(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Ik mag die slanke
handen zoetjes strelen,
Als zwoele wind de blanke duivenveren.
't Zijn lelies, waar de schaduwen om spelen,
Gekruifde golfjes, die de meeuwen scheren.
Ik druk ze, en zal hun wederdruk niet weren,
Ik wil, ik wil ze kus op kus ontstelen.
Een warme handendruk zal ze niet deren,
En deerde ze al, een handkus zou ze helen.
Gedoog, dat aan die sneeuw mijn wang zich koele,
En dat mijn lippen 't warme dons beroeren,
En dat ik dan nog eens mijn straf gevoele !
Gij weet, die straf, toen ik mij liet vervoeren
En in het kussen uwer hand volhardde,
Toen gij met de andre door mijn lokken warde'.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Ik zou tot al
mijn vrienden willen gaan,
Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn,
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen. Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel...
Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar ?
Laat mij maar
zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of, als gij praten wilt, spreek gij tot mij.
Ik zal wel luisteren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken, als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen...
Maar, als ik dan
zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek, of naar het klokgetik,
Of 'k laat de stilte ruischen om ons heen,
Die ruischt zoo prettig, als de menschen zwijgen,
Als 'k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte,
Of ons gesprek, verbreken met mijn vraag:
"Zeg, zijt ge ook blij, dat ik naast u zit ?"
Spraakt gij dan "Ja", dan zei ik zacht: "Ik ook"...
En dat was alles,
wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.
(December 1860, Uit: Liederen,
Eerdichten en Reliqua)
(met dank aan Dionijs Bastijns voor het
sturen van de tekst)
Een schalkaard
had een bie gevaân
en hield ze bij heur vleren:
'Komt hier! - hij zag een jongske staan!
Komt hier mijn knappe kerel!
Hier heb ik zulk een schoon fatsoen (=model)
van beestje, ik wil 't u geven:
past op maar van 't niet dood te doen,
en laat het beestje leven.
Kom aan; jen hand; doet toe, 't vliegt weg:
doet toe, want 't gaat ontsnappen!'
't Kind hield zijn handje toe: 'Nie' waar,
hoe schoon dat is, hoe lieflijk!'
Ha! 't kindtje wierd te laat gewaar
hoe schoon en hoe bedrieglijk.
Hij liet het beestje los, en 't loeg
de traantjes uit zijn oogskes,
en zei 't: 'Het beestje is schoon genoeg,
maar 't heeft zulke heete pootjes.'
Nu
bloeien in 't jonge gras niet meer,
Meizoentjes wit en geel.
Nu hoor je niet meer in het dichte groen,
Gejubel en vogelgekweel.
Het krekeltje zwijgt en het Noorden blaast koud,
Door 't zwijgende, hijgende woud.
Nu zie j' in 't gewelf der beukenlaan,
't Wazige blauw door 't bruin.
Nu wordt het park, dat zoo klaaglijk ruischt,
Een wondere toovertuin..
Het zonnetje schuilt en al vroeger verwacht,
Wordt de duistere, fluisterende nacht.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Eene vertelling
Cornelis had
een glas gebroken
voor aan de straat;
Schoon hij de stukken had verstoken
Hij wist geen raad.
Hij had een afschrik van het liegen,
Wijl God het ziet;
En zou hij Mama nu bedriegen?
Dat kon hij niet.
Hij stond
onthutseld en bewogen;
De Moeder komt;
Zij ziet de tranen in zijn oogen;
Hij scheen verstomd.
"Heeft Keesje," zei ze, "wat bedreven?
Wat scheelt er aan?"
"'k Heb," zei hij, "moederlief! zoo even
weêr kwaad gedaan.
Terwijl ik
bezig met paletten
Bij 't venster was,
Vloog mijn volan, door 't forsch raketten,
Daar in het glas.
Maar als uw Keesje 't van zijn leven,
Niet weder doet,
Dan wilt gij 't immers hem vergeven,
Gij zijt zo goed!"
"Kom
Keesje-lief, houd op met krijten".
Zei Moeder toen:
"'k Wil u dien misslag niet verwijten."
Hij kreeg een zoen.
"Die altoos wil de waarheid spreken,
Wordt wel beloond.
Die leugens zoekt voor zijn gebreken,
Wordt nooit verschoond."
