|
|
|
Er
was eens, zo begint ook dit verhaal, een
heel beroemde meesterkok, die had het helemaal. Op
een staatsdiner, of groot banket Met
directies, ministers en andere voorname klanten. Dat
werd een sof als hij er niet de leiding had. Een
kunstenaar, die wist van wanten. En
creatief zeg, dat hij altijd was. Ontwierp
het ene heerlijke gerecht weer na het ander. Er
verschenen vele boeken van zijn hand. Ja,
hij zat goed had al zijn zaakjes prima voor elkander. Zo
was er weer eens een groot banket. Met
ministers, VIPS en lui van koninklijke bloede. Dan
rekende men steevast weer eens op iets aparts. Hij
had weer een idee, en echt het was een hele goede. In
zijn toespraak vooraf sprak hij gedecideerd. Ik
ontwierp een pastei, iets anders als mij is geleerd. Zoals
de tijd veranderd noemde ik hem, "De aarde heden". Want
wij zijn nu en hebben niets meer van het verleden. Hij
kreeg applaus, men had nog niets geproefd. En
toen de zaak was rond gedeeld werd er beschaafd gegeten. Het
was apart, had echt wel iets van tijd. Een
weinig wrang, en ranzig net of het was versleten. Het
kunstwerk ging er in als koek. Al
was de smaak eerst even wennen. Maar
in duur gezelschap heerst een ongeschreven wet. Je
laat je zeker nooit of ook te nimmer kennen. Maar
maanden later, bij hem in de zaak. Zei
ik "Mag ik jou nu als vriend iets in vertrouwen vragen?" Ik
kom hier toch veel maar mis de pastei. Of
serveer je die alleen op hele speciale dagen? Hij
zei "Jou wil ik het dan wel verklappen." Waarom
je het op het menu nu niet meer ziet. Het
was eenmalig en van mij een aardigheidje. Ik
erger mij zo vaak aan deze tijd, wie niet? Die
dure lui, zij helpen mee de wereld te verzieken. Zij
rekenen op mij en ik op hen en jij jij mag het weten. Ik
gaf ze een koekje van eigen deeg. En heb lekker in het beslag gescheten. Pika Het
was een lamp, zo fraai, zeg maar van adel. Zo
groots, zo imposant, gaf bovendien geweldig licht. Met
zijn geslepen, flonkerende kristallen hangers. Een
klasse lamp, frivool en speels als een gedicht. Hij
zong, hij sprak zelfs als het geheel zich ging bewegen. Dan
kleurend koketterend met zijn vele spiegeltjes van licht. De
armaturen, groots en sterk genoeg om het geheel te dragen. Gaf
hem Zijn adellijke kijk al was het alleen al door zijn gewicht. Toen
kwam die vreselijke brand die echt niet was te temmen. Illusie,
rijk verleden, herinneringen gingen op in rook en vuur. Ik
heb daar nog wat staan mijmeren en gezocht nog in de resten. En
ging wat klam en rillerig op huis aan want het was koud en guur. En
thuis gekomen, even starend wat confuus nog in de spiegel. Zag
ik een vent teleurgesteld met een beteuterd, vies gezicht. Met
in zijn vuile handen toch nog een brok kristallen hanger. Resten van een adellijke lamp met iets van een gedicht. Pika Onder
een half vergane, scheve holle boom. Leefde eens een hele ouwe afgedane vos. De
stakker kon haast niet meer vreten. Want haast al zijn tanden zaten los! Wat
er nog van over was tenminste. Want het merendeel was immers rot. Hij
waggelde en knikte door zijn knieën. Dat staat voor een vos toch echt wel zot. Ook
kon hij haast niet meer jagen. Want hij had een hele slechte rug. Zo
ging het lopen ook niet goed meer. Want hij liep slecht, niet meer zo vlug! Ook
zijn ogen werden steeds maar slechter. Een vos moet toch echt goed kunnen zien. Anders
ga je steevast de verkeerde kant op. Dan had hij daarbij ook nog bovendien. “Zijn
oude, goede, sterke reuk verloren.” Dat is toch zeker wel catastrofaal. Hij
had ook nog helemaal versleten nagels. Ach ja, al die ellende, hij had het
allemaal. Maar
op een goede dag kwam daar zijn redding. Toen opeens die jager op hem schoot. Hij had het niet eens echt zo in de gaten. Het was gewoon pang! En hij was dood. De
huidenkoper vond het toch wel een hele mooie. Kocht hem gelijk al koste hij
flink wat geld. En
toen de looier hem goed gelooid had. Werd hij toch plotsklaps opeens weer
welgesteld. Hangende om de kippennek der oude freule. Ach! Wat stond hij mooi, ja zo fantastisch goed! Zo
werd hij op zijn oude dag nog haast van adel.Want de freule had nog echt
blauw bloed. Hij
had niet eens zoiets als een donorcodicil. Een testament of enig ander iets
nagelaten. Toch
kwam hij zo nog echt wel goed terecht. Hij kon immers niet schrijven en niet
praten. Zo
zie je maar dat zelfs een doodgewone vos. Hoe kaduuk ook, hoe ook totaal
versleten. Zijn
nut nog op deze vreemde aarde heeft. Dat moet je echt toch niet vergeten. Een
donor hart dat zie je immers niet. Dat klopt alleen en hopelijk ook goed. Maar
zo’n vos, die zie je klip en klaar. Om een freule met nog echt blauw bloed.
