SeniorPlaza

Haal mijn schoenen

(met dank aan Opa Braam voor het sturen van de tekst)

"Haal mijn schoenen gauw beneden",

Riep een driftig officier.

Tot zijn knecht die vaak bekeven,

Hem toch diende met plezier.

Jan ging een, twee, drie naar boven

En daar keek hij alles aan.

Twee paar vond hij

Welk zou hij nu laten staan.

Niet bedenken, snel beraden

Was zijn plicht zo meende Jan.

En hij bracht zijn heer een rijlaars

En een der bottine 's an.

"Ezel" riep nu verontwaardigd de officier

"Is dat een paar ?"

Jan sloeg aan en sloot zijn hielen

En had vlug zijn antwoord klaar.

"Luitenant als dit paar niet goed is,

Was Uw keus toch wel wat raar.

Waarom kocht U er dan twee van ?

Boven staat nog net zo 'n paar."

 

Terug naar overzicht

Handen

(Marinus van den Berg)

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Gelukkig is de mens,

Die tot het einde

Handen mogen voelen die goed doen.

De hand die met aandacht wast.

De hand die met zorg aankleedt.

De hand die met liefde kamt.

De hand die met tact aanraakt.

De hand die met het hart troost.

 

Géén mens kan leven

Zonder die hand, die teder is, die behoedt,

Die beschermt en bemoediging uitstraalt.

 

Tot het einde toe

Verlangt de mens naar die hand,

Totdat

Er die andere hand is,

Die alle wonden geneest,

Die alle pijn heelt,

Die alle tranen wist.

 

Tot die tijd

Kunnen onze handen een voorproef zijn

Van “die handen”,

En handen, voeten geven aan de liefde die onmisbaar is.

 

Terug naar overzicht

Handkus

(Jaques Perk  1859-1881)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik mag die slanke handen zoetjes strelen,
Als zwoele wind de blanke duivenveren.
't Zijn lelies, waar de schaduwen om spelen,
Gekruifde golfjes, die de meeuwen scheren.

Ik druk ze, en zal hun wederdruk niet weren,
Ik wil, ik wil ze kus op kus ontstelen.
Een warme handendruk zal ze niet deren,
En deerde ze al, een handkus zou ze helen.

Gedoog, dat aan die sneeuw mijn wang zich koele,
En dat mijn lippen 't warme dons beroeren,
En dat ik dan nog eens mijn straf gevoele !

Gij weet, die straf, toen ik mij liet vervoeren
En in het kussen uwer hand volhardde,
Toen gij met de andre door mijn lokken warde'.

 

Terug naar overzicht

Harteklop

(August Snieders 1825-1904)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Tok tok

Het harteken klopt

O vriendschap kom binnen

Geef juichende zinnen

Geef bloemen en bruisenden wijn

Aan ons moet de vriendschap zijn

 

Tok tok

Het harteken klopt

O liefde kom binnen

Want leven is minnen

Reik rozen en leliën aan

Ter bruiloft willen wij gaan

 

Tok tok

Het harteken klopt

O kinderen komt binnen

Om harten te winnen

Geef ons met uw kusjes zo teer

Een klop van 't kinderhart weer

 

Terug naar overzicht

Heb mij lief, gelijk ik ben

(Jacqueline van der Waals 1868 - 1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik zou tot al mijn vrienden willen gaan,
Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn,
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen. Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel...


Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar ?

Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of, als gij praten wilt, spreek gij tot mij.
Ik zal wel luisteren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken, als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen...

 

Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek, of naar het klokgetik,
Of 'k laat de stilte ruischen om ons heen,
Die ruischt zoo prettig, als de menschen zwijgen,
Als 'k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte,
Of ons gesprek, verbreken met mijn vraag:
"Zeg, zijt ge ook blij, dat ik naast u zit ?"


Spraakt gij dan "Ja", dan zei ik zacht: "Ik ook"...

En dat was alles, wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.

 

Terug naar overzicht

Heete pootjes

(Guido Gezelle 1830-1899)

(December 1860, Uit: Liederen, Eerdichten en Reliqua)

(met dank aan Dionijs Bastijns voor het sturen van de tekst)

Een schalkaard had een bie gevaân
en hield ze bij heur vleren:
'Komt hier! - hij zag een jongske staan!
Komt hier mijn knappe kerel!
Hier heb ik zulk een schoon fatsoen (=model)
van beestje, ik wil 't u geven:
past op maar van 't niet dood te doen,
en laat het beestje leven.
Kom aan; jen hand; doet toe, 't vliegt weg:
doet toe, want 't gaat ontsnappen!'
't Kind hield zijn handje toe: 'Nie' waar,
hoe schoon dat is, hoe lieflijk!'
Ha! 't kindtje wierd te laat gewaar
hoe schoon en hoe bedrieglijk.
Hij liet het beestje los, en 't loeg
de traantjes uit zijn oogskes,
en zei 't: 'Het beestje is schoon genoeg,
maar 't heeft zulke heete pootjes.'

 

Terug naar overzicht

Henriëtje

(Laurens van der Waals)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Henriëtje stapt kordaat,

Voor haar leeftijd en gestalte,

Door de overvolle straat,

En 't trippelt waar ze gaat,

Tot ze stil te wachten staat

Bij 'n halte.

 

Ze vibreert van ongeduld,

't Is een schande en de schuld

Van de tram, dat zij moet wachten,

En ze maakt zich bijster boos,

Nu ze merkt, dat al een poos

Iemand om haar lachte.

 

Na een kort en kloek beraad

Gaat ze voort, klein van gestalte,

Door de overvolle straat,

En 't trippelt waar ze gaat,

Tot ze wéér te wachten staat

Bij 'n halte.

 

Terug naar overzicht

Herfst

(Alice Nahon 1896 - 1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Achter de oude kloosterwoning

Hing wat rode zon

Onder goud-getinte linde

Bad een jonge non

 

Heur gelaten ogen droomden

Onder blanke doek

Naar de zwart en rode letters

Van 't getijdenboek

 

Langs de wegskens was geprevel

Van wat blaren bruin

Aan heur voeten bogen schrale

Violieren schuin

 

Als 'n dode illusie, die ze

Lang vergeten had

Viel er, op heur jonge handen

Een verschrompeld blad 

 

Terug naar overzicht

Herfst

(H. Marsman 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De avonden donkeren al.

Dit is het regenende jaargetijde

waarin wij haar eenmaal ten grave droegen;

ook toen sloegen de bladeren en de regen

over de paden en de zwarte wegen

en het woei duister in de donkre groeve.

 

Alleen was het toen vroeger herfst

en droever.

 

Terug naar overzicht

Herfst
Nu bloeien in 't jonge gras niet meer,
Meizoentjes wit en geel.
Nu hoor je niet meer in het dichte groen,
Gejubel en vogelgekweel.
Het krekeltje zwijgt en het Noorden blaast koud,
Door 't zwijgende, hijgende woud.

Nu zie j' in 't gewelf der beukenlaan,
't Wazige blauw door 't bruin.
Nu wordt het park, dat zoo klaaglijk ruischt,
Een wondere toovertuin..
Het zonnetje schuilt en al vroeger verwacht,
Wordt de duistere, fluisterende nacht.

Terug naar overzicht

Herfst

(Jaqueline E v.d.Waals 1868-1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Vreemd, dat boom en tak zoo stil staan

In het gouden licht vandaag,

Dat de bladertjes zoo stil gaan,

't Een na 't ander, naar omlaag.

 

Dat het zonlicht zoo voorzichtig

Door de ijlheid straalt van 't lof,

En het groene blad doorzichtig

En veel eed'ler maakt van stof,

 

Dat het windje in de twijgen

Zoo behoedzaam gaat te werk

En alleen wat blaadjes zijgen

Doet op 't pad en 't bloemenperk,

 

Zonder 't wazig diep te raken

Waar de groene schemer blauwt-

Of den goudglans schuw te maken

In het ijlbebladerd hout,

 

Of te roeren aan den vijver,

Waar zeer statiglijk en traag

Twee voorname zwanen drijven

Met hun spiegelbeeld omlaag,

 

En wat late najaarsrozen,

Als bewasemd amethyst,

Al den weemoed van hun broze

Schoonheid heffen in den mist.

 

Terug naar overzicht

Herinnering

(Martinus Nijhof, 1894-1953)

(met dank aan Hanneke Peters en Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

Moeder, weet je nog hoe vroeger 
Toen ik klein was, wij tesaam,
Iedere nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Moe gespeeld en moe gesprongen,
Zat ik op uw schoot en dacht,
In mijn nachtgoed, kleine jongen,
Aan 't geheim der nacht.

Want als wij dan gingen zingen,
't Oude, altijd eend're lied,
Hoe God alle, alle dingen,
Die wij doen beziet.

Hoe zijn eeuwige, grote wond'ren
Steeds beschermend om ons zijn,
Nimmer zong je, moeder, zonder 'n
Beven, dat refrein.

Dan zag ik de sterren flonk'ren
En de maan door de wolken gaan,
d' Oude nacht met wijze, donk're
Ogen voor me staan.

Terug naar overzicht

Herinnering aan Holland

(Hendrik Marsman 1899 - 1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Denkend aan Holland

zie ik brede rivieren

traag door oneindig

laagland gaan,

rijen ondenkbaar

ijle populieren

als hoge pluimen

aan den einder staan;

en in de geweldige

ruimte verzonken

de boerderijen

verspreid door het land,

boomgroepen, dorpen,

geknotte torens,

kerken en olmen

in een groots verband;

de lucht hangt er laag

en de zon wordt er langzaam

in grijze veelkleurige

dampen gesmoord,

en in alle gewesten

wordt de stem van het water

met zijn eeuwige rampen

gevreesd en gehoord.

 

Terug naar overzicht

Het borelingske

(Guido Gezelle 1830-1899)

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Zijn tandelooze mond

Lacht lieflijk; ongewonnen

zoo is het woord hem nog,

en 't weten onbegonnen

van mannelijk verdriet,

van vrouwelijk misbaar:

een kerstekind en is 't,

een borelingske maar.

 

O mochte 't, immer voort,

eenparelijk verblijden;

een borelingske zijn,

dat lacht, ten allen tijden,

zoo 't nu doet; onbewust,

het muilke rood en rond,

waarom zoo lustig lacht

zijn tandeloze mond !

 

Zijn tandeloze mond

zal, eenmaal, tanden moeten;

't zal woorden spreken; 't zal,

't zoete wichtje, eens, wel ontzoenen;

 

't Zal wakker worden, en,

gewassen, meer als eens,

zijne oogen wasschen, naast

de bronnen des geweens.

 

Terug naar overzicht

Het breistertje

(N. Beets)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Mooi Kniertje staat van dag tot dag

en breit voor haar deur een kwartiertje.

'Voor wie dat paar kousen wel wezen mag,

mijn allerliefste Kniertje ?

 

'Voor wie dat paar kousen wel mag zijn,

voor moêrtje of voor vaârtje ?'

zucht dag op dag die bleke Krijn,

'Of zijn ze voor Grietje of Saartje ?'

 

'Wel Krijnbuur, wist je dat zo graag ?

U wil ik het niet verzwijgen;

je bent niet voor niets zo jentig vandaag

om alles uit me te krijgen.'

 

'Beloof maar dat je het niemand zegt,'

spreekt Kniertje, hoe langer hoe zachter.

'De wereld is tegenwoordig zo slecht,

ze zocht er zeker wat achter.'

 

'Die kousen zijn voor me moêrtje niet,

ze passen niet voor me vaârtje,

ze zijn ook niet voor zuster Margriet,

nog minder voor het kleine Saartje.

 

'Ze zijn voor geen oompje, ze zijn voor geen meu,

hoe hoog of laag ze sprongen.

Ze zijn niet voor een oude kneu

en niet voor een laffe jongen.'

 

'Ze zijn...ze zijn...ze zijn...ze zijn -

je zult het maar raden moeten !

Die kousjes, zo witjes, zo netjes, zo fijn,

ze zijn...voor twee blote voeten !'

 

Terug naar overzicht

Het dictee

(met dank aan Gommert van Kampen voor het sturen van de tekst)

Meester gaf op zekere middag aan de jongens van zijn klas

een dictee op dat voor Nico hier en daar wat lastig was.

Toen het woordje PAARD genoemd werd, staarde Nico voor zich uit.

Moest hij D of T nu schrijven vroeg zich af de kleine guit.

Maar de knaap wist zich te redden al was hij in taal geen bol.

Na een ogenblikje peinzen, schreef hij keurig netjes KNOL.

 

Terug naar overzicht

Het gebroken glas

(Mr. Hieronymus van Alphen - 1746-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Eene vertelling

 

Cornelis had een glas gebroken
voor aan de straat;
Schoon hij de stukken had verstoken
Hij wist geen raad.
Hij had een afschrik van het liegen,
Wijl God het ziet;
En zou hij Mama nu bedriegen?
Dat kon hij niet.

 

Hij stond onthutseld en bewogen;
De Moeder komt;
Zij ziet de tranen in zijn oogen;
Hij scheen verstomd.
"Heeft Keesje," zei ze, "wat bedreven?
Wat scheelt er aan?"
"'k Heb," zei hij, "moederlief! zoo even
weêr kwaad gedaan.

 

Terwijl ik bezig met paletten
Bij 't venster was,
Vloog mijn volan, door 't forsch raketten,
Daar in het glas.
Maar als uw Keesje 't van zijn leven,
Niet weder doet,
Dan wilt gij 't immers hem vergeven,
Gij zijt zo goed!"

 

"Kom Keesje-lief, houd op met krijten".
Zei Moeder toen:
"'k Wil u dien misslag niet verwijten."
Hij kreeg een zoen.
"Die altoos wil de waarheid spreken,
Wordt wel beloond.
Die leugens zoekt voor zijn gebreken,
Wordt nooit verschoond."

 

Terug naar overzicht

Het geduld

(Mr. Hieronijmus van Alphen)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Geduld is een schone zaak

Om in een moeilijke taak

Zijn oogwit uit te voeren.

Dit zag ik laatst in onze kat,

Die uren lang gedoken zat,

Om op een rat te loeren.

Zij ging niet heen voor zij de rat,

Gevangen, in haar klauwen had.

 

Terug naar overzicht

Het Geschenk

(Rosalie Loveling 1834 - 1875)

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

Hij trok het schuifke open,

Het knaapje stond aan zijn zij,

En zag het uurwerk liggen:

"Och grootvader, geef het mij !"

 

"Ik zal 't u wel eens geven,

Toekomend jaar misschien,

Als gij wel leert en braaf zijt,"

Zei de oude, "we zullen zien."

 

"Toekomend jaar !" sprak 't knaapje,

"O grootvader, maar dan zoudt

Ge lang reeds kunnen dood zijn !

Ge zijt zoo ziek en zoo oud."

 

En de oude man stond te pijnzen;

En hij dacht: "het is wel waar!"

En zij lange ving'ren streelden

Des  knaapjes krullend haar.

 

Hij nam het zilveren uurwerk

En de zware keten er bij

En lei ze in de gretige handjes.

" 't Komt nog van uw vader",sprak hij.

 

Daar was een grafje gedolven

De scholieren stonden er rond,

En een oude man boog met moeite

Nog een knie naar de grond.

 

Het koele morgenwindje,

Speelde om zijn haren zacht;

Het gele kistje zonk neder.......

Arm knaapje, wie had dat gedacht !

 

Hij keerde terug naar zijn woning,

De oude vader, en weende zoo zeer,

En lei het zilveren uurwerk,

In 't oude schuifken weer.

 

Terug naar overzicht

Het gevallen meisje

(Frederik Willem van Eeden 1860-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Gevallen, ja, gevallen,

Gevallen en veracht !

Doch weet ge, zonder mallen,

Wat de arme daartoe bracht ?

 

Nu loopt ze langs de straten

En kent geen uur van vreugd,

Sinds ééns zij heeft verlaten

God en het pad der deugd.

 

Doch wilt haar nu niet smaden,

Wie bracht haar in verdriet ?

Een man heeft haar verraden,

Toen hij haar snood verliet.

 

Zoo wilt haar dan niet treffen

Met uwen eersten steen;

God kan en wil haar heffen

Uit zonden en geween !

 

Terug naar overzicht

Het goede voorbeeld

(Hieronymus van Alphen 1746 - 1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Vader leeft met onze moeder
altoos vergenoegd en blij !
hoe lieven zij elkander,
nimmer knorren zij als wij.

Toont er een iets te verlangen,
dan zegt de ander: dat is goed.
Moeder is het best tevreden,
als zij iets voor vader doet.

Vader poogt altoos te weten,
wat de wens van moeder is,
En hetgeen haar moet vervelen,
geeft aan vader droefenis.

Vader gaf de beste perzik
laatst aan moeder met een zoen;
Hij wou zelf er niet van eten:
Klaartje, zouden wij dit doen ?

Liefste zusje ! liefste broertjes !
o, het strekt ons tot verwijt,
Dat wij dikwijls zo krakkelen;
och, gij weet niet hoe 't mij spijt.

Kom, mijn liefjes, laat ons leven
tot elkanders nut en vreugd !
Laat ons pogen na te volgen
vaders liefde en moeders deugd.

Daar alleen kan liefde wonen,
daar alleen is 't leven zoet,
Waar men, blij en ongedwongen,
Voor elkander alles doet.

 

Terug naar overzicht

Het graan

(met dank aan B. ten Bosch voor het sturen van de tekst)

Wat kost het al moeite en zorgen en vlijt

Als graan van de akker,

door het brood van de bakker,

door het keelgaatje glijdt

 

Het boertje moet ploegen

en zaaien z’n best

Dan wacht hem na het zaaien

om maaien te lest

Dan bindt hij de halmen met stevige hand

En zet ze in schoven op het land

 

Dan drogen ze door het windig gesuis

Hij brengt ze na dagen,

getast op de wagen,

naar huis

 

Ook dorst hij het koren, gespreid op de deel,

de handen repten

En vlegelen klepten

Als het komt van de molen,

van het hulsel ontbloot

Dan bakt de bakker

van het graan van de akker,

eerst brood

 

Nee, brood valt liever niet uit de lucht

Men kan het niet krijgen

van takken en twijgen

Zoals menige vrucht

Oh Gij, die wat traag en lusteloos zijt

Gij kunt eruit merken dat ieder moet werken, met vlijt

 

Terug naar overzicht

Het haantje van den toren

P.A. de Génestet (1829 – 1861)

(met dank aan Ad Kanters voor het sturen van de tekst)

November ’t laatst, maar even toch,

door storm en sneeuwjacht heen,

Was ze uitgewipt naar Moeders huis

met overhaaste schreeën.

Men knorde op ’t onvoorzichtig kind;

zij – kuchte, met een lach....

Doch ’s avonds van dat wit gelaat

ontroerde wie haar zag.

 

En sedert ving haar lijden aan;

de kiem der wrede kwaal,

„Die langzaam moordt, als sluipend gif,

en wis, als ’t grievend staal,”

Schoot wortlen in heur jonge borst....

Een blijde lentegaard....

En de arme kunst zocht weer naar ’t kruid,

dat nergens wast op aard.

 

Het einde was beslist; doch zij

verdroeg haar kruis, als meest

Haar kruisgenooten, ’t hart vol hoop,

met plannenrijken geest.

Zij leed, met lieve lijdzaamheid,

ook waar van week tot week,

Trots korte vleugjes van herstel,

haar teedre kracht bezweek.

 

Toch, dat eentonig leventje,

met zorg bewaakt, verdeeld, –

Was ze niet moe als nichtje een uur

had aan haar zij gespeeld? –

Dat dobbren tusschen hope en vrees,

die voorgeschreven rust,

’t Was wel een kruis, een bitter kruis,

voor lieve „Levenslust”!

 

Ach Levenslust!.... in beter tijd,

Zoo schertsend, noemden haar

De vrienden van haar schoone jeugd,

een teedre vriendenschaar,

Die zij, een zonnetje in haar huis

en feest van ’t huislijk feest,

Bezielde door haar lieflijkheid

en rijken dartlen geest.

 

Want levenslustig was haar aard,

zij lachte nimmer moe,

De jonge vrouw, vol kinderzin,

het lieve leven toe.

Geen zorg boog licht dat hoofdje neer;

en niets, een rozeknop,

Een zonnestraal, een lief gelaat

wond haar jong hartje op.

 

Daar geurden rozen in haar ziel,

een nachtegalenkoor

Sloeg in haar reine borst, en sloeg –

temet eens vroolijk door!

Zij kon vertellen als een fee,

vol dartle fantazij,

En op haar lippen zweefde graag

de schalke plagerij.

 

Toch was ze ook ernstig ja en vroom –

doch somber was zij nooit!

Haar ernst was in geen rimpel, neen,

Maar in een lach geplooid.

Dat vroolijk hartje was ook diep,

doch in zijn diepte scheen

Een licht van Liefde en Hoop! dus wierp

het stralen om zich heen.

 

Zij bloeide in de eerste huwlijksjeugd

als ’t bloempje in mooi–weer;

Zij tooide met haar blijden zin

haar leven en verkeer;

Zij schiep een wereldje om zich heen,

vol geest en vol geluk,

Waarin haar geestje zich bewoog,

gezellig, vroolijk, druk.

 

Hoe deelde ze aller lief en leed !

Haar handdruk was een troost,

Haal zilvren stem een feestgezang !

haar vriendschap, onverpoosd,

Was hier en daar en overal,

waar voor die gulle ziel

Een jarig kind te omhelzen, of –

een traan te drogen viel.

 

Want zij liep uit vast iedren dag:

zij stak door weer en wind,

Het zorgloos neusjen in de lucht

dat onvoorzichtig kind.

En plaagden haar de vrienden soms

om haar uithuizige’ aard,

Dan zuchtte zij: het blijft ook nog

zoo eenzaam aan mijn haard!

 

Doch waar zij kwam, zij deed u goed,

zij sleepte u, kozend mee;

Zij spreidde lichtjes om zich heen

van vroolijkheid en vree;

Zij tierde en bloeide: een schoone bloem

in ’s levens lentehof....

Totdat op eens de Noordewind

haar ranken stengel trof !

 

Nu denk u dartle Levenslust

gevangen in haar kluis,

Van week tot week, van maand tot maand,

en weeg haar bitter kruis !

Men hield haar stil, men hield haar klein,

lang praten leek haar niet,

En menigeen klopte aan haar deur,

dien men niet binnenliet.

 

Weleer, hoe vlood de winter om,

dien ons haar frissche lach,

De lente der gezelligheid,

zoo vaak te prijzen plag;

Nu, ’t was haar drukste feest wanneer

haar kleene naamgenoot,

Van tijd tot tijd, een mooien dag,

mocht spelen aan haar schoot.

 

Haar woning was niet vroolijk ook:

door kleine vensterruit

Zag ’t ruim, maar somber ziekvertrek

op ’t stille kerkplein uit.

Slechts was daar Zondags wat te zien,

en dikwijls vraagde zij:

„Och wandel soms een stapjen óm

en ga dan hier voorbij!”

 

En wie het deed, die werd beloond

met d’allerliefsten knik;

Zij stond een schreê van ’t venster af

en volgde u met haar blik

Zoover zij kon ! maar somtijds ook

dan zocht men, dagen lang,

Vergeefs de lieve schim voor ’t raam...

en menig hart sloeg bang.

 

Doch straks weer zat ze op de oude plaats

en gluurde door de ruit.

Het ging met haar al op en neer

en langzaam achteruit,

November was ’t de laatste maal

dat zij haar kluis verliet;

Het werd al Maart, het werd April,

en beter werd zij niet.

 

Zij voelde ’t wel, zij vreesde ’t wel,

doch vleide zich nog meer –

Den Hoop voor de arme kranken voedt

een liefde wreed en teer –

En was maar eens de Mei in ’t land

en gure April voorbij,

Dan werd ze ook beter, sprak haar wensch,

en dat geloofde zij.

 

„Ik sterf hier in mijn duf vertrek;

naar lucht en lentegloed.”

Dus dacht zij, stil of luid, „ziedaar

wat mij genezen moet !

Ze weten ’t niet, ze weten ’t niet,

met al hun medicijn,

God heeft de beste: bloemengeur

en warme zonneschijn !”

 

„Naar Buiten wil ik, de eerste week,

de tweede week van Mei,

Liefst naar mijn duinen, zoo het mag;

daar ademde ik zoo vrij,

Daar was ik iedren zomer toch

altijd zoo heel gezond;

Ook ’k zal genezen in die lucht

en op dien dierbren grond.”

 

„Ben ik maar eenmaal daar, gewis

dan sterk ik langzaam aan,

’t Zal met een steuntje dag aan dag

een eindje verder gaan;

En ben ik moe, dan ruste ik uit

aan onzer heuvlen voet....

’t Is ook versterkend, ’t lekkre zand,

gestoofd door zonnegloed....”

 

En al haar dierbren, om de beurt,

herhaalden trouw en teer:

„Gij moet naar Buiten ! zeker, daar

vindt ge al uw krachten weer.

En was het nu maar warm en zacht,

licht deed een toertje u goed,

In maklijk open rijtuig, kind !

geduld maar! en houd moed !”

 

Een open rijtuig! en het oog

der zwakke glom van vreugd

Bij deez’ gedachte, die altijd

haar zinnen had verheugd.

„Een open rijtuig !” riep zij uit....

„En lucht en lentegeur....

Hoor, ’k ben genezen, Moederlief,

als ’t stilhoudt voor mijn deur.”

 

En Meimaand kwam ! en met haar, zie,

een vleugje van herstel;

Vals zonnetje in een droeve lucht;

doch zij: „ik wist het wel,

Gods lente brengt me al redding aan;

zoo nu de zon maar scheen,

’k Geloof – ik liep mijn kerker uit

zoo luchtig als voorheen !”

 

Doch onze Noordsche Mei, helaas,

is arm aan zonneschijn,

Hij kan zoo koud, zoo droef, zoo guur,

hij kan November zijn.

En zoo was ’t nu: de Noordewind

blies langs de kale gracht,

En dicht bij Pinkster werd nog steeds

„de lieve Lent” verwacht.

 

Dat griefde haar: dat deed haar pijn;

die borst, van hoop vervuld,

Nu dat haar zoetste hope loog,

verging van ongeduld.

Mistroostig werd zij voor het eerst,

en, meer dan vroeger ooit,

Verveelde ’t somber uitzicht haar,

met boom noch mensch getooid.

 

Toch iedren morgen, dag aan dag,

Was ’t nu haar eerste werk,

Te staren over ’t plein en dan –

naar ’t Haantje van de kerk,

Met vragend, mijmrend, nieuwsgierig’ oog,

een spiegel van dat hart,

Vol scherts en weemoed tegelijk,

en spelend met zijn smart.

 

Want hunkren naar de lucht

was ’t antwoord keer aan keer:

„De wind is Noord, de wind blijft Noord,

’t is guur, ’t is nog geen weer:

Kijk lieve, als ’t Haantje van de kerk

zich zóó – naar óns – draait,

Dan ruischt het koeltje dat u zacht

als balsem tegenwaait.”

 

Zoo werd gezegd, gevleid, getroost....

en iedren morgen stond

Zij nu voor ’t raam en tuurde en keek,

een lachjen om den mond,

Een traan in ’t oog; zij schudde straks

haar kopje, reis op reis,

En dacht en sprak dan bij zich–zelf

in vreemd en droef gepeis:

 

„Ach, ’t is weer de oude boodschap, ja,

en ’t Haantje zegt: blijf thuis,

En weer een kouden, langen dag

verkwijne ik, in mijn kluis.

Hoe anders was het vorig jaar

hoe zorgloos liep ik uit....

Ik was toch recht gelukkig tóen;

ik wist van Noord noch Zuid.”

 

„Neen ’k schonk U vroeger nooit een blik,

ik liep door weer en wind !

Zeg, hoofdig Haantje, wreekt ge u thans

op ’t onvoorzichtig kind ?

En houdt ge u dan maar doof, steeds doof,

voor al mijn geestigheên....

Als –” volgde er bitter, na een poos –

„als – God voor mijn gebeên !”

 

En weemoed overstelpte haar,

zij wrong in diepe smart

De bleeke, lange handen saam,

met angstig jagend hart,

Tot ze eindlijk schreien kon en riep:

„Te leven is toch zoet !

Neen, vrienden, arme Levenslust

heeft nog geen stervensmoed....”

 

Doch straks verhief zij ’t hoofdje weer

en ’t leliewit gelaat:

„Ik meen dat zulk een droeve bui

mij gans niet vriendlijk staat.”

Zoo dacht ze en sloeg het kalmer oog

weer naar den torentop,

En dreigend met den vinger was ’t:

„Pas morgen beter op !”

 

Maar morgen, acht, ’t was de eigen strijd

in ’t somber ziekvertrek;

Zij voerde met haar torenspits

een dagelijks gesprek;

Zij schonk haar nu wel menig blik

en menig vleiend woord,

Maar ’t baatte niet: heur onheilsboô

wees onverbidlijk: Noord !

 

Maar morgen stond ze weer en dacht:

„de dagen gaan voorbij

En lijken op elkaêr – het wordt

geen zomer meer voor mij....

Genezing wachtte ik van de lucht,

de buitenlucht alleen –

Maar ’t haantje wijst naar Buiten niet,

het wijst naar Boven heen !

 

’k Wou toch alleen zoo graag dat God,

eer Hij mij tot zich nam,

Nog eens een zoeler luchtje gaf

voor zijn geschoren lam;

’k Wou nog zoo graag het groen eens zien,

den blijden zonneschijn –

En dan, zoo ’t warmer was, wellicht

zou ik ook beter zijn....

 

„O gij, die Liefde en Almacht zijt,

Gij, als mijn Bijbel 't leert,

Die met een wenken van Uw hand

en wolk en wind regeert !

Zoo toch Uw hand, o Heer, voor mij,

dat Haantje eens keeren wou

Naar ’t Zuiden heen, Gij kunt het toch !

hoe ik U danken zou....”

 

Wat omging in haar ziel?....  Zij stond

en staarde, als wachtte ze af,

Of ook haar bede werd verhoord

en God een teeken gaf!

Ze ontwaakte op eens: ze ontroerde zelf

van ’t spel der fantazie;

Keek naar de lucht, keek naar de kerk,

en zei: „Uw wil geschiê.”

 

Des andren daags maar even wierp

ze een blik naar buiten toe,

Half zegevierend, kalm, beslist,

half strijdens–, hopens–moe,

En toen – niet meer ! Zelfs dagen lang

ging nu ’t gordijn niet op –

Intusschen wachtte op zonneschijn

nog steeds de rozeknop.

 

Maar eindlijk op een Junidag,

vol zomerglans en geur,

Daar rolde een open rijtuig aan,

dat stilhield voor haar deur....

En zij ? Ze was genezen ook,

de lieve levenslust !

Zij ging.... haar bracht een zwarte koets

naar Buiten in de rust.

 

Een jonge man, geknakt van rouw,

een kleine vriendenschaar,

Volgde – en hun ziele volgde mee ! –

de aandoenlijke baar;

Naar ’t Haantje van den toren keek,

met droeven glimlach, één:

’t Blonk in de blauw lucht en wees –

naar ’t zoele Zuiden heen.

 

Terug naar overzicht

Het halssnoer

(Alice Nahon 1896 - 1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ach here de vrijheid

Klatergouden geschenk

Dat de liefste mij geeft als hij gaat

Ach here

Dat droef sieraad

 

Hij hangt het mij jubelend

Over 't strenge kleed, en-ik lach

Met de lach die de mondhoeken slijt

Neem gij mij dat strassen lawijt

Van de fiere troon van de hals

Ach here de vrijheid

Zo vals

 

Want hij hield mij zingend omhoog

Hij noemde mij een zonnige fee

Ik pover kind in zijn hand

En hij zegt dat ik schoon ben ermee

 

En de tranen komen opeens

Vanuit mijn ogen omneer

Over zijn schaterend hoofd

Ach hart dat in liefde gelooft

Ach here

De vrijheid

Doet zeer

 

Terug naar overzicht

Het hondengevecht

(A.C.W. Staring)

Bereisde Roel zag op zijn tochten
Geweldig veel ! Twee Bullebijters vochten,
Voor 't wijnhuis, in een kleine Poolsche stad,
Terwijl hij juist aan 't venster zat:
'Zulk vechten, Menschen ! - Zij verslonden
Malkander letterlijk ! Met ied'ren hap, ging oor
Of poot er áf - en glad als vet er dóór !
Ons scheiden kwam te laat ! wij vonden
Het restjen: - op mijn eer,
De staarten, en niets meer.'

 

Terug naar overzicht

Het hondjen

(Hieronymus van Alphen 1746-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Hoe dankbaar is mijn kleine hond

Voor beentjes en wat brood !

Hij kwispelstaart, hij loopt in ’t rond,

En springt op mijnen schoot.

Míj geeft men vleesch en brood en wijn,

En dikwijls lekkernij:

Maar kan een beest zo dankbaar zijn,

Wat wagt men niet van mij !

 

Terug naar overzicht

Het huis mijns vader

(Karel van de Woestijne 1878-1929)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het huis mijns vaders waar de dagen trager waren,
was stil, daar ‘t in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
Ik was een kind, en mat het leven aan den lach
van mijne moeder, die niet blij was, en aan ‘t waren
der schemeringen om de boomen, en der jaren
om ‘t vredig leven van den roereloozen dag.

 

En ‘k was gelukkig in de schaduw van dit leven
dat naast mijn droomen als een goede vader ging...
De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van groote vooglen hing,
iederen avond, in de teedre zomer-luchten
die zeegnend om de ziel der needre menschen gaan,
als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten
die rustig-zwaar in ‘t loof der stille boomen staan.

 

Toen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren
als schaemle bloemen in den avond, o mijn kind.
En ‘k minde u. - En zoo ‘k vele vrouwen heb bemind
sindsdien, met moeden geest of smeekende gebaren:
u minde ik; want ik zag uw kinder-ogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken troostend zijn,
in ‘t huis mijns vaders, waar de dagen trage waren.

 

Terug naar overzicht

Het ijsvermaak

(Harme Bevoort 1801-1874)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Komt allen, komt o rappe maats !
Gij zweevers op de vluggen schaats,
En krassers van de banen !
Die aan de tent soms lang verslaafd,
Met bier of brandewijn uw laafd,
Of pleistert in 't Vianen.

 

Komt allen die in dezen tijd,
Op uwen vriesche blokken rijd,
Of sliert op groote krullen;
En zwaaijend hangend omgewent,
Met zwier bij ied'ren markatent,
U krassend voort laat sullen.

 

Liefhebbers van genot en vreugd !
Zoo vrij voor ouderdom en jeugd
Voor armen en voor rijken.
Hetzij gij loopt of nart of rijd,
Of in een ijsschuit vliegend glijd,
Of stille staat te kijken.

 

Ik zing het vrolijk ijsvermaak,
Mijne Heeren ! 'k wil tot mijne taak
Uw lezend iets vertellen,
Verbeeld u wand'lend op het ijs,
Uwe aandacht zal op de eigen wijs
Goedgunstig mij verzellen.

 

Wij treden van den Overtoom,
Langs 't ijs, naar de Oude goudsche boom,
't Is binnen kaf en scheuren.
Baas Lents die zich daar dapper weert,
En Volkert die den bijl hanteert,
Doen 't menig een betreuren.

 

Naar buiten dan, naar buiten dan,
Daar wemelt knaap en meisje en man,
Beschouw de bonte rijën.
De krab'laar en de matadoor,
Zien wij hetzelfde gladde spoor,
En op en neder glijën.

 

De lieve meisjes van de stad,
Zoo schoon er eenig land ze ooit had,
Zien we op de baan hier zweven.
Wat vlugge draai, wat ed'le zwier !
Nu los, dan vast, nu ginds, dan hier,
Door de eigen gang gedreven.

 

Wat woelt, wat werkt het ondereen,
Jan Levens ziet ge been voor been,
Zo fiks in de hoogte steken,
Een ander ziet ge schaatsen slaan,
Als of hij 't van een fransch douaan,
Zeer net had afgekeken.

 

En naar de tent, en hier en daar,
Beweegt, en leeft en woelt de schaar,
In onafzienb're drommen;
Met meisje of vriend aan stok of hand,
De geestdrift blaakt, de kracht ontspant,
De moed is hoog geklommen !

 

En oud en jong, en vrouw en man,
Wie slegts de benen reppen kan,
Ontwikkelt zijn vermogen.
't Maatschaplijk doel schijnt in de war,
Diak'nen zitten in de nar,
't Besteedlingshuis gaat togen.

 

En ook een ander toogt zijn vrouw,
Of laat om 't meisje zich getrouw,
En rug en voorhoofd zweten,
En slooft en slaaft met blijden zin,
Terwijl zijn lieve engelin,
Gemaklijk is gezeten.

 

En zie wat naakt ons ginter toch ?
O wee! het is een boere trog,
De veeger vraagt om centen;
De voerman zwaait, der trog slaat om,
Boerinnen went'len rond en om,
En spart'len op hun krenten !

 

Ja ! wie er spot, of wie er lacht,
Het troggezelschap werd onzacht
Ter aarde neergesmeten.
Verbeeld u, Vrienden ! hunnen stand,
't Gewaai van rok en kouseband,
En hunne jammerkreten.

 

Maar boven klagt van vrouw of boer,
Weerkaast op den bevroren vloer,
Het krassen van de streken.
En bij elk krommen van een bogt,
Waar melk en dreumels wordt verkogt
Staat Hollands vlag ten teken.

 

En 't is hier even als een hut,
Met zeilen voor den wind beschut,
Met banken aangelegen,
Dan wordt die pleisterplaats befaamd,
En meestal bronnen bijgenaamd,
Een naam van ouds gekregen.

 

"Leg op, leg op," roept gindsche ploeg,
"Een buurtje om, het is nog vroeg,
Er is nog veel gewemel;
Wij hebben alles thans te baat,
En zoo de zon ons nu verlaat,
De maan staat aan den Hemel. "

 

En op en neer en neer en op,
Nog sneller dan het snelst galop,
Zoo gaat het om en weder;
Het stuift, en wiegelt op de baan,
Het vliegt en wemelt af en aan,
Het zweeft er op en neder.

 

Vrij dale Venus met haar pracht,
Om uit de nev'len van den nacht,
Zich 't gouden hoofd te omkransen.
Maar bij 't bleeke licht der maan,
Ziet ge de schaatsenrijders gaan,
Om op het ijs te dansen !

 

En toch bedrieglijk is dat licht,
Het schemert voor het snelst gezicht,
Het tintelt voor uw schreden.
O maak bijtijds uw schaatsen los,
Want, van der Woude en Eedlenbosch,
Zijn in een bijt gereden.

 

Maar wilt gij, rijd dan bij de Zon,
Dan gooit men katten uit de ton,
Dan wort er ring gestoken.
Ga naar de tent, vertoef er nog,
En drink er melk, of wijn of grog,
En zit u pijp te roken.

 

En keer dan weer op digter baan,
Neem u een meisje agteraan,
En komt eens tusschen beiden,
Bind haar de schaatsen van de voet,
En kus haar mond ten afscheidsgroet,
Dan als gij weer gaat scheiden.

 

Maar Vrienden ! Makkers bovenal,
Wat ik u aanbevelen zal,
Wil toch uw lijf verschoonen.
Want trekt ge uw laarzen blootsvoets aan,
Dan mogt het u als Gast vergaan,
Gij krijgt bevroren toonen.

 

Terug naar overzicht

Het is een wonderbaar iets, een Moeder

(met dank aan Oda van den Munckhof voor het sturen van de tekst)

Het is een wonderbaar iets, een Moeder;

Andere mogen u liefhebben,

Uwe moeder alleen begrijpt u,

Ze werkt voor u,

Zorgt voor u,

Bemint u,

Vergeeft u alles, wat ge doet,

Begrijpt u, en het

Enige kwaad wat ze ooit doet,

Is te sterven en u te verlaten.

 

Terug naar overzicht

Het jawoord

(Frederik van Eeden 1860-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Nu moet ik haar gaan vragen,
O welk een bange dag !
Doe God ! mijn wensen slagen,
Verschoon mij van die slag !

Uw grootheid zal ik eren,
In aller eeuwigheid.
Mocht ik met haar verkeren,
In deugd en eerbaarheid.

Ik voel mijn boezem prangen
Door bange twijfelmoed.
Doch rein is mijn verlangen,
En mijn positie goed.

Haar vader kent mijn ijver
En duldt mijn nadering,
Als veelbelovend schrijver
En deugdzaam jongeling.

Hoop doet mijn hart herleven
En slaan met blijde slag:
Mijn bellen, haar gegeven,
Draagt zij nog iedere dag.

Doch mocht zij 't woord niet spreken,
Waarnaar mijn boezem haakt,
Dan zal het hart mij breken,
Wijl het is afgeraakt.

Dan zal ik eeuwig blijven
Versmolten in mijn smart,
Dan ga ik verzen schrijven,
Met wanhoop in het hart.

Maar toch, o, Heer der Heren !
Al loopt het heden mis,
Ik blijf Uw wil toch eren,
Daar dat het veligst is.

 

Terug naar overzicht

Het kind dat wij waren

(E. du Perron  1899 - 1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wij leven 't heerlikst in ons vèrst verleden

de rand van het domein van ons geheugen,

de leugen van de kindertijd, de leugen

van wat wij zouden doen en nimmer deden.

 

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,

van moeder's nachtzoen en parfums in vleugen'

zuiverste bron van weemoed en verheugen,

verwondering en teerste vriendlikheden.

 

Het is het liefst portret aan onze wanden,

dit kind in diepe schoot of wijde handen.

met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

 

't Eenzame, kleine kind. zelf langverdwenen,

dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,

tussen de dode heren en mevrouwen.

 

Terug naar overzicht

Het kruiske

(Guido Gezelle 1830-1899)

(met dank aan Toon Duyck voor het sturen van de tekst en Freddy Rooms voor een aanvulling)

't Eerste dat mijn moeder vragen leerde
in lang vervlogen dagen

toen ik hakkelde ongeriefd nog van woorden

't Was te gader bij mijn handjes doende
vader geef mij een kruisken als 't u blieft.

'k Heb een kruisken dan gekregen
menig keer
En 'k wierd geslegen
op mijn kake zacht en zoet
Ach gij zijt mij bei tegader
afgestorven moeder ,vader
't geen mij nu nog leedschap doet


Maar dat kruisken is gebleven diep mij in de kop gedreven
teken van mijn erfgebied
Die de schedel mij aan scherven sloege
en hiete 't kruiske derven
nog en hadde hij 't kruiske niet.


(te gader =  tesaam)
(wierd = werd)
(kake = kaak)
(hiete = durfde)

Terug naar overzicht

Het lied der arme klanten

(Frederik van Eeden 1860 - 1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wij, zwervelingen, zonder land
Wij zijn maar arme klanten;
Wie meer geld hebben dan verstand,
Die mogen lanterfanten.
Wij springenhoog en laag
Wij moeten ‘t loodje leggen;
Wij dansen met een leege maag…
De centen die gezeggen.

 

Van oudsher was de koning baas
Vanwege onze zonden;
Nu is hij houten Klaas,
En heeft zijn baas gevonden.
Wie er als kroon of scepter draag
En louter gouden kleren,
Al springt hij hoog, al springt hij laag
De centen commanderen.

 

Voor ‘t leger staat de generaal,
En leert de mensen moorden,
De dappere helden allemaal,
Zij vliegen op zijn woorden.
Toch heeft hij met zijn gouden kraag
Geen donder te beweren;
Al springt hij hoog, al springt hij laag,
De centen commanderen.

 

Wie leidt ons land, waar staat ons dak ?
Wij leven van de gunsten.
Voor wie maar centen heeft op zak,
Vertoonen we onze kunsten.
Maar breken we ten lest den nek,
Dan kunnen we wat krijgen
Een mondje vol, een lekker dek,
Een hoekje voor ons eigen.

 

Terug naar overzicht

Het liefste vaderland

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Wat is het liefste vaderland ?

Zou het Frankrijk zijn of Engeland ?

Zij noemen zich beschaafd op aard,

Daar kunstzin zich aan weelde paart.

O neen, o neen, o neen, o neen !

Dat is het niet, zoek elders heen.

 

Wat is het liefste vaderland ?

Dan Duitsland toch, of Zwitserland ?

Waar wetenschap het voorhoofd plooit

Of waar natuur zich prachtig tooit ?

O neen, o neen, o neen, o neen !

Dat is het niet, zoek elders heen.

 

Wat is het liefste vaderland ?

Het Turkse rijk, der Russen land ?

Daar waar slecht willekeur regeert

Of slavernij den mens onteert ?

O neen, o neen, o neen, o neen !

Dat is het niet, zoek elders heen.

 

Wat is het liefste vaderland ?

Och, noem mij eindelijk eens dat land.

Is het Rome, Spanje of Turijn,

Waar volk en land vulkanen zijn ?

O neen, o neen, niet dat gebied.

Zoek niet zo ver, daar vindt ge het niet.

 

Dat is mijn liefste vaderland,

Waar eendracht is de hechtste band,

Waar het volk dat vreemde last en leed

Ruim tachtig jaar voor vrijheid streed.

O ja dat volk hoe min het schijnt,

Moet wel een dappere natie zijn

 

Dat is mijn liefste vaderland

Waar recht en wet gaan hand aan hand,

Gods woord geëerd is en geacht,

Als erfdeel van het voorgeslacht.

O ja dat volk hoe min het schijnt,

Moet wel een vrome natie zijn

 

Dat is mijn liefste vaderland

Waar het volk geen laster vreest noch schand',

Maar richt waar men zijn erf bespot,

De hand aan het zwaard, het oog op God.

O ja dat volk hoe min het schijnt,

Moet wel een fiere natie zijn.

 

Dat is mijn liefste vaderland,

Waaruit het volk de misdaad bant.

De kinderen opleidt vroom en vroed,

Het kwade haat het goede doet.

O ja dat volk hoe min het schijnt,

Moet wel een edele natie zijn.

 

O zie in gunste op ons neer,

Bewaar ons Nederlands volk o heer! 

Leer zo te leven vroom van zin,

En zegen onze koningin.

Bestuur en leidt ons aan uw hand,

Dan is het mijn liefste vaderland.

 

Terug naar overzicht

Het luie wijf

(Florimond Van Duyse 1843-1910)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

't Was op een zondagmorgen,
Mijn alderliefste tijd
En weet je wat er doene was
Met ene luie wijf
Dat wijf dat wou niet werken
Dat wou niet graag wat doen
Ze wou van louter luiïgheid
niet melken éne koe.

 

De koe ging zij verkopen
De stal bleef ledig staan
Toen was 't lui gaan slapen
De ander moest melken gaan
Het huisje dat wat dakkeloos
de sporen lagen bloot
toen scheen dat heerlijke zonnetje
Dat luie wijf in de schoot.

 

Maar toen 't begon te stormen
Kwam luie wijf in de nood
Viel alles naar beneden toe
En was 't luie wijf dood
Haar man zat in de kerke
En toen hij weer in het huisje kwam
Vond hij zijn wijfje gesmoord.

 

Hij trouwde toen een meisje
Van even twintig jaar
Hoewel hij zes- en vijftig was
Kreeg hij het toch voor elkaar
Nu gaat hij vaak naar 't kerkhof heen
En bidt daar telkens weer
Hij krijgt meer slaag dan eten thuis
En wenst zijn oudje weer.

 

Terug naar overzicht

Het meezennestje

(Guido Gezelle 1830-1899)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een meezennestje is uitgebroken,

dat in den wulgentronk gedoken,

met vijftien eikes blonk;

ze zitten in den boom te spelen,

tak-op, tak-af, tak-uit, tak-om,

met velen.

En ‘k lach mij, ‘k lach mij, ‘k lach mij bijkans krom.

 

Het mezenmoêrtje komt getrouwig.

komt op den lauwen noen,

al blauwig

en geluwachtig groen;

het brengt hun dit en dat, om te azen,

tak-om, tak-op, tak-af, tak-in,

ze razen,

en kruipen, vlug, het meezennestje in .

 

Het mezenvaârtje zit – de looveren

verduiken ’t voor ’t gestraal-

te tooveren,

al in de meezentaal;

daar vliegen ze, al med’ een, te zamen

tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit,

en, amen,

het meezemnestje is weêrom ijele uit.

 

Terug naar overzicht

Het middagmaal

(Frederik van Eeden 1860-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wanneer ik 's middags op 't kantoor
Mijn dagtaak heb volbracht,
Dan weet ik, als ik huiswaarts keer,
Welk schouwspel mij daar wacht:
Mijn vrouwtje vliegt mij te gemoet,
De kind'ren jub'len aan mijn voet.

Dan zetten wij ons aan de dis
Met schotels volgelaân,
En wachtten rustig tot de meid
De soep heeft opgedaan,
En bidden dan de Vader stil
Of Hij de spijzen zeeg'nen wil.

Eéns, toen ik juist beginnen wou,
Met dank tot God in 't hart,
Toen hoorde ik van mij lieve vrouw
Een kreet van spijt en smart;
En ziet! wat was er aan de hand ?
De soep ! de soep was aangebrand !

Ik leg mijn lepel zwijgend neêr
En zie mijn weêrhelft aan,
Toen rijs ik van mijn zetel op
Om naar haar toe te gaan;
Ik kus en kus haar blij te moe -
De kind'ren zien verwonderd toe.

"O, teedre gade !" zeg ik dan,
"Ik wil niet dat ge schreit,
De soep zal 'k eten als een man,
Met stille dankbaarheid:
De Heer die onze nieren proeft,
Weet ook wel wat de mens behoeft !"

 

Terug naar overzicht

Het minnen is een zeldzaam spel

(Jacob Catz 1577-1660)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Het minnen is een zeldzaam spel

Het brengt de mensen in gekwel

Het is een los en loze vond

Het is een wezen zonder grond

 

Al wat men aan de vrijers raadt

Dat dunkt de jonkers enkel kwaad

Doch wat hun afgeraden werd

Daarheen wil hun grillig hert

 

En wat men zo een linker biedt

Dat wil hij toch zijn leven niet

En wat hem niet gebeuren mag

Daar haakt hij naar de ganse dag

 

Roept iemand zo'n verliefde kwant

Gewis die wijst hem van de hand

En schoon hem niemand henen zendt

Hij is straks weder daar omtrent

 

In 't korte, 't is een vreemde pijn

In Venus hof verdoold te zijn

 

Terug naar overzicht

Het naaimeisje

(Betje Wolf-Bekker 1738 - 1804)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

'k Heb mijn poppen weg gedaan,
'k Heb mijn speelgoed weggegeven;
'k Moet nu als een vrijster leven,
Want ik zal op naaien gaan.

Denk wat blijdschap of ik voel.
Kom, ik ga ook, zonder dralen,
Van mijn huis mijn kussen halen,
'k Bracht al reeds mijn stoof en stoel.

Moeder zei: (wat is zij goed!):
‘'k Zal, opdat ze uw eer niet krenken,
Ook de blijde welkomst schenken,
Die gij maandag geven moet.

Grietje, want zo is de naam
Van mijn naaivrouw, had gesproken,
Van dan chocola te koken:
O, Wat is die vrouw bekwaam!

Ik was werelds opgeschikt,
Met mijn beste zondags pakje.
En de mouwtjes van mijn jakje
Had ik netjes opgestrikt.

Maar dat leek nog niemendal
Bij die rijke lui der kindren!
'k Neeg; toen hield, om mij te hindren,
Nufje dundoeks mij voor mal.

'k Heb 't mijn moeder ook geklaagd,
Maar die wil geen klikken horen.
Wilt gij, zegt ze, u altoos storen
Aan een ieder die u plaagt ?

Dan kunt gij geen wil, geen vreugd
Met u speelkornuitjes smaken;
Lach mee; dit zal haar vermaken.
't Kribben past niet aan de jeugd.

Kreun u aan die potsjes niet;
Daar zult gij u wel bij vinden;
Kinderen zijn altoos vrinden.
Maar als gij zo donker ziet,
Als ge om iedre platterij
Dadelijk de lip laat hangen,
Niemand zal naar u verlangen.
Draag u wijs; lach ook als zij.

Ik zal doen naar moeders raad,
Vrolijk zijn, en vlijtig leren.
En als wij de pot verteren,
Zo als Chrisje al heeft gepraat,
Dan zal ik, heb ik mijn zin,
Mij maar wat heel netjes kleden,
Zoals vele meisjes deden,
Als een witte herderin.

Ik win dus door deze kunst
Ieders liefde, en durf ook hopen
Als de naaitijd is verlopen

Op der grote lieden gunst.

Mooglijk word ik wel door haar
Bij haar ouders aangeprezen;
Dan kan ik haar naaister wezen,
Want de dingen lopen raar.

'k Wou maar dat het maandag was.
'k Zal mijn tijd ook niet verzeuren;
Want ik moet een duit verbeuren,
Als ik op het uur niet pas.

Hoe verlang ik naar die dag!
Ik kan nacht of dag niet duren,
't Is, nog vijfenveertig uren.
'k Wens gestaag dat ik hem zag!
 

Terug naar overzicht

Het nufje

(Betje Wolff & Aagje Deken)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wijs: Philis, plus avare que tendre


’k Behoef geen vinger uit te steeken,
Huishouding word my niet geleerd;
Waar zou ik dan myn hoofd meê breeken
Wyl Moeder niets van my begeert?
Op ‘t Kostschool leerde ik bezigheden,
Geschikt voor lieden van fatsoen;
Wat fransche taal, wat fransche zeden,
En meerder heb ik niet van doen.
Ik kan wat danssen, zo wat zingen,
’k Speel zo, dat my myn Vader pryst;
Ik kan meest al die nutte dingen
Waar in men dames onderwyst.
Ik kan, ‘t is waar, maar sober schryven,
En ‘t Hollandsch leezen gaat niet glad;
Maar zie dit zyn ook tydverdryven
By Groote liên niet hoog geschat.
Kon ik nu maar op Speelpartyen,
Carroussels, en Concerten gaan,
Wat zou de tyd my dan ontglyen,
Die nu voor my schynt stil te staan!
Ik heb wel Goût om zo te leven
Zo als de groote waereld doet;
Maar ‘k ben niet hoog genoeg verheven,
En ook ontbreekt me aan geld en goed.
’k Zit wat te knoopen, wat te naayen,
En drentel zo wat op en neer;
Maar al dat klunglen, en dat draayen
Verveelt my daaglyks meer en meer.
Zo ‘k iemand had om meê te spreeken,
Een Soupirant, of een’n vriendin!
Maar niemands liefde is my gebleken,
En vriendschap ken ik evenmin.
Hoe komt toch dien dag toch weer ten ende?
Dat weet ik inderdaad nog niet!
Waar op zal zich myn aandagt wenden?
Wagt; ik ga leezen uit verdriet.
Wat heb ik aan ‘t gegeeuw, het zuchten?
Ik zoek zo ‘t mooglyk zy ‘t vermaak.
Ik heb Comedien en Klugten,
En ook Romans zeer goed van smaak.
Waarom de Juffertjes meer leezen
Dan arme of schatryke liên
Is door dit voorbeeld klaar beweezen:
’t Is, om ‘t verveelen toch te ontvliên.

 

Terug naar overzicht

Het penningske der weduwe

(P.A. de Génestet 1829 – 1861, Markus XII 41- 44)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Al wanklend kwam zij aangetreden,

De zwakke vrouw, wier minnend hart

Nog bloedde van de versche smart;

Want, ach, het was zoo kort geleden

Sinds haar een trouwe gade ontviel,

De vreugd eens der gebogen ziel.

Met wien ze, ootmoedig en tevreden,

Het zuur verdiend maar daaglijksch brood,

Gekruid door lofzang en gebeden,

In vroomheid, liefde en vreê genoot.

 

En nu ? die staf en steun in ’t leven,

Haar alles was haar zijde ontroofd,

Haar was alleen de zorg gebleven –

En biddend boog de vrome ’t hoofd.

Want zwijgend in Zijn welbehagen,

Die kracht geeft om Zijn last te dragen,

Bleef haar, te midden van dien rouw,

Een burg, een tent van schaûwrijk lover,

Een schat, een heilig erfdeel over

’t Was Isrels God, Jehovah’s trouw.

 

O wél haar, –wie Uw liefde sterkte,

Gij Man der weduw, vriendlijk God !

Die wondren in haar ziele werkte

Bij al den weedom van haar lot.

Tot U rees in Uw tempelhoven,

Haar nooddruft brengende U ter eer,

Het loflied van haar ziel naar boven:

„Hoe lieflijk is Uw woning, Heer !”

Want zij was één dier warmbezielden,

Dier heugen uit den ouden stam,

Die voor hun God Jehova knielden !

In ’t heilgeloof van Abraham !

 

Ook nu had ze in den heilgen tempel

Weer troost gezocht, bij ’t koestrend licht

Van ’s Heeren lieflijk aangezicht;

Slechts bij ’t verlaten van Zijn drempel

Bleef nog een dierbre liefdeplicht: –

En zie, met neergeslagen oogen,

Beschaamd, verlegen, ’t hoofd gebogen

Voor Hem, die al haar nooden wist,

Wierp ze alles, wat haar restte in ’t leven,

– Verzuchtende of zij meer kon geven !

Haar penningske in Zijn offerkist.

 

Geen Farizeeuw of Schriftgeleerde,

Die luid Jehovah’s naam vereende,

Wien onder ’t breedgezoomde kleed

Een hart sloeg, deelende in haar leed.

Te nietig was ze in ’t oog dier grooten,

Die de armen uit Gods hemel sloten.

Geen, die een vriendljk woord haar schonk,

Geen blik, die tot haar nederzonk....

Maar ’t penningske was niet verloren !

Wat kleen en arm was en veracht

In de oogen van een dwaas geslacht,

Dat kleene heeft zich God verkoren.

En Die ’t getuigde, vrouw, is dáár !

Hij rijst in ’t midden van de schaar,

Uw offer heeft genaê verkregen !

Zijn stem, o zaalge, klinkt u tegen,

En ’t woord is eeuwig, trouw en waar;

 

„Voorwaar, Ik zeg u, de enkle penning

Van deze weduwvrouw geldt meer,

In ’t heilig oog van d’ Opperheer,

Bij wien geen maat is of miskenning.

Dan ’t geen heel de offerkist bevat,

O rijken, van uw trotschen schat !

Den overvloed is veel gebleven,

Maar deze heeft, in God verblijd,

Haar laatste nooddruft Hem gewijd....”

 

En de englen hebben ’t opgeschreven

In ’t heilig Boek van ’t eeuwig leven,

Ga, vrouw, u wacht een heerlijk loon:

„Dien penning hebt gij Mij gegeven,”

Verklaart Gods eenig groote Zoon.

 

Terug naar overzicht

Het putje van Heiloo

(met dank aan G. Jessen voor het sturen van de tekst)

Hoe lieflijk ligt het kleine Heiloo,

door het hoge bos beschut.

Een kerk zéér oud staat aangebouwd,

daar achter is die put.

Die put, een schat voor mens en beest, is er niet altijd geweest zoals ge horen zult.

Toen Willebrord de kruisleer bracht, aan de overkant

der zee was het hier één zand

in het Heidens land.

Een droge dorre stee, de tocht was lang, de hitte vang en de reisfles uitgeput.

Des Heiligs borst versmacht van de dorst en nergens huis of hut,

daar staat hij leunend op zijn staf en ziet vergeefs in het rond,

dan knielt hij neder, aanbid de Heer, daar opent zich plotseling de grond.

Er vloeit een zilverklare bron, die alle nood verdrijft,

waar Willebrord zijn dank bij stort en die gezegend blijft.

Dat is de put van het kleine Heiloo.

In Kennemerland beroemd, wie het wonder looft ontdekt zijn hoofd en streut het met gebloem.

 

Even nog wat geschiedenis over het putje van Heiloo:

Van de Paus uit moesten de Nederlanders bekeerd worden. De Friezen, Franken en de Saksen en andere volksstammen waren toen Heidense volksstammen. Want Bonefatius is vermoord geworden, door Heidense Friezen in Dokkum in het Noorden en ook andere missionarissen kwamen hier preken tegen de afgoden die zei vereerden, zoals Eikenbomen, zon, maan en sterren. Toen was Willebrordus met 40 missionarissen naar Nederland gekomen om hier de Nederlanders te bekeren. Naar aanleiding hiervan is het putje van Heiloo ontstaan doordat er een wonder was gebeurd. Zoals in het vers is omschreven.

Terug naar overzicht

Het renpaard

(met dank aan G. Jessen voor het sturen van de tekst)

Een renpaard trots, Slank glad en fier, liep in de wei met edele zwier.

 Het had dunne poten, vurige ogen en z'n lange hals was fraai gebogen.

 Terwijl het daar zo lui en leeg genoot, zag het aan de overkant der sloot, een boeren paard druk aan het ploegen.

 Het liep te hijgen en te zwoegen.

 Het renpaard bleef een poosje staan, en zei ik ben met jouw lot begaan arm beest.        

 

 Je moest je warempel schamen, als anderen je tegen kwamen.

 Mij schamen! Riep het ploegpaard nu, Voor wie, voor jou het allerminst.

 Geen vlijtig paard zal men verachten, alleen wie lui is kan dat verwachten.

 Daarom werk ik mij liever moe, wees maar blij dat ik het doe, want denk er om jij trotse draver.

 Als ik niet werk krijg jij geen haver.

 

Terug naar overzicht

Het schrijverke

(Guido Gezelle)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!"   

 

(winklende = scherpe bochten beschrijvend, kabotseken = mutsje)

(spegelend = spiegelend, zo zeer = zo rap, kwietelen = kwelen, kapoteken = manteltje)

 

Terug naar overzicht

Het spiegelglas

(met dank aan Nijs Bastijns voor het sturen van de tekst)

Er leefde eens heel lang geleden
 een boertje werkzaam en tevreden,
 aan weelde was hij niet gewend,
 een spiegel had hij nooit gekend.

En eens toen hij aan het spitten was
 vond hij een stukje spiegelglas.
 Hij nam't in zijn vereelte hand
 't zat onder't vuil en onder't zand.

 Hij veegde't aan zijn broekspijp af
 en keek er in, en stond toen paf.
 Mijn vader zei hij, sapperloot,
die is al vele jaren dood.

 Mijn vader, och die goeie man,
 hij is het en hij kijkt me an .
 Hoofdschuddend stak hij 't in z'n zak,
 en bekeek het thuis op zijn gemak.

 En hij begon te overleggen,
 wat zijn vrouw ervan zou zeggen.
 Ze was wat bazig zijn Katrien
 en zou er wel om lachen misschien.

 En omdat hij daar zo bang voor was,
 verborg hij 't onder zijn matras.
 Maar telkens ging hij er weer heen.
 'Mijn vader,' zei hij dan tevreên.


 Dat wekte argwaan bij z'n vrouw
 die het hare er van weten wou,
 en zodra hij weer de deur uit was,
 zocht en vond zij 't spiegelglas.


 Wat moet hij daarmee, peinsde zij,
 er moet iets niet in orde zijn !
Zij wantrouwde zo haar goede Hein,
 dat ze 't omkeerde en keek,
 doch raakte toen geheel van streek.


 Daar heb je 't nou, ik dacht het wel,
 er is een andere vrouw in 't spel.
 Mijn man, hij heeft geen hart in 't lijf,
 waarom houdt hij van zo'n lelijk wijf ???

 

Terug naar overzicht

Het stokske van Johan van Oldebarnevelt, vader des vaderlands

(Joost van den Vondel 1587 – 1679)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn wens behoede u onverrot,
O stok en stut, die geen verrader,
Maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gestut hebt op dat wreed schavot;
Toen hij voor ’t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld, als een Seneca,
Door Nero's haat en ongena,
Tot droefenis der braafste zielen,
Gij zult nog, jaren achtereen,
De uitgank van die Held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steên.
Hoe dikwijl strekt gij onder ’t stappen
Naar ’t hof der Staten stadig aan
Hem voor een derde voet, in ’t gaan
En klimmen op de hoge trappen,
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij ruste van uw trouwe plichten
Na 't rusten van die oude stok,
Geknot door ’s bloedraads bittre wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

 

Het 'stokske' waarmee de raadspensionaris het schavot beklom, waar hij zou worden terechtgesteld.

 

Terug naar overzicht

Het tripartiete drama

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

De jonkvrouw op de torentrans,

verloor zich in de maneglans.

Benevens in het stargeflonker,

het was avond en dus nogal donker...

 

Zij mijmert zacht: Oh hemelwelf,

wat zijt gij schoon, als zeg ik 't zelf...

En in herinnering aan haar Pieter,

betokkelt zij zacht haar citer.

 

Maar plots bevangt haar een gesidder:

Het hoefgetrappel van een ridder !

De ridder remt uit alle macht,

maar slipt nog door tot aan de gracht...

 

De slotbrug daalt met dof gerommel,

de vos erover met gestommel,

en als de slotpoort piepend knarst,

de freule uit in tranen barst.

 

Daar komt de meid al op de toren:

Freule, mag ik  u even storen ?

Daar is een heer die u wil spreken.

Vlug heeft ze 't haretje bekeken.

 

Ja, laat meneer maar boven komen.

Het is de ridder harer dromen !

 

De ridder wachtte feodaal,

beneden in de wapenzaal.

Hij trekt nerveuzig aan zijn das

en denkt:

Wat stinkt het hier, naar gas... !

 

Maar aanstonds wordt hij door de meid,

naar boven, door het trappenhuis geleid...

Amechtig nadert hij de trans,

en grinnikt zacht:

Nu krijg ik chance... !

 

Hij neemt zijn helm af, heel beleefd,

en zegt, terwijl hij angstig beeft:

Oh, schone jonkvrouw, ik min u teder,

zo 't moog'lijk is, bemin mij weder...

 

De jonkvrouw aarzelt,

maar het duurt niet lang,

dan stort zij zich aan zijne borst,

terwijl zij tranen op hem morst,

met het gekriebel van zijn baard,

die onderwijl terslinks verhaart,

in 't vel van hare hals.

Dit maakt haar volledig week en mals.

Zij tuit haar lippen tot een bus,

en overhandigt hem terstond, een kus...

 

Haar vader heeft met vaste hand,

het land zijner buren platgebrand.

Hij trekt zijn bloedig harnas uit,

als tot hem doordringt, een geluid...

Hij denkt dit is geen speergekletter,

dit is veel eerder zoengespetter.

Ik ga op onderzoeking uit.

Hier moet ik haring van, of kuit... !

 

Het paar ontspringt niet aan de dans,

want ook vader nadert nu de trans.

Hij duwt het luikje op een kier,

wordt razend als een lammergier,

en schuimbekt ziedend door dat ding:

Meneer, ik vind u een ellendeling... !

 

De ridder, anders nogal tam,

wordt op dit woord verbazend gram.

Hij trapt met zijn voet het luikje dicht,

en knelt, het was een lam gezicht,

zodoende in een tel of vijf,

de pa het hoofd af van het lijf.

Een dikke straal geronnen bloed,

droop door zijn baard...

Maar 't stond hem goed !

 

De jonkvrouw heeft nu veel verdriet,

als zij het lijk haars' vaders ziet.

Zij steekt de ridder met haar blikken,

en zegt: U kunt om mijn part stikken,

en nu maar heel gauw opgekrast,

anders draai ik u nog in de kast... !

 

De ridder bevangt een sidderbeven.

Wat zal hij nu nog langer leven ?

Uw vader stierf wel zeer ontijdig,

maar waarom maakt hij mij ook nijdig ?

 

Wilt u nu ook nog op mij vitten ?

Maar zó zie ik 't niet langer zitten... !

U brengt mij thans, ontredderd zijnde,

hals over kop, nog aan mijn einde... !

Hij neemt zijn degen uit diens hoes,

en steekt hem vierkant door zijn bloes.

 

De jonkvrouw staat nu als versteend,

zo erg had zij het niet gemeend.

Daar ligt haar ridder nu te sneven.

en neemt de wijk naar hoger dreven...

Zij werpt een blik nog, ten zeerst wanhopig,

in 't verre rond, zij het voorlopig.

en overziend het panorama,

gilt zij: Maar dit is een drama !

 

Fluks tast zij toe en kloek en wel,

trekt zij 't rapier uit 's ridders vel.

Steekt dan zijn degen door haar pens

en rochelt zacht haar laatste wens.

 

Terug naar overzicht

Het vaderhuis

(Karel Van De Woestijne 1878-1929)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

O gij, die kommrend sterven moet, en vader waart

En mij liet leven, en me teder leerde leven

Met uw zacht preken, en uw strelend hande-beven

En, toen ge stierf, wat late zon op uwen baard.

 

Ik die thans ben als een die in den avond vaart

En moe de riemen rusten laat, alleen gedreven

Door zoele zomer-winden in de lage reven

En die soms avond-zoete water-bloemen gaert.

 

En zingt soms, onverschillig, en zijn zangen glijden,

Wijd-suizend over 't natte water, en de weiden,

Zijn luisterend, als naar eigen adem, naar zijn lied.

 

Zoo vaart mijn leve in vrede en waan van dood begeren

Tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren

Neigend, mijn aangezicht uw aangezicht ziet.

 

Terug naar overzicht

Het vogelnest

(Jan van Droogenbroeck 1835-1902)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Op dezen hoogen boom

Op genen dunnen tak,

Daar staat een vogelnest;

- Wie klimt er op den boom,

Wie waagt zich op den tak

En haalt dat vogelnest ?...

 

De jongens bleven staan;

Zij keken naar omhoog:

Zij durfden het niet doen.

 

Maar Ivo sprak: ‘Ik wel !’

Hij klauterde op den boom

En kwam tot aan den tak:

Toen keek hij naar omlaag.

Diep onder zag hij daar

Een' breede zwarte gracht.

Een oude wilgetronk,

Met scherpe punten, hing

Er over, naast een struik,

Waar braam en doren saam-

gevlochten waren, o !

Wat beefde hij van schrik !

 

Maar toch kroop hij nog voort

 Tot op den dunnen tak,

 - Die boog al meer en meer...

 Hij greep het vogelnest...

 En - daar was niets meer in:

De vogels waren weg.

Hij kwam voorzichtig af

En scheurde zijne broek.

 

Terug naar overzicht

Het vogelschieten

(Eene Zutphense Vertelling, A.C.W. Staring 1767-1840)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De Herfstmaand had haar taak voleind;

    De vreugd was in Terborg:

Daar at men, koek bij 't kermisbier,

    En droomde van geen zorg.

 

Daar werd het beste doek gespreid,

    Op onbekrompen disch;

Geen suiker voor den brij gespaard;

    Geen boter tot de visch.

 

Daar ging de strijkstok hoog en laag;

    De jeugd sprong op de maat;

En als een vrijer zoenen wou,

    Dat wist de speelman raad.

 

Daar zwierde 't aardig Mijntje rond;

    Een Bruid van achttien jaar !

Een Jager was haar Bruidegom;

    Men zag geen schooner paar !

 

Zij danste, in effen bruin gedoscht;

    Dat staat de blanken goed.

Haar Hendrik pronkte in groen gewaad;

    Met pluimen op den hoed.

 

En ieder, die ter kermis kwam,

    Gunt Hendrik 't zoete Kind:

Had elk het aardig Mijntje lief;

    Hij werd als zij bemind.

 

Zijne ouders waren grijs en arm;

    Zij leefden van zijn loon:

Als dienaar was de vlijt zijn roem;

    De dankbaarheid als zoon.

 

Dat won zijn brave Bruidjes hart !

    Ook ZIJ droeg trouw haar deel:

Zij paste een kranke moeder op;

    En 't scheen haar nooit te veel.

 

Wat bragt zij vaak den winternacht

    Aan 't zorglijk leger door !

Maar, las men 't op haar bleek gelaat,

    Zij gaf iet anders voor.

      

*************

 

De Herstmaand was haar loop ten eind;

    't Was kermis in Ter Borg:

Men at, men dronk, men sprong in 't rond;

    De speelman had de zorg !

 

En buiten aan een grazig vlak,

    Beperkt was 't IJsselbed,

Werd feestlijk op een steilen mast,

    Een houten duif gezet.

 

Het jonge manvolk trok daarheen.

    Gewapend ging de schaar;

Want, die den vogel nederschoot,

    Was Koning voor een jaar;

 

En zocht dan, in triomf geleid,

    Een meisje naar zijn zin;

En voerde 't naar een herberg heen,

    Begroet als Koningin.

 

Zoo trekt dan nu de Jeugd te veld !

    De Bruigom is daarbij;

Geen schutter vond men heinde of veer,

    Die wisser trof dan hij.

 

Een bonte sleep komt woelig na:

    't Zijn meisjes uit de stee.

Ook Mijntje (was haar moeders wil)

    Gaat naar de loopplaats mee.

 

Het spel begint ! De voorste man

    Rigt ernstig zijn geweer:

Hij denkt aan vrijster, kroon en roem !

    Waar beefde een hart om meer !

 

Een tweede vat, met losser zwier,

    Het steile doel in 't oog;

Maar de eerste raam viel al te laag;

    De leste rees te hoog.

 

Zoo slippen kans op kans voorbij;

    En Hendrik komt te gang.

Straks toont de duif haar kwetsbaarheid:

    Zij zwenkt de ijzren stang.

 

"Braaf !" roept de Drost hem vrolijk toe

    "Dat heet de kunst verstaan !

Slechts help de Bruid den Bruigom zien;

    Dan zal 't nog fikscher gaan !"

 

Met dwingt men 't blozend Meisje voort,

    Tot aan haar' Hendriks zij;

De beurten wisslen andermaal;

    Die volgen moet, is hij.

 

Hij loert; zet af; knikt Mijntje toe,

    En kust haar op den mond;

Gejoel en lach en handgeklap

    Loopt door de kijkers rond.

 

En nu ! . . Noodlottige oogenblik !

    Rampzalig ommekeer !

Het roer, zoo menigwerf beproefd,

    Verraadt in 't end zijn heer.

 

Het ijzer wijkt voor 't persend vuur;

    Het berst, met fellen slag;

En, uit twee bleeke lippen, volgt

    Een zieldoorborend ach !

 

Verpletterd staat de schaar rondom.

    't Gold Mijntjes schuldloos hoofd !

Zij zijgt ter aard, de slaap misvormd;

    Het oog van glans beroofd.

 

De ronde wenkbraauw trok te zaam;

    Het wit der kaken blaauwt;

Bij droppen vloeit het kille zweet,

    Waarvan haar voorhoofd daauwt.

 

En houdt het jeugdig aangezigt,

    Nog spoor van lieflijkheid,

Als 't bloemtje, dat, den stam ontscheurd,

    Doch niet vertreden leit.

 

De klamme hand wordt koud als ijs,

    En staakt haar mat getril;

't Gegolf des boezems heeft gedaan;

    De pols - het hart - staan stil.

 

Een zachte snik . . . zij is niet meer !

    Vergeefs zijn kunst en klagt !

Geen morgen straalt, met wekken licht,

    Op 't rustbed, dat haar wacht.

 

Maar gij, die, aan haar droevig eind,

    Een traan van deernis wijdt,

Gevoelt ook, wat haar Bruidegom,

    Ach, boven sterven, lijdt !

 

Ontroosbre wanhoop dreef hem voort;

    Zijn blik stond flauw en strak;

En Mijntjes naam was 't eenig woord,

    Dat sinds zijn tong nog sprak.

 

Zoo zwierf hij, tot de ontboeide ziel,

    Na zijnen jongsten stond,

Het hemelsch "Welkom!" hooren mogt,

    Uit Mijntjes englenmond.

 

Een zelfde palmstruik, aan den muur,

    Beschaduwt beider graf.

De steejeugd eert den grijzen stam,

    En plukt geen loovers af.

 

Terug naar overzicht

Het vroege kievitsei

(A.C.W. Staring 1767-1840)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Piet Smul trad in de Schuit van Leyden op Den Haag,
En toefde bij het roer, terwijl een Maartsche vlaag,
Verkeerde in zonneschijn; daar kwam een Knaap geloopen:
"Een Kievitsei! wie wil 't voor twee zesthalven koopen !
" 't Is vroeg" zei Smul "ik neem 't - voor één zesthalf." "Zeg twee,
Mijn Heer; ik geef u 't Ei in 't Mandje meê !"
De koop lukt, en de Schuit wordt van den wal gestooten;
Met roept de Knaap: "Mijn Heer, haast was mij iets ontschoten;
Het vuur dient voor uw Ei niet al te hard gestookt;
Ons Grootje heeft het al verleden jaar gekookt."

 

Terug naar overzicht

Het vrolijk leren

(Hieronymus van Alphen 1746-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen,
En waarom zou mij dan het leren vervelen ?
Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.
Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;
Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,
't Is wijsheid, 't zijn deugden, naar welke ik haak.

 

Terug naar overzicht

Het wormpje

(W.J. van Zeggelen 1811-1879)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een wormpje zat verscholen
En spon zijn draadje fijn,
Hij was een needrig wormpje
En praalde niet met schijn.
Hij koos in 't groen een hoekje,
Ach, matig was zijn deel;
Zijn eisen waren weinig,
Zijn giften waren veel.
Het draadje was gesponnen,
Hij leî zich rustig neer,
En, diep in 't groen gedoken,
Spon hij geen draadje meer;
Maar dra ontluikt hij weder

Verjeugdigd, vrij en vlug,
In andere gedaante,
Met wiekjes aan de rug.
Hij geeft aan 't oude nestje
Een dankbare afscheidsgroet,
En vliegt een ander leven
Heel vrolijk tegemoet.
Nu zweeft hij over bloemen,
Blikt soms eens naar beneên,
En daalt en fladdert verder,
Wij weten niet waarheen.

Wij zullen ook herleven,
Na 't einde van ons werk,
Dan zijn wij zonder banden,
Dan zijn wij vrij en sterk.
Maar deugd moet ons geleiden
Tot zulk een heerlijk lot,
Vol vreugde, vol verrukking,
Vol ongekend genot.
Dan willen wij naar de aarde,
Hoe lief ons thans, niet weer,
Maar leven zonder einde
Bij onze lieve Heer.

 

Terug naar overzicht

Het zoet geheim

(Frederik van Eeden 1860-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn vrouwtje roept me:
"O echtvriend, hoor !"
En fluistert zachtkens
Mij iets in 't oor.

Een zoet geheimpje
Lispt zacht haar mond,
Het doet haar blozen
Als de ochtendstond.

Zij stamelt weiflend,
En durft het nauw,
Van dokter, baker
En wiegetouw.

Het zoet verhaaltje
Doortrilt mijn ziel,
Of er een straaltje
Der zon op viel.

De vader dichter !
De dichter "pa !"
O Heer ! ik dank u
Voor uw genâ !

 

Terug naar overzicht

Hij heette Van Dijk

(met dank aan Diana Aarts voor het sturen van de tekst)

De man die deze week gestorven is heette Van Dijk.

Het was een goeie vent.

Door ’t venster zie ik zijn begrafenis,

Zou hij het zelf ook zien op dit moment ?

 

En fladdert hij verschrikt een eindje mee

Om heel die zwarte optocht te bekijken ?

Vindt hij het goed ? of is hij ontevreê

Over die kist met imitatie eiken,

 

En denkt hij: o, het moest weer voor een prik !

Natuurlijk weer geen orgel en geen aula….

En denkt hij dan ook op dit ogenblik:

Twee volgauto’s ? Wat harteloos van Paula !

 

En denkt hij: kijk, daar loopt m’n zwager Jan,

Die huichelaar, alleen voor het decorum !....?

Of trekt hij zich die dingen niet meer an

En lacht hij voor zich uit ? Ik hoop het voor ‘m.

 

Zo peins ik, als ik uit het venster kijk.

Heeft hij het koud ? En heet hij nóg Van Dijk ?

 

Terug naar overzicht

Hoenders

(J.P.J.H Clinge Doorenbos)

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Uit een kippologisch oogpunt
Is een kip zeer intressant,
Duid’lijk kun je constateren:
Zij is aan de Mens verwant.
Bij hun médeschepsels voelen
Mens en kip zich supérieur,
Beide zijn zij soms onvriend’lijk
Bij verschil van ras of kleur.
Als je even om je heen kijkt
Naar gebrilden, groot en klein,
Krijg je er een goed idee van
Hoeveel mensen kippig zijn
En zelfs als zij niets presteren
Komen zij vaak tijd te kort
Doordat er door mens en kippen
Véél te veel gekakeld wordt.
En bij onderlinge ruzie
Denkt de mens en denkt de kip
Ieder in zijn eigen taaltje
Bij zich zelve: krijg de pip.
Beiden redeneren wel eens
Net als kippen zonder kop,
Beiden vinden ’n half ei doorgaans
Béter dan een lege dop.
Beide zijn ze vaak verkouden,
Dat is mens- en kippen-lot,
Bij de méns heet dat verkoudheid,
Bij de kippen heet het snot.
Elke kip denkt automatisch:
Hoe behaag ik meneer Haan,
Die victorie kraait en ’s morgens
Steeds de zón weer op laat gaan..
Zéér terecht voelt élke haan zich
Héér en meester, supérieur,
En in ’t kippen-huw’lijksleven
Houden hanen niet van sleur.
Hij is gráág haantje de vóórste
En kraait zélfbewust in ’t rond:
Hanen, WILT HEDEN NU TREDEN,
(’t Bondslied van de Hanen Bond.)

 

Terug naar overzicht

Holland

(E.J. Potgieter (1808-1875))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Graauw is uw hemel en stormig uw strand,
Naakt zijn uw duinen en effen uw velden,
U schiep natuur met een stiefmoeders hand,
Toch heb ik innig u lief, o mijn Land !

 

 

Al wat gij zijt, is der Vaderen werk;
Uit een moeras wrocht de vlijt van die helden,
Beide de zee en den dwing’land te sterk
Vrijheid een’ tempel en Godsvrucht een kerk.

 

 

Blijf, wat gij waart, toen ge blonkt als een bloem:
Zorg, dat Europa den zetel der orde,
Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem’,
Land mijner Vad’ren, mijn lust en mijn roem !

 

 

En wat de donkere toekomst bewaart,
Wat uit haar zwangere wolken ook worde,
Lauw’ren behooren aan ’t vleklooze zwaard,
Land, eens het vrijst’ en gezegendst’ der aard’.

 

Terug naar overzicht

Hollands fabrikaat

(met dank aan Jeanne Lubach voor het sturen van de tekst en C.Smaling voor een aantal correcties)

In een frisse etalage

Van een groentehandelaar,

Stond een kist met fijne appels

Voor de verkoop kant en klaar.

Lonkend lagen zij te lokken,

Als een luxe lekkernij.

't Was als wekte zij de kopers,

Kom eens binnen bijt in mij.

 

Een mevrouwtje zag ze liggen,

Kon maar even weerstand bie'n.

Zij naar binnen,

"Koopman ik wil die appels,

Laat eens zien."

Spoedig was de zaak beklonken,

De appels gingen in een zak.

Net zou hij gesloten worden,

Toen de dame eensklaps sprak:

"Winkelier, vertel eens even,

't Maakt voor u wellicht niets uit,

Maar ik wil het heel graag weten,

Het is toch wel zeker Hollands fruit?"

 

" 't Spijt me dame" was het antwoord,

Hollands zijn die appels niet,

't Zijn Amerikaanse weet u,

Maar toch prachtig zoals u ziet."

"Prachtig zijn ze" zei de dame,

"Ik werd er dadelijk door verrukt.

Maar wil 't mij niet kwalijk nemen,

Ik eis uitsluitend Hollands product.

Hollands fabrikaat wil ik steunen,

Ruil ze dus voor mij dit keer,

Geef mij nu in plaats van deze,

Sinaasappelen mijnheer."

 

Terug naar overzicht

Hond

(Schoolmeester 1808-1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een hond is iemand, die van zijn baas bijzonder veel houdt,
Die hij, om zo te spreken, als zijn derde vader beschouwt,
En die hem dikwijls een hele boerewoning toevertrouwt,
Waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven vandaan weet te jagen
En de post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.

 

Terug naar overzicht

Hond

(Schoolmeester 1808-1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een hond is vermaard
Om zijn gezellige aard
En 't kwispelen van zijn staart.
Zijn neus, doorgaans rond,
staat gewoonlijk in 't front,
En zo lang die maar nat en fris is,
Is 't een bewijs, dat meneer zo gezond als een vis is.

 

Terug naar overzicht

Hopman Dirk

(Const. Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Zij liegen 't, die verklaren

Dat Dirk geen hart en heeft,

In allerlei gevaren

Gevoelt hij dat het leeft,

En als de popelblaren

Van 't minste windje beeft.  

 

Terug naar overzicht

Houd uw hoofd koel

(met dank aan Riet Rademakers en Carolus Moens voor het sturen van de tekst)

Houd uw hoofd koel

En uw voeten warm,

Vult met water uwen darm

Houd uw achterste pijp open

En laat alle dokters naar de klote lopen..........

 

Versie 2

Hou het hoofd koel

en de voeten warm

vult matig uwen darm

hou goed het achterpoortje open

en laat de dokters naar de klote lopen

 

Terug naar overzicht

Huