(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de
tekst)
't Was of
in visioen ik zag
Een wonder dat ik u nu mag
Vertellen, zodat gij 't zult verstaan.
Mij docht ik was uit spelen gegaan
Met mijn gezellen in een woud,
Toen ik zag komen uit het hout
Een jonkvrouw, zonder honden,
Die bracht gevangen en gebonden
Een wilde man.
Daar ik haar kende sprak ik haar an
En vroeg wat zij met hem woude.
Ik zei dat ze hem niet houden zoude,
Dat zij bedrogen uit zou komen:
Hij was te wild, wie had ooit vernomen
Dat zulk een zich temmen liet door een vrouw.
Zij lachte zacht, zij zei: ik hou
Van deze juist als ik hem vond;
Ik zocht hem lang; dat ik hem bond
Was zeker wel het grootste wonder.
Wat baat het of gij u verwonder;
Ik houd van deze: wild of tam;
Voor u een leeuw, voor mij een lam.
Zij schreden heen en ik stond stom.
Toen keerde ik peinzend wederom,
Te zien waar mijn gezellen waren,
Als eensklaps door de schuddende blaren
Klonk met een zware en blijde stem -
En ik wist, dat was een lied van hem,
Van de wilde man die aan haar hand
Meeliep in zijn lichte band:-
'Ik was wild, ik ben gebonden,
Dat heeft mij een meisje gedaan,
Met de band van haar minne omwonden.
Ik was wild, ik ben gebonden,
Ik vlucht niet ofschoon ik het konde,
Ik wil wie mij won niet ontgaan.
Ik was wild, ik ben gebonden,
Met de band van haar minne omwonden...'
Toen wachtte ik weer, en dacht: geen koorden
Binden zo stijf als zachte woorden,
Gesproken door een schone mond:
Zij komen het hart uit, snoeren zich rond
Het hart van hem die ze raken:
Zij kunnen leeuwen tot lamm'ren maken.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de
tekst)
Lied van de rapaillepartij. Nelis de Gelder (1856-1931).
Rembrandtplein-zwerver de heer Van Gelder, het "Hadt je me maar"
type werd door zijn medestanders, die tegen het stemrecht waren
(omdat in die tijd het niet stemmen werd bestraft) gekozen als hun
vertegenwoordiger in de gemeenteraad. 22 maart 1921.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik kan geen
doel vinden voor ‘t leven, vandaag.
Hoe moeilijk toch ik de last der dagen draag.
Mijn dagen zijn hoogten en vlakten van lust
En verveling, maar alles zo onbewust.
‘n Roman
lezen? Neen, dat gaat helemaal niet;
Ik kijk liever door m’n venster: daktilo’s,
Naaisters gaan voorbij, zingend rollen auto’s,
De tram dat ‘s net ‘n motorboot, die ‘t water klieft.
Even sta
‘k, wijl ik ‘n sigaret aansteken moet,
Als Mefistofeles, in ‘n korte, gele gloed;
Schaduw en licht spelen langs m’n aangezicht.
Verveling komt mij voor de zwaarste levensplicht.
Ik staar en
denk bij de wolkjes: In ene gracht
Verdronk Ophelia; m’n lief ging door ‘n mistige nacht
Van mij; Berenice, Beatrix, vele mooie vrouwen
Zullen zich in dees sigarettenrook voor mij ontvouwen.
Uit m’n
sigaret stijgt Salome, en ook
Haar sluiers zijn geweven uit m’n ronde rook.
Ik zelf voel me als de Tetrarch Herodes, die scherp toeziet
En bij ‘t sterven van de doem-dans, de dood des Dopers gebiedt.
Zo stijgen
uit m’n rook die leenge, lauwe lijven,
Om in ‘n doezelende dans verveling te verdrijven.
met dank
aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Het is
het feest der vogels en der koren
Geboorte en der welluidende gedachten;
‘t Vergeten zijn der eindeloze nachten,
Toen in de borstjes lag de stem bevroren.
