SeniorPlaza

Idealisme

(P.A. de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Doe ik mijn oogen toe,
Dan wil ik 't wel gelooven;
Doch als ik ze open doe
Komt weer de twijfel boven.

Terug naar overzicht

Ieder huisje heeft zijn kruisje

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Ieder huisje heeft zijn kruisje,
Ieder draagt zijn eigen last.
En aan ieder van zo'n kruisje,
Zit een bepaald gewichtje vast.
Het één weegt zwaarder dan het ander,
Maar toch komt het hier op neer,
Kon ik het met een ander ruilen,
Dan nam ik toch mijn eigen weer.

 

Terug naar overzicht

Iets geniaals

(Carel Vosmaer  1816-1888)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Iets geniaals heeft toch Piet Prul in ’t eind bedreven,
Want wat hij nooit bezat, hij heeft de geest gegeven.

 

Terug naar overzicht

IJdelheid der ijdelheden

(met dank aan Jan Hubers voor het sturen van de tekst)

IJdelheid is ‘t hier beneden
ijdelheid der ijdelheden
Al het wereldse ijdelheid
Het is ‘s morgens vroeg als damp vervliegend
de droom de slapende bedriegend
 als schaduw over het land verspreid.

Arbeid moeite sloven zorgen
dagelijks van de vroege morgen
tot de late avond toe.
Zingeneuchten ach hoe strelend
alles wordt op eens vervelend
alles maakt ons levensmoe.

Want leg met zwoegen en met sparen goederen op voor vele
jaren onafzienbaar als de zee.
Maar nieuwe zorg is uw beloning
Want alleen een planken woning
en een doodshemd neemt ge mee.
Laat u door de zin betoveren,
des vermaaks het hart veroveren.
Leef in weelde, zwelg in lust.

Maar walging en gewetens knaging
is de zucht der zelfverlaging
en uw lamp wordt uitgeblust.

Prijkt in volle schoonheid weder
als een bloem de knop ontgleden
in de zomer zonneschijn
Maar wie gij waard
hoe schoon of edel
zal straks aan uw ontvleesden schedel
Zeker niemand kenbaar zijn
Bouwt bij het wisselen der geslachten
op sterkte van uwer krachten
kent geen beven voor ’t gevaar
Maar onderneming maakt u wijzer
Als straks de kwaal
den arm van ijzer breekt
Alsof  het een rietstaaf waar
ijdelheid is het hier beneden
ijdelheid der ijdelheden
Alles wat de wereld bied
maar oprecht en vroom te wezen
God te kennen God te vrezen
dat alleen bedriegt u niet
Ware vrede der gemoederen
ware wijsheid vaste goederen
Roem en sterkte brengt het aan
en het stilt den dorst volkomen
Als daar boven voor de vrome
het eeuwig licht is opgegaan?

Terug naar overzicht

Ik ben geen vader, en ik hèb geen zoon

(Willem de Mérode 1887-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik ben geen vader, en ik hèb geen zoon.
Niets dan een sage is zijn zacht bestaan.
Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan
In grootte en glans en werd volwassen-schoon.

Nevens mij, glorieus en monotoon,
Verging de kringloop van zijn kort bestaan.
Mijn hand is strelend door zijn haar gegaan
En langs het kloppend halsje van mijn zoon.

Ik weet niet hoe hij werd en mij ontviel.
Ik ken alleen de klare periode
Van bloei die boven mijne schouder rees.
Nog spiegelt zijn hel lachen in mijn ziel.

God weet, wij hebben soms een droom van node,
Maar doodsbedroefd is die de droom ontrees.

 

Terug naar overzicht

Ik ben mijn zonde moe

(Jacqueline van der Waals 1868-1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik ben mijn zonde moe en mijn berouw,
ik ben mijzelve moede en ik ben
het zoeken moe naar God, die ik niet ken,
en die ik toch zo gaarne kennen zou.

 

Ik ben mijn zwakheid moe en mijn verdriet,
mijn arbeid en mijn hoop en mijn genot,
maar bovenal het zoeken naar mijn God! -
Ik ben het zoeken moede - maar God niet.

 

Hij ziet en kent mijn zonde en vergeeft
ze zeventig maal zeven maal en meer.
Hij wil niet, dat mijn ziele sterft maar leeft.
O, wonderbare goedheid van de Heer,
die naar zo moedeloos een ziel nog vraagt,
die alle dingen en ook mij verdraagt.

Terug naar overzicht

Ik ben van den buiten

(René Desiderius De Clercq  1877 - 1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik kreeg van mijn ouders,
Van ieder mijn part,
Van vader mijn schouders
Van moeder mijn hart.
Ik vocht om mijn stuiten,
Met zuster en broer.
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer.

 

Bij d’eigenste pachter,
Eerst koeier dan knecht
Mijn klakke van achter,
Mijn hoofd immer recht.
Zoo dien ‘k om duiten,
En teer op mijn toer;
Ik ben van den buiten.
Ik ben van den boer !

 

Ik zout en ik zaaie,
Ik eg en ik ploeg,
Ik mest en ik maaie,
Ik zweet en ik zwoeg.
Ik klets op de kluiten
En glets op de moer.
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer.

 

En hebben de zeisens
Gezinderenzind,
De mallende meisens
De wagens gepint,
Dan zit ik te fluiten,
Van boven op ‘t voer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer.

 

Terug naar overzicht

Ik dank u

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ik dank u voor het goed onthaal

Dat was van weinig woorden

Gelijk al goede dingen zijn

Die ooit ons hart bekoorden

 

Ik dank u voor het avondmaal

Der kinderen klare wezen *

Het warme huis, de liefde en

Wat nooit mijn deel zal wezen

 

Maar wat vandaag op d'oude droom

En over dorre dagen

Een warme sneeuw van bloesems vlaagt

Lijk mei op dorenhagen

 

* Wezen is gelaat

 

Terug naar overzicht

Ik drink op de mensen

(met dank aan H. Sissing voor het sturen van de tekst)

Ik drink op mensen die bergen verzetten.

Die door blijven gaan met hun kop in de wind.

Ik drink op mensen die vallen en opstaan.

Blijven geloven met het geloof van een kind.

 

Ik drink op mensen die dingen beginnen.

Waar niemand van weet wat de afloop zal zijn.

Ik drink op mensen die wagen en winnen.

Die niet willen weten van water in wijn.

 

Ik drink op mensen die blijven vertrouwen.

die van tevoren niet vragen voor hoeveel en waarom.

Ik drink op mensen die door blijven douwen.

van doe het  maar wel en kijk

maar niet om.

 

Ik drink op mensen die ALLES verloren.

Die weg zijn gezakt en zijn onder gegaan.

Ik drink op mensen die terug bleven vechten.

En daarna herboren weer op zijn gestaan.

 

Ik drink op het beste van vandaag en van morgen.

Ik drink op het mooiste waar ik van hou.

Ik drink op het maximum wat er nog in zit.

In vandaag en in morgen.

in mij en in Jou.

 

Terug naar overzicht

Ik droom mijn liefde blijer

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ik droom mijn liefde blijer

Dat ze niet schreie meer

Bij elke ontgoocheling

En dat ik vreugd-en vriend-verlaten

Toch voor de mensen van liefde zing

 

Ik droom mijn liefde sterker

Dat ze niet zoeke meer

Mijn eigen lieve gril:

Ik droeg ze naar de heimweeharten

Van dolers die niemand beminnen wil

 

Ik droom mijn liefde wijder

Dat niet mijn einddoel zij

't Erbarmen van een man

En dat ik met mijn vrouwenhanden

Wat wereld-ellende

Omvatten kan

 

Terug naar overzicht

Ik ging eens om een broodje

(Dop Bles 1883-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik ging eens om een broodje,
De bakker was niet thuis,
en toen de bakker niet thuis was,
ging ik weer naar huis.

Ik ging eens naar de mensen
en sprak ze allen aan,
al ken ik vele talen,
geen mens heeft mij verstaan.

Ik ging naar alle deuren,
waar ’t venster was verlicht,
zo hard kon ik niet kloppen,
of elke deur bleef dicht.

Ik ging eens naar een kamer,
waar ik me welkom wist,
de deur bleef afgesloten,
ik had me dus vergist.

Ik ging naar alle boeken
en vroeg ze alle raad,
maar geen dat mij kon zeggen,
wat niet geschreven staat.

Ik ben toch eens geboren
en ga dus ook eens dood,
zolang ik nog moet leven,
ga ik maar steeds om brood.

 

Terug naar overzicht

Ik heb u lief

(René de Clercq 1877 - 1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik heb u lief

Ik heb u lief, ik heb u lief!
Dat is mijn kus, dat is mijn groet,
dat is de blijdschap in mijn bloed,
dat is elk woord in elke brief,
dat is mijn hart: ik heb u lief.

Ik heb u lief, ik heb u lief!
Dat is mijn zorg, dat is mijn zang,
dat is mijn roem, mijn leven lang.
Slechts Hij, Die mij tot u verhief,
kent gans mijn hart: ik heb u lief!

 

Terug naar overzicht

Ik voel mijn leven ...

(Prosper van Langendonck 1862-1920)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik voel mijn leven door mijn vingers vlieten
dat leven zonder liefde en zonder zegen
en de allerlaatste hoop dit hart ontschieten
zo afgebeuld langs alle martelwegen.

Geen trouwe borst zwelt ooit de mijne tegen
geen milde hand zal mij genadig gieten
de zoete wijn des levens. - Kalm bewegen
in teer genegen zijn en zacht genieten.

O droom van hoge schoonheid, die mijn schreden
voorlichtte, - tot uw puurste glans gerezen
vervliet ge allengs...
En 't jammerlijk verleden
jaagt stormend door de diepten van mijn wezen
in zulke koorts van haat en woede aan 't loeien
als stond heel de aarde in vlammend bloed te gloeien.

 

Terug naar overzicht

Ik ween om bloemen in de knop gebroken

(Willem Kloos 1859-1938)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan.

 

Gij kwaamt, en 'k wist - gij zijt weer heengegaan ....
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos ná die korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

 

Zo als een vogel in den stillen nacht
Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

 

Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

 

Terug naar overzicht

Ik zou zo gére

(met dank aan Diana Aarts voor het sturen van de tekst)

Ik zou zo gére nog es efkes, neffe ons moeder wille stón,

Ik zou zo gére nog es efkes, ons Pa zunne gang zien wille gón

 

Zo héél zachjes, zo héél vlug

Zo mar éfkes in ’t verlede, zo mar éfkes héél vlug terug.

 

Woar is toch de tijd geblive,

Dét vanzelfsprékend was, dé we die auwtjes vertróuwde,

Of ‘r nooit iets anders was.

 

’t Kon nie kupot, ’t blif zo dure,  héél dieë lange kindertijd.

En as ge naw ’n bietje umhóg kiekt,

Zin we alles toch mar kwijt.

 

Loat ons hope, goei femilie, dé ze op d’r plekske zin.

’t Plekske wór ze zo op hoopte,

’t plekske dé ‘k nog nie ken.

 

Ik zou zo gére nog es efkes, neffe die auwtjes wille stón.

Ik zou zo gére nog es efkes,

Mar ut kan nie mér.. ’t is gedaon.

 

Laot ons nauw mar stiekum bidde,  danke vur dieén gouwe tijd.

Bidde ók vur hullie toekomst,

Kriede latter ók gin spijt.

 

Ins dan zin we toch wir same,  den inne vruug den andere laat.

Want as ge hil goed rondkiekt,

Ziede toch dejit gu.

 

     Ik zou zo gére nog es efkes,……

 

Terug naar overzicht

In de bril van Bertha Teugels

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

In de bril van Bertha Teugels

Is er somtijds veel te zien

't Is precies een speelgoedwinkel

Aan twee kanten een vitrien

 

'k Zag daar eens een vogel vliegen

'k Zag de kap van soeur Chantal

'k Zag een venster met gordijnen

Zo met bloempotten en al

 

En een kleine muizenlandkaart

En een stukje Gibraltar

En een gieter voor de bloemen

Te koop in de brilbazar

 

In de bril van Bertha Teugels

Staat de wereld in het klein

Onze klas zit vol klein menskens

Van jujube en marsepein

 

'k Zag daar ook mijnheer Van Hout eens

Achter zijn pupiter, pam !

't Was precies een kleine duivel

Die van uit een kaske kwam

 

In de bril van Bertha Teugels

Is het somtijds uitverkocht

En, terwijl ik nieuw postuurkens

In Bertha haar ogen zocht

 

Zag ik daar opeens m'n eigen

Of daar in de winkel stond

Mijn portret in een brelokske

Met een zilveren kaderke rond

 

Terug naar overzicht

In gedachten

(Kapel H. van de Eik)

(met dank aan Dinette van Rosmalen voor het sturen van de tekst)

In gedachten fiets ik naar de kapel.

