SeniorPlaza

Uchtendliebe

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Zilver zijn de wegen

Zilver zijn de weiden

Zilver van de peerlen-dauw

Die de feeën schreiden

 

Zingen doet de stilte

Zingen psalmen akkoorden

Zingend naar elkander gaan

Al ons liefdewoorden

 

Zoenen doen ons zielen

Zoenen ongebonden

Zoenen als de zonne-vrouw

Zoent de bloemen-monden

 

Zalig zijn uw armen

Zalig zijn uw ogen

Zaal'ger dan d'oneindigheid

Onder zilver logen

 

Terug naar overzicht

Uit mistig grijze morgenstrepen

(Jacob Winkler Prins 1849-1904)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Uit mistig grijze morgenstrepen,

Een onbewogen meer gelijk,

Verschijnen vormelooze repen: -

’t Zijn boomen op een hoogen dijk.

 

Nu ’t lichter wordt zie ik iets blinken

Als sikkels, opgaande uit den mist

En klokjes hoor ik droomrig klinken; -

De herder met zijn koeien is ‘t.

 

En meer en meer komt ’t groen der weiden

Te voorschijn uit den morgendamp;

’t Zijn bloemen, die mijn oog verblijden,

Geel als een stralend helle lamp.

 

Reeds flonk’ren hoog de popeltoppen

En lager ’t groen der beukenheg;

De dauwdrop vonkt aan windeknoppen

De morgenwind waait nevels weg.

 

Gezegend, licht uit nacht gestegen,

Zoo vriendlijk lacht uw oog mij aan; -

Ik sta op ’t kruispunt van veel wegen –

O, zeg mij welken kant te gaan !

 

Terug naar overzicht

Vaarwel schoone liefde

(met dank aan Jaap Klijnsma voor het sturen van de tekst)

Vaarwel schoone liefde, vaarwel schoone tijd !

U blijft mijn jong harte, in trouwe gewijd,

Vaarwel schoone liefde,vaarwel dierb're tijd,

U wil ik vergeven, wat gij mij bereidt,

Een lijden zo groot

Tot in den dood.

 

Terug naar overzicht

Vaders hand

(J.J.A. Gouveneur 1809-1898)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De vader schommelt op de knie
Zijn jongen hop, hop, hop!
‘ Hei, dat gaat kostelijk’, jubelt die,
‘ Nu hard eens in galop!’

’t Gaat wipprend, tripprend op en neer,
Tot vader uitroept: ‘ Oef!
Nu kan ik je niet houden meer
En laat je vallen – poef!’

De jongen roept: ‘ Dat heit geen nood,
Dat weet ik wel al lang;
Ik ben, zit ik op vaders schoot,
Voor niemendal niet bang.’

De vader kust de kleine klant
En zegt bij ’t hos, hos, hos:
‘ Vertrouwd gij maar op vaders hand;
Die laat zijn kind nooit los.’

 

Terug naar overzicht

Vaders zoontje

(G.W. Lovendaal 1847 - 1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Als ik groot ben ga ik varen,
Varen op de ruime zee;
Vader vaart al zoveel jaren,
Als ik groot ben vaar ik mee.

'k Wil naar verre landen reizen,
Kijken hoe het ginder gaat,
'k Wil het zien wat andren prijzen,
Wat in mooie boeken staat.

'k Wil door alle zeeën sturen,
Oost en West, het loop' zo 't loop',
Ga 'ris neuzen bij de buren
Wat daar zoal is te koop.

'k Wil met eigen ogen dit en
Alles zien wat dienen kan;
Wie bij moeders pappot zitten

Daar groeit nooit een kerel van.

 

Terug naar overzicht

Vakantie

(met dank aan G. Hilbers voor het sturen van de tekst)

Sloot ik alle buitendeuren ?

Kan die vogel niets gebeuren ?

Heb ik alles dicht gedaan.

Gas-en-bad-en keukenkraan ?

Alle plantenpotten nat ?

Heeft de vis zijn voer gehad ?

Is het scherm wel neergelaten ?

Waste ik de laatste vaten ?

Staan er een lamp en een radio aan,

Zodat niemand ziet

Dat ik weg ben gegaan?

Laatste vraag, met angst en beven;

Waarom ben ik niet thuis gebleven ?

 

Terug naar overzicht

Van de wilde man

(Albert Verwey 1856-1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

't Was of in visioen ik zag
Een wonder dat ik u nu mag
Vertellen, zodat gij 't zult verstaan.
Mij docht ik was uit spelen gegaan
Met mijn gezellen in een woud,
Toen ik zag komen uit het hout
Een jonkvrouw, zonder honden,
Die bracht gevangen en gebonden
Een wilde man.
Daar ik haar kende sprak ik haar an
En vroeg wat zij met hem woude.
Ik zei dat ze hem niet houden zoude,
Dat zij bedrogen uit zou komen:
Hij was te wild, wie had ooit vernomen
Dat zulk een zich temmen liet door een vrouw.
Zij lachte zacht, zij zei: ik hou
Van deze juist als ik hem vond;
Ik zocht hem lang; dat ik hem bond
Was zeker wel het grootste wonder.
Wat baat het of gij u verwonder;
Ik houd van deze: wild of tam;
Voor u een leeuw, voor mij een lam.
Zij schreden heen en ik stond stom.
Toen keerde ik peinzend wederom,
Te zien waar mijn gezellen waren,
Als eensklaps door de schuddende blaren
Klonk met een zware en blijde stem -
En ik wist, dat was een lied van hem,
Van de wilde man die aan haar hand
Meeliep in zijn lichte band:-
'Ik was wild, ik ben gebonden,
Dat heeft mij een meisje gedaan,
Met de band van haar minne omwonden.
Ik was wild, ik ben gebonden,
Ik vlucht niet ofschoon ik het konde,
Ik wil wie mij won niet ontgaan.
Ik was wild, ik ben gebonden,
Met de band van haar minne omwonden...'
Toen wachtte ik weer, en dacht: geen koorden
Binden zo stijf als zachte woorden,
Gesproken door een schone mond:
Zij komen het hart uit, snoeren zich rond
Het hart van hem die ze raken:
Zij kunnen leeuwen tot lamm'ren maken.

 

Terug naar overzicht

Van een koningskind en den visschersknaap

(Joh. H. Been 1859-1930)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Op het duin staat een Koningskind,
  Met haar lokken speelt de wind;
  Branding bruist haar nimmer moê
  't Lied van ons verleden toe.

  Op de schuit wiegt een zeemanszoon,
  Breed van schouders, bruin van koon;
  Branding bruist hem nimmer moê
  't Lied van heel zijn leven toe.

  „Weet ge wel, hoe mijn wijde plas
  Toevlucht van uw volk eens was ?....
  Langs mijn witte branding vloot
  De eerste straal van 't morgenrood.

  „Waar ter wereld een golf zich krult,
  Is zij van uw roem vervuld,
  Vindt den naam aan ieder strand
  Van het kleine Vaderland."

 

Zeemanskind hoort het wondre lied,
Na te spreken kan hij niet;
Heel zijn leven is een daad,
Die het woord te boven gaat.

Koningin ! — door de vrije zee
Ruisch' U toe aan Neerlands ree,
Dat bij nood en ongeval
't Zelfde volk verrijzen zal !

 

Terug naar overzicht

Van mijn Advokaat

(Const.Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik prijs mijn advokaat: hij is gaan liggen sterven,

En heeft het dolhuis voor zijn erfgenaam verklaard.

Hij zei: "Ik heb mijn goed bij zotte lien vergaard

't Moet gaan vandaar het kwam, de gekken moeten 't erven."

 

Terug naar overzicht

Van straatvechter tot gemeenteraadslid

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Lied van de rapaillepartij. Nelis de Gelder (1856-1931). Rembrandtplein-zwerver de heer Van Gelder, het "Hadt je me maar" type werd door zijn medestanders, die tegen het stemrecht waren (omdat in die tijd het niet stemmen werd bestraft) gekozen als hun vertegenwoordiger in de gemeenteraad. 22 maart 1921.

(klik op het plaatje om het te vergroten)

 

Om den stemplicht te bespotten

Dien geen mensch verzuimen mocht,

Werd in muffe armoekrotten

Naar een bedelaar gezocht.

En zoo werd een trieste zwerver

Eensklaps vrije socialist,

Kijk hier dien moraalbederver

Staan met zijn sigarenkist.

 

Na per auto van zijn woning

Naar 't stadhuis te zijn gebracht,

Werd het heerschap als een koning

Door de perslui opgewacht.

"Mogen wij Uw standpunt weten ?

Candidaat, vertel ons iets...."

"Heeren", zei hij afgemeten,

"Wacht maar op mijn maidenspeech !"

 

Och, hij had er zelf geen schuld an

Dat hij zoo het heertje was,

Aangekeken als een sultan

In zijn wijde overjas.

Lachend brulde hij: "hap-zeit-ie !"

En hij wilde grappig zijn:

"Als de hemel valt, dan leit-ie....

Boven op het Rembrandtplein !"

 

En gelijk hij was gekomen,

Is hij ook weer weggegaan.

Op de gracht, onder de boomen,

Vond meneer zijn auto staan.

Luid is er hoera geroepen

Voor die fijnen candidaat

Van de uiterst-linksche groepen

Voor den Amsterdamschen raad.

 

Als veel and're bolleboozen

Krijgt hij 'n deftig pakje aan,

En wanneer hij wordt gekozen

Dan verandert hij zijn naam.

"Hadt-je-me-maar" moet U weten

Doet zijn deftigheid te kort,

"Hadt-gij-mij-slechts" zal hij heeten

Als hij edelachtbaar wordt !

 

Vroeger schreef hij hanepooten

Schrift'lijk was hij weinig mans,

Hij heeft onderricht genoten.

En hij.... typt zijn brieven thans !

Politics.... thy name is folly,

( En 't stadhuis een hondenhok )

Na de kopstooten van Colly,

Thans de Gelder met zijn stok !

 

Als hij speechen gaat versta je 'm,

Speechen kan hij toch zoo fijn,

Hij speecht altijd over "jajum",

En de meisjes- van het Plein.

Heel het land zal zich verbazen

Over onzen vroeden raad.

Kiesrecht, stemplicht .... mooie phrazen,

Maar ach God, het resultaat !

 

Alle gekheid nu ter zijde,

Als die be'laar er eens kwam !

Wordt het eig'lijk tusschenbeide

Niet te gek in Amsterdam ?

Waardigheid schijnt overbodig,

Nonsens is een kijfpartij

En belasting .... dat is noodig.

Zeg eens kiezers: wees er bij !!

 

Terug naar overzicht

Van Westertoren tot wolkenkrabber

(Ed Hoornik)

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Van de Westertoren tot de wolkenkrabber,
Riepen de klokken de nachtstad wakker.

Toen zijn de mensen kerkwaarts gegaan,
In de wintertijd bij een watermaan,

In de vlagende kou met gebogen ruggen,
Over de krakende ijzel der hoge bruggen;

En zelfs de zwerver in zijn lompenpak
Hief zijn hoofd naar de dieren en de voederbak.

