze weer beneden kwam, Vloog ze naar het roer en nam Dat de stuurman uit de hand. - Regelrecht stuurt ze aan op 't land En trotseert het golfgeklots En 't gevaar van klip en rots.
Spoedig echter, stoot het schip... Krak! op een verborgen klip. - 't Is met man en muis vergaan; - Ursel stoort zich daar niet aan, Maar werpt zich, pardoes, zin zee En zwemt moedig naar de ree.
Ook de Dikke, die aan 't been Nog zijn blok had, als voorheen, Ging daar dadelijk recht op staan, Om alzo de dood te ontgaan. - Wel wat nat, maar welgemoed, Drijft hij landwaarts met de vloed.
Prikkebeen zit hand in hand Met zijn Peternel aan 't strand, Toen hij daar in 't ver verschiet Eensklaps Ursel zwemmen ziet. - Radeloos van angst en schrik, Vluchten zij op 't ogenblik.
Toen de Dikke, koud en nat, Eindelijk 't land betreden had, Loopt hij, met zijn blok aan 't been, En is eerder niet tevreên, Dan toen hij zijn trouwe vrind, Nelle en Speelman wedervindt.
Maar ach - daar komt Ursel aan! 't Viertal blijft nu roerloos staan En wacht, met beklemd gemoed, Wat er verder volgen moet. - Prikkebeen trilt als een riet, Speelman speelt een klaaglijk lied.
Ursel komt; - maar toen zij hoort, Dat haar broeder hart en woord Heeft verpand aan Peternel, Springt van kwaadheid ze uit haar vel. - Met een vreselijk gerucht Spat ze in stukken door de lucht.
Prikkie delft met eigen hand Haar een grafkuil in het zand En strooit roosjes daar op neer; Dikkie's ogen tranen zeer, En de Speelman speelt zó droef, Dat zelfs mop huilt: Oef! Oef! Oef!
19. Hoe alles in 't eind nog wonderbaarlijk goed afloopt
Hierop trekt het viertal voort Naar 't land, waar Nel thuis behoort. Heel genoeglijk kuiren zij Arm in arm, in bonte rij; Speelman huppelt voor hen uit... O, die Speelman is zo'n guit!
Eindlijk echter op een dag, Toen Nel's dorp al voor hun lag, Zet de bruid zich bijster teêr, Aan haar bruigoms zijde neer, Aait hem, zoent hem, humt en kucht En snikt onder diep gezucht:
`Lieve, beste schat, ik word Nu je huisvrouw binnen kort; Maar ... één ding verzweeg ik jou; Weet dan, ik ben we..duw..vrouw En heb kin..ders acht in tal. - Zeg, dat doet toch niemendal?'
Prik trok bij dat vreemd bericht Eerst wel een wat zuur gezicht Maar toen hij 't zoet achttal zag En dat hem in de armen lag, Riep hij: `Kinders, groet en klein, 'k Wil je trouwe vader zijn'.
't Bruilofsfeest had plaats met glans. - Prikkebeen leeft jaren thans Kneutrig met vrouw Peternel En is fris, gezond en wel. - Nooit gaat er een dag voorbij Zonder vlindervangerij.
Dikkie woont bij 't paar in huis En leert aan al 't jong gespuis Even druk het A.B.C. Als hij 't aan die Prinsjes dee, Schoon hij altijd nog zijn blok tot gedachtnis met zich trok.
Speelman ook komt nu en dan En heeft Doltschoff plezier, de man, Als hij ziet, hoe 't jonge goed Vecht, ravot en kunsten doet. - Daarbij drinkt hij zijn glas bier ... Dees historie eindigt HIER.
|
|