Pika Als
je zo langzaamaan wat ouder bent aan 't worden, En
je ook alle tijd hebt omdat nu niets zo nodig moet. Dan
denk je dikwijls weer terug aan de voorbije jaren. Met
iets van weemoed ook want niet alles ging steeds goed.
Het vriest nu flink,je wandelt lekker buiten. De
zon,hij schijnt,de koude,schrale wind snijdt je gezicht. En
denkend bij jezelf; hoe vaak je vroeger zo al hebt gelopen. Er
was eens,sprookje van het leven heeft iets van een gedicht.
Als een verhaal met mooie,goede,hele leuke dingen.
Al waren er ook momenten het leven minder waard.
Maar net als met alles in een gedicht en sprookje. Zorgt
dit nu juist voor de verandering op deze aard.
Als oermensen hadden onze voorouders ook heus geen makkie. De
natuur toen zo bedreigend steeds het hele etmaal lang. Met
speren,bijlen,knotsen tegen hele woeste sterke dieren. Het
leven vraagt je niet het dwingt je al ben je nog zo bang.
In holen bij het vuur,gekleed in pels of huiden voor beschutting. Bedenk
ik hier nu goed gekleed wandelend in die snijdend,koude wind. Een
troost het was mijn leven niet ook niet die vele levens in die latere jaren. Maar leven met het element van strijd is toch iets wat ons alle bindt. Als
ik dan bedenk dat na mij hopelijk ook nog vele levens. Nog
zullen wandelen in de koude wind wat mijmerend in de zon. Dan
wens ik hen geluk en hoop dat zij ook wat zullen moeten strijden. Gewoon voor de verandering,al zou ik ze wel helpen als het maar even kon.
Pika Wat
doe je vriend sprak de koraalvis eens tot zijn kompaan. Zwem
je nog even mee een rondje om of blijf je hier soms hangen. Ik
dacht; ik blijf maar hier want ik ben zo vreselijk moe. Ik
kan soms toch zo heel erg naar een lekker bed verlangen. Wij
hangen wat, wij zwemmen en wij eten wat. En
zeg nu eerlijk aan echte rust komen wij nooit toe. Een
rondje hier er overheen en dan er onderdoor. Van
al dat gesjacher word ik nu zo vreselijk moe. Als
ik uit dit aquarium dan soms eens naar de mensen kijk. Ik
zie ze zitten luieren, hangen, pitten lekker op de bank. Het
eten wordt ons voorgezet wij hebben niets te doen. Rondzwemmen
heel sierlijk om maar mooi te zijn is onze dank. Maar
ik heb een wens en zou nu toch zo vreselijk graag. Een
keertje op mijn rug eens in een bedje willen slapen. Eens
heerlijk toegestopt zijn onder een zachte deken. Alleen
al de gedachte zeg, ik begin gewoon te gapen. Je
bent wel heel ondankbaar goede vriend. Zo
heb ik ze onlangs nog een harinkje zien eten. Ja,
dat is wat je noemt nog eens een droevig lot. Daarom
zwem ik wat rond om die ellende te vergeten. Je
moet nu toch eens kijken naar die ene vis. Hij
ligt zo stil ik denk; hij is vast en zeker ziek. Straks
steekt hij misschien ook nog al die anderen aan. Maak
hem maar dood want die anderen zijn nog kwiek.