Want elk jaar opnieuw vloeien vreugde en smart
In de witte bloem van een kinderhart.

Nu kom ook ik voor uw kribbe staan,
- het ene kind kijkt het andere aan -

En diep in mijn ogen brandt Amsterdam
Met de rode lichten van de Munt en de Dam.

Nu vind ik u arm en van alles ontdaan,
Net als de kinderen van de Jordaan,

In een bedstee geboren bij wastobbedamp,
En het zieke licht van een olielamp.

O, Kind, dat geen wieg en geen warmte had,
Kom dicht aan het hart van deze donkere stad.

O, Kind, aan de wereld als Verlosser beloofd,
De stad vergaat aan mijn doodziek hoofd.

Boven de kazernes in plan-Oost brandt een ster,
Maar Bethlehem en de herders zijn ver.

De herders hadden een droom en een lied,
Wij hebben niets dan ons dagelijks verdriet...

Hoog gloeien de lichten op de Munt en de Dam,
Maar een kind dwaalt verloren door Amsterdam.

Terug naar overzicht

Verborgen smart is halve smart

(Jacqueline van der Waals 1868-1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik zal niet droevig klagen,
Dat niemand mij troost in mijn leed;
Juist daarom kan ik het dragen,
Omdat geen mens het weet.

Geen troost, geen mededogen,
Maakt ooit dit hart gezond,
Want zagen nieuwsgierige ogen
De grote, open wond,

En peilden nieuwsgierige handen
Hoe diep die wonden zijn,
Hoe smartelijk zouden ze branden
Met haast onduldbare pijn !

Want iedere blik zou schrijnen,
Wat toch reeds zo moeilijk geneest.
Alleen door rustig te schijnen
Ben ik ook rustig geweest.

Terug naar overzicht

Vergeten

(C.S. Adama van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het was 't einde van den dag,

Die was aan het bezwijken -

Ik was alleen en lag

Er stil naar te kijken.


Ik voelde mij moe

En krom van 't loopen,

En droomerig keek ik hoe

De miertjes wegkropen.


Ik voelde mij niet arm, niet rijk,

Maar een kind van de aarde,

En aan haar bloemen gelijk,

Waarover ik heenstaarde.


En zoo, zonder vreugde of zucht,

Lag 'k met niets te bemoeien,

Ik keek maar naar de lucht,

Die overal ging bloeien. -


Door die diepe avondkleur

Kwam toen een wagglende wagen,

Hoog met hooi, en vol geur,

En vol zoete vlagen.


En achter dat hooi

Kwam een meisje - zoo'n lief wezen, -

Zij was zoo mooi - zoo mooi

Als een mensch maar kan wezen !


Wij zagen naar elkaar,

Verguld van het lichten -

Wij zagen verwonderd naar

Elkanders gezichten. -


Ik bleef nog een wijl,

En zag vóór mij uit, zonder

Te zien - en onderwijl

Ging de zon onder.


Toen rees ik, en ging ik heen

Naar mijn ledige woning,

Ik voelde mij alleen

Zooals een treurige koning.


Toen ik in 't lamplicht

Mijn brood zat te eten,

Dacht ik aan dat gezicht -

Ik was het vergeten !

 

 Terug naar overzicht

Verhuizen

(met dank aan Marieke vd Feijst voor het sturen van de tekst)

Wat is verhuizen in dit leven ?

't Is alles pakken en dan gaan.

Wat is het aan 't eind van 't leven ?

't Is gaan en alles laten staan.

Terug naar overzicht

Verlangen

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ik zegen u verlangen

Nu diep mijn blik begrijpt

Hoe rozenknop door zonne

Tot roze rijpt

 

Dat leerde ik uit uw ogen

Die deden stil spontaan

Bloesems van jong begeren

Wijd opengaan

 

Zo hebt ge zonder woorden

Aan mij 't geheim verteld

Hoe de ene mensenziele

In de andere smelt

 

Want als ik schoon van liefde

U lang in de ogen schouw

Voel ik mezelve worden

Van kind tot vrouw

Terug naar overzicht

Vertellingen van een zeeman

(Mr. J. van Lennep)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Komt bij me zitten en luister, goê liên,

Dan zal ik je gaan verhalen

Al wat ik heb op mijn reizen gezien,

Op zeeën, bergen en dalen;

En komt je iets min gelooflijk voor,

Omdat je 't nooit vond in boeken,

Dan moet je - daar dient het reizen voor -

't Maar zelve gaan onderzoeken.

 

Nabij de Linie was 't stil en saai,

Zodat zich een ieder verveelde.

Gelukkig kwam daar een grote haai,

Die op de dwarsfluit speelde.

Een "Al is ons prinsje nog zo klein",

Dat deed hij heel duidlijk horen;

Hij had het geleerd van een kaperkapitein,

Dien hij opslokte een jaar te voren.

Zeg, komt het je min gelooflijk voor,

Omdat je 't nooit vond in boeken,

Dan moet je - daar dient het reizen voor -

't Maar zelve gaan onderzoeken.

 

Eens was ik gevaren al om de Noord,

En 'k lag onder dadelstruiken:

Daar kwam mij een jan van een ijsbeer aan boord,

Die wou tot ontbijt me gebruiken.

Mijn sabel was juist ongelukkig wat stomp,

Maar 'k vond een paar mosselschelpen,

En 'k hieuw hem daarmede de kop van de romp;

Men moet zich kunnen behelpen.

Zeg, komt het je min gelooflijk voor,

Omdat je 't nooit vond in boeken,

Dan moet je - daar dient het reizen voor -

't Maar zelve gaan onderzoeken.

 

Het beest raapte daadlijk zijn kop van de grond

En zette het hard op een lopen.

Maar 'k liep hem na, om zijn smeer en zijn bont,

Als 'k thuis kwam, te kunnen verkopen.

Ik sloeg het monster zijn voorpoten af

En dacht: nou heb je geen handen;

Maar och, 't liep weg in gestrekte draf,

Met zijn kop al tussen zijn tanden.

Zeg, komt het je min gelooflijk voor,

Omdat je 't nooit vond in boeken,

Dan moet je - daar dient het reizen voor -

't Maar zelve gaan onderzoeken.

 

Eens prikten we een walvis in de IJslandse zee;

Maar 't beest ging terstond naar de kelder

En sleepte aan de kabel ons vaartuig mee;

Ik ben der geen sprookjesvertelder.

Het trok ons onder water vooruit

Wel dertig lange dagen:

En sedert kan maar - geloof mijn woord -

Mijn maag geen water verdragen.

Zeg, komt het je min gelooflijk voor,

Omdat je 't nooit vond in boeken,

Dan moet je - daar dient het reizen voor -

't Maar zelve gaan onderzoeken.

Terug naar overzicht

Verveling

(P. van Ostaijen - 1896-1928)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik kan geen doel vinden voor ‘t leven, vandaag.
Hoe moeilijk toch ik de last der dagen draag.
Mijn dagen zijn hoogten en vlakten van lust
En verveling, maar alles zo onbewust.

 

‘n Roman lezen? Neen, dat gaat helemaal niet;
Ik kijk liever door m’n venster: daktilo’s,
Naaisters gaan voorbij, zingend rollen auto’s,
De tram dat ‘s net ‘n motorboot, die ‘t water klieft.

 

Even sta ‘k, wijl ik ‘n sigaret aansteken moet,
Als Mefistofeles, in ‘n korte, gele gloed;
Schaduw en licht spelen langs m’n aangezicht.
Verveling komt mij voor de zwaarste levensplicht.

 

Ik staar en denk bij de wolkjes: In ene gracht
Verdronk Ophelia; m’n lief ging door ‘n mistige nacht
Van mij; Berenice, Beatrix, vele mooie vrouwen
Zullen zich in dees sigarettenrook voor mij ontvouwen.

 

Uit m’n sigaret stijgt Salome, en ook
Haar sluiers zijn geweven uit m’n ronde rook.
Ik zelf voel me als de Tetrarch Herodes, die scherp toeziet
En bij ‘t sterven van de doem-dans, de dood des Dopers gebiedt.

 

Zo stijgen uit m’n rook die leenge, lauwe lijven,
Om in ‘n doezelende dans verveling te verdrijven.

 

Terug naar overzicht

Vogel, de Muis, de Visch, de Mug en de Spinne

(Amandus van Droogenbroeck 1835-1902)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De vogelvanger piept en fluit:

Daar fladdert de mees den hazelaar uit.

En eer ze er op dacht, daar valt het net.

Ach had ze hierop wat beter gelet !

 

Hoe ritselt de muis, hoe snuffelt zij rond:

Zoo zij naar het spek den ingang maar vond !

Maar komt ze daaraan, ze zit in de val,

Van spijt smaakt het spek haar zoo bitter als gal.

 

Daar krinkelt een worm, zoo malsch zoo dik;

Het vischje zwemt bij, zabbert, bijt-en: -kwik !

Een schokje der lijn, de visch hangt er aan,

't Is met zwemmen, zabbren, bijten, gedaan !

 

's Avonds, wanneer het kaarslicht glanst,

Dan komt de mug, die vliegt, wipt, danst

Al dichter en dichter om 't schoone licht,

Tot zij met verbrande vleugels daar ligt.

 

 De spinne spant haar web, en zie:

Daar komt in volle vlucht de bie;

Zij slaat op het dunne weefsel geen acht,

En is weldra om het leven gebracht.

Terug naar overzicht

Vogelenzang

(Jacobus van Looy 1855-1930)

met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het is het feest der vogels en der koren
Geboorte en der welluidende gedachten;
‘t Vergeten zijn der eindeloze nachten,
Toen in de borstjes lag de stem bevroren.

Hun vlucht is heel de wereld door te horen;
Als uit de veren keeltjes trilt het jachten,
Schieten de tonen wieken aan en krachten…
Bedil de zang niet, open wijd uw oren.

De onschuldigheid is ‘t lieflijkst in ‘t geluid;
Het is het eeuwig voorjaar dat er uit
Hen roert en rept en kwinkeleert en trekt,
Uit ieder vogeltje naar ‘t is gebekt.

Aan bos en duin ze ontzweven, plag en riet.
Hun is het licht en ‘t onuitspreeklijk lied.

Terug naar overzicht

Vogels

(Schoolmeester 1808-1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Om een vogel aan 't spit te kunnen hangen,

Moet men hem maar eerst zien te krijgen of te vangen.

Vogels zitten dikwijls op hun uiterste gemak

Met hun eene been op een hoogen, dunnen tak;

't Geen onder vette koeien en dieren van dien aart

De grootste verwondering en afgunst baart.

Terug naar overzicht

Vogeltjes, die zoo vroeg zingen, krijgt de poes

(P.A. de Génestet, 1829 – 1861)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een vogeltje, vroeg in den morgen,

Zong vroolijk en zonder veel zorgen,

Als vogelkens zijn, een lied.