Hun vlucht is heel de wereld door te horen;
Als uit de veren keeltjes trilt het jachten,
Schieten de tonen wieken aan en krachten…
Bedil de zang niet, open wijd uw oren.
De onschuldigheid is ‘t lieflijkst in ‘t geluid;
Het is het eeuwig voorjaar dat er uit
Hen roert en rept en kwinkeleert en trekt,
Uit ieder vogeltje naar ‘t is gebekt.
Aan bos en duin ze ontzweven, plag en riet.
Hun is het licht en ‘t onuitspreeklijk lied.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de
tekst)
In zachte
klanken saamgebracht
Heb ik uw zoete naam gedacht,
O mijn Lief-uitverkoren !
Die 't liefst mij aller dingen zijt,
Die ik mijn hart heb ingeleid
En eeuwig zal behoren.
Dit lied is voor de Liefste mijn,
Dus zal 't als mijne liefde zijn,
Als een gesmede keten
Van rijm aan rijm aaneengehecht
En om twee harten heengelegd,
Die van geen scheiden weten.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de
tekst)
't Was
winter en 't wierd avond. In de kerk was 't donker nacht.
Een broeder, de lanteern in hand, ging sluiten, als hem dacht,
met hoofd en lijf geleund lijk een die doodmoe is van reizen,
een spilde mansgestalte langs een pijler te zien rijzen.
Hij deed zijn sleutels ruttelen en hij rammelde aan de poort.
Doch roerloos bleef het staan alsof het niets en had gehoord,
gelijk een dode of wel een spook. Zeer bang en zeer godvruchtig,
sloeg de arme broer een kruis drij vier, besproeide zich geduchtig,
met water uit 't gewijde vat, en stapte toe. Het licht
verschrok de dove. Hij keek op, en toonde een aangezicht
zo mager als de Honger, als het Lijden zo getrokken,
en toch zo onverklaarbaar schoon met zijne grijze lokken,
dat men er van bewondering wel bij gekregen had
zo prachtig, lijk een vlamme door een oud albasten vat,
doorstraalde die verstorvenheid de meesterschap der rede.
"Mijn broeder, wat begeert gij ?" vroeg de lekebroeder. "Vrede !"
verzuchtte diep die vreemde man, en leunde op de pilaar.
Gauw vezelde de broer de lijst der 'beste paters,' maar,
alsof een pletterende overmacht hem langs die pijler plantte,
stond hij die vrede zocht daar doof en stom. Zijn naam was Dante.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Gelukkig
zijn in Holland alle vrouwen.
Vooreerst: ze spelen heel lang met de pop;
Om daarna in een kostschool huis te houen;
Daar leert men Frans en Engels in galop;
En om haar hartsgeheimen te vertrouwen,
Doet elke mooie een hele lelijke op;
Die schrijven zij dan 's zomers lange brieven,
Zo lang, zo lang ... totdat ze in ernst verlieven.
Nu komt de tijd, waarin men 'paraisseert';
Het kind gaat op Mama's visites mede;
Is heel vrij, heel confuus, of coquetteert;
Mevrouw is altijd van haar telg tevrede;
Zij speelt piano, zingt en reciteert;
't Oog van mama geeft klem aan ieders bede;
En als haar beeldschoon kind met heren spreekt,
Voelt ze aan haar hart of 't meisje bloost of bleekt.
De stad is juist niet rijk aan danspartijen;
Maar aan concerten wordt dit ruim vergoed.
Daar gaat men dan zo zachtjes aan wat vrijen,
En trapt gestaag het buurtje op de voet,
Als zich een jonkman aan haar 'toe komt wijen',
Die haar verslag van wind en weder doet,
En zonneklaar zijn liefde komt bewijzen,
Door haar het nieuwste zangspel aan te prijzen.
Voorts heeft ze een allerliefste kransje ... dan
Ik weet u daar niets meer van mee te delen;
Die dingen zijn mysteries voor de man.
'k Denk dat zij daar vrijmetslaresje spelen.
