SeniorPlaza

Paard

(Schoolmeester 1808-1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zoo lang als een paard zoo mooi galoppeert

Wordt hy nu en dan op een harddravery getracteert,

En licht met een gouden zwiep, of een paar nieuwe sporen vereerd.

En op kermis eens in 't paardenspel geïnviteerd,

Waar hy zijn eigen evenwel minder dan u amuseert;

Of je neemt hem 's Zondags in den arrensleê

Of in 't speelwagentjen met de famielje meê.

"Bles heeft door de week zoo braaf gewerkt,

"Dat hy nu ook vry af krijgt;" doch zonder dat hy 't merkt.

Als 't echter, helaas ! uit is met draven en hollen,

Dan loopt Bles al gaauw mank onder de knollen;

De kolonel van de platte schuttery

Klimt er met zijn handen en voeten allebei

Op parade nog wel eens over, doch hy valt doorgaans op zij.

Maar kan blind Blesjen volstrekt niet meer loopen,

Dan komt hem de Minister van Marine voor de trekschuit koopen,

En dan zelfs laat hy in de vliet

De schuit met Kaptein nog vaak in 't verschiet,

Vooral als de lijn breekt, zonder dat hy 't ziet,

En er dus, tot den passagier zijn verdriet,

Een non sequitor "volgt" in 't riet,

Zijn Excellentie weet natuurlijk niet,

Wat er in een schip, dat "van den wal" is, geschiedt.

Ligt Bles eindelijk finaal op de baar

Dan nog komt zijn paardenhaar

U te pas,

In uw paardenharen matras,

En, dineer je by een Kees,

Dan eet je zijn rookvleesch.

 

Terug naar overzicht

Paradise regained

(H. Marsman 1899 - 1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De zon en de zee springen bliksemend open:

waaiers van vuur en zij;

langs blauwe bergen van den morgen

scheert de wind als een antilope

voorbij.

 

Zwervende tussen fonteinen van licht

en langs de stralende pleinen van 't water,

voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,

die zorgeloos zingt langs het eeuwige water

 

een held're, verruk'lijk-meeslepende wijs:

 

'Het schip van den wind ligt gereed voor de reis,

de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,

de morgen en nacht twee blauwe matrozen -

wij gaan terug naar 't Paradijs.'

 

Terug naar overzicht

Pater bibamus

(René de Clercq 1877-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Al woon ik in het klooster,
van steen is mijn harte niet.
Wijn is mijn vertrooster,
vasten mijn verdriet.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Van alle goeie dingen
is 't beste nog de wijn.
Wil pater vrolijk zingen,
daar moet gedronken zijn.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Gij hoort, mijn stem is helder
als 't vocht in mijne kruik.
De sleutels van de kelder,
die rinkelen op mijn buik.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water,
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Het schijnt u allen wonder,
hoe vol mijn wangen zijn.
Dat komt van rooie Bourgonder,
dat komt van gouden Rijn.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Het staat niet in een boekske,
wat ik ten hemel bid.
Zet mij maar in het hoekske
waar vader Noach zit.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.

Al noemt men mij eerwaarde,
'k Maak u geen leugens wijs:
daar is een hel op aarde,
maar ook een paradijs !
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.
 

Bibamus is Latijn voor: Laten we drinken
 

Terug naar overzicht

Pietertje Pan

(met dank aan Hans de Jong voor het sturen van de tekst)

Er was eens een jongetje: Pietertje Pan,

Dat zó vreselijk vuil was - daar schròk je nou van !

Een smeer op zijn knie en een smeer op zijn toet

en een lijfje dat zwart was en vet van het roet

En elk die hem zag zei: dat Pietertje Pan,

daar komt nooit een behoorlijke kerel van ! 

 

Pietertje Pan kon er echt niks aan doen

Hij was heus wel een pan met gevoel voor fatsoen !

Hij nam iedere dag na het koken een bad

met schuurpoeder dit of met schuurpoeder dat.

Maar ach... na dat ijverig boenen en wassen.

was hij vuiler dan ooit en zat ònder de krassen !

 

Op school was 't het ergste, want iedere keer

dan schrokken de kind'ren, zó vies was hij weer.

Ze fluisterden allemaal: Pietertje Pan,

ga dáár niet naast zitten, kom dáár maar niet an !

En Stien van der Steelpan, dat kraakhelder wichtje,

dat schoof van hem af met een heel vies gezichtje..   

 

Zo zat dan ons treurige Pietertje Pan

maar altijd alléén in de bank achteran.

Geen jongetje was er, dat met hem wou spelen,

Geen meisje dat met hem haar lekkers wou delen...

En vaak zat hij stil in zijn eentje te huilen

in zijn pannensponsje... ook al een vuile.

 

Maar eens op een avond - daar luidde de bel.,,

,,Dag Pietertje Pan, kom, je kent me toch wel?

Ik ben tante ATA en kom uit Jutphaas...

Maar zeg eens...wat zie je er uit, kleine baas ! 

En sta je te huilen ? Wat is me dat nou ?

Kom maar bij je tante en zeg 't haar gauw !"

 

En Pietertje Pan kroop bij tante op schoot

(die eerst maar eens stevig zijn wipneusje snoot)

en vertelde haar eerlijk zijn pannenverdriet:

,,Hoe komt dat nou, tante 'k begrijp het maar niet ! 

Ik was me toch altijd zo goed als ik kan...

Waaròm ben ik dan toch zo'n smerige pan ??"

 

Toen zei tante ATA: ,,Ach, Pietertje Pan,

Het Schuurpoeder, jongen, dáár ligt het' m an !

Laat nu tante ATA maar even begaan,

dan ga je hier blank als een spiegel vandaan:

geen vlekje, geen krasje, twee glimmende wangen...

zeg Pietertje, zou je niet dáárnaar verlangen ?"

 

Wat er toen gebeurde vertel ik je niet.

Kijk maar naar het plaatje, ik wed dat je 't ziet !

 

Toen Pietertje Pan weer naar school ging die keer

toen was hij zo vuil en zo vettig niet meer.

Toen was er geen jongetje meer in de klas

dat zó prachtig glom en zó zindelijk was.

En Stien van der Steelpan, dat kraakhelder wichtje,

dat schoof naar hem toe met een stralend gezichtje.

 

En Mina-tje Melkkoker mompelde: ,,Piet,

kijk niet naar die sproetige Fietje Vergiet !

En Brammetje Braadslee heeft flappende oren...

Wil jij me vandaag soms mijn les overhoren ?"

En Florisje Fluitketel fluisterde:  ,,Fijn,

dat Pietertje Pan nog mijn vrindje wil zijn !"

 

Dit was het verhaaltje van Pietertje Pan

die zó vreselijk vuil was, daar schròk je nou van !

Maar toen tante ATA bij Pietje kwam wonen

en hij zich geregeld door haar liet verschonen,

was Pietertje Pan, zonder vlek, zonder kras,

de schoonste en aardigste pan van de klas !  

 

Het boekje, uitgegeven door N.V. Nederlandse Persil Maatschappij, sluit af met: 

Deze pannen schuurt ATA nooit (plaatje van dakpannen) maar wél deze (plaatje van keukenpannen) en goed ! ATA schuurt schuimend schoon.

 

(Het was een reclameversje. Atta was een schoonmaakmiddel die ook een vieze pan kon schoonmaken)

 

Terug naar overzicht

Pietje en Keetje

(Hieronymus van Alphen 1746-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Pietje

Kom mijn lieve zoete zusje,

Geef me een kusje,

O, ik ben zo in mijn schik !

'k Heb van moeder zo vernomen,

Dat Camie van 't school zal komen,

Niemand is zo blij als ik.

 

Keetje

Laat ons dan eens wat bedenken,

Om te schenken

Aan die allerliefste meid.

Als wij haar maar wat vertellen,

En geen daden dat verzellen,

Is 't geen regte vrolijkheid.

 

Pietje

Wel: ik heb vier mooie printjes.

 

Keetje

Ik heb twee lintjes,

Goed voor haar, gelijk ik gis.

 

Pietje

't Zal haar, hoe gering, behagen.

Wijl zij dan niet hoeft te vragen,

Of 't bij ons maar praten is.

 

Terug naar overzicht

Pinksteren

(Frank Valkenier, geb. 1907)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Zij zitten in de zaal bijeen,

Die uitverkoren waren.

Doch onder hen is er niet één,

Die 't Licht, dat in het duister scheen,

Kan dragen tot de scharen.

 

Nu horen zij een vreemd gerucht

Van vleugel end' geveder,

Als wiekte wit een duivenvlucht

Op snelle wieken door de lucht,

En vuur daalt op hen neder.

 

Wie zal het vlammend vuur weerstaan ?

Wie zal de geest weerspreken ?

Ziet, hoe het Woord is uitgegaan,

En zij als één man, Christus, staan

En Zijn Opstanding preken.

 

Terug naar overzicht

Plompenblad

(Jacob Winkler Prins 1849-1907)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

O, plompenblad, dat schommelt
Al op en neer als ’t water deint;
Doch groener nog dan ’t kroosveld schijnt,
Wanneer ge 'r opsteekt overeind,
Tot gij verzinkt, verschijnt, verdwijnt,
Als ’t onweer, nu het daglicht kwint,
Schor rommelt !

O groene bies, bewogen
In de onbewogen avondlucht
Door ’t vallen van een beukevrucht,
Door ’t suizen van een vlindervlucht,
Door ’t koeltje dat uit ’t Zuiden zucht,
Maar tot den grond door ’t stormgerucht
Gebogen !

O, paardebloem aan ’t bloeien !
Zoo vrolijk geel, zoo zonnig teer,
Op ’t weiland aller bloemen heer;
Maar blaast het kind straks op u neer,
Dan zie ik, hoe zich keer na keer,
De zaadjes, als de donzen veer,
Voortsproeien !

O, plompenblad, bies, bloemen !
Gij spiegels van mijn zielsverdriet,
Van al wat ’t leven bitters biedt
En wat men zelden duidlijk ziet;
Gevoelend waar men vol van schiet;
De wondre dingen, die men niet
Kan noemen !

 

Terug naar overzicht

Predikantenlied

(Frederik van Eden 1860-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Hoe gezegend in ons land

Is het vak van Predikant !

Godes hand rust, buiten kijf,

Zichtbaar op dit vroom bedrijf !

 

Dichters maakt alleen de Heer,

Predikanten mint hij zeer:

Daarom neemt men, dat is klaar,

Zooveel dichters bij hen waar.

 

Ik ben handelaar in graan,

Met mijn dichten wil 't wel gaan:

Toch, ware ik een dominé...

't Wed dat ik het beter deê.

 

Velen, die men dichters heet,

Kost het dichten droppels zweet...

Maar in 't priesterlijke pakje

Gaat het van een leien dakje.

 

En geen wonder! Godes gratie

Geeft van zelven inspiratie;

Schande dan den godsman, die

Niet iets doet aan poëzie !

 

Blinkt de groote B. ter Haar

Niet in onze dichterschaar ?

Wie kent Borger niet van 't 'Rijntje' ?

Oók een dichter, en geen kleintje !

 

Maar van allen toch de baas

Is de grote Nicolaas;

Wat heeft hij niet saâmgedicht !

Hoeveel harten niet gesticht !

 

Goethe met Homerus samen,

Kunnen nooit zijn roem beschamen:

Want hij heeft wat hun ontbrak:

Echte vroomheid... door zijn vak.

 

Niet het laatst dient gelet

Op den grooten Genestet:

Wel was hij wat los van trant,

Maar toch bleef hij Predikant.

 

Wonderbaar zijn 's Heeren paân !

Dikwijls ziet men het bestaan,

Dat een herder, die misleid is,

Toch nog Godes gunst niet kwijt is.