Ik heb geen haast, ik kom er wel.

Daar kuiert ieder wat rond,

Jong of oud, ziek of gezond.

 

In gedachten loop ik naar de brug,

De Beerze stroomt niet zo vlug.

Veel water is er al doorgegaan,

Levenswater, met daarin menige traan.

 

In gedachten staar ik naar de kapel.

De zon komt er boven, dat beval me wel.

Het licht geeft me een bijzondere gloed;

Mensen kijken naar boven, dat doet ze goed.

 

In gedachten loop ik naar voren;

Ik hoor geen mens, maar vogelkoren.

De kapel, midden in de natuur,

Voor menigeen brandt er een vuur.

 

In gedachten steek ik een kaarsje aan,

En kan gesterkt weer op huis af gaan.

Opgewekt stap ik op mijn pedaal,

En zie het weer wat lichter allemaal.

 

Terug naar overzicht

In Nederland

(Jan Jacob Slauerhoff  1898 - 1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
‘k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om ’t krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.

In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven,
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenooten smaden mij: ‘Hij is mislukt.’
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om ’t welzijn van zijn medemenschen denken.
In het geniep slechts mag krenken,
Maar niet een facie ranslen dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandlen zonder reden
Getuigt van tuchtelooze zeden.

Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die leelijkheid in steden en dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen…
Daar loopen allen met een stijve boord
- Uit stijlgevoel niet, om te toonen
Dat men wel weet hoe het behoort –
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.

In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerlozen gekweld,
Nooit wordt zoo’n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit, gebeurt een mooie passiemoord.

 

Terug naar overzicht

Inenting

(Cornelis Paradijs (= Frederik van Eeden) 1860 - 1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zou ik mijn kind niet vaccineeren

Met zuivre koepokstof,

Zou ik dien wreeden gesel niet bezweren,

Die reeds zoovelen trof ?

 

God zond den dood om 't menschdom te genezen,

Met zonden zwaar belaân,

Doch heeft ons tevens zijn genâ gewezen,

Hoe hem te keer te gaan.

 

Geweldig komt het pestvuur ons bestoken,

Elk schoon zwicht voor zijn kracht,

Doch licht en schaad'loos wordt die kracht gebroken:

Een prik en 't is volbracht.

 

Volgroote goedheid ! nimmer te doorgronden

Is Godes heerschappij:

De Heer der Heem'len slaat zoo fel geen wonden,

Of schenkt er pleister bij.

 

Terug naar overzicht

Ingekwartierd

(Castro 1898)

(met dank aan Gerard van der Scheer voor het sturen van de tekst)

"Goede vrouw, wat stookt ge toch,

't Houtvuur brandt zo vrolijk nog.

Kijk nou, zo'n verkwistend vrouwtje,

Spaar uw hout toch, vriend'lijk oudje

Luister toch naar goede raad."

 

't Rimplend vrouwtje, vriendelijk luisterend,

't Rimplend vrouwtje zachtjes fluisterend:

"Warm je, warm je toch soldaat."

 

"Goede vrouw, bewaar je ham.

Dacht U dat ik daarvoor kwam?

‘k Heb zo even moet U weten,

In de herberg al gegeten.

Op mijn woord, ik ben verzadigd."

 

't Rimplend vrouwtje, vriendelijk luisterend,

't Rimplend vrouwtje, zachtjes fluisterend:

"Eet nu, eet nu maar soldaat."

 

"Lieve vrouw, wat een verwennerij

't Beste bed, en dat voor mij?

Nee, maar dat is overdreven,

Wijs me maar de hooischuur even.

In 't hooi slaap je ook niet kwaad."

 

’t Rimplend vrouwtje, vriendelijk luisterend,

’t Rimplend vrouwtje, zachtjes fluisterend:

"Slaap nu, slaap nu maar soldaat."

 

Het is ochtend, hij moet heen;

"'k Groet U moedertje, maar neen,

Hoe die rugzak zwaar vanmorgen

‘k Ben verlegen door uw zorgen

Waar u mij mee overlaadt  .."

 

’t Rimplend vrouwtje, vriendelijk luisterend,

’t Rimplend vrouwtje droevig fluisterend"

"Ach, mijn zoon is ook soldaat."

 

Terug naar overzicht

Inmaken

(Adriaan van de Hoop jr. 1802 - 1841)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Keulse potten, vaatjes, touwtjes,
Vleeskuip naar de eis gepikt;
Nu is 't hoogtijd voor de vrouwtjes,
't Rookt in huis, dat je er van stikt !
Zuurkool naar de eis gesneden,
Molenstenen in de ton,
Stank van boven tot beneden;
Vrouw steeds in haar nachtjapon.-
Zuinig Aaltje is catechismus:
Wie zag immer zuinigheid,
('k Ben niet voor het pessimismus)
Lezers, bij een keukenmeid ?-
Duizenden Princessebonen,
Groene bonen bij 't miljoen,
Tonnen, waar men in kan wonen,
Als Diogenes mocht doen.
Kelderflessen, blazen, kurken,
Uitjes, sambal, peultjes, peen,
Bloemkool, erwtjes, biet, augurken,
Canteloupen, fijn gesneên !
Venkel, foelie, lauwerblaren,
Thijm, Cardemon, Marjolijn,
Spaanse peper niet te sparen !
Ankers wijn- en bier-azijn,
Boterpekel voor de kroppen,
Kies vooral de slapste niet !
't Zelfde voor de spersie-koppen,
Eer men er d'azijn op giet.
Appels schillen, boren, drogen,
Kindren aan de diarree.
Bruine suiker afgewogen:
Ach, 't wordt in je beurs zo wee !
Reine-claudes, mirabellen,
Brandewijn, kaneel, kandij,
Perzik, abrikoos, morellen,
Naaglen, naar de smaak er bij !
't Geurig sap van d'alebessen,
Wél gerist, gekookt, geschuimd,
't Spoelen, 't zwaavlen van de flessen:
Was de boel maar opgeruimd !
Al die vruchten en geleien,
Al dat zoet en al dat zuur,
Al die vreemde lekkernijen
Maken juist de inmaak duur.
Vrouwtjes, zo gij ons wilt tonen,
Dat gij d'inmaak goed bevat,
Zie niet op een duizend bonen,
En een witte kool of wat !
Wil voor de overmaat niet schromen,
Deel daarvan met wijs bestel,
Weet gij er niet dóór te komen,
De arme luitjes weten 't wel !

 

Terug naar overzicht

In 't zomerpension

(C.S. Adama Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

In het hokje op den zolder

Van 't pension vol kleine hokjes

Lag ik op het krakend bedje,

En in 't hokje naast mijn hokje

Lagen jongetjes te praten -

En ik luisterde nieuwgierig, -

Zoo precies kon ik ook praten - -

Pijnlijk, dat dat niet meer kan!

 

Door het open zolderraampje

Van het klein gehoorig hokje

Scheen de stille maan naar binnen

Op mijn deftige demietje -

"Zeg! weet jij wat ja in 't Fransch is?"

"Ja is in het Fransch qui!"

Qui monsieur! - dat leerde ik ook zoo! - -

Pijnlijk: - nou ben 'k zelf "monsieur"!

 

Voor het raampje van mijn hokje

Zat een krekeltje te piepen,

En de maan hing stil te schijnen

Op mijn glanzende manchetten -

"Zeg! 'k moet al weer gauw naar school toe!"

"Ja jong! - och dat zal wel wennen."

Ah! dat dacht ik ook zoo vroeger! - -

Pijnlijk: - ik ben dat nooit gewend!

 

En de maan scheen in mijn hokje,

Op de kleine beddetafel,

En het snoezige portretje -

En mijn briefje - aan 't portretje -

"Zeg! vind jij juf ook zoo'n schepsel?"

"Alle juffen vin ik spoken!"

Ja - dat vond ik ook precies zoo - -

Pijnlijk: - dat vind 'k nou niet meer

 

En die krekel bleef maar piepen,

En de maan naar binnen kijken,

Naar de stille witte waschkom,

En naar 't potje - met permissie -

En de joggies ginnegapten -

En ze smoesde' een stiekem grapje -

O! dat dee 'k eens net als zullie - -

Pijnlijk is dat alles toch!

 

Terug naar overzicht

Intocht

(C.S. Adama Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Toen werd die blauwe hemel al maar wijder,

Langs alle huizen lagen lichtfestoenen,

Van alle daken daverden klaroenen

En door de straten reed een gouden rijder.

 

De zon toog vóór met koperen blazoenen,

Als stedemaagd, heraut en begeleider; -

Het was de bloode herfst, de schoone strijder,

Zijn bloote beenen stake' in gele schoenen.

 

Zoo rijdt de vreugd mijn wijde poorten binnen,

Verguldt het woonhuis der gestorven jaren

En zet de vensters van mijn oogen open;

 

Mijn vlugge voeten wille' een dans beginnen -;

Mijn handen reiken aan de losse blâren -

Om mij zie ik bedrukte menschen loopen.

 

Terug naar overzicht

't Is de ure der getijden

(Alice Nahon 1896 - 1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Daar is in iedere zuster-cel

Bij 't ronken van de wekker-bel

Een vaag gerucht begonnen

't Is 't mommel-momp'len van gebeden

De kloosterkerk wacht beneden

Heur stille, vroege nonnen

 

Ze komen van de donkere trap

In zwart habijt en witte kap

Een beetje voor de vieren

Daar hangt in menige vensterspleet

Der gaanderijen diep en breed

Een kwaaie wind te gieren

 

Ze sleff'ren op hun slofkens voort

Daar spreekt geen een een luttel woord

Hun Paternosters rinkelen

Een vale schijn vergeelt hun Wang

Aan 't einde van de zwarte gang

Staat een kaars te pinkelen

 

Bij pozen kreunt er 't piep-gezeur

Der zwaar antieke kerkedeur

Waardoor hun schimmen glijden

Daar roept door 't huis een flauwe bel

Daar brandt een lamp in de kapel

't Is d' ure der getijden

 

Terug naar overzicht

't Is goe

(Alice Nahon 1896 - 1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

't Is goe, 't is goe

Vraag niet o kind, waarom en hoe

Die weemoed over uw vreugde vlot

Men moet in ieder groot genot

Een plekske schaduw lezen

Daar moet aan iedere bloem een traan

Aan iedere zon een ondergaan

Aan iedere dag een avond wezen

 

't Is goe, 't is goe

Dat, na 't verzengend zon-geloe

De witte vree van 't maangelaat

Over de moede wezens gaat

Van die geen zon verdragen

En dat van deernis nu en dan

De loden lucht nog schreien kan

Voor hen die nimmer klagen

 

't Is goe, 't is goe

Dat achter 't alledaags gedoe

Van grote strijd en klein bestaan

De mensen naar hun sponde gaan

Die goede oud bekende

Daar tussen waak en sluimer in

Vindt menige goedheid haar begin

En menige smart haar einde

 

Terug naar overzicht

Jan Rap

(P.A. de Génestet - 1829–1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!

  Hij houdt niet van die vromen:

Hij heeft „geen weerga” om de leer,

  En smaalt van „breede zoomen.”

Hij vindt geen waren christengeest

  Bij al die fijne kwezels;

Hij zegt „de Liefde is ’t hoogst, is ’t meest,”

  En scheldt hen uit voor Ezels.

 

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!

  Een vijand van de vromen,

En, ik geloof, ook niet veel meer

  Met vroomheid ingenomen.

Jan Rap beweert, na wijs beraad,

  „’t Bestaat’ em niet in ’t bidden,”

Maar waarin of ’t em dan bestaat,

  Dat laat hij liefst in ’t midden!

 

Jan is geen knecht der wet; hij staat,

  Dus zegt hij, in de vrijheid!

Ook, als hij t’huis komt, ’s avonds laat,

  Psalmzingt hij: Vrijheid, Blijheid!

Jan volgt in denken en in doen

  De stem van zijn geweten,

Maar ’t is er een van ruim fatsoen

  En, min of meer, versleten.

 

Jan oordeelt – alles zonder vrees,

  Wat hij zegt staat op pooten;

Hij weet vooral van Dominees

  Ontelbare anekdoten.

Ook voelt Jan Rap, die menschen kent,

  Nogal zijn eigen waarde:

Waar vindt ge zoo’n patenten vent,

  Zóó liberaal, op aarde?

 

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!

  Een standje vol verlichting;

Afbreken is zijn vreugd, zijn eer,

  In spotten vindt hij stichting.

Wat knappe kop! wat diepe blik!

  Hij hangt niet aan de letter;

Hij hangt veel meer aan eigen Ik

  En nommer Eén – die ketter!

 

De waarheid heet het doel alleen

  Van dees geliefde broeder:

Hij sierde onlangs met aardigheên

  Den Bijbel zijner moeder,

Hij grijnst zijn kleine zusjen ân,

  Die wonderen gelooven;

Want zijn geloof, ’t geloof van Jan,

  Staat vast en ver daarboven!

 

Jan is niet kerksch; dat spreekt van–zelf,

  Hij denkt zoo heel verheven:

„Zijn tempel is het blauw gewelf,

  „Zijn godsdienst is – zijn leven!”

Zoek hem in ’t Zondagsmorgensuur

  Niet bij de vrome scharen!

Hij, wel zoo goed, in Gods natuur,

  Houdt kerk en – rookt sigaren!

 

Nog tegen ’t Zendingswerk vooral

  Richt Jan zijn geestigheden;

Hij kan zijn geld – Jan is niet mal –

  Wel nuttiger besteden.

Het krielt – verklaart hij – om ons heen

  Van Heidnen en Heidinnen:

Bekeer die eerst! Heel fraai; alleen

  Jan moest met Jan beginnen!

 

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!

  Lichtzinnig wel te weten:

Zoo zijn er – ja! zoo zijn er meer,

  Die liberaal zich heeten!

Moog Jan dès leven in mijn lied

  En heden en nadezen,

Opdat wie ’t leze of hoore – niet

  Begeer zijn maat te wezen!

 

Terug naar overzicht

Jan's verstand

(Const. Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

"Het ende goed, al goed !", zei Dirk en ik zei 't mee;

"Hoe goed is dan een worst", zei Jan: "die heeft er twee".

 

Terug naar overzicht

Jantje

(Nicolaas Beets 1814 - 1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Jantje kwam
Van Amsterdam
Veel had Jantje te vertellen;
Jantje was zo machtig wijs,
Dat zijn borstje scheen te te zwellen,
Of hij kwam van ‘t paradijs.

 

Jantje droeg
Vast moois genoeg:
‘t Was een jasje van fijn laken
‘t Was een hoedje, rijk van glans;
En hij dacht jaloers te maken
Al de vrijers, al de mans.

 

Jantje zag
Met witten lach
Neer op al die boerenmaagden;
‘k Wed, dacht Jantjen in zijn waan,
Dat ze allemaal mij vraagden,
Mocht een meisje uit vrijen gaan.

 

Jantje keek
Een heel week
Of ze niet verliefd en werden;
Maar niet een, wie ‘t overkwam.
Toen zij zich aldus verhardden,
Werd het wijze Jantjen gram.

 

Jantjen had
Altijd in stad
Malle praatjes kunnen slijten;
Maar toen Jantjen ‘t hier begon,
Zag hij, tot zijn innig spijten
Dat hem dat niet baten kon.

 

Wat dee Jan
Ten leste dan ?
‘t Beste was naar steê te keeren.
Al de meisjes trouwden wel,
Maar met minder wijze heeren;
Jantje bleef een vrijgezel.

 

Terug naar overzicht

Jeugd

(J.H. Leopold 1856-1925)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Veel gure regendagen bij de boeken
in studie doorgebracht; veel winternachten
bij wijn en vrienden lachend doorgewaakt.
En in de zomer verre wandeltochten
en dromen in het gras, veel grote plannen,
nog groter woorden; meisjes plagen, stoeien,
gezoen en nu en dan een vleugje liefde,
een wenk, een oogopslag, een stout begeren
als blauwe heuvels, schemerend hier en daar
door dichte stammen van het donkre bos.

 

Terug naar overzicht

 

Jong en ervaren

(Constantijn Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Besteed de diere tijd

Bij dagen en bij nachten,

Terwijl gij in uw krachten

En onversleten zijt.

Het schijnt jong en ervaren

En zijn niet wel te paren;

Maar 't is een valse schijn:

Men kan wel jong van jaren

En oud van uren zijn.

 

Terug naar overzicht

Jonge, lelijke eendje

(Johan Andreas dèr Mouw 1863-1919)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Dan las ik weer van 't jonge, lelijke eendje:
eerst zwom hij blij door 't groene licht op 't water;
toen joegen ze hem weg met kwaad gesnater,
en gooide een jongen naar hem met een steentje;

toen plaste hij rond met één bevroren beentje
's nachts in een kolk; en toen ontmoette hij, later,
bij de oue vrouw, die deft'ge, wijze kater
en kipje Kortpoot met 't verbrande teentje !

En stilletjes werd 't kleine eendje groot;
en vloog eens in een meer. Daar kwamen aan,
drie zwanen, en hij zei: 'Pik me maar dood !'
en boog naar 't water; en hij zag een zwaan.

En 'k had altijd, wanneer ik 't sprookje las,
een vreemd gevoel, dat 'k zelf zo'n zwaantje was

 

Terug naar overzicht

Karel ende Elegast

(auteur onbekend, ca. 1250)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Karel de Grote krijgt aan de vooravond van een hofdag van een engel opdracht om uit stelen te gaan. Hij gehoorzaamt met tegenzin, en trekt uiteindelijk het duistere woud in. Daar verslaat hij een zwarte ridder, die Elegast blijkt te heten. Omdat hij Elegast indertijd verbannen heeft, en hij niet wil toegeven dat hij op pad is om te gaan stelen, stelt Karel zichzelf voor als Adelbrecht (dat betekent: van adellijke geboorte). Ze breken in bij Eggeric van Eggermonde, de zwager van Karel. Daar is Elegast ongewild getuige van een echtelijke ruzie, waarbij duidelijk wordt dat Eggeric samen met een aantal handlangers van plan is op de hofdag Karel van het leven te beroven. Weer buiten vertelt Elegast over het complot aan Adelbrecht/Karel, die de volgende dag zijn maatregelen treft. Eggeric wordt aangehouden, maar daagt Elegast uit om in een tweegevecht als godsoordeel uit te maken wie de waarheid spreekt. Elegast wint dit gevecht en mag met de zuster van de koning, Eggerics weduwe, trouwen. Eggeric kan de slaap maar moeilijk vatten. Als zijn vrouw vraagt wat er is, wil hij het eerst niet vertellen. Maar ze dringt aan (vs. 893-922).

 

So lange lach si hem an,
Dat hi haer seggen began,
Dat hi haers broeder doot hadde gesworen;
Ende te dien waren vercoren,
Souden daer cortelike comen.
Hi gincse haer bi namen nomen,
Hoe si hieten ende wie si waren,
Die den coninc wilden daren.

 

Dit hoorde algader Elegast,
Ende hielt in sijn herte vast.
Hi peinsde, hi soude brengen voort
Die ondaet ende die moort.
Als dit die vrouwe hoorde,
Si antwoorde na den woorde
Ende seide: ‘Mi ware liever vele,
Dat men u hinge bi der kele,
Dan ic dat gedogen soude!’
Eggeric sloech also houde
Die vrouwe voor nase ende mont,
Dat haer dat bloet ter stont
Ter nase ende ten monde uut brac.
Si rechte haer op ende stac
Haer anscijn over tbedde boort.
Elegast hi treckede voort
Ende croper liselike toe.
In sinen rechten hantscoe
Ontfinc hi dbloet van der vrouwen,
Omdat hijt wilde laten scouwen
Diet den coninc te voren brochte;
Dat hijs hem verwachten mochte.

 

(vertaling Karel Eykman)

 

Zij bleef maar zeuren aan zijn kop.
Ten slotte biechtte hij het op:
Hij had de dood van haar broer gezworen.
En hij zei: ‘Wie daartoe zijn uitverkoren,
Komen daar binnenkort tezamen.’
Hij noemde ze allemaal bij name,
Hoe ze heetten en wie het waren,
Die zich achter hem wilden scharen.

 

Elegast kon dit alles horen,
En hij knoopte het in zijn oren.
Hij dacht: ik zorg dat men er van hoort,
Van deze misdaad, deze moord.
Toen de edele vrouw dit hoorde,
Zei zij hem na deze woorden:
‘Ik zou er eerder naar verlangen
Dat ze jou aan de galg zouden hangen
Dan dat ik zoiets toe zou staan!’
Eggeric begon meteen te slaan
Op haar neus en op haar mond,
Zodat het bloed terstond
Uit haar neus en mond kwam stromen.
Waarop zij, overeind gekomen,
Haar hoofd boog over de bedrand heen.
Elegast kroop er meteen
Stilletjes op af en hij ving zo toen
Alles op, in zijn rechter handschoen:
Hij ving bloe op van die vrouw

Omdt hij het later tonen wou

Aan iemand die de koning kon bereiken,

Om hem te waarschuwe goed uit te kijken.

 

Zoals bij zoveel middeleeuwse werken, is ook van Karel ende Elegast niet bekend wie het geschreven heeft. Wel is duidelijk dat de auteur de kunst verstond om een boeiend en spannend verhaal te vertellen. Karel ende Elegast is een Karelroman, dat wil zeggen dat het verhaal zich afspeelt in de kringen rond Karel de Grote. In veel Karelromans blijft de machtige koning zelf op de achtergrond. Het bijzondere aan dit verhaal is dat Karel zélf een van de hoofdpersonen is.

Terug naar overzicht

Kastanjes

(J. van der Waals)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Het is een heldere dag in Mei,

De wind waait lustig, de zon schijnt blij

Op bloeiende paarse seringen,

En gouden regens in gelen tooi

En alles is zoo mooi, zoo mooi !

En alle vogels zingen !

 

En zie hoe blauw de hemel blauwt

Boven de weiden geel als goud,

De zonnige, bloeiende landen,

En zie de kastanjeboomen daar staan !

Daar groeien witte kaarsjes aan,

Wat zullen die kaarsjes aardig staan

Wanneer ze vanavond branden !

 

Terug naar overzicht

Kat

(Schoolmeester 1808-1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Maar, o jeugd ! indien gy nu komt vragen:

"Waarin schept eigenlijk een

kat het meeste behagen ?"

Ik antwoord: dat schrandere dier zijn liefde en zijn lust

Is, als hy, heel gemakkelijk, en zich zijner waarde bewust,

Het aardsche gewoel vergetende, op een canapékussen rust,

Waar hy dan zoo op zijn eigen over 't ondermaansche ligt te mediteeren,

Met zijn oogen dicht, opdat hem geen distracties zouden geneeren.

Ja, woont hy soms by een boer in of gepensioneerden soldaat,

Of by een verloopen domenee op zwart zaad:

Enfin, in een huis waar geen canapé of easy-chair staat,

Geen nood: onze wijsgeerige maat

Weet dadelijk op alle dingen raad,

En contentreert zich des noods met op Domenees oude huisjas te liggen,

of op de warme plaat,

Welke laatste hy dan ook zelden, voor dat die koud wordt, weër verlaat.

Zoo weet onze maat in de moeilijkste levens-oogenblikken,

Zich met wijs overleg naar de omstandigheden te schikken.

 

Terug naar overzicht

Kat

(Schoolmeester 1808-1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wanneer een kat ons by nacht op zijn concerten tracteert,

Dan zou men haast vragen: "waar heeft het beest zijn zingen geleerd,

Daar hy over dag zich zoo zelden in den zang exerceert ?"

Over dag neemt dit dier

Doorgaands op andere wijze zijn plezier:

Dan wandelt hy, by voorbeeld, wanneer het niet nat is,

(Want niemand die zoo bang voor vochtigheid als een kat is;

Ofschoon er menige jeugdige kat of kater

Om 't zwemmen te leeren als zuigeling gaat te water,)

Dan wandelt hy, zeg ik, den moes- en bloemtuin eens om,

Mitsgaders het bleekveld, het kippenhok en de eendenkom,

Om zich te verzekeren, dat er nergens eenige sordes

Of vuiligheid liggen, en dat alles behoorlijk in orde is.

Terwijl hy nu en dan, als een volleerd acrobaat,

Voetjen voor voetjen over den rand van een schutting gaat

En er op- en afspringt, zonder ooit te schroomen,

Dat hy niet op zijn pooten weër te land zou komen.

Immers als springer en equilibrist is hy een bol,

Die het kan te raaien geven aan den gunstig bekenden menheer Auriol.

Ja, hy is nog vlugger zelfs dan nu wijlen Madame Saqui,

Al is zy als een zephyr gekleed, in een vleeschgekleurd jakkie,

En hy altyd in een bonte pels loopt, of winterpakkie.

 

Terug naar overzicht

Kee en Frits

(Piet Paaltjens 1835 - 1894)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zij heette Kee. Hij noemt zich Frits.
Zij zat wat scheel. hij liep mank.
Een englenpaar. Maar zij erg bits,
En hij verschriklijk aan de drank.

 

Ze woonden in een lekke schuit
Als twee marmotjes in hun hol.
Geregeld schold zij hem de huid
En dronk hij zich met bitter vol.