O vogeltje, hoû toch uw snater !

O denk aan den loerenden kater,

Gij zingt.... ge ontsnapt hem niet.

 

 

Een dichtertje, vroeg in den morgen

Des levens, zong zonder veel zorgen,

Als dichteren zijn, een lied.

O zangertje, hoû toch uw snater !

O zie toch dien loerenden kater,

Dien kritischen, spottenden sater,

Gij zingt.... ge ontsnapt hem niet.

 

 

Het vinkje bezweek onder wonden

En klauwen, en werd verslonden,

En 't was met het vinkje gedaan.

En de ander? - hij scheurde zijn kleêrtjes

En liet er een bundeltje veêrtjes....

Maar vloog toch weêr op in de sfeertjes,

En spoedig ook groeiden zijn veertjes

Veel mooier, Meneertjes,

Weêr aan.

Terug naar overzicht

Vondelingskens

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

'k Vond z'in Vlaanderen, waar geen hand
Zegent d'idealen...;
Waar men, als een vreemde, bant
D'eigen zoete tale.

'k Vond ze, waar geen zachte stem
Door m'n zuchten streelde...;
'k Vond ze ver, heel ver van hem,
Ver van alle weelde.

In 't vertellen van wat wind...,
't Rits'len van de hagen...,
In de kijkers van een kind...,
't Scheem'ren van de dagen...

'k Vond z'in 't eigen stil gedacht...,
In wat bloemen-zegen...;
'k Vond ze, spelend langs de gracht
Van verlaten wegen...

Zoudt ge weelde vragen toch
Van die schaam'le dingskens...?
't Zijn geen rijke kind'ren..., och,
't Zijn maar vondelingskens...

Terug naar overzicht

Voor de liefste

Aan mijne vrouw

(Frederik van Eeden 1860-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

In zachte klanken saamgebracht
Heb ik uw zoete naam gedacht,
O mijn Lief-uitverkoren !
Die 't liefst mij aller dingen zijt,
Die ik mijn hart heb ingeleid
En eeuwig zal behoren.

Dit lied is voor de Liefste mijn,
Dus zal 't als mijne liefde zijn,
Als een gesmede keten
Van rijm aan rijm aaneengehecht
En om twee harten heengelegd,
Die van geen scheiden weten.

Terug naar overzicht

Voor mijn hond

(H. Tollens Cz. 1780-1856)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Alard is dood. Een traan ontsprong mijne oogen,

Toen hij de zijne sloot;

Ik schaam mij niet: ik ben bewogen:

Alard is dood.

 

Hij hing me aan 't lijf; hij kleefde me aan de kleeren

Hij kwispelde aan mijn zij';

Nog stervend sloeg hij menig keeren

Het brekend oog op mij.

 

Hoe dikwijls lag hij naast mij op de zoden

Aan gindschen eik, als ik, de stad

In 't vreedzaam avontuur ontvloden,

Te peinzen en te mijmren zat !

 

'k Wil aan dien eik voor hem een grafterp stichten

Hij heeft die eer verdiend.

Beschijnt hem minzaam, hemellichten !

Hij was mijn trouwste vriend.

Terug naar overzicht

Vóór mijn Staats–examen

(P.A. de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een zangrig knaapje, thans verlost

Van al zijn zorg en pijn,

Al heeft het zeeën zweets gekost

En ankers eendenwijn;

Een vroolijk kind van zestien jaar,

Vol liefde en levensgloed,

Ontworsteld aan zijn doodsgevaar,

Zendt u zijn jubelgroet.

 

Lang zweeg mijn lier in ’t vunze stof,

In zak en asch en rouw,

Maar nu ontwaakt zij tot uw lof,

Gegeven woord getrouw !

Maar nu ontwaakt ze wel te moe,

Mijn jonge, versche luit,

En brengt u fluks haar feestgalm toe,

En stort haar danklied uit !

 

Mijn kloppend hartjen in de knel,

Mijn boezem gansch vervaard,

Mijn lichaamslijtend zenuwstel,

’t Is alles nu bedaard.

Maar onbedaarlijk bleef mijn drift,

Mijn opgewonden gloed.

Eén zenuw is mijn citerstift,

Eén bruisend lied mijn bloed !

 

Hoe weeldrig ruischt nu Flaccus’ luit

Mijn stille wanden door,

En kweelt van Lydia, de bruid,

Mij zoete liedjes voor.

Ik voel mij dichter, vrij en blij,

Bij ’t klinken van dien toon,

Een ding, verliefd van poëzij,

 Naar ’s dichters lauwerkroon !

 

Neen ! neen ! uw vriendschap is mijn kroon...

En andre verg ik niet;

Geen frissche lauwer bloeit zoo schoon;

Uw naam vervul mijn lied !

’k Heb, u ter eer, meer kelken wijn

Dan ’k bekers water dronk,

Gevuld – geleegd, op ’t blij festijn,

Waar luid uw naam weerklonk !

 

O wist gij, welk een heldre taal

Daar uit uw blikken sprak,

Toen in die groote, holle zaal

Mijn hart van weedom brak;

Toen ’k riep: Odéons zaalgewelf

Zink op den stomling neer ! –

Toen ’k twijfelde aan mijn ikheid zelf,

Als aan de fabelleer.

 

Uw blik was noordstar voor mijn ziel;

Kompas op d’ oceaan;

Een vuurbaak der verdoolde kiel

Bij ’t bruisend golvenslaan.

’k Was haast in eigen drift gestikt,

Uw hand hield mij omhoog !

Uw vriendschap heeft mij meer verkwikt,

Dan watertoog bij toog.

 

En holde ik, als een schichtig ros,

Itaalje en Hellas door,

Nooit liet uw hand den teugel los,

Maar hield mij steeds in ’t spoor.

Gij hebt d’ ontembren knaap getemd,

Hoe bandloos, woest en wild,

Den bergstroom, in zijn vlucht, gestremd, –

Neen meer ! mijn angst gestild !

 

En dies, ik zweer bij d’ ouden Styx,

Bij d’ onderaardschen troon,

Of erger nog bij pi en x,

Bij ’t ondergaan der Westerzon,

Voor ’t Gotisch roovrenzwaard,

Bij ’t lange haar van Klodion,

En Meroveüs baard !

 

Ja, ’k zweer u bij den duursten eed:

(Een eed in de elfde macht !)

Dat ik mijn algebra vergeet,

Mathesis diep veracht !

Dat ’k eenmaal druipe als ’t grootste lek,

In mijn promotiekleed,

Ja, – breek de zenuw van mijn nek

Zoo ’k immer u vergeet !

 

Vergeten ? – hoe, wie uit dien klank,

Dien rauwen dissonant ?

Vergeef, o lievling van mijn zang,

Nog eens mijn onverstand !

Gij waart mijn goede geest, mijn vriend,

Mijn onvergeetlijk waard !

Uw trouwe zorg heeft meer verdiend,

Maar ’k heb niet meer – Aanvaard !

 

Nu zweef, o lied, o wensch, o beê

Eens boezems, meer dan vol,

Vlieg over IJ en Zuiderzee,

Naar ’t overdierbaar Zwol !

Daar Muze, vindt ge een huis, een hart,

Ga onbeschroomd, mijn lied !

Heeft mijn Latijn dien blik getart....

Mijn verzen vreezen niet.

 

O zie met de eigen vriendschap neer,

En luister naar mijn toon,

En vraag en eischt gij altoos meer,

Dát zij mijn heerlijkst loon.

Ja dan wellicht, bij ’t knappend vuur

In ’t hoekje van uw haard,

Wordt menig vers in ’t avonduur

Kritiek en schertsch bewaard !

 

Maar zoo mijn hart, u trouw verknocht,

Mijn onvermoeide luit

Haar teêrste wenschen slaken mocht !

Dan riep ik schaatrend uit:

Uw vriendschap blijf mijn loon, mijn kroon !

En – noem die wensch niet laf ! –

Neem gij nog eens mijn oudsten zoon

Zijn Staats–examen af !

Terug naar overzicht

Voorgeslacht en nageslacht

(met dank aan Sietske Tempelman voor het sturen van de tekst)

Voorgeslacht

 

Ruige borst en brede schouders

Leeuwenhart en aad'laarsoog

Rijzig kroost en reuzen ouders

Vorst'lijk zaad, in adelhoog

Vol van bouw en moed en kracht

Onvergeetbaar voorgeslacht

 

    Nageslacht

 

Bleeke kind'ren, kranke moeders

Neven met een breukband aan

Schele zusters, bochelbroeders

Vaders, die uit kuchen gaan

Ram'lend vee, met kwik bevracht

Machtloos, mislijk nageslacht

Terug naar overzicht

Voorjaar

(Jan J. Zeldenthuis)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een merel in de larix-laan,

O, hoor hem tot de verten fluiten;

Ik hoor hem telkens luider, buiten

In 't zon-licht, vol en voller slaan.

 

Ik zie hem even schuiv'lend gaan;

Hoe sprong hij 's winters langs de ruiten

Dan door de heg, en nú ? Nu stuiten

Geen weer en wind hem in de laan.

 

Hoe statig zit hij, trots in 't zwart,

Op 't teder groen en zoekt zijn zangen,

Verwonderd dat zijn schoon verlangen

Toch eindelijk bevredigd werd.

 

Want door het groen der larix-laan

Hoor 'k Lente juublend verder gaan.

Terug naar overzicht

Voorjaarsmorgen

(C. S. Adama van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een rieten dak met wilde wingerd,

een weggetje dat henen slingert.

Door 't weke lover dat al leutert;

een kleine dreumes die beteuterd

Naar een ietsje en een nietsje ziet;

Een vogeltje van wiedewied

Een gele zonverheugde ketel,

Een rode lap bij de dovenetel

Een appel die tederste bloeit

In 't licht dat met het windje stoeit

en fladdert in een glanzend veld

en van iets vriendelijks verteld;

Een beetje stilte en zonnigheid,

Een klein beetje tevredenheid

En overal die blauwe hemel

Met tintel-ver dat blond gewemel

Een veertje dat er nederdwereld.

Er is iets heel liefs in de wereld !

Terug naar overzicht

Vrede

(Helène Swarth 1859-1941)

(met dank aan Jan Bosman voor het sturen van de tekst)

Geef mij vrede, Woud, waarin ik schuil!

Al mijn liedjes geef ik u in ruil.

 

   Hoe ! Mij de aalmoes van uw lied beloven ?

Duizend vogels heb ik, mij te loven.

 

   Heide in bloei, ik streel uw ruige vacht,

Wijl geen heil ik meer van mensen wacht,

 

Bid ik u om rust, na smarteleven.

Al mijn liedjes wil ‘k in ruil u geven.

 

   Duizend bijen zoemen zomerkoor,

’t Schapeklokje zingt me een slaaplied voor.

 

   Diepe zee, heeft geen mijn lied van noode,

Op uw golven wieg mij als een doode !

