(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Al woon ik in
het klooster,
van steen is mijn harte niet.
Wijn is mijn vertrooster,
vasten mijn verdriet.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.
Van alle goeie dingen
is 't beste nog de wijn.
Wil pater vrolijk zingen,
daar moet gedronken zijn.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.
Gij hoort, mijn stem is helder
als 't vocht in mijne kruik.
De sleutels van de kelder,
die rinkelen op mijn buik.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water,
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.
Het schijnt u allen wonder,
hoe vol mijn wangen zijn.
Dat komt van rooie Bourgonder,
dat komt van gouden Rijn.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.
Het staat niet in een boekske,
wat ik ten hemel bid.
Zet mij maar in het hoekske
waar vader Noach zit.
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.
Al noemt men mij eerwaarde,
'k Maak u geen leugens wijs:
daar is een hel op aarde,
maar ook een paradijs !
Bibamus, zegt de pater,
liever wijn dan water.
Bibamus ! Drinkt, gelijk
uw ziel in 't hemelrijk.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
O, plompenblad,
dat schommelt
Al op en neer als ’t water deint;
Doch groener nog dan ’t kroosveld schijnt,
Wanneer ge 'r opsteekt overeind,
Tot gij verzinkt, verschijnt, verdwijnt,
Als ’t onweer, nu het daglicht kwint,
Schor rommelt !
O groene bies, bewogen
In de onbewogen avondlucht
Door ’t vallen van een beukevrucht,
Door ’t suizen van een vlindervlucht,
Door ’t koeltje dat uit ’t Zuiden zucht,
Maar tot den grond door ’t stormgerucht
Gebogen !
O, paardebloem aan ’t bloeien !
Zoo vrolijk geel, zoo zonnig teer,
Op ’t weiland aller bloemen heer;
Maar blaast het kind straks op u neer,
Dan zie ik, hoe zich keer na keer,
De zaadjes, als de donzen veer,
Voortsproeien !
O, plompenblad, bies, bloemen !
Gij spiegels van mijn zielsverdriet,
Van al wat ’t leven bitters biedt
En wat men zelden duidlijk ziet;
Gevoelend waar men vol van schiet;
De wondre dingen, die men niet
Kan noemen !
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Roodborstje,
roodborstje, geestige dief !
Heb je wel ooit te pronken gezeten ?
't Kooitje van koper en 't bakje vol eten;
Aardige springer ! wat heb ik je lief !
Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,
Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,
Dat ge de veertjes zo slapjes laat hangen,
Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt ?
Knaapje lief, knaapje lief ! was er mijn kooi,
Was er mijn eten ook lekker en keurig,
Buiten in 't bos is het eens nog zo fleurig;
Vrij te zijn, lieverd ! is beter dan mooi !
Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,
Ginds op die boom, waar geen tralie mij stoort;
Vriendje ! dan zal ik een lied voor u zingen
Zoals ge nimmer of nooit hebt gehoord !
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De bui is
afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond -
gewelfde wolken; over is gebleven
het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.
En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van den regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht.
en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)
De ene
begeleidt, de andre draagt mij,
Tot mijn genoegen en in zware strijd.
Dit zijn bevredigingen en dit plaagt mij,
Want zij zijn roekloos aan mijn dienst gewijd.
Het paard! (ik voel mijn snelheid vertienvouden),
Dat man en lans, die mij belaagt, vertrapt.
De hond ! die afgeeft wat hij graag wou houden,
Mijn handen lekt, naar de belagers hapt.
Ik ben gepantserd, zij leevren hun huid
Naakt, dapper, aan de schunnige dood uit,
Ik aarzel en zij weigren niet te sterven.
Zij spitsen de oren als een hoorn weerschalt.
Zij schreeuwen als de zege mij toevalt,
diep dankbaar dat ze een liefkozing verwerven.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)
Ik ben geen
plant: ik wil geen rust
'k Ben jong en - van mijn tijd,
Brenge ieder uur mij leed en lust
En telkens nieuwe strijd!
Als het plan wordt een daad,
Zonder raad of beraad,
Als ik liefheb en haat,
Als ik schrei, als ik lach
Wel honderd malen iedren dag,
Dan ben ik 't leven mij bewust,
Dan leef ik eerst naar hartelust,
Al wat ik leven mag!