Een sneeuwval van biljetjes komt er van;
En 't blijft bestaan ... totdat ze er zich vervelen ?
Neen ! Tot zolang het meerderheidje trouwt,
Terwijl de rest haar nonnen-eden houdt.
Maar dat is dweperij, of zotte grillen,
Of kinderliefde, of iets daaraan gelijk;
Want 'daar zijn zoveel mannen als zij willen',
En zijn die oud of lelijk: zij zijn rijk;
Zo ze aan verstand nu juist zo zwaar niet tillen.
Ze hebben posten in het koninkrijk ...
Enfin ! wie trouwen wil, heeft maar te kiezen
Uit vijftig SMITS en zeventig DE VRIEZEN.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Het knaapje
sluimert ! maar de moeder aan zijn sponde
Bespiedt de onvaste rust van ‘t krank en lijdend kind;
Ach, hoe dat hoofdje gloeit ! ’t Is alles stil in ‘t ronde,
Doch in heur ziele niet, die vreest, zoveel zij mint.
O God, waar
hier op aard wel ‘t innigst wordt gestreden ?....
Aan ‘t fiere kinderbed, Heer ! Daar buigt ook ‘t twijflend hoofd
Des fiere mans zich neer met staamlende gebeden;
Geen moeder die niet bidt en in haar God gelooft !
Aan ‘t
kinderbed, Heer ! daar worstlen in de harten
Gedachten, waar het hart voor week wordt, of voor breekt.
Daar lijdt een liefde, die, bij ‘t foltren van haar smarten,
Uw liefde zoeken moet en vurigst tot Haar smeekt.
Ook
nergens, stil geloof, is deze Liefde u nader,
Daar waar uw lijden klimt, bij ‘t klimmen der gebeën ...
Van ‘t krankbed van ons troost trekt gij ons hart, o Vader,
Ten Hemel uwer kindren heen.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Waar Maas
en Waal tezaamen spoelt
En Gorkum
rijst van ver,
Daar heft
zich op den linkerzoom,
En spiegelt
in den breeden stroom,
Een slot
van eeuwen her.
't Is
Loevestein - 't Is Loevestein
Waarvan de
wereld sprak,
Door wal en
schans en vestingwerk
't
Rammeijen van den krijg te sterk,
Maar
huwelijkstrouw te zwak.
Daar is een
dapper stuk gebeurd,
Waar menig pen van schreef,
Toen Flips zijn gruwzaam rijksbelang
Door marteltuig en zieledwang
Noch onbeteugeld steef.
Daar is een
dapper stuk gebeurd,
Gebeurd voor jaar en dag,
Toen Alva nog het krimpend land
Bezocht en sloeg met moord en brand,
En 't lagchend rooken zag.
"Dat lij ik
niet, bij God niet! neen!"
Riep Ruiter heftig uit:
"'t Gedrogt, waar jong en oud van beeft,
"Dat strop en zwaard voor wetten geeft,
"Maakt mij niet weerloos buit!
"Hij zwelg'
aan mij, de Spaansche beul,
"Een bittren beker bloed!
"Het heug' hem als zijn klaauw mij vat,
"En schoon mijn kracht in duigen spatt',
"Hij sidder' van mijn moed!"
Hij zegt,
en grijpt een monnikskap
En dekt het zwanger brein,
En wapent zich met roer en zwaard,
En rept zich door den Bommelwaard,
En klopt aan Loevestein.
"Doet op,
mijn Spaansche broeders, op!
"U dreigt een sluw verraad:
"Te zwak, bij ontijd en bij nacht,
"Te zwak, o slotvoogd! is uw wacht:
"Ik breng u raad en daad."
Men schuift
de zware grendels los,
En opent op zijn stem,
En ijlings ploft, aan wederskant,
De slotvoogd met zijn wacht in 't zand,
En Loevestein is hem.
Hij nestelt
zich in 't eenzaam fort,
En waakt op muur en wal,
En zamelt zich, door wenk en roep,
Een kleinen, maar te stouter troep,
Naauw twintig man in tal.
