(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
'k Maak in
gedachten vaak een bedevaart:
Dan sta 'k weer op de plek, die zomerdag,
Waar ik door de eikenlaan je komen zag;
Als reliquie heb ik dat beeld bewaard:
Uit zonn'ge bomen dropte op zonnige aard,
Overal neer de zonn'ge vinkenslag;
'k Zag op jouw goed gezicht die blije lach,
En 'k dacht op eens: Ben ik die liefde waard ?
En één ding weet ik: als jij dood mocht gaan,
Zal 't zijn, als stond ik weer in de eikenlaan,
Toen jij zou komen met jouw lief gezicht.
Dan wordt die zomerdag, zolang voorbij,
Een vizioen van toekomst, waarin jij
Míj staat te wachten in onwerelds licht.
Maatschappij van onderlinge
verzekering tegen roemloosheid
(Dr. E Laurillard)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Heeft een der
leden van de club
Zijn letterkundig ei gegeven,
Dan wordt door ’t kakelen van de rest
Op schelle toon zijn lof verheven;
En, legt nu elk om beurt een ei,
En kakelen beurt’lings al de vrinden,
Dan is - dat voelt ge - in heel de club
Geen enkel roemloos lid te vinden.
(met dank aan Jeanne Albers
voor het sturen van de tekst)
Het kleine
vrouwtje, rond gebukt,
Het mannetje, in stoel gedrukt
Ze grijzen in het kotje;
Hij rukt de biezen uit de schoof
En reikt ze vrouwtje, staand’ op stoof,
Zij reikt naar
het schavotje.
Schavotje is een hoog toestel,
Daar schuift men biezen aan, op tel.
De biezen groeien aan de kreek,
In ‘t binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.
Uit geel’ en
bruine biezen kan
Een oude vrouw en kleine man
Saamvlechten een karpetje;
Hij dekt den ketting, zij den slag,
En als de avond haalt den dag,
Dan gaan zij naar hun bedje.
Het bedje staat van biezen vol,
Het bedje is een biezenhol.
De biezen groeien aan de kreek,
In ‘t binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.
Het bedje ligt
in diepe scheur
Van grijzig muurtje, bij de deur,
Behangen met gordijntjes.
Daarin te slapen, zijn gekromd,
Totdat de nieuwe morgen komt,
Twee oude menschenlijntjes.
Op hunne handen, klein en teer,
De biezen staan in rijpe zweer,
De biezen groeien aan de kreek,
In ‘t binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.
Van biezen
stram, van biezen moe,
De beide zieltjes vallen toe
En worden dan begraven;
Voorbij de kreek, daar wacht de hof,
Waarin geborgen wordt de stof
Der beide biezenslaven.
Zij liggen achter biesgeruisch,
Gevouwen, in hun doodenhuis,
De biezen groeien aan de kreek,
In ‘t binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.
(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)
Men zoekt zich
en men raakt elkander kwijt,
men volgt met vreugde en ontvlucht in spijt,
men twist en ruziet en is ontevreden
en weer verzoend en alles zonder reden.
(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)
Wat, kan in ‘t
Gooi , een schuldloos kind,
Met rozen op de frisse kaken,
Daar ‘t niets dan leven in zich vindt,
Van dood of sterven maken?
Een meisje
trippelde aan mijn zij
Van zes, of mooglijk zeven, jaren:
Wat schitterde dat oogje blij
Van onder ‘t zwart der haren.
Een aardig
lachje, zacht en schoon,
Ontblootte hagelwitte tanden,
En vormde een kuiltje in ied're koon,
Wat bruin van ‘t zonnebranden.
‘k Vroeg:”Met
hoevelen zijt ge wel ?”
Ze liet niet lang op ‘t antwoord wachten,
Maar vrolijk keek ze, en zeide snel:
“We bennen met zen achten.”
“Zo !” zei ik,
,,dat ’s een heel gezin;
Dan zult ge de oudste wel niet wezen?”