Pika Huwelijk Het
huwelijk is net een kledingstuk. Het
went pas als het een tijdje gedragen is.
Dom Het
gevoel van vrienden tellen is net als geld tellen. Gewoon
een hele domme bezigheid.
Zo Het verleden is altijd ontdaan van de scherpe kantjes. Je kunt er dan plezieriger over praten. De toekomst zou je net zo moeten behandelen om gelukkig te zijn. Al te vaak zie je alleen de scherpe kantjes.
Voelen Je
medemens heeft dezelfde noden als jij. Ook
hetzelfde gevoel! Het
moet dus niet moeilijk zijn er goed mee om te gaan!
Zorg Van
iemand houden betekent hetzelfde, Als
onderhoud voor een storingsmonteur. Alles
op zijn tijd voorkomt voorzeker narigheid.
Toegift: Ik
heb een vent leren kennen die zegt waar het op staat. Ik
weet nu wel wat een vent is. Ik ben daar heel blij mee.
Pika Je
weet, ik hou van jou, wil ook heel goed voor jou zorgen Ik
kijk vooruit, zie toe dat ook je toekomst zorgeloos zal zijn Dat
dit zoiets van lief en leed inhoudt dat laat zich raden Zo
zijn er dingen, als ik daaraan denk doet dat wel even pijn Zo
zou ik alvast een doodkist voor jou kunnen maken Want
al ben je gelukkig maar nu nog lang niet dood Het
is een feit, de dag die komt dat jij het eens zal wezen Zal
ik er dan nog zijn? Ik denk de kans is groot Zo
zou ik ook alvast een warme trui kunnen gaan breien Want
ofschoon het in augustus lekker warmpjes is Zal
het op zeker wel een keer weer heel koud worden Dan
zit je zonder trui toch echt met een gemis Ik
zou ook alvast een emmer water voor jou kunnen halen Want
al heb jij nu bij lange na beslist nog lang geen dorst Er
komt vast een moment dat jij heel dorstig wel zal wezen Als
er geen water is dan weet je nooit wat soms ook water kost Ook
zou ik alvast maar voor ons lekkere bedje kunnen zorgen Ja
wat zeg je, heb je nog geen zin ben je nu nog lang niet moe Nou
al duurt het misschien nog lang ja zeg maar vele uren Dan
wil je vast en zeker wel heel graag opeens naar bedje toe Ik
zou zelfs in staat zijn alvast je band maar te gaan plakken Voor
het geval zeg maar misschien wordt hij wel eens lek Maar
ja dat schiet niet op om hem dan eerst lek te prikken Ik
ben wel zot maar ook weer niet zo vreselijk gek Ik
zal maar niets meer doen en maar laten komen wat wil komen Als
ik maar alert blijf ben ik vast met alles wel zo ongeveer op tijd Dan
zijn alle zorgen weer een taak van heden niet maar morgen En
krijg ik van al wat mis ging of kon gaan dan ook geen spijt Zo
zie je maar ik had voor jou beslist heel veel te zorgen En
lag er dus dan ook zo vaak wel heel lang wakker van Al
zeg ik het zelf, jij bent toch wel een heel gelukkig wijfie Met zo toch een zeer zorgzame echte kanjer van een man Pika Veel
plus weinig is twee maal genoeg! Het
verschil is: Te. Als
wij het over zaad hebben blijkt; Dat
daar in de natuur steeds een overvloed van is. Dat
is nodig! Omdat
er zoveel niet tot zijn recht komt. Vandaar
dat het niet onnatuurlijk is. Dat
er in de wereld zo weinig recht is. Planten,
bomen en bloemen kunnen spreken. Dat
beweert tenminste een kennis van mij. Niet
zo met woorden maar ze laten je het wel voelen. Maanden
lang zegde hij elke dag hoe mooi en lief hij ze wel vond. Toen
kreeg hij duidelijk het gevoel dat ze klootzak tegen hem zegden. Er
schijnt, ergens in Amerika (Zoals altijd) Een
hele rijke, geleerde vent te zitten! Die
heeft de laatste jaren de halve wereld afgezworven. Heeft
kosten nog moeite gespaard om nog een paar echte Christenen te vinden. Hij
heeft er nu een paar en bewaart ze in een enorme zware bunker. Met
meters dikke muren en enorme zware tralies. Niet
dat hij bang is dat ze zullen ontvluchten. Maar