 

Predikanten in misleiding

Derven niet de dichterwijding,

Schrijven dikwijls ongestoord

In het droevigst duister voort.

 

Zelfs van Vloten en Huet

Bleven schrijven onverlet.

Doch natuurlijk misten beî

't Heilig vuur der poëzij.

 

Maar, Goddank ! zingt nu cantaten...

Daar komt J.J.L. ten Kate !

Dankt den Heer met snarenspel

Voor Ten Kate, J.J.L..

 

Dat is scheppen, dat is dichten,

Loven, lieven, steunen, stichten...

Zing, ten Kate, zing uw lied !

God vergeet zijn dichter niet !

 

Luister niet naar schimp of spot;

Doe gerust - het oog op God -

De Commedia Divina

Door diviner poëzie na.

 

Schoon een vitter 't vonnis strijkt,

Dat het niets op Dante lijkt.

Gij, als Godsman, weet toch wel,

Hoe 't met Hemel staat en Hel.

 

Dante zelf was een verdwaalde;

Hij, die gansch de Schepping maalde,

De eigen lijfpoëet des Heeren,

Hoeft van Dante niets te leeren.

 

Wee dan, wie uw vroom bestaan laakt !

Al het schoone, dat gij aanraakt,

Wordt, als met een tooverzwaai,

Eens zo lang en eens zo fraai.

 

En dan onze Laurillard !

Vormt met hem het schoonste paar:

Dat men hun één standbeeld giet,

Op één voetstuk van graniet:

 

De armen in elkander slaande,

Samen op één Bijbel staande,

Met één veder in de hand,

Beurtlings vroom en schalks van trant.

 

Zelfs het wufte schouwtooneel

Kreeg van dominé's zijn deel:

Daarvan maakt toch M.A. Perk

Wel wat al te veel zijn werk.

 

Maar goddank ! hem doen de Ardennen

Als beschrijvend dichter kennen,

Ook als dichterlijk beschrijver

Is hij lang geen achterblijver.

 

Vinger Gods, wat zijt gij groot !

Zelfs van 't waar geloof ontbloot

Brengt toch 't geestelijk gewaad

Dichterzegen, vroeg of laat:

 

Zie daar dat verdoolde schaap dan,

Zie dien armen dichter Schaepman:

In het duister tast hij rond,

Toch spreekt verzen nog zijn mond.

 

Hoor ook pastoor Brouwers' lied !

Ach ! het rechte wordt het niet...

Waarlijk, ik voor mij verkies

Nog... Jeronimo de Vries.

 

Waarom legdet gij, de Veer !

't Zieleherders-ambacht neêr ?

Ach! gij hadt het moeten blijven...

Stellig zoudt gij beter schrijven !

 

Zie ! in alles van uw hand

Proeft men nog den predikant:

Wie zich eens den Heere gaf,

Komt zoo gauw niet van Hem af.

 

Kranten, politiek en zoo,

Laat dat over aan de Koo,

Die, te ver reeds afgedwaald,

Tóch den hemel niet meer haalt...

 

Verder reikt uw vleugelslag

Dan de Nieuwtjes van den Dag...

Keer de Veer ! o keer, ai keer

Tot den dienst des Heeren weêr !

 

Kuyper is wel predikant,

En schrijft tevens in een krant.

Maar die heeft zoo'n vreemd idee

Van zijn plicht als dominé.

 

Zeker is hij groot en knap,

Maar het Christ'lijk leeraarschap

Drijft hij wel wat oorlogzuchtig,

Wat rumoerig en luidruchtig...

 

Need'rig zij de dienaar Gods,

Wars van ijdelheid en trots !

Neen ! op politiek gebied

Past de knecht des Heeren niet.

 

Laat dat schrijven bits en fel,

't IJdele professorspel !

Wellicht dan de Heer u gunt,

Dat ge verzen maken kunt.

 

God ! waar kent uw goedheid palen !

Zij zelfs, die het vrees'lijkst dwalen,

Schenkt gij nog, van tijd tot tijd,

Zuiv're dichterzaligheid;

 

Allard Pierson was, voor jaren,

Een der trouwste bedienaren

Van het Goddelijke woord,

Door elk Christen graag gehoord.

 

Doch op eens heeft zijn talent

Van de schrift zich afgewend:

Droevig joeg  hij na

Goddelooze aesthetika.

 

Toch zou God hem niet begeven,

Midden in zijn heidensch streven:

Ziet ! daar slaat hij plots de lier

Met echt-dichterlijken zwier.

 

Zóó volmaakt, dat men zou zweren,

Dat hij dienaar was des Heeren;-

Doch... het was slechts een restant

Van den ouden Predikant.

 

Nog zijn velen niet genoemd,

Door hun dichttalent beroemd;

Wél gezegend in ons land

Is de geestelijke stand !

 

Schrijf maar, Neêrland's dominé's !

Schrijf maar in des Heeren vrees:

Slechte verzen maakt men nooit,

Als ons bef en toga tooit.

 

In uw lamp brandt heilige olie,

Dichten is uw monopolie;-

Want de Heer ziet toe en waakt,

Dat gij goede verzen maakt.

 

Schrijf maar, schrijf maar, zielestichters !

Schrijf gerust, dan wordt gij dichters...

Zeeg'nend, zeeg'nend rust Gods hand

Op 't bedrijf van Predikant !

 

Terug naar overzicht

Regendag

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Grijs gewelf met grauwe regen

Koepel van ons huis

Waarom stort ge uw tranen tegen

't Venster van m'n kluis ?

 

Ziet ge niet in bei m'n ogen

Tranen die ik schrei ?

Waarom zonder mededogen

Stort ge er de uwe bij ?

 

Tranen lekken langs m'n wangen

Om m'n eigen wee

Zingen dan uw weemoedzangen

Droppels met me mee ?

 

Tranen lekken langs de ramen

Van m'n kamerkijn

Droppels droef, we schreien samen

Om wat zonneschijn

 

Terug naar overzicht

Roodborstje

(J.P. Heije 1809-1876)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Roodborstje, roodborstje, geestige dief !
Heb je wel ooit te pronken gezeten ?
't Kooitje van koper en 't bakje vol eten;
Aardige springer ! wat heb ik je lief !
Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,
Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,
Dat ge de veertjes zo slapjes laat hangen,
Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt ?

Knaapje lief, knaapje lief ! was er mijn kooi,
Was er mijn eten ook lekker en keurig,
Buiten in 't bos is het eens nog zo fleurig;
Vrij te zijn, lieverd ! is beter dan mooi !
Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,
Ginds op die boom, waar geen tralie mij stoort;
Vriendje ! dan zal ik een lied voor u zingen
Zoals ge nimmer of nooit hebt gehoord !

 

Terug naar overzicht

Regen

(J.H. Leopold (1865-1925)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond -
gewelfde wolken; over is gebleven
het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van den regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht.

en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.

 

Terug naar overzicht

Regendag

(Albrecht Rodenbach 1846-1880)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Och hoe droevig sleept de dag, betrokken

Ligt de lucht met wolken grijs en grauw

't Stuifregent en die hoge bomen schokken

Hunne kruinen en vol vreemde rouw

Ruisen zij, ontbladerend droeve zangen

Lijk des avonds, in het woud een dolend kind

Daar beneden door de donkere gangen

Akelig schreeuwt en huilt de wilde wind

Sombere wolken door mijn ziel ook zweven

Nevelig betrekt mijn zonneglans

Houd u sterk o jongeling, dat is 't leven

Weze uw droefheid lijk uw vreugd -- eens mans

 

Terug naar overzicht

Remedie tegen de dronkenschap

(P. van Langendijk 1863-1756)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een predikheer, gewoon de dronkenschap te laaken,

Bestrafte deeze zonde omtrent twee uuren lang.

Het volk dagt dit geteem zal nooit ten einde raaken;

Deez’ droop de kerk uit, en die wachtte na den zang,

Daarna stond ieder op, voor ’t eind der predikaatsje

Hierop keert Dominé het uurglas nog eens om,

En roept: blyft likkebroêrs hoe zyt gy zot of dom ?

Neemt afscheid met fatsoen, dit is het laatste glaasje.

 

Terug naar overzicht

Roosje

(een vertelling)

(Jacobus Bellamy 1757 - 1786)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Daar was, in Zeeland, eens een man,
Hij hadt een aartig kind,
Een meisje, dat, van ieder een,
Om 't zeerste werd bemind:

 

De man, gelijk men denken kan,
Was grootsch op zulk een' schat;
Te meer - daar hij zijn lieve vrouw
Daar bij verloren hadt.

 

Wat nam hij Roosje meenigmaal,
Al zugtende, in zijn' arm,
En kuschte, met een traanend oog,
Heur roode kaakjes warm !

 

Dan zei die ted're, goede, man:
"Gij hebt geen moeder meer !"
"Ja wel !" zei dan het zoete kind,
"Bij onzen lieven Heer !"

 

"Dit hebt gij immers zelf gezegd ?
Maar, waarom ging zij heen ?
Zij hadt mij niet zo lief als gij,
Want zij liet ons alleen !"

 

De vader sprak geen enkeld woord,
Maar kuschte 't kleene wicht;
En, onder 't kusschen, dekte een stroom
Van traanen zijn gezigt.

 

Dit meisje werd wel schielijk groot;
Zij was de roem der stad;
Geen vader, die haar, voor zijn' zoon,
Niet reeds gekozen hadt !

 

Wat was dat lieve meisje schoon !
Wat hadt ze een nette leest !
Wat was zij aartig en beleefd,
Zoo deugdzaam, zoo vol geest !

 

Zoo vriend'lijk als de schoone maan,
Als ze opkomt uit de zee,
En, op de blanke duinen, schijnt,
Zoo vriend'lijk was zij mee !

 

Heur lieflijke oogen waaren bruin;
Niet vuurig: kwijnend, zagt.
Heur lagchtje was, als 't morgenrood,
Dat, aan de kimmen, lagcht.

 

Wanneer zij, met de Zeeuwsche jeugd,
Een lugtje schepte aan 't strand,
Dan las ze, op elken tred, heur' naam,
Geschreven in het zand.

 

Geen jongeling, die niet, voor haar,
Met eerbied, was bezield,
Haar niet, voor de allerschoonste bloem,
Der Zeeuwsche meisjes, hieldt !

 

Daar leeft, in Zeeland, in het strand,
Een kleene, ronde visch,
Die, voor der Zeeuwen kiesschen smaak,
Een lekker voedzel is:

 

Des zomers, als de zuidenwind,
Langs kleene golftjes speelt,
En, vriend'lijk, 't gloeïende gelaat,
Des nijv'ren landmans, streelt:

 

Dan gaat de jeugd, met spade en ploeg,
Naar het breede vlakke strand;
En ploegt dan, vol van vrolijkheid,
Het dorre natte strand;

 

Dan grijpt, in de opgeploegde voor',
Een rappe hand sen visch;
En dikwijls is de vlugste hand,
Te traag bij deze visch !

 

Intusschen speelt en stoeit de jeugd,
En fladdert door het nat;
Dat schuimend, met groot gedruis,
In mond en oogen spat.

 

De jong'ling grijpt een meisjen op,
En draagt haar mede in zee;
Het meisje roept en wringt: - vergeefsch !
Hij draagt haar mede in zee.

 

't Was eens een schoone zomerdag,
En 't puikje van de jeugd
Ging, naar het strand, met spade en ploeg,
En voelde niets dan vreugd:

 

Het lieve Roosje was er bij;
En iedere jongeling
Vergat den ploeg, vergat den visch,
Als ze aan zijn zijde ging.

 

Een jong'ling, die haar 't meest beviel,
Bleef immer aan haar zij;
Hij zei aan Roosje meenigmaal,
De zoetste kozerij.