 

   ‘k Wil geen hart, waar smart zoo fel nog brandt !

’t Hart vol liedjes werp ik weg op ’t strand.

 

   Waar, verstooten, zal ‘k nu vrede zoeken ?

Weiflend  blaadr ik in het Boek der boeken.

 

Uit zijn bladen waait mij, koel en zoet,

Vrede’s adem lavend tegemoet.

 

God, mijn ziel, uit Paradijs verdreven,

Zocht u zingend, heel mijn smarteleven.

 

Teedre Heiland, ‘k val u vroom te voet,

Geef mij in welk lied ik zingen moet ! 

Terug naar overzicht

Vrede

(Carel Steven Adama van Scheltema 1877 - 1924)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Vrede spreid gij uw zachte vleugels

Over de donkere aarde heen

Over de moeden en de gewonden

Over de duizenden die verzwonden

Over al de snikkende monden

Die verbleekt zijn van geween

 

Vrede daalt gij uit de lichte sferen

Waarheen gij vluchttet voor deze wereldsmart

Daal over hen die u hebben verraden

En over de dwazen die op u smaadden

En over de blinden die om u baden

Daalt-daalt gij weder in ons hart

 

Opdat uw liefde daar weder wone

Opdat uw liefde ons weer genas

Liefde bove'onze ijdle wensen wensen

Liefde over alle ijdele grenzen

Liefde alleen van mens tot mensen

Die eindelijk leerden wat liefde was

Terug naar overzicht

Vrede

(Albrecht Rodenbach 1856-1880)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

't Was winter en 't wierd avond. In de kerk was 't donker nacht.
Een broeder, de lanteern in hand, ging sluiten, als hem dacht,
met hoofd en lijf geleund lijk een die doodmoe is van reizen,
een spilde mansgestalte langs een pijler te zien rijzen.
Hij deed zijn sleutels ruttelen en hij rammelde aan de poort.
Doch roerloos bleef het staan alsof het niets en had gehoord,
gelijk een dode of wel een spook. Zeer bang en zeer godvruchtig,
sloeg de arme broer een kruis drij vier, besproeide zich geduchtig,
met water uit 't gewijde vat, en stapte toe. Het licht
verschrok de dove. Hij keek op, en toonde een aangezicht
zo mager als de Honger, als het Lijden zo getrokken,
en toch zo onverklaarbaar schoon met zijne grijze lokken,
dat men er van bewondering wel bij gekregen had
zo prachtig, lijk een vlamme door een oud albasten vat,
doorstraalde die verstorvenheid de meesterschap der rede.
"Mijn broeder, wat begeert gij ?" vroeg de lekebroeder. "Vrede !"
verzuchtte diep die vreemde man, en leunde op de pilaar.
Gauw vezelde de broer de lijst der 'beste paters,' maar,
alsof een pletterende overmacht hem langs die pijler plantte,
stond hij die vrede zocht daar doof en stom. Zijn naam was Dante.

Terug naar overzicht

Vreeslijke moord te Zeist

(Omstreeks 1902)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Komt, vrienden, blijft eens even bij mij staan

En wilt dan eens aanhoren,

Hoe of men hier nu weer zo ver kon gaan

Een jongen te vermoorden.

't Was om eens anders geld te doen,

Dat men dees vreeslijke moord dorst te doen,

Door de ijver van ons politiemacht

Zijn de daders van dees daad al opgebracht.

 

Reeds lang geleden lag het in hun plan

Dees lage daad te volbrengen,

Doch nimmer was de gelegenheid zo schoon,

Om 't jeugdig bloed te plengen.

Des morgens van die treurige dag,

Was hij reeds eenmaal in hun macht,

De moed ontbrak hen om hun slag te slaan,

En daarom lieten zij den jongling weer gaan.

 

Men vroeg hem om een uur terug te zijn,

Wat hij dan ook volbrachte,

Nauw was hij binnen of men greep hem aan,

Hij moest zwichten voor hun krachten.

Zij wierpen hem op de grond terneer,

En hoe is 't mogelijk, o Heer,

De keel werd hem nu door hen ingedrukt,

En de arme jongen in een kelder neergerukt.

 

De moordenaars namen nu bezit van het geld,

Wat de jongen 's morgens haalde,

En dachten na hun daad van ruw geweld,

Dat er geen haan naar kraaide.

Zij wierpen 't lijk toen in een sloot,

Als vond de jongen daar zijn dood,

Zij waren echter nog niet slim genoeg,

Want de politie haalde ze dra uit de kroeg.

 

Zij krijgen thans hun verdiende loon,

En dat met goede reden,

Maar daarmee geeft, helaas, men niet de zoon

Aan de bedroefde ouders weder.

Dees wenden zich thans in hun lot,

Om troost nu bij den goeden God,

En bidden voor het heil van hunnen zoon,

Die thans reeds is verschenen voor Zijn troon.

Terug naar overzicht

Vrouwendag

(Pieter Louwerse  1840-1908)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn Vader is de baas van 't huis;

Hij is er Koning in;

En dan volgt onze lieve Moe',

Die is er Koningin.

 

Zij heet, maar Vader zegt het nooit,

Zooveel als onderdaan,

En moet ook onder Zijn bestuur

En Zijn' bevelen staan.

 

Zóó wordt verteld, zóó wordt geleerd;

Maar 'k zag er nooit iets van;

Want Moeder heerscht als Vrouw in huis,

En Vader heerscht als man.

 

Maar één dag is er toch in 't jaar.

Dat Moe' regeeren mag.

't Is de eerste dag van Sprokkelmaand

En 't heet dan Vrouwendag.

 

Des morgens vroeg zegt Vader dan,

Als wij zijn opgestaan:

"Vrouw, Gij zijt heden Koningin,

Ik ben Uw onderdaan !"

 

 

"Doe wat Gij wilt, o Koningin,

Ik ben Uw slaaf vandaag !

 En wat Uw' Majesteit beveelt,

Dat doe ik goed en graag !"

 

 

Wij allen kijken Moeder dan

Al lachend even aan,

Maar denken toch: "Die Vader is

Een heel rare onderdaan."

 

Moe' lacht eens even en zegt ras:

"Goed, luister dan naar mij.

'k Zal eten, wat Gij niet graag eet !

'k Trakteer op rijstenbrij !"

 

 

Als Moeder dat zoo heeft gezegd,

Buigt Vader 't hoofd en zeit:

" 'k zal eten wat vandaag de kok

Mij schaft, Uw' Majesteit !"

 

 

Wij lachen, dat wij schaat'ren, ja,

En juichen blij van zin:

"Wij zullen smullen van den brij !

Lang leev' de Koningin !"

 

En 's middags, als de rijstenbrij

Op tafel komt, wat pret !

Dan wordt de volle schotel vlak

Voor Vader neergezet.

 

Deelt Moe' op and're dagen rond,

Dien dag doet zij het niet,

En Vader deelt zóó lang den brij

Tot niets meer overschiet.

 

Als Moe' dat ziet, dan zegt zij: "Wel,

Mijn hong'rige onderdaan,

Hebt Gij geen brij? Nu, 'k heb dan nog

Voor U een kliekje staan."

 

Dan zet ze een' schotel voor hem neer,

Het deksel gaat er af,

En Vader kijkt nieuwsgierig uit,

Wat Moederlief hem gaf.

 

 

't Is kalfskop. Geen van allen eet 

Dat rare kostje graag;

Maar Vader wel, en die roept dan:

"Nu, ik smul ook vandaag !"

 

Zoo gaat het bij ons ieder jaar,

Als Moe' regeeren mag !

En daarom wenschen wij: Och, was 't

Maar altijd Vrouwendag !

Terug naar overzicht

Vrouwengeluk

(Nicolaas Beets 1814-1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Gelukkig zijn in Holland alle vrouwen.
Vooreerst: ze spelen heel lang met de pop;
Om daarna in een kostschool huis te houen;
Daar leert men Frans en Engels in galop;
En om haar hartsgeheimen te vertrouwen,
Doet elke mooie een hele lelijke op;
Die schrijven zij dan 's zomers lange brieven,
Zo lang, zo lang ... totdat ze in ernst verlieven.

Nu komt de tijd, waarin men 'paraisseert';
Het kind gaat op Mama's visites mede;
Is heel vrij, heel confuus, of coquetteert;
Mevrouw is altijd van haar telg tevrede;
Zij speelt piano, zingt en reciteert;
't Oog van mama geeft klem aan ieders bede;
En als haar beeldschoon kind met heren spreekt,
Voelt ze aan haar hart of 't meisje bloost of bleekt.

De stad is juist niet rijk aan danspartijen;
Maar aan concerten wordt dit ruim vergoed.
Daar gaat men dan zo zachtjes aan wat vrijen,
En trapt gestaag het buurtje op de voet,
Als zich een jonkman aan haar 'toe komt wijen',
Die haar verslag van wind en weder doet,
En zonneklaar zijn liefde komt bewijzen,
Door haar het nieuwste zangspel aan te prijzen.

Voorts heeft ze een allerliefste kransje ... dan
Ik weet u daar niets meer van mee te delen;
Die dingen zijn mysteries voor de man.
'k Denk dat zij daar vrijmetslaresje spelen.
Een sneeuwval van biljetjes komt er van;
En 't blijft bestaan ... totdat ze er zich vervelen ?
Neen ! Tot zolang het meerderheidje trouwt,
Terwijl de rest haar nonnen-eden houdt.

Maar dat is dweperij, of zotte grillen,
Of kinderliefde, of iets daaraan gelijk;
Want 'daar zijn zoveel mannen als zij willen',
En zijn die oud of lelijk: zij zijn rijk;
Zo ze aan verstand nu juist zo zwaar niet tillen.
Ze hebben posten in het koninkrijk ...
Enfin ! wie trouwen wil, heeft maar te kiezen
Uit vijftig SMITS en zeventig DE VRIEZEN.

 

Terug naar overzicht

Waar het meest wordt geleden

(P.A. de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het knaapje sluimert ! maar de moeder aan zijn sponde
Bespiedt de onvaste rust van ‘t krank en lijdend kind;
Ach, hoe dat hoofdje gloeit ! ’t Is alles stil in ‘t ronde,
Doch in heur ziele niet, die vreest, zoveel zij mint.

 

O God, waar hier op aard wel ‘t innigst wordt gestreden ?....
Aan ‘t fiere kinderbed, Heer ! Daar buigt ook ‘t twijflend hoofd
Des fiere mans zich neer met staamlende gebeden;
Geen moeder die niet bidt en in haar God gelooft !

 

Aan ‘t kinderbed, Heer ! daar worstlen in de harten
Gedachten, waar het hart voor week wordt, of voor breekt.
Daar lijdt een liefde, die, bij ‘t foltren van haar smarten,
Uw liefde zoeken moet en vurigst tot Haar smeekt.

 

Ook nergens, stil geloof, is deze Liefde u nader,
Daar waar uw lijden klimt, bij ‘t klimmen der gebeën ...
Van ‘t krankbed van ons troost trekt gij ons hart, o Vader,
Ten Hemel uwer kindren heen.