(met
dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de de tekst)
Ik heb de
liefde liefgehad;
Daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zo doet de mooie minnaar
Met een zeer verliefde kind.
Ik heb de zon te lief gehad
En beu van beedlen
Aan de deuren van de dagen
Ben ik geworden als een varenblad
Dat liever in het lommer leeft
Dan zon te dragen.
En daarom bouwt mijn kommer aan een huis,
Waar lamp- en zonnelicht,
Getemperd zijn voor de ogen
En waar de soobre lijn van een gelaat
En waar de vrede van een vriendschap staat,
Lijk schaduw van een boom
Over mijn hoofd
Gebogen.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)
"Ach! Hoe werd
ik veracht
By Grooten en by Leeken,
Te recht doe ik mijn klacht,
T'onrecht werd ik versteeken;
Men plant my hier of daar
In hoecken niet zeer kuis,
Als of ik niet en waar
Noodzakelijk in 't huis.
Ik ben zeer goet nochtans,
Men kan my ook niet missen
'Zy vrouwen ofte mans,
Sy kakken en sy pissen.
Geen Koninck, Prins noch Heer,
Geen Paus noch Kardinaal,
En wat van dien is meer,
Sy kakken altemaal.
De Meisjes teer en zwak,
Sy dienen niet vergeten,
Sy krijgen mee al kak,
Sy kunnen 't niet uitzweeten.
Tot my vlucht iedereen,
Beladen met dees Maers,
Als sy maar voelt de ween
Des zwangeren Aers.
't Helpt geen Ambassadeurs
In uwe plaats te zenden,
Maayken moet zelfs de keurs,
En Jan de broek afbenden.
Maar die wil metter spoed
Verlost zyn daar 't hem pakt,
Die buige met ootmoet,
Drukt hy, ik weet hy kakt.
Die niet kakt by gebrek,
Is 't niet och arm, och lacy,
Moet hy niet naar d'Apteek
En halen een Purgacy ?
Bedenkt dit nu wel aan,
Weest niet meer zo confuys,
Maar stelt my nu voortaan
In 't beste van uw huys."
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)
September blaas
uw gouden vlammen
Door al de wijde wereld heen !
Blaas van nog boordevolle stammen
Het kwijnend afval naar beneên !
Begraaf ons in uw gulle goud,
Tot ons ontstuimige verlangen
Barst boven al uw wilde zangen
En feest in al uw vruchten houdt !
September blaas uw witte buien
Als blâren van een rozenstok !
Blaas aan ons hart, tot het gaat luien
Als de uit goud gegoten klok !
Totdat ons hoofd zijn lichten draagt
Als de aan uw goud ontstoken lampen,
Tot straalt door al uw blinde dampen
De dag, die uit uw donker daagt !
September blaas de hemel open !
Blaas door de wolken wagenwijd !
Tot onze harten overlopen
Van ’t goud dat uit de hemel glijdt !
Tot onze schoot uw licht bewaart,
Tot wij de lichte wereld loven –
Tot onze ogen gaan geloven
Aan alle heerlijkheid op aard !
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)
Ik zag u eens,
mijn koning, toen de muur
Spleet en in de enge cel, nu maatloos groot,
Stondt gij wiens diadeem om 't voorhoofd sloot
En beide uw ogen waren sproeiend vuur.
En met uw lans troft gij den draak, 't onguur
Gedrocht, karbonkel-ogig: door dien stoot
Sprong 't bloed zwart-rood en spoot omhoog en vloot
Gelijk een stroom en daar ik staar en tuur
Windt hij door groene weiden en de stad
Rijst aan zijn boord en schepen wieglen er
Vol schat en volk naar de ondergaande zon.
Ik zat als op een heuvel en ik kon
Den schemer zien die oprees, vaag en ver -
En 't was alsof ik in uw schaduw zat.
(met
dank aan Jan Beek voor het sturen van de de tekst)
In zeker
dorpskapel Sint Jurriaan gewijd, stond op zijn voetstuk hoog verheven,
tot troost des
volks sinds lange tijd het beeld diens vrome man ten voeten uit naar ´t
leven.