hij is bang dat ze gejat worden! Een
goochemerd heeft eens een liedje geschreven: waarom zijn de zeeën zo diep? Waar
moet je in Gods naam anders je troep laten? Moet
jij nog? Nee ik heb genoeg! Dan heb jij niet te klagen! Doe ik ook niet. Hoor
jij zeker bij de zeldzaamheden! Hoe
rot de wereld soms lijkt, een geluk, de zon gaar nog steeds op en kost ons
niets. Zelfs
geen inspanning of energie, geen geld of dank je wel. Zoiets maak je tegenwoordig toch nergens meer mee. Pika Ik
had voorheen een heel geschikte, vriendelijke maat Voor
het gemak noem ik hem nu toch maar even Jaap Niet
lui wat driftig maar zeker ook weer niet al te vlot Zo'n
domme goedzak meer een echte lompe sterke knaap Jaap
is natuurlijk maar verzonnen en dus niet zijn ware naam Om
herkenning te voorkomen kan ik hem dat echt niet aan doen Ik
liet hem maar begaan en kon dus wel aardig met hem overweg Dus
mijn oude maat heet verders Jaap voor mijn en zijn fatsoen Hij
had als hobby zeevissen en was heel erg fanatiek daar in En
ik was net zo fanatiek maar hield meer van de heide en het bos Hij
droomde zo sterk dat je het haast kon zien zijn grote vangst En
ik droomde gewoon het mijne en fantaseerde er gewoon op los Geen
enkele boom of struik was dan ook gelijk voor mij Ik
zag in ieder begroeid stuk natuur wel een leuk verhaal Waarop
dan mijn vriend Jaap minachtend en wat smalend zei Allemaal
onzin, flauwe kul, zij zijn toch eender allemaal Nee,
neem dan een keer de zee met al zijn wilde woeste golven Zo
hoog, zo laag, zo kronkelend en schuimend geen een gelijk Het
dansen, bruisen, zingen en elkaar constant bespringen Om
daarna gewoon te verpletteren op de helling van de dijk Al
kiftend en zwaar discuterend waren wij soms zo wel uren bezig Wat
afgelegen omzoomt met struikgewas net buiten de bebouwde wijk Vlak
bij het vennetje buiten het bos aan het einde van het schelppad Stond
daar in al zijn stoerheid en zijn glorie die enorme eeuwen oude eik Veel
vooral de wat oudere mensen wisten het wel wis en zeker Hij
staat hier al een eeuwigheid is al meer dan vier honderd jaar nu oud Het
was dan ook wel een imposante hele dikke grote knoeperd Maar
vier eeuwen is heel lang en leek mij wel al te boud Hij
was gehavend, flink beschadigd had geleefd dus ook zijn wonden De
bliksem had aan hem een makkie en hem dus ook flink geraakt Was
wat vermolmd ook hier en daar, had zo zijn knoesten en zijn gaten En
verder hadden weer en wind ook menig tak gewoon gekraakt En
in de kruin en in die gaten en die holen waren de vele nesten Van
vele vogels in hun mooie kleuren ook zoogdieren klein en groot Onder
de wortels waren kloven en ook door anderen gegraven holen Zodat
hij zeker aan zo'n menig dier behuizing en bescherming bood Wie
weet hoeveel nageslacht van het jankend, piepend, fluitend spul Had
deze oude reus al in al die lange, bange jaren voortgebracht Zich
dikwijls moeilijk, moedig, strijdend zwaar en fel verzettend Tegen
regen storm en ijzel, hagel, sneeuw en bliksem in de nacht Het
liep zo tegen kerstmis, het was koud en mooi het had gesneeuwd Ik
wilde Jaap nu wel eens overtuigen van de grootsheid van mijn boom Als
jij dat zo graag wilt wil ik gerust wel een keertje met je meegaan Dat
was zijn weinig enthousiaste antwoordt hij was gewoon zo sloom Zo
liepen wij daar ik sprak en uitte duidelijk mijn bewondering Ja
joh, als nu die oude reus wat zei en ons eens iets vertellen kon Zo
rustig pratend tegen dovemans oren kwamen wij bij de grote eik Gingen
zitten op het bankje in de luwte half in de schaduw half in de zon Toen
begon hij weer met zijn golven en zijn vissen en het schuimen Ook