"Nu krijgt
de beul het slot niet weer,
"Met al zijn Spaansch gespuis!
"Nu krijgt de beul het slot niet weer,
"Of ploff' het op mijn kop ter neer
"En zoek' mij op in 't gruis!"
Zoo zweert
hij met zijn twintigtal,
En zwoegt aan gracht en schans;
En scheurt het Spaansche vaandel door,
En hijscht Oranjes vlag er voor
En waait haar uit den trans.
Maar Alva
hoort nog pas die maar,
Of vliegt in vlam en vier:
"Op, knechten, breekt er fluks op los,
"En sleurt mij aan den staart van 't ros
"Dien dollen muitling hier!
"Hij sterv',
geleêbraakt voor mijn oog,
"En stikke in 't schuldig bloed,
"En leer', genageld aan 't schavot,
"Dat wie met Alva éénmaal spot,
"Niet andermaal het doet."
Driehonderd
knechten grijpen 't zwaard,
En jagen in galop,
En rennen, met gezweepten draf,
Op slot en vesting regt toe af,
En - stooten er den kop.
"Terug! wie
't leven lief heeft keer'!
"Hier wacht u kruid en lood!
"Terug!" roept hun de Ruiter toe,
"Of zijt gij 't leven zat en moê,
"Hier vindt ge dan den dood."
Men
antwoordt met een kogelbui,
Uit roer en tromp gebraakt,
En beukt met mokers en houweel
De muren krank van 't oud kasteel,
Dat alles schudt en kraakt.
Maar 't
wederantwoord baldert los,
En geeft een kloek bescheid,
En dunt geducht met slag en schot
De keurbloem van 't Kastiliesch rot
Door treflijk feit op feit.
De stormbok
ramt intusschen door,
En 't grof geschut speelt voort,
En brijzelt met vernielend vuur
Een wijde bres in wal en muur,
En spaandert post en poort.
Maar Ruiter
stopt die breuken digt
Met eigen lijf alleen,
En stuit, als op een vaster wal,
Den vloed van 't overmagtig tal,
Die wegspat om hem heen.
Intusschen
woelt aan de andre zij
Een ander deel van 't rot,
En heeft, terwijl hij elders vecht,
De stormleer aan den muur gehecht
En stroomt op eens in 't slot.
Maar Ruiter
zwenkt en scheurt zich voort,
En kookt verwoed en wild,
En vaart, met blikken strak en hol,
Van teugellooze wrake dol,
Het Spaansch gespuis in 't schild.
Hij stort
er als een leeuw op los
En stuit het aan den trap;
En maakt zich post en plaats ten nut,
En schoort zich tegen wand en stut,
En zet in eens zich schrap.
Hij zwiert
zijn vreeslijk treffend zwaard
Met beî zijn vuisten rond,
En zwaait en slingert heen en weer,
En bliksemt al wat nadert neer,
Vermalen en verwond.
Ontzet van
't ongehoord bedrijf,
Staat alles bleek van schrik,
En ducht, van dubble vrees vervaard,
Het vonklen van zijn vlammend zwaard
En 't weerlicht van zijn blik.
Maar
eensklaps dringt de drom zich op,
Het kost dan wat het kost,
En stuwt zich met vereend geweld,
En schokt en overstelpt den held
En wrikt hem uit zijn post.
Hij vecht
nogtans en wankelt niet,
En houwt in 't rond en klooft,
Tot dat op eens zijn zwaaijend zwaard,
Door duizend slagen botgeschaard,
Hem stuk vliegt om het hoofd.
Hij wijkt,
en ziet geen uitkomst meer,
Maar neemt een kort besluit;
Hij wijkt, en grijpt een gloênde lont,
En vlamt ze driewerf om en rond,
En werpt ze neer in 't kruid.
't Vat vuur
en kraakt en barst en slaat
En gruist het hecht arduin,
En hagelt neer op huid en kop,
En vliegt met vriend en vijand op,
En graaft ze zaam in 't puin.
Die donder
sloeg verschrikklijk neer.