 

Nu drukt hij eens heur zachte hand,
Daar hij een kuschje steelt,
En met de lokjes, om haar' hals,
Heur bruine lokjes, speelt.

 

Het meisje wringt zich los, en zegt:
"Gij stoutert, daar gij zijt !
Plaag nu ook de and're meisjes wat !
Gij plaagt ook mij altijd !

 

Ai ! gaa naar de and're meisjes heên.
En laat mij nu met vree !...."
"Zoo gij mij nu geen kuschje geeft,
Dan draag ik u in zee !"

 

Zoo spreekt de jong'ling, en zij vlugt;
Zij vlugt, al lagchend, heên.
Hij volgt haar na, en slaat zijn' arm,
Al lagchende, om haar heên.

 

Nu roept en schatert al de jeugd:
"Draag Roosje nu in zee !"
Hij grijpt haar ijlings van den grond,
En loopt met haar in zee.

 

De sterke jong'ling kuscht den last,
Dien jij zoo greetig torscht,
En klemt het allerliefste kind,
Nog vaster, aan zijn borst.

 

Het meisje roept en bidt vergeefsch;
Hij gaat, al fladd'rend, voord:
Het water spat, en klotst, en bruischt,
Dat hij haar naauwlijks hoort.

 

In 't eind was hij zoo ver gegaan,
Dat ieder een, aan 't strand,
Vol vreeze en schrik, geduurig riep:
"Genoeg ! keer weêr naar 't strand !"

 

Opeens, daar hij te rugge keert,
Staat hij vertwijfeld stil;
"Help Roosje !" roept hij, "groote God !"
En Roosje geeft een gil !

 

"Mijn vrienden ! helpt mij ! ach ! ik zink
Hier, in een draaikolk, neer !"
Het meisje grijpt hem om de hals,
En zinkt, met hem, ter neer !

 

Zij zinkt, en draait, voor 't laatst, heur hoofd,
Stilzwijgend, naar het strand.
Doch was, in 't eigen oogenblik,
Verzwolgen in het zand !

 

Daar stondt de jeugd, gelijk versteend;
Geen mensch, die zugtte of sprak;
Tot eind'lijk een's ieder's oog,
Een stroom van traanen brak.

 

"Mijn God! is't waar ? is Roosje dood ?
Ligt Roosje daar in zee?'"
Zoo gilt en klaagt een ieder een;
De duinen gillen mee !

 

Wel schielijk werd dit droef geval
Verkondigd in de stad;
Geen mensch, hoe norsch, hoe hard hij waar,
Die niet verslagen zat.

 

De jeugd ging, zwijgend, van het strand,
En zag geduurig om:
Een's ieder's hart was vol gevoel -
Maar ieder's tong was stom !

 

De maan klom stil en staatig op,
En scheen op 't aaklig graf,
Waarin het lieve, jonge paar,
Het laatste zuchtje gaf.

 

De wind stak stevig op uit zee;
De golven beukten het strand.
En schielijk was de droeve maar
Verspreid, door 't gansche land.

 

Terug naar overzicht

Rozenboompje

(Jaqueline E v.d.Waals 1868-1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Als de zon des avonds daalt

Staat mijn rozenboom vol rozen,

Nog in 't avondlicht te blozen-

Dat zijn kruintje overstraalt.

 

't Boompje bloost en bloeit en blinkt

In het midden van mijn gaarde,

Waar rondom de duisterende aarde

Reeds in schemering verzinkt.

 

's Avonds in mijn rozenhof

Blijft het avondlicht gevangen

In de duizend roosjes hangen,

Roodend roos en rozelof.

 

Terug naar overzicht

Rozenknop

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

'k Hou niet van volbloeide rozen

Die heur hart heeft uitgezeid

Die bij 't oopnen

Van heur broze weelde

D' eerste stervenstranen schreit

 

'k Zie ze liever wachtend dragen

Wat een knop niet openwoelt

't Stil gesluimer

Van teer verlangen

Dat een and're roos het voelt

 

Want door elk geluk te schreien

Schemering van droefenis

Als een liefde

Die door bei geweten

Nog onuitgesproken is

 

Liefde hou me lang verborgen

't Schroeien van uw pracht'ge gloed

't Is een passie

Van de zonne zoenen

Die een roze sterven doet

 

Terug naar overzicht

Rozenknopje

(met dank aan Will van Buul voor het sturen van de tekst)

In ‘t stille kleine kerkje van een Afrikaanse stad

Knielde pater Rian neder, terwijl hij vurig bad.

 

Daar hoort hij voetgeschuifel, op ‘t kiezelkerke pad

En ziet daar binnen treden, een kind, een lieve schat.

 

Vrij loopt het naar den priester, en kijkt hem vragend aan,

“Hoe heet ge”, vraagt de pater “en waar komt ge vandaan ?”

 

“Men noemt mij rozenknopje, ik weet niet hoe ik heet,

Thuis ben ik weggelopen, daar heb ik zoveel leed.”

 

En droef vervolgt het meisje “Ik voel mij zo alleen,

“Mijn moedertje is gestorven.........voor altijd ...........heen.”

 

“Ik minde haar zoo teder, zij hield zoveel van mij,

Zij maakte toch zo gaarne haar rozenknopje blij”

 

“Och laat mij hier eens kijken, ik vind het hier zo schoon,

Wie is die mooie Heer daar, die staat op gindse troon ?”

 

“Dat is ‘t Hart van Jezus, dat kinderen zo bemint..

Het strekt zijn hand vragend, als vraagt ie, bemin mij toch mijn kind.

 

“En ziet gij daar die wonden? en weet gij wie dat deed !”

“Het was het volk der Joden, toch deed hij niemand leed.”

 

“Dat kan niet waar zijn pater,” zei het kind met droef gelaat,

“Ik behoor tot het volk der Joden, toch deed ik ‘m nimmer kwaad”.

 

“Wees maar gerust lief meisje, gij hebt geen schuld, o, neen,

Ga maar gerust naar huis toe en kom morgen weer hierheen.”

 

Ze keek het heilig hart aan, vroeg toen met smekend oog,

“Laat mij hem eens kussen,” “och til mij wat omhoog.”

 

De priester hief ‘t kind op, ze omhelsde het beeld zoo teer,

“Nooit deed ik enig kwaad u, Gij weet het lieve Heer.”

 

En met tevreden harte verliet ze nu haar vrind,

“Och, Jezus,” bad de priester, “ontferm u over ‘t kind.”

 

En spoedig kwam ze weder, met rozen geurig, fijn,

“Die zijn voor Jezus", zei ze "zal hij tevreden zijn ?”

 

“Van één bloem", sprak de pater "houdt Jezus toch nog meer.”

“Ik weet het", zei de kleine, "van ‘t rozenknopje, Heer”.

 

En toen verliepen weken, geen spoor meer van ‘t kind,

Daar hoort hij dat ‘t kind zich in doodsgevaar bevindt.

 

Hij snelt naar ‘t huis van ‘t meisje, maar wat ontroering daar,

De kleine is verdwenen en niemand weet waarnaar.

 

De priester, ja, hij gist het, en spoedt ter kerke heen,

Daar ligt het rozenknopje, voor ‘t beeld op d’ altaartree.

 

Hij neemt het kind op de armen, ‘t verkeert in stervensnood,

Gauw doopt hij nu de kleine, voor het komen van den dood.

 

Dan roept hij ‘t bij haar namen, het kind licht even op,

En zegt: “de lieve Jezus, Hij roept zijn rozenknop.”

 

Terug naar overzicht

't Rozenknopje

(met dank aan Maria van Bussel voor het sturen van de tekst)

Mijn schameld haard verdoofde

Ik ben ziekelijk ‘t is zo koud

In Godes naam mijn jongske

Ga raap me nog wat hout.

 

Volgaarne lieve Moeder

Maar eerst een handje kom

En ’t zoete ventje keek nog

Naar het deurtje knikkend om.

 

In het einde zag de moeder

Het lieve ventje weer

Het stortte voor haar voeten

Een zware bussel neer.

 

Daar was een knaapje Moeder

Zo groot als ik in ’t woud

’t Kwam naar mij toe, en ’t hielp mij

Bij het sprokkelen van het hout.

 

Maar zie opeens, verdween het

Ik weet niet juist waarheen

Toen ik het danken wilde

Stond ik daar droef alleen.

 

Nooit liegt ge kind, ik weet het

Maar mogelijk hebt ge het mis

Breng het knaapje met U mede

Dan weet ik wie het is.

 

Weer trok de lieve kleine

Naar het ver gelegen woud

Weer hielp het vreemde knaapje

Bij het sprokkelen van het hout.

 

Zie Moeder, beste Moeder

Een zware bussel weer

En ’t knaapje dan, mijn jongske?

Verdwenen als weleer.

 

’t Gaf mij dit rozenknopje

En ’t sprak met zoete lach

Als het bloeit zal ik bij U komen

Daarboven, goeden dag.

 

De moeder plaatste het roosje

In ’t water en dankte God

Vaak zag zij naar het bloempje

Gesloten bleef het bot.

 

Maar op een goeden morgen

Vond zij de roos in fleur

Een traan kwam haar in ’d ogen

Zo heerlijk was de geur.

 

Laat werd het en haar zoontje

Was nog niet opgestaan

Goede hemel, ’t kind gaat komen

Die tijding brengt het aan.

 

Zij ging naar het kleine bedje

En kuste het lieve wicht

Nog nooit zo lief en blozend

Zo hemels van gezicht.

 

Zij kuste het in vervoering

Reeds klom het morgenrood

Sta op, mijn kind maar o hemel

Het kind lag stijf en dood.

 

Het zieltje is gevlogen

Al naar den troon van God

Het speelt daar met Gods engelen

Het heerlijk zalig lot.

 

Terug naar overzicht

Ruiter, paard en hond

(Willem de Mérode 1887 - 1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)

De ene begeleidt, de andre draagt mij,
Tot mijn genoegen en in zware strijd.
Dit zijn bevredigingen en dit plaagt mij,
Want zij zijn roekloos aan mijn dienst gewijd.

Het paard! (ik voel mijn snelheid vertienvouden),
Dat man en lans, die mij belaagt, vertrapt.
De hond ! die afgeeft wat hij graag wou houden,
Mijn handen lekt, naar de belagers hapt.

Ik ben gepantserd, zij leevren hun huid
Naakt, dapper, aan de schunnige dood uit,
Ik aarzel en zij weigren niet te sterven.

Zij spitsen de oren als een hoorn weerschalt.
Zij schreeuwen als de zege mij toevalt,
diep dankbaar dat ze een liefkozing verwerven.

 

Terug naar overzicht

Rust

(P.A. de Génestet - 1829-1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)

Ik ben geen plant: ik wil geen rust
'k Ben jong en - van mijn tijd,
Brenge ieder uur mij leed en lust
En telkens nieuwe strijd!
Als het plan wordt een daad,
Zonder raad of beraad,
Als ik liefheb en haat,
Als ik schrei, als ik lach
Wel honderd malen iedren dag,
Dan ben ik 't leven mij bewust,
Dan leef ik eerst naar hartelust,
Al wat ik leven mag!

 

Terug naar overzicht

Schaduw

(Alice Nahon1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de de tekst)

Ik heb de liefde liefgehad;
Daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zo doet de mooie minnaar
Met een zeer verliefde kind.
Ik heb de zon te lief gehad
En beu van beedlen
Aan de deuren van de dagen
Ben ik geworden als een varenblad
Dat liever in het lommer leeft
Dan zon te dragen.
En daarom bouwt mijn kommer aan een huis,
Waar lamp- en zonnelicht,
Getemperd zijn voor de ogen
En waar de soobre lijn van een gelaat
En waar de vrede van een vriendschap staat,
Lijk schaduw van een boom
Over mijn hoofd
Gebogen.