vissen maken soms wel nesten en vinden in de zee een plek voor broed Of
je zoiets ook met de dingen en het goede van mijn eik kon vergelijken Maar
toen, was het de geest? Ik denk gewoon dat het zo wezen moest Het
leek nu net of ik mijn eik opeens zwaar hoorde zuchten Een
krakend, reutelend geluid als schraapte hij zijn keel Even
nog zoiets van een knerpt of knars en iets van broemm En
van het verdere wat nog rest weet ik ook niet meer zo veel Een
hele dikke bil, zeker een na wee of zoiets van het onweer Was
rechtstreeks boven op mijn vriend Jaap geklapt Zijn
hoofd was toch wel heel erg zwaar beschadigd Ondanks
de vele operaties is hij nooit geheel meer opgeknapt Ons
samenwerken dat zou ook wel zeker nooit meer kunnen Maar
toch zocht ik hem zo af en toe nog wel eens even op Hij
bleef wat vreemd en ook niet meer zo heel erg bij de wekker Hij
schudde dan maar zo wat met zijn grote domme kop Och
Piet, jij ook altijd met die dooie, stomme bomen Ik
wilde dat ik toen maar nooit met jou was mee gegaan Geef
mij de zee maar met van die eerlijke en trouwe vissen Dan
was het nu met mij ook niet zo helemaal gedaan Die
grote zee die kun je zeker ook heel goed vertrouwen Maar
die gemene bomen hebben altijd al zoiets apart Zij
praten niet zo jij zegt, zij slaan je immers zomaar Een
boom is heel gemeen die heeft gewoon geen hart Ik
ga en wil met hem dan ook beslist niet meer discuteren Ik
kan wel zeggen dat de zee ook vele levens genomen heeft Ik
gun hem wel zijn zee zijn rust gewoon wel lekker alles Ik
blijf wel rustig zwijgen heel nederig en netjes en beleefd En
ieder jaar met kerstmis ga ik trouw weer naar die eik toe Ik
praat met hem dan heel erg rustig en soms ook vele uren lang Ik
doe voorzichtig heel erg lief zal hem beslist niet tergen Ja
eerlijk gezegd ben ik eigenlijk ook wel een beetje bang Zo
ook de afgelopen kerst wij hadden een goed kontact en praatte wat Hij
vertelde mij van alles en liet mij zien wat er ook zoal in hem leeft En
opeens begon hij zomaar wat te bibberen, te rillen en te beven Ik
dacht het lijkt nu toch eigenlijk net of hij mij nog iets te zeggen heeft Ik
denk nu zeker dat hij wil dat ik een keer aan Jaap zal zeggen Zoiets
als een excuus, zeg maar sorry joh, ik heb het echt niet zo bedoeld Hij
maakte mij wat in de war en daardoor werd ik kwaad een beetje Maar
met mijn drift is het nu over ik ben geheel en al bekoeld Wat
moet ik nu verder zeg maar met de kerst aan Jaap gaan zeggen? Hij
is nu rustig wind zich niet meer op, geloofd het eigenlijk wel wat Ik
denk dat ik zelfs de groetjes van de boom niet meer zal overbrengen Ik weet het ga praten over de zee want al het andere heeft hij nu gehad Pika
Al heb je misschien
geen toekomst meer Geen uitzicht op
een menselijk bestaan Is soms je leed
niet meer te dragen Is al wat je eens
lief had heengegaan Is het dan de pijn
soms of het verdriet Kan mijn gebaar,
mijn hand je geen verlichting geven Ben je bang nu voor
alles wat straks komen gaat Mis je misschien de
zin nu van het leven Is het terecht dat
ieder woord nu ook misplaatst is En dus ook alle
woorden zinloos zijn Vragen, zelfs mijn
hand op je schouder lijkt teveel Hoe nog troost ik
jou, verlicht je pijn Als straks de zon
dan onder gaat En ik nog steeds
met lege handen sta Wens ik je toch een
goede nacht Het is zo simpel en
zo weinig Maar ik heb wel aan
jou gedacht Vraagtekens! Pika
Woorden zijn vaak
hol Vooral als het er
veel zijn Daden zijn vaak hol Vooral als het er
veel zijn Gebaren, idem Voelen heeft alle
zin Je kunt dan vaak het goede moment wel vinden
Pika
De houthakker hakt hout, Gewoon voor het dagelijks Brood.