Terug naar overzicht

Waar Maas en Waal te zamen vloeit

(Hendrik Tollens 1780-1856)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Waar Maas en Waal tezaamen spoelt

En Gorkum rijst van ver,

Daar heft zich op den linkerzoom,

En spiegelt in den breeden stroom,

Een slot van eeuwen her.

 

't Is Loevestein - 't Is Loevestein

Waarvan de wereld sprak,

Door wal en schans en vestingwerk

't Rammeijen van den krijg te sterk,

Maar huwelijkstrouw te zwak.

 

Daar is een dapper stuk gebeurd,
Waar menig pen van schreef,
Toen Flips zijn gruwzaam rijksbelang
Door marteltuig en zieledwang
Noch onbeteugeld steef.

 

Daar is een dapper stuk gebeurd,
Gebeurd voor jaar en dag,
Toen Alva nog het krimpend land
Bezocht en sloeg met moord en brand,
En 't lagchend rooken zag.

 

"Dat lij ik niet, bij God niet! neen!"
Riep Ruiter heftig uit:
"'t Gedrogt, waar jong en oud van beeft,
"Dat strop en zwaard voor wetten geeft,
"Maakt mij niet weerloos buit!

 

"Hij zwelg' aan mij, de Spaansche beul,
"Een bittren beker bloed!
"Het heug' hem als zijn klaauw mij vat,
"En schoon mijn kracht in duigen spatt',
"Hij sidder' van mijn moed!"

 

Hij zegt, en grijpt een monnikskap
En dekt het zwanger brein,
En wapent zich met roer en zwaard,
En rept zich door den Bommelwaard,
En klopt aan Loevestein.

 

"Doet op, mijn Spaansche broeders, op!
"U dreigt een sluw verraad:
"Te zwak, bij ontijd en bij nacht,
"Te zwak, o slotvoogd! is uw wacht:
"Ik breng u raad en daad."

 

Men schuift de zware grendels los,
En opent op zijn stem,
En ijlings ploft, aan wederskant,
De slotvoogd met zijn wacht in 't zand,
En Loevestein is hem.

 

Hij nestelt zich in 't eenzaam fort,
En waakt op muur en wal,
En zamelt zich, door wenk en roep,
Een kleinen, maar te stouter troep,
Naauw twintig man in tal.

 

"Nu krijgt de beul het slot niet weer,
"Met al zijn Spaansch gespuis!
"Nu krijgt de beul het slot niet weer,
"Of ploff' het op mijn kop ter neer
"En zoek' mij op in 't gruis!"

 

Zoo zweert hij met zijn twintigtal,
En zwoegt aan gracht en schans;
En scheurt het Spaansche vaandel door,
En hijscht Oranjes vlag er voor
En waait haar uit den trans.

 

Maar Alva hoort nog pas die maar,
Of vliegt in vlam en vier:
"Op, knechten, breekt er fluks op los,
"En sleurt mij aan den staart van 't ros
"Dien dollen muitling hier!

 

"Hij sterv', geleêbraakt voor mijn oog,
"En stikke in 't schuldig bloed,
"En leer', genageld aan 't schavot,
"Dat wie met Alva éénmaal spot,
"Niet andermaal het doet."

 

Driehonderd knechten grijpen 't zwaard,
En jagen in galop,
En rennen, met gezweepten draf,
Op slot en vesting regt toe af,
En - stooten er den kop.

 

"Terug! wie 't leven lief heeft keer'!
"Hier wacht u kruid en lood!
"Terug!" roept hun de Ruiter toe,
"Of zijt gij 't leven zat en moê,
"Hier vindt ge dan den dood."

 

Men antwoordt met een kogelbui,
Uit roer en tromp gebraakt,
En beukt met mokers en houweel
De muren krank van 't oud kasteel,
Dat alles schudt en kraakt.

 

Maar 't wederantwoord baldert los,
En geeft een kloek bescheid,
En dunt geducht met slag en schot
De keurbloem van 't Kastiliesch rot
Door treflijk feit op feit.

 

De stormbok ramt intusschen door,
En 't grof geschut speelt voort,
En brijzelt met vernielend vuur
Een wijde bres in wal en muur,
En spaandert post en poort.

 

Maar Ruiter stopt die breuken digt
Met eigen lijf alleen,
En stuit, als op een vaster wal,
Den vloed van 't overmagtig tal,
Die wegspat om hem heen.

 

Intusschen woelt aan de andre zij
Een ander deel van 't rot,
En heeft, terwijl hij elders vecht,
De stormleer aan den muur gehecht
En stroomt op eens in 't slot.

 

Maar Ruiter zwenkt en scheurt zich voort,
En kookt verwoed en wild,
En vaart, met blikken strak en hol,
Van teugellooze wrake dol,
Het Spaansch gespuis in 't schild.

 

Hij stort er als een leeuw op los
En stuit het aan den trap;
En maakt zich post en plaats ten nut,
En schoort zich tegen wand en stut,
En zet in eens zich schrap.

 

Hij zwiert zijn vreeslijk treffend zwaard
Met beî zijn vuisten rond,
En zwaait en slingert heen en weer,
En bliksemt al wat nadert neer,
Vermalen en verwond.

 

Ontzet van 't ongehoord bedrijf,
Staat alles bleek van schrik,
En ducht, van dubble vrees vervaard,
Het vonklen van zijn vlammend zwaard
En 't weerlicht van zijn blik.

 

Maar eensklaps dringt de drom zich op,
Het kost dan wat het kost,
En stuwt zich met vereend geweld,
En schokt en overstelpt den held
En wrikt hem uit zijn post.

 

Hij vecht nogtans en wankelt niet,
En houwt in 't rond en klooft,
Tot dat op eens zijn zwaaijend zwaard,
Door duizend slagen botgeschaard,
Hem stuk vliegt om het hoofd.

 

Hij wijkt, en ziet geen uitkomst meer,
Maar neemt een kort besluit;
Hij wijkt, en grijpt een gloênde lont,
En vlamt ze driewerf om en rond,
En werpt ze neer in 't kruid.

 

't Vat vuur en kraakt en barst en slaat
En gruist het hecht arduin,
En hagelt neer op huid en kop,
En vliegt met vriend en vijand op,
En graaft ze zaam in 't puin.

 

Die donder sloeg verschrikklijk neer.
Op Alvaas overmoed,
En stoorde hem in 't helsch vermaak,
Terwijl hij zat en zon op wraak,
En wetten schreef met bloed.

 

Met graaft nogtans de Ruiters kop
Uit gruis en beenders bloot,
En spijkert, naar des bloedhonds last,
Aan 't galgenhout zijn schedel vast,
Ten afschuw na zijn dood.

 

Intusschen rees het standbeeld op,
Tot Alvaas eer gesticht,
En wees, uit trotsch metaal gewrocht,
Den weidschen rang van 't wangedrogt
Aan elks verbaasd gezigt:

 

Maar niet te min, voor 't Hollandsch hart,
Misleid door schimp noch praal,
Om 't even wat het oog aanschouwt,
Rees Alva op aan 't galgenhout,
En Ruiter in 't metaal.

Terug naar overzicht

Waar werd oprechter trouw

(fragment uit De Gijsbrecht van Aemstel, slot van het 4e bedrijf)
(Joost van den Vondel 1587-1679)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Waar werd oprechter trouw
Dan tussen man en vrouw
Ter wereld ooit gevonden ?
Twee zielen gloênde aaneengesmeed,
Of vast geschakeld en verbonden
In lief en leed.

De band, die ’t harte bindt
Der moeder aan het kind,
Gebaard met wee en smarte,
Aan hare borst met melk gevoed,
Zo lang gedragen onder ’t harte,
Verbindt het bloed.

Noch sterker bindt de band
Van ’t paar, door hand aan hand
Verknocht, om niet te scheiden,
Nadat ze jaren lang gepaard
Een kuis en vreedzaam leven leidden,
Gelijk van aard.

Daar zo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel
En hart met hart te gader.
Geen liefde koomt Gods liefde nader,
Noch is zo groot.

Geen water blust dit vuur,
Het edelst, dat natuur
Ter wereld heeft ontsteken.
Dit is het krachtigste ciment,
Dat harten bindt, als muren breken
Tot puin in ’t end.

Door deze liefde treurt
De tortelduif, gescheurd
Van haar beminde tortel.
Zij jammert op de dorre rank
Van enen hoge boom, verdroogd van wortel,
Haer leven lank.

Zo treurt nu Aemstels vrouw,
En smelt als sneeuw van rouw
Tot water en tot tranen.
Zij rekent Gijsbreght nu al dood,
Die, om zijn stad en onderdanen,
Zich geeft te bloot.

O God, verlicht haar kruis,
Dat zij den held op ’t huis
Met blijschap mag ontvangen,
Die tussen hoop en vreze drijft,
En zucht, en uitziet met verlangen
Waar dat hij blijft.

Terug naar overzicht

Wakker worden

(C.S. Adama van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Door lichte droomen straalt de lichte morgen,

En streelt mij zooals moeder deed, en legt er

Een bloem van zon op de oude sprei, en vlecht er

Het dierbaar beeld van verre kinderzorgen.

 

En 'k ben weer kind, - niet beter - ach ! niet slechter

Ook dan thans, en schoolziek heb ik 't hoofd geborgen,

Diep onder 't dek voor 't bange uur verborgen -

't Is lang geleen: - ik ben mijn eigen rechter !

 

Wij allen talme' aan de' uchtend van ons leven

En bergen 't schreiend hoofd voor 's levens school;

Waar is onze angst - waar onze jeugd gebleven ?

 

Doch wien, die eens als kind voor 't leven school,

Heeft het bij ramp en leed zooveel gegeven,

Dat hij niet zwerv' en snikk' en eeuwig dool' !

Terug naar overzicht

Wanneer de kindren groot zijn

(Nicolaas Beets 1814 - 1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

,,Wanneer de kindren groot zijn, mijn lief, mijn levenslust !
Dan komt er, na een tijd van zorg, ook weer een tijd van rust.
Mijn haar zal wel wat grijs zijn, Uw voorhoofd niet zo glad;
Maar als het hart nog jong is, hoe weinig hindert dat !

,,Vier dochtren en drie zonen ! Het wil wat zeggen, wijf !
De jongste nog geen twee jaar oud, en de oudste driemaal vijf.
Dan is om deze, dan om die, het moederhart in nood;
Veel werk bij dag, veel zorg bij nacht — maar eenmaal zijn zij groot!

,,Niets zijt gij voor uw vrienden, maar alles voor ’t gezin.
De huiszorg, ieder weet het wel, neemt al uw uren in.
’t Penseel ligt lang vergeten, geen boeken leest gij meer . . .
Maar als de kindren groot zijn, dan komt dat alles weer.