Bereisde Roel
zag op zijn tochten
Geweldig veel ! Twee Bullebijters vochten,
Voor 't wijnhuis, in een kleine Poolsche stad,
Terwijl hij juist aan 't venster zat:
'Zulk vechten, Menschen ! - Zij verslonden
Malkander letterlijk ! Met ied'ren hap, ging oor
Of poot er áf - en glad als vet er dóór !
Ons scheiden kwam te laat ! wij vonden
Het restjen: - op mijn eer,
De staarten, en niets meer.'
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van
de tekst)
Het huis mijns
vaders waar de dagen trager waren,
was stil, daar ‘t in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
Ik was een kind, en mat het leven aan den lach
van mijne moeder, die niet blij was, en aan ‘t waren
der schemeringen om de boomen, en der jaren
om ‘t vredig leven van den roereloozen dag.
En ‘k was
gelukkig in de schaduw van dit leven
dat naast mijn droomen als een goede vader ging...
De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van groote vooglen hing,
iederen avond, in de teedre zomer-luchten
die zeegnend om de ziel der needre menschen gaan,
als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten
die rustig-zwaar in ‘t loof der stille boomen staan.
Toen kwaamt gij
zacht in mij te leven, en we waren
als schaemle bloemen in den avond, o mijn kind.
En ‘k minde u. - En zoo ‘k vele vrouwen heb bemind
sindsdien, met moeden geest of smeekende gebaren:
u minde ik; want ik zag uw kinder-ogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken troostend zijn,
in ‘t huis mijns vaders, waar de dagen trage waren.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van
de tekst)
Komt allen, komt
o rappe maats !
Gij zweevers op de vluggen schaats,
En krassers van de banen !
Die aan de tent soms lang verslaafd,
Met bier of brandewijn uw laafd,
Of pleistert in 't Vianen.
Komt allen die in
dezen tijd,
Op uwen vriesche blokken rijd,
Of sliert op groote krullen;
En zwaaijend hangend omgewent,
Met zwier bij ied'ren markatent,
U krassend voort laat sullen.
Liefhebbers van
genot en vreugd !
Zoo vrij voor ouderdom en jeugd
Voor armen en voor rijken.
Hetzij gij loopt of nart of rijd,
Of in een ijsschuit vliegend glijd,
Of stille staat te kijken.
Ik zing het
vrolijk ijsvermaak,
Mijne Heeren ! 'k wil tot mijne taak
Uw lezend iets vertellen,
Verbeeld u wand'lend op het ijs,
Uwe aandacht zal op de eigen wijs
Goedgunstig mij verzellen.
Wij treden van
den Overtoom,
Langs 't ijs, naar de Oude goudsche boom,
't Is binnen kaf en scheuren.
Baas Lents die zich daar dapper weert,
En Volkert die den bijl hanteert,
Doen 't menig een betreuren.
Naar buiten dan,
naar buiten dan,
Daar wemelt knaap en meisje en man,
Beschouw de bonte rijën.
De krab'laar en de matadoor,
Zien wij hetzelfde gladde spoor,
En op en neder glijën.
De lieve meisjes
van de stad,
Zoo schoon er eenig land ze ooit had,
Zien we op de baan hier zweven.
Wat vlugge draai, wat ed'le zwier !
Nu los, dan vast, nu ginds, dan hier,
Door de eigen gang gedreven.
Wat woelt, wat
werkt het ondereen,
Jan Levens ziet ge been voor been,
Zo fiks in de hoogte steken,
Een ander ziet ge schaatsen slaan,
Als of hij 't van een fransch douaan,
Zeer net had afgekeken.
En naar de tent,
en hier en daar,
Beweegt, en leeft en woelt de schaar,
In onafzienb're drommen;
Met meisje of vriend aan stok of hand,
De geestdrift blaakt, de kracht ontspant,
De moed is hoog geklommen !
En oud en jong,
en vrouw en man,
Wie slegts de benen reppen kan,
Ontwikkelt zijn vermogen.
't Maatschaplijk doel schijnt in de war,
Diak'nen zitten in de nar,
't Besteedlingshuis gaat togen.
En ook een ander
toogt zijn vrouw,
Of laat om 't meisje zich getrouw,
En rug en voorhoofd zweten,
En slooft en slaaft met blijden zin,
Terwijl zijn lieve engelin,
Gemaklijk is gezeten.
En zie wat naakt
ons ginter toch ?