De priester
dier kapel, het zou morgen hoogtij wezen, en om daarom niet zomaar
overheen te stappen, zou hij met eigen hand de zaak eens ferm op gaan
knappen.
Hij poetst dus
Jurrie stevig op, maar wee o wee hij raakt te hard de oude stenen kop
en of het spel
juist sprak: knak zei die knak en nog eens knak.
Daar hemel lag
de kop in stukken.
O ; ik loop
morgen het gevaar, dat men in kloften zich verenigt en mij uit vrome
ijver stenigt.
Hij roept zijn
trouwe engel aan hem in deez nood toch bij te staan.
Maar ja zijn
engel laat hem fluiten.
Zie daar; hoe
kon men het mooier dromen, verschijnt een oude galgenbrok toevallig daar
voorbij gekomen. Eén die het land doortoog wat handelde en de lie´n
beloog.
Hij leek de
ander op een haar als of ´t zijn tweeling broeder waar.
Hij durft hem
stout voor te slaan om morgen op Jurries plaats te staan.
En voor heilige
te spelen, de opbrengst zullen ze samen delen.
De fielt had
voor een glas wijn de duivel zelf wel willen zijn
zou hij zich nu
lang bezinnen om als heilige een goed drinkgeld te gewinnen?
Hij doet het
voor de halve som, vertoeft die nacht in het heiligdom.
En `s morgen
kostelijk kostelijk uit geslapen, trekt hij het potsierlijk pakje aan,
klimt op de
plaats van Jurriaan en stond al was hij daar geschapen.
Het werd dag,
daar komt de vrome schaar van alle kanten binnenstromen
´t was
halsbreekspel en lijfsgevaar om binnen de kapel te komen.
De fielt lacht
eens om die vrome zielen, die biddend voor hem neder knielen.
Zie hoe hij
lacht, zegt een, die man zo hoog in waarde, hij knikt ons toe als was hij
nog op aarde.
Hij vervloekt
en stilt dee´z vrome handel en dacht “als ik vleugels had, ik koos bij
Job het hazenpad en was reeds lang weer op mijn wandel”.
Was nu de boze
geest niet mede in het spel geweest, nog had de zaak zich kunnen klaren!
maar deze in
een wesp gevaren, stak, want de kerel was een geus,
uit spijt hem
deerlijk in zijn neus,
Jurrie hield
zich keurig kloek en bleef gelijk een paal gelukkig in zijn hoek.
Maar satan
nimmer moe om het vrome volk te plagen, buigt een waskaars die daar aan de
wand twee spannen boven het hoofd des arme kerels brandt en het heet
gesmolten was loopt tappelings en plas bij plas Sint Jurriaan om neus en
ogen.
Dit pijnbank
proefje houdt de fielt geen tien seconden uit.
Cristousen
element schreeuwt hij, wat duivelse lekkage.
en springt
pardoes van zijn stellage.
Gemeente koster
alles vlood, men trapte schier elkander dood.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)
Ik wil het oude
feest bezingen
Op blijden toon;
Ik stem het voor de lievelingen
Van al het schoon.
Komt, komt vereerders van het smullen!
Een oude baas,
Zal thans uw grage magen vullen,
Sint Nikolaas.
Eet, eet banket
en taaie poppen
En taartgebak
Zoek uwe magen vol te proppen
En leeg uw zak.
Neem speculatie bij de ponden
Van 't beste soort,
En stop het suiker in uw monden
Zoo als 't behoort.
Vereer alzoo
den grooten heilig
Van de oude tijd.
Dan zijt gij in zijn hoede veilig
Zijn zorg gewijd.
Dan kunt gij op zijn gunsten letten
Met blijden zin,
En krijgt bij 't jaarlijks schoenen zetten
Geen gart er in.
Komt, laat uw
meisje u vergezellen
De tafels rond;
En wil in haar bezit het stellen
Wat schoons zij vond.
Hozee! Sint Nikolaas, hij leve!
Als het hem behaagt,
Dat hij nog menig hartje geve,
Aan wie het vraagt.
Hier ziet gij
Schepen, Ruiters, Beelden,
In vorstentooi,
En schoon niet meer met goud bedeelden,
Toch goed allooi.