,,Neen, krek de jongste,” viel zij in;
“Maar ik kan toch al lezen.”
“En wat doen de
and'ren?” vroeg ik “Twee,”
Was ‘t antwoord (kort, om tijd te sparen):
“Twee onder dienst, en twee naar zee,”
En een woont heel te Baren.
Twee liggen er
op ‘t kerkhof neer,
Het ene een zusje, ‘t and're een broertje;
En alder- aldernaast, mijnheer !
Daar woon ik met mijn moertje.”
“Twee onder
dienst, en twee naar zee,
Een heel te Baren – ‘t is geen reisje !...
Maar gij telt ze allemaal nog mee,
Niet waar mijn beste meisje ?”
En dan die twee
op ‘t kerkhof nog !
Want we zijn met z’n achten, weet u?
U ziet die hoge bomen toch ?
De twee daaronder; die vergeet u.”
“’k Vergeet ze
niet, maar aardig wicht !
Zo, in de schaduw van die bomen,
Een broertjen en een zusje ligt,
Is ‘t achttal dan volkomen ?”
Hun grafjes
zijn vlak bij malkaar,
En o ! zo dicht bij moeders huisje !
Laat zien ! Een stap of twalef maar;
Op ieder staat een kruisje.
Ik zit er
dikwijls, ’s morgens vroeg,
Of twaleven en tween;
De kousen, die ik Zondag droeg,
Die heb ik d'r gebreen.
En zomers, als
het avond wordt
In ‘t hoge gras teneergezeten,
Brengt moeder daar mijn tinnen bord
En schaft mijn avondeten.
Het eerste
stierf mijn zusje Brech;
Wat lag ze lang in bed te klagen !
God nam op eens haar pijnen weg;
Toen werd zij uitgedragen.
Toen kwam ze op
‘t kerkhof, kort bij ‘t hek,
In ‘t graf; vlak naast een iep; zo’n dikke;
We speelden dikwijls op de plek,
Mijn broertje Jan en ikke.
“’t Was zomer;
maar toen ‘t winter werd,
(De sneeuw lag dik op ‘t doornenhegje)
Kreeg Jantje ook de koorts, heel hard,
En ging heel gauw naar Brechtje.”
“Maar daar hij
nu naast Brechtje ligt,
En nimmermeer met u kan spelen:
Tel nog reis over, aardig wicht !
Gij zijt – met u hoevelen ?”
Het meisje
sloeg haar ogen neer,
En stond een poosje in gedachten;
Maar eensklaps riep ze, als de eerste keer:
“Wel heerschap met zen achten.”
“Maar zo Gods
eng'len Brechtje en Jan
Bij Jezus in de hemel brachten ?”
“Ja daar praat mijn moeder ook wel van…”
“Goed! met hoevelen blijft gij dan ?”
“Wel… IK zou menen… met zen achten."
(met dank aan Martien van Dooren voor het sturen van de tekst)
Och wa zou ik toch geer nog efkes , efkes mee m´n klumpkes aon
Bij ons thaus op m´n gemak, rontelum ´t haus nog gaon.
Over ´t petje deur den hof, ´t binneveld weer in.
Skooner uitzicht waor d´r toen, bai ons in de buurt toch gin.
Wigenbeum langs de slootkant, en daorbij ´n boerenheg.
Wa zou ik gerre mee ons moeder, nog ´efkes keurre dur ´t Branbants laand.
En bij ´t vallen van den aovend , mijn handje veilig in heur haand.
Waor ik den eelt dan goed kos vuulen ,van ´t harde werken wa ze deei.
En dè aalt zonder te klaogen och wa waor da mens tevreei.
Nou zou ik gerre nog naor skool gaon , toe vond ik ´t lerre eigelijk gek.
Als ik thaus kwam stond er altijd ,roggebroawd mee ´n skifke spel.
O wa waor da toen toch lekker, iets anders was er twauwens nie.
Mar dè spek van ons eigen verreke gaf oew volop energie.
Energie um flink te werken , flink te werken veur de kaost.
Ok alwier er toen gearbeid , zonder jaogen zonder haost.
Fluitend wier de rog gebonden, erpel raope mee de haand.
´s Avonds hadde in oew sokken, haost altijd nog ´n veldje zaand.
Brabants zaand , slraol um te boeren , Brabants zaand allein mar stof.
Wa ge altijd mee bleeft draoge , naor de Mis en naor ´t lof.
Brabants zaand wor ze schepke gooide, en de jeugd er knikkere dè
Brabants zaand wor ze gerre woonde. Iedereen waor daor tevree.
Waor de Dommel de Aa traag bleef stromen , en ok de Leijgraaf.
Daor lee ok dè heil klein durepke nog heel gaaf.
Ik zie in gedachte nog de vrouwkes, mee d´r zwarte klumpkes aon.
En hurre schone witte poffer um saome naor de mert te gaon.
O waore ze toch deftig, mee die grote witte murs.
Kik da is nou mijn Brabent . op dè Barabant ben en blijf ik gruts !!!!
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik zie op mijn
oude handen,
hun taak is bijna gedaan.
Brachten ze eer of schande ?
Brachten ze zegen aan ?
O mijn handen ! Mijn handen !
Nu moeten ze spoedig vergaan.
Ze hebben al rimpels en vouwen,
vlekken bruin, die geen water wist.
Ach ! Al te groot vertrouwen !
Wat hebben ze vaak zich vergist.
Mijn handen ! Mijn handen ! Hoe dikwijls
hun schoonst bedoelen gemist.
Nu gaan ze welken en kwijnen,
ze laten zich niet meer gebiên,
uiteen valt de kunstige, fijne
gehoorzame machien.
O mijn handen, mijn handen, gauw zal ik
uw schrift niet langer zien.
Dan worden ze mager en beven,
in verlangen naar eeuwige rust,
dan is 't laatste woord geschreven,
het laatste kaarsje geblust.
En mijn handen, mijn handen, voor 't laatst nog
door lieve lippen gekust.
Nog eens doet mijn wil hen buigen
in gehoorzaamheid naar elkaar,
zo zullen ze blijven getuigen,
van mijn gang tot de zalige schaar.
O mijn handen ! Mijn handen ! Verstijfd dan
in durend aanbiddings-gebaar.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ten offer aan
mijn lieve echtgenoot.
‘t Is tweeënveertig jaar geleên,
Dat ’s huw'lijks band ons heeft omsloten.
Sinds zijn we vrome lotgenoten.
In lief en leed en trouw steeds één.
Veel deed het lot ons ondervinden
Wij hadden echte en valse vrinden,
De wereld kennen wij thans goed,
Haar bitterheid en ook haar zoet,
En rampen, die het heil verslinden.
De wereld
woelde om ons: wij zijn
Twee
tortelduiven, stil en rustig,
Elkaar beminnend, koest'rend lustig,
In ’s levens milden avondschijn.
Lokte uw vlijt hier weelde binnen,
‘k Bleef, bij die weelde, kunst beminnen;
Uw liefde heeft mij moed gebaard,
Mijn dichtgeest voor verval bewaard,
Steeds opgebeurd mijn hart en zinnen.
‘k Vergaarde
een ruiker veldgebloemt,
Waarin mijn hart u dank wil spreken.
Mocht geur en kleur eraan ontbreken.
Om fijne vorm, noch schoon geroemd,
Toch kom ik die ten offer schenken,
Vriend, die van ‘t goede en schoon de wenken
Met mij gevolgd hebt, stap voor stap,
Op ‘t brede spoor der wetenschap,
Steeds in hand'len, streven, denken.
De traan der
scheiding zal welhaast
Van uw of mijne wangen druipen.
Maar, als de orkaan der ramp dan raast
Hoe troostrijke zal het denkbeeld wezen,
Dat ons doet in het verleden lezen,
En weerspiegelt ‘t zoet genot
Van ‘t zo verzaligd huw'lijkslot,
Dat wonde en lijden kon genezen !