Op Alvaas overmoed,
En stoorde hem in 't helsch vermaak,
Terwijl hij zat en zon op wraak,
En wetten schreef met bloed.
Met graaft
nogtans de Ruiters kop
Uit gruis en beenders bloot,
En spijkert, naar des bloedhonds last,
Aan 't galgenhout zijn schedel vast,
Ten afschuw na zijn dood.
Intusschen
rees het standbeeld op,
Tot Alvaas eer gesticht,
En wees, uit trotsch metaal gewrocht,
Den weidschen rang van 't wangedrogt
Aan elks verbaasd gezigt:
Maar niet
te min, voor 't Hollandsch hart,
Misleid door schimp noch praal,
Om 't even wat het oog aanschouwt,
Rees Alva op aan 't galgenhout,
En Ruiter in 't metaal.
(fragment
uit De Gijsbrecht van Aemstel, slot van het 4e bedrijf)
(Joost van den Vondel 1587-1679)
(met dank
aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Waar werd
oprechter trouw
Dan tussen man en vrouw
Ter wereld ooit gevonden ?
Twee zielen gloênde aaneengesmeed,
Of vast geschakeld en verbonden
In lief en leed.
De band, die ’t harte bindt
Der moeder aan het kind,
Gebaard met wee en smarte,
Aan hare borst met melk gevoed,
Zo lang gedragen onder ’t harte,
Verbindt het bloed.
Noch sterker bindt de band
Van ’t paar, door hand aan hand
Verknocht, om niet te scheiden,
Nadat ze jaren lang gepaard
Een kuis en vreedzaam leven leidden,
Gelijk van aard.
Daar zo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel
En hart met hart te gader.
Geen liefde koomt Gods liefde nader,
Noch is zo groot.
Geen water blust dit vuur,
Het edelst, dat natuur
Ter wereld heeft ontsteken.
Dit is het krachtigste ciment,
Dat harten bindt, als muren breken
Tot puin in ’t end.
Door deze liefde treurt
De tortelduif, gescheurd
Van haar beminde tortel.
Zij jammert op de dorre rank
Van enen hoge boom, verdroogd van wortel,
Haer leven lank.
Zo treurt nu Aemstels vrouw,
En smelt als sneeuw van rouw
Tot water en tot tranen.
Zij rekent Gijsbreght nu al dood,
Die, om zijn stad en onderdanen,
Zich geeft te bloot.
O God, verlicht haar kruis,
Dat zij den held op ’t huis
Met blijschap mag ontvangen,
Die tussen hoop en vreze drijft,
En zucht, en uitziet met verlangen
Waar dat hij blijft.
(met dank
aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
,,Wanneer
de kindren groot zijn, mijn lief, mijn levenslust !
Dan komt er, na een tijd van zorg, ook weer een tijd van rust.
Mijn haar zal wel wat grijs zijn, Uw voorhoofd niet zo glad;
Maar als het hart nog jong is, hoe weinig hindert dat !
,,Vier dochtren en drie zonen ! Het wil wat zeggen, wijf !
De jongste nog geen twee jaar oud, en de oudste driemaal vijf.
Dan is om deze, dan om die, het moederhart in nood;
Veel werk bij dag, veel zorg bij nacht — maar eenmaal zijn zij
groot!
,,Niets zijt gij voor uw vrienden, maar alles voor ’t gezin.
De huiszorg, ieder weet het wel, neemt al uw uren in.
’t Penseel ligt lang vergeten, geen boeken leest gij meer . . .
Maar als de kindren groot zijn, dan komt dat alles weer.
,,Ons huwlijksreisje, liefste, was kort en gauw gestuit !
Wij reisden naar de pastorie van Heemsteê: daarmee uit !
Nog nooit zijn wij tezamen eens ver van huis gegaan;
Maar als de kindren groot zijn, dan vangt ons reizen aan.
,,Ik kon maar half genieten, als ’k in de vreemde toog;
Mijn hart was thuis, het was bij u, en mijn gedachte vloog !
