SeniorPlaza

Maaiers

(J. Winkler Prins)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Daar gaan ze weer !

Daar staan ze weer !

Daar slaan ze 't neer,

Het gras, bij 't morgenkrieken,

En halen de zeisen telkenkeer

Langs 't wuivende pluimveld heen en weer,

Als blinkende molenwieken.

 

Tot blij getik

En dof gebik,

Klik-klik, klik-klik,

Van hamers klinkt op de sneden;

Tot scheermesscherp de zeis weer blinkt

En 't maaiersliedje lustig klinkt,

Nu de zeis weer komt aangesneden !

 

Want zie, hoe fris

De morgen is,

Reeds liggen .... ris ! ....

Aan laag op laag de halmen. -

Maar ach, de leeuwerik vaart bang omhoog,

En heeft geen moed, aan den blozenden boog,

Zijn jubelzang te galmen.

 

Hij weet het: dicht

Bij de zeisen ligt,

O droef gezicht !,

Een nest jonge hazen.

Hij ziet van omhoog het jonge goed:

Hoe ze zonder de ouden en welgemoed

Op de wuivende sprieten azen.

 

En eensklaps ruist

En gonst en suist

En scheert en bruist

Een staalvonk in ijlende kringen;

't Gaat raaklings, raaklings, langs hen heen ....

O maaiende mannen met harten van steen,

De leeuwerik kan boven niet zingen !

 

Terug naar overzicht

'k Maak in gedachten vaak een bedevaart

(J.A. der Mouw 1853-1919)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

'k Maak in gedachten vaak een bedevaart:
Dan sta 'k weer op de plek, die zomerdag,
Waar ik door de eikenlaan je komen zag;
Als reliquie heb ik dat beeld bewaard:

Uit zonn'ge bomen dropte op zonnige aard,
Overal neer de zonn'ge vinkenslag;
'k Zag op jouw goed gezicht die blije lach,
En 'k dacht op eens: Ben ik die liefde waard ?

En één ding weet ik: als jij dood mocht gaan,
Zal 't zijn, als stond ik weer in de eikenlaan,
Toen jij zou komen met jouw lief gezicht.

Dan wordt die zomerdag, zolang voorbij,
Een vizioen van toekomst, waarin jij
Míj staat te wachten in onwerelds licht.

 

Terug naar overzicht

Maanlicht

(Jaqueline van de Waals 1868-1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn kamer, waar ik argeloos

Daar straks kwam binnen lopen,

Verlangende alleen te zijn,

Waar ik mij veilig dacht,

Was mij door 't felle manelicht

Ontvreemd, dat door het open-

geslagen venster binnenkwam

Uit klare zomernacht.

 

O, dat gewetenloze licht !

Dat rustig lag te slapen

Op 't koele bed, waar ik zo graag

Mijn hoofd verbergen ging,

En dat mijn lieve kamer in

Een lichtgrot had herschapen,

Waar ieder ding mij vreemd en koud

En zwijgende ontving.

Terug naar overzicht

Maar van allen toch de baas

(Nicolaas Beets 1814 - 1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

"Maar van allen toch de baas.
Is de groote Nicolaas; -
Wat heeft hij niet saâmgedicht !
Hoeveel harten niet gesticht

Goethe met Homerus samen
Kunnen nooit zijn roem beschamen:
Want hij heeft wat hun ontbrak:
Echte vroomheid ... door zijn vak."

Terug naar overzicht

Maatschappij van onderlinge verzekering tegen roemloosheid

(Dr. E Laurillard)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Heeft een der leden van de club
Zijn letterkundig ei gegeven,
Dan wordt door ’t kakelen van de rest
Op schelle toon zijn lof verheven;
En, legt nu elk om beurt een ei,
En kakelen beurt’lings al de vrinden,
Dan is - dat voelt ge - in heel de club
Geen enkel roemloos lid te vinden.

Terug naar overzicht

Maskers

(Alice Nahon 1896 -1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

De mensen doen hun maskers af,
Ze kijken vreemd elkander aan,
Verwonderd dat ze naast elkaar
Lijk vreemden staan.

Nochtans ze stonden zij aan zij
In zelfde strijd voor zelfde brood;
Sleepten zij niet dezelfde sleur
Van zorg en nood?

Viel niet dezelfde klacht en scherts
Van uit hun bitter-blije mond ?
Was 't niet of men de hele dag
Elkaar verstond ?

 

De mensen gaan zover vaneen
Wanneer de schemering is nabij;
Ze worden er niet triestig om
Of ook niet blij.

Ze speelden immers maar een spel
Waarin de ziel geen teken gaf;
Ze deden enkel met elkaar
Wat lief, wat laf.

En met een gauw-vergeten groet,
Een scheiding zonder lach of leed,
Gaat ieder naar zijn eigen huis
Dat stilte heet. 

 

Daar zijn er die te dromen gaan,
Langs paden mul van schemering,
Naar 't land dat 's avonds schoner wordt,
Herinnering.

En velen worden stil-devoot,
Om rein profiel van lief gelaat,
Dat in de voorhal van hun ziel
Gebeeldhouwd staat.

Ik weet er ook die sprakeloos
En moede van d'ondankbre strijd,
De avond danken om zijn uur
Van eenzaamheid.
 

 

De mensen doen hun masker af,
Hun mooie-spelen moe-gedaan,
Och arme, zij die levenslang
Gemaskerd gaan.

Gemaskerd door hun eigen trots,
Vergulde lach of kranke lust.
Zij krijgen van geen enk'le dag
Wat avondrust.

Ze gaan, 'lijk zwervers, altijd door,
Langs dageraad en avondrood;
Ze vinden nergens 't eigen huis
Dan in de dood.

Terug naar overzicht

Matten vlechten

(Abraham (Bram) Eliazer van Collem 1858 - 1933)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het kleine vrouwtje, rond gebukt,
Het mannetje, in stoel gedrukt
Ze grijzen in het kotje;
Hij rukt de biezen uit de schoof
En reikt ze vrouwtje, staand’ op stoof,

Zij reikt naar het schavotje.
Schavotje is een hoog toestel,
Daar schuift men biezen aan, op tel.
De biezen groeien aan de kreek,
In ‘t binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.

 

Uit geel’ en bruine biezen kan
Een oude vrouw en kleine man
Saamvlechten een karpetje;
Hij dekt den ketting, zij den slag,
En als de avond haalt den dag,
Dan gaan zij naar hun bedje.
Het bedje staat van biezen vol,
Het bedje is een biezenhol.
De biezen groeien aan de kreek,
In ‘t binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.

 

Het bedje ligt in diepe scheur
Van grijzig muurtje, bij de deur,
Behangen met gordijntjes.
Daarin te slapen, zijn gekromd,
Totdat de nieuwe morgen komt,
Twee oude menschenlijntjes.
Op hunne handen, klein en teer,
De biezen staan in rijpe zweer,
De biezen groeien aan de kreek,
In ‘t binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.

 

Van biezen stram, van biezen moe,
De beide zieltjes vallen toe
En worden dan begraven;
Voorbij de kreek, daar wacht de hof,
Waarin geborgen wordt de stof
Der beide biezenslaven.
Zij liggen achter biesgeruisch,
Gevouwen, in hun doodenhuis,
De biezen groeien aan de kreek,
In ‘t binnenland, de heidestreek,
Nabij ons Genemuiden;
Zij waaien, ongeteld en steil,
Zoo maar den grond uit, tot het heil,
Het heil van Genemuiden.

Terug naar overzicht

Medeleven

(Th. Fritschy [overleden 2005])

(met dank aan T. Hoelsgens voor het sturen van de tekst)

Een dierbaar iemand is je ontnomen

de wereld staat even voor je stil.

Je wilt of kunt het niet aanvaarden

omdat je hem nog niet missen wil.

 

Een geliefd persoon voorgoed uit je leven, nu verder zonder hem om je heen.

Je kan of wil het op dit moment niet begrijpen voelt je eenzaam en alleen.

 

Toch zal de dag voor jou eens komen

dat je in dit alles berust.

Je tranen zullen drogen

verdriet wordt dan gesust.

 

Bewaar de mooie herinneringen aan hem

voor altijd diep in je hart.

Geef ze daar een mooi plekje

een plekje heel apart

Terug naar overzicht

Meimorgen

(Jaqueline E. van der Waals 1868-1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Hoe ligt de aarde nu zoo blij

In stille voorjaarsvreugd,

Zoo vredig, als verheugde zij

Zich in haar eigen deugd.

 

De witte wolken glijden in

Het hemelblauw en doen

Hun schaduw zachtkens weiden in

Het gouddoorspikkeld groen.

 

Het gladgestreken water, dat

Het blauwe luchtgewelf

Weerkaatst, zoo effen en zoo glad,

Als 't blauw des hemels zelf,

 

Het vee, dat in de weiden graast,

De kleine boerenhof,

Roodstralend door het gelig waas

Van versch ontsproten lof,

 

De sneeuwig witte appelboom,

Die in het bruidsgewaad,

Een blijde Meiereinheidsdroom,

verrukt te blozen staat,

 

De boterbloemen op den grond,

De gouden waterkant,

Het is of alles slechts bestond

Tot sieraad van het land.

 

Maar hemelblauw en dakenrood

En 't vee en 't groene gras,

En 't stille water in den sloot

En bloem en boomgewas,

 

En alles, dat zoo wonderbaar

Mijn hart ontroeren doet,

Weet zelve niet, noch vraagt er naar,

Of 't lieflijk is en goed.

 

Zoo dan dat schoon zichzelve niet

Verheugt - waartoe ontstaan

In 't hart, dat vrede en vreugde ziet,

En heeft geen deel daar aan ?

Terug naar overzicht

Meisje ...

(C.S. Adema van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Meisje weet je wat ik -
wat ik zeggen wou ?
‘k Wou je zeggen dat ik -
dat ik van je hou -

En dan wou ik schatje -
dat je - nou dat jij -
Nou - natuurlijk dat je -
dat je hield van mij, -

En dan wou ‘k je als je -
als je van me houdt -
Zoenen in jouw halsje -
als je ’t hebben woudt, -

En dan, nou dan dee ik -
dee ik ’t overal -
En dan dee ik - nee ik -
dee ik niemendal ! -

En dan - ja dan zou ik -
zou ik ’t nog een keer -
En dan, ach ! dan wou ik -
wou ik nog veel meer !

Terug naar overzicht

Melancholica

(Carel Vosmaer 1826-1888)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is ’t te laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.

Als ’t kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.

Terug naar overzicht

Men zoekt zich

(J.H. Leopold 1865-1925)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Men zoekt zich en men raakt elkander kwijt,
men volgt met vreugde en ontvlucht in spijt,
men twist en ruziet en is ontevreden
en weer verzoend en alles zonder reden.

Terug naar overzicht

Mensenogen

(Alice Nahon 1896 -1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ik houd van ogen door weemoed gewijd

Ik houd van ogen die hebben geschreid

Die hunkerend uitzien van groot gemis

Of starlings staren van droefenis

 

Ik houd van ogen die prachtig spontaan

Van grote smart naar geluk willen gaan

Die moe van gemijmer in avond'lijk land

Weer blikkeren uit ruiten waar zonlicht in brandt

 

Maar God'lijk de kijkers die schreiens gereed

Schitteren en zingen hoog boven hun leed

't Zijn zij die der zielen ellende bevroen

Die lachen om and'ren geen zeer te doen

Terug naar overzicht

Met hun pooten in de vaart ...

(Jacqueline E. van der Waals 1868-1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Met hun pooten in de vaart

Staan de koeien

               en ze loeien

En ze zwaaien met hun staart

En ze slurpen met hun mond.

En de varkens, hoe ze wroeten

               met hun snoeten

In den vuilen moddergrond.

En de eendjes zwemmen in het water

- Falderalderiere ! -

Wat gekwek en wat gesnater,

Het zijn zulke drukke dieren !

En de randen

               van de landen

Zijn van boterbloemen geel.

Ach, ik zou zo tusschenbei'en

Om die bloemen kunnen schreien:

Het zijn er zo heel, heel veel.

Terug naar overzicht

Met jou

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Ik heb lang geslapen in de zon

En weet niet meer

Is het nu de avondgloed

Of reeds het morgenrood ?

Ik heb lang met jou

Gewandeld in de regen

En weet niet meer

Was het een afscheid of voor een nieuw begin?

Ik heb lang gevochten, mijn god met jou

En weet niet meer

Of ik gewonnen heb

Of jij het won?

Ik weet het niet

Maar dit weet ik:

Het was goed

In de zon, in de regen

Met jou.

Kom je ooit nog weerom?

Terug naar overzicht

Met zen achten

(Nicolaas Beets)

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Wat, kan in ‘t Gooi , een schuldloos kind,
Met rozen op de frisse kaken,
Daar ‘t niets dan leven in zich vindt,
Van dood of sterven maken?

 

Een meisje trippelde aan mijn zij
Van zes, of mooglijk zeven, jaren:
Wat schitterde dat oogje blij
Van onder ‘t zwart der haren.

 

Een aardig lachje, zacht en schoon,
Ontblootte hagelwitte tanden,
En vormde een kuiltje in ied're koon,
Wat bruin van ‘t zonnebranden.

 

‘k Vroeg:”Met hoevelen zijt ge wel ?”
Ze liet niet lang op ‘t antwoord wachten,
Maar vrolijk keek ze, en zeide snel:
“We bennen met zen achten.”

 

“Zo !” zei ik, ,,dat ’s een heel gezin;
Dan zult ge de oudste wel niet wezen?”
,,Neen, krek de jongste,” viel zij in;
“Maar ik kan toch al lezen.”

 

“En wat doen de and'ren?” vroeg ik “Twee,”
Was ‘t antwoord (kort, om tijd te sparen):
“Twee onder dienst, en twee naar zee,”
En een woont heel te Baren.

 

Twee liggen er op ‘t kerkhof neer,
Het ene een zusje, ‘t and're een broertje;
En alder- aldernaast, mijnheer !
Daar woon ik met mijn moertje.”

 

“Twee onder dienst, en twee naar zee,
Een heel te Baren – ‘t is geen reisje !...
Maar gij telt ze allemaal nog mee,
Niet waar mijn beste meisje ?”

 

En dan die twee op ‘t kerkhof nog !
Want we zijn met z’n achten, weet u?
U ziet die hoge bomen toch ?
De twee daaronder; die vergeet u.”

 

“’k Vergeet ze niet, maar aardig wicht !
Zo, in de schaduw van die bomen,
Een broertjen en een zusje ligt,
Is ‘t achttal dan volkomen ?”

 

Hun grafjes zijn vlak bij malkaar,
En o ! zo dicht bij moeders huisje !
Laat zien ! Een stap of twalef maar;
Op ieder staat een kruisje.

 

Ik zit er dikwijls, ’s morgens vroeg,
Of twaleven en tween;
De kousen, die ik Zondag droeg,
Die heb ik d'r gebreen.

 

En zomers, als het avond wordt
In ‘t hoge gras teneergezeten,
Brengt moeder daar mijn tinnen bord
En schaft mijn avondeten.

 

Het eerste stierf mijn zusje Brech;
Wat lag ze lang in bed te klagen !
God nam op eens haar pijnen weg;
Toen werd zij uitgedragen.

 

Toen kwam ze op ‘t kerkhof, kort bij ‘t hek,
In ‘t graf; vlak naast een iep; zo’n dikke;
We speelden dikwijls op de plek,
Mijn broertje Jan en ikke.

 

“’t Was zomer; maar toen ‘t winter werd,
(De sneeuw lag dik op ‘t doornenhegje)
Kreeg Jantje ook de koorts, heel hard,
En ging heel gauw naar Brechtje.”

 

“Maar daar hij nu naast Brechtje ligt,
En nimmermeer met u kan spelen:
Tel nog reis over, aardig wicht !
Gij zijt – met u hoevelen ?”

 

Het meisje sloeg haar ogen neer,
En stond een poosje in gedachten;
Maar eensklaps riep ze, als de eerste keer:
“Wel heerschap met zen achten.”

 

“Maar zo Gods eng'len Brechtje en Jan
Bij Jezus in de hemel brachten ?”
“Ja daar praat mijn moeder ook wel van…”
“Goed! met hoevelen blijft gij dan ?”
“Wel… IK zou menen… met zen achten."

Terug naar overzicht

Mijmerij

(J.H.Leopold 1865-1925)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wanneer ik overdenk, hoe minzaam
Haar stralend oog in 't mijne zag,
Hoe vriend'lijk hare woorden waren
En hoe bekoorlijk hare lach,

Dan bonst mijn hart en vreugde komt er
En trots in mijn bewogen geest,
Dat ze eens haar gunst mij heeft geschonken
En mij genegen is geweest.

En als ik aan 't geluk durf vragen,
Dat eens de dag verschijnen mocht,
Waarop hare armen mij omhelsden,
Waarop haar mond de mijne zocht,

O God ! dan kan ik niet beseffen
De zaligheid van zulk een lot,
En mij besluipt een stil vermoeden,
Dat ik moet sterven van genot !

Terug naar overzicht

Mijn Brabant

(met dank aan Martien van Dooren voor het sturen van de tekst)

Och wa zou ik toch geer nog efkes , efkes mee m´n klumpkes aon
Bij ons thaus op m´n gemak, rontelum ´t haus nog gaon.
Over ´t petje deur den hof, ´t binneveld weer in.
Skooner uitzicht waor d´r toen, bai ons in de buurt toch gin.
Wigenbeum langs de slootkant, en daorbij ´n boerenheg.

Wa zou ik gerre mee ons moeder, nog ´efkes keurre dur ´t Branbants laand.
En bij ´t vallen van den aovend , mijn handje veilig in heur haand.
Waor ik den eelt dan goed kos vuulen ,van ´t harde werken wa ze deei.
En dè aalt zonder te klaogen och wa waor da mens tevreei.

Nou zou ik gerre nog naor skool gaon , toe vond ik ´t lerre eigelijk gek.
Als ik thaus kwam stond er altijd ,roggebroawd mee ´n skifke spel.
O wa waor da toen toch lekker, iets anders was er twauwens nie.
Mar dè spek van ons eigen verreke gaf oew volop energie.

Energie um flink te werken , flink te werken veur de kaost.
Ok alwier er toen gearbeid , zonder jaogen zonder haost.
Fluitend wier de rog gebonden, erpel raope mee de haand.
´s Avonds hadde in oew sokken, haost altijd nog ´n veldje zaand.

Brabants zaand , slraol um te boeren , Brabants zaand allein mar stof.
Wa ge altijd mee bleeft draoge , naor de Mis en naor ´t lof.
Brabants zaand wor ze schepke gooide, en de jeugd er knikkere dè
Brabants zaand wor ze gerre woonde. Iedereen waor daor tevree.

Waor de Dommel de Aa traag bleef stromen , en ok de Leijgraaf.
Daor lee ok dè heil klein durepke nog heel gaaf.
Ik zie in gedachte nog de vrouwkes, mee d´r zwarte klumpkes aon.
En hurre schone witte poffer um saome naor de mert te gaon.
O waore ze toch deftig, mee die grote witte murs.

Kik da is nou mijn Brabent . op dè Barabant ben en blijf ik gruts !!!!

Terug naar overzicht

Mijn handen

(Fredrik van Eeden  1860-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik zie op mijn oude handen,
hun taak is bijna gedaan.
Brachten ze eer of schande ?
Brachten ze zegen aan ?
O mijn handen ! Mijn handen !
Nu moeten ze spoedig vergaan.

Ze hebben al rimpels en vouwen,
vlekken bruin, die geen water wist.
Ach ! Al te groot vertrouwen !
Wat hebben ze vaak zich vergist.
Mijn handen ! Mijn handen ! Hoe dikwijls
hun schoonst bedoelen gemist.

Nu gaan ze welken en kwijnen,
ze laten zich niet meer gebiên,
uiteen valt de kunstige, fijne
gehoorzame machien.
O mijn handen, mijn handen, gauw zal ik
uw schrift niet langer zien.

Dan worden ze mager en beven,
in verlangen naar eeuwige rust,
dan is 't laatste woord geschreven,
het laatste kaarsje geblust.
En mijn handen, mijn handen, voor 't laatst nog
door lieve lippen gekust.

Nog eens doet mijn wil hen buigen
in gehoorzaamheid naar elkaar,
zo zullen ze blijven getuigen,
van mijn gang tot de zalige schaar.
O mijn handen ! Mijn handen ! Verstijfd dan
in durend aanbiddings-gebaar.

Terug naar overzicht

Mijn hond

(Jan Amandus van Droogenbroeck 1835-1902)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn hond is een plezante gast;

Hij springt, hij danst, hij jankt, hij bast,

Hij kwispelstaart, hij loopt in 't rond,

Hij kruipt en rolt zich op den grond.

Zeg ik hem: ‘Hier !’ hij komt bij mij;

‘Voort !’ zeg ik, en op een, twee, drij

Is hij de deur uit, op den stoep,

En wacht tot ik hem binnenroep.

Zeg ik hem: ‘Koes !’ hij legt zich neer,

Zeg ik hem: ‘Wsst !’ hij recht zich weer.

‘Fiks !’ roep ik - en dan staat hij daar,

Juist als een aapje, flink en klaar.

 

Als ik naar school ga, komt hij mee

Tot in den gang en keert gedwee

Terug; maar als de klas is uit

Zit onze hond voor 't vensterruit

Op schildwacht: ziet hij mij, dan: raf !

Hij wipt in eens het kussen af

En komt mij tegen op 'nen draf,

Met blij geblaf.

 

Doch, als hij mij aan 't schrijven ziet

Dan heeft het goede beest verdriet

Omdat hij mij niet helpen kan.

- Hij kent ja, niemendal ervan. -

Maar is de pen ter zij gelegd,

En heb ik hem eens ‘Mol !’ gezegd,

Dan moest gij zien wat gang hij gaat,

Hoe hij met zijnen pluimstaart slaat

En vlug vooroploopt naar de straat !

 

De vriendschap van het lieve dier

Verschaft mij waarlijk veel plezier.

- Daarom bemin ik mijnen hond;

Ik houd hem zuiver en gezond,

Ik maak hem een fatsoenlijk nest

En zorg voor eten in zijn' test.

- Soms krijgt hij een stuk boterham,

Dan zegt dit lief kapoentje.... ham !

Terug naar overzicht

Mijn hospita is weduwe

(C.S. Adama van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn  hospita is weduwe
Van Duitse middenstand.
Zij zellef komt uit Schwabenland,
Haar man kwam van de Veluwe.

Mijn hospita heeft twee spruitjes:
Het meisje dat is blond,
Het jongetje is ongezond
En heeft twee blote kuitjes.

Mijn hospita draagt haar boezem
Al vijf jaar uit de rouw,
Vandaag was ze in lichtlilablauw
Met rose moerbeibloesem.

Mijn hospita was vanavond
Bijzonder sentimenteel;
Haar dode man gedacht ze veel,
Vertelde ze hoogdravend.

Mijn hospita speelt met statie
De lieve ‘Lorelei’.
Zij zingt er zo melancholisch bij,
Toch goed van intonatie.

Mijn hospita wil mij verleiden,
Nou weet ik het potdorie !
Verduiveld, dat ik dat nou pas zie !
Verbeel je eens – wij beiden ?

Terug naar overzicht

Mijn kruiske

(met dank aan Els van Straaten voor het sturen van de tekst)

Van alle goeds en schoon in het leven

Zijt gij mij kruiske mij gebleven

In moeite en in kommernis

Mijn enige troost en erfenis

 

Ik heb u steeds op 't hart gedragen

In eenzame en soms bittere dagen

Als alles alles tegen viel

Borg ik u stil in mijne ziel

 

Als d'ogen mij van tranen brandden

Hield ik u biddend in mijn handen

En als ik niet meer schreien dorst

Legde ik u stil op mijne borst

 

Gij hield mij steeds uw smart voor d'ogen

En nimmer hebt gij mij bedrogen

Gij leerde mij tevreden zijn

En edelmoedig goed en rein

 

O kruiske, kruiske zoet kleinode

Dat ik in leve en den dode

Alleen bewaar als onderpand

Der reizen naar een beter land

 

Gij hebt zo veel tot mij gesproken

Zoveel hebt gij in mij verbroken

Zoveel heeft uwe zachte hand

Gesnoeid besneden en verpand

 

Maar waar de woorden nu te vinden

Om u te schilderen beminde

Naar het verlangen van mijn hart

In al uw schoonheid al uw smart

 

O Zalig driewerf zalig het harte

Dat met u vreugde deelt en smarten

Dat met u lacht en met u schreit

Dat met u leeft en met u lijdt

 

O heilig kruiske dierbaar teken

Door vele in hun nood bekeken

In de harde levensstrijd

Die voert ter eeuwige Zaligheid

Terug naar overzicht

Mijn laatste dichtruiker

(Maria van Ackere-Doolaeghe 1830-1890)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ten offer aan mijn lieve echtgenoot.
‘t Is tweeënveertig jaar geleên,
Dat ’s huw'lijks band ons heeft omsloten.
Sinds zijn we vrome lotgenoten.
In lief en leed en trouw
steeds één.
Veel deed het lot ons ondervinden
Wij hadden echte en valse vrinden,
De wereld kennen wij thans goed,
Haar bitterheid en ook haar zoet,
En rampen, die het heil verslinden.

 

De wereld woelde om ons: wij zijn

Twee tortelduiven, stil en rustig,
Elkaar beminnend, koest'rend lustig,
In ’s levens milden avondschijn.
Lokte uw vlijt hier weelde binnen,
‘k Bleef, bij die weelde, kunst beminnen;
Uw liefde heeft mij moed gebaard,
Mijn dichtgeest voor verval bewaard,
Steeds opgebeurd mijn hart en zinnen.

 

‘k Vergaarde een ruiker veldgebloemt,
Waarin mijn hart u dank wil spreken.
Mocht geur en kleur eraan ontbreken.
Om fijne vorm, noch schoon geroemd,
Toch kom ik die ten offer schenken,
Vriend, die van ‘t goede en schoon de wenken
Met mij gevolgd hebt, stap voor stap,
Op ‘t brede spoor der wetenschap,
Steeds in hand'len, streven, denken.

 

De traan der scheiding zal welhaast
Van uw of mijne wangen druipen.
Maar, als de orkaan der ramp dan raast
Hoe troostrijke zal het denkbeeld wezen,
Dat ons doet in het verleden lezen,
En weerspiegelt ‘t zoet genot
Van ‘t zo verzaligd huw'lijkslot,
Dat wonde en lijden kon genezen !

 

Geliefde, ben ik de eerst, die
De band verbreken moet, die ‘t leven
Zo onafscheidbaar aan doet kleven,

Dat dan uw oog op ‘t offer zie,
Waarin mijn liefde ligt besloten
Moge ‘t uw hoop, uw troost vergroten,
En zalig doen verlangen naar
Het uur, dat weer ons met elkaar
Vereent als zalige echtgenoten
De droefheid in ons harte sluipen.    

Terug naar overzicht

Mijn lief is als de rode roos

(Frank De Cort 1834 - 1878)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Mijn lief is als de rode roos

Den knoppe vers ontsprongen

Mijn lief is als de melodie

Bij snarenspel gezongen

 

Ik min u met mijn hart, schoon lief

Zo teer als met mijne ogen

Ge blijft mij dier totdat de zon

De zeeën zal verdrogen

 

Totdat de rotsen smelten in

Den gloed der zonnestralen

Beminnen zal ik u zolang

Als ik zal ademhalen

 

Vaarwel zoet lief, mijn eenig lief

Nu moet ik henenijlen

Ik kere weer, al scheiden ons

Tienduizend lange mijlen

Terug naar overzicht

Mijn lust is mijn arbeid

(met dank aan Gerrie Theunissen voor het sturen van de tekst)

Mijn lust is mijn arbeid

Mijn arbeid mijn eer,

Ik sla voor de beste,

Mijn ogen niet neer.

Ik heb pit in mijn spieren

Ben flink en gezond

En als Hollandse jongen van harte goed rond.

Ik steek in een plunje,

Dat past bij mijn vak.

Een zot is een mulder

In zwart laken pak.

En vraagt mij een fatje naar rang en naar stand,

Dan zeg ik van adel en toon hem mijn hand.

Terug naar overzicht

Mijn vader gaf my enen man

(Uit het 'Loonse handschrift' (Borgloon XIVe en XVe eeuw))

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

1.
Mijn vader gaf my enen man,
Van ouden was hem sijn baert soe grijs,
Der mynnen spel hij niet en can,
Sijn lijf es couder dan een yes.
Wanneer hij rust,
Soe crighic lust
Te ligghen al in den aermen sijn -
Meshouwet soe is den name mijn !
 

Maer als hy sclapen compt met my,
Dan duuct hy onder, hij doet my sere,
Ende hy crupt achter, dat dunct my vrij,
Als ic vrintscap aen hem begere.
Hy es soe stedich,
Altoes leyt hij ledich,
Ende ic soude soe gerne vrolich sijn -
Meshouwet soe es den name mijn!

Dan leyt hy en ronct allen den nacht
Ende altoes sclaept hi, den ouden catijf,
Als die myns niet seere en acht,
Gheen tijt en compt hem vreucht int lijf,
Ende maect hem siec,
Den ouden griec,
Hij ronct als waert een everswijn -
Meshouwet soe es den name mijn !

Waer hy my seyt, hy en betrut my niet
Hy doet mich wachten nacht ende dach,
Dus liit mijn hertte groet verdriet;
Maer dat ic noch myn gheliden mach
En cannic niet verdraghen:
Dat siin grote sclaghe,
Die hy mi gheeft, den ouden katijf -
Meshouwet soe es den name mijn !

Noch en achtich dat niet een slee,
Mochtich ligghen al in den aermen naect,
Allen nacht een oerken of twee
Van mynen lieve, dat naer my wacht.
Ic en cans niet heelen:
Ic soude soe gerne spelen
Met sijnder flouten, sy es soe fijn -
Meshouwet soe es den name mijn !

Vertaling
 

Mijn vader gaf mij een man.
Van ouderdom is zijn baard zo grijs,
Het liefdesspel dat kan hij niet,
Zijn lijf is kouder dan ijs.
Wanneer hij rust,
Dan krijg ik lust
In een liefdesfestijn -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !

Maar als hij bij mij komt slapen,
Dan ploft hij neer en doet mij zeer,
En hij kruipt weg telkens weer
Als ik met hem wil vrijen.
Hij is zo saai.
Altijd is hij moe en bot,
En ik verlang hartstochtelijk naar genot -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !

Dan ligt hij heel de nacht te snurken
En slaapt aan een stuk, die oude smiecht,
Alsof ik niet voor hem besta,
Nooit geraakt hij opgewonden,
Of voelt hij liefdeskoorts,
Die oude knar;
Hij snurkt als een everzwijn -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !

Hij vertrouwt mij voor geen zier
En houdt mij dag en nacht in het vizier,
Dus lijdt mijn hart groot verdriet;
Maar dat ik niet mezelf mag zijn
Dat kan ik niet verdragen,
Noch zijn harde slagen
Die hij mij geeft, dat oud zwijn -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !

Dat alles zou ik graag verduren,
Als ik elke nacht enkele uren,
Naakt in de armen mocht liggen,
Van mijn liefste die op mij wacht,
Ik kan het niet verhelen:
Ik zou zo graag spelen
Met zijn fluit, die is zo fijn -
Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !

Terug naar overzicht

Mijnheer Pestoor

(Brabants dialect)

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Mijnheer Pestoor daor is un léék

wa ist un errum of un réék ?

Ut kan ur nog al mee deur,

oh, dan slept um mer nor veur.

Terug naar overzicht

Miljoenen

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst)

Een heel oud echtpaar ging naar bed,

Op 't nachtkastje hun tanden,

Hij keek naar haar heel liefdevol

En streelde, haar rimpelige handen.

 

Hij sprak: "Al meer dan vijftig jaar,

Zijn we gelukkig meid, geloof me als ik zeg:

"k Wil je voor een miljoen niet kwijt".

 

"Dat weet ik jongen" zei de vrouw

Ook jij bent niet te koop,

Ook niet voor twee miljoen,

Dat is een hele hoop".

 

Zij lagen daar tezaam,

Op 't randje van hun leven.

Twee mensen die elkaar

Zoveel hadden gegeven.

 

Ze zeiden: "welterusten hoor",

Bij 't geven van een zoen,

Hij fluisterde: "is de deur op slot ?

Hier ligt voor drie miljoen !"

 

Terug naar overzicht

Misbruik

(Willem Bilderdijk 1756-1831)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ziet men aan de dorenstruiken
’t Geurig roosje niet ontluiken,
Lentes uitgezochte roem ?
Ook de distel, ook de netel,
Heeft haar plaats om flora's zetel,
Ieder braamsteng draagt haar bloem.

Ach, in alles is genieten;
Slechts het misbruik schept verdrieten.
Waarom grijpt ge woest in ’t rond ?
Laat uw ogen dankbaar weiden
Waar de schoonheên zich verspreiden;
’t Is niet al voor hand of mond.

Ieder zintuig heeft zijn waarde;
Ieder heeft zijn deel op aarde:
Riek het bloempje; smaak de vrucht;
Zie natuur haar kleed schakeren;
Hoor het boskoor kwinkeleren;
Voel de zoele kus der lucht !

Waan niet, als een God der Goden !
Alles onder uw geboden;
Dienstbaar aan uw grilligheden !
Stervling, stel uw zwelgzucht palen;
Waar Gods weldaân op u dalen,
Wees met wat Hij schenkt tevreden.

 

Terug naar overzicht

Misdeelden

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ze zeggen nog wat

Ze zeggen nog wat

Ik heb zo vaak aan mijn hart gehad

Als trage brand die node verging

Het hoofd van een mens dat te sterven hing

Uit de smeulende as van z'n brekend oog

Sloeg er bijwijlen een vlam omhoog

'n Vlam als een vraag

Want ze vragen nog wat

Ze vragen

Wie heeft er mij liefgehad ?

 

En voor ze 't vernemen

Geen een, geen een

Liggen ze schoon op arduinen steen

Waar ze lijken gestorven door zachtheid van zoen

En geen antwoord de ziele meer zeer kan doen

 

Genieters, ontwaakt uit uw leven van dons,

Die ogen, die handen, ze roepen naar ons

Als een vuurrode vloek

Door de weelderige stad

Ze vloeken:

Wie heeft er ons liefgehad ?

 

Toen doofde voor immer die vragende vlam

Omdat er van nergens antwoord kwam

Maar de handen van stumpers verdroogd en vergeeld

Die handen door niemand gezoend of gestreeld

Ze reiken, ze rekken, ze zoeken nog wat

Ze zoeken: Wie heeft er ons liefgehad ?

 

Terug naar overzicht

Mist

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Deez dag is lijk een moede man

Die langs de straten grijs en stil

Zijn droefenis niet kroppen kan

Maar toch niet schreien wil

 

Over beduimelde wegen zweeft

Een waas van onverschilligheid

Vrouw die zich zonder liefde geeft

En heengaat zonder spijt

 

Daar zoeft wat zonne-lichternis

Door 't miezering mistgordijn

Een ziel die niet zo triestig is

Maar toch niet blij kan zijn

 

Kan het dat ik eens zelve word

Gelijk deez overtrokken dag

Een kind dat nimmer tegenmort

Maar nooit meer zingen mag

 

Terug naar overzicht

Mizerie mensen

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Eerste versie

 

Ik heb u lief mizerie-mensen,

Die geen genoden werd

Van 's levens blijde festijn.

Die te onverschillig zijt om iemand kwaad te wensen,

Te bitter om nog goed te zijn.

 

Ge zijt een Godslamp van de kerke,

In wier karmijnen hert

Wat olie wordt gedaan.

Te luttel, om in vlammen op te vlerken,

Te veel, om er van dood te gaan.

 

 

Tweede versie

 

Ik heb u lief m'n schamele armen,

Ik weet u schijnbaar blij

Tussen de mensen gaan.

Te fier, om gierge gunst van menselijk erbarmen,

Te zwak, om heel alleen te staan.

 

Toch zal uw trots me nooit bezeren,

Mij, die van te dichtbij

Uw bleke wezens ken.

Mij, die uit iedere dag, uit ieder uur moet leren,

Dat ik er een van de uwen ben.

 

Terug naar overzicht

M'n kleine goede daad

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

M'n kleine simpel goede daad

Wat hebt ge vaak een winterziel

Met lenteblaan begroend

En vaak een groot verlies vergoed

En menig over-trotse gemoed

Stil met zichzelf verzoend

 

Ge hebt o kleine wonderheid

Zo dikwijls wat gescheiden was

Weer innig saamgehecht

En menig mond belust op haat

En menig streng en stuur gelaat

In milder plooi gelegd

 

Mijn kleine simpel goede daad

Voor mij die in mijn broos bestaan

Geen grotere dromen mag

Wees gij voortaan mijn grote taak

Mijn stille vreugd...mijn enige wraak

Mijn doel van iedere dag

 

Terug naar overzicht

M'n poëzie

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

O snaren van m'n jonge ziel

Ik voel uw trillen zacht

Wijl 't woordje op u nederviel

Dat door m'n tranen lacht

 

O zacht en zangerige woord

Waarin ik peerlen vind

Hebt gij m'n vreugde niet gehoord

Toen 'k worden mocht uw kind ?

 

O gij die m'n gedachtjes kust

En wiegt m'n droefenis

't Is of m'n innerlijke rust

Door u beveiligd is

 

O lieflijkheid ! o zang getril

Verwarm het harte mijn

Dat arm verlaten hart, en wil

M'n eeuwige rijkdom zijn

 

Terug naar overzicht

Moeder

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Draag je moeder hoog op de handen,
Het is een wonderbaar iets, een moeder.
Onze moeder begrijpt ons, bidt voor ons.
En het enige kwaad dat zij ons ooit doet,
Is te sterven en ons te verlaten.
Als je nog een moeder hebt, houdt ze dan in ere,
En wacht niet tot ze dood is om haar bloemen te brengen.
Wees goed voor haar.
Als je moeder oud is en misschien
Sukkelt met haar gezondheid, wees dan dubbel bezorgd.
Zij droeg je door de morgen van het leven,
Jij moet haar liefdevol
Door de avond van het leven dragen.
De moeder is het "hart" van elk gezin,
De band die alles samenbindt,
Het vuur in de haard dat allen verwarmt.
Hoe oud je ook wordt
En wat je ook misdaan hebt,
Voor moeder blijf je altijd: haar kind !
Echte moeders zijn in staat tot de onmogelijkste
En meest wonderbare dingen.
We kunnen moeder nooit missen.

 

Terug naar overzicht

Moeder en kind

(Frans De Cort 1834 - 1878)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Wanneer ik weeldedronken

Mijn rozig kind beschouw

En die 't mij heeft geschonken

Mijn aangebeden vrouw

Zo vraag niet wie van beiden

Mijn hart het meest bemint

Mijn hart kan niet scheiden

De moeder van het kind

 

Ik doe mijn armen open

En sluit ze er in bijeen

En vreugdetranen lopen

Mij langs de wangen heen

Ach wist gij, spreek ik stille

Hoe zeer gij wordt bemind

Gij kind om moeders wille

Gij moeder om uw kind

 

Terug naar overzicht

Moederke alleen

(René de Clercq 1877 - 1932)

(met dank aan Jeanne Albers Jaquet voor het sturen van de tekst)

Wie zal er ons kindeke douwen
En doet het zijn moederke niet ?
Wie zal er zijn dekentje vouwen
Dat ‘t schaarsch door een holleken ziet
Kleine, kleine, moederke alleen
Douw, douw, douwderideine;
Kleine moederke alleen
Kan van uw wiegsken niet scheiden !

 

Wie zal naar ons kindeke kijken,
Dien, bleuzenden, stouten kapoen (1)
Wie zal er zijn hemdekes strijken,
Zijn haarken in krullekes doen ?
Kleine, kleine, moederke alleen,
Douw, douw, douwderideine;
Kleine, kleine, moedeke alleen,
Kan van uw wiegsken niet scheiden !

 

Wie zou voor ons kindeke derven,
Heur laatste kruimeltje brood ?
Wie zou er, wie zou er voor sterven,
En lachen op kind en op dood ?
Kleine, kleine, moederke alleen,
Kan van uw wiegsken niet scheiden !

 

((1) kapoen = vetgemeste, jonge haan)

 

Terug naar overzicht

Moederken

(Guido Gezelle (1830-1899))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

‘t En is van u
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.

 

 

Geen teekening,
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
‘t en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt,
alleene.

 

 

o Moge ik, u
onweerdig, nooit
die beeltenis
bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.

Terug naar overzicht

Moeders arm

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Het vergulde wiegje van een prinsje,

Een schamel bedje in een krot,

Schreiend kontrast alleen van buiten,

De inhoud, een geschenk van God.

 

Want of dat pasgeboren kindje,

Ook slaapt op dons en rose satijn,

Of dat het spreitje van zijn bedje,

Een lappen dekentje zal zijn.

 

Dat zal 't kindje niet meer weten,

Als het eenmaal volwassen is,

Wel, of het liefde heeft gekregen,

Of, dat het liefde heeft gemist.

 

De luxe die 't kindje moet ontberen,

Die enkel maar de moeder smart,

Het stempelt niet zijn kinderleven,

Wel van dat minnend moederhart.

 

Die liefde kan men niet vervangen,

Door roosjes, franjes of satijn,

Of moeders arm, dat kindje wiegde,

Dat zal alleen belangrijk zijn.

Terug naar overzicht

Moeders handen

(Martien Beversluis)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Laat nu je lieve handen rusten,

Ze hebben al genoeg gedaan.

Zij sleepten 's levens last en lusten

En brachten altijd liefde aan.

 

En schoon ze van vermoeidheid branden

Door 't altijd zwoegen, tot de nacht,

Nog hebben deze ruwe handen

Mij zachte bloemen aangebracht.

 

Zij hebben mij beschut als lover

In 's levens al te hete dag.

Zij hebben zich gevouwen over

Mijn ogen, dat ik 't kwaad niet zag.

 

Nu zijn ze bleek, als uitgeblusten,

En rimpelig en zo klein en smal.

Laat nu je lieve handen rusten,

Dat ik ze, buigend, kussen zal.

Terug naar overzicht

Moeders jawoord

(W.J. van Zeggelen 1811-1879)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Duizend kneepjes, duizend kunstjes,
Tal van grapjes, tal van gunstjes
Tieren er op 't veld der min !
Wat al lonkjes, wat al lachjes,
Bij de lacy's en bij de achjes,
Heeft het dierbaar jawoord in !

Meer ontsnapt dan uitgesproken,
Wordt er 't oog vaak bij geloken,
Voor de rede en voor den plicht;
Als het in den roes der weelde,
Voor de zielen, die het streelde,
Een verbond voor 't leven sticht.

Naast die zaligheid des harten
Wassen nochtans kleine smarten;
 Wee, dat ouderlijk bestel,
Dat voor vleitaal niet wil wijken,
En geen meegevoel laat blijken
Voor het dartel minnespel.

't Liefdehulkje kent zijn klippen,
Mal hij, die de hoop laat glippen :
't Moederhart vooral is week;
Al wie maar wist vol te houën,
't Koude "neen" soms kon verdouwen.
Weet ook hoe dat ijs bezweek.

Beter onder de oudervleugels
Dan ontvlucht aan band en teugels,
Of tersluiks met lief op 't pad ;
Moeders jawoord eens verkregen,
Maakt de verdere liefdewegen,
 Hoe oneffen - recht en glad.

Daarom meisjes, daarom knapen,
Wil je in rust de vreugde rapen
Van het suikerzoet der min --
Wie ge ook uw geheim ontvouwde,
Haalt Mama eerst als vertrouwde
Van uw stille wenschen in.

Kan je 't bij Papa niet klaren.
'k Wed, zijn klachten en bezwaren
 Worden door h a a r  woord verstomd;
Lieve, wat je mocht besluiten,
Eén verzoek ! Houd mij er buiten,
Als mijn raad ter sprake komt.

Terug naar overzicht

Moesapi, het verhaal een soldaat

(met dank aan Gerard Smit voor het sturen van de tekst)

In Atjeh waren wij

Het was een beroerde tijd

We brandden alles

De kampongs wijd en zijd

Vernielde ons kanon

 

We sabelden ze neder, die bruine kerels

Maar er kwamen telkens anderen weder

’t Was alsof hun dapperheid vermeerderde met de dag

Weer hadden wij eens gestreden, weer gewonnen

Weer den nederlaag geleden had dat vervloekt gespuis

Nu, allen stierven

 

Toen werd ons verlof gegeven tot rusten

We groeven toen een graf  voor alle doden

Het werk ging ons niet moeilijk af

We wierpen ze erin

Maar ziet een van de soldaten

Die mogelijk nog het hardst schold op die onverlaten

Treedt bleek, ontdaan terug

Daar ligt een jonge vrouw,

De borst doorschoten, het oog gebroken,

Vol van rouw

De klewang in de hand

In de andere drukt ze een zuigeling aan haar hart

Wij hadden geen erbarmen zolang zij verwoed in ’s vijands rangen streed

Maar nu – het was toch háár land, ach die oorlog was zo wreed

Men zweeg, doch elk begreep, men kon het in de ogen lezen

Dat d’algemene kuil voor haar geen graf kon wezen

We dolven toen een graf, ver van de andere groeve

Voor haar en voor haar kind en legden haar er eerbiedig in

En brachten een saluut aan het graf van de heldin

 

Als ik later vocht in verre vreemde streken

En nooit die bruine kerels weken, dan schoot ik met minder vaste hand

Want altijd zag ik die vrouw die meevocht voor háár land

Terug naar overzicht

Molme boom

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Wie zal 't u aanzien,

De leproos van voet

Diep met uw wortels

In verrotting wroet

Dat gij nog 's avonds klimt

Langs weke bladertrappen

En boven uw mizerie

Met sterren staat te klappen

 

Wie zal 't u aanzien

Uitgestoten mens

Die op uw schande wankeldoolt

Tot leste grens

Terwijl ons onbarmhartigheid

Uw zondemantel zoomt

Dat gij langs drassen weg

Van witte heirbaan droomt

 

Wie zal 't u aanzien

God en enkelen maar

Ach, wisten al de mensen van elkaar

't Geheim geluk

Van 's harten loense wijken

Waarin de trappen staan

Die naar Gods liefde reiken

Terug naar overzicht

Na Jaren

(G.W. Lovendaal)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hij toog naar vreemde landen

Met groenen wandelstaf;

Na jaren kwam hij weder;

Toen viel het herfstloof af.

 

Aan 't huisje van zijn moeder

Daar bleef de zwerver staan staan;

De kinderen weken bange,

De heemhond gromde 'm aan.

 

Hij keek naar 't oude venster,

Hij keek naar 't oude dak:

Hij hoorde een vreemde spreken,

Waar eens zijn moeder sprak.

 

En ogen spiedden, vragend,

En schuw, door 't vensterglas;

't Leek alles hem zo vreemd nu

Wat eens zo innig was.

 

De gele linde glimlachte

In 't avondrood zo moe,

En stak den vriend van vroeger

Trouwhartig de armen toe.

 

En zij sprak nog haar tale

Met de eigen innigheid,

En neurde op de oude wijze

Een lied uit vroeger tijd.

Terug naar overzicht

Nachtwake

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ik voel mijn ziel een klein gehucht

Van nachtelijke landen

In 't simpel huizeke van mijn hart

Staat nog een lamp te branden

 

Ik toeve bij heur koperen schijn

Zo tussen waak en dromen

Lijk jonge vrouw heur liefste wacht

Die laat naar huis moet komen

 

Nochtans 'k en wacht geen lieveling

'k En wete geen beminde

Die langs dit land van duisternis

Naar mij de weg zou vinden

 

'k Wou,dat een moede zwerver kwam

Die dankbaar naar me lachte

En 't huizeke van mijn herte nam

Om veilig te vernachten

 

De alkove staat voor hem bereid

De wassen keers ontstoken

Ik heb mijn sober avondbrood

Voor hem in twee gebroken

 

En trage komt door mijn gedacht

Een schoon gebed gerezen

Daar is maar ene rust op aard

Voor iemand goed te wezen

 

Maar alles blijft op 't ver gehucht

Zo stil gelijk te voren

Ik weet in 't huis van menig hert

Brandt vaak de lamp verloren

Terug naar overzicht

Najaarslaan

(Jacqueline E. van der Waals 1868 - 1922)

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst)

Ik keek in de gouden heerlijkheid

Van een najaarslaan,

Het was of ik de goudene deuren wijd

Zag openstaan,

Het werd mij, toen ik binnen ging,

Of ik door gouden gewelven liep:

Ik aarzelde even, ik ademde diep,

Diep van verwondering.

Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout

Doet wat verboden is;

Ik sprak: "Zijn voor mij die gewelven gebouwd ?

Ben ik zoo rijk, dat van louter goud

De gang mijner woning is ?"

Toen sprak ik: "Deze gouden grot

Is immers geen menschenpaleis."

Ik sprak: "Het is een betooverd slot,

Dat lang op sprookjeswijs

Geslapen heeft en stil gewacht,

Op één, die de poorten ontdekken zou,

De doode gewelven wekken zou

Van 't huis, dat ieder menschenhuis

Te boven gaat in pracht."

Ik sprak: "Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk !

Hoe ben ik zoo rijk, mijn God !

Welke aardsche woning is gelijk

Aan dit, mijn sprookjesslot ?"

Trotsche, of ik een prinsesje waar,

Ging ik door 't goud;

Aan beiden zijden stond daar,

Schragend de gangen, hoog en zwaar,

De zuilen opgebouwd.

Waar gouden de portalen zijn,

Hoe zullen daar de zalen zijn !

Ik zag aan 't einde van mijn pad

Een kleine ronde poort,

Als blauw saffier in goud gevat,

En haastig, vol verlangen trad

Ik door de gangen voort.

Ik sprak: "Als bij mijn aankomst wijd

Die poorten openstaan,

In welk een groote heerlijkheid

Zal ik dán binnengaan,

Indien van goud de gangen zijn,

Hoe groot moet mijn verlangen zijn,

De zalen in te gaan !"

Terug naar overzicht

Najaarsvensterke

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andras Jaquet voor het sturen van de tekst)

Tussen' t naakte rood geraamte

Van een wilde wijngaardrank

Hing een scheefgezakte venster

In de gevel, blauw en blank

 

Op de grauw- arduinen richel

Hier en daar vergroend van mos

Lagen enkele wingerdbladeren

Dronken van d' oktoberblos

 

Onder 't venster waar het muurke

Door den tijd gebersten was

Stonden triestig te verdrogen

Uitgebloemde dahlia's

 

Een verneuteld vrouwke schikte

't Wit en rood geblokt gordijn

't Was alsof heur rimpels zegden

't Zal een kwaaie winter zijn

Terug naar overzicht

Narcis

(Louis Couperus 1863-1923)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Aan de boord ener beke
Zie ik leliën dromend staan,
Wijl golfjes om haar stengels
Schuimend gaan.

Een rei als van nymfen,
Die zich beuren uit de beek,
Een rei als van sneeuwwitte bruidjes
Zo kuis, zo bleek.

En in heur midden heft zich
Een enkele narcis,
Die kwijnt op zijn stengelke
Van droevenis.

De leliën smachten van minne,
Voor die geluwe narcis;
Zij geuren haar zoetste geuren,
Zo zwoel...zo fris.

En de goudgele bloeme nijgt zich
Steeds verder naar de vliet,
Tot hij in de zilvren spiegel
Zijn beeldtnis ziet.

Zo koud en zo kil is het water...
Zijn zoenen prangt
De bloem op het beeld, waar minnend
Hij over hangt.

En de leliën lispelen droeve,
Dat nog steeds met des jongelings lust
De bloem zijne beeldtnis
Op 't water kust...

Terug naar overzicht

O, haring met uw pekelsmaakjen

(De schoolmeester (1808-1858))

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

O Haring, met uw pekelsmaakjen,
O hartverkneutrend zeeziek snaakjen,
Hoe dorstig, hoe gelukkig maakje
De maag, die van uw lekkers houdt.
Gy zijt een fraai en snoeprig vischjen,
In 't keurlijk pietercelie-dischjen,
Een malsche beet voor jong en oud.

Geef andren spekstruif, of pastijtjens,
Of Fransche lever-lekkernijtjens,
Geef andren haas- of hertebout,
Of wel doortruffeld zwijnepootjen,
My is uw lieflijk middelmootjen
Het fijnst banket, en zoet uw zout.

Terug naar overzicht

Och ! kon ik u vergeten

(Victor Dela Montagne 1854-1915)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Och ! kon ik u vergeten,
mijn lief, mijn aangebeden;
Maar, ijdle wens en ijdle hoop:
Ik heb te veel geleden.

 

Niet dat ik in uw armen,
op uwen roden monde,
geluk, te veel voor ‘t mensenhart,
gezocht heb, - en gevonden.

 

Maar dat ik om u geleden heb,
geweend in doodsangstbeven
al wat een hart aan tranen heeft:
dat bindt me aan u voor ‘t leven.

Terug naar overzicht

Olielamp

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Is er dan geen olie in de lamp

Daar die lamp zo duister brand.

Vraag het aan de baas met fatsoen

Dat hij wat olie in die lamp wilt doen.

Trien!! Trien ! ! ge hebt er water in gedaan,

Ik heb U met de fles naar de pomp zien gaan !!!!!!!!

Terug naar overzicht

Ommegang

(Eduard Brom, geb. 1862)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Zacht schrijdend door der lichten feestlijk schijnen,

Van orgel klanken en gewijde zangen

Omruist, die plechtig zwellen, smeltend kwijnen,

Beweegt de stoet zich door de dichte rangen.

 

Teêr-witte bruidjes, lieve knapen, lijnen

Met priesteren, van sneeuwen kleed omhangen,

Een erewacht der Godheid, wier verschijnen

Van rei tot rei verbeid wordt vol verlangen.

 

De baldakijn, die liefde en deemoed schragen,

Omhuift de God in broodschijn, rondgedragen

Door 's priesters handen, door zijn hart beleden.....

 

De wierook geurt..... de nêergeknielde vromen

Slaan op de borst in 't eerbiedvolle schromen.....

Hoog wolken óp de blanke zielebeden.

Terug naar overzicht

Onder bescherming staat dit huis

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Onder bescherming staat dit huis

Behoed het voor gevaar en kruis

Bewaar dit huis voor storm en brand

Voor onheil smetting en voor schand

Voor bombardement en luchtgevaar

Laat ons in vrede met elkaar

Geef ons de zegen ten alle tijd

En eens de eeuwige zaligheid.

Terug naar overzicht

Onder 't appelen schellen 

(Bernard van Meurs, een katholieke priester-dichter, die leefde van 1835 - 1915)

(met dank aan Jos de Vet voor het sturen van de tekst)

De moeder zat appelen te schellen

Mien huushouwing, docht ze, wordt groot;

Ik heb er genoeg mee te stellen

Al hêt ook mien man goed z’n brood.

 

Zij zag ze um de taofel daor zitten

Zes kienders – ‘en aorige trop! –

Die speelden heel zuut met de pitten,

Went ielk had z’n appeltje al op

 

Ze zag op hun wengskes én kleurtje,

Deur ’t heldere lamplicht bestraold –

Nee, docht ze, gen één bellefleurtje

Da daor ien de verte bij haolt.

 

Toen de oudste, het krullige Mientje;

Veur ielk nog ‘en appeltje vroeg;

Gaf ze aonstonds weer ’n hallef dozientje;

“Maor nou, zei ze, nou is ’t genoeg!”

 

Ze had met die zes wa te stellen!

De zurg van ‘en moeder is groot . . .

Toen ruste ze ‘en bietje van ’t schellen,

Lei efkes de hand’ ien de schoot;

 

En ’t heuf kwiem veurover gebogen,

En ’t schiemerde haor veur ’t gezicht –

Toen viel ‘et gordientje der ogen,

Zo zwaor van den slaop, zachtjes dicht.

 

Zo zat ze daor nog gen minuutje,

Of de ondeugden hadden ’t gezien –

Eén lei, st! De vinger op ’t snuutje

En fluusterde de anderen wat ien . . .

 

En ielke dee de schoen’van de vuutjes,

Liep langzaom en stil naor haor toe,

En vroeg dan heel zuutjes, heel zuutjes:

“Zeg, mag ‘k nog ‘en appeltje, moe?”

 

As moeder dan slaopende knikte,

Alschoon ze niks heurde en niks zag,

Nam ielk da veur ‘jao’ op – en pikte

Een appel – en schoot ien de lach.

Terug naar overzicht

Onder uw handen

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Onder uw handen
Die veilig' ogieve,
Word ik weer de stille,
De zachte,
De lieve,
Die vredig d'ogen kan laten varen,
Over de herfst en de verloren jaren.

Onder uw handen,
Mij binnen halen,
In de kleine portiek van de zeer hoofse zalen,
Waar ik hoor zingen
Dat vèr-ijle lied,
Als ge mijn naam zegt
Of zacht naar mij ziet.

Onder uw handen,
De droom herwinnen,
Glimlachen en goed zijn,
Herboren naar binnen,
Nat schreien uw polsen van gesmolten trots
En wonen en gaan slapen in
Die schone ogieve Gods.

Terug naar overzicht

Onweer

(Jan H. de Groot)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

'k Lig op mijn buk

in 't gras en ruik

het loof van pieperblommen.

Ginds licht het door

het bos en 'k hoor

een verre donder grommen.

 

De zon verlaat

de dag en gaat

in rode wolken onder.

In 't Zuiden richt

een bliksemschicht

zijn speer en zwelt de donder.

 

Nu nadert zacht

de zomernacht

met zwaar bevochte schreden.

Er rilt gerucht,

een windezucht

komt uit het bos gegleden.

 

Er wervelt wind

die drijft en dringt

de volle donderkoppen.

Een vette blik

en hardop tikt

de val der eerste droppen.

 

Dan aarz'lend sta

ik op en ga

door wind en regenvlagen.

En boven mij

barst het getij

van vreselijke slagen.

Terug naar overzicht

Onze doodsbeldekens

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een treur'ge waarheid is, dat vele

Doodsbeldekes geraken zoek;

Slechts enkele die dat lot niet deelen,

Bewaren we in een bede-boek.

 

Toch zij bidprentjes ons gegeven

Voortdurend tot herinnering

Van die, eens één met ons in streven,

Behoorden tot de vriendenkring.

 

Bewust waartoe die plaatjes dienden,

Bewaarde een vader voor en na

Bidprentjes van gestorven vrienden,

Ze leggend in de tafellâ.

 

En telken jaar ten jongste dage

Liet vader nooit of nimmer na

Een heil'ge Mis te doen opdragen

Voor allen uit de tafellâ.

 

Laat sling'ren nooit gedachtnisplaatjes

Van kennissen, bewaar ze goed

In 't een of ander Uwer laatjes,

En 's avonds dan .... Een "Wees-Gegroet".

Terug naar overzicht

Oorlog

(Willem de Merode 1887-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De boomen overijlen zich te bloeien.
De bloemen geuren overdadig mild.
De jeugd glanst als een bliksem, en zijn gloeien
Is even snel en schrikkelijk en wild.

De hemel teistert met afgunstig waaien.
Naakt staat de boom als een geschoren lam.
Een rood onheil komt door het leven waaien.
De glans kromp uit de neergeslagen vlam.

Dit bloeien is geheim en zeer afhanklijk.
Van stilte en zon en krimpt bij de eerste slag.
De jeugd glanst ongerept, maar zo verganklijk,
Dat zelfs een wonder haar verdreven mag.

De boomen overijlen zich te bloeien.
De jongelingen haasten te vergaan
In overdaad van glans en een vermoeien,
Waarvan zij zelven slechts 't geluk verstaan.

Terug naar overzicht

Op de hoek van de straat

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Bij ons in de buurt op de hoek van de straat,

Daar word per dag zeer veel afgepraat.

 

Zeg Fien, moet je horen zegt Nel heel voorzichtig,

En daarbij kijkt ze dan ook heel gewichtig.

 

Ons Treesje zegt, dat die blaag bij ons neven,

Is naar de pastoor toe om zich aan te geven.

 

Dat zal toch niet waar zijn, zegt Fien verslagen,

Ja net wat je zegt Nel, dat zijn nog maar blagen.

 

Dan word er gefluisterd met een hand voor de mond,

Ik geloof er was haast bij, maar vertel 't niet rond.

 

En de andere kant naast ons, dat heb ik gemerkt,

Daar woont nu een stel dat komt nooit in de kerk.

 

Daarbij zijn ze ook nog zo brutaal als de straat,

Je gelooft toch wel niet hè, dat ik daarmee praat !

 

En heb je dat al van overbuurman gehuurd

Dat weet iedereen hier bij ons in de buurt.

 

Die maakten het gisteren toch wel weer zo bont,

Want men zegt, hij heeft weer een verbaal aan zijn kont.

 

Ja ja, van het pimpelen , dat snap je wel Nel,

Zo'n vrouwtje heeft ook bij die kerel een hel.

 

Zeg dat wel, die beklaag ik, ik weet hoe dat gaat,

Met drie bloedjes van kinders heeft zij 't niet breed.

 

Zo word er gekletst en gezwetst navenant,

Die hoek van de straat is een lopende krant.

Terug naar overzicht

Op het plein

(met dank aan Griet de Jonge voor het sturen van de tekst)

Op het plein stond te huur een rijtuig

Bespannen met een mager paard,

Waarvan de kop van voren neerhing,

Net als van achteren z'n staart.

Een jongen stak het marktplein over,

Maar 't scheen hij dorst haast niet voorbij,

Want toen het beest begon te naderen,

Ging hij in een wijde boog opzij. 

"Ach jongen" zei de voerman lachend,

"Hij slaat niet, wees toch niet zo dom !"

"Dat vrees ik ook niet" zei de jongen,

"Ik dacht maar aanstonds valt hij om."

Terug naar overzicht

Op ons weeshuis

(Joost van den Vondel 1587-1679)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Hier treurt het weeskind met geduld,
Dat arm is, zonder zijne schuld,
En in zijn armoe moet vergaan,
Indien gij 't weigert bij te staan.
Zo gij gezegend zijt van God,
Vertroost ons met uw overschot.

Terug naar overzicht

Opa's begrafenis

(Nap de la Mar 1878-1930)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Opa was dood, hij was eensklaps gestorven,

Nadat ie met oesters zijn maag had bedorven.

En opoe, die hem de oogen mocht sluiten,

Sprak: God heeft zijn ziel en  ik  heb de duiten;

          Want Grootpapa

Liet aan zijn vrouw nogal aardig wat na.

          Zijn uiterste wil

          Bevatte ook 'n codicil,

Waarin hij schreef met eigen hand,

Dat hij na zijn dood moest worden verbrand.

Het kon hem niet schelen in Hamburg of Gotha,

Daarvan nam hij als dooie natuurlijk geen nota.

  Opoe

Trok dus met opa naar Hamburg toe.

Zij tweede klas, zoo gezond als een vissie,

En opa secuur ingepakt in een kissie.

Toen de kaartjesklerk haar vroeg: of Mevrouw

Enkele reis of retour hebben wou,

          Sprak opoe heel wijs;

Voor mij een retour en voor opa enkele reis.

In Hamburg kwamen ze samen toen aan,

En het verbranden was heel gauw gedaan,

          Want opa had in z'n leven

Der firma Hulstkamp veel voordeel gegeven.

Hij had heel den dag in een borreltje trek,

En daarom brandd' opa als zwavel en pek.

          Wat van opa over was

          - Een beetje asch -

Werd in een urn of een vaasje gedaan,

Die urn gaf men opoe en toe kon ze gaan.

          Opoe

Reed dus met opa naar huis weer toe,

          Zij weer tweede klas,

En opa in t vaasje', of liever zijn asch.

          Opoe zat te prakkizeeren,

Wáár of ze opa thuis zou deponeeren.

Ze besloot op den schoorsteen naast het penduultje,

Toen stopte ze opa in haar reticuultje.

          En nam het besluit,

          'k Stap in Groningen uit.

Daar woonde haar dochter, die lang reeds getrouwd was

En wier eenige jongen een jaar of zes oud was,

Haar kleinzoon was, zooals zal blijken, geen engel,

Het was een vervloekt ondeugende bengel.

          Zoo gezegd, zoo gedaan,

En zoo kwam opoe in Groningen aan.

Ze kwam bij haar dochter en 'r kleinzoon, haar Juultje,

En nog altijd, zat opa in haar reticuultje.

Eerst had z' onderweg een bus flikjes gekocht,

Want z' bracht steeds wat mee, als ze Juultje bezocht.

Na 't eerste begroeten,

Zei opoe naar haar kamer te moeten.

Daar waschte zij zich, deed heur haar en zoo meer,

En lag 't reticuultje met opa er neer.

Ze kwam weer beneê en moest toen vertellen,

Hoe ze opa naar Hamburg moest vergezellen,

Of ze zoo 'n verbranding niet akelig vond ?

Haar dochter en schoonzoon hoorden met open mond,

Doch Juultje, haar kleinzoon, dreinde heel zacht:

Opoe heb-ie niks meegebracht ?

          En opoe zei: ja zeker vent,

          Dat ben je toch van mij gewend.

't Gesprek ging weer door en opoe zei fier:

Ja schoonzoon, nou heb ik je schoonvader hier !

In 'n nikkelen vaassie heb ik hem bij me....

O Gut ! riep de dochter en wou eerst bezwijmen.

Maar de angst moest voor hare nieuwsgierigheid wijken,

En aarzelend zei ze: laat U pa dan eens kijken !

En opoe deed haar dochters wil,

Deed 't vaasje open.... gaf een gil

Alsof ze zenuwstuipen kreeg.

Wat was 't geval.... de urn was leeg.

De schoonzoon trok een bedenk'lijken snuit,

En opoe riep: hoe komt  die  er nou uit !

En niemand wist wat te beginnen,

Op dat moment kwam Juultje binnen.

En daad'lijk sprak het kleine baassie:

Opoe ?  Wat zit er in dat vaassie ?

En met de volle kracht van haar longen

Riep opoe: daarin zat je opa mijn jongen.

Ah bah ! riep 't kind, was opa dat ?

'k Dacht dat er chocola in zat.....

De kleine kannibaal had, zonder het te weten,

Zijn eigen opa opgevreten !

Terug naar overzicht

 

Opdat zij Uw goede werken mogen zien !

(met dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst)

Ik heb vergaderd

Jij hebt vergaderd

Hij heeft vergaderd

 Wij hebben vergaderd

’t heeft allemaal nogal wat tijd genomen

En we zijn nog niet tot elkaar gekomen.

 

Ik heb gesproken

 Jij hebt gesproken

Hij heeft gesproken

Wij hebben gesproken

’t gaf allemaal niet veel ’t liep uit op vitten,

Terwijl er toch veel tijd in was gaan zitten.

 

En in de tijd dat A nog aldoor praatte

En B daarop het woord nog even vroeg

Ging er een oude broeder door de straten

En praatte met een meisje in een kroeg

En op ’t moment dat de vergadering sloot

Hielp hij een mens, hielp hij een mens in nood !

Terug naar overzicht

Opletten

(Jan van Droogenbroeck 1825-1902)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Oogen open ! ooren open !

Dat is hier de groote wet !

Toegeluisterd, opgelet,

Oogen open ! ooren open !

Spant de zinnen als een net;

Wetenschap is niet te koopen;

Oogen open ! ooren open !

Dat is hier de groote wet !

Terug naar overzicht

Opoe

Opoe had d'r hele leven,
Voor d'r kinderen gesjouwd.
Al d'r jongens en d'r meisjes,
Waren na elkaar getrouwd.
Toen is opoe in gaan wonen,
Bij d'r jongste lieveling.
En daar wachtte ze geduldig,
Tot ze naar 't kerkhof ging.

In 't begin was opoe alles,
Ieder was haar aangenaam,
't Warme hoekje naast de kachel,
't Mooiste plaatsje voor 't raam.
Maar toen opoe's spaarbankboekje,
Helemaal was afgezet,
En toen opoe lam ging worden,
Moest ze 's middags vroeg naar bed.

Eerst moest opoe naar de keuken,
Had d'r lieveling gezeid.
Toen moest opoe naar de zolder,
In de bedstee van de meid.
Maanden lag ze daar te suffen.
Niemand had meer medelij.
Tot de kleine meid kwam zeggen,
Dat d'r opoe niks meer zei.

Terug naar overzicht

Organist

(Prosper van Langendonck 1862-1920)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zijn ganse hunk’ren speelt hij uit
in schoonheid der akkoorden;
geen macht die zijn verrukking stuit,
geen taal kan haar verwoorden.

De tonen weet hij één voor één
in jub’lend opwaarts stijgen
en dalend naar beneden heen
tot melodie te rijgen.

In teder pianissimo
in speels improviseren,
in ’t bruisend fortissimo
speelt hij de lof des Heeren.

En in zijn schoon preludium,
in ’t ruisen van de psalmen,
tot waar men in ’t postludium
de zangwijs na hoort galmen.

Zo speelt hij van begin tot slot
zijn klankrijk lofgetuigen,
en voor gemeent’ en voor zijn God
laat hij zijn orgel juichen.

Terug naar overzicht

Oude jaar

Oude jaar ! O, laat ons rusten,
Omzien eer wij verder gaan.
't Nieuwe jaar word' niet begonnen,
Eer we hebben stilgestaan.
Eer we in ernst ons zelven vroegen:
"Deed ik waarlijk, wat ik kon ?
Ben ik wijzer, beter, vromer,
Dan toen 't jaar zijn loop begon?"

God gaf ons Zijn zon en regen,
Gaf ons vreugde, gaf ons smart.
Maakten wij genot en lijden
Tot een zegen voor ons hart ?
Oude jaar ! De jaren vlieden,
En zij keerden nimmer weer.
Ieder jaar dan vind' ons verder,
Vind' ons beter, meer en meer !

Terug naar overzicht

Oudejaarsavond
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Oudejaarsavond, ijzige wind
Een eenzaam klein meisje, een verlaten kind
Een leven in armoe, geen liefde beschoren
Steen koude voetjes, haar sloffen verloren
De een werd gestolen een onverlaat
De ander onvindbaar in de donkere straat
Zwavelstokjes die niemand wou kopen
Antwoord thuis om straf te ontlopen
Achter de vensters huist welvaart en vrede
Enkel wat warmte is haar eenvoudige bede
Mag een enkel stokje aan de bundel ontbreken?
Een enkel stokje zal ze het durven ontsteken?
Een kachel licht op in stralende gloed
Is het een wonder ziet ze het goed
Haar droombeeld vervaagt verdwijnt met de wond
Wonderen bestaan niet maar niet voor dit kind
Een tweede stokje, het vlamt op in haar hand
Een feestmaal verschijnt wanneer in ganzen verbrand
Hoe kan die gans leven een droom die vervliegt
Het duurt maar heel even.
Een derde vlam tovert het landsvollepracht
Van een twinkelende kerstboom die verdwijnt in de nacht
Kerstboomlichtjes die als sterren verstrooien
Ze stijgen op om de hemel te tooien
Een ster in het werk raakt aan de ander voorbij
In de herinnering komt wat Grootmoeder zei
Een vallende ster een
ziel gaat op reis
Naar hemelse vrede naar Gods paradijs
En zie daar is Grootje zei wijkt naar het kind
Zacht stralend van goedheid met een liefde die bindt
Ach Grootje lief Grootje ach voer mij toch mee
Naar de innige warmte van uw hemelse vree.
En zie in grootmoeders armen
Voor eeuwig voor zorgen en rampspoed gespaard
In de sneeuw blijft dit meisje in kou overleden
Haar mond in een glimlach in een glimlach van vrede
Het is de kracht van de liefde die altijd wint
Het geluk is voor eenieder en nu ook voor dit kind

Terug naar overzicht

Overeind

(J.H.Leopold 1865-1925)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zij tilt zich overeind en in
het licht en maakt een stil begin
stil met zich zelve, langs het smalle
lijf liet zij het hemd afvallen,
dat zakt tot in een dunne kring
van plooien, een weinig mijmering
zet zich, zij ziet naar beneden
de blootheid van haar eigen leden,
het vreemde van het nu gebleken
lichaam en de schemerbleke
benen, de voeten uitgespreid
en in hun zachte nederigheid
de tenen, die bijeen gedoken
schuilen, al de onafgebroken
opvolging en het tesaambehoren
der leden alle, die zonder storen
vervloeiende zijn en als te horen
met zacht muziek, die werd geboren
in hunne overgangen. In de rust
van hare lijdelijkheid wordt zij bewust
hoe vreemd, hoe wonderlijk het haar aan-
komt, nu zij zich liet begaan,
alsof dit alles buiten haar was
en zag zij het in een spiegelglas;
is zij dit zelve, is zij er in
en ziet zich zelve, waar is het begin
van dit wat te denken bezig is
aan zich zelve en ongewis
wordt zij hier, haar gedachten zouden
niet verder kunnen, teruggehouden
in deze bedeesdheid, alleen er hing
een voelen van herinnering
van vroeger, alsof het al een keer
zo was, en over het wanneer
denkt zij nog even en dan met kleuren
om haar vreemd doen gaat zij zich beuren
uit haar verzonkenheid en nog is zoet
haar naglimlachen bij wat zij doet
in verder kleden.

 Terug naar overzicht

Overwegende argumenten

(P.A.de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

'k Heb met dat nieuwe niets van doen,
Vooreerst, het strijdt met ons fatsoen;
En dan, ik heb een vrouw getrouwd,
Die 't met de Catechismus houdt.

Terug naar overzicht

Overwintering op Nova Zembla

(Hendrik Tollens   1780 - 1856)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Nog hield het schriklijk pleite van dwang en vrijheid aan;
Nog droeg der vaadren erf de Spaansche leger aan
En dronk om strijd het bloed van landzaat en van vreemden; ’
De kneuzende oorlogsvracht beploegde Vlaandrens beemden,
En Neerlands weeke grond hijgde onder ‘t wigt van wee.
Toch hield haar vlag zich op, en dekte land en zee,
‘En woei in eere rond en de overwinning tegen.
Kastielje kromp terug voor Maurits’ heldendegen,
En de Ooster-indiaan, op Javaas kust beroet,
Bevrachtte Neerlands vloot met ’s werelds overvloed.
Europa zag, verbaasd, het rijzend wonder wassen, –

Het ongekend kleinood, verscholen in moerassen,
Uit wier en dras geweld; – dat, onbevlekt en schoon
, Welhaast als keurgesteent’ zou vanklen aan haar kroon.
Reeds wendde Houtmans kiel, in Gamaas wed gedreven,
Door ‘t zog,,. des Portugees, naar ~ Bantams ree den steven;
Reeds grijpt dan Noord het roer, en stuurt zijn ranke vloot
Daar Magellanes straat en om den wereldkloot.
Een ander stout bedrijf vangt Heemskerk aan te wagen!
Hij waakt zijn nachten door, doormijmert gansche dagen,
Doorkruist den aardhol, meet de zeeen, smelt ze in n
Hij wil door ‘t ijzig Noord naar ‘t zengend Oosten heen.
Langs Nova Zemblaas kust, in storm en sneeuw verloren,
Wil hij naar China vaart, en d’Indus op gaan sporen;
En, zoo dit pad besta door ‘t eeuwenheugend ijs,
Hij wil dat Neerlands vlag Euroop den doortogt wijz’.
De kloeke Rijp wil me en doodsgevaren tarten:
Twee bodems zijn genoeg en onverschrokken harten!
Het stout besluit staat vast en stap aan stap gaat voort:
Twee bodems zijn gereed, met wakker volk aan boord.
De schrandre Barends zelf zal Heemskerks roer bestieren:
Hij, rustig in ‘t gevaar, wat stormen om hem gieren,
Hij, grijs in kennis, jong in ijver, vast van ziel,
En zeeman in het hart, staat zeilre op de kiel.
Zij smachten naar het uur, waarop zij henen snellen:
Het slaat: de kust stroomt vol en Tessels oevers zwellen
De palen zijn bevolkt, en booten zonder tal
Zijn op- en volgepropt, en kruisen langs den wa
. ‘t Vaarwel en ‘t afscheid joelt en schatert langs de stranden;
De mutsen zwieren rond in de opgestoken handen;
De doeken zwaaijen; groet en handkus, ‘t luid hoezee
Verzelt hun uittogt langs de duinen en de re.
Heel Neerland zendt haar wensch ten hemel. Opgetogen
Ziet zij haar kindren voor hare eer ten kamp gevlogen,
‘t Gevaar verachten, ‘t lot braveren, om, misschien,
Een lauwer meerder aan haar lauwerkroon .te zien.
‘t Vangt aan, het kloek bedrijf, waar ‘t nakroost van zal spreken;
Men windt de kabels, hijscht de zeilen, wacht het teeken ..
‘t Verschijnt: de lont strijkt neer, het knappend kruid ontbrandt,
En ‘t los gedonderd schot wcnscht heil aan ‘t vaderland.
Zet, zangster! zet dien togt op de aangeslagen snaren;
Volg Neerlands wimpel na langs de ongemeten baren;
Bezing het waagstuk, naaal den uitslag, roer en streel,
En valt’ u ‘t loon der kunst, een enkle traan, ten deel

Terug naar overzicht