Geliefde, ben
ik de eerst, die
De band verbreken moet, die ‘t leven
Zo onafscheidbaar aan doet kleven,
Dat dan uw oog
op ‘t offer zie,
Waarin mijn liefde ligt besloten
Moge ‘t uw hoop, uw troost vergroten,
En zalig doen verlangen naar
Het uur, dat weer ons met elkaar
Vereent als zalige echtgenoten
De droefheid in ons harte sluipen.
(Uit het 'Loonse handschrift' (Borgloon XIVe en XVe eeuw))
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
1.
Mijn vader gaf my enen man,
Van ouden was hem sijn baert soe grijs,
Der mynnen spel hij niet en can,
Sijn lijf es couder dan een yes.
Wanneer hij rust,
Soe crighic lust
Te ligghen al in den aermen sijn -
Meshouwet soe is den name mijn !
Maer als hy
sclapen compt met my,
Dan duuct hy onder, hij doet my sere,
Ende hy crupt achter, dat dunct my vrij,
Als ic vrintscap aen hem begere.
Hy es soe stedich,
Altoes leyt hij ledich,
Ende ic soude soe gerne vrolich sijn -
Meshouwet soe es den name mijn!
Dan leyt hy en ronct allen den nacht
Ende altoes sclaept hi, den ouden catijf,
Als die myns niet seere en acht,
Gheen tijt en compt hem vreucht int lijf,
Ende maect hem siec,
Den ouden griec,
Hij ronct als waert een everswijn -
Meshouwet soe es den name mijn !
Waer hy my seyt, hy en betrut my niet
Hy doet mich wachten nacht ende dach,
Dus liit mijn hertte groet verdriet;
Maer dat ic noch myn gheliden mach
En cannic niet verdraghen:
Dat siin grote sclaghe,
Die hy mi gheeft, den ouden katijf -
Meshouwet soe es den name mijn !
Noch en achtich dat niet een slee,
Mochtich ligghen al in den aermen naect,
Allen nacht een oerken of twee
Van mynen lieve, dat naer my wacht.
Ic en cans niet heelen:
Ic soude soe gerne spelen
Met sijnder flouten, sy es soe fijn -
Meshouwet soe es den name mijn !
Vertaling
Mijn vader
gaf mij een man.
Van ouderdom is zijn baard zo grijs,
Het liefdesspel dat kan hij niet,
Zijn lijf is kouder dan ijs.
Wanneer hij rust,
Dan krijg ik lust
In een liefdesfestijn -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !
Maar als hij bij mij komt slapen,
Dan ploft hij neer en doet mij zeer,
En hij kruipt weg telkens weer
Als ik met hem wil vrijen.
Hij is zo saai.
Altijd is hij moe en bot,
En ik verlang hartstochtelijk naar genot -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !
Dan ligt hij heel de nacht te snurken
En slaapt aan een stuk, die oude smiecht,
Alsof ik niet voor hem besta,
Nooit geraakt hij opgewonden,
Of voelt hij liefdeskoorts,
Die oude knar;
Hij snurkt als een everzwijn -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !
Hij vertrouwt mij voor geen zier
En houdt mij dag en nacht in het vizier,
Dus lijdt mijn hart groot verdriet;
Maar dat ik niet mezelf mag zijn
Dat kan ik niet verdragen,
Noch zijn harde slagen
Die hij mij geeft, dat oud zwijn -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !
Dat alles zou ik graag verduren,
Als ik elke nacht enkele uren,
Naakt in de armen mocht liggen,
Van mijn liefste die op mij wacht,
Ik kan het niet verhelen:
Ik zou zo graag spelen
Met zijn fluit, die is zo fijn -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ziet men aan de
dorenstruiken
’t Geurig roosje niet ontluiken,
Lentes uitgezochte roem ?
Ook de distel, ook de netel,
Heeft haar plaats om flora's zetel,
Ieder braamsteng draagt haar bloem.