Met haast verslond ik elk genot en keerde in ’s hemels naam !
Maar als de kindren groot zijn, genieten wij tezaam.
,,Dan wijs ik u de plekjes, die ik bekoorlijkst vond;
Aan Rijn en Moezel, Clyde en Teems leid ik u dankbaar rond;
Winandermeer en Edinburg zijn wat ik heerlijkst zag;
Daarheen zal ik u voeren, voor onze oude dag !
,,Wanneer de kindren groot zijn — Neen ! zie niet dus mij aan !
Begin met deze glimlach niet, hij eindigt in een traan —
Wanneer de kindren groot zijn, en dat gaat immers gauw ?
Dan komt er weer een gulden tijd, mijn allerliefste vrouw !
De kindren werden groter en groter, naar de rij.
Maar eer er een volwassen was, kwam daar al weer een bij.
,,Wees welkom, vierde zoontje ! gij komt nog juist bij tijds;
Ook gij zult eenmaal groot zijn, Gods groot en naam ten prijs !
,,Wees niet bezorgd; uw moeder neemt u met blijdschap aan;
Zij heeft
er zoveel grootgebracht, het zal ook ditmaal gaan . . .
Ai mij !
daar breekt o eenmaal dat dierbaar leven af !
De kinderen
worden groter - maar op hun moeders graf.
(met dank
aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Wat is het
goed aan ‘t hart van zacht verliefd te zijn,
zijn luimen naar een verr' of naeren lach te meten,
en, te elken avond weêr het kommer-brood gegeten,
weêr blij te mogen rijze' in iedren morgen-schijn,
deed nieuwe liefde-lach het oude leed vergeten.
Ik weet
niet wat geluk is; maar uw schoon gelaat
is kalm, en maakt me blijde, en doet mijn leden rillen;
- en ‘k lach, gelijk een kind dat door een water waadt,
en, vreemde vreugde in de oogen, aarzelt, in den killen
en ringlend-zilvren vloed die zijne voeten baadt.
Want ik
bemin, u, vrouw; en zoo mijn dralend schromen
slechts de oogen toe uw tegen-lachen is genaakt:
zoo was ik als een kind dat, geerens-blij gekomen
naar glanz'ge vruchten-pracht in loomende avond-boomen,
beducht om zooveel schoons, geen enkle vrucht en raakt.
Wees bevriend met kleine dingen, Met een
mooie bloem die bloeit, Met de vogeltjes die zingen, Met het
vlindertje dat stoeit, Met de held're regendruppels, Met de
blijde zonneschijn, Wees bevriend met kleine dingen, Dan zul
je altijd gelukkig zijn.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Weet gij
waar de wind geboren,
waar de dauw geboren is?
Weet gij kunstig op te sporen
wat hierbij, hierboven is?
Weet gij wat de sterren zijn, en
wat de zon, de mane? Wat
in de bergen, in de mijnen
ligt en in de zee bevat?
Weet gij iets klaar uit te leggen
van al 't geen men u vragen kan?
Antwoord dan en wil mij zeggen:
Dichten...wat is dichten dan?
De Schoonheidsspecialiste vroeg, Wat zijn
verlangens waren. Hij zei: "Och, wilt U alstublieft Mijn
wenkbrauwen ontharen ? Ik ben artiest, ik heb géén
geld, Misschien wilt U het zóó doen, Dan zal ik u in ruil
daarvoor, Een schilderij cadeau doen. Ik ben kunstschilder van
mijn vak En wil u niet verhelen, Dat ik mijn wenkbrauw noodig
heb, Voor 't maken van penseelen !
(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de
tekst)
Hoor, daar
gaat die nare bel.
Ja, ik kom, ik hoor het wel !
Heb maar eventjes geduld !
Eerst de ketel nog gevuld.
Dan de schotels vlug aan kant
En eens zien of 't vuur nog brandt.
Hoor, daar
luidt de bel alweer !
O, wat gaat die man tekeer.
Zou het soms de melkboer zijn ?
Of de knecht van Albert Heijn ?