 

Terug naar overzicht

Scheveningen: mistige wintermiddag

(J.C. Bloem - 1887-1966)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)

Doodstille Decemberdag,
Nevel en stilte overal,
Geen enkel geluid maakt gewag
Van een wereld van schijn en schal

Landwaarts is het kil, maar de kust
Is zoel als een najaarsnoen,
Betogen door een rust
Als van een eeuwig seizoen.

Na de ijdele praal van feest
Schijnt het wanstaltig vertoon
Van bouwsels en plompen geest
Verheven en bijna schoon.

De zwarte brug in de zee
Reikt naar den wolkenden gloor
Van een zon, die niet blonk, en verglee
In den zilveren mist te loor.

Wat visschers langs 't eenzaam strand,
En kindren, spelend op straat —
En de golven, spoelend aan land,
Het geruisch, dat hen nooit verlaat.

O meisje, o jonge bruid,
Uw lippen zijn warm en rood,
Het leven dat niemand stuit,
Bloeit eens uit uw wachtenden schoot,

Gij lacht, en uw stap klinkt luid —
Maar het eind van dit al is de dood.

 

Terug naar overzicht

Schemersproke

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de de tekst)

Nu weet ik waar de schemering woont

Ik dacht dat heur huis in de stille stond

En daar ik heel geren heur huizeken vond

Vertraagde ik bij wijlen m'n stap langs 'n huis

Gebouwd in gebeden van sparrengesuis

Maar achter gordijnekens bloemig en blank

Vernam ik geschater en joelende klank

Zodat ik, dom kind, bij mezelve verzon

Dat schemer daar niet wonen kon

 

Nu weet ik waar schemering woont

Ik dacht dat ze ginds in de struiken sliep

En 's avonds heel zwakke mensen riep

En zaaide in de ziel, waar onkruid gedijt

De zaden van twijfel en zelfverwijt

Toch had ik heur lief voor elke nacht

Ik heb heur trouw aan m'n venster gewacht

Tot ik in het heilige der avonden las

Dat schemering niet uit den boze was

 

Nu weet ik waar schemering woont

Daar bloeit aan m'n venster

In purperen kleed

'n Blom die van name

"De nachtschone" heet

Ik peins dat zij 't me vertellen wel kon

Omdat bij deemster te bloeien begon

Maar nachtschone zweeg met het geheim van heur land

Toen ben ik gaan zingen, zo van zachte trant

Toen ze droomde luidop en ik het wonder vernam

Dat schemering niet uit de hemel kwam

 

Nu weet ik waar de schemering woont

Die avond toen ik niet rusten wou

Voor ik wist vanwaar ze komen zou

Voor 'k wist waarom ik zozeer van heur hield

Waarom ze de kwaden en de goeden bezielt

Toen zag ik door mijn tranen heen

Dat schemering woonde bij iedereen

Ik zag ze kruipen uit ieders hart

En langzaam werd de wereld zwart

 

Terug naar overzicht

Secreets-klacht

(Hieronymus Sweerts 1629 - 1696)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)

"Ach! Hoe werd ik veracht
By Grooten en by Leeken,
Te recht doe ik mijn klacht,
T'onrecht werd ik versteeken;
Men plant my hier of daar
In hoecken niet zeer kuis,
Als of ik niet en waar
Noodzakelijk in 't huis.
Ik ben zeer goet nochtans,
Men kan my ook niet missen
'Zy vrouwen ofte mans,
Sy kakken en sy pissen.
Geen Koninck, Prins noch Heer,
Geen Paus noch Kardinaal,
En wat van dien is meer,
Sy kakken altemaal.
De Meisjes teer en zwak,
Sy dienen niet vergeten,
Sy krijgen mee al kak,
Sy kunnen 't niet uitzweeten.
Tot my vlucht iedereen,
Beladen met dees Maers,
Als sy maar voelt de ween
Des zwangeren Aers.
't Helpt geen Ambassadeurs
In uwe plaats te zenden,
Maayken moet zelfs de keurs,
En Jan de broek afbenden.
Maar die wil metter spoed
Verlost zyn daar 't hem pakt,
Die buige met ootmoet,
Drukt hy, ik weet hy kakt.
Die niet kakt by gebrek,
Is 't niet och arm, och lacy,
Moet hy niet naar d'Apteek
En halen een Purgacy ?
Bedenkt dit nu wel aan,
Weest niet meer zo confuys,
Maar stelt my nu voortaan
In 't beste van uw huys."

 

Terug naar overzicht

September

(C. S. van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)

September blaas uw gouden vlammen
Door al de wijde wereld heen !
Blaas van nog boordevolle stammen
Het kwijnend afval naar beneên !
Begraaf ons in uw gulle goud,
Tot ons ontstuimige verlangen
Barst boven al uw wilde zangen
En feest in al uw vruchten houdt !

September blaas uw witte buien
Als blâren van een rozenstok !
Blaas aan ons hart, tot het gaat luien
Als de uit goud gegoten klok !
Totdat ons hoofd zijn lichten draagt
Als de aan uw goud ontstoken lampen,
Tot straalt door al uw blinde dampen
De dag, die uit uw donker daagt !

September blaas de hemel open !
Blaas door de wolken wagenwijd !
Tot onze harten overlopen
Van ’t goud dat uit de hemel glijdt !
Tot onze schoot uw licht bewaart,
Tot wij de lichte wereld loven –
Tot onze ogen gaan geloven
Aan alle heerlijkheid op aard !

 

Terug naar overzicht

Sint Joris en de draak

(Albert Verwey 1865-1937)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)

Ik zag u eens, mijn koning, toen de muur
Spleet en in de enge cel, nu maatloos groot,
Stondt gij wiens diadeem om 't voorhoofd sloot
En beide uw ogen waren sproeiend vuur.

En met uw lans troft gij den draak, 't onguur
Gedrocht, karbonkel-ogig: door dien stoot
Sprong 't bloed zwart-rood en spoot omhoog en vloot
Gelijk een stroom en daar ik staar en tuur

Windt hij door groene weiden en de stad
Rijst aan zijn boord en schepen wieglen er
Vol schat en volk naar de ondergaande zon.

Ik zat als op een heuvel en ik kon
Den schemer zien die oprees, vaag en ver -
En 't was alsof ik in uw schaduw zat.

 

Terug naar overzicht

Sint Jurriaan

(met dank aan Jan Beek voor het sturen van de de tekst)

In zeker dorpskapel Sint Jurriaan gewijd, stond op zijn voetstuk hoog verheven,

tot troost des volks sinds lange tijd het beeld diens vrome man ten voeten uit naar ´t leven. 

De priester dier kapel, het zou morgen hoogtij wezen, en om daarom niet zomaar overheen te stappen, zou hij met eigen hand de zaak eens ferm op gaan knappen.

 

Hij poetst dus Jurrie stevig op, maar wee o wee hij raakt te hard de oude stenen kop

en of het spel juist sprak: knak zei die knak en nog eens knak.

Daar hemel lag de kop in stukken.

O ; ik loop morgen het gevaar, dat men in kloften zich verenigt  en mij uit vrome ijver stenigt.

Hij roept zijn trouwe engel aan hem in deez nood toch bij te staan.

Maar ja zijn engel laat hem fluiten.

 

Zie daar; hoe kon men het mooier dromen, verschijnt een oude galgenbrok toevallig daar voorbij gekomen. Eén die het land doortoog wat handelde en de lie´n beloog.

Hij leek de ander op een haar als of ´t zijn tweeling broeder waar.

Hij  durft hem stout voor te slaan om morgen op Jurries plaats te staan.

En voor heilige te spelen, de opbrengst zullen ze samen delen.

 

De fielt  had voor een glas wijn de duivel zelf wel willen zijn

zou hij zich nu lang bezinnen om als heilige een goed drinkgeld te gewinnen?

Hij doet het voor de halve som, vertoeft die nacht in het heiligdom.

En `s morgen kostelijk kostelijk uit geslapen, trekt hij het potsierlijk pakje aan,

klimt op de plaats van Jurriaan en stond al was hij daar geschapen.

 

Het werd dag, daar komt de vrome schaar van alle kanten binnenstromen

´t was halsbreekspel en lijfsgevaar om binnen de kapel te komen.

De fielt  lacht eens om die vrome zielen, die biddend voor hem neder knielen.

Zie hoe hij lacht, zegt een, die man zo hoog in waarde, hij knikt ons toe als was hij nog op aarde.

Hij vervloekt en stilt dee´z  vrome handel en dacht “als ik vleugels had, ik koos bij Job het hazenpad en was reeds lang weer op mijn wandel”.

  

Was nu de boze geest niet mede in het spel geweest, nog had de zaak zich kunnen klaren!

maar deze in een wesp gevaren, stak, want de kerel was een geus,

uit spijt hem deerlijk in zijn neus,

Jurrie hield zich keurig kloek en bleef gelijk een paal gelukkig in zijn hoek.

Maar satan nimmer moe om het vrome volk te plagen, buigt een waskaars die daar aan de wand twee spannen boven het hoofd des arme kerels brandt en het heet gesmolten was loopt tappelings en plas bij plas Sint Jurriaan om neus en ogen.

 

 

Dit pijnbank proefje houdt de fielt geen tien seconden uit.

Cristousen element schreeuwt hij, wat duivelse lekkage.

en springt pardoes van zijn stellage.

Gemeente koster alles vlood, men trapte schier elkander dood.

De guit verdween ras in het woelen.

En riep nog”Liever Jan Klaassen in de hel.

Dan hoofdacteur in zo’n geweid theaterspel.

 

Terug naar overzicht

Sint Nikolaas

(voor de vereerders van het smullen)

(Harme Bevoort 1801-1875)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)

Ik wil het oude feest bezingen
Op blijden toon;
Ik stem het voor de lievelingen
Van al het schoon.
Komt, komt vereerders van het smullen!
Een oude baas,
Zal thans uw grage magen vullen,
Sint Nikolaas.

 

Eet, eet banket en taaie poppen
En taartgebak
Zoek uwe magen vol te proppen
En leeg uw zak.
Neem speculatie bij de ponden
Van 't beste soort,
En stop het suiker in uw monden
Zoo als 't behoort.

 

Vereer alzoo den grooten heilig
Van de oude tijd.
Dan zijt gij in zijn hoede veilig
Zijn zorg gewijd.
Dan kunt gij op zijn gunsten letten
Met blijden zin,
En krijgt bij 't jaarlijks schoenen zetten
Geen gart er in.

 

Komt, laat uw meisje u vergezellen
De tafels rond;
En wil in haar bezit het stellen
Wat schoons zij vond.
Hozee! Sint Nikolaas, hij leve!
Als het hem behaagt,
Dat hij nog menig hartje geve,
Aan wie het vraagt.

 

Hier ziet gij Schepen, Ruiters, Beelden,
In vorstentooi,
En schoon niet meer met goud bedeelden,
Toch goed allooi.
Wat letters om te watertanden,
Wat keurbanket,
Zoo regt begeerig voor uw handen
Hier opgezet.

 

En wat verscheidenheid van kleuren
In 't suikergoed,
Parijs doet hier haar kunstzin beuren
Die wond'ren doet.

 

Wat tafelstukken hoogverheven
En rijk getooid,
Wat taarten sling'rend doorgeweven
En rijk bestrooit.

 

En dan die meisjes en die vrouwen
In wit gewaad,
Die u het gekochte toevertrouwen,
Met gul gelaat.
Komt, komt betreed met lust den drempel
o Jonge maats!
Hier zijn Godinnen van den tempel,
Van Nikolaas.