Ach, in alles is genieten;
Slechts het misbruik schept verdrieten.
Waarom grijpt ge woest in ’t rond ?
Laat uw ogen dankbaar weiden
Waar de schoonheên zich verspreiden;
’t Is niet al voor hand of mond.
Ieder zintuig heeft zijn waarde;
Ieder heeft zijn deel op aarde:
Riek het bloempje; smaak de vrucht;
Zie natuur haar kleed schakeren;
Hoor het boskoor kwinkeleren;
Voel de zoele kus der lucht !
Waan niet, als een God der Goden !
Alles onder uw geboden;
Dienstbaar aan uw grilligheden !
Stervling, stel uw zwelgzucht palen;
Waar Gods weldaân op u dalen,
Wees met wat Hij schenkt tevreden.
(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)
Draag je moeder
hoog op de handen,
Het is een wonderbaar iets, een moeder.
Onze moeder begrijpt ons, bidt voor ons.
En het enige kwaad dat zij ons ooit doet,
Is te sterven en ons te verlaten.
Als je nog een moeder hebt, houdt ze dan in ere,
En wacht niet tot ze dood is om haar bloemen te brengen.
Wees goed voor haar.
Als je moeder oud is en misschien
Sukkelt met haar gezondheid, wees dan dubbel bezorgd.
Zij droeg je door de morgen van het leven,
Jij moet haar liefdevol
Door de avond van het leven dragen.
De moeder is het "hart" van elk gezin,
De band die alles samenbindt,
Het vuur in de haard dat allen verwarmt.
Hoe oud je ook wordt
En wat je ook misdaan hebt,
Voor moeder blijf je altijd: haar kind !
Echte moeders zijn in staat tot de onmogelijkste
En meest wonderbare dingen.
We kunnen moeder nooit missen.
(met dank aan Jeanne Albers Jaquet voor het sturen van de tekst)
Wie zal er ons
kindeke douwen
En doet het zijn moederke niet ?
Wie zal er zijn dekentje vouwen
Dat ‘t schaarsch door een holleken ziet
Kleine, kleine, moederke alleen
Douw, douw, douwderideine;
Kleine moederke alleen
Kan van uw wiegsken niet scheiden !
Wie zal naar
ons kindeke kijken,
Dien, bleuzenden, stouten kapoen (1)
Wie zal er zijn hemdekes strijken,
Zijn haarken in krullekes doen ?
Kleine, kleine, moederke alleen,
Douw, douw, douwderideine;
Kleine, kleine, moedeke alleen,
Kan van uw wiegsken niet scheiden !
Wie zou voor
ons kindeke derven,
Heur laatste kruimeltje brood ?
Wie zou er, wie zou er voor sterven,
En lachen op kind en op dood ?
Kleine, kleine, moederke alleen,
Kan van uw wiegsken niet scheiden !
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Duizend
kneepjes, duizend kunstjes,
Tal van grapjes, tal van gunstjes
Tieren er op 't veld der min !
Wat al lonkjes, wat al lachjes,
Bij de lacy's en bij de achjes,
Heeft het dierbaar jawoord in !
Meer ontsnapt dan uitgesproken,
Wordt er 't oog vaak bij geloken,
Voor de rede en voor den plicht;
Als het in den roes der weelde,
Voor de zielen, die het streelde,
Een verbond voor 't leven sticht.
Naast die zaligheid des harten
Wassen nochtans kleine smarten;
Wee, dat ouderlijk bestel,
Dat voor vleitaal niet wil wijken,
En geen meegevoel laat blijken
Voor het dartel minnespel.
't Liefdehulkje kent zijn klippen,
Mal hij, die de hoop laat glippen :
't Moederhart vooral is week;
Al wie maar wist vol te houën,
't Koude "neen" soms kon verdouwen.
Weet ook hoe dat ijs bezweek.
Beter onder de oudervleugels
Dan ontvlucht aan band en teugels,
Of tersluiks met lief op 't pad ;
Moeders jawoord eens verkregen,
Maakt de verdere liefdewegen,
Hoe oneffen - recht en glad.
Daarom meisjes, daarom knapen,
Wil je in rust de vreugde rapen
Van het suikerzoet der min --
Wie ge ook uw geheim ontvouwde,
Haalt Mama eerst als vertrouwde
Van uw stille wenschen in.
Kan je 't bij Papa niet klaren.
'k Wed, zijn klachten en bezwaren
Worden door h a a r woord verstomd;
Lieve, wat je mocht besluiten,
Eén verzoek ! Houd mij er buiten,
Als mijn raad ter sprake komt.
(met
dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)
O Haring, met
uw pekelsmaakjen,
O hartverkneutrend zeeziek snaakjen,
Hoe dorstig, hoe gelukkig maakje
De maag, die van uw lekkers houdt.
Gy zijt een fraai en snoeprig vischjen,
In 't keurlijk pietercelie-dischjen,
Een malsche beet voor jong en oud.
Geef andren spekstruif, of pastijtjens,
Of Fransche lever-lekkernijtjens,
Geef andren haas- of hertebout,
Of wel doortruffeld zwijnepootjen,
My is uw lieflijk middelmootjen
Het fijnst banket, en zoet uw zout.
(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)
Onder uw handen
Die veilig' ogieve,
Word ik weer de stille,
De zachte,
De lieve,
Die vredig d'ogen kan laten varen,
Over de herfst en de verloren jaren.
Onder uw handen,
Mij binnen halen,
In de kleine portiek van de zeer hoofse zalen,
Waar ik hoor zingen
Dat vèr-ijle lied,
Als ge mijn naam zegt
Of zacht naar mij ziet.
Onder uw handen,
De droom herwinnen,
Glimlachen en goed zijn,
Herboren naar binnen,
Nat schreien uw polsen van gesmolten trots
En wonen en gaan slapen in
Die schone ogieve Gods.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De boomen
overijlen zich te bloeien.
De bloemen geuren overdadig mild.
De jeugd glanst als een bliksem, en zijn gloeien
Is even snel en schrikkelijk en wild.
De hemel teistert met afgunstig waaien.
Naakt staat de boom als een geschoren lam.
Een rood onheil komt door het leven waaien.
De glans kromp uit de neergeslagen vlam.
Dit bloeien is geheim en zeer afhanklijk.
Van stilte en zon en krimpt bij de eerste slag.
De jeugd glanst ongerept, maar zo verganklijk,
Dat zelfs een wonder haar verdreven mag.
De boomen overijlen zich te bloeien.
De jongelingen haasten te vergaan
In overdaad van glans en een vermoeien,
Waarvan zij zelven slechts 't geluk verstaan.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Hier treurt het
weeskind met geduld,
Dat arm is, zonder zijne schuld,
En in zijn armoe moet vergaan,
Indien gij 't weigert bij te staan.
Zo gij gezegend zijt van God,
Vertroost ons met uw overschot.
Opoe
had d'r hele leven,
Voor d'r kinderen gesjouwd.
Al d'r jongens en d'r meisjes,
Waren na elkaar getrouwd.
Toen is opoe in gaan wonen,
Bij d'r jongste lieveling.
En daar wachtte ze geduldig,
Tot ze naar 't kerkhof ging.
In 't begin was opoe alles,
Ieder was haar aangenaam,
't Warme hoekje naast de kachel,
't Mooiste plaatsje voor 't raam.
Maar toen opoe's spaarbankboekje,
Helemaal was afgezet,
En toen opoe lam ging worden,
Moest ze 's middags vroeg naar bed.
Eerst moest opoe naar de keuken,
Had d'r lieveling gezeid.
Toen moest opoe naar de zolder,
In de bedstee van de meid.
Maanden lag ze daar te suffen.
Niemand had meer medelij.
Tot de kleine meid kwam zeggen,
Dat d'r opoe niks meer zei.
