(met
dank aan Carola voor het sturen van de tekst)
Ieder
huisje heeft zijn kruisje,
Ieder draagt zijn eigen last.
En aan ieder van zo'n kruisje,
Zit een bepaald gewichtje vast.
Het één weegt zwaarder dan het ander,
Maar toch komt het hier op neer,
Kon ik het met een ander ruilen,
Dan nam ik toch mijn eigen weer.
(met
dank aan Jan Hubers voor het sturen van de tekst)
IJdelheid is
‘t hier beneden
ijdelheid der ijdelheden
Al het wereldse ijdelheid
Het is ‘s morgens vroeg als damp vervliegend
de droom de slapende bedriegend
als schaduw over het land verspreid.
Arbeid moeite
sloven zorgen
dagelijks van de vroege morgen
tot de late avond toe.
Zingeneuchten ach hoe strelend
alles wordt op eens vervelend
alles maakt ons levensmoe.
Want leg met
zwoegen en met sparen goederen op voor vele
jaren onafzienbaar als de zee.
Maar nieuwe zorg is uw beloning
Want alleen een planken woning
en een doodshemd neemt ge mee.
Laat u door de zin betoveren,
des vermaaks het hart veroveren.
Leef in weelde, zwelg in lust.
Maar walging
en gewetens knaging
is de zucht der zelfverlaging
en uw lamp wordt uitgeblust.
Prijkt in
volle schoonheid weder
als een bloem de knop ontgleden
in de zomer zonneschijn
Maar wie gij waard
hoe schoon of edel
zal straks aan uw ontvleesden schedel
Zeker niemand kenbaar zijn
Bouwt bij het wisselen der geslachten
op sterkte van uwer krachten
kent geen beven voor ’t gevaar
Maar onderneming maakt u wijzer
Als straks de kwaal
den arm van ijzer breekt
Alsof het een rietstaaf waar
ijdelheid is het hier beneden
ijdelheid der ijdelheden
Alles wat de wereld bied
maar oprecht en vroom te wezen
God te kennen God te vrezen
dat alleen bedriegt u niet
Ware vrede der gemoederen
ware wijsheid vaste goederen
Roem en sterkte brengt het aan
en het stilt den dorst volkomen
Als daar boven voor de vrome
het eeuwig licht is opgegaan?
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik ben geen
vader, en ik hèb geen zoon.
Niets dan een sage is zijn zacht bestaan.
Toch groeide hij gelijk de nieuwe maan
In grootte en glans en werd volwassen-schoon.
Nevens mij, glorieus en monotoon,
Verging de kringloop van zijn kort bestaan.
Mijn hand is strelend door zijn haar gegaan
En langs het kloppend halsje van mijn zoon.
Ik weet niet hoe hij werd en mij ontviel.
Ik ken alleen de klare periode
Van bloei die boven mijne schouder rees.
Nog spiegelt zijn hel lachen in mijn ziel.
God weet, wij hebben soms een droom van node,
Maar doodsbedroefd is die de droom ontrees.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik ben mijn
zonde moe en mijn berouw,
ik ben mijzelve moede en ik ben
het zoeken moe naar God, die ik niet ken,
en die ik toch zo gaarne kennen zou.
Ik ben mijn
zwakheid moe en mijn verdriet,
mijn arbeid en mijn hoop en mijn genot,
maar bovenal het zoeken naar mijn God! -
Ik ben het zoeken moede - maar God niet.
Hij ziet en
kent mijn zonde en vergeeft
ze zeventig maal zeven maal en meer.
Hij wil niet, dat mijn ziele sterft maar leeft.
O, wonderbare goedheid van de Heer,
die naar zo moedeloos een ziel nog vraagt,
die alle dingen en ook mij verdraagt.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik kreeg van
mijn ouders,
Van ieder mijn part,
Van vader mijn schouders
Van moeder mijn hart.
Ik vocht om mijn stuiten,
Met zuster en broer.
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer.
Bij d’eigenste
pachter,
Eerst koeier dan knecht
Mijn klakke van achter,
Mijn hoofd immer recht.
Zoo dien ‘k om duiten,
En teer op mijn toer;
Ik ben van den buiten.
Ik ben van den boer !
Ik zout en ik
zaaie,
Ik eg en ik ploeg,
Ik mest en ik maaie,
Ik zweet en ik zwoeg.
Ik klets op de kluiten
En glets op de moer.
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer.
En hebben de
zeisens
Gezinderenzind,
De mallende meisens
De wagens gepint,
Dan zit ik te fluiten,
Van boven op ‘t voer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik heb u lief
Ik heb u
lief, ik heb u lief!
Dat is mijn kus, dat is mijn groet,
dat is de blijdschap in mijn bloed,
dat is elk woord in elke brief,
dat is mijn hart: ik heb u lief.
Ik heb u lief, ik heb u lief!
Dat is mijn zorg, dat is mijn zang,
dat is mijn roem, mijn leven lang.
Slechts Hij, Die mij tot u verhief,
kent gans mijn hart: ik heb u lief!
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik voel mijn
leven door mijn vingers vlieten
dat leven zonder liefde en zonder zegen
en de allerlaatste hoop dit hart ontschieten
zo afgebeuld langs alle martelwegen.
Geen trouwe borst zwelt ooit de mijne tegen
geen milde hand zal mij genadig gieten
de zoete wijn des levens. - Kalm bewegen
in teer genegen zijn en zacht genieten.
O droom van hoge schoonheid, die mijn schreden
voorlichtte, - tot uw puurste glans gerezen
vervliet ge allengs...
En 't jammerlijk verleden
jaagt stormend door de diepten van mijn wezen
in zulke koorts van haat en woede aan 't loeien
als stond heel de aarde in vlammend bloed te gloeien.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik ween om
bloemen in de knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan.
Gij kwaamt, en
'k wist - gij zijt weer heengegaan ....
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos ná die korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:
Zo als een
vogel in den stillen nacht
Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,
Maar eer 't
zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
In Nederland
wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
‘k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om ’t krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.
In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven,
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenooten smaden mij: ‘Hij is mislukt.’
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.
In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om ’t welzijn van zijn medemenschen denken.
In het geniep slechts mag krenken,
Maar niet een facie ranslen dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandlen zonder reden
Getuigt van tuchtelooze zeden.
Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die leelijkheid in steden en dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen…
Daar loopen allen met een stijve boord
- Uit stijlgevoel niet, om te toonen
Dat men wel weet hoe het behoort –
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.
In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerlozen gekweld,
Nooit wordt zoo’n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit, gebeurt een mooie passiemoord.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Keulse potten,
vaatjes, touwtjes,
Vleeskuip naar de eis gepikt;
Nu is 't hoogtijd voor de vrouwtjes,
't Rookt in huis, dat je er van stikt !
Zuurkool naar de eis gesneden,
Molenstenen in de ton,
Stank van boven tot beneden;
Vrouw steeds in haar nachtjapon.-
Zuinig Aaltje is catechismus:
Wie zag immer zuinigheid,
('k Ben niet voor het pessimismus)
Lezers, bij een keukenmeid ?-
Duizenden Princessebonen,
Groene bonen bij 't miljoen,
Tonnen, waar men in kan wonen,
Als Diogenes mocht doen.
Kelderflessen, blazen, kurken,
Uitjes, sambal, peultjes, peen,
Bloemkool, erwtjes, biet, augurken,
Canteloupen, fijn gesneên !
Venkel, foelie, lauwerblaren,
Thijm, Cardemon, Marjolijn,
Spaanse peper niet te sparen !
Ankers wijn- en bier-azijn,
Boterpekel voor de kroppen,
Kies vooral de slapste niet !
't Zelfde voor de spersie-koppen,
Eer men er d'azijn op giet.
Appels schillen, boren, drogen,
Kindren aan de diarree.
Bruine suiker afgewogen:
Ach, 't wordt in je beurs zo wee !
Reine-claudes, mirabellen,
Brandewijn, kaneel, kandij,
Perzik, abrikoos, morellen,
Naaglen, naar de smaak er bij !
't Geurig sap van d'alebessen,
Wél gerist, gekookt, geschuimd,
't Spoelen, 't zwaavlen van de flessen:
Was de boel maar opgeruimd !
Al die vruchten en geleien,
Al dat zoet en al dat zuur,
Al die vreemde lekkernijen
Maken juist de inmaak duur.
Vrouwtjes, zo gij ons wilt tonen,
Dat gij d'inmaak goed bevat,
Zie niet op een duizend bonen,
En een witte kool of wat !
Wil voor de overmaat niet schromen,
Deel daarvan met wijs bestel,
Weet gij er niet dóór te komen,
De arme luitjes weten 't wel !
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Jantje kwam
Van Amsterdam
Veel had Jantje te vertellen;
Jantje was zo machtig wijs,
Dat zijn borstje scheen te te zwellen,
Of hij kwam van ‘t paradijs.
Jantje droeg
Vast moois genoeg:
‘t Was een jasje van fijn laken
‘t Was een hoedje, rijk van glans;
En hij dacht jaloers te maken
Al de vrijers, al de mans.
Jantje zag
Met witten lach
Neer op al die boerenmaagden;
‘k Wed, dacht Jantjen in zijn waan,
Dat ze allemaal mij vraagden,
Mocht een meisje uit vrijen gaan.
Jantje keek
Een heel week
Of ze niet verliefd en werden;
Maar niet een, wie ‘t overkwam.
Toen zij zich aldus verhardden,
Werd het wijze Jantjen gram.
Jantjen had
Altijd in stad
Malle praatjes kunnen slijten;
Maar toen Jantjen ‘t hier begon,
Zag hij, tot zijn innig spijten
Dat hem dat niet baten kon.
Wat dee Jan
Ten leste dan ?
‘t Beste was naar steê te keeren.
Al de meisjes trouwden wel,
Maar met minder wijze heeren;
Jantje bleef een vrijgezel.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Veel gure
regendagen bij de boeken
in studie doorgebracht; veel winternachten
bij wijn en vrienden lachend doorgewaakt.
En in de zomer verre wandeltochten
en dromen in het gras, veel grote plannen,
nog groter woorden; meisjes plagen, stoeien,
gezoen en nu en dan een vleugje liefde,
een wenk, een oogopslag, een stout begeren
als blauwe heuvels, schemerend hier en daar
door dichte stammen van het donkre bos.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Dan las ik weer
van 't jonge, lelijke eendje:
eerst zwom hij blij door 't groene licht op 't water;
toen joegen ze hem weg met kwaad gesnater,
en gooide een jongen naar hem met een steentje;
toen plaste hij rond met één bevroren beentje
's nachts in een kolk; en toen ontmoette hij, later,
bij de oue vrouw, die deft'ge, wijze kater
en kipje Kortpoot met 't verbrande teentje !
En stilletjes werd 't kleine eendje groot;
en vloog eens in een meer. Daar kwamen aan,
drie zwanen, en hij zei: 'Pik me maar dood !'
en boog naar 't water; en hij zag een zwaan.
En 'k had altijd, wanneer ik 't sprookje las,
een vreemd gevoel, dat 'k zelf zo'n zwaantje was
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Karel de Grote
krijgt aan de vooravond van een hofdag van een engel opdracht om uit
stelen te gaan. Hij gehoorzaamt met tegenzin, en trekt uiteindelijk het
duistere woud in. Daar verslaat hij een zwarte ridder, die Elegast blijkt
te heten. Omdat hij Elegast indertijd verbannen heeft, en hij niet wil
toegeven dat hij op pad is om te gaan stelen, stelt Karel zichzelf voor
als Adelbrecht (dat betekent: van adellijke geboorte). Ze breken in bij
Eggeric van Eggermonde, de zwager van Karel. Daar is Elegast ongewild
getuige van een echtelijke ruzie, waarbij duidelijk wordt dat Eggeric
samen met een aantal handlangers van plan is op de hofdag Karel van het
leven te beroven. Weer buiten vertelt Elegast over het complot aan
Adelbrecht/Karel, die de volgende dag zijn maatregelen treft. Eggeric
wordt aangehouden, maar daagt Elegast uit om in een tweegevecht als
godsoordeel uit te maken wie de waarheid spreekt. Elegast wint dit gevecht
en mag met de zuster van de koning, Eggerics weduwe, trouwen. Eggeric kan
de slaap maar moeilijk vatten. Als zijn vrouw vraagt wat er is, wil hij
het eerst niet vertellen. Maar ze dringt aan (vs. 893-922).
So lange lach
si hem an,
Dat hi haer seggen began,
Dat hi haers broeder doot hadde gesworen;
Ende te dien waren vercoren,
Souden daer cortelike comen.
Hi gincse haer bi namen nomen,
Hoe si hieten ende wie si waren,
Die den coninc wilden daren.
Dit hoorde
algader Elegast,
Ende hielt in sijn herte vast.
Hi peinsde, hi soude brengen voort
Die ondaet ende die moort.
Als dit die vrouwe hoorde,
Si antwoorde na den woorde
Ende seide: ‘Mi ware liever vele,
Dat men u hinge bi der kele,
Dan ic dat gedogen soude!’
Eggeric sloech also houde
Die vrouwe voor nase ende mont,
Dat haer dat bloet ter stont
Ter nase ende ten monde uut brac.
Si rechte haer op ende stac
Haer anscijn over tbedde boort.
Elegast hi treckede voort
Ende croper liselike toe.
In sinen rechten hantscoe
Ontfinc hi dbloet van der vrouwen,
Omdat hijt wilde laten scouwen
Diet den coninc te voren brochte;
Dat hijs hem verwachten mochte.
(vertaling Karel Eykman)
Zij bleef maar
zeuren aan zijn kop.
Ten slotte biechtte hij het op:
Hij had de dood van haar broer gezworen.
En hij zei: ‘Wie daartoe zijn uitverkoren,
Komen daar binnenkort tezamen.’
Hij noemde ze allemaal bij name,
Hoe ze heetten en wie het waren,
Die zich achter hem wilden scharen.
Elegast kon dit
alles horen,
En hij knoopte het in zijn oren.
Hij dacht: ik zorg dat men er van hoort,
Van deze misdaad, deze moord.
Toen de edele vrouw dit hoorde,
Zei zij hem na deze woorden:
‘Ik zou er eerder naar verlangen
Dat ze jou aan de galg zouden hangen
Dan dat ik zoiets toe zou staan!’
Eggeric begon meteen te slaan
Op haar neus en op haar mond,
Zodat het bloed terstond
Uit haar neus en mond kwam stromen.
Waarop zij, overeind gekomen,
Haar hoofd boog over de bedrand heen.
Elegast kroop er meteen
Stilletjes op af en hij ving zo toen
Alles op, in zijn rechter handschoen:
Hij ving bloe op van die vrouw
Omdt hij het
later tonen wou
Aan iemand die
de koning kon bereiken,
Om hem te
waarschuwe goed uit te kijken.
Zoals bij
zoveel middeleeuwse werken, is ook van Karel ende Elegast niet bekend wie
het geschreven heeft. Wel is duidelijk dat de auteur de kunst verstond om
een boeiend en spannend verhaal te vertellen. Karel ende Elegast is een
Karelroman, dat wil zeggen dat het verhaal zich afspeelt in de kringen
rond Karel de Grote. In veel Karelromans blijft de machtige koning zelf op
de achtergrond. Het bijzondere aan dit verhaal is dat Karel zélf een van
de hoofdpersonen is.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
O wat
zon is komen dalen
In den Maagdelijken schoot !
Ziet hoe schijnt ze met heur stralen
Alle glanzen doof en dood.
Ay, hoe schijnt dit hemels kind,
Aller zielen licht en hoeder,
Zon en maan en starren blind,
Uit den schoot der zuiv’re moeder !
Eng’len, daalt van ’t Paradijs:
Zingt den hemel eer en prijs,
En met vree de harten kroont,
Daar een goede wil in woont.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Hoe
heerlijk goed is 't een klein kind te wezen,
Klein voor de eenheid van het groot heelal,
De pracht, die nooit dit hart bereiken zal,
Waarnaar wie groter ware' een wereld wezen.
0 ! in
een kinderziel wijsheid te wegen,
Die 't wisslend leven al zijn kindren geeft,
Als elk maar weent en lacht - waarachtig leeft,
Zó kind bij mensen is een rijke zegen !
Ik
voel geen lastig lijf: - mijn ziel alleen
Buigt zich en luistert naar wat is geleden,
Een diepe rust ligt toovrend om mij heen
Naar 't oord, dat door geen mens nog werd betreden.
De
warme zon bloeit voor mijn stille voeten,
Mijn ogen lachen zacht, haar stil te groeten.
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Constantijnt je, ’t zaligh kijntje
Cherubijntje, van om hoogh,
D’ydelheden, hier beneden,
Vitlacht met een lodderoogh.
Moeder, zeit hy, waarom schreit ghy ?
Waarom greit ghy, op mijn lijck ?
Boven leef ick, boven zweef ick,
Engeltje van ’t hemelrijck:
En ick blinck’ er, en ick drincker
't Geen de schincker alles goets
Schenckt de zielen, die daar krielen,
Dertel van veel overvloets.
Leer dan reizen met gepeizen
Naar pallaizen, uit het slick
Dezer werrelt, die zoo dwerrelt.
Eeuwigh gaat voor oogenblick.
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Lente-ogen, waar 't lentzonnetje in gaat schijnen,
Zodra de wimpervenstertjes ontsluiten;
Spiegeltjes klaar die geen menswereld buiten,
Maar 't eigen lentezieltje doen weerschijnen,
Zo rustig rein dat ze in hun kristallijnen
Glanstoverkring al 't duistre buitensluiten;
Boodschappertjes van heil die zachtkens stuiten
Verbitterd woord van wie in treurnis kwijnen;
Wijsgeertjes onbewust, die in één enkle
Opslag zo helder leren wat het leven
Zou zijn als lust en ijdelheid niet waren;
Sproke-ogen, die nog 't aangezicht der englen
Aanschouwen en tegenlachen, en ons even
De macht van 't Reine en Lieflijke openbaren !
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Dans, dans tesamen een rondedans
met hand in hand en hooggedragen
omrankende armen en op een trage
zangwijze het voetverzetten thans,
rondom het meisje, dat er jarig
geworden is en zij eenparig
omgaven en dan in elkaar
schakelden zij de tengere handen,
tilden ze op als een guirlande,
waren er met hun omgang klaar;
vriendelijk, tederlijk eensgezind
ter tiende verjaring van het kind.
Dans, dans, laat helderrode lippen
en lichtende ogen iets als stippen
van kleuren, bloemenkleuren zijn,
als purper en diep karmozijn
in dit vertrek en in de krans
van uw gestrengelde rondedans;
als enkele bladen, sprenkelbladen
aan kronen stil gerijpt, geglipt
van kelken, door wier wanden heen
het net en weefselwerk verscheen der aren en hoe het was geribd,
nu dat het licht er toegang had;
als het onschuldig bloesemblad
de omgestulpte, uitgeschulpte
kommetjes met een welig vocht,
of bootjes op een blijde tocht,
de holle, op ademen gevaren
langs al de banen, die er waren
bij open lentedag, een buit
van zonlicht en van winderigheid...
0, jonge meisjes met zijen haren
en lichte jurkjes kreukgeplooid
en met de smalle voetjes strak
gespannen en langs het oppervlak
vaardig bewegende op de maat
van het gezang, dat verder gaat,
zoals door dungebleven, jonge
lippen, uit ademende mond,
die zedig half ontsloten stond,
het lijdelijk wordt afgezongen
in énen door en zonder klem
en met een zachte neuriestem,
zo ijl, zo fijn en zo doordringend
in enkel hoge halen zingend
en zuiver, zonder wankelen uit-
gebracht, een kinderlijk keelgeluid;
terwijl dat buiten een eerst verschijnen
van lente is en een ander licht
valt van de wolken, maar de lucht
is nog vol koelten en een schrijnen
is er in alles, jong en wrang
nog -- danst in dit naar binnen schijnen
en intrek nemen en eerlang
vervullen en de stilte hiervan.
Dans om het jarig kind, dat staat
in aller midden daar alleen
en op zich zelve en zij laat
de
handen dralend langs zich heen
afglijden en de donkere ogen
zijn zacht en ernstiger meteen;
zij voelt zich lichtelijk bewogen,
glimlachend om die om haar gaan
en haar toezingen en zien haar aan
en maken haar stil en zoet bezonnen
achtgevende op wat zij begonnen...
En dan, in de langzame zinge-zang
dwalen haar gedachten en zij traden
terug van deze oevers bang
ietwat gevoelde en dan verraden
haar ogen en haar onzekere mond,
dat zij iets anders, iets innigers vond,
dat zij de gang weerom inging,
de ingang tot bespiegeling,
waar al haar aandacht was gehangen
over haar zelve en ingevangen
in een verrukkelijk beschouwen,
wat ditmaal weer opdoemen zouen
voor zielsgezichten, welke gangen
in aantocht waren, heengeleid
uit al de menigvuldigheid,
verlopende in wondere orde
en aan elkaar verwant geworden:
een dagelijks voorwerp, van haar wonen
een uitverkoren plek, personen,
een tafelronde, een buitendag
met vlagen wind en schaterlach, een ranke vogel, een juweel
dat fonkelde, een tuinpriëel,
een strand met ronde schelpen, fijne
stuifzaadjes, die een mond wegblies,
een zuilengang, een marmerfries,
zeilen, waarop de zon ging schijnen,
en droomverwekkend een ver dal,
een zachte glooiing, waar het al
versmelten gaat, het zonder tal
der dingen; van het duizendvoud
het meeste als lief en welvertrouwd
herkend, maar andere lang vergeten
en heugelijk opnieuw begroet,
en enkele ook, die zij wel moet
geloven nimmer te hebben bezeten,
zo wondernieuw en ongeweten
en prachtig zijn ze en onvermoed.
En ook het dierdere nog was daar,
gedachten, opgekomen bij haar
alleen en die zo al het andere
doordrongen hadden als nooit tevoren,
en sommige woorden van zo bijzondere
betekenis, ademloos aan te horen
en peinzend bij zich nagesproken,
gevoelens schietend opengebroken
bij enkele dingen, die voortaan
voorkwamen, als zagen zij haar aan
met oogopslag, die zij verstond,
haar meningen, hoe zij alles vond,
en al dit innerlijke, toch
het liefste en het meest beminde,
omdat zij er iets in mag vinden
zo zeker en zonder elk bedrog,
zo
wel begrijpelijk, zo volkomen
naar eigen bedoeling uitgekomen,
zo onweersprekelijk het hare,
dat het haar even nauw bestond
als wat ze als laatste in zich vond,
het enige onbetwijfelbare,
het voelen van het eigen ik,
het innige, dit ogenblik
zich zelve overdenkend, zich
beziend: de heen en wedergang
van de gedachten, elk verloren
in zich, en hun bijeenbehoren
in een geheime samenhang,
en dan haar lijf, haar lichaamsdelen,
de stillere eenheid dezer velen,
in sluimering en blind als 't ware,
waarop haar blik nu rond gaat waren
en zoekende en naar beneden
uitvierende is afgegleden
bij 't peinzend kind, dat zich vermeit
in schemer van diepzinnigheid.
Óm gaat het onverstoorde koor,
dat zong en aanzwol in het dalen
der stemmen en de diepe halen
doorklinken liet en niet verloor
de voortgang, maar met slanke bocht
opnieuw omhoog te komen zocht,
totdat het zweeft weer in de kringen
van 't onbeperkte jubelzingen,
waar klank na klank in dartelingen
elkander volgde; sneller gingen
voetpas en dans en ademtocht.
Dans om, dans om; wij zien het aan
in stille gedachten en onbegrepen
geboeid zijn en dan aangegrepen --
mij dunkt, voor ons is opgegaan
een nieuw gezicht, als lag er in
dit alles een andere, diepere zin
en was 't alsof het wat verbeeldde,
wat kinderen hier met elkander speelden
en zó komt het ons voor ogen staan,
als waren 't de Uren, die ommegaan,
de Getijden zelve, die om het kind
te gader zijn en spelenderwijze
opwachten en er hun wezen wijzen
en hoe zij het zijn toegezind.
Met schoon vertoon en aanvalligheid
en met het blozen op de wangen
houden zij 't kind daar ingevangen,
een welkom wordt tentoongespreid.
En zie, dan gaat op lichte zolen,
getild de glinsterende voet,
de luchtige godinnenstoet
zich regelen en in bevolen
orde zich schikken en dan draagt
de glanzend blanke theorie
zich heen, om enkel en om knie
gestrekt het slepend kleed, dat vaagt
ruisend hen achterna; gerucht
scheen er te zijn als van cymbalen,
als sloegen zij de rondmetalen
handbekers en als hief een vlucht
van
slanke armen opgestoken
zich hoog in eensklaps uitgebroken
vervoering -- en dan gaat de tocht
veranderen en heeft opgezocht
een verderwegzijn en deinst af
en slinkt, tot zij werd opgenomen
in de beneveling gekomen
voor het geopend oog; een stof,
een dunne wolk was er nog wel
allengs vervluchtigend en hing
en zonk, er is een enkel hel
gerinkel van het cymbelspel
en ook dit minderde en verging.
(met
dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)
Nacht
is niet boos. Als hij komt de nacht
Maakt hij de hemel open,
En veel sterren en sterretjes komen zacht
Op gouden voetjes gelopen.
Ze zijn nieuwsgierig, en naar benêe
Zouden ze heel graag komen;
Maar ze zijn bang, voor de grote zee
En voor de hoge bomen.
’t Is boven ook donker… maar zij hebben licht.
De zon gaf ze allemaal lichtjes,
Voordat hij naar bed ging; die houden ze dicht
Bij hun gouden sterregezichtjes.
Ze kijken, en lachen, en knikken goênacht,
En zeggen: "Je moet gauw gaan slapen."
Zij worden eerst naar bed gebracht,
Als de zon heeft uitgeslapen.
Ze wand’len boven de ganse nacht
Op hun kleine blote voetjes.
Dat doet geen pijn… de wolken zijn zacht,
En ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes,
Ze mogen nooit leven maken; dat zou
De goede mensen hinderen…
‘k Geloof niet, dat ik ze horen zou;
Maar er zijn ook zieke kinderen.
‘k Zou heel graag eens boven gaan,
Als ‘k wist hoe daar te komen…
Vogels hebben vleugels aan,
Die vliegen boven de bomen.
Bouwen ze boven ook hun nest?
Of zou hun dat niet bevallen?
En lopen ze altijd alleen ? Je zou best
Uit je open huis kunnen vallen !
Hebben je boven ook een tuin,
En bloemen… en kersen… en bijen,
Die brommen zo ! - en een hoog duin,
Waar je op en af kunt rijen ?
En je moeders handen, zijn ze ook zo zacht
Als ze je ’s morgens komt wassen,
En de zeep zo schuimt en een watervracht
Over je rug komt plassen ?
In mijn bos woont een nachtegaal
Hebben je kleine musjes,
Die je voeren kunt ? - zijn je allemaal
Broertjes… Broertjes en zusjes ?
Ik krijg er haast ook een, het bedje staat klaar.
Hebben jullie allemaal bedjes ?
Maar waar staan ze dan, ik zie er geen… Waar ?
‘k Hou ’t mijne nu altijd netjes.
Twee, tien, twintig… altijd meer
Komen ze aangelopen…
In mijn ogen strooien ze prikkeltjes neer…
Ik hou ze niet meer open !
Tien, zes, honderd… Ik ben te moe
Om je allemaal te tellen…
Als ik wakker word is de hemel toe…
En ‘k heb nog… zoveel… te… vertellen…
(met dank aan Jeanne Albers
voor het sturen van de tekst)
'k
Dacht dat ik eens zijn bruid zou wezen,
ik heb zijn naam in droom zo vaak gelezen,
waaronder dan de mijne stond;
ik was zijn vrouw -
zodat ik nauw
begrijpen kan,
dat hij nu is een vreemde man
die kust een andre mond.
Ik heb de kaarten opgenomen,
wat hij verbood,
maar in mijn nood
wil 'k weten of hij terug zal komen -
zij zeggen niet,
dat hij verliet,
de kaarten hebben medelij;
hij ligt nog altijd aan m'n zij.
'k Ben nu alleen
en zonder wil;
mijn leven staat zo plotsling stil
zoals een wekker stil blijft staan;
ik nam zo alles van hem aan;
ik ben geworden wat hij dacht - -
een lege schacht
is wat hier bleef, hij achterliet; -
een onbegrijpelijk verdriet
in 't grote bange van de nacht.
Al wat hier staat
het was van mij,
toen hij nog leefde aan mijn zij,
en hier nog klonk zijn stem.
Maar nu hij ging
lijkt ellek ding
te wachten op de komst van hem -
Waar is zij, die ik vroeger was ?
Ik zie haar niet in 't spiegelglas.
Hij nam mij mee; ik was een kind
dat men in d' avond-straten vindt,
en alles deed ik, wat hij vroeg;
het was zijn geld, al wat ik droeg,
ik was van hem, ik werd weer vroom,
'k bad elke avond — schoonste droom ! -
dat hij mij nimmer zou verlaten
met hem te mogen wandlen door de straten !
Ik gaf hem al wat ik bezat,
al wat ik op de wereld had,
mijn jonge lijf, mijn blijde lach,
mijn onschuld van de eerste dag,
mijn lach, mijn ogen, hart en lijf
dat al verging in het bedrijf,
waaruit allengs zijn kus ging heen; -
maar 'k had hem nog alleen.
Wat blijft mij, wat ?
Ik werd te oud,
mijn hoofd is leeg, mijn hart is koud.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
In 't
woud des levens deed ik als Klein-Duimpje:
Ik nam mijn brood en strooide 't langs de paden,
Maar toen 'k den weg terugzocht, kruim bij kruimpje,
Bevond ik door de vooglen mij verraden.
De nachtwind huilde in 't zwart gewei der boomen;
Ik dwaalde alleen (Klein-Duimpje had gezellen).
Daar zag ik stralen door den nevel stroomen
En 'k liet door 't lichtje redding mij voorspellen.
Ik doolde in donker, struweel en weiland.
Dit was geen dwaallicht, 't was de ster der Wijzen,
Die stilstond boven 't kribje van den Heiland,
De godengroet uit verre paradijzen.
Wee, mijn vertrouwen ! 't Licht kwam uit de woning
Van koning Hartstocht, bloedig menschenslachter.
Den dood ontvluchtte ik wel, maar niet de ontkroning:
Mijn diadeem liet ik in 't moordhol achter.
O booze roover, die mij wist te lokken,
Mijn kroon van trots, die zal 'k niet halen komen !
De wolven huilen, 't sneeuwt bij groote vlokken....
Ik zoek in 't woud de kruimels van mijn droomen.
(met dank aan Jeanne Albers
voor het sturen van de tekst)
Tik
tak, tik tak: kort van pas,
Van seconde tot seconde,
Gaat de tijd, en toch te ras.
Ochtendstonde, ach middagstonde,
Avondstonde en na de dag
Nacht; en wéér een dag; en dagen,
Weken, maanden, jaren jagen
Met hetzelfde stil gewag
Van de slinger en de wijzer,
En wij worden stijver, grijzer
En gaan zachtjes over stag.
Is het zo ? O ja. Maar groeien,
Bloeien en allengs vergloeien,
Eindlijk sterven, wat is schoner ?
Schoner dan als aardbewoner
Brandende in het levensfeest
Zulk een mens te zijn geweest,
Zulk een lichaam, zulk een geest.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Kusjes glippen,
Kusjes reegnen,
Kusjes zeegnen,
Kusjes rollen,
Kusjes hollen,
Kusjes, kusjes, zonder maat,
Al te maal ten mijnen baat.
Zie hoe't gaat,
En of je mond tot kussen staat.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Lachebekje, die
men acht
Eens zo mooi, wanneer gij lacht,
Als zich in uw malse konen
’t Aardig putje komt vertonen,
’t Rozemondje opengaat
En zijn parels kijken laat;
Als het tintlen van uw ogen
Nog vergroot hun groot vermogen,
En geheel uw lief gezicht
Overgoten schijnt met licht !
Wie zou u dat schoon misgunnen,
Wie die vreugd betwisten kunnen ?
Wie misprijst de blijde lach
Van uw heldre lentedag ?
Wie en zou het niet betreuren
Als het eenmaal moest gebeuren,
Dat hij horen moest: "Och Heer !
Lachebekje lacht niet meer."
Weet nochthans van maat te houen;
Onmaat stuit, het meest in vrouwen;
Lach, zo als wij ’t liefst aanschouwen;
Lach zo dat gij ’t nooit verbruit,
Niet te dartel, niet te luid,
Nimmer schamper, niemand uit.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
In de weiden
grazen
de vreedzame dieren;
de reigers zeilen
over blinkende meren,
de roerdompen staan
bij een donkere plas;
en in de uiterwaarden
galopperen de paarden
met golvende staarten
over golvend gras.
(met dank aan Andreas Jaquet voor het
sturen van de tekst)
Al wat wij
licht noemen is maar een schaduw
Van God, het
enig schaduwloze licht
Al wat wij
leven noemen is een waduw *
Die wegwaait
voor Gods aangezicht
* Waduw is waas,
schaduw
Lied van heer Halewyn
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Heer Halewyn
zong een liedekijn,
Al die dat hoorde wou bi hem zijn.
En dat vernam een koningskind,
Die was zoo schoon en zoo bemind.
Zi ging voor haren vader staen:
‘Och vader, mag ik naer Halewijn gaen ?’
‘Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet !‘
Zy ging voor hare moeder staen:
‘Och moeder, mag ik naer Halewyn gaen ?’
‘Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet !’
Zy ging voor hare zuster staen:
‘Och zuster, mag ik naer Halewyn gaen ?’
‘Och neen, gy zuster, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet !’
Zy ging voor haren broeder staen:
‘Och broeder, mag ik naer Halewyn gaen ?’
‘'t Is my al eens, waer dat gy gaet,
Als gy uw eer maer wel bewaerd
En gy uw kroon naer rechten draegt !’
Toen is zy op haer kamer gegaen
En deed haer beste kleeren aen.
Wat deed zy aen haere lyve ?
Een hemdeken fynder als zyde
Wat deed zy aen ? Haer schoon korslyf:
Van gouden banden stond het styf.
Wat deed zy aen ? Haren rooden rok:
Van steke tot steke een gouden knop.
Wat deed zy aen ? Haren keirle:
Van steke tot steke een peirle.
Wat deed zy aen haer schoon blond hair ?
Een krone van goud en die woog zwaer.
Zy ging al in haer vaders stal
En koos daer 't besten ros van al.
Zy zette zich schrylings op het ros:
Al zingend en klingend reed zy door 't bosch.
Als zy te midden 't bosch mogt zyn,
Daer vond zy myn heer Halewyn.
Hy bondt syn peerd aen eenen boom,
De joncvrouw was vol anxt en schroom.
‘Gegroet’, sei hy, ‘gy schoone maegd,
Gegroet’, sei hy, ‘bruyn oogen claer,
Comt, zit hier neer, onbindt u hair.’
Soo menich hair dat si onbondt,
Soo menich traentjen haer ontron.
Zy reden met malkander voort
En op de weg viel menig woord.
Zy kwamen al aen een galgenveld;
Daer hing zoo menig vrouwenbeeld.
Alsdan heeft hy tot haer gezeid:
‘Mits gy de schoonste maget zyt,
Zoo kiest uw dood! het is noch tyd.’
‘Wel, als ik dan hier kiezen zal,
Zoo kieze ik dan het zweerd voor al.
Maer trekt eerst uit uw opperst kleed.
Want maegdenbloed dat spreidt zoo breed,
Zoo 't u bespreide, het ware my leed.’
Eer dat zyn kleed getogen was,
Zyn hoofd lag voor zyn voeten ras;
Zyn tong nog deze woorden sprak:
‘Gaet ginder in het koren
En blaest daer op mynen horen,
Dat al myn vrienden het hooren !’
‘Al in het koren en gaen ik niet,
Op uwen horen en blaes ik niet..’
‘Gaet ginder onder de galge
En haelt daer een pot met zalve
En strykt dat aen myn rooden hals !’
‘Al onder de galge gaen ik niet,
Uw rooden hals en strijk ik niet,
Moordenaers raed en doen ik niet.’
Zy nam het hoofd al by het haer,
En waschtet in een bronne klaer.
Zy zette haer schrylings op het ros,
Al zingend en klingend reed zy doort bosch.
En als zy was ter halver baen,
Kwam Halewyns moeder daer gegaen:
‘Schoon maegd, zaegt gy myn zoon niet gaen ?’
‘Uw zoon heer Halewyn is gaen jagen,
G'en ziet hem weer uw levens dagen.
Uw zoon heer Halewyn is dood
Ik heb zijn hoofd in mynen schoot
Van bloed is myne voorschoot rood.’
Toen ze aen haers vaders poorte kwam,
Zy blaesde den horen als een man.
En als de vader dit vernam,
't Verheugde hem dat zy weder kwam.
Daer wierd gehouden een banket,
Het hoofd werd op de tafel gezet.
(klik op het plaatje)
(Het Lied van Heer Halewijn is een Westvlaams
gedicht. Het is heel oud, misschien wel uit de negende eeuw in de
mondelinge overlevering, misschien stamt het uit oude Germaanse verhalen
over bosgeesten en tovenaars.)
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Mijn molentje
draait er lustig en wel,
Mijn schoorsteen rookt er neven,
Maar 'k ben nog altijd een vrijgezel,
Wat heb ik aan zoo'n leven !
Och, trad er Marieke mijn molentjen in,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn broodje win.
De hemel bezorgt mij gunstigen wind,
Het boertje geld en koren.
De steenen ronken en 't werkend bint
Laat vroolijk zijn krikkrakken hooren.
Doch klonk door den molen Marieke heur taal,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn koren maal.
De disch is bereid, de pot hangt te vuur,
Gevuld zijn kist en kasten,
Maar 't is geen leven zoo op den duur,
Al heb ik meer lusten dan lasten.
Och, trouwd'er het blonde Marieke met mij,
Dan wist ik, waarvoor ik den disch berei.
Blaas, windeke, blaas, en molentje draai !
Vivat het mulders leven !
Maar ziet mijn molen nooit kind noch kraai,
Dan is het mij net om het even.
Och, kwam op den molen Marieke mijn schat,
Ik denk, dat ik spoedig zoo'n dreumes had.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Het vurig hart
des jonglings, haast nog kind,
Gevoelt een rijke en ongekende weelde
Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt,
Zoals die nooit het jong gemoed nog streelde.
Hij ziet de jonkvrouw, de met schoon bedeelde...
En die geen zege wil, zij overwint.
Hij mint het Schone... en liefde is ingebeelde,
Als hij de 'liefde' van de vrouw bemint. -
Mathilde! ik vond de liefde in elke vrouw,
Ik heb van 't schone in allen haast gevonden,
En velen liefgehad te goeder trouw,
Maar die geliefden, allen saamverbonden,
Bezitten niet, wat ik in ú aanschouw,
Die meer bekoort, dan zij tezamen konden.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Zeg Lina,
waarom toch zo somber en stil ?
Of broeit er in 't hoofdje een grap of een gril ?
Maar 't oog is bedauwd en de boezem niet rustig
Gij, anders zo lustig !
Nooit kendet gij zorgen - gij hebt slechts uw wil ...,
Zeg Lina, waarom nu zo somber en stil ?
Wat nevel zweeft u voor het jeugdig gemoed ?
Wat kluister weerhoudt u de hupplende voet ?
Ge ontweek nooit de jeugd in haar dartele spelen,
En mocht ge ze delen,
Ze waren u zuiver en zalig en zoet ...
Zeg Lina, wat nevel omzweeft uw gemoed ?
Is 't niet of de roos aan de ruiker ontbreekt,
Wanneer gij u schuchter en eenzaam versteekt ?
Waartoe dan de kring van uw speelnoots verlaten ?
Wat kan het u baten
Dat de ernst van het hart op uw schoonheid zich wreekt ? ...
Is 't niet of de roos aan de ruiker ontbreekt ?
O ! is 't mij gegund in uw ogen to zien ?
Uw trekken verklaren mij 't raadsel misschien;
Maar 'k zie het gelaat door een blosje bedekken
Gij wilt u onttrekken ?
Foei! dat ge der vriendschap zo bloo wilt ontvliên ! ...
Ach, 't zij mij gegund in uw ogen to zien !
Doch hoor ik daar ginds niet wat ruisen door 't groen ?
'k Zie herwaarts de wakkere Hugo zich spoên;
Maar 'k zie in uw trekken ook de onrust bedaren:
Thans kan ik verklaren
Wat werking somtijds een verschijning kan doen ...
Zeg, Lina, vertroost u dat ruisen door 't groen ?
Mooi meisje, waarom niet meer somber en stil!
'k Geloof, het was meer dan een grap of een gril;
Maar 't oog staat vol vuur, is het hart nog niet rustig ?
Ja, 'k zie u weer lustig !
Verban nu de zorgen; thans hebt gij uw wil;
Maar, Lina, wees nooit meer zo somber en stil.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Al wat in ouden
tijd van boter is geschreven,
Daar ben ik niet gezind mijn zegel toe te geven;
Niet ene van den hoop en heeft er ooit gekend,
Wat boter deze kust door al de wereld zendt.
Dit zuivel (naar ik zie) wordt dikmaals niet geprezen,
Maar haar vermaarde lof is nu te hoog gerezen:
De boter die althans in Holland wordt gemaakt,
Is als een honingdauw, die al de wereld smaakt.
Ik laat op dit geval de Griekse meesters twisten,
Mij dunkt, dat die niet veel van onze boter wisten;
Dank God, o Hollands volk ! Voor zo een schone vond,
Die zoet is in de smaak en voor het lijf gezond.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
's Ochtends,
als het haantje kraait
Onder 't klappen van zijn wieken,
Als de dag begint te krieken,
Eer de huisman ploegt of zaait,
Gaat Lucella bloempjes pluiken,
Waar zij 't gretig oog mee streelt:
Bloempjes die naar honing ruiken,
Waar de lekk're bij in speelt.
O Lucel, wier bloeiend schoon
Al het puik der veldgodinnen
Pralende komt te overwinnen,
Strijkende de schoonste kroon,
Waard ten troon te zijn verheven,
Laat deze ogen-streelderij;
Wordt gij van een lust gedreven
Tot de bloemen, ga met mij.
Loop niet meer door 't wilde lof,
Ga met mij in Liefdes gaarde,
Schoonste nimf: daar baart ons d'aarde
Bloemen van een eêlder stof,
Die alleen de reuk niet vleien,
Maar met liefelijk gevoel
Schaffen duizend lekkernijen,
Door een strelend geestgewoel.
Liefdes hof braveert het al:
Laat het haag'len, laat het waaien,
Laat de hemel bliksems zwaaien,
Met een zware donderval;
Laat de gure winter beven,
Dat al 't geurig groen bederft;
Liefdes bloemen blijven leven,
Laat het sterven, wat er sterft !