Kan 't de man zijn van het gas ?
Of de jongen met de was ?
Bakker,
slager, kruidenier !
Of een man met schuurpapier ?
Brandstof, groente, kaas of vis ?
'k Ga eens kijken wie er is.
"Ja ? Wie daar ? Heeft u gebeld ?
Komt u om het krantegeld ?"
"Nee Mevrouw, ik ben abuis,
'k Belde aan 't verkeerde huis.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de
tekst)
Wilt gij
bemind en eerlijk leven ?
Dan wil ik u een regel geven.
Vier dingen dient gij wel te weten:
Geleden onrecht snel vergeten,
Ontvangen weldaad lang gedenken,
Geen mens door achterklap krenken,
En hebt gij lust uw leed te wreken.
Zo gaat en betert uw gebreken,
Want een die betert zijnen staat,
Doet leed degene die hem haat.
(met
dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de
tekst)
De grond is
wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
De wind
houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.
De grond is
wit, de nevel wit,
Wat zwijgend toverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootse, stille wonder.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de
tekst)
Alleen in
mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.
Alleen in
mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.
Het zal
lang duren, maar de tijd zal komen
Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de
tekst)
Het IJ is
breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren ?
De meisjes zijn er net gekleed
Zooals voor honderd jaren;
Haar oogen blauwen blank haar vel:
Ik mag de Zaansche meisjes wel.
Het IJ is
breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren ?
Men vindt er molens bij de vleet,
En rijke molenaren;
Maar wie de slanke dochters ziet,
Denkt aan de dikke molens niet.
Het IJ is
breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bezoeken ?
Czaar Peter droeg er ’t ambachtskleed
En at er pannekoeken;
Maar ’t heeft hem levenslang berouwd,
Dat hij geen Zaansche had getrouwd.
(met
dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de
tekst)
Hij was een
belangrijk man, maar met frustrerende gedachten
Pijnlijk zelfs zo nu en dan omdat de mensen hem verachtten
Maar hij had iets in zijn macht om dit volk te kunnen treffen
Zijn geldzucht was zijn stille kracht om steeds hoger tol te heffen
Eén ding
zweefde hem voor ogen, rijk worden, dat was zijn doel
Dat men hem
node moest gedogen gaf 'n minderwaardigheidsgevoel
Doch
spoedig werd zijn wens vervuld en was hij een vermogend man
Gaf hem dat
geen gevoel van schuld, lag hij daar nooit eens wakker van ?
Op zekere
dag hoorde Zacheüs, een gerucht over 'n profeet
Die het hem
vertelde, zei: ,,men zegt hier dat hij Jezus heet
Hij
verrichtte al menig teken, heeft macht de zonden te vergeven
En het is
ook al gebleken, Hij wekt doden weer tot leven"
Zacheüs was
opeens bewogen, ontroering brak zich bij hem baan
Zijn joodse
bloed begon te stromen waar het lang niet meer kon gaan
Toen vernam
hij tot zijn vreugde, Jezus zou door Jericho komen
En in 't
besef dat hij niet deugde, heeft hij de kans toch waargenomen
Maar toen
hij zijn doel bereikte stonden de mensen daar in drommen
En omdat
niemand voor hem wijkte is hij in een vijgenboom geklommen
Zoiets is
nogal ongewoon, maar desondanks een goed idee
En als men
klein is van persoon is zo'n vijgenboom een pré
Toen
opeens... daar zag hij Jezus. Deze bleef staan en keek hem aan
,,Zacheüs"
zei Hij: ,,Kom de boom uit, 'k moet in jouw huis zijn, laat ons gaan"
Daar heeft
deze kleine man van Jezus een groot hart gekregen
Hij bood
zijn geld en goed'ren aan en er was hem alles aan gelegen
Erkend als
zoon van Abraham, wien de zonden zijn vergeven
Dat Jezus
nu de leiding nam over heel zijn verdere leven
Zacheüs
ging op zoek naar Jezus, omdat Jezus hem al zocht
En wat hij
nooit had kunnen dromen, Jezus heeft hem overmocht
Want de
Heiland is gekomen om ondanks veler ergernis
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de
tekst)
Daar liep
een Zeeuwse jongen
Te dwalen langs de zee;
De ranke scheepjes voerden
De vlugge Jantjes mee;
En 't bruiste door de baren,
Waar 't zonnelicht op viel:
„Waar blijft mijn Zeeuwse jongen,
Waar blijft, waar blijft Michiel ?"