Als houthakker geen hout meer hakt, Gaan vrouw en kinders Dood.
Houthakker hakt ook kachelhout, Want het is 's winters koud in het bos.
Zijn vrouw maakt lekker de kachel aan, En stookt er dan ook lustigjes op los.
Houthakker hakt ook kachelhout, voor de mensen uit de buurt, Ja, houthakker hakt heel wat af, hakt hout zo lang het duurt.
Is houthakker dan oud en stijf, is hij eindelijk uitgehakt, Ja, houthakker hakt dan niet meer, zit lekker onderuitgezakt.
Bij de kachel die toch branden moet, want anders wordt het koud, Maar houthakker had flink gespaard, ja, een grote berg hout.
Zo zit onze flinke houthakker dan ook op zij oude dag, Gelukkig lekker warmpjes bij, omdat hij toch bijtijds wel zag,
Dat hij moest hakken toen het nog kon, want deed hij dat niet op tijd, Zat hij nu zeker in de kou, te laat, helaas en zeker ook met spijt.
Pika
Het
kost vaak meer moeite een vis te vangen als te bereiden. Het
kost ook vaak meer moeite, een vis te bereiden, Als
een vis op te eten. Zo’n vis toch, hij maakt wat mee!
Pika
Haarscherp
afgetekend tegen de kale horizon, Met
als enige decoratie een vrij hoge fiets, Keurig
staande tegen een der drie kale bomen, Stond
daar; het lijf, ja het lijf!! Hoe
anders moet ik het noemen? Het
lange, magere, nagenoeg rechte lijf. Geheel
ontbloot van enige ronding, Waaraan
men toch doorgaans een lichaam herkent. Nee;
dit lijf ging zonder enige onderbreking over in al even rechte benen. Die
al even verticaal alleen onderbroken werden door twee horizontale grote voeten,
aldus de indruk wekkend al even mager te zijn. Zo
leken ook de armen geen enkele poging te ondernemen, Om
hier ook maar enige verandering in aan te brengen. Al
weer, vanaf de schouders recht en hoekig. Evenzo
de lange magere nek met hier als enige uitspringer een adamsappel, Een
die er echt wel wezen mocht. Het
gezicht was geheel in overeenstemming met de rest, recht en mager. Hoekige
neus en grote holle ogen. Des
te opvallender was wel dat idiote bolle petje, Het
sluike, kleurloze haar bedekkend met zijn opvallend grote klep, Die
de tekst; M E N droeg. Rustig
probeerde ik iets meer in zijn buurt te komen. En
om hem niet uit zijn wel duidelijke concentratie te halen. Al
naderende bespeurde ik dat hij aan de rand van een water stond. Een
pen met een soort beugel was in de grond gestoken, Waaraan
een hengel hing. Plotseling
kwam het lijf echter wonderlijk snel in beweging, De
hengel ging omhoog en een spartelende zilveren voorn verdween in een terzijde
staande emmer, waarin al enige van zijn lotgenoten rondzwommen. Nadat
er opnieuw aas aan het haakje gedaan was, Verdween
het geheel opnieuw in het water. Een
grimas trok over het sombere gelaat. Er
werd met ijzige kalmte een pakje shag uit een der zakken getoverd. Nadat
er een saffie was geconstrueerd en aangestoken, Werd
dezelfde stramme houding van even tevoren weer aangenomen. Hetgeen
nu alleen werd onderbroken door een regelmatig zuigen En
het uitblazen van rookwolken. Of
ik alreeds was opgemerkt wist ik niet. Maar
met en vriendelijk” goede morgen” liep ik op hem toe. Zijn
antwoordt bracht mij wel enigszins van mijn stuk. Ook
goedendag! En wat morgen betreft ben ik,
En
met mij nog meerdere specialisten van mening, Dat
het morgen aanmerkelijk minder goed zal zijn dan vandaag. Ik
besloot hem gelijk te geven, want achteraf gezien, Had
ik het slechte weerbericht voor morgen ook gehoord. Ja,
en dat voorspelde weinig goeds. Ja
zei ik, daar heeft U gelijk in. Weet
ik, was zijn antwoordt, want ik heb gestudeerd. Ik
ook, zei ik enigszins benepen. Daar
is dan helaas jammer voor U, echt weinig van te merken. Ik