Oude
jaar ! O, laat ons rusten,
Omzien eer wij verder gaan.
't Nieuwe jaar word' niet begonnen,
Eer we hebben stilgestaan.
Eer we in ernst ons zelven vroegen:
"Deed ik waarlijk, wat ik kon ?
Ben ik wijzer, beter, vromer,
Dan toen 't jaar zijn loop begon?"
God gaf ons Zijn zon en regen,
Gaf ons vreugde, gaf ons smart.
Maakten wij genot en lijden
Tot een zegen voor ons hart ?
Oude jaar ! De jaren vlieden,
En zij keerden nimmer weer.
Ieder jaar dan vind' ons verder,
Vind' ons beter, meer en meer !
Oudejaarsavond
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Oudejaarsavond,
ijzige wind
Een eenzaam klein meisje, een verlaten kind
Een leven in armoe, geen liefde beschoren
Steen koude voetjes, haar sloffen verloren
De een werd gestolen een onverlaat
De ander onvindbaar in de donkere straat
Zwavelstokjes die niemand wou kopen
Antwoord thuis om straf te ontlopen
Achter de vensters huist welvaart en vrede
Enkel wat warmte is haar eenvoudige bede
Mag een enkel stokje aan de bundel ontbreken?
Een enkel stokje zal ze het durven ontsteken?
Een kachel licht op in stralende gloed
Is het een wonder ziet ze het goed
Haar droombeeld vervaagt verdwijnt met de wond
Wonderen bestaan niet maar niet voor dit kind
Een tweede stokje, het vlamt op in haar hand
Een feestmaal verschijnt wanneer in ganzen verbrand
Hoe kan die gans leven een droom die vervliegt
Het duurt maar heel even.
Een derde vlam tovert het landsvollepracht
Van een twinkelende kerstboom die verdwijnt in de nacht
Kerstboomlichtjes die als sterren verstrooien
Ze stijgen op om de hemel te tooien
Een ster in het werk raakt aan de ander voorbij
In de herinnering komt wat Grootmoeder zei
Een vallende ster een
ziel gaat op reis
Naar hemelse vrede naar Gods paradijs
En zie daar is Grootje zei wijkt naar het kind
Zacht stralend van goedheid met een liefde die bindt
Ach Grootje lief Grootje ach voer mij toch mee
Naar de innige warmte van uw hemelse vree.
En zie in grootmoeders armen
Voor eeuwig voor zorgen en rampspoed gespaard
In de sneeuw blijft dit meisje in kou overleden
Haar mond in een glimlach in een glimlach van vrede
Het is de kracht van de liefde die altijd wint
Het geluk is voor eenieder en nu ook voor dit kind
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Zij tilt zich
overeind en in
het licht en maakt een stil begin
stil met zich zelve, langs het smalle
lijf liet zij het hemd afvallen,
dat zakt tot in een dunne kring
van plooien, een weinig mijmering
zet zich, zij ziet naar beneden
de blootheid van haar eigen leden,
het vreemde van het nu gebleken
lichaam en de schemerbleke
benen, de voeten uitgespreid
en in hun zachte nederigheid
de tenen, die bijeen gedoken
schuilen, al de onafgebroken
opvolging en het tesaambehoren
der leden alle, die zonder storen
vervloeiende zijn en als te horen
met zacht muziek, die werd geboren
in hunne overgangen. In de rust
van hare lijdelijkheid wordt zij bewust
hoe vreemd, hoe wonderlijk het haar aan-
komt, nu zij zich liet begaan,
alsof dit alles buiten haar was
en zag zij het in een spiegelglas;
is zij dit zelve, is zij er in
en ziet zich zelve, waar is het begin
van dit wat te denken bezig is
aan zich zelve en ongewis
wordt zij hier, haar gedachten zouden
niet verder kunnen, teruggehouden
in deze bedeesdheid, alleen er hing
een voelen van herinnering
van vroeger, alsof het al een keer
zo was, en over het wanneer
denkt zij nog even en dan met kleuren
om haar vreemd doen gaat zij zich beuren
uit haar verzonkenheid en nog is zoet
haar naglimlachen bij wat zij doet
in verder kleden.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Nog hield het schriklijk pleite van dwang en
vrijheid aan;
Nog droeg der vaadren erf de Spaansche leger aan
En dronk om strijd het bloed van landzaat en van vreemden; ’
De kneuzende oorlogsvracht beploegde Vlaandrens beemden,
En Neerlands weeke grond hijgde onder ‘t wigt van wee.