Wat letters om te watertanden,
Wat keurbanket,
Zoo regt begeerig voor uw handen
Hier opgezet.
En wat
verscheidenheid van kleuren
In 't suikergoed,
Parijs doet hier haar kunstzin beuren
Die wond'ren doet.
Wat
tafelstukken hoogverheven
En rijk getooid,
Wat taarten sling'rend doorgeweven
En rijk bestrooit.
En dan die
meisjes en die vrouwen
In wit gewaad,
Die u het gekochte toevertrouwen,
Met gul gelaat.
Komt, komt betreed met lust den drempel
o Jonge maats!
Hier zijn Godinnen van den tempel,
Van Nikolaas.
o, Ziet gij 't
met dat woelig leven
Dien stroom van licht?
Zelfs de armste slokker wort gedreven
Door lust en plicht,
Hij koopt taaitaai en kleine moppen,
En rept met spoed
Zich mond en zakken vol te stoppen,
Met bakkersgoed.
Wat woelen
buiten, woelen binnen!
Geschreeuw als dol!
Wat dikgebuikte streekboerinnen,
Met trommels vol!
Wat gapen voor die bakkersglazen,
Hoog uitgestrekt!
't is of het alles hier verbazen,
Bewond'ren wekt.
En, wil uw
meisje of vrouw iets zoeken
Zoo fraai als schoon?
Ginds hangen schermen omslagdoeken,
Met pracht ten toon.
Gij kunt er kinderpetten koopen,
En kant en lint,
Katoentjes bij geheele hoopen,
Voor weinig splint.
Wat
Neuremberger kunst verzinden
Wat mode ooit dacht,
Gij kunt het naar uw wenschen vinden
Model en pracht.
Gij ziet er naakte poppen hangen,
En lampen staan,
En, zoudt ge een duitsche pijp verlangen,
Wilt binnengaan.
Gerust kunt ge
u nu buiten wagen
Geen zwarte kop
Met huiden om het lijf geslagen
En hoornen op.
Geen ketens ramm'len langs de keijen
Als van een beer,
Gij hoort geen deur, geen schot rammeijen
Geen angstkreet meer.
't Is alles,
alles bont gewemel,
En vreugde en hoop,
Het kind droomt zich een gouden Hemel
Voor niets te koop.
De jongling die het lot durft tarten,
Dat perken zet,
Denkt aan iets meer, dan aan die harten
Van theebanket.
Nog eens met
lust den weg betreden
En veel gekocht,
En later met verhaaste schreden
Het huis gezocht.
Doch zoo ge op 't laast in uwe zakken
Nog centen vond,
Ga dan te krentebollen smakken,
Bij meester Lont !
(met
dank aan Frederik Bentsink voor het sturen van de de tekst)
't Was op een warme zomermorgen, dat Joost, de klompenfabrikant,
Of wilt ge liever klompenmaker, zijn weg nam door het mulle zand.
Hij liep, of liever vloog daar henen en baadde bijna in het zweet,
Dat straalde van zijn rode wangen, al zuchtend „ phu!, wat is het heden heet”.
Steeds blazend, hijgend, met een tronie nog boller dan de volle maan,
Stond hij eind'lijk voor de pastorie van dominee en schelde aan.
De meid kwam voor, verschrikt en bevend, zij dacht bij 't hard geschel aan brand.
„Is dominee thuis?”, vroeg Joost zeer haastig? „Ja,” sprak ze haastig „wat is er aan de hand?”
„Niets, niets, maar ik moet dominee spreken”. „Er is toch soms geen kwaads geschied?
Je vrouw bevallen, of een zieke?” „Niks, niks, Ik moet dominee spreken, anders niet.”
„Oh”, zegt het meisje en sloft vlot henen, Joost blikt haar vol verlangen na,
Tot zij weer verschijnt en op zijn haastig „Mag ik binnen komen?” en het antwoord „Ja”,
Klimt hij de trap op en klopt weldra bij het studeervertrekje aan.
Hij treedt na het „binnen” in de kamer, waar hij voor de dominee blijft staan.
„Zo”, zegt de predikant zeer vriendelijk, „wat wou je van mij weten, goede man?”