,,Ons huwlijksreisje, liefste, was kort en gauw gestuit !
Wij reisden naar de pastorie van Heemsteê: daarmee uit !
Nog nooit zijn wij tezamen eens ver van huis gegaan;
Maar als de kindren groot zijn, dan vangt ons reizen aan.

,,Ik kon maar half genieten, als ’k in de vreemde toog;
Mijn hart was thuis, het was bij u, en mijn gedachte vloog !
Met haast verslond ik elk genot en keerde in ’s hemels naam !
Maar als de kindren groot zijn, genieten wij tezaam.

,,Dan wijs ik u de plekjes, die ik bekoorlijkst vond;
Aan Rijn en Moezel, Clyde en Teems leid ik u dankbaar rond;
Winandermeer en Edinburg zijn wat ik heerlijkst zag;
Daarheen zal ik u voeren, voor onze oude dag !

,,Wanneer de kindren groot zijn — Neen ! zie niet dus mij aan !
Begin met deze glimlach niet, hij eindigt in een traan —
Wanneer de kindren groot zijn, en dat gaat immers gauw ?
Dan komt er weer een gulden tijd, mijn allerliefste vrouw !

De kindren werden groter en groter, naar de rij.
Maar eer er een volwassen was, kwam daar al weer een bij.
,,Wees welkom, vierde zoontje ! gij komt nog juist bij tijds;
Ook gij zult eenmaal groot zijn, Gods groot en naam ten prijs !

,,Wees niet bezorgd; uw moeder neemt u met blijdschap aan;

Zij heeft er zoveel grootgebracht, het zal ook ditmaal gaan . . .  

Ai mij ! daar breekt o eenmaal dat dierbaar leven af !

De kinderen worden groter - maar op hun moeders graf.

Terug naar overzicht

Was ik maar wat kleiner

Jongensklacht

(N.A. de Charante 1811-1873)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Altijd langer, grooter worden !

Nooit is mij mijn broek van pas.

Kwam er maar een eind aan 't groeijen !

'k Wou dat ik wat kleiner was !

 

'k Heb er in de school zoo'n last van;

't Is: "Wel, weet je dat nog niet ?

Al zoo groot, en dan niet wijzer !"

Is ook daar het oude lied.

 

Onlangs hadden wij vacantie,

En papa moest juist op reis;

Graag had hij mij meegenomen,

Maar het liep te duur in prijs.

 

Willem van hiernaast is ouder,

't Scheelt voor 't minst een maand of acht,

Maar betaalt, omdat hij klein is,

Op de stoomboot halve vracht.

 

'k Moest - ik dacht: "Een prettig daagje !"

Laatst bij tante Saar op thee;

Maar wat liep dat aaklig tegen,

't Viel mij in 't geheel niet mee.

 

'k Mogt er bij de heeren zitten,

'k Maakte daar zoo'n mal figuur,

'k Liep er, als een boodschappenjongen,

Met een pijp, tabak en vuur.

 

" 't Is plezierig !" sprak mijn tante,

" 't Geeft gemak in 't huisgezin,

Als de kindertjes grooter worden !"

'k Vond er niets plezierig in.

 

"Een cigaartje?" ... Tante zag het,

Hoe ik er naar grijpen dorst.

Aanstonds kwam de contra order:

" 't Is nadeelig voor zijn borst !"

 

"Dertien jaren ?" hoorde ik zeggen,

"Hoe ! Nog dertien jaren pas !"...

'k Werd door iedereen bekeken,

Of ik een giraffe was.

 

En het trommeltje met lekkers

Ging slechts bij de dames rond.

'k Was te groot voor bitterkoekjes,

't Zoet was schaadlijk voor mijn mond.

 

'k Mogt  mij zelfs niet vrij bewegen,

Of het was: "Zit niet zoo schuin !"

Was ik maar bij Piet en Willem

En bij Gerrit in de tuin !

 

Maar dan zou het ook weer wezen:

"Lummel ! Waar kom jij vandaan ?

Ooijevaar met lange pooten !

Wil je op onze stelten staan !"

 

'k Word door ieder uitgelachen,

Waar ik ook mijn beenen zet.

'k Ben te klein voor tafellaken,

En te groot voor een servet.

Terug naar overzicht

't Was ochtend; een Meisje ging wandlen aan strand

(A.C.W. Staring 1767-1840)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

't Was ochtend; een Meisje ging wandlen aan strand;

Een bootje, dat vlagde, lei ree;

En straks was de vriendlijke Schipper ter hand,

Die sprak: "Schoon Kind, wilt gij mee ?

't Is het regte getij om te varen,

Nu de morgenzon glanst op de baren.

Grijp moed, Schoon Kind, en vaar mee !"

 

Het Meisje, met blosjen op voorhoofd en wang,

Stond peinzend aan 't ruim van de zee;

Daar klonk uit den hoogen een Toovergezang;

Daar murmelde 't zacht langs de ree:

"Ga varen, Lief Kind ! ga varen !

De morgenzon glanst op de baren;

Gij voert het Geluk met u mee !"

 

Maar tranen bedauwden een moederlijk oog;

Het scheiden, het missen doet wee !

En troostend begon weer de Zang van omhoog,

En blijder herhaalde de ree:

Laat varen 't Jong Paar ! laat varen !

Gelijk van gemoed en van jaren,

Doorkruist het een veilige zee !"

 

Wat deed nu het Meisjen ? Het waagde de kans;

En luid riep de Schipper "hoezee !"

En de golfjes droegen met vrolijken dans,

Hun Bootje van de effene ree.

Blijf varen, Jong Paar, blijf varen;

Gewiegd op de hupplende baren,

In 't Zonlicht van Voorspoed en Vree !

Terug naar overzicht

Wat is het goed aan 't hart

(Karel Van De Woestijne 1878-1929)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wat is het goed aan ‘t hart van zacht verliefd te zijn,
zijn luimen naar een verr' of naeren lach te meten,
en, te elken avond weêr het kommer-brood gegeten,
weêr blij te mogen rijze' in iedren morgen-schijn,
deed nieuwe liefde-lach het oude leed vergeten.

 

Ik weet niet wat geluk is; maar uw schoon gelaat
is kalm, en maakt me blijde, en doet mijn leden rillen;
- en ‘k lach, gelijk een kind dat door een water waadt,
en, vreemde vreugde in de oogen, aarzelt, in den killen
en ringlend-zilvren vloed die zijne voeten baadt.

 

Want ik bemin, u, vrouw; en zoo mijn dralend schromen
slechts de oogen toe uw tegen-lachen is genaakt:
zoo was ik als een kind dat, geerens-blij gekomen
naar glanz'ge vruchten-pracht in loomende avond-boomen,
beducht om zooveel schoons, geen enkle vrucht en raakt.

Terug naar overzicht

Wat Vadernaam tot kind'ren zegt

(met dank aan Oda van den Munckhof voor het sturen van de tekst)

Wat Vadernaam tot kind'ren zegt,

Wie kan ons dat

Beschrijven ?

Zoo vroeg reeds in ons hart gelegd,

Wie kan dien naam

Verdrijven ?

Een Vader is de sterkste kracht

Waarop de jeugd kan bouwen,

Niet een,

Die schenden kan de macht

Van 't kinderlijk vertrouwen.

Terug naar overzicht

Wat vang ik aan met zes en vijftig katten ?

Een oude vrijers noodkreet

(J.J.A. Goeverneur 1809 - 1889)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Verleden Mei beviel mijn trouwe Mies

Van zes, kijk, snoeprig allerliefste poesjes,

Meikatjes, allen wit met zwarte staartjes,

't Was een toneeltje, Tollens dichtpen waardig;

Maar mijne meid - de meiden zijn gevoelloos

En menselijkheid tiert zelden in de keuken -

Wou van de zes mij aanstonds vijf verzuipen,

Vijf witte zwart gestaarte, onnoozle poesjes

Verzuipen wou me dat barbaarse wijf.

Of 'k haar de les las ! - En beloond ook werd

Mijn menselijkheid. De lieve, zoete poesjes

Ze groeiden op en kuierden al spoedig

Met opgeheven staart door hof en huis;

Ja wat de meid ook zuur zien mocht en brommen,

Probeerden zij hare allerliefste stemmen,

Terwijl ik, mij verheugend in haar welstand,

Met recht roem droeg op mijne menselijkheid.

Een jaar is om; lang katten zijn de katjes,

En 't is weer Mei - Hoe zal ik u beschrijven

Het schouwspel, dwarrelend thans voor mijn ogen ?

In heel mijn huis, van kelder tot de vliering,

Geen hoekje, of in een kraambed is 't herschapen.

Hier lig het ene, daar het ander katje,

In kasten, scheurmand, onder stoel en tafel.

Ja, oude Mies heeft zelfs het maagdlijk bed

Van mijn hoogsteerbre keukenmeid veroverd

En ieder, ieder van de zeven katten

Heeft zeven, grutje ! zeven jonge poesjes,

Meikatjes, allen wit met zwarte staartjes.

Mijn vrouwmens speelt ijsbaarlijk op haar poot

En 'k weet haar tot bedaren niet te krijgen,

Verzuipen wil ze al dat verwenst gedoente,

En mij, de haren rijzen mij te berge;

O menselijkheid, wat brengt gij me in de maling !

Wat vang ik aan met zes en vijftig katten ?

Terug naar overzicht

Waterland

(Joh. van Meurs)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Neem Hollands boer zijn guldens af,
Zijn centen en vierduiten –
Dan houdt hij nog zijn vette klei
En staat er bij te fluiten.

Neem Hollands boer zijn landen af –
Dan houdt hij nog zijn water;
Daar maalt hij toch weer land uit op
Wat vroeger of wat later.

Neem Holland al zijn dijken weg
En laat het onderloopen –
Geen nood: elk kaasboerinneke
Gaat visschersnetten koopen.

Neem Holland al zijn boomen weg,
Zijn wilgen en zijn peppels –
Dan ruischt nog Hollands windezang
Door ’t riet van sloot en greppels.

Maar neem je Hollands water weg,
Zijn plassen en zijn vaarten –
Dan is mijn land geen Holland meer,
Al staat het op de kaarten.

Dat wordt het duin een woestenij,
Dan dorren al de weiden,
Dan gaat mijn mooie Holland dood,
Omdat het dorst moet lijden.

Terug naar overzicht

Waterlelie

(Frederik van Eeden 1860 - 1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik heb de witte waterlelie lief,

daar die zo blank is en zo stil haar kroon

uitplooit in 't licht.

 

Rijzend uit donker-koele vijvergrond

heeft zij het licht gevonden en ontsloot

toe blij het gouden hart.

 

Nu rust zij peinzend op het watervlak

en wenst niet meer .......