Daar zat een Zeeuwse jongen
Te dromen in de school,
Tot plotseling zijn ogen
Opflikkerden in jool;
Want weer drong door zijn wezen
Het lokkend zeegebruis,...
„Neen," zongen wind en golven,
„Aan wal hoor jij niet thuis !"
Daar stond een Zeeuwse jongen
Te draaien aan het wiel,
Tot hem de hand verslapte
En lustloos nederviel;
Want door de lijnen klaagde
De zeewind dag aan dag
Van 't water, dat hem lokte
En waar zijn hart in lag.
Daar voer een Zeeuwse jongen
Het wijde zeegat uit.
„Wat wil die kleine rakker
Hier op zo'n grote schuit ?"
Zo lachten de matrozen,
En heel die mooie zee
Vol goud van zonnestralen,
Die lachte blijde mee.
Daar was een Zeeuwse jongen,
Een sukkel op het strand,
Die eens de roem zou worden,
De glorie van zijn land...
En heft ons volk na eeuwen
Zijn naam als juichkreet aan,
Dat wordt door heel de wereld
Begrepen en verstaan.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de
tekst)
Mooi weer !
was de kreet, en de blozende morgen
Beloofde ons een pralenden, stralende dag;
Het tochtje ving aan met een dankbaren lach;
De vogelen zongen: verbant uwe zorgen !
De bloemen verkondden: geniet uwe jeugd !
Gods vriendlijke hemel: ik gun u de vreugd !
En ’t opene hart hield geen smartje verborgen:
Een jonkheid van weelde, van liefde, van licht,
Stroomde allen van ’t prettig en vroolijk gezicht.
De sierlijke paarden, gelukkige slaven,
Zij schenen alleen voor ’t genoegen te draven;
De weg was zoo schoon of de milde natuur
Een bruidje verwachtte in dit feestelijk uur;
De kindren, met gretige, gulzige blikken,
Vertelden elkaêr van den heerlijken room –
Luilekkerlands geurigen, zuiveren stroom –
Die straks op de hoeve hun hart zou verkwikken;
Van ’t lekkere hooiland, dat noodde tot rust
Na spelen en stoeien en dertelen lust;
De meisjes – zij kleurden; de knapen – zij lachten
En kweekten verwonderlijk zoete gedachten....
Daar hief, na een poos, voor het vonkelend oog,
De toren van ’t dorp uit het groen zich omhoog,
Daar lachte de hoeve den juichenden tegen,
Daar stroomde het welkom, de room en de zegen,
Daar geurde de feestdisch – een gaard in den gaard !
Daar namen en harten en magen hun vaart !
Wij vierden den zomer – wij stoeiden en gloeiden,
Tot we eindelijk, vermoeiden, als beekjes vervloeiden. –
Maar één had geen lust en geen rust en geen duur,
Geen smaak in den room en geen oog voor natuur,
Geen lach voor den lach van het glunder boerinnetje,
Geen arm voor den arm van een geestig vriendinnetje...
Och help, hij was dwars door zijn hartje gegriefd,
Betooverd, besluitloos, jaloersch en verliefd;
De guit dacht zich gek op een liefdesverklaring....
Zijn liefje intusschen.... had ik in bewaring.
Een dokter zei mij laatst eens, Dat het
gevoel van pijn, Zich dáár steeds demonstreert, waar De
zwakste plekken zijn. "t Kan best, dat hij gelijk heeft, Want
zie, zoo dag en dóór, Komt bij de meeste menschen Het mééste
hoofdpijn voor.