begon het verloop van het gesprek nu wel echt onaangenaam te vinden. Aldus
probeerde ik er een andere wending aan te geven. En
omdat ik op dat moment de dobber bewegen zag, merkte ik op”het tukt!” Nee
hoor, dat doet de wind, die is tegen de oever en dan krijg je dat altijd. U
is geen visser zeker? Ik
had wel eens gevist, maar besloot ook van dit duel af te zien. Is
dat niet vermoeiend, dat lange staan? Nee
hoor, ik heb een prima conditie! Ik
heb hele sterke benen, die zijn wel wat gewend. Het
zou voor mij niets zijn repliceerde ik, Ik
zou zeker het gemak zoeken. Wacht
even, hij liep naar zijn fiets, pakte een jute zak uit zijn fietstas, Die
hij dubbelgevouwen voor mij op de grond legde. Zit
maar lekker zei hij bijna vriendelijk, ik hoef dat niet. Ik
ging zitten, mijn armen rond mijn knieën en zuchtte. Ja
zo verknoei je natuurlijk je rug! Dat
kan toch niet anders? Rot houding! Na
deze stortvloed van woorden Besloot
ik mijn armen maar achter mijnrug te poten En
om gelijk geen verdere discussie uit te lokken, Besloot
ik er maar even het zwijgen toe te doen. Hetgeen
in zo’n situatie vaak veel langer duurt dan je denkt. Maar
toch kwam de verlossing nog onverwachts, Toen
er weer feilloos zo’n zilveren rakker gevangen werd. In
de emmer kijkend bemerkte ik dat er toch al heel wat van
die beestjes in rondzwommen. En
met een; U heft er toch al heel wat! Hij
sprak mij deze keer niet tegen, nee, hij grijnsde zelfs. Ja
zo kan ik wel weer even vooruit maakte hij mij toch nieuwsgierig. Wat
is de bedoeling hiervan, wat doet U hiermee? Wat
is de lol, wat stelt dit alles voor? Dat
zijn nu toch wel een heleboel vragen ineens. Maar
vooruit, U bent een vriendelijk mens, dus! De
bedoeling is dat ik altijd een voorraadje vis heb. Ik
doe deze in mijn vijver. Ja,
dat is zo’n oude bomkrater uit de oorlog 40/45 snapt U? Die
staat vol water en is geheel begroeid. Hij
ligt vlak achter mijn huis. En
de lol dat laat zich raden. Als
het nu morgen dat weer is waar U nu aan twijfelt, En
wat ik zeker weet. Dan
hoost het morgen de hele dag! Ik
zit dan, lekker warm aan de koffie in mijn keukentje. Ik
kijk dan uit het raam recht op die begroeide vijver. Ik
zie daar dan zo’n mooie grijze reiger, Geduldig
kou en regen trotserend staan te vissen. Dat
is wel zo’n prachtig gezicht! Dat geeft een lekker gevoel. Pika
Ik
heb een toon gezet sprak de dichter. En
hij spuwde zijn pruim in de goot. Heb
geschreven van oorlog en vrede. De
mensheid ontleedt en ontbloot. Ik
ken dat heeft de dirigent toen geroepen. Want
ook ik zette toon steeds, vandaar. Van
liefde en leed daar wil ik naar streven. Mijn
doel is ook juist die gevoelige snaar. Maar
ook ik zette toon zei de smid met een basstem. Wanneer
nog de echo van mijn slagen weerklinkt. Als
het weerbarstige ijzer dan langzaam de vorm krijgt. In
het ritme van slagen is haast alles wat zingt. Maar
mijn toon heeft de koetsier toen geroepen. Is
de luchtige toon van de gang van het paard. De
koets met zijn geratel is al van verre te horen. Ik
dirigeer, het paard slaat de maat met zijn staart. Zo
zou ik er nog wel heel veel kunnen noemen. Zij
zetten immers de toon van het leven in tijd. Heel
vaak heerst alleen nog de toon van de oorlog. Leven
en toon zij verdwenen de resten, berouw ja en spijt. Besef
dat de ader van leven de liefde, de toon is. Het
alles omvattende dat de mensen verbindt. Als
de geluiden van oorlog de toon overheersen. Wordt
de mensheid zo doods en de liefde verblindt. Niet
alleen de dichter heeft het begrepen. Al
zette hij wel de toon met zijn verhaal. Maar
het grote verschil tussen oorlog en vrede. Is
de toon van een ieder, van ons allemaal.