Toch hield haar vlag zich op, en dekte land en zee,
‘En woei in eere rond en de overwinning tegen.
Kastielje kromp terug voor Maurits’ heldendegen,
En de Ooster-indiaan, op Javaas kust beroet,
Bevrachtte Neerlands vloot met ’s werelds overvloed.
Europa zag, verbaasd, het rijzend wonder wassen, –
Het ongekend
kleinood, verscholen in moerassen,
Uit wier en dras geweld; – dat, onbevlekt en schoon
, Welhaast als keurgesteent’ zou vanklen aan haar kroon.
Reeds wendde Houtmans kiel, in Gamaas wed gedreven,
Door ‘t zog,,. des Portugees, naar ~ Bantams ree den steven;
Reeds grijpt dan Noord het roer, en stuurt zijn ranke vloot
Daar Magellanes straat en om den wereldkloot.
Een ander stout bedrijf vangt Heemskerk aan te wagen!
Hij waakt zijn nachten door, doormijmert gansche dagen,
Doorkruist den aardhol, meet de zeeen, smelt ze in n
Hij wil door ‘t ijzig Noord naar ‘t zengend Oosten heen.
Langs Nova Zemblaas kust, in storm en sneeuw verloren,
Wil hij naar China vaart, en d’Indus op gaan sporen;
En, zoo dit pad besta door ‘t eeuwenheugend ijs,
Hij wil dat Neerlands vlag Euroop den doortogt wijz’.
De kloeke Rijp wil me en doodsgevaren tarten:
Twee bodems zijn genoeg en onverschrokken harten!
Het stout besluit staat vast en stap aan stap gaat voort:
Twee bodems zijn gereed, met wakker volk aan boord.
De schrandre Barends zelf zal Heemskerks roer bestieren:
Hij, rustig in ‘t gevaar, wat stormen om hem gieren,
Hij, grijs in kennis, jong in ijver, vast van ziel,
En zeeman in het hart, staat zeilre op de kiel.
Zij smachten naar het uur, waarop zij henen snellen:
Het slaat: de kust stroomt vol en Tessels oevers zwellen
De palen zijn bevolkt, en booten zonder tal
Zijn op- en volgepropt, en kruisen langs den wa
. ‘t Vaarwel en ‘t afscheid joelt en schatert langs de stranden;
De mutsen zwieren rond in de opgestoken handen;
De doeken zwaaijen; groet en handkus, ‘t luid hoezee
Verzelt hun uittogt langs de duinen en de re.
Heel Neerland zendt haar wensch ten hemel. Opgetogen
Ziet zij haar kindren voor hare eer ten kamp gevlogen,
‘t Gevaar verachten, ‘t lot braveren, om, misschien,
Een lauwer meerder aan haar lauwerkroon .te zien.
‘t Vangt aan, het kloek bedrijf, waar ‘t nakroost van zal spreken;
Men windt de kabels, hijscht de zeilen, wacht het teeken ..
‘t Verschijnt: de lont strijkt neer, het knappend kruid ontbrandt,
En ‘t los gedonderd schot wcnscht heil aan ‘t vaderland.
Zet, zangster! zet dien togt op de aangeslagen snaren;
Volg Neerlands wimpel na langs de ongemeten baren;
Bezing het waagstuk, naaal den uitslag, roer en streel,
En valt’ u ‘t loon der kunst, een enkle traan, ten deel