„Och dominee, mag ik gaan zitten, daar ik bijna niet meer staan of lopen kan.”
Hij zet zich en veegt van zijn tronie het klamme zweet, met een roodbonte doek,
Legt zich gemak'lijk achterover en steekt nonchalant de handen in zijn broek.
„Nu, dominee, ik zal u vertellen” zegt Joost, „waarom gij mij hier ziet,
U moet dan zeker weten, gisteravond zat ik thuis in de kamer naast mijn Griet,
Toen buurman Klaas ons kwam bezoeken. Dag Joost," zei hij, „dag Klaas” zei ik
„Hoe maak je het” vroeg hij, „en je vrouw”? „Best”, zei ik, „zet jou een ogenblik.”
„Wel Joost”, begon hij verder, „heb je het nieuws uit 't dorp nog niet gehoord?
Voorzanger Jansen is gestorven, een zonnesteek heeft hem vermoord.
Nu weet ik, gij kunt prachtig zingen, heb jij soms niet in 't baantje trek?
Je kunt er licht naar informeren.” „Wel ja”, zei ik, „dat was niet gek,”
„Ook Grietje zei dad'lijk ja en amen, ' s nachts droomde ik er ak'lig van,
En Griet niet minder; en nu dominee, als ik om het baantje vroeg, wat dan?”
De dominee lacht om van te schudden, zoiets heeft hij nog nooit ontmoet,
Maar, hij wil graag een grapje hebben en zegt: „Ja Joost, ik weet zeer goed,
Dat jij zo fraai en luid kan zingen, maar zie je, daarbij hoort nog meer,
De zanger moet ook goed kunnen lezen en verder verstaanbaar evenzeer.
Kom, laat ons eens een proefje horen.” „Dat zal ik”, zegt Joost, „ik heb een stem
Waartegen geen os kan bulken”. Hij zet een keel op en eindigt met: „Ehm! Ehm!”
En lezen ? Ik ken vele spreuken en zelfs de catechismus uit mijn hoofd,
En and're teksten ken ik er wel duizend, verhoor mij als u mij nu niet gelooft”,
„Nu Joost” zegt dominee, „ik wil je iets anders vragen en sta je deze proef goed door,
Zodat het antwoord mij bevredigt, dan zal je 't postje zeker hebben, hoor!
Dus luister goed, je zult zeker weten dat Noach, die uit de arke kwam,
Drie zonen had: Sem, Cham en Jafeth, zeg me nu wie de vader was van Cham?”
„De vaer van Cham! Maar drommel, dat is toch wis een slimme vraag,
De vaer van Cham, neen, dat is een raadsel waarmee ik liever niet mijn hersens plaag.”
„Nu ja,” zegt dominee, „ik moet bekennen dat iedereen 't niet raden kan,
Maar raadt met je vrouw daarover, en breng me 't antwoord wat later dan”.
Joost keert nu spoedig naar zijn woning, Griet komt hem tegen op het pad,
Nieuwsgierig, zo een vrouw kan wezen, of hij het zangerspostje had.
„Nu Joost, hoe is het afgelopen?” is 't eerste wat haar mond verlaat,
„Oh ja”, zegt Joost, „ik krijg het zeker, want dominee is lang niet kwaad.
Hij lachte, oh, om van te schudden en was zo vriend'lijk en zo goed,
Hij deed mij zeker honderd vragen waarop ik 't antwoord gaf met spoed.
Maar één ding zie je, dat kon ik niet raden, nu, 't was dan ook een duvelsvraag,
Maar hij zei, vraag het aan Grietje en breng mij 't antwoord nog vandaag.
Luister, Noach had drie zoons: Sem, Cham en Jafeth, zo ik van dominee vernam,
En nu vroeg hij, wellicht dat hij 't zelf niet wist, wie of de vader was van Cham?”
„En wist je dat dan niet? Ezel, kuiken, jou aartsdomheid, kom vent, loop rond,”
Meteen gaf Grietje hem een oorveeg, waardoor hij als verslagen stond.
„Luister: De molenaar van 't dorp, oh ezel, die heeft drie zoons: Jan, Piet en Klaas,
Maar wie is dan van Piet de vader, vertel me dat eens, slimme baas.”