Terug naar overzicht

Weemoed

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Uit de bloemen en de bomen

Stijgt een onbepaalde klacht

's Avonds als ik zit te dromen

En gedwee m'n weemoed wacht

En uit alle de gewesten

Rijst een zang van droefenis

Omdat ginds in 't rode westen

't Zonnelicht aan 't sterven is

 

'k Zit naar 't sparrenbos te staren

Waar die stralen stervend zijn

'k Wou zo geer 'n wat glans vergaren

Voor mijn droevig zielekijn

Maar ze daalt reeds in de bomen

En haar stralen houd ze bij

Z' heeft mijn blijheid meegenomen

En wat weemoed liet ze mij

 

Stil o stille 'k voel ze komen

Milde weemoedsmelodij

Zachte, wond're weeldestromen

Brengen mij gedichtjes bij

Stil o stille, 'k hoor d' akkoorden

Klagen door de schemering

'k Voel geen tranen, 'k weet geen woorden

'k Vind alleen herinnering

 

Dank o zon dat gij mijn zangen

Als g' in 't leven slapen gaat

Voor dees grauwe gasthuisgangen

Mild en goed behouden laat

Dank, o weemoed, dat gij dromen

Zendt door mijne droefenis

Wijl dees donkere dagen komen

Wijl mijn zon gestorven is...

Terug naar overzicht

Wees bevriend met kleine dingen

Wees bevriend met kleine dingen,
Met een mooie bloem die bloeit,
Met de vogeltjes die zingen,
Met het vlindertje dat stoeit,
Met de held're regendruppels,
Met de blijde zonneschijn,
Wees bevriend met kleine dingen,
Dan zul je altijd gelukkig zijn.

Terug naar overzicht

Weet gij nog wel, hoe zomers avonds

(J.H. Leopold 1865-1925)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Weet gij nog wel, hoe zomers avonds
Wij gingen door het bloeiend veld
En hoe we lachende toen zeiden,
wat onze harten was ontweld ?

't Werd stil en stiller. Op uw lippen
bestierf eensklaps het schalkse woord
En hoe wij aan elkander dachten
We wisten 't, maar wij gingen voort.

Weet gij nog wel, hoe ik toen vermeten
Mij op uw lippen nederboog ?
Gij beefdet voor mijn kus. Toen zag ik
een traan, die glinsterde in uw oog.

Er volgde op deze zonnestralen
Een lange nacht. Gij noemdet spel
Wat andren levenslente heetten.
O zeg, mijn lief, weet gij 't nog wel ?

Terug naar overzicht

Weet gij waar de wind geboren

(Guido Gezelle - 1830–1899)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Weet gij waar de wind geboren,
waar de dauw geboren is?
Weet gij kunstig op te sporen
wat hierbij, hierboven is?
Weet gij wat de sterren zijn, en
wat de zon, de mane? Wat
in de bergen, in de mijnen
ligt en in de zee bevat?
Weet gij iets klaar uit te leggen
van al 't geen men u vragen kan?
Antwoord dan en wil mij zeggen:
Dichten...wat is dichten dan?

Terug naar overzicht

Weet je

(B. van Meurs (1835-1915))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

'k Heb er dukkels - weetje -

Op gelet,

Wâ veur stopwoord - weetje -

Ieder het.

Ielk herhaalt dat - weetje -

Ien 't gesprek.

Duizend keeren - weetje -

O zoo gek !

 

Maor 'et gekste - weetje -

Van 't geval:

Daarvan merkt ie - weetje -

Niemendal;

Lacht hum iemand - weetje -

Daormee uut,

Weet ie zelf nie - weetje -

Wâ 't beduudt.

 

Vaoder zaolger - weetje -

Zei altied,

Weetje en eiges - weetje -

Wist ie 't niet,

En ie leerde - weetje -

Dâ niet af,

Veur ze'm droegen - weetje -

Naor 'et graf

.

Jao, nog sterker - weetje -

Oome Jan

Sprak er vaoder - weetje -

Dukkels van.

‘Laot et - zei ie - weetje -

't Steet zoo gek !’

En ie zelf had - weetje -

Dit gebrek.

Terug naar overzicht

Wel, Here God ! Daar zit het devoot Nelleke

(Emanuel Hiel 1834-1899)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wel, Here God ! Daar zit het devoot Nelleke,

Het kwezelke, in hare kamer als in een kapelleke.

Onder hare voetjes staat de lollepot met vuur,

Want 't is winter, ze blaast, het weer is kil en guur.

 

Ze leest de paternoster; biecht zich alle weken,

Ze doet wel niets bozes, maar de wereld is vol gebreken...

't Is dus recht dat er iemand rekening geeft,

Hoe het mensdom zondigt en Godvergeten leeft.

 

Zeker wel, zeer wel weet ze wat de buren beleggen,

Van elk huishouden weet ze ook dit en dat te zeggen;

Breekt er soms ruzie uit in 't een of 't ander gezin,

Nelleke's mond blies de brand daar niet in.

 

Dat beweert ze. Zij spreekt toch zo zachtjes, blaast zo zoetjes,

En ze houdt toch bij ieder zo gaarne witte voetjes...

Ze warmt ze daarvoor. Slechts uit deugd vertelt ze hoe, dat

De mans heimlik in 't donker knippen de kat.

 

Met de mams, Here God ! zal ze nimmer kouten,

Maar door haar voorbeeld doet ze uitschijnen der vrouwen fouten;

Ze is zuinig, vinnig, proper en doch niemendal koket,

En zowel des zomers als des winters vroegtijdig te bed.

 

Dit braaf menske beminde eens vurig 'ne koster,

Die verliet haar. Sindsdien koos zij de paternoster

Tot confident... Daarmede en haar mopsje, wat naïef lot !

Wandelt zij 's zomers, en zit ze 's winters op de lollepot.

 

Wel, Here God, wie acht niet dat devoot Nelleke ?

Ze leeft stil in haar kamerken als in een kapelleke...

Ze blaast het vuur aan... Meisjes momplen: "welk serpent !"

Ze knikkebolt en zucht: "ach! had ik maar 'ne vent !"

Terug naar overzicht

Wel menigmaal zei de melkboer

(Piet Paaltjens  1835 - 1894)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wel menigmaal zei de melkboer

Des morgens tot haar meid:

"De stoep is weer nat". Och, hij wist niet

Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.

 

Nu dat hij en de meid het niet wisten,

Dat was minder; -- maar dat zij

Er hoegenaamd niets van vermoedde

Dat was wel hard voor mij.

Terug naar overzicht

't Weldadige meisje

(Prudens Van Duyse 1804 - 1859)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

't Was een zeer gestrenge winter; 

 Ieder kruimeltje, hoe kleen,

 Van de tafel overschietend,

 Hield Marietje stil byeen:

 Tweemael daegs ten hove gaende,

 Strooide ze alles mild daer heen.

  

 Daedlyk kwamen om te pikken

 Er een vogeltje vier vyf.

 Mietje sidderden de handen,

 Van de koude bleek en styf,

 En haer moeder zag vol vreugde

 Dit menschlievende bedryf,

  

 ‘Waerom doet ge dat, o Mietje ?’

 ‘Moeder, sprak het zoete kind,

 Zoo gestreng is reeds de winter,

 Dat geen vogel iets meer vindt.

 'k Voede dien, en ik geloove,

 Dat de kleine my bemint.’

 

  Lachend zeî de goede moeder:

 ‘Kind, ik pryze dit beschik,

 Maer gy kunt niet allen voeden.’

 En, met liefdevollen blik,

 Zeide dit beminlyk meisje:

 ‘Doet elk kindje niet als ik ?’

Terug naar overzicht

Welopgevoed

(Clinge Doorenbos)

Opgepropt en volgeladen, 
Was de wagen van lijn twee

En er konden nog alleen maar,
Lussertjes of lussers mee.

In het midden van de wagen zat, 
Genoegelijk en zacht

Jantje op de knie zijns vaders, 
Jantje was een jaar of acht.

Op het allerlaatst momentje 
Kwam er nog een meisje in,

Achttien, knap, lichtblonde haren, 
 Krullen, een kuiltje in haar kin.

 Nergens vond ze meer een zitplaats,
 Niemand bood er haar een aan.

 Dus ze lustte zich gelaten 
 En bleef vlak bij Jantje staan.

 Jan die zeer goed opgevoed was, 
 Keek haar aan en zei toen gauw, 
 Glijdend van zijn vaders knieschijf

" Neemt U mijn plaatsje maar, juffrouw."

Terug naar overzicht

Wenkbrauwen

(Clinge Doorenbos)

De Schoonheidsspecialiste vroeg,
Wat zijn verlangens waren.
Hij zei: "Och, wilt U alstublieft
Mijn wenkbrauwen ontharen ?
Ik ben artiest, ik heb géén geld,
Misschien wilt U het zóó doen,
Dan zal ik u in ruil daarvoor,
Een schilderij cadeau doen.
Ik ben kunstschilder van mijn vak
En wil u niet verhelen,
Dat ik mijn wenkbrauw noodig heb,
Voor 't maken van penseelen  !

Terug naar overzicht

Wie belt daar ?

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Hoor, daar gaat die nare bel.
Ja, ik kom, ik hoor het wel !
Heb maar eventjes geduld !
Eerst de ketel nog gevuld.
Dan de schotels vlug aan kant
En eens zien of 't vuur nog brandt.

 

Hoor, daar luidt de bel alweer !
O, wat gaat die man tekeer.
Zou het soms de melkboer zijn ?
Of de knecht van Albert Heijn ?
Kan 't de man zijn van het gas ?
Of de jongen met de was ?

 

Bakker, slager, kruidenier !
Of een man met schuurpapier ?
Brandstof, groente, kaas of vis ?
'k Ga eens kijken wie er is.
"Ja ? Wie daar ? Heeft u gebeld ?
Komt u om het krantegeld ?"
"Nee Mevrouw, ik ben abuis,
'k Belde aan 't verkeerde huis.

Terug naar overzicht

Wildzang

(J. van den Vondel)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wat zong het vrolijk vogelkijn

dat in de boomgaard zat ?

Hoe heerlijk blinkt de zonneschijn

van rijkdom en van schat.

Hoe ruist de koelte in 't eikenhout

en vers gesproten lof,

Hoe straal de boterbloem als goud,

Wat heeft de wildzang stof ! 

 

Wij, vogels, vliegen warm gedost

gerust van tak op tak,

De hemel schaft ons drank en kost,

de hemel is ons dak.

Wij zaaien niet, wij maaien niet,

maar teren op de boer,

Als 't koren in zijn aren schiet,

bestelt al 't land ons voer !

Terug naar overzicht

Wilt gij ....

(Jacob Cats 1577 - 1660)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wilt gij bemind en eerlijk leven ?
Dan wil ik u een regel geven.
Vier dingen dient gij wel te weten:
Geleden onrecht snel vergeten,
Ontvangen weldaad lang gedenken,
Geen mens door achterklap krenken,
En hebt gij lust uw leed te wreken.
Zo gaat en betert uw gebreken,
Want een die betert zijnen staat,
Doet leed degene die hem haat.