Pika
Zo
waren er eens twee apen normaal wonend in een boom.
Maar
zij waren gek op paarden, En dat is nu niet gewoon. Nu
woonde in dat bos daar, nog een echte tovervrouw. Die
zou hun wel kunnen helpen.maar ja, hoe moest dat nou? Zei
wilden haar wel vertellen, van hun beider grote wens. Maar
zij konden nog niet spreken, want zij waren nog geen mens. Zij
sloegen aan het denken.hoe los je toch zoiets op? Zo
kwam er na heel veel denkwerk, een goed ideetje in hun kop. En
's avonds, in de schemer, zij hadden wel reuze gein. Toen
pikten zij voor hen beide, wat passende kleding van een lijn. En
daar ergens in een werkplaat, gelegen nabij een vuilnisstort. Daar
vonden zij wat spullen, daarvan maakten zij een bord. Daarop
stond fors geschreven, wij, beide zijn helaas doofstom. Maar
kunnen wel keihard werken, en wij geven nergens om. Zo
gingen zij de boer op, bonkten luid op iedere deur. Zij
lieten dan het bord zien, al gaf dat wel veel gezeur. Want
willen jullie intern? Hoeveel dachten jullie als loon? Zij
schudde maar wat en zwaaide, als was alles heel gewoon. Totdat
er na toch wel vele dagen, eindelijk een boer er wel iets in zag. Maar,
wel zeven dagen werken, en geen ene vrije dag! Voor
honderd knaken wekelijks, een bed en ook de kost. Zij
werkten echt als paarden en voelden zich een vorst. Zo
door hun werk met paarden daar op die boerderij. Leerden
zij ook goed rijden en gevoelden zij zich vrij. Zo
verliepen er dan vele jaren en gebeurde het op een goede dag. Dat
er de toverfee voorbij kwam, die daar beide zwoegen zag. Zij
sprak hen aan en vroeg hun wat hun tot dit zware werk bewoog. Maar
zij gingen door met werken en tilden hun bord omhoog. En,
door medelij bewogen, bij het zien van zoveel leed. Sloeg
zij gelijk aan het toveren, wat zij haast nooit meer deed. Dat
was nog niet eenvoudig dus het duurde nogal lang. Maar
toch, na enkele uren, kwam het langzaam aan op gang. De
eerste tijd, gestotter, maar toen zinnetjes, heel kort. En
toen het avond was geworden vernielden zij het bord. Bedankten,
heel uitbundig toen de goede toverfee. Zij
gingen rustig slapen, gelukkig en zeer tevree Toen
's morgens naar de boer toe, zij spraken luid en veel. Wij
gaan U nu verlaten, geef ons nu geld ons deel! Zij
kochten toen twee paarden en voor ieder een goed pak. En
hadden om te reizen, nog voldoende geld op zak. Waarom
ik nu dit verhaal schrijf? Het is maar hoe je het beziet. Maar
slim zijn is wel handig, of dacht je soms van niet? Want
wil je iets bereiken, waar ligt dan wel de grens? Als het apen kan gelukken om ook te worden mens! Pika
1996
|
|