Thans schoot een lichtstraal, hel en flikk'rend door 't duister van Joost' hersens heen.
„De vaer van Piet, dat is, ik weet het, de molenaar van 't dorp alleen.”
En als de wind, het leek wel sneller, ijlde Joost weer henen, hij voelde bijna geen grond,
En schepte heel diep naar adem voor hij nogmaals in dominee's studeercel stond.
De dominee lachte in zijn vuistje, nu Joost vol vreugde weer bij hem kwam,
„Komaan,” zegt hij, „vertel mij eens spoedig wie wel de vader was van Cham?”
Vol hoop in 't hart treedt Joost nu nader en fluistert aan dominee's oor,
„Wanneer ik zeker ben van 't baanje, zal ik het u zeggen hoor!”
Joost rekt zich nog een beetje nader en zet thans nu alles op één worp,
„De vaer van Cham, nu ja Cham's vader, dat is:.....de molenaar van 't dorp.....”
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de de tekst)
Het mildste
zonneschijntje
Verleent het landschap kleur
Noch geur,
Als ‘t gulden Rijnsche wijntje,
De roemer, dien ik beur; -
Wie zou druilen,
Wie zou pruilen,
Die ‘t zag blaken,
En mocht smaken ?
‘k Roep tot morgen
Vaarwel aan mijn zorgen,
Als ik druiven-zonlicht speur !
Hoe lokt het uit mijn vedel, -
Veel bloempjes draagt in Mei
De wei, -
Die liedekens zo edel,
Dat allerzoetst gevlei: -
“Vlugge lansje,
Kom een dansje !”
“Aardig zusje !
“Geef mij een kusje !"-
En de voetjes
Zij tripp’len al zoetjes,
IJlings zwiert een bonte rei !
Al menig scheepjes-helling
En zo ‘t pietje doet,
Ook goed !
Glijdt langs de gladde helling
Van mijn versleten hoed:
Oude manneke,
Nog een kanneke,
En, mooi-Klaartje !
Nu je vaartje
Niet zal kijven,
Och! laat me bedrijven,
Speelmans knepen zijn ook zoet !
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)
Toen
God ons schiep en de zee en het land
Hield hij al de sterren in de palm van zijn hand
En ze gleden door zijn vingers als korreltjes zand
Maar een schoot er ver uit zijn baan
Toen ging Heer God door de hemel op jacht
Naar die ene ster op de wind van de nacht
En hij zwoer: hij zou eeuwig erop zijn bedacht
Dat die niet teloor zou gaan
Soms
zie je de sterren, soms zie je er geen
Want dan komen de wolken en zijn we alleen
Maar wat geeft dat als God door de wolken heen
Maar blijft waken en zien waar wij zijn
Die
ene ster die de mijne heet
Ik loop erop rond en ik slaap en ik eet
Maar soms ben ik bang dat God hem vergeet
Dat hij niet meer weet wat hij zwoer met zijn eed
Weten jullie dan soms waar wij zijn
Sterretjes, sterren
Wij zijn maar zo klein
We weten niet eens waar we zijn
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik zat op
school en kreeg weer te horen
Dat de toren van Babel
Als een ton
In duigen had moeten vallen,
Omdat de menselijke ziel
Van de ene hoogmoed in de andere viel.
En hoogmoed komt voor de val;
Zij had haar grenzen niet willen bewaren,
Zij had niet kunnen verkroppen
Dat de toppen des heuvels onbereikbaar waren,
Zij had Gods scheppingsmacht willen evenaren
En wat niet al !
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De lucht is
zo helder, het windje zo warm,
- Hij stiet zijn tuindeur open,-
‘Kom, vrouwke, een toertje !’ en hij bood haar zijn arm,
‘Al ’t groen is uitgelopen.’
Zo gingen zij saâm, op hun krukskens geleund,
Langs sappig groene blaren,
Langs ’t bos, waar de merel zijn liedeke dreunt
En kleurige vlinders waren.
Heel langzaam ... Zij spraken niet veel daarbij,
Hij dacht: ’Alweer een jaartje;
Daar had ik niet op gerekend !’ – En zij:
‘Een oud maar gelukkig paartje.’