 

De tijd vliegt snel, vooral wanneer
De liefde ’s levenszuur verzoet.
hun koopren bruiloft kwam dus, eer
Het minnend paar het had vermoed.

 

In zijn verrassing leegde hij
Reeds ’s morgens vroeg zijn tweede fles;
En van weeromstuit raasde zij
In eens wel voor een week of zes.

 

Doch ziet terwijl de teedre bruid
Haar eedle bruidegom en heer
nog streelde zonk opeens de schuit
Tot op de boom der stadsgracht neer.

 

Het water stroomde ‘t roefje in
En vulde in een ommezien
Frits’ lege fles, zijn gemalin,
En ook hem zelve bovendien.

 

Toen taald’ hij naar geen drinken meer
En Keet hield voorgoed de mond,
Dat was voor de allereerste keer
In hun gelukkig echtverbond

 

Terug naar overzicht

Keizersgracht houdt de wacht

(met dank aan Marian Heeringa voor het sturen van de tekst)

Keizersgracht houdt de wacht,

Geerlings kantoor,

Laverduus dieventroep,

Breekt alles door.

Rechercheur achter de deur,

Agent zij het geweer.

Ingepikt Comedie links,

Verder zeg ik niets meer.

 

 

In het gesticht erg verlicht,

Woont een knappe meid,

Hhevig gelach krijgt straf,

Regent wordt nijd,

Grote schaar, wezenhaar,

Geen geld of kleer,

Schoon verloor, kaal geschoor,

Geen haar op meer.

 

 

Dame gaat 's avonds laat

's Avonds na twee

Jongemans woning in;

Schone canapé.

Na verloop hij mankeer

Alles doet hem even zeer.

Overtoom ziekenhuis,

Verder zeg ik niets meer.

 

Terug naar overzicht

Kerstgedachten

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Weet Je

 

Weet je hoeveel sterren staan boven u

In kerstmistijd ?

Weet je hoeveel harten smeken

Voor een beetje menselijkheid ?

Weet je hoeveel ouders een groet onthouden wordt

Waar naar ze zo verlangen ?

Weet je hoeveel zieken wenen

Omdat ze liefdeloosheid ontvangen ?

Weet je hoeveel kinderen er zijn

Zonder dak en brood ?

Weet je hoeveel er daarom sterven

Omdat men geen hulpe bood ?

Weet je hoeveel offers onze Heer God

Nog met ons voor heeft,….Dan

Weet je hoeveel er nog van ons te vervullen geeft.

 

Aan allen een Zalig Kerstfeest

 

Terug naar overzicht

Kerstlied

(Joost van den Vondel 1587-1679)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

O wat zon is komen dalen
In den Maagdelijken schoot !
Ziet hoe schijnt ze met heur stralen
Alle glanzen doof en dood.
Ay, hoe schijnt dit hemels kind,
Aller zielen licht en hoeder,
Zon en maan en starren blind,
Uit den schoot der zuiv’re moeder !
Eng’len, daalt van ’t Paradijs:
Zingt den hemel eer en prijs,
En met vree de harten kroont,
Daar een goede wil in woont.

 

Terug naar overzicht

Kind en mens

(C.S. Adama van Scheltema 1877 - 1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Hoe heerlijk goed is 't een klein kind te wezen,
Klein voor de eenheid van het groot heelal,
De pracht, die nooit dit hart bereiken zal,
Waarnaar wie groter ware' een wereld wezen.

 

0 ! in een kinderziel wijsheid te wegen,
Die 't wisslend leven al zijn kindren geeft,
Als elk maar weent en lacht - waarachtig leeft,
Zó kind bij mensen is een rijke zegen !

 

Ik voel geen lastig lijf: - mijn ziel alleen
Buigt zich en luistert naar wat is geleden,
Een diepe rust ligt toovrend om mij heen
Naar 't oord, dat door geen mens nog werd betreden.

 

De warme zon bloeit voor mijn stille voeten,
Mijn ogen lachen zacht, haar stil te groeten.

 

Terug naar overzicht

Kinder-Lyck

(Joost van den Vondel (1587-1679))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Constantijnt je, ’t zaligh kijntje
Cherubijntje, van om hoogh,
D’ydelheden, hier beneden,
Vitlacht met een lodderoogh.
Moeder, zeit hy, waarom schreit ghy ?
Waarom greit ghy, op mijn lijck ?
Boven leef ick, boven zweef ick,
Engeltje van ’t hemelrijck:
En ick blinck’ er, en ick drincker
't Geen de schincker alles goets
Schenckt de zielen, die daar krielen,
Dertel van veel overvloets.
Leer dan reizen met gepeizen
Naar pallaizen, uit het slick
Dezer werrelt, die zoo dwerrelt.
Eeuwigh gaat voor oogenblick. 

 

Terug naar overzicht

Kinderloos

(P A de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Betty Conijn voor het sturen van de tekst)

Arm moedertjen is zo alleenig,

Arm moedertjen is zoo bedroeft,

De Vader, Dien zij dankte,

Heeft haar zoo zwaar beproefd.

 

Zij staart in het verlatene wiegje,

Op 't speelgoed nog zwervend in 't rond;

Daar ligt zijn popje; zij kust het

Met bleekbestorven mond.

 

Haar armen zijn ledig, zo ledig !

Weg al haar levenslust !

Haar huis is uitgestorven;

Zij heeft noch zorg, noch rust.

 

"O vrouwe, hadde uwe ziele

Nooit moedervreugd gekend,-

Zoo waart ge vreemd gebleven

Aan deze lange ellend !"

 

Zij wringt de witte handen,

Ziet op en peinst en schreit

En stamelt;"Neen, ik dank nog

Mijn rouw is heerlijkheid !"

 

't Lief vrouwtje, slank en schoon,

Gedoscht in zijden plooien,

Staat, leunende in den vensterboog,

Haar zieltje te verstrooien.

 

Ze is rijk, ze is jong en wordt bemind;

Toch welt er in heur oogen

Een traan, dien vruchtloos 't fijn batist

Gedurig af wil drogen.

 

Een arme vrouw in 't lompenkleed,

Met ingevallen koonen......

Een kindjen aan de dorre borst,

Vraagt aalmoes van de schoone.

 

En 't zieklijk wichtje blikt haar aan,

Met zachte vriendlijke oogen.....

Zij neemt haar goud,- maar toeft,- maar staart

Verwijtende ten hoogen.

 

En lacht....Een aalmoes vraagt die vrouw !

Ben ik dan rijk ? Erbarmen,

Mijn God! ik, ik heb immers niets,

Zij --schatten in haar armen !"

 

Terug naar overzicht

Kinderogen

(Marie Boddaert 1844-1914)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Lente-ogen, waar 't lentzonnetje in gaat schijnen,
Zodra de wimpervenstertjes ontsluiten;
Spiegeltjes klaar die geen menswereld buiten,
Maar 't eigen lentezieltje doen weerschijnen,

Zo rustig rein dat ze in hun kristallijnen
Glanstoverkring al 't duistre buitensluiten;
Boodschappertjes van heil die zachtkens stuiten
Verbitterd woord van wie in treurnis kwijnen;

Wijsgeertjes onbewust, die in één enkle
Opslag zo helder leren wat het leven
Zou zijn als lust en ijdelheid niet waren;

Sproke-ogen, die nog 't aangezicht der englen
Aanschouwen en tegenlachen, en ons even
De macht van 't Reine en Lieflijke openbaren !

 

Terug naar overzicht

Kinderpartij

(J.H. Leopold  1865 - 1925)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Dans, dans tesamen een rondedans
met hand in hand en hooggedragen
omrankende armen en op een trage
zangwijze het voetverzetten thans,
rondom het meisje, dat er jarig
geworden is en zij eenparig
omgaven en dan in elkaar
schakelden zij de tengere handen,
tilden ze op als een guirlande,
waren er met hun omgang klaar;
vriendelijk, tederlijk eensgezind
ter tiende verjaring van het kind.
Dans, dans, laat helderrode lippen
en lichtende ogen iets als stippen
van kleuren, bloemenkleuren zijn,
als purper en diep karmozijn
in dit vertrek en in de krans
van uw gestrengelde rondedans;
als enkele bladen, sprenkelbladen
aan kronen stil gerijpt, geglipt
van kelken, door wier wanden heen
het net en weefselwerk verscheen

der aren en hoe het was geribd,
nu dat het licht er toegang had;
als het onschuldig bloesemblad
de omgestulpte, uitgeschulpte
kommetjes met een welig vocht,
of bootjes op een blijde tocht,
de holle, op ademen gevaren
langs al de banen, die er waren
bij open lentedag, een buit
van zonlicht en van winderigheid...

0, jonge meisjes met zijen haren
en lichte jurkjes kreukgeplooid
en met de smalle voetjes strak
gespannen en langs het oppervlak
vaardig bewegende op de maat
van het gezang, dat verder gaat,
zoals door dungebleven, jonge
lippen, uit ademende mond,
die zedig half ontsloten stond,
het lijdelijk wordt afgezongen
in énen door en zonder klem
en met een zachte neuriestem,
zo ijl, zo fijn en zo doordringend
in enkel hoge halen zingend
en zuiver, zonder wankelen uit-
gebracht, een kinderlijk keelgeluid;

terwijl dat buiten een eerst verschijnen
van lente is en een ander licht
valt van de wolken, maar de lucht
is nog vol koelten en een schrijnen
is er in alles, jong en wrang
nog -- danst in dit naar binnen schijnen
en intrek nemen en eerlang
vervullen en de stilte hiervan.

Dans om het jarig kind, dat staat
in aller midden daar alleen
en op zich zelve en zij laat

de handen dralend langs zich heen
afglijden en de donkere ogen
zijn zacht en ernstiger meteen;
zij voelt zich lichtelijk bewogen,
glimlachend om die om haar gaan
en haar toezingen en zien haar aan
en maken haar stil en zoet bezonnen
achtgevende op wat zij begonnen...

En dan, in de langzame zinge-zang
dwalen haar gedachten en zij traden
terug van deze oevers bang
ietwat gevoelde en dan verraden
haar ogen en haar onzekere mond,
dat zij iets anders, iets innigers vond,
dat zij de gang weerom inging,
de ingang tot bespiegeling,
waar al haar aandacht was gehangen
over haar zelve en ingevangen
in een verrukkelijk beschouwen,
wat ditmaal weer opdoemen zouen
voor zielsgezichten, welke gangen
in aantocht waren, heengeleid
uit al de menigvuldigheid,
verlopende in wondere orde
en aan elkaar verwant geworden:
een dagelijks voorwerp, van haar wonen
een uitverkoren plek, personen,
een tafelronde, een buitendag
met vlagen wind en schaterlach,
een ranke vogel, een juweel
dat fonkelde, een tuinpriëel,
een strand met ronde schelpen, fijne
stuifzaadjes, die een mond wegblies,
een zuilengang, een marmerfries,
zeilen, waarop de zon ging schijnen,
en droomverwekkend een ver dal,
een zachte glooiing, waar het al
versmelten gaat, het zonder tal
der dingen; van het duizendvoud
het meeste als lief en welvertrouwd
herkend, maar andere lang vergeten
en heugelijk opnieuw begroet,
en enkele ook, die zij wel moet
geloven nimmer te hebben bezeten,
zo wondernieuw en ongeweten
en prachtig zijn ze en onvermoed.

En ook het dierdere nog was daar,
gedachten, opgekomen bij haar
alleen en die zo al het andere
doordrongen hadden als nooit tevoren,
en sommige woorden van zo bijzondere
betekenis, ademloos aan te horen
en peinzend bij zich nagesproken,
gevoelens schietend opengebroken
bij enkele dingen, die voortaan
voorkwamen, als zagen zij haar aan
met oogopslag, die zij verstond,
haar meningen, hoe zij alles vond,
en al dit innerlijke, toch
het liefste en het meest beminde,
omdat zij er iets in mag vinden
zo zeker en zonder elk bedrog, 

zo wel begrijpelijk, zo volkomen
naar eigen bedoeling uitgekomen,
zo onweersprekelijk het hare,
dat het haar even nauw bestond
als wat ze als laatste in zich vond,
het enige onbetwijfelbare,
het voelen van het eigen ik,
het innige, dit ogenblik
zich zelve overdenkend, zich
beziend: de heen en wedergang
van de gedachten, elk verloren
in zich, en hun bijeenbehoren
in een geheime samenhang,
en dan haar lijf, haar lichaamsdelen,

de stillere eenheid dezer velen,
in sluimering en blind als 't ware,
waarop haar blik nu rond gaat waren
en zoekende en naar beneden
uitvierende is afgegleden
bij 't peinzend kind, dat zich vermeit
in schemer van diepzinnigheid.

Óm gaat het onverstoorde koor,
dat zong en aanzwol in het dalen
der stemmen en de diepe halen
doorklinken liet en niet verloor
de voortgang, maar met slanke bocht
opnieuw omhoog te komen zocht,
totdat het zweeft weer in de kringen
van 't onbeperkte jubelzingen,
waar klank na klank in dartelingen
elkander volgde; sneller gingen
voetpas en dans en ademtocht.

Dans om, dans om; wij zien het aan
in stille gedachten en onbegrepen
geboeid zijn en dan aangegrepen --
mij dunkt, voor ons is opgegaan
een nieuw gezicht, als lag er in
dit alles een andere, diepere zin
en was 't alsof het wat verbeeldde,
wat kinderen hier met elkander speelden
en zó komt het ons voor ogen staan,
als waren 't de Uren, die ommegaan,
de Getijden zelve, die om het kind
te gader zijn en spelenderwijze
opwachten en er hun wezen wijzen
en hoe zij het zijn toegezind.
Met schoon vertoon en aanvalligheid
en met het blozen op de wangen
houden zij 't kind daar ingevangen,
een welkom wordt tentoongespreid.
En zie, dan gaat op lichte zolen,
getild de glinsterende voet,
de luchtige godinnenstoet

zich regelen en in bevolen
orde zich schikken en dan draagt
de glanzend blanke theorie
zich heen, om enkel en om knie
gestrekt het slepend kleed, dat vaagt
ruisend hen achterna; gerucht
scheen er te zijn als van cymbalen,
als sloegen zij de rondmetalen
handbekers en als hief een vlucht

van slanke armen opgestoken
zich hoog in eensklaps uitgebroken
vervoering -- en dan gaat de tocht
veranderen en heeft opgezocht
een verderwegzijn en deinst af
en slinkt, tot zij werd opgenomen
in de beneveling gekomen
voor het geopend oog; een stof,
een dunne wolk was er nog wel
allengs vervluchtigend en hing
en zonk, er is een enkel hel
gerinkel van het cymbelspel
en ook dit minderde en verging.

 

Terug naar overzicht

Kindersproke

(Marie Boddaert 1844-1914)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Nacht is niet boos. Als hij komt de nacht
Maakt hij de hemel open,
En veel sterren en sterretjes komen zacht
Op gouden voetjes gelopen.
Ze zijn nieuwsgierig, en naar benêe
Zouden ze heel graag komen;
Maar ze zijn bang, voor de grote zee
En voor de hoge bomen.

’t Is boven ook donker… maar zij hebben licht.
De zon gaf ze allemaal lichtjes,
Voordat hij naar bed ging; die houden ze dicht
Bij hun gouden sterregezichtjes.
Ze kijken, en lachen, en knikken goênacht,
En zeggen: "Je moet gauw gaan slapen."
Zij worden eerst naar bed gebracht,
Als de zon heeft uitgeslapen.

Ze wand’len boven de ganse nacht
Op hun kleine blote voetjes.
Dat doet geen pijn… de wolken zijn zacht,
En ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes,
Ze mogen nooit leven maken; dat zou
De goede mensen hinderen…
‘k Geloof niet, dat ik ze horen zou;
Maar er zijn ook zieke kinderen.

‘k Zou heel graag eens boven gaan,
Als ‘k wist hoe daar te komen…
Vogels hebben vleugels aan,
Die vliegen boven de bomen.
Bouwen ze boven ook hun nest?
Of zou hun dat niet bevallen?
En lopen ze altijd alleen ? Je zou best
Uit je open huis kunnen vallen !

Hebben je boven ook een tuin,
En bloemen… en kersen… en bijen,
Die brommen zo ! - en een hoog duin,
Waar je op en af kunt rijen ?
En je moeders handen, zijn ze ook zo zacht
Als ze je ’s morgens komt wassen,
En de zeep zo schuimt en een watervracht
Over je rug komt plassen ?

In mijn bos woont een nachtegaal
Hebben je kleine musjes,
Die je voeren kunt ? - zijn je allemaal
Broertjes… Broertjes en zusjes ?
Ik krijg er haast ook een, het bedje staat klaar.
Hebben jullie allemaal bedjes ?
Maar waar staan ze dan, ik zie er geen… Waar ?
‘k Hou ’t mijne nu altijd netjes.

Twee, tien, twintig… altijd meer
Komen ze aangelopen…
In mijn ogen strooien ze prikkeltjes neer…
Ik hou ze niet meer open !
Tien, zes, honderd… Ik ben te moe
Om je allemaal te tellen…
Als ik wakker word is de hemel toe…
En ‘k heb nog… zoveel… te… vertellen…

 

Terug naar overzicht

Kindje

(Alice Nahon 1896 - 1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Op een peul mijns herte

Rust uw hoofdeke van goud

't Is of ik uw frele zieleke

Tussen bei mijn handen houd

 

Lijk albasten bloeme

Licht uw teer gezichteke

En uit azuren kijkers

Blikt een blauw gedichteke

 

Kon ik vatten, kindje

Van die dichtjes, ritmes en rijm

Mocht ik van uw broze wereld

Raden het subtiel geheim

 

'k Durf u haast niet kussen

Raakt men witte bloemen aan ?

Schendt men dan de sneeuwgedachtjes

Die er door uw kopke gaan ?

 

Straks als ge zult sluimeren

Kind dat ik zo gere zie

Dan misschien zal ik u zoenen

Lijk men kust een relekwie

 

Terug naar overzicht

Klacht

(Dop Bles 1883-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

'k Dacht dat ik eens zijn bruid zou wezen,
ik heb zijn naam in droom zo vaak gelezen,
waaronder dan de mijne stond;
ik was zijn vrouw -
zodat ik nauw
begrijpen kan,
dat hij nu is een vreemde man
die kust een andre mond.

Ik heb de kaarten opgenomen,
wat hij verbood,
maar in mijn nood
wil 'k weten of hij terug zal komen -
zij zeggen niet,
dat hij verliet,
de kaarten hebben medelij;
hij ligt nog altijd aan m'n zij.

'k Ben nu alleen
en zonder wil;
mijn leven staat zo plotsling stil
zoals een wekker stil blijft staan;
ik nam zo alles van hem aan;
ik ben geworden wat hij dacht - -
een lege schacht
is wat hier bleef, hij achterliet; -
een onbegrijpelijk verdriet
in 't grote bange van de nacht.

Al wat hier staat
het was van mij,
toen hij nog leefde aan mijn zij,
en hier nog klonk zijn stem.
Maar nu hij ging
lijkt ellek ding
te wachten op de komst van hem -
Waar is zij, die ik vroeger was ?
Ik zie haar niet in 't spiegelglas.

Hij nam mij mee; ik was een kind
dat men in d' avond-straten vindt,
en alles deed ik, wat hij vroeg;
het was zijn geld, al wat ik droeg,
ik was van hem, ik werd weer vroom,
'k bad elke avond — schoonste droom ! -
dat hij mij nimmer zou verlaten
met hem te mogen wandlen door de straten !

Ik gaf hem al wat ik bezat,
al wat ik op de wereld had,
mijn jonge lijf, mijn blijde lach,
mijn onschuld van de eerste dag,
mijn lach, mijn ogen, hart en lijf
dat al verging in het bedrijf,
waaruit allengs zijn kus ging heen; -
maar 'k had hem nog alleen.

Wat blijft mij, wat ?
Ik werd te oud,
mijn hoofd is leeg, mijn hart is koud.

 

Terug naar overzicht

Kindje

(voor Lizelotte)

(C.S. Adama van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Kindje ! dat zacht met je vlasblonde popje

Speelt, je rein stemmetje kan nog niet schreien,

't Lacht nu en zingt in moederlijk verblijen

Teederlijk voor popje een liedje,  je kopje

 

Wiegt als een bloemetje, dat bij het glijen

's Avonds van de' avondwind, 't zijige knopje

Deint, en vleiende van de zon nog 'n dropje

Krijgt van haar wijn, om welig te gedijen.

 

Kindje ! nu wiegt het leven je in zijn

Breede armen, als een popje zoo zacht, je

Oogen zijn bloemen, het daglicht dat lacht je

Moederlijk toe - het sterke leven wacht je, -

 

Mocht eenmaal - o ! kindje moge altijd mijn

Liefde als 'n krans muziek om je hoofdje zijn !

 

Terug naar overzicht

Klein-Duimpje

(Hélène Swarth 1859-1941)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

In 't woud des levens deed ik als Klein-Duimpje:
Ik nam mijn brood en strooide 't langs de paden,
Maar toen 'k den weg terugzocht, kruim bij kruimpje,
Bevond ik door de vooglen mij verraden.

De nachtwind huilde in 't zwart gewei der boomen;
Ik dwaalde alleen (Klein-Duimpje had gezellen).
Daar zag ik stralen door den nevel stroomen
En 'k liet door 't lichtje redding mij voorspellen.

Ik doolde in donker, struweel en weiland.
Dit was geen dwaallicht, 't was de ster der Wijzen,
Die stilstond boven 't kribje van den Heiland,
De godengroet uit verre paradijzen.

Wee, mijn vertrouwen ! 't Licht kwam uit de woning
Van koning Hartstocht, bloedig menschenslachter.
Den dood ontvluchtte ik wel, maar niet de ontkroning:
Mijn diadeem liet ik in 't moordhol achter.

O booze roover, die mij wist te lokken,
Mijn kroon van trots, die zal 'k niet halen komen !
De wolven huilen, 't sneeuwt bij groote vlokken....
Ik zoek in 't woud de kruimels van mijn droomen.

 

Terug naar overzicht

Kleine Jantje was een kleuter

(Johny Jordaan)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Kleine Jantje was een kleuter

Enigst kindje zeer verwend.

En op zekere dag zij moeder

Hoor eens even lieve vent

Als je zoet bent komt er spoedig

Een broertje of een zusje bij

Nou dat was wel wat voor Jantje

En het ventje zei toen blij.

Wanneer er heus een zusje kwam.

Krijgt zij van mij wat moois hoor mam.

Dan gaat mijn spaarpot open

Dan krijgt die schattebout.

Een boeketje witte rozen.

Waar mamie zo van houd

Toen de ooievaar verwacht werd

Moest kleine Jan met tante mee.

En hij was daar voor een nachtje

Daar de vrolijke logê

Van het geld uit Jantjes spaarpot

Al wel tien keer nageteld

Werd er in een bloemenwinkel

Haastig een boeket besteld

En “s nachts in bed nog in zijn slaap

Zei in zijn droom die kleine knaap

Straks gaat mijn spaarpot open

Dan krijgt die schattebout

Een boeketje witte rozen

Waar mamie zo van houd

De andere morgen bij zijn thuiskomst

Dacht toen Jan wat vreemd vandaag

Kijk eens tante de gordijnen.

Zijn nog helemaal omlaag

Snikkend sprak zijn vader;;

Jantje nu heb je geen moesje meer.

Ze ging vannacht met kleine zusje.

Weg naar onze lieve heer

En zachtjes legde Jan “t boeket .

Bij het dode zusje neer in het bed

En wenend zei toen Jantje.

“k bracht witte rozen mee

Lieve mam en lief klein zusje

Die zijn voor jullie twee

  

Terug naar overzicht

Klein Treesje aan de hemelpoort

(met dank aan Will van Buul voor het sturen van de tekst)

Treesje

Goedemorgen Sinte Petrus, mag ik a.u.b. erdoor ?

            Ik wil zo graag de hemel ingaan, ik heb een kaartje toch ervoor.

Petrus

Wat! ? zegt Petrus, heb jij een kaartje ?

            Maar we gaan hier niet op reis.

Treesje

Nee, zegt Treesje, maar ach Petrus, kijk nu eens naar dit bewijs.

Petrus

En waar zijn de goede werken, die je op aarde hebt gedaan,

            Zonder deugden en verdiensten kunt ge hier niet binnen gaan.

Treesje

Toch wel goede heilige Petrus, ik ben nog maar zo klein,

            Gisteren werd ik 7 jaren. U zult toch zo streng niet zijn.

Petrus

Nu, sprak Petrus ernstig vriendelijk, geef eens even hier, me kind,

            Ik ben nieuwsgierig wat ik daar wel vind.

            En terwijl de heilige Petrus ‘t kaartje las, werd zijn gelaat blij en vrolijk.

            Treesje riep hij: “ik heb gelezen wat hier staat.”

En wie gaf je dan dit kaartje voor den hemel toch wel zeg ?

Treesje

O, dat kreeg ik van een engel en die zei mij onderweg,

            Treesje, als je boven aankomt zeg dan aan Sint Petrus maar,

            Mag ik a.u.b. naar ons lief Heertje, ik heb een toegangskaart ziedaar

Mag ik nu naar ons lief Heertje, O, wat is het hier toch mooi.

Petrus

Wacht , zei Petrus, ik zie Maria, zij brengt u voor Jezus’ troon.

 

En nu zult gij graag ook weten wat op Treesjes kaartje stond,

            Hoor dan wat de Heilige Petrus daar wel op te lezen vond.

            Treesje heeft geheel haar leven steeds Maria trouw bemind.

            Elke zaterdag ook bood zij een offertje aan Maria aan,

Door op dien dag nooit te  snoepen en daaronder zag hij staan:

            Treesje heeft deze aard verlaten al is zij nog pas 7 jaar,

            Trouw beminde zij Maria, dus de hemel is voor haar.

 

Terug naar overzicht

Klein zusjes keus

(Cornelis Honigh 1846 - 1896)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De kind'ren zijn moe van het springen,
Alle spelletjes zijn al gespeeld,
Alle raadseltjes zijn al geraden:
Wat doen ze, als hun alles verveelt?

Zij zitten te filosoferen,
Wat ieder wel worden zal.
Onze eeuw maakt voor jeugdige hoofden
Dit reeds tot een ernstig geval.

"Wat moet jij worden?' vraagt de ene,
Kloos zegt: "Wel, rentenier !
Mijn vader is 't ook, en, baasje,
't Is een leventje van plezier."

Maar Willem zegt: "'k Ga naar Kampen,
'k Word kaptein of kolonel,
En rij bij parade op een schimmel
En voor het muziek nog wel."

"Ik vraag of 'k Jood mag worden,"
Doet Jacob zich verstaan.
"'k Heb twee dagen 's weeks dan vakantie
En krijg tweemaal het zondagspak aan."

"En ik word," spreekt klein-zusje,
"Als ik mag, Onze Lieve Heer:
Dan kom ik weer bij mijn broertje
En geef hem aan Moeder weer."

 

Terug naar overzicht

Klepperman

(Hyronymus van Alphen - 1745-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zou ik voor den klepper vrezen,

O! die lieve brave man

Maakt, dat ik gerust kan wezen,

En ook veilig slapen kan.

Moeder lief 'k geloof het vast

Dat hij op de dieven past.

 

Schoon hij loopt door wind en regen,

't Zingen wordt hij nimmer moe:

Goede God! geef hem uw zegen,

Maar mijne oogjens vallen toe.

Lieve klepper! hou de wagt!

Ik ga slapen: goede nagt!

 

Terug naar overzicht

Klokgetik

(Albert Verwey 1856-1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Tik tak, tik tak: kort van pas,
Van seconde tot seconde,
Gaat de tijd, en toch te ras.
Ochtendstonde, ach middagstonde,
Avondstonde en na de dag
Nacht; en wéér een dag; en dagen,
Weken, maanden, jaren jagen
Met hetzelfde stil gewag
Van de slinger en de wijzer,
En wij worden stijver, grijzer
En gaan zachtjes over stag.
Is het zo ? O ja. Maar groeien,
Bloeien en allengs vergloeien,
Eindlijk sterven, wat is schoner ?
Schoner dan als aardbewoner
Brandende in het levensfeest
Zulk een mens te zijn geweest,
Zulk een lichaam, zulk een geest.

 

Terug naar overzicht

Komen en gaan

(P.A. de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Daar is een tijd van komen,
Daar is een tijd van gaan:
Dat hebt gij meer vernomen,
Maar hebt gij ’t ook verstaan ?

O wie het mag doorgronden,
Dat spreekwoord zoo vol zin,
Die kent der Liefde wonden,
De weelden van de min.

Dien mochten oogenblikken
Soms uren wreeder pijn,
En uren van verkwikken
Soms als sekonden zijn.

Die heeft met bevend schromen
Vaak in zijn luistrend hart
Een lieven tred vernomen,
Vernomen uit de vert’;

Maar liet ook vele reizen
Zijn ziele bij zijn schat,
En ging die spreuk bepeizen
Stil op zijn eenzaam pad.

Die heeft in ’t zoete leven,
Vol leed en lieflijkheid,
In jonkheids rijke dreven
Genoten en – geschreid;

En in zijn stiller harte
Zich reeds een schat vergaerd
Van weemoed, liefde, smarte,
Dien hij getrouw bewaart.

Die weet, wij armen boeten,
Wij boeten wreed en snel,
Vast menig lief ontmoeten
Met menig lang vaarwel.

Die ziet ook, in zijn droomen,
Langs schemerende paën,
Soms vrienden wederkomen,
Die ver zijn weggegaan.

Die treurt om Lenteweelden,
Maar jaagt niet meer vooruit,
Als toen zijn vingren speelden
In ’t haar der blonde bruid.

Die denkt, sinds enkle jaren,
Bij ’t komen van het groen,
Aan ’t vallen van de blaêren
In ’t stemmende saizoen.

En in de najaarsvlageri,
In ’t dwarlen van de blaen,
Hoort hij een stemme klagen
Van komen en van gaan.

Die blikt soms lange, lange
Terug in zijn weleer,
En ’t wordt hem bange, bange,
En ’t leven buigt hem neer.

Hij peinst: nog pas gekomen,
Pas gistren, en zoo veer
Reeds op de snelle stroomen
Van ’t wondre, diepe meer ?

Hij voelt zijn moeders kussen
Nog gloeien op zijn wang,
En hoort al ondertusschen
Een dierbren wiegezang.

Hij ziet zich zelven stoeien
Met knapen op het duin,
En reeds – zijn kindren groeien
En bloeien in zijn tuin ....

En midden in den zegen,
De trooste van zijn God,
Stroomt hem de weemoed tegen
Van ’t wisslend menschenlot

Daar is een tijd van komen,
Daar is een tijd van gaan
Dat hebt gij meer vernomen,
Maar hebt gij ’t al verstaan ?

O, wie het mag verklaren
Dat spreekwoord, zoo vol smart,
Die leefde luttel jaren,
Maar leefde met zijn hart,

Die voelt van al dat komen,
Dat komen en dat gaan
Van menschen, dingen, droomen,
Zich moe en onvoldaan;

En zoekt met sterk verlangen
Naar ééen, die komt en – blijft,
Wien hij aan ’t hart kan hangen,
Waar alles benen drijft.

Die weet een klok van scheiden
Luidt rustloos door het dal,
En leerde zich bereiden,
Bereiden voor ’t geval;

En haakt met alle vromen
Naar ’t oord, waar vroeg of laat
Weer allen samenkomen
En niemand henengaat.

 

Terug naar overzicht

Konijntje

(René de Clercq  1831-1893)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Konijntje kan zijn oortjes stellen,

Konijntje kan zijn oogjes schuinen,

heeft al zeven springgezellen

om te hollen op de duinen.

Langoor, Schuinoor, Huppelbeentje

droomt nu in zijn eentje

 

Terug naar overzicht

Koning Adelboud

(Albert Verwey 1856-1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Daar zat de koning Adelboud
Op een armstoel van het duurste goud.

De koning had zo'n dikke kop,
En een wichtige gouden kroon d'r op.

Zijn mantel was van hermelijn,
Zoals alle koningsmantels zijn,

En naast zijn armstoel stonden twee
Pages, die keken weltevree;

En elk hield in zijn rechterhand
Een wijnglas, vol tot aan de rand.

Toen vroeg de koning rechts: wat 's dat ?
Madera, sprak de knaap gevat.

Die 's lekker, sprak de koning toen:
En jij daar, links ? - Port, sprak die koen.

Drink jij die zelf, bromde Adelboud,
Jij weet, dat ik daar niet van houd.

't Maderaglas bracht hij aan zijn mond,
En dronk het leeg tot op de grond.

Toen dronk de ene page de portwijn op,
En de andre gooide de koning zijn lege glas naar de kop.

 

Terug naar overzicht

Korenbloemen

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Blauwe bloempjes staan in het koren,

aardig staat gij tussen het graan.

Maar een plekje gaat verloren,

waar een rijke halm komt staan.

Als de landman in de voren,

kostbare korrels heeft gezaaid

en in plaats van voedzaam koren,

niets dan blauwe bloempjes maait,

Zal hij ’t land onvruchtbaar noemen,

dat zo’n schrale oogst hem gaf

en hij maait met rasse schreden,

het als verdervend onkruid af.

 

Terug naar overzicht

Krachtige baden

(Const.Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Reinier is met zijn stramme leden

Naar Akens baden toe gereden;

Daar heeft hij geld en zaâl en peerd

In alle vrolijkheid verteerd.

Ziet wat de wateren vermogen:

Hij is te paard naar 't bad getogen

En op zijn voeten weergekeerd.

 

Terug naar overzicht

Kussen

(Alice Nahon 1896 - 1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Kussen is een troon van morgenlicht

Waar men heersen leert, en nederknielen

Kussen is een kostbaar evenwicht

Tussen mensenhart en mensenziele

 

Kussen is een wonderlijk akkoord

Waar de zielen in elkaar verglijden

Kussen is wel 't Goddelijkste woord

Dat uit mensenmonden kan gedijen

 

Kussen is een zomer-avondgaard

Waar de vruchten tot verlangens rijpen

Kussen is een stonde dezer aard

Waar de mens de hemel leert begrijpen

 

Kussen is het eerste tere spel

Waar we 't grove leven mee begroeten

Kussen is het allerlaatst vaarwel

Van de mensen als ze sterven moeten

 

Terug naar overzicht

Laat

(Oscar Wilde 1854-1900)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Stapvoets, hier ligt ze,

sneeuwbedekt,

fluisterend, dit hoort ze,

bloembladplek.

 

Waterval haar

afgegaan,

jong en stralend,

toch vergaan.

 

Lelietje-van-dalen, huid van sneeuw,

meisje nog, kind,

alles in dop,

teerbemind.

 

Kist en steen

zij onderaan,

ik sta alleen

zij is gegaan.

 

Vredig maar doof

voor gedicht of lied,

al wat ik had

verdwijnt in 't  niet.

 

Terug naar overzicht

Laat nu al wat Neêrland heet

(rijm voor de Nederlandse jeugd door de regering op 31 augustus 1948 uitgereikt

bij de gelegenheid van het vijftigjarig regeringsjubileum van H.M. Koningin Wilhelmina)

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst)

Laat nu al wat Neêrland heet,

Wat zich met die naam durft noemen,

Al die velden geel van bloemen,

Weiden in het wit gekleed;

Waar, in 't haastig overijlen,

Wolken smachtende verwijlen;

Waar de leeuwerik vol vuur,

Stijgend in het hemelsblauwe

Soms verstomt bij 't nederschouwen,

Voor die zalige natuur;

Laat de visser in het duin,

Laat de landman met zijn spade,

Laat de losser op de kade,

De heraut met zijn bazuin,

Zich in diepe ernst beraden

Op een levende aubade,

Die de landsvorstinne eert

Die een halve eeuw regeert;

Die vaak in de hand geborgen

't Hoofd verschool in smart en zorgen,

Door de last schier overmand;

't Levend hart van 't Vaderland,

Moeder van de lage landen,

Die, geliefd als geen vorstin,

Wordt gedragen op de handen;

Wilhelmina, Koningin.

 

Terug naar overzicht

Laat van je lippen

(Jacques Perk 1859-1881)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Kusjes glippen,
Kusjes reegnen,
Kusjes zeegnen,
Kusjes rollen,
Kusjes hollen,
Kusjes, kusjes, zonder maat,
Al te maal ten mijnen baat.
Zie hoe't gaat,
En of je mond tot kussen staat.

 

Terug naar overzicht

Lachebekje

(Nicolaas Beets 1814-1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Lachebekje, die men acht
Eens zo mooi, wanneer gij lacht,
Als zich in uw malse konen
’t Aardig putje komt vertonen,
’t Rozemondje opengaat
En zijn parels kijken laat;
Als het tintlen van uw ogen
Nog vergroot hun groot vermogen,
En geheel uw lief gezicht
Overgoten schijnt met licht !
Wie zou u dat schoon misgunnen,
Wie die vreugd betwisten kunnen ?
Wie misprijst de blijde lach
Van uw heldre lentedag ?
Wie en zou het niet betreuren
Als het eenmaal moest gebeuren,
Dat hij horen moest: "Och Heer !
Lachebekje lacht niet meer."
Weet nochthans van maat te houen;
Onmaat stuit, het meest in vrouwen;
Lach, zo als wij ’t liefst aanschouwen;
Lach zo dat gij ’t nooit verbruit,
Niet te dartel, niet te luid,
Nimmer schamper, niemand uit.

 

Terug naar overzicht

Lagchen

(Jan Brester 1805-1862)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Voorwaar, 't schenkt balsem aan 't gemoed,

 Wanneer het wigt der smarte

 Zich lenigt in een' tranenvloed,

 Die lucht geeft aan het harte;

 En edel is het dan gewis,

 Als dit om 's naasten rampen is.

 

 Maar, als ons 't lot geen' tijd onthoudt

 Om van de zorg te poozen,

 Wanneer men dan met vrienden kout

 Of mag met meisjes kozen,

 Dan is 't de lach, die 't hart ontsnoert,

 En 't wigt der zorgen met zich voert.

 

 Of als men, bij een vriendenmaal,

 De bekers rond mag zwieren,

 En, in onafgemeten taal,

 Der scherts den toom kan vieren;

 Wèl hem, die dan zijn' lust voldoet,

 En lacht, wanneer hij lagchen moet !

 

 Laat preken dan, wie preken wil,

 En wijsheid uit wil kramen;

 Ik lach wat om diens dwazen gril,

 En hunker naar het amen:

 De wijsheid, die niet lagchen mag,

 Geef ik voor éénen meisjeslach.

 

 Ja, wie een maagd het schoonste vind'

 Bij stil en statig peinzen,

 Voor mij ik ben geen droefheidsvrind,

 En wil het niet ontveinzen,   

 Bij mij haalt schoonheid, praal noch pracht,

 Bij 't meisje, dat ons tegenlacht.

 

 En is 't die lach, die ons verrukt,

 (Ons, wufte menschenzonen !)

 Die groefjes om de lippen drukt

 En kuiltjes in de koonen,

 Die ons, eer men het zelf vermoedt,

 Den mond tot kussen plooijen doet;

 

 Zij is het, zij, die afkeer wekt,

 Als zou geen scherts betamen,

 Die 't neusje spijtig opwaarts trekt

 En 't lachje zich durft schamen,

 Of, als de boert haar daartoe dwingt,

 Den mond nog naar de mode wringt.

 

 Neen, lagchen past zoo wel in vreugd,

 Als weenen in de smarte,

 En vrolijk zijn voegt aan de deugd,

 Aan 't weltevreden harte;

 Hij, die 't zich schaamt, hoe streng hij schijn',

 Moet boos of ongelukkig zijn.

 

 Neen, vrienden ! Zijn wij geen van twee,

 Kan ons de vreugd bekoren,

 O ! lacht dan, lacht men, vrolijk meê;

 De kniezer mag het hooren;

 Zoo hij bij ons nog ernstig ziet,

 Dan weent hij met den droeven niet.

 

Terug naar overzicht

Landschap

(Hendrik Marsman 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

In de weiden grazen
de vreedzame dieren;
de reigers zeilen
over blinkende meren,
de roerdompen staan
bij een donkere plas;
en in de uiterwaarden
galopperen de paarden
met golvende staarten
over golvend gras.

 

Terug naar overzicht

Late liefde

(Helene Swarth 1859-1941)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik wil uit mijn kamer ontvluchten
De bekoring van je gelaat,
Het zweeft in de wolkenluchten,
Al boven de grauwe straat.

De mensen doen wijze verhalen,
Niets begrijp ik van hun gepraat.
Tussen anderen en mij zie ik stralen
De bekoring van je gelaat.

En wil ik boeken lezen,
Ik weet niet wat er in staat.
Tussen mij en het boek komt gerezen
De bekoring van je gelaat.

O mijn hart, met dat wilde gehamer,
Dat mijn leven te pletter slaat !
O alom, in de sombere kamer,
De bekoring van je gelaat !

O uit meelij, om mij te genezen
Zeg een woord zodat ik je haat,
Zo dat ik niet langer zal vrezen
De bekoring van je gelaat.

 

Terug naar overzicht

Leed

(Ant. L. de Rop  1837-1895)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een grootmoeder had een hondje,

En dat hondje heette Mop;

Wel bromde hij soms een beetje'

Maar bijten deed hij nooit.

 

Want al zijn tanden was hij

Reeds kwijt, even als de vrouw;

Zij  was al mooi op jaren'

En Mopje was ook niet jong.

 

Nu gebeurde 't op zekere morgen

Dat Mop gestorven was'

En dat hij werd begraven

In 't hoekje van de bleek.

 

De kleinkind'ren van ons grootje

Die dolven hem het graf;

Het was zo mooi, dat je waarlijk

Er zelf in liggen wou.

 

Met potscherven was het omzet en

Met wit zand netjes bestrooid;

Een halve bierkruik aan het hoofdeind

Volmaakte de schitt'rende pracht.

 

De kind'ren dansten om 't graf heen

En de oudste van zeven jaar

Die wilde er volstrekt van maken;

De tentoonstelling van Parijs.

 

Elk kind uit het straatje mocht kijken,

De toegangsprijs was een knoop,

Want die had toch iedere jongen

Van boven aan zijn broek.

 

En hij kon er wel een betelen

Voor zijn kleine zusjes ook;

Nu - met algemene stemmen

Werd het voorstel goedgekeurd.

 

En al de kind'ren stroomden

Uit het straatje naar het graf,

Ja, zelfs uit het achterstraatje,

En ieder betaalde zijn knoop.

 

Veel knapen liepen die middag

Maar rond met één bretel,

Doch daarvoor zag men Mop's graf ook,

En dat was heel iets waard.

 

Doch buiten aan de ingang

Stond een klein meisje haav'loos gekleed'

Met krullend haar en blauwe ogen,

Zo helder als het diepste meer.

 

Zij sprak geen woord noch schreide;

Maar als 't poortje geopend werd,

Dan wierp zij telkens naar binnen

Een lange, verlangende blik,

 

Zij had geen knoop, dat wist zij,

En daarom bleef zij staan

Tot de and'ren hadden gekeken,

En weer heen waren gegaan.

 

Toen zette zij zich neder

Op de grote stoep voor het huis,

Voor haar oogjes de bruine handjes

En berstte zij in tranen uit.

 

Zij enkel had Mop's grafje

In 't bleekveld niet gezien..

Ach, dat was leed ! veel erger

Dan iemand denken kan.

 

Terug naar overzicht

Leeren spelen

(C. van Koetsveld 1807 - 1893)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

'k Las laatst in een verzenboekje,

Dat het leeren spelen is,

'k Vind toch: wie dat heeft geschreven,

Is de plank wel verre mis.

 

Ik ten minste, zal niet zeggen:

't Is mij altoos even wel,

't Zij ik binnen in de school ben,

Of daar buiten bij het spel,

 

'k Weet: 't is nuttig om te leeren;

Daarom doe ik het met vlijt,

Opdat ik wat meer zou weten

In mijn verd'ren levenstijd.

 

Maar ik wil niet ontkennen,

Dat mij 't leeren soms verdriet,

Als 'k de lieve zon van buiten

Door de doffe ruiten ziet.

 

Of als 's winters ar en sleeden

Langs de schooldeur henen gaan,

En daar buiten zooveel menschen

Zwieren langs de gladde baan.

 

O, dan ruil 'k voor één paar schaatsen

Graag mijn boeken. lei en inkt,

En het is de klok van twalef,

Die mij 't liefst, in de ooren klinkt.

 

Vader ! 'k wil toch vlijtig leeren,

Maar geloof mij: dat's toch mis,

Heusch ! ......ik ken niet éénen jongen,

Wien het leeren spelen is. 

 

Terug naar overzicht

Lente

(P. A. de Génestet 1829 - 1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Laat het strooien hoedje zwieren
Op ’t kastanjebruin !
Pluk een knopjen in uw tuin;
Dierbre, wij gaan lente vieren
Op ’t hooge duin.

Wij gaan juichen, wij gaan danken
Onzen rijken God,
Die uit bloemen weeft ons lot,
Die ons harte vult met klanken
Van het blijdst genot;

Die zijn bloemen in uw gaarde,
In uw ziele strooit,
Hart en hemelen ontplooit;
Die zijn schoone, bloeiende aarde,

En uw voorhoofd tooit !

Die de leliën en rozen
Kleedt met majesteit,
Zonneglans en heerlijkheid;
Die ons, kinderen, zorgeloozen,
Onzen wensch bereidt.

Boven eike– en lindekruinen
Aêmt de borst zoo vrij,
Laat ons danken vroom en blij;
Op de hooge, blonde duinen,
Eenzaam knielen wij !

Lachen wij den hemel tegen,
Die ons tegenlacht
Met zijn vrede, met zijn pracht,
Met nog ruimer, rijker zegen
Dan ons hart zich dacht !

Ja ! Ik wil mijn vroolijke oogen
Naar mijn Schepper slaan !
’k Weet, Hij, die zoo menig traan
In zijn goedheid af wou drogen,
Zal mijn lach verstaan !

Op, ter hooge tempelzalen !
Door geen mensch bespied,
Wil ik juichen: ik geniet !
En aan Hem den dank betalen,
Die mijn hart doorziet !

Laat het strooien hoedje zwieren

Op ’t kastanjebruin !

Pluk een knopje in uw tuin;
Lieve, wij gaan lente vieren
Op het hooge duin !

 

Terug naar overzicht

Lentedroom

(G. W.  Lovendaal 1847-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik heb gedroomd bij ’t geuren der seringen

Van blonde rozen,  die,  in stillen schroom

Den nachtegaal beluisterend, aamloos hingen

Aan ’t hartjen in den elsenboom.

 

Zij hebben ’t lied der liedren opgevangen,

Mij ’t wee vertaald, door eigen wee gevoeld,

En ik heb op ’t gloeiend rood der rozenwangen

Den koortsgloed mijner ziel gekoeld.

 

Mijn lente is heen. Maar niet haar zoete aromen,

Maar niet de warmte van haar zonnestraal;

Mijn harte kweelt nog steeds in gulden droomen

Van lente, roos en nachtegaal.

 

Terug naar overzicht

Levensbalans

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Als bij de weegschaal van 't leven,

De wijzer in het midden staat,

Zal dat de mens voldoening geven,

Omdat 't hem behoorlijk gaat.

 

De wijzer kan niet altijd doorslaan,

Naar 't streepje van geluk,

Hij kan ook  de andere kant op gaan,

En draait ons ook wel eens de rug.

 

Hij schommelt door het hele leven,

Wij weten allen hoe het gaat,

Eens zal hij ons geluk aan geven,

En soms ook leed waar hij op staat.

 

En door dag in dag uit te klagen,

Trekt men dat wijzertje niet recht,

Men zal zijn kruisje moeten dragen,

Die krijgt men met geklaag niet weg.

 

Er zit niets anders op dan beuren,

Al komt ons dat ook niet van pas,

Zelfs al sluit men alle deuren,

Ontlopen kan men geen enkele last.

 

Zo is de weegschaal van het leven,

Dat wijzertje dat staat niet stil,

Maar wat die wijzer aan zal geven,

Dat is altijd nog, Gods wil !

 

Terug naar overzicht

Licht en leven

(Jacob Israel De Haan 1881 - 1924)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Al wat wij licht noemen is maar een schaduw

Van God, het enig schaduwloze licht

Al wat wij leven noemen is een waduw *

Die wegwaait voor Gods aangezicht

 

*  Waduw is waas, schaduw

 

 

Lied van heer Halewyn

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Heer Halewyn zong een liedekijn,
Al die dat hoorde wou bi hem zijn.

En dat vernam een koningskind,
Die was zoo schoon en zoo bemind.

Zi ging voor haren vader staen:
‘Och vader, mag ik naer Halewijn gaen ?’

‘Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet !‘

Zy ging voor hare moeder staen:
‘Och moeder, mag ik naer Halewyn gaen ?’

‘Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet !’

Zy ging voor hare zuster staen:
‘Och zuster, mag ik naer Halewyn gaen ?’

‘Och neen, gy zuster, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet !’

Zy ging voor haren broeder staen:
‘Och broeder, mag ik naer Halewyn gaen ?’

‘'t Is my al eens, waer dat gy gaet,
Als gy uw eer maer wel bewaerd
En gy uw kroon naer rechten draegt !’

Toen is zy op haer kamer gegaen
En deed haer beste kleeren aen.

Wat deed zy aen haere lyve ?
Een hemdeken fynder als zyde

Wat deed zy aen ? Haer schoon korslyf:
Van gouden banden stond het styf.

Wat deed zy aen ? Haren rooden rok:
Van steke tot steke een gouden knop.

Wat deed zy aen ? Haren keirle:
Van steke tot steke een peirle.

Wat deed zy aen haer schoon blond hair ?
Een krone van goud en die woog zwaer.

Zy ging al in haer vaders stal
En koos daer 't besten ros van al.

Zy zette zich schrylings op het ros:
Al zingend en klingend reed zy door 't bosch.

Als zy te midden 't bosch mogt zyn,
Daer vond zy myn heer Halewyn.

Hy bondt syn peerd aen eenen boom,
De joncvrouw was vol anxt en schroom.

‘Gegroet’, sei hy, ‘gy schoone maegd,
Gegroet’, sei hy, ‘bruyn oogen claer,
Comt, zit hier neer, onbindt u hair.’

Soo menich hair dat si onbondt,
Soo menich traentjen haer ontron.

Zy reden met malkander voort
En op de weg viel menig woord.

Zy kwamen al aen een galgenveld;
Daer hing zoo menig vrouwenbeeld.

Alsdan heeft hy tot haer gezeid:
‘Mits gy de schoonste maget zyt,
Zoo kiest uw dood! het is noch tyd.’

‘Wel, als ik dan hier kiezen zal,
Zoo kieze ik dan het zweerd voor al.

Maer trekt eerst uit uw opperst kleed.
Want maegdenbloed dat spreidt zoo breed,
Zoo 't u bespreide, het ware my leed.’

Eer dat zyn kleed getogen was,
Zyn hoofd lag voor zyn voeten ras;
Zyn tong nog deze woorden sprak:

‘Gaet ginder in het koren
En blaest daer op mynen horen,
Dat al myn vrienden het hooren !’

‘Al in het koren en gaen ik niet,
Op uwen horen en blaes ik niet..’

‘Gaet ginder onder de galge
En haelt daer een pot met zalve
En strykt dat aen myn rooden hals !’

‘Al onder de galge gaen ik niet,
Uw rooden hals en strijk ik niet,
Moordenaers raed en doen ik niet.’

Zy nam het hoofd al by het haer,
En waschtet in een bronne klaer.

Zy zette haer schrylings op het ros,
Al zingend en klingend reed zy doort bosch.

En als zy was ter halver baen,
Kwam Halewyns moeder daer gegaen:
‘Schoon maegd, zaegt gy myn zoon niet gaen ?’

‘Uw zoon heer Halewyn is gaen jagen,
G'en ziet hem weer uw levens dagen.

Uw zoon heer Halewyn is dood
Ik heb zijn hoofd in mynen schoot
Van bloed is myne voorschoot rood.’

Toen ze aen haers vaders poorte kwam,
Zy blaesde den horen als een man.

En als de vader dit vernam,
't Verheugde hem dat zy weder kwam.

Daer wierd gehouden een banket,
Het hoofd werd op de tafel gezet.

 

(klik op het plaatje)

 

(Het Lied van Heer Halewijn is een Westvlaams gedicht. Het is heel oud, misschien wel uit de negende eeuw in de mondelinge overlevering, misschien stamt het uit oude Germaanse verhalen over bosgeesten en tovenaars.)

 

Terug naar overzicht

Liedje van den molenaar

(G.W. Lovendaal  1847-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn molentje draait er lustig en wel,
Mijn schoorsteen rookt er neven,
Maar 'k ben nog altijd een vrijgezel,
Wat heb ik aan zoo'n leven !
Och, trad er Marieke mijn molentjen in,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn broodje win.

De hemel bezorgt mij gunstigen wind,
Het boertje geld en koren.
De steenen ronken en 't werkend bint
Laat vroolijk zijn krikkrakken hooren.
Doch klonk door den molen Marieke heur taal,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn koren maal.

De disch is bereid, de pot hangt te vuur,
Gevuld zijn kist en kasten,
Maar 't is geen leven zoo op den duur,
Al heb ik meer lusten dan lasten.
Och, trouwd'er het blonde Marieke met mij,
Dan wist ik, waarvoor ik den disch berei.

Blaas, windeke, blaas, en molentje draai !
Vivat het mulders leven !
Maar ziet mijn molen nooit kind noch kraai,
Dan is het mij net om het even.
Och, kwam op den molen Marieke mijn schat,
Ik denk, dat ik spoedig zoo'n dreumes had.
 

Terug naar overzicht

Liefde

(Jaques Perk 1859-1881)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het vurig hart des jonglings, haast nog kind,
Gevoelt een rijke en ongekende weelde
Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt,
Zoals die nooit het jong gemoed nog streelde.

Hij ziet de jonkvrouw, de met schoon bedeelde...
En die geen zege wil, zij overwint.
Hij mint het Schone... en liefde is ingebeelde,
Als hij de 'liefde' van de vrouw bemint. -

Mathilde!  ik vond de liefde in elke vrouw,
Ik heb van 't schone in allen haast gevonden,
En velen liefgehad te goeder trouw,

Maar die geliefden, allen saamverbonden,
Bezitten niet, wat ik in ú aanschouw,
Die meer bekoort, dan zij tezamen konden.

 

Terug naar overzicht

Liefde op het ijs

(Hendrik Tollens 1780-1856)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De wintervorst vierde zijn woede ten toon

En dempte met schorssen het meer en den stroom.

De veldvreugde ruimde voor ’t ijsvermaak plaats

En meertjes en stroomen weerkaatsen de schaats

School Elsje een boerinnetje poezel en mals

Verloor in het zwenken de boot* van haar hals

En Koenraad de fiksche gezel van ’t oord

Ontdekt het en raapt het er* rijdt er mee voort.

 

Wat deert U schoon Elsje dus vraagt hij wel ras

Terwijl zij al schreijende zoekt op de plas

Mijn bootje zoo roept zij helaas ben ik kwijt

Ik heb het verlooren in sneeuwhoop of bijt*

’t was wis van een vreijer tot meerder verdriet

Neen ’t was van mijn moeder ik kreet anders niet

Kom wisch uwe traantjes gij vindt het wel weêr

Let op maar en zoek maar de baan op en neêr

 

Zij rijden en glijden en snijden door het ijs

En ijlen en zeilen het spiegelglad grijs

Hij snort* haar vooruit met een zwierende zwaai

En vangt haar weer op met een krassende draai

Zij zwieren en gieren het baantje ten end

En wiegen en vliegen in de opene tent

En klinken en drinken en leggen reis* aan

En waaijen en zwaaijen op nieuw langs de baan

 

Het schaatsje van ’t meisje glipt los van haar been

Zij valt en zij stuift als een sneeuwvlokje heên

De knaap ijlt haar na en heft ze op met een til

En zoent haar waar het zeer doet, de pijn weder stil

Nu rijden weer beiden schoon Elsje achter hem

Met handen in handen al vaster van klem

De koû maakt haar boutjes* en kaakjes wel stijf

Maar innig toch voelt zij geen koû in ’t lijf.

 

Zij pozen en kozen; hij zoent haar een blos.

Terwijl trad zij willens haar schaatsje weer los

Hij bind, en herbindt het en aarzelt en teemt

En vroeg en hij kreeg en hij wenscht nog en neemt

De landjeugd reed af en het maanlichtje klom

En Koenraad gaf Elsje haar bootje weêrom

En gaf haar een ringentje en zoende haar teêr

Maar hem bleef haar hartje en nooit gaf hij het weêr

 

* schrijffout, lees: en

* bootje = sierraad als middenstuk of schakel in een halsketting, ook in vorm van broche

* bijt = in het ijs gehakt gat

* snort = suist, beweegt met een vaart voort

* reis = schaatsijzers; in het Limburgs bestaat dit nog als ‘riezer’, van het Duitse ‘Riese’ is staaf, glijbaan

* boutjes = dijen

 

Terug naar overzicht

Lina

(W.J. van Zeggelen 1811-1879)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zeg Lina, waarom toch zo somber en stil ?
Of broeit er in 't hoofdje een grap of een gril ?
Maar 't oog is bedauwd en de boezem niet rustig
Gij, anders zo lustig !
Nooit kendet gij zorgen - gij hebt slechts uw wil ...,
Zeg Lina, waarom nu zo somber en stil ?

Wat nevel zweeft u voor het jeugdig gemoed ?
Wat kluister weerhoudt u de hupplende voet ?
Ge ontweek nooit de jeugd in haar dartele spelen,
En mocht ge ze delen,
Ze waren u zuiver en zalig en zoet ...
Zeg Lina, wat nevel omzweeft uw gemoed ?

Is 't niet of de roos aan de ruiker ontbreekt,
Wanneer gij u schuchter en eenzaam versteekt ?
Waartoe dan de kring van uw speelnoots verlaten ?
Wat kan het u baten
Dat de ernst van het hart op uw schoonheid zich wreekt ? ...
Is 't niet of de roos aan de ruiker ontbreekt ?

O ! is 't mij gegund in uw ogen to zien ?
Uw trekken verklaren mij 't raadsel misschien;
Maar 'k zie het gelaat door een blosje bedekken
Gij wilt u onttrekken ?
Foei! dat ge der vriendschap zo bloo wilt ontvliên ! ...
Ach, 't zij mij gegund in uw ogen to zien !

Doch hoor ik daar ginds niet wat ruisen door 't groen ?
'k Zie herwaarts de wakkere Hugo zich spoên;
Maar 'k zie in uw trekken ook de onrust bedaren:
Thans kan ik verklaren
Wat werking somtijds een verschijning kan doen ...
Zeg, Lina, vertroost u dat ruisen door 't groen ?

Mooi meisje, waarom niet meer somber en stil!
'k Geloof, het was meer dan een grap of een gril;
Maar 't oog staat vol vuur, is het hart nog niet rustig ?
Ja, 'k zie u weer lustig !
Verban nu de zorgen; thans hebt gij uw wil;
Maar, Lina, wees nooit meer zo somber en stil.

 

Terug naar overzicht

Lof op de Hollandse boter

(Jacob Cats 1577-1660)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Al wat in ouden tijd van boter is geschreven,
Daar ben ik niet gezind mijn zegel toe te geven;
Niet ene van den hoop en heeft er ooit gekend,
Wat boter deze kust door al de wereld zendt.
Dit zuivel (naar ik zie) wordt dikmaals niet geprezen,
Maar haar vermaarde lof is nu te hoog gerezen:
De boter die althans in Holland wordt gemaakt,
Is als een honingdauw, die al de wereld smaakt.
Ik laat op dit geval de Griekse meesters twisten,
Mij dunkt, dat die niet veel van onze boter wisten;
Dank God, o Hollands volk ! Voor zo een schone vond,
Die zoet is in de smaak en voor het lijf gezond.
 

Terug naar overzicht

Logica

(met dank aan Gommert van Kampen voor het sturen van de tekst)

De regen viel bij stromen uit de lucht

Elk bleef in huis of sloeg gauw op de vlucht

Maar Krelis scheen zijn vaart eer te verminderen

Hem scheen de bui hem in het minst te hinderen

En Klaas, die dat zag, riep lachend: “hé maat,

Wat doe jij zo langzaam op de straat !”

Doch Krelis, schoon zijn kleren dropen

En de regen stoof gelijk een rook

Sprak: “beste Klaas, wat helpt mij ’t lopen

Het regent ginder ook !”

 

Terug naar overzicht

Lucella

(Jan Luyken 1649-1712)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

's Ochtends, als het haantje kraait
Onder 't klappen van zijn wieken,
Als de dag begint te krieken,
Eer de huisman ploegt of zaait,
Gaat Lucella bloempjes pluiken,
Waar zij 't gretig oog mee streelt:
Bloempjes die naar honing ruiken,
Waar de lekk're bij in speelt.

O Lucel, wier bloeiend schoon
Al het puik der veldgodinnen
Pralende komt te overwinnen,
Strijkende de schoonste kroon,
Waard ten troon te zijn verheven,
Laat deze ogen-streelderij;
Wordt gij van een lust gedreven
Tot de bloemen, ga met mij.

Loop niet meer door 't wilde lof,
Ga met mij in Liefdes gaarde,
Schoonste nimf: daar baart ons d'aarde
Bloemen van een eêlder stof,
Die alleen de reuk niet vleien,
Maar met liefelijk gevoel
Schaffen duizend lekkernijen,
Door een strelend geestgewoel.

Liefdes hof braveert het al:
Laat het haag'len, laat het waaien,
Laat de hemel bliksems zwaaien,
Met een zware donderval;
Laat de gure winter beven,
Dat al 't geurig groen bederft;
Liefdes bloemen blijven leven,
Laat het sterven, wat er sterft !

 

Terug naar overzicht

Luchtgevecht

(C.S. Adama van Scheltema - 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De zon die blaast een lustige schalmei

En stuurt haar lichten troep den wolken tegen,

De steigerende luchten schoon te vegen -

De witgebolde vijand schaart zijn rij.

 

De wind pijpt op zijn doedelzak de zege,

Bestormt de luchtkasteele' aan alle zij

En jaagt zijn koppels 't vlugge licht aan lij -

Het is één strijd, één tintelend bewegen.

 

t Schaatrend gevecht vervult de hemelgaarde, -

Daar breidt het gouden licht zijn flanken uit,

En spranklend buitlen beî op lachende aarde -

De daverende zon neemt heel den buit!

 

Zoo breekt mijn lichte geest de laatste wolken,

Zoo komt een blij geluk mijn ziel bevolken.

Terug naar overzicht