O wee! het is een boere trog,
De veeger vraagt om centen;
De voerman zwaait, der trog slaat om,
Boerinnen went'len rond en om,
En spart'len op hun krenten !
Ja ! wie er spot,
of wie er lacht,
Het troggezelschap werd onzacht
Ter aarde neergesmeten.
Verbeeld u, Vrienden ! hunnen stand,
't Gewaai van rok en kouseband,
En hunne jammerkreten.
Maar boven klagt
van vrouw of boer,
Weerkaast op den bevroren vloer,
Het krassen van de streken.
En bij elk krommen van een bogt,
Waar melk en dreumels wordt verkogt
Staat Hollands vlag ten teken.
En 't is hier
even als een hut,
Met zeilen voor den wind beschut,
Met banken aangelegen,
Dan wordt die pleisterplaats befaamd,
En meestal bronnen bijgenaamd,
Een naam van ouds gekregen.
"Leg op, leg op,"
roept gindsche ploeg,
"Een buurtje om, het is nog vroeg,
Er is nog veel gewemel;
Wij hebben alles thans te baat,
En zoo de zon ons nu verlaat,
De maan staat aan den Hemel. "
En op en neer en
neer en op,
Nog sneller dan het snelst galop,
Zoo gaat het om en weder;
Het stuift, en wiegelt op de baan,
Het vliegt en wemelt af en aan,
Het zweeft er op en neder.
Vrij dale Venus
met haar pracht,
Om uit de nev'len van den nacht,
Zich 't gouden hoofd te omkransen.
Maar bij 't bleeke licht der maan,
Ziet ge de schaatsenrijders gaan,
Om op het ijs te dansen !
En toch
bedrieglijk is dat licht,
Het schemert voor het snelst gezicht,
Het tintelt voor uw schreden.
O maak bijtijds uw schaatsen los,
Want, van der Woude en Eedlenbosch,
Zijn in een bijt gereden.
Maar wilt gij,
rijd dan bij de Zon,
Dan gooit men katten uit de ton,
Dan wort er ring gestoken.
Ga naar de tent, vertoef er nog,
En drink er melk, of wijn of grog,
En zit u pijp te roken.
En keer dan weer
op digter baan,
Neem u een meisje agteraan,
En komt eens tusschen beiden,
Bind haar de schaatsen van de voet,
En kus haar mond ten afscheidsgroet,
Dan als gij weer gaat scheiden.
Maar Vrienden !
Makkers bovenal,
Wat ik u aanbevelen zal,
Wil toch uw lijf verschoonen.
Want trekt ge uw laarzen blootsvoets aan,
Dan mogt het u als Gast vergaan,
Gij krijgt bevroren toonen.
(met dank aan Toon Duyck voor het sturen van
de tekst en Freddy Rooms voor een aanvulling)
't Eerste dat
mijn moeder vragen leerde
in lang vervlogen dagen
toen ik
hakkelde ongeriefd nog van woorden
't Was te gader bij mijn handjes doende
vader geef mij een kruisken als 't u blieft.
'k Heb een kruisken dan gekregen
menig keer
En 'k wierd geslegen
op mijn kake zacht en zoet
Ach gij zijt mij bei tegader
afgestorven moeder ,vader
't geen mij nu nog leedschap doet
Maar dat kruisken is gebleven diep mij in de kop gedreven
teken van mijn erfgebied
Die de schedel mij aan scherven sloege
en hiete 't kruiske derven
nog en hadde hij 't kruiske niet.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van
de tekst)
Wij,
zwervelingen, zonder land
Wij zijn maar arme klanten;
Wie meer geld hebben dan verstand,
Die mogen lanterfanten.
Wij springenhoog en laag
Wij moeten ‘t loodje leggen;
Wij dansen met een leege maag…
De centen die gezeggen.
Van oudsher was
de koning baas
Vanwege onze zonden;
Nu is hij houten Klaas,
En heeft zijn baas gevonden.
Wie er als kroon of scepter draag
En louter gouden kleren,
Al springt hij hoog, al springt hij laag
De centen commanderen.
Voor ‘t leger
staat de generaal,
En leert de mensen moorden,
De dappere helden allemaal,
Zij vliegen op zijn woorden.
Toch heeft hij met zijn gouden kraag
Geen donder te beweren;
Al springt hij hoog, al springt hij laag,
De centen commanderen.