 

o, Ziet gij 't met dat woelig leven
Dien stroom van licht?
Zelfs de armste slokker wort gedreven
Door lust en plicht,
Hij koopt taaitaai en kleine moppen,
En rept met spoed
Zich mond en zakken vol te stoppen,
Met bakkersgoed.

 

Wat woelen buiten, woelen binnen!
Geschreeuw als dol!
Wat dikgebuikte streekboerinnen,
Met trommels vol!
Wat gapen voor die bakkersglazen,
Hoog uitgestrekt!
't is of het alles hier verbazen,
Bewond'ren wekt.

 

En, wil uw meisje of vrouw iets zoeken
Zoo fraai als schoon?
Ginds hangen schermen omslagdoeken,
Met pracht ten toon.
Gij kunt er kinderpetten koopen,
En kant en lint,
Katoentjes bij geheele hoopen,
Voor weinig splint.

 

Wat Neuremberger kunst verzinden
Wat mode ooit dacht,
Gij kunt het naar uw wenschen vinden
Model en pracht.
Gij ziet er naakte poppen hangen,
En lampen staan,
En, zoudt ge een duitsche pijp verlangen,
Wilt binnengaan.

 

Gerust kunt ge u nu buiten wagen

Geen zwarte kop
Met huiden om het lijf geslagen
En hoornen op.
Geen ketens ramm'len langs de keijen
Als van een beer,
Gij hoort geen deur, geen schot rammeijen
Geen angstkreet meer.

 

't Is alles, alles bont gewemel,
En vreugde en hoop,
Het kind droomt zich een gouden Hemel
Voor niets te koop.
De jongling die het lot durft tarten,
Dat perken zet,
Denkt aan iets meer, dan aan die harten
Van theebanket.

 

Nog eens met lust den weg betreden
En veel gekocht,
En later met verhaaste schreden
Het huis gezocht.
Doch zoo ge op 't laast in uwe zakken
Nog centen vond,
Ga dan te krentebollen smakken,
Bij meester Lont !

 

Terug naar overzicht

Sint Nikolaas

(een sprookje)

(A.C.W. Staring 1767-1840)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)

Komt hier eens, Kinders, en let op;

'k Vertel van Sinter-Klaas,

En van een braven Ambachtsman,

Den armen Huibert-baas.

 

De goede Sinter-klaas was oud;

Hij droeg een witten baard;

En aan zijn witten mantel was

Het laken niet gespaard.

 

En als hij van zijn hooge stoep

Den weg nam door de stad,

En dan zoo deftig met dien baard

En met dien mantel trad,

 

Dan wisten ook de kinders al,

Naar welken kant hij ging,

En waarom weer dat breede zeil

Hem van de schouder hing:

 

Dan hield de goede man een pak

Voor 't volk op straat verstopt,

En bragt het naar eene arme buurt,

Met kinders opgepropt.

 

Daar sloeg hij dan zijn mantel los,

En 't was: "Dit is voor Jan,

Die daaglijks, als de meester roemt,

Zijn les het beste kan.

 

Dit is voor Keetje, die zo vroeg,

Het breijen al verstaat;

En dit voor Hein, die niet meer dwingt,

En zich gezeggen laat.

 

En hier komt, voor den zieken bloed,

Daar ginder in den hoek,

Een peperhuis met vijgen aan,

En – kijk ! - een prentenboek."

 

Zoo stapte hij, deur in, deur uit,

Van steeg tot steegje voort;

Maar als hij op zijn schimmel zat,

Dan ging hij uit de poort !

 

Dan reed hij naar de buitenlui',

En schimmel had zijn vracht,

Want ieder kind, een uur in 't rond,

Dat arm was, werd bedacht.

 

Maar in de stad van Sinter-Klaas

Was ook een Ambachtsman,

Die at droog brood, en schaamde 't zich,

En sprak er niemand van.

 

Hij maakte schoenen al zijn best;

Hij werket laat en vroeg,

En voor tien kinders en een vrouw

Was 't nog al niet genoeg.

 

Doch Sinter-Klaas vernam in 't lest,

Wat HIJ niet weten wou':

Hij zoekt, bij nacht, zijn woning op,

Spijt duisternis en kou'.

 

Hij trekt het winkelvenster los,

Dat met geen grendel sluit;

En 't glasraam laat zijn goudbeurs in,

Door een gebroken ruit.

 

En 's andrendaags zet Huibert-baas

Gij weet - die Ambachtsman!)

Zich bij de lamp reeds aan zijn taak,

Zoo wakker als hij kan:

 

Daar valt hem, van den driestal, juist

Een kleine schoen in 't oog;

En, zie, die schoen bewaarde 't geld

Getuimeld van omhoog!

 

Nu denkt, wat vreugd bij man en vrouw,

En kindren alle tien !

Wie, om een hoekjen, van nabij

Hun vreugde eens had gezien! -

 

Nogtans hun vreugd was kort van duur;

Want Huibert riep: "Houdt stil !

't Gevondene is geen oordje waard,

Voor wie niet stelen wil !

 

't Hoort zeker aan dien vreemden Heer,

Van gistren avend laat;

Hij stond, toen hij zijn riemen kocht,

Omtrent waar Antje staat;

 

En, naast haar, in die kinderschoen,

Lag net de beurs met goud !

De burgemeester weet misschien,

Waar zich die Heer onthoudt;

 

Daar is mijn schort ! ik moet er heen !

'k Wil loopen wat ik kan !

Zoo sprak Huib, en, gelijk hij sprak,

Zoo dèèd de brave man.

 

Mààr - wat de Burgemeester deed ?

Hij ging naar Sinter-Klaas;

Want DIE toch schonk, naar HIJ 't begreep,

Het geld aan Huibert-baas.

 

Ras haalt men Huibert. Huibert komt,

Zijn meettuig in de hand:

De goede ziel kreeg Sinter-Klaas

(Gelijk hij dacht) tot klant.

 

Maar Sinter-Klaas sprak: "Huibert-baas,

Ik ben de man van 't geld:

Het vond zijn weg door 't vensterglas,

En hoefde geen geweld.

 

De beurs is in een kinderschoen

Gevallen, naar ik hoor ?

Breng MIJ het paar, en hou' de beurs;

Ik geef ze er gaarne voor."

 

En Huibert wischte met de mouw

De tranen uit zijn oog,

Zei snikkend dank, en ging, en trad

Zoo luchtig of hij vloog.

 

En, als nu vrouw en kind het wist,

Liep Huib weer op een draf,

Kocht leer in, bij zijn broeders weeuw -

En dong de sloof niet af.

 

En spoedig wist de gansche stad,

Hoe braaf baas Huibert was,

En praatte van de kinderschoen,

Waar 't geld in viel, door 't glas:

 

"Een kinderschoen bragt Huib geluk:

Dat blijv' zoo!" riep elk een;

'k Bestel er bij geen ander meer,

Baas Huibert maak' ze alleen."

 

En Huib nam, van zijn jongenstroep,

Twee gasten tot zijn hulp,

En brak naar grooter woning op,

Van uit zijn enge stulp;

 

Maar 't raam aan straat verhuisde mee

Voor alle schaa bewaard;

En 't bleef, ter eer van Sinter-Klaas,

Bij 't kleinkind nog gespaard.

 

Terug naar overzicht

Slachtveld

(Abraham Eliazer Van Collem 1858 - 1933, over WO I)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de de tekst)

De heengelegde lijken der soldaten

Zijn aangeraakt door den goudpaarsen nacht

Er kruipen lijnen over gelaten

Waarop de dood zijn teken heeft gebracht

 

Sommigen hunner liggen als bedronken

Het was ruim veel, de wijn uit deze kan

Hun arme lijven werden volgeschonken

Zij dronken zich de eeuwigheid daaran

 

Een hunner ligt verdwaasd omhoog te staren

Een ster staat op zijn blauw glazuren oog

Het zou wel eeuwigheden kunnen duren

Voordat dit open turend oog bewoog

 

Zijn makker is gevallen fel voorover

Hij schijnt te slapen, en zijn bloed loopt uit

Zijn linkeroog bleef half geopend over

Daar kijkt hij nu stil uit die loze guit

 

In zoete vreugde liggen jonge doden

Zij toeven in een ongestoord geluk

Mocht uit de gele hel losbarsten looden

Kogelregen, hun deert scherf nog stuk

 

Zij zijn als zelfbeheersten dichtgesloten

Zij zijn tevreden met wat hun gewerd

Een hunner zijn de ogen uitgeschoten

Daarom heeft hij zijn mond opengesperd

 

Een ander lacht, hij had zich vastgegrepen

Bij het voorovervallen aan wat gras

Hij werd een kind, hij hield het dichtgeknepen

Hij dacht, dat het de hand van moeder was

 

Bij bundels liggen doden uitgegleden

De ransels om, stormhoed op het hoofd

Zij worden door mortieren overreden

Dat was toch niet, wat hun werd toebeloofd

 

Zij trokken uit, ik zag ze door de straten

Het was bij avond, in de Seine stad

Of was het Berlijn, of hoorde ik praten

Londens, in de straat, die ik vergat

 

Ik weet het niet, ik weet niet de kledijen

Die zij zich kleurig hadden omgedaan

Ik weet het ritme niet meer hunner rijen

Noch de muziek die klinkend ging vooraan

 

Ik weet alleen maar jongens, de gelaten

Van prachtigen, menswezens, schrijdend voort

Vermomd in apenpakjes van soldaten

Niet wetende het land waarheen of oord

 

Zij droegen aan de schouders de geweren

En in den loop een kleine veldboeket

En voordat ze traden aan, te gaan marcheren

Hadden de bruiden die daarin gezet

 

Het zou de liefste groet zijn van het leven

Het laatste afscheid van het wellekom

O hand van mij, waarom gaat gij nu beven

O mond van mij, waarom wordt gij nu stom

 

2

De heengelegde lijken der soldaten

Zijn aangeraakt door den goudpaarsen nacht

Er kruipen lijnen over de gelaten

Waarop de dood zijn teken heeft gebracht

 

Sommigen hunner liggen als bedronken

Het was ruim veel, de wijn uit deze kan

Hun arme lijven werden volgeschonken

Zij dronken zich de eeuwigheid daaran

 

Staat op, staat alle op, mijn vroege doden

Herleeft, gekruisigden langs weg en veld

Doodgeschoten, voorover in de zoden

Herkrijg uw stem, haar vroegere geweld

 

Rijst langzaam uit, vloeie over uw trekken

Het beven van een nieuwe dageraad

Moge mijn roep u tot nieuw leven wekken

Herleef, herleef, gesneuvelde soldaat

 

Grijpt uw geweren in de dode handen

Werpt uit het zadel, hem die u beval

Dat uwe makkers ware uwe vijanden

Verbroeder u, soldaten overal

 

Blaast het signaal, gestorven mensenmonden

Dat aarde beve en doodsvreze kom

Over de heersers die u hadden uitgezonden

Voor vaderland, bezit en christendom

 

Dood aan dit drie-tal en de mensheid leve

En alle heerschappijen gaan teniet

Vertelt wie u den dood heeft ingedreven

Rijst op, soldaten, zingt uw dodenlied

 

Terug naar overzicht

Slot Loevestein

(met dank aan Mina de Vos voor het sturen van de de tekst)

Op slot Loevenstein,

Zat een Huig de Groot.

Blijven moest hij op het slot,

Blijven tot zijn dood.

Vrouw en dienstmeid deelden trouw,

In zijn droevig lot.

Reeds twee jaren waren ze reeds al op het slot.

Boeken kwamen menigmaal in een grote kist.

Als Mevrouw de koffers zag mijnde zij op list.

Daar in moest mijn man eens gaan,

Niemand die het ziet.

Als de kist het slot verlaat open ze het niet.

En dat plan gelukte ook.