Terug naar overzicht

Wintergepeinzen

(Alice Nahon 1896 - 1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Dat ook ons hart rusten kon

Lijk 's winters velden doen

Die liggen daar onder Gods hemel wijd

De waarde te vieren

Van eenzaamheid

 

Ze weten heimelijk meer dan wij

Die trappen over hun wijs gezicht

Ze weten: in voren van diep geduld

Wordt het mirakel

Van 't zaad vervuld

 

Wij mensen met ons gulzig hart

Wat is er aan ons te doen ?

Wij persen uit alle getijen 't genot

Wij werden niet waardig

De zoom'ren van God

 

Dat ook ons hart rusten kon

Lijk 's winters de velden doen

Wij zouden verstild, voor 't wonder bereid

De liefde kennen

Als God nader schrijdt

Terug naar overzicht

Winterstilte

(Jacqueline van der Waals (1868-1922))

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.

De wind houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend toverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootse, stille wonder.

Terug naar overzicht

Woningloze

(J.J. Slauerhoff 1898-1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

 

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

 

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.

Terug naar overzicht

Zaansch liedeken

(Nicolaas Beets 1814 - 1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren ?
De meisjes zijn er net gekleed
Zooals voor honderd jaren;
Haar oogen blauwen blank haar vel:
Ik mag de Zaansche meisjes wel.

 

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren ?
Men vindt er molens bij de vleet,
En rijke molenaren;
Maar wie de slanke dochters ziet,
Denkt aan de dikke molens niet.

 

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bezoeken ?
Czaar Peter droeg er ’t ambachtskleed
En at er pannekoeken;
Maar ’t heeft hem levenslang berouwd,
Dat hij geen Zaansche had getrouwd.

Terug naar overzicht

Zacheüs

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Hij was een belangrijk man, maar met frustrerende gedachten
Pijnlijk zelfs zo nu en dan omdat de mensen hem verachtten
Maar hij had iets in zijn macht om dit volk te kunnen treffen
Zijn geldzucht was zijn stille kracht om steeds hoger tol te heffen 

Eén ding zweefde hem voor ogen, rijk worden, dat was zijn doel

Dat men hem node moest gedogen gaf 'n minderwaardigheidsgevoel

Doch spoedig werd zijn wens vervuld en was hij een vermogend man

Gaf hem dat geen gevoel van schuld, lag hij daar nooit eens wakker van ?

 

Op zekere dag hoorde Zacheüs, een gerucht over 'n profeet

Die het hem vertelde, zei: ,,men zegt hier dat hij Jezus heet

Hij verrichtte al menig teken, heeft macht de zonden te vergeven

En het is ook al gebleken, Hij wekt doden weer tot leven"

 

Zacheüs was opeens bewogen, ontroering brak zich bij hem baan

Zijn joodse bloed begon te stromen waar het lang niet meer kon gaan

 

Toen vernam hij tot zijn vreugde, Jezus zou door Jericho komen

En in 't besef dat hij niet deugde, heeft hij de kans toch waargenomen

Maar toen hij zijn doel bereikte stonden de mensen daar in drommen

En omdat niemand voor hem wijkte is hij in een vijgenboom geklommen

 

Zoiets is nogal ongewoon, maar desondanks een goed idee

En als men klein is van persoon is zo'n vijgenboom een pré

Toen opeens... daar zag hij Jezus. Deze bleef staan en keek hem aan

,,Zacheüs" zei Hij: ,,Kom de boom uit, 'k moet in jouw huis zijn, laat ons gaan"

 

Daar heeft deze kleine man van Jezus een groot hart gekregen

Hij bood zijn geld en goed'ren aan en er was hem alles aan gelegen

Erkend als zoon van Abraham, wien de zonden zijn vergeven

Dat Jezus nu de leiding nam over heel zijn verdere leven

 

Zacheüs ging op zoek naar Jezus, omdat Jezus hem al zocht

En wat hij nooit had kunnen dromen, Jezus heeft hem overmocht

Want de Heiland is gekomen om ondanks veler ergernis

In en onder Vijgenboom, te zoeken wat verloren is

Terug naar overzicht

Zeekoorts

(Jan Jacob Slauerhoff 1898 - 1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik moet weer op zee gaan,

een goed schip en in 't verschiet

Een ster om op aan te sturen,

anders verlang ik niet.

Het rukken van 't wiel,

't gekraak van het hout, het zeil er tegen,

Als de dag aanbreekt over grauwe zee,

door een mist van regen.

 

Want de roep van de rollende branding,

brekende op de kust,

Dreunt diep in het land in mijn oren

en laat mij nergens rust.

't Is stil hier, 'k verlang een stormdag,

met witte jagende wolken

En hoogopspattend schuim

en meeuwen om kronklende kolken.

 

Ik ben een gedoemde zwerver,

waar moet ik anders heen ?

Maar gelaten door de wind gaan,

weg uit de stad van steen.

Geen vrouw, geen haard verwacht mij.

Ik blijf ook liever zonder.

'k Heb genoeg aan een pijp op wacht,

en een glas in 't vooronder.

Terug naar overzicht

Zeeuwse jongen

(Joh. H. Been 1859-1930)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Daar liep een Zeeuwse jongen
Te dwalen langs de zee;
De ranke scheepjes voerden
De vlugge Jantjes mee;
En 't bruiste door de baren,
Waar 't zonnelicht op viel:
„Waar blijft mijn Zeeuwse jongen,
Waar blijft, waar blijft Michiel ?"

Daar zat een Zeeuwse jongen
Te dromen in de school,
Tot plotseling zijn ogen
Opflikkerden in jool;
Want weer drong door zijn wezen
Het lokkend zeegebruis,...
„Neen," zongen wind en golven,
„Aan wal hoor jij niet thuis !"

Daar stond een Zeeuwse jongen
Te draaien aan het wiel,
Tot hem de hand verslapte
En lustloos nederviel;
Want door de lijnen klaagde
De zeewind dag aan dag
Van 't water, dat hem lokte
En waar zijn hart in lag.

Daar voer een Zeeuwse jongen
Het wijde zeegat uit.
„Wat wil die kleine rakker
Hier op zo'n grote schuit ?"
Zo lachten de matrozen,
En heel die mooie zee
Vol goud van zonnestralen,
Die lachte blijde mee.

Daar was een Zeeuwse jongen,
Een sukkel op het strand,
Die eens de roem zou worden,
De glorie van zijn land...
En heft ons volk na eeuwen
Zijn naam als juichkreet aan,
Dat wordt door heel de wereld
Begrepen en verstaan.

Terug naar overzicht

Zie ik hou van je

(Herman Gorten 1864-1927)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zie je ik hou van je,

ik vin je zoo lief en zoo licht-

je oogen zijn zoo vol licht,

ik hou van je, ik hou van je.

 

En je neus en je mond en je haar

en je oogen en je hals waar

je kraagje zit en je oor

met je haar er voor.

 

Zie je ik wou graag zijn

jou, maar het kan niet zijn,

het licht is om je, je bent

nu toch wat je eenmaal bent.

 

O ja, ik hou van je,

ik hou zoo vrees'lijk van je,

ik wou het helemaal zeggen -

Maar ik kan het toch niet zeggen.

Terug naar overzicht

Zie toe

(Const. Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Het is een korte les, die voor een lange dient:

Daar is nooit vijand klein en zelden een groot vriend.

Terug naar overzicht

Zomertochtje

(P.A. de Génestet 1829 – 1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mooi weer ! was de kreet, en de blozende morgen
Beloofde ons een pralenden, stralende dag;
Het tochtje ving aan met een dankbaren lach;
De vogelen zongen: verbant uwe zorgen !
De bloemen verkondden: geniet uwe jeugd !
Gods vriendlijke hemel: ik gun u de vreugd !
En ’t opene hart hield geen smartje verborgen:
Een jonkheid van weelde, van liefde, van licht,
Stroomde allen van ’t prettig en vroolijk gezicht.
De sierlijke paarden, gelukkige slaven,
Zij schenen alleen voor ’t genoegen te draven;
De weg was zoo schoon of de milde natuur
Een bruidje verwachtte in dit feestelijk uur;
De kindren, met gretige, gulzige blikken,
Vertelden elkaêr van den heerlijken room –
Luilekkerlands geurigen, zuiveren stroom –
Die straks op de hoeve hun hart zou verkwikken;
Van ’t lekkere hooiland, dat noodde tot rust
Na spelen en stoeien en dertelen lust;
De meisjes – zij kleurden; de knapen – zij lachten
En kweekten verwonderlijk zoete gedachten....
Daar hief, na een poos, voor het vonkelend oog,
De toren van ’t dorp uit het groen zich omhoog,
Daar lachte de hoeve den juichenden tegen,
Daar stroomde het welkom, de room en de zegen,
Daar geurde de feestdisch – een gaard in den gaard !
Daar namen en harten en magen hun vaart !
Wij vierden den zomer – wij stoeiden en gloeiden,
Tot we eindelijk, vermoeiden, als beekjes vervloeiden. –
Maar één had geen lust en geen rust en geen duur,
Geen smaak in den room en geen oog voor natuur,
Geen lach voor den lach van het glunder boerinnetje,
Geen arm voor den arm van een geestig vriendinnetje...
Och help, hij was dwars door zijn hartje gegriefd,
Betooverd, besluitloos, jaloersch en verliefd;
De guit dacht zich gek op een liefdesverklaring....
Zijn liefje intusschen.... had ik in bewaring.

Terug naar overzicht

Zonnige septembermorgen

(H. Marsman 1899 - 1940)

(met dank aan Jeanne Albers boor het sturen van de tekst)

De zomer en de late rozen

zijn zacht ontblaadrend uitgebloeid;

het bloedend vuur, het hete blozen

tot oud Octobergoud vergloeid.

 

De groene vlammen van de bomen

- bestorven bruin en wingerdrood -

zijn van hun donkre drift benomen

o dag, o droom van blauw en goud !

 

Het licht hangt in de honingraten

der vensters als een vochtig vlies

en morgenzon in de gelaten

waarin bij nacht de droefheid wies.

 

O zijden zonlicht, zacht kristal

hoe onbeschrijflijk mild en edel

verzilvert gij het smal ravijn

der huizen en de ranke schreden

 

der meisjes langs den waterval

en langs de gracht en op de bruggen

die teer gebogen ruggen

welven over het fulpen waterdal;

 

de kinderen vangen met hun handen

de zachte speren; en hun mond

vangt het geluk met open tanden

van dauw en vochte morgenstond.

 

O witte wel, o waterval

omhuiverd door die vroege tent

van hemelsblauw, o firmament

dat koel en diep doorschijnend is;

 

genees mijn hart dat in den zomer

zo ruw en rood gehavend werd;

genees het in het klare stromen

voordat het droef en avond wordt.

Terug naar overzicht

Zwakke plek

(Clinge Doorenbos)

Een dokter zei mij laatst eens,
Dat het gevoel van pijn,
Zich dáár steeds demonstreert, waar
De zwakste plekken zijn.
"t Kan best, dat hij gelijk heeft,
Want zie, zoo dag en dóór,
Komt bij de meeste menschen
Het mééste hoofdpijn voor.

Terug naar overzicht