Wie leidt ons
land, waar staat ons dak ?
Wij leven van de gunsten.
Voor wie maar centen heeft op zak,
Vertoonen we onze kunsten.
Maar breken we ten lest den nek,
Dan kunnen we wat krijgen
Een mondje vol, een lekker dek,
Een hoekje voor ons eigen.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
't Was op een
zondagmorgen,
Mijn alderliefste tijd
En weet je wat er doene was
Met ene luie wijf
Dat wijf dat wou niet werken
Dat wou niet graag wat doen
Ze wou van louter luiïgheid
niet melken éne koe.
De koe ging zij
verkopen
De stal bleef ledig staan
Toen was 't lui gaan slapen
De ander moest melken gaan
Het huisje dat wat dakkeloos
de sporen lagen bloot
toen scheen dat heerlijke zonnetje
Dat luie wijf in de schoot.
Maar toen 't
begon te stormen
Kwam luie wijf in de nood
Viel alles naar beneden toe
En was 't luie wijf dood
Haar man zat in de kerke
En toen hij weer in het huisje kwam
Vond hij zijn wijfje gesmoord.
Hij trouwde toen
een meisje
Van even twintig jaar
Hoewel hij zes- en vijftig was
Kreeg hij het toch voor elkaar
Nu gaat hij vaak naar 't kerkhof heen
En bidt daar telkens weer
Hij krijgt meer slaag dan eten thuis
En wenst zijn oudje weer.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Wanneer ik 's
middags op 't kantoor
Mijn dagtaak heb volbracht,
Dan weet ik, als ik huiswaarts keer,
Welk schouwspel mij daar wacht:
Mijn vrouwtje vliegt mij te gemoet,
De kind'ren jub'len aan mijn voet.
Dan zetten wij ons aan de dis
Met schotels volgelaân,
En wachtten rustig tot de meid
De soep heeft opgedaan,
En bidden dan de Vader stil
Of Hij de spijzen zeeg'nen wil.
Eéns, toen ik juist beginnen wou,
Met dank tot God in 't hart,
Toen hoorde ik van mij lieve vrouw
Een kreet van spijt en smart;
En ziet! wat was er aan de hand ?
De soep ! de soep was aangebrand !
Ik leg mijn lepel zwijgend neêr
En zie mijn weêrhelft aan,
Toen rijs ik van mijn zetel op
Om naar haar toe te gaan;
Ik kus en kus haar blij te moe -
De kind'ren zien verwonderd toe.
"O, teedre gade !" zeg ik dan,
"Ik wil niet dat ge schreit,
De soep zal 'k eten als een man,
Met stille dankbaarheid:
De Heer die onze nieren proeft,
Weet ook wel wat de mens behoeft !"
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
'k Heb mijn
poppen weg gedaan,
'k Heb mijn speelgoed weggegeven;
'k Moet nu als een vrijster leven,
Want ik zal op naaien gaan.
Denk wat blijdschap of ik voel.
Kom, ik ga ook, zonder dralen,
Van mijn huis mijn kussen halen,
'k Bracht al reeds mijn stoof en stoel.
Moeder zei: (wat is zij goed!):
‘'k Zal, opdat ze uw eer niet krenken,
Ook de blijde welkomst schenken,
Die gij maandag geven moet.
Grietje, want zo is de naam
Van mijn naaivrouw, had gesproken,
Van dan chocola te koken:
O, Wat is die vrouw bekwaam!
Ik was werelds opgeschikt,
Met mijn beste zondags pakje.
En de mouwtjes van mijn jakje
Had ik netjes opgestrikt.
Maar dat leek nog niemendal
Bij die rijke lui der kindren!
'k Neeg; toen hield, om mij te hindren,
Nufje dundoeks mij voor mal.
'k Heb 't mijn moeder ook geklaagd,
Maar die wil geen klikken horen.
Wilt gij, zegt ze, u altoos storen
Aan een ieder die u plaagt ?
Dan kunt gij geen wil, geen vreugd
Met u speelkornuitjes smaken;
Lach mee; dit zal haar vermaken.
't Kribben past niet aan de jeugd.
Kreun u aan die potsjes niet;
Daar zult gij u wel bij vinden;
Kinderen zijn altoos vrinden.
Maar als gij zo donker ziet,
Als ge om iedre platterij
Dadelijk de lip laat hangen,
Niemand zal naar u verlangen.
Draag u wijs; lach ook als zij.
Ik zal doen naar moeders raad,
Vrolijk zijn, en vlijtig leren.
En als wij de pot verteren,
Zo als Chrisje al heeft gepraat,
Dan zal ik, heb ik mijn zin,
Mij maar wat heel netjes kleden,
Zoals vele meisjes deden,
Als een witte herderin.
Ik win dus door deze kunst
Ieders liefde, en durf ook hopen
Als de naaitijd is verlopen
Op der grote
lieden gunst.
Mooglijk word ik wel door haar
Bij haar ouders aangeprezen;
Dan kan ik haar naaister wezen,
Want de dingen lopen raar.
'k Wou maar dat het maandag was.
'k Zal mijn tijd ook niet verzeuren;
Want ik moet een duit verbeuren,
Als ik op het uur niet pas.
Hoe verlang ik naar die dag!
Ik kan nacht of dag niet duren,
't Is, nog vijfenveertig uren.
'k Wens gestaag dat ik hem zag!
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Wijs: Philis, plus avare
que tendre
’k Behoef geen vinger uit te steeken,
Huishouding word my niet geleerd;
Waar zou ik dan myn hoofd meê breeken
Wyl Moeder niets van my begeert?
Op ‘t Kostschool leerde ik bezigheden,
Geschikt voor lieden van fatsoen;
Wat fransche taal, wat fransche zeden,
En meerder heb ik niet van doen.
Ik kan wat danssen, zo wat zingen,
’k Speel zo, dat my myn Vader pryst;
Ik kan meest al die nutte dingen
Waar in men dames onderwyst.
Ik kan, ‘t is waar, maar sober schryven,
En ‘t Hollandsch leezen gaat niet glad;
Maar zie dit zyn ook tydverdryven
By Groote liên niet hoog geschat.
Kon ik nu maar op Speelpartyen,
Carroussels, en Concerten gaan,
Wat zou de tyd my dan ontglyen,
Die nu voor my schynt stil te staan!
Ik heb wel Goût om zo te leven
Zo als de groote waereld doet;
Maar ‘k ben niet hoog genoeg verheven,
En ook ontbreekt me aan geld en goed.
’k Zit wat te knoopen, wat te naayen,
En drentel zo wat op en neer;
Maar al dat klunglen, en dat draayen
Verveelt my daaglyks meer en meer.
Zo ‘k iemand had om meê te spreeken,
Een Soupirant, of een’n vriendin!
Maar niemands liefde is my gebleken,
En vriendschap ken ik evenmin.
Hoe komt toch dien dag toch weer ten ende?
Dat weet ik inderdaad nog niet!
Waar op zal zich myn aandagt wenden?
Wagt; ik ga leezen uit verdriet.
Wat heb ik aan ‘t gegeeuw, het zuchten?
Ik zoek zo ‘t mooglyk zy ‘t vermaak.
Ik heb Comedien en Klugten,
En ook Romans zeer goed van smaak.
Waarom de Juffertjes meer leezen
Dan arme of schatryke liên
Is door dit voorbeeld klaar beweezen:
’t Is, om ‘t verveelen toch te ontvliên.
(met dank aan G. Jessen voor het
sturen van de tekst)
Hoe
lieflijk ligt het kleine Heiloo,
door het hoge bos beschut.
Een
kerk zéér oud staat aangebouwd,
daar achter is die put.
Die
put, een schat voor mens en beest, is er niet altijd geweest zoals ge horen
zult.
Toen
Willebrord de kruisleer bracht, aan de overkant
der zee was het hier één zand
in het Heidens land.
Een
droge dorre stee, de tocht was lang, de hitte vang en de reisfles uitgeput.
Des
Heiligs borst versmacht van de dorst en nergens huis of hut,
daar staat hij
leunend op zijn staf en ziet vergeefs in het rond,
dan knielt hij neder, aanbid
de Heer, daar opent zich plotseling de grond.
Er
vloeit een zilverklare bron, die alle nood verdrijft,
waar Willebrord zijn dank
bij stort en die gezegend blijft.
Dat
is de put van het kleine Heiloo.
In
Kennemerland beroemd, wie het wonder looft ontdekt zijn hoofd en streut het met
gebloem.
Even
nog wat geschiedenis over het putje van Heiloo:
Van de Paus uit moesten de
Nederlanders bekeerd worden. De Friezen, Franken en de Saksen en andere volksstammen waren toen
Heidense volksstammen. Want Bonefatius is vermoord geworden, door Heidense Friezen in Dokkum in
het Noorden en ook andere missionarissen kwamen hier preken tegen de afgoden die
zei vereerden, zoals Eikenbomen, zon, maan en sterren. Toen was Willebrordus met 40 missionarissen naar Nederland gekomen om
hier de Nederlanders te bekeren. Naar aanleiding hiervan is het putje van Heiloo ontstaan doordat er een
wonder was gebeurd. Zoals in het vers is omschreven.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
O Krinklende winklende
waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!"
(met dank aan Nijs Bastijns voor het
sturen van de tekst)
Er leefde eens
heel lang geleden
een boertje werkzaam en tevreden,
aan weelde was hij niet gewend,
een spiegel had hij nooit gekend.
En eens toen hij aan het spitten was
vond hij een stukje spiegelglas.
Hij nam't in zijn vereelte hand
't zat onder't vuil en onder't zand.
Hij veegde't aan zijn broekspijp af
en keek er in, en stond toen paf.
Mijn vader zei hij, sapperloot,
die is al vele jaren dood.
Mijn vader, och die goeie man,
hij is het en hij kijkt me an .
Hoofdschuddend stak hij 't in z'n zak,
en bekeek het thuis op zijn gemak.
En hij begon te overleggen,
wat zijn vrouw ervan zou zeggen.
Ze was wat bazig zijn Katrien
en zou er wel om lachen misschien.
En omdat hij daar zo bang voor was,
verborg hij 't onder zijn matras.
Maar telkens ging hij er weer heen.
'Mijn vader,' zei hij dan tevreên.
Dat wekte argwaan bij z'n vrouw
die het hare er van weten wou,
en zodra hij weer de deur uit was,
zocht en vond zij 't spiegelglas.
Wat moet hij daarmee, peinsde zij,
er moet iets niet in orde zijn !
Zij wantrouwde zo haar goede Hein,
dat ze 't omkeerde en keek,
doch raakte toen geheel van streek.
Daar heb je 't nou, ik dacht het wel,
er is een andere vrouw in 't spel.
Mijn man, hij heeft geen hart in 't lijf,
waarom houdt hij van zo'n lelijk wijf ???
Het stokske van Johan
van Oldebarnevelt, vader des vaderlands
(Joost van den Vondel 1587 – 1679)
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Mijn wens behoede
u onverrot,
O stok en stut, die geen verrader,
Maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gestut hebt op dat wreed schavot;
Toen hij voor ’t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld, als een Seneca,
Door Nero's haat en ongena,
Tot droefenis der braafste zielen,
Gij zult nog, jaren achtereen,
De uitgank van die Held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steên.
Hoe dikwijl strekt gij onder ’t stappen
Naar ’t hof der Staten stadig aan
Hem voor een derde voet, in ’t gaan
En klimmen op de hoge trappen,
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij ruste van uw trouwe plichten
Na 't rusten van die oude stok,
Geknot door ’s bloedraads bittre wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.
Het 'stokske' waarmee de raadspensionaris het
schavot beklom, waar hij zou worden terechtgesteld.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Piet Smul trad in
de Schuit van Leyden op Den Haag,
En toefde bij het roer, terwijl een Maartsche vlaag,
Verkeerde in zonneschijn; daar kwam een Knaap geloopen:
"Een Kievitsei! wie wil 't voor twee zesthalven koopen !
" 't Is vroeg" zei Smul "ik neem 't - voor één zesthalf." "Zeg twee,
Mijn Heer; ik geef u 't Ei in 't Mandje meê !"
De koop lukt, en de Schuit wordt van den wal gestooten;
Met roept de Knaap: "Mijn Heer, haast was mij iets ontschoten;
Het vuur dient voor uw Ei niet al te hard gestookt;
Ons Grootje heeft het al verleden jaar gekookt."
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Mijn spelen is
leren, mijn leren is spelen,
En waarom zou mij dan het leren vervelen ?
Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.
Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;
Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,
't Is wijsheid, 't zijn deugden, naar welke ik haak.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Een wormpje zat
verscholen
En spon zijn draadje fijn,
Hij was een needrig wormpje
En praalde niet met schijn.
Hij koos in 't groen een hoekje,
Ach, matig was zijn deel;
Zijn eisen waren weinig,
Zijn giften waren veel.
Het draadje was gesponnen,
Hij leî zich rustig neer,
En, diep in 't groen gedoken,
Spon hij geen draadje meer;
Maar dra ontluikt hij weder
Verjeugdigd, vrij en vlug,
In andere gedaante,
Met wiekjes aan de rug.
Hij geeft aan 't oude nestje
Een dankbare afscheidsgroet,
En vliegt een ander leven
Heel vrolijk tegemoet.
Nu zweeft hij over bloemen,
Blikt soms eens naar beneên,
En daalt en fladdert verder,
Wij weten niet waarheen.
Wij zullen ook herleven,
Na 't einde van ons werk,
Dan zijn wij zonder banden,
Dan zijn wij vrij en sterk.
Maar deugd moet ons geleiden
Tot zulk een heerlijk lot,
Vol vreugde, vol verrukking,
Vol ongekend genot.
Dan willen wij naar de aarde,
Hoe lief ons thans, niet weer,
Maar leven zonder einde
Bij onze lieve Heer.
(met dank aan Carola voor het
sturen van de tekst)
Uit een
kippologisch oogpunt
Is een kip zeer intressant,
Duid’lijk kun je constateren:
Zij is aan de Mens verwant.
Bij hun médeschepsels voelen
Mens en kip zich supérieur,
Beide zijn zij soms onvriend’lijk
Bij verschil van ras of kleur.
Als je even om je heen kijkt
Naar gebrilden, groot en klein,
Krijg je er een goed idee van
Hoeveel mensen kippig zijn
En zelfs als zij niets presteren
Komen zij vaak tijd te kort
Doordat er door mens en kippen
Véél te veel gekakeld wordt.
En bij onderlinge ruzie
Denkt de mens en denkt de kip
Ieder in zijn eigen taaltje
Bij zich zelve: krijg de pip.
Beiden redeneren wel eens
Net als kippen zonder kop,
Beiden vinden ’n half ei doorgaans
Béter dan een lege dop.
Beide zijn ze vaak verkouden,
Dat is mens- en kippen-lot,
Bij de méns heet dat verkoudheid,
Bij de kippen heet het snot.
Elke kip denkt automatisch:
Hoe behaag ik meneer Haan,
Die victorie kraait en ’s morgens
Steeds de zón weer op laat gaan..
Zéér terecht voelt élke haan zich
Héér en meester, supérieur,
En in ’t kippen-huw’lijksleven
Houden hanen niet van sleur.
Hij is gráág haantje de vóórste
En kraait zélfbewust in ’t rond:
Hanen, WILT HEDEN NU TREDEN,
(’t Bondslied van de Hanen Bond.)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Graauw is uw
hemel en stormig uw strand,
Naakt zijn uw duinen en effen uw velden,
U schiep natuur met een stiefmoeders hand,
Toch heb ik innig u lief, o mijn Land !
Al wat gij zijt,
is der Vaderen werk;
Uit een moeras wrocht de vlijt van die helden,
Beide de zee en den dwing’land te sterk
Vrijheid een’ tempel en Godsvrucht een kerk.
Blijf, wat gij
waart, toen ge blonkt als een bloem:
Zorg, dat Europa den zetel der orde,
Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem’,
Land mijner Vad’ren, mijn lust en mijn roem !
En wat de donkere
toekomst bewaart,
Wat uit haar zwangere wolken ook worde,
Lauw’ren behooren aan ’t vleklooze zwaard,
Land, eens het vrijst’ en gezegendst’ der aard’.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Een hond is
iemand, die van zijn baas bijzonder veel houdt,
Die hij, om zo te spreken, als zijn derde vader beschouwt,
En die hem dikwijls een hele boerewoning toevertrouwt,
Waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven vandaan weet te jagen
En de post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Een hond is
vermaard
Om zijn gezellige aard
En 't kwispelen van zijn staart.
Zijn neus, doorgaans rond,
staat gewoonlijk in 't front,
En zo lang die maar nat en fris is,
Is 't een bewijs, dat meneer zo gezond als een vis is.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Piet Fop was met
de Vrouw aan 't kijven.
Zij smeet hem, naar de aard der wijven,
De sleutels naar de kop !
Piet nam ze lachend op,
En sprak: "mijn Kind, zal IK na deze
De sluiter in dit Dolhuis wezen ?"