Door de boekenkist,

Kreeg meneer de vrijheid weer, dank haar schrandere list.

 

Terug naar overzicht

Sollicitant voorzanger

(met dank aan Frederik Bentsink voor het sturen van de de tekst)

't Was op een warme zomermorgen, dat Joost, de klompenfabrikant,
Of wilt ge liever klompenmaker, zijn weg nam door het mulle zand.
Hij liep, of liever vloog daar henen en baadde bijna in het zweet,
Dat straalde van zijn rode wangen, al zuchtend „ phu!, wat is het heden heet”.

Steeds blazend, hijgend, met een tronie nog boller dan de volle maan,
Stond hij eind'lijk voor de pastorie van dominee en schelde aan.
De meid kwam voor, verschrikt en bevend, zij dacht bij 't hard geschel aan brand.
„Is dominee thuis?”, vroeg Joost zeer haastig? „Ja,” sprak ze haastig „wat is er aan de hand?”

„Niets, niets, maar ik moet dominee spreken”. „Er is toch soms geen kwaads geschied?
Je vrouw bevallen, of een zieke?” „Niks, niks, Ik moet dominee spreken, anders niet.”
„Oh”, zegt het meisje en sloft vlot henen, Joost blikt haar vol verlangen na,
Tot zij weer verschijnt en op zijn haastig „Mag ik binnen komen?” en het antwoord „Ja”,
Klimt hij de trap op en klopt weldra bij het studeervertrekje aan.
Hij treedt na het „binnen” in de kamer, waar hij voor de dominee blijft staan.
„Zo”, zegt de predikant zeer vriendelijk, „wat wou je van mij weten, goede man?”
„Och dominee, mag ik gaan zitten, daar ik bijna niet meer staan of lopen kan.”

Hij zet zich en veegt van zijn tronie het klamme zweet, met een roodbonte doek,
Legt zich gemak'lijk achterover en steekt nonchalant de handen in zijn broek.
„Nu, dominee, ik zal u vertellen” zegt Joost, „waarom gij mij hier ziet,
U moet dan zeker weten, gisteravond zat ik thuis in de kamer naast mijn Griet,
Toen buurman Klaas ons kwam bezoeken. Dag Joost," zei hij, „dag Klaas” zei ik
„Hoe maak je het” vroeg hij, „en je vrouw”? „Best”, zei ik, „zet jou een ogenblik.”

„Wel Joost”, begon hij verder, „heb je het nieuws uit 't dorp nog niet gehoord?
Voorzanger Jansen is gestorven, een zonnesteek heeft hem vermoord.
Nu weet ik, gij kunt prachtig zingen, heb jij soms niet in 't baantje trek?
Je kunt er licht naar informeren.” „Wel ja”, zei ik, „dat was niet gek,”

„Ook Grietje zei dad'lijk ja en amen, ' s nachts droomde ik er ak'lig van,
En Griet niet minder; en nu dominee, als ik om het baantje vroeg, wat dan?”
De dominee lacht om van te schudden, zoiets heeft hij nog nooit ontmoet,
Maar, hij wil graag een grapje hebben en zegt: „Ja Joost, ik weet zeer goed,
Dat jij zo fraai en luid kan zingen, maar zie je, daarbij hoort nog meer,
De zanger moet ook goed kunnen lezen en verder verstaanbaar evenzeer.

Kom, laat ons eens een proefje horen.” „Dat zal ik”, zegt Joost, „ik heb een stem
Waartegen geen os kan bulken”. Hij zet een keel op en eindigt met: „Ehm! Ehm!”
En lezen ? Ik ken vele spreuken en zelfs de catechismus uit mijn hoofd,
En and're teksten ken ik er wel duizend, verhoor mij als u mij nu niet gelooft”,

„Nu Joost” zegt dominee, „ik wil je iets anders vragen en sta je deze proef goed door,
Zodat het antwoord mij bevredigt, dan zal je 't postje zeker hebben, hoor!

Dus luister goed, je zult zeker weten dat Noach, die uit de arke kwam,
Drie zonen had: Sem, Cham en Jafeth, zeg me nu wie de vader was van Cham?”
„De vaer van Cham! Maar drommel, dat is toch wis een slimme vraag,
De vaer van Cham, neen, dat is een raadsel waarmee ik liever niet mijn hersens plaag.”

„Nu ja,” zegt dominee, „ik moet bekennen dat iedereen 't niet raden kan,
Maar raadt met je vrouw daarover, en breng me 't antwoord wat later dan”.

Joost keert nu spoedig naar zijn woning, Griet komt hem tegen op het pad,
Nieuwsgierig, zo een vrouw kan wezen, of hij het zangerspostje had.
„Nu Joost, hoe is het afgelopen?” is 't eerste wat haar mond verlaat,
„Oh ja”, zegt Joost, „ik krijg het zeker, want dominee is lang niet kwaad.

Hij lachte, oh, om van te schudden en was zo vriend'lijk en zo goed,
Hij deed mij zeker honderd vragen waarop ik 't antwoord gaf met spoed.
Maar één ding zie je, dat kon ik niet raden, nu, 't was dan ook een duvelsvraag,
Maar hij zei, vraag het aan Grietje en breng mij 't antwoord nog vandaag.

Luister, Noach had drie zoons: Sem, Cham en Jafeth, zo ik van dominee vernam,
En nu vroeg hij, wellicht dat hij 't zelf niet wist, wie of de vader was van Cham?”
„En wist je dat dan niet? Ezel, kuiken, jou aartsdomheid, kom vent, loop rond,”
Meteen gaf Grietje hem een oorveeg, waardoor hij als verslagen stond.

„Luister: De molenaar van 't dorp, oh ezel, die heeft drie zoons: Jan, Piet en Klaas,
Maar wie is dan van Piet de vader, vertel me dat eens, slimme baas.”
Thans schoot een lichtstraal, hel en flikk'rend door 't duister van Joost' hersens heen.
„De vaer van Piet, dat is, ik weet het, de molenaar van 't dorp alleen.”

En als de wind, het leek wel sneller, ijlde Joost weer henen, hij voelde bijna geen grond,
En schepte heel diep naar adem voor hij nogmaals in dominee's studeercel stond.
De dominee lachte in zijn vuistje, nu Joost vol vreugde weer bij hem kwam,
„Komaan,” zegt hij, „vertel mij eens spoedig wie wel de vader was van Cham?”

Vol hoop in 't hart treedt Joost nu nader en fluistert aan dominee's oor,
„Wanneer ik zeker ben van 't baanje, zal ik het u zeggen hoor!”
Joost rekt zich nog een beetje nader en zet thans nu alles op één worp,
„De vaer van Cham, nu ja Cham's vader, dat is:.....de molenaar van 't dorp.....”

 

Terug naar overzicht

Speelmans deuntje

(E.J. Potgieter 1808 - 1875)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)

Het mildste zonneschijntje
Verleent het landschap kleur
Noch geur,
Als ‘t gulden Rijnsche wijntje,
De roemer, dien ik beur; -
Wie zou druilen,
Wie zou pruilen,
Die ‘t zag blaken,
En mocht smaken ?
‘k Roep tot morgen
Vaarwel aan mijn zorgen,
Als ik druiven-zonlicht speur !

Hoe lokt het uit mijn vedel, -
Veel bloempjes draagt in Mei
De wei, -
Die liedekens zo edel,
Dat allerzoetst gevlei: -
“Vlugge lansje,
Kom een dansje !”
“Aardig zusje !
“Geef mij een kusje !"-
En de voetjes
Zij tripp’len al zoetjes,
IJlings zwiert een bonte rei !

Al menig scheepjes-helling
En zo ‘t pietje doet,
Ook goed !
Glijdt langs de gladde helling
Van mijn versleten hoed:
Oude manneke,
Nog een kanneke,
En, mooi-Klaartje !
Nu je vaartje
Niet zal kijven,
Och! laat me bedrijven,
Speelmans knepen zijn ook zoet !

 

Terug naar overzicht

Spreuk

(Willem Bilderdijk 1756 - 1831)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het allerdierbaarst goed

Is vrede van 't gemoed

In voor- en tegenspoed.

 

Terug naar overzicht

Spreuk

(J.P. Heije)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de de tekst)

't Is niet genoeg de weg te weten,

Wanneer men ergens komen wil.

Ook 't lopen moet gij niet vergeten

Sta dus in 't goede nimmer stil !

 

Terug naar overzicht

Sterfbed

(H. Marsman 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik zie de zon nog in het venster staan

maar reeds vervaagt de schemering de uren.

Ik weet dat het niet lang meer duren kan,

totdat ik met den dood alleen zal zijn.

Gij hebt mij lief; ik heb vergeefs getracht

u zo volledig lief te hebben als gij mij;

vergeef het mij: ik heb het slecht gedaan,

en bid voor mij en ga dan van mij heen;

hoe teer en machtig het ook is geweest,

het heeft voor mij nu alles afgedaan.

Schrei niet, ik zal u nazien totdat gij

de deur volkomen achter u zult hebben afgesloten

en mij alleen gelaten met den dood;

ik heb een leven lang in lafheden verdaan, en groot

zal het ook in het eind niet zijn,

maar ik wil in het enige gevecht

dat er op aan komt, trachten geen knecht te zijn.

Kom, ga nu heen, slechts dan heb ik de kracht

dit laatste te doorstaan zoals gijzelf

dit laatste tussen u en mij doorstaat:

zonder veel tranen,

woordenloos en recht.

 

Terug naar overzicht

Sterretjes

(Michel van der Plas)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Toen God ons schiep en de zee en het land
Hield hij al de sterren in de palm van zijn hand
En ze gleden door zijn vingers als korreltjes zand
Maar een schoot er ver uit zijn baan
Toen ging Heer God door de hemel op jacht
Naar die ene ster op de wind van de nacht
En hij zwoer: hij zou eeuwig erop zijn bedacht
Dat die niet teloor zou gaan

 

Soms zie je de sterren, soms zie je er geen
Want dan komen de wolken en zijn we alleen
Maar wat geeft dat als God door de wolken heen
Maar blijft waken en zien waar wij zijn

 

Die ene ster die de mijne heet
Ik loop erop rond en ik slaap en ik eet
Maar soms ben ik bang dat God hem vergeet
Dat hij niet meer weet wat hij zwoer met zijn eed
Weten jullie dan soms waar wij zijn
Sterretjes, sterren
Wij zijn maar zo klein
We weten niet eens waar we zijn

 

Terug naar overzicht

Stomen

(Nicolaas Beets  1814-1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Stomen, stomen, stomen !

Heel de wereld door !

'k Heb een plaats genomen

Op het langste spoor.

'k Wil in zeven dagen

Even naar Japan,

Met die houten wagen

Voerman ! kookt je span ?

 

Stomen, stomen, stomen,

Vliegen langs de baan !

Die wil zitten dromen,

Mag met paarden gaan.

Moffen, Polen, Russen,

Zie ik in een week;

Zeil jij ondertussen weer naar Sneek.

 

Wijf ! zit niet te pruilen !

Wees toch niet zo dom !

Voordat je uit kunt huilen,

Ben ik al weerom.

Eer de kousen klaar zijn,

Daar jij nu aan breit,

Zal ik al weer daar zijn

Met mijn dierbaarheid.

 

Stomen, stomen, stomen,

Snel door veld en bos,

Over diepe stromen,

Midden door de rots !

Aangevuld de dalen !

Bergen omgehakt !

'k Ga een theeblad halen

Van Chinees verlakt.

 

Gloeit het vuurtje lekker ?

Raast je water, maat ?

Voort maar met de trekker,

Die me vliegen laat !

 

Stomen, stomen, stomen !

Kerel ben je gek ?

'k Ben al aangekomen,

Eer ik nog vertrek.

 

Terug naar overzicht

Storm op de hei

(Marie Catherine Metz-Koning 1868-1926)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De hei ligt te huilen,
Ruig opengeborsten
Aan kieren en kuilen
En schropige korsten;

Met plotsige schokken
Uit gaten en naden;
Met bonkige nokken
Uit narvige paden.

En boven, de wolken,
Die drommen en draven,
Als donkre volken
Geklonkene slaven.

Wijl wind, in zijn woede,
Bij ’t ijzeren drijven,
Blind geesselt ten bloede
Hun trotsige lijven.

 

Terug naar overzicht

Student worden

(A. van der Hoop Juniorsz  1827 - 1863)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Achttien jaren, rode konen;

't Eerste dons om mond en kin.

Dromen van OP KAMER WONEN;

Wars van 't ouderlijk gezin;

Heel veel houden van biljarten,

Met een enkel glaasje rum;

Vaders wijze lessen tarten,

Piet zijn van 't gymnasium:

Lekkere cigaren roken;

Bluffen van een HALVE KIST

'Weekgeld gauw de nek gebroken

Woensdagavond: O.P. is 't !

 

Mode jassen, wijde broeken;

Ná de schooltijd met een hoed;

Vrienden op een pijp verzoeken;

Doen, net als Papalief doet.

Jonge meisjes courtiseren;

Blozen als men HAAR spreekt;

Zich en vrai roué poseren,

Die de draak met vrouwen steekt.

Meest vrijpostig; meest verlegen,

Juist, waar dit onpaslijk is.

Schaars gesproken ! Best gezwegen !

Hallef vlees en hallef vis !

 

Laatste cursus, repeteren,

Pompen, pompen, dat het kraakt;

Een oratie debiteren,

Door de RECTOR ZELF gemaakt.

Met een brief zich aangegeven,

Voor de Staats-examen-kuur;

Voor de zeven Heren beven,

In het bang beslissingsuur,

'k Ben er door ! - 't Begon te spannen,

Maar... ik was goed onderleid:

Vier gedropen; - 't Spijt me van N.

"k Had het wel vooraf gezeid."

 

Nu pedant zijn ! Omes, Tantes

Pochen met een wijs gelaat,

Omdat neef zo bijdehand is,

En naar de Akademie gaat !

Moeders kussen; vaders zegen;

Eerste stap op 't glibberig pas;

Geeltjes mee op reis gekregen;

Vreemd zijn in een vreemde stad;

Kamers huren; platen kopen;

Eigen kast en eigen wijn;

Nachten aan de dagen knopen;

Een Wel Edel Heer te zijn !

 

Dikke stokken, grote honden;

Ploert, Ploert in, mijn kast, de kroeg;

's Middags laat op bed gevonden;

En wie weet, waar 's morgens vroeg.

Nieuwe vrienden, nieuwe strikken;

't Vleien van 't sirenenlied;

Beren, die de handen likken;

Chais of toga in 't verschiet.

Jonglings dwaasheid - Jonglings weelde;

Waar de man het hardst voor boet;

Menig, die zijn heil verspeelde,

Beste jongens, houd je goed !

 

Terug naar overzicht

Taal

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Buiten mijn moedertaal

En die der nachtegalen

Wist ik naar diepe zin

Geen klare talen

En vaak heb ik bedroefd

Naar 't wonderboek gekeken

Waarin geschreven stond

Wat andere landen preken

 

Toen deed de stad van leed

Voor mij haar poorten open

Ze leerde mij 't geheim

Van wanhoop en van hopen

Daar hing te spreken veel

Aan ogen en aan monden

Waarvoor men hier beneen

Geen taal heeft uitgevonden

 

Leven is hogeschool

Voor nieuwe en dode talen

Die lang mag leerling zijn

In haar rumoeren zalen

Die dan uit kolken roes

Van juichen en van smeken

Redden het ijl relaas

Waarin de zielen spreken

 

Terug naar overzicht

Tante's testament

(J. Speenhoff)

(met dank aan Marc Blokland † voor het sturen van de tekst)

Lieve nichten, lieve neven, hier is tante's testament.

Tante kan niet eeuwig leven, ook aan tante komt een end.

Om het afscheid te verlichten laat ik als gedachtenis,

Aan mijn neven en mijn nichten alles wat hun dierbaar is.

 

Nooit kon mij een man behagen, nooit werd mij wat raars gevraagd.

Daarom sterf ik zonder klagen als een hoog bejaarde maagd.

Heel mijn leven was ik gierig, dikwijls at ik korstjes brood,

Zo te leven is plezierig, want dan gaat men schatrijk dood.

 

Aan mijn nicht Mietekeetje, laat ik al mijn valse haar,

Mijn gescheurde déjeuneetje, want dat kreeg ik zo van haar.

Verder maak ik aan neef Arie, die zoveel van Mozart houdt,

Mijn bekroonde kunstkanarie, plus een pakje havermout.

 

Voor mijn neef, de apotheker, zijn de restjes medicijn.

Want die drankjes zullen zeker na mijn dood hem nuttig zijn.

Laat zijn vrouw er zich aan laven, 'k gun d'er die restantjes graag.

Want haar tante wordt begraven met een glad bedorven maag.

 

Dominee schenk ik mijn poesjes, met hun mandje en hun bak.

Voor die twee gestreepte snoesjes had hij al zo lang een zwak.

Aan mijn meid met grijze haren, die met mij heeft saamgeleeft,

Schenk ik wat ze al die jaren uit mijn huis gestolen heeft.

 

Iedereen heeft nu het zijne, iedereen is ruim bedacht.

Tante kan gerust verdwijnen, tante heeft haar taak volbracht.

Doch mijn geld heb ik vergeten, och wat maal ik om dat slijk !!

Mijn familie heeft te eten, 'k maak er dus de kerk mee rijk.

 

Terug naar overzicht

Tarcisius

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

't Waslicht brandt, de belle klinkt

En ieder werpt zich neer

En met 't hoofd in stof gebukt,

Aanbidt hij onze Heer

 

Het machtig priesterwoord doorklonk,

De holle catacomb.

En Jezus Christus daalde neer

Op 's martelaars marmeren tomb'.

 

"Wie" vraagt de grijze priester thans

"Wie uwer is de held,

Die met des heren heer belâan,

Naar d' engelen kerker snelt ?"

 

"Wie uwer waagt er het leven aan,

Om uwen broed'ren hart,

Te sterken tegen foltertuig,

Verguizing smaad en smart ?"

 

"Ik, ik"zo roept een kinderstem,

"Schenk vader mij die eer."

En zie daar knielt een schone knaap

Aan 's priesters voeten neer.

 

"Ik bid u, vader hoor mij toch !"

Zo roept hij smekend uit

En heft zijn beiden handen op,

Als naar een kostb're buit.

 

"Tarcisius, mijn dierbaar kind,

Gij zijt voorwaar te kleen !"

"Neen vader,juist mijn teed're jeugd,

Drijft elk vermoeden heen."

 

Zo dringend bidt zijn smekend oog,

Bepareld met een traan,

Dat de oude Dyonisius,

Niet langer kan weerstaan.

 

Hij wikkelt vlug het goddelijk brood,

In lijwaad fijn en wit.

En reikt het aan den vromen knaap,

Die knielend voor hem zit.

 

"Mijn kind, vermijdt het druk gevoel,

Ontwijk het eenzaam pad

En lever, wat er ook gebeurt,

Aan niemand uwe schat."

 

"Eer sterven" roept de jonge held,

En drukt aan "t kloppend hart,

Zijn kostb're last, waarvoor hij dood

En doodsgevaren tart.

 

Met blij gemoed en lichte tred,

Snelt hij ter kerke voort.

Verlaat, al biddend tot zijn God,

De stad door Romes poort.

 

Daar treedt een vrouw hem in de weg,

Een edele matroon,

Gezegend wel met goud en goed,

Helaas, doch zonder zoon.

 

Zij ziet den knaap en spreekt hem aan,

"Hoe is u naam mijn vrind ?

Vertel mij wie uw ouders zijn,

O, had ik zulk een kind."

 

"Ik heet Tarcisius, mevrouw

En ben een arme wees !"

"Kom dan bij mij en wees mijn zoon,

Kom, volg mij zonder vrees."

 

"Nu kan ik niet,  kom morgen dan,

Dat ik u alles geef !"

"Ja goede vrouw dat zal ik doen,

Wanneer ik dan nog leef."

 

Met vlugge stappen snelt hij voort,

Maar wat gebeurd er hier?

Wat schrikkelijk leven en geweld,

Wat onbesuisd getier.

 

De school is uit, in dolle pret,

Bevrijd van boei en band,

Spring uitgelaten jeugd daarheen

En dartelt hand in hand.

 

"Kom jongens gauw een speelpartij,

Kom allen op de loop !"

"Het kan niet, één ontbreekt er ons !"

Roept iemand uit de hoop.

 

"Maar hoe daar is Tarcisius,

Gij komt van pas mijn vriend.

Kom, help ons spoedig in dit spel

Zo zeer door u bemind."

 

"Petilius, ik kan nu niet !" "Gij moet !"

"Ach hoor mij beê,

En laat mij deze keer nog gaan !"

"Geen praatjes, gij doet mee !"

 

"Gij draagt daar zeker enen brief,

Kom geef hem mij zolang.

Gij krijgt hem weer op 't eind van 't spel,

Wees daarvoor dus niet bang."

 

"Nee nooit !" zo roept de jonge held,

Nooit krijgt ge in uw hand,

Wat ik hier draag." "Laat zien,

Laat zien dat kostbaar pand !''

 

"Nee nooit!" zo roept Tarcisius,

"Nee nooit, zo lang ik leef."

"Ik zeg het u, laat zien,

Laat zien, of anders........beef."

 

Hij schopt en slaat de arme knaap,

En rukt hem heen en weer,

En slag op slag en stoot op stoot,

Valt op het jongske neer.

 

Met ruw geweld treft hem de vuist,

Tot hem 't verlies van 't bloed,

Doch steeds met de armen op de borst gekruist,

Ter aarde zinken doet.

 

"Hier, christenhond dat is je loon !"

Zo roept een, doch wat is dat ?

Hier wordt er een terneer gesmakt

Daar rolt er een op 't pad.

 

Een reuzenofficier verschijnt,

Werpt alles heinde en veer,

En knielt, het hart vol medelij,

Bij "t stervend jongske neer.

 

"Tarcisius, mijn dierbaar kind,

Wat heeft men u misdaan?"

"Quadratius, ik draag het goddelijk brood,

Men viel mij daarom aan."

 

Zo teder als een moeder kan,

Neemt hij het knaapje vast

En richt zich naar de catacomb,

Met zijne dierb're last.

 

Eén hield hem staan, een edele vrouw,

Die vol ontzetting riep:

"Mijn God dat is Tarcisius,

Die straks zo vlug daar liep !"

 

"Wat heeft het arme wicht misdaan,

Dat ik hem zo wedervind ?"

"Mevrouw, ze hebben hem vermoord,

Een christen was het kind."

 

Verbaasd wijkt zij een stap terug.

Hij opent het brekend oog.

En met een lach vol tederheid,

Ontvliedt hij naar omhoog.

 

Die laatste blik van 't stervend kind,

Die lach vol engelenmin,

Herwon heur hart tot 't waar geloof,

Ook zij werd een christin.

 

Terug naar overzicht

Te wapen

(Carel Steven Adama van Scheltema 1877 - 1924)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Te wapen ! roept:"te wapen"

De kreet gaat als een gesel los

Daar springt het als een spokend ros

Daar holt het al door beemd en bos

Daar davert het "te wapen"

Zij ijlen op dien luiden last

Zij grijpen lood en ijzer vast

En allerwegen roept en wast

Dat wilde woord: "te wapen"

 

Te wapen ! roept:"te wapen"

En bonzend port het -klop ! klop ! klop !

Aan ieder hart, aan ieder kop:

Trek tegen uw mensenbroeder op

En slacht hem met uw wapen

Zij rennen op een blinden hoop

En 't blinde noodlot neemt zijn loop

Zij vallen bij den eersten doop

En blijven eeuwig slapen

 

Te wapen ! roept:"te wapen"

En nieuwe scharen zijn gehaald

Getooid, getuigd, gespoord, gezaaid

Uit hunne starre ogen straalt

De glans van 't valse wapen

 

Zij zijn uit huis en hof vergaard

Zij stijgen op hun stampend paard

En uit hun harde ogen staart

De doodswil van het wapen

 

En overnieuw ! - hoor: "te wapen"

Ligt de eerste vijand neergeveld

Dan gaat het gauw om goed en geld

Dan groeit de waanzin van 't geweld

Te roven en te kapen

Dan gaat het om een mens zijn dood

Een mens zijn goed en bloed en nood

Zo verven zij de wereld rood

Met hun betoverd wapen

 

Te wapen ! - hoor: "te wapen"

Waar hijgend heel de mensheid streed

Waar heel de wereld druipt van leed

Rijst uit de aard een nieuwe kreet

Te wapen ! ons het wapen

En 't roept-het groeit, het nieuwe woord

O makkers ! roept het verder voort

Dat ieder mensenkind het hoort

"Ontwapen" hen ontwapen !

 

Ontwapen hen ! ontwapen

Vecht tegen misselijk onverstand

Vecht tegen al wat samenspant

Met lood en dood en moord en brand

Te wapen ! taaie knapen

Komt kerels ! kerels houdt u kloek !

Vecht tegen dien verdomden vloek !

Vecht ! vecht gij voor ons rode doek

Te wapen ! om het wapen

 

Sta op !-op ! te wapen

't Gaat tegen al wat ons verblindt

Het gaat om al wat samenbindt

't Gaat om de toekomst van uw kind

Kind tot geluk geschapen

Help, help te strijden voor 't geslacht

Dat stamlend in zijn wiegje lacht

Dat op uw durf en daden wacht

Te wapen om het wapen

 

Terug naar overzicht

Tevreden

(met dank aan Hennie Schreurs voor het sturen van de tekst)

Wat vraag ik toch naar geld of goed?

Tevredenheid is meer.

Een vrolijk hart met kracht en moed

Geeft onze lieve Heer.

De prijs waar ik veel voor ontvang,

Is mijn morgenlied en avondzang.

En zie ik dan de schepping aan,

Natuur in goud gehuld,

De dauw met zilver op de blaân,

De halm met graan gevuld.

Dan denk ik: al dat schoon, die pracht,

Heeft God voor mij ook voortgebracht.

 

Terug naar overzicht

Thuis

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Thuis zijn we met zeven kinderen

Moe is fier op haren schat, vader ook,

Maar soms zegt hij, zeven koppen kosten wat.

Moeder lacht hem dan eens tegen en ze zegt,

Ja lieve man daarvan weet ik mee te spreken,

Ik ondervind er alles van, kousen stoppen, jasjes naaien,

Hier een scheur en daar een haak.

Nieuwe knieën in de broeken

Ik weet niet meer wanneer ik naai.

Ja, zegt vader en aan eten,

Ik zou niet willen dat ik er een missen zou.

Zou u het ook iets droevigs vinden

Moeder schudt haar hoofd, fluistert en zegt,

God laat ons het zevental behouden,

Ze zijn ons duur maar ze zijn ons goed.

 

Terug naar overzicht

Tingelingeling

(met dank aan Monique Verkinder voor het sturen van de tekst)

Tingelingeling 't belleke bij Mieke ging

Mieke deed het deurtje open

en ze zag de bengels lopen

"Wat" zei Mieke "bellke trek,

houdt uw moeder voor de gek."

 

Tingelingeling 't belleke al weerom ging

Mieke speelde nu de dove

en ze sloop heel stil naar boven

"Wacht" zei Mieke "keert ge weer,

'k giet een emmer water neer."

 

Tingelingeling, tingelingeling

Plof hoe 't water neerwaarts vloog

en de bengels van daar onder

kregen 't water op hun donder

"Zo" zei Mieke "keert ge weer...

'k giet er voor een tweede keer."

 

Terug naar overzicht

Toen 't kindje op de wereld kwam

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Toen 't kindje op de wereld kwam,

Al uit zijn donker hoekje,

Toen dronken de vrienden wijnkandeel,

En ze wonden 't in een doekje.

Al wie 't kindje z'n luurtjes vouwt,

Leven ze lang dan worden ze oud,

En ze zullen te bruiloft komen,

Als ons klein kindje trouwt.

 

Toen 't kindje op de wereld kwam,

Al uit zijn donker hoekje,

Toen dronken de vrienden wijnkandeel,

En ze wonden 't in een doekje.

Baker, baker, rep je wat !

Dat ons kindje geen koû en vat,

Want zijn zoete papaatje

En zijn lieve mamaatje

Wilden het zoo graag houden.

Het heeft oogjes, helder en klaar,

Op zijn bolletje lief krulhaar,

Lipjes met roode randjes,

En een paar poezele handjes.

 

Toen 't kindje op de wereld kwam,

Al uit zijn donker hoekje,

Toen had het nog geen hempje an,

Ja, zelfs geen onderbroekje;

Baker, baker, rep je wat !

Dat ons kindje geen koû en vat,

Want zijn zoete papaatje

En zijn lieve mamaatje

Wilden het zoo graag houden.

Het heeft oogjes, helder en klaar,

Op zijn bolletje lief krulhaar,

Lipjes met roode randjes,

En een paar poezele handjes.

 

Terug naar overzicht

Toren van Babel

(Hendrik Marsman 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik zat op school en kreeg weer te horen
Dat de toren van Babel
Als een ton
In duigen had moeten vallen,
Omdat de menselijke ziel
Van de ene hoogmoed in de andere viel.
En hoogmoed komt voor de val;
Zij had haar grenzen niet willen bewaren,
Zij had niet kunnen verkroppen
Dat de toppen des heuvels onbereikbaar waren,
Zij had Gods scheppingsmacht willen evenaren
En wat niet al !

 

Terug naar overzicht

Tristan en Isolde

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Plotseling de beelden
Tristan op zijn Paard
en die zo mooie vrouw Isolde
bordurend bij de haard
 

Samen staan zij in het kasteel
zo beschreven in het verhaal
de trappen op de keuken in
zij vinden de bokaal

Zo die is mooi zei Tristan dus
en zie die beker die is vol
neem jij een slok, neem ik er twee
gewoon maar voor de lol

En toen vielen de schellen van hun ogen
keken ze elkaar aan en werden verliefd

Maar in die mooie middeleeuwen
werkte dat niet op die manier
Tristan kon vertrekken
Isolde die bleef hier

Die moest trouwen met een prins
zo’n soort van Charles of Alex W
daar deed men toen niet moeilijk over
de bruidschat was okee

Tristan trouwde met een helleveeg
zo een die wist, ik kom niet eerst
er is een ander, vast Isolde
die mijn man zijn hart beheerst

De man werd zieker niet echt ouder
en kwam al snel niet meer uit z’n bed
de priester werd geroepen,
de familie die wist het

Die vrouw van hem was vastbesloten
ik zeg het Isolde niet

die kan van mij de veren krijgen
dat misselijk stuk verdriet

Isolde hoorde het bij de bakker
rende naar huis en sprong te paard
reed als een gek naar Tristan
maar ja ze was te laat

Ze stortte in op zijn kist
en brak haar hart het kraken was te horen
ach binnen een minuut of tien
was haar leven ook verloren

De moraal van dit verhaal
drink nooit samen uit een beker
je houdt daar beide wat aan over

Dat is zeker.

 

Terug naar overzicht

Twee jongens van de Molenlaan

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn gedachten gaan naar de Molenlaan

Naar vader Jan en moeder Margriet.

Ik zie daar ons oude huisje staan

De mooie molen aan de Vliet.

 

Dit verhaal is niet verzonnen

Een verhaal van kind, tot man;

Het begint bij de kakschool van de nonnen

Het eerste dat ik mij herinneren kan !!

 

Op de school kon men genieten;

Alleen die nare dokter in ’t Veld:

Door hem werden neten en de pieten

Heel nauwkeurig opgeteld !!

 

Moe had ’n hekel aan die man;

Zij mocht hem niet erg lijden,

Want met lysol en oliekan,

Kon zij luis en neet bestrijden !!

 

Het was vele jaren later

Dat ik aan dit middel dacht,

We hebben thuis ’n grote kater

Met ’n dikke vlooienvacht

 

Wij namen water met lysol,

We zouden dat klusje wel eens rooien,

En spraken tot de kater liefdevol:

“We gaan je vandaag ontvlooien !”

 

Het is uit met het gedonder;

We gaan je helpen uit den nood

‘We stopten hem even kopje onder…

De vlooien leefden, de kat was dood !!

 

Ons oude huis, een zolder en ’n luik,

Daar denk ik nog dikwijls aan,

Een groentetuin, een bessenstruik.

Door de pannen scheen de maan !!

 

Van deez' zolder een mooi verhaal;

Het gaat af en toe wat stinken.

Het is niet zo’n fris onthaal.

Maar u mag ons niet verlinken !!

 

Wij waren aan het bootje varen

Bij de molen aan de Vliet,

In ons zak, ’n paar sigaren

Gepikt van pa, hij wist het niet !!

 

We waren stiekem aan het roken;

De sigaar ging van mond tot mond,

Mijn maag begon wat op te spoken,

In mijn broek voelde ik wat stront !!

 

Broer Jan behoefde niets te leren;

Hij rookte als een grote vent,

De sigaar was in de kortste keren

Volledig aan haar end !!

 

Maar het was ook met ons gedaan;

Het was duidelijk en klaar,

Daar kwam ons papaatje aan;

We waren letterlijk de sigaar !!

 

Pa was hels; Pa was boos.

 

Terug naar overzicht

Twee oudjes

(Marie Boddaert 1844-1914)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De lucht is zo helder, het windje zo warm,
- Hij stiet zijn tuindeur open,-
‘Kom, vrouwke, een toertje !’ en hij bood haar zijn arm,
‘Al ’t groen is uitgelopen.’

Zo gingen zij saâm, op hun krukskens geleund,
Langs sappig groene blaren,
Langs ’t bos, waar de merel zijn liedeke dreunt
En kleurige vlinders waren.

Heel langzaam ... Zij spraken niet veel daarbij,
Hij dacht: ’Alweer een jaartje;
Daar had ik niet op gerekend !’ – En zij:
‘Een oud maar gelukkig paartje.’

 

Terug naar overzicht

Twee tevreden

(Const. Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De dove prijst het zien, de blinde prijst het horen:

Want d'ene hoort door 't oog en d'ander ziet door d'oren.

 

Terug naar overzicht

Twee vrienden

(H. Marsman 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De maan maakt de nacht tot een sneeuwwit veld
een man heeft zijn vriend van zijn leven verteld:

er is door dit spreken een wonder gebeurd:
hun harten zijn zozeer eender gekleurd

dat de een als hij soms naar den ander ziet
bij zichzelve zegt: maar ben ik dat niet ?

een vrouw; nog een vrouw; een vertederend gemis.
het is alsof alles ten einde is

want één hart blijft thuis, en één hart gaat op reis
maar geen van twee vind het Paradijs.

 

Terug naar overzicht

Twente

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

Doar woar de eken greujt,

En de bloom'n bleuijt,

Doar woar de dan'n wast,

Doar woont 'n volk,

Dat 'r bie past.

 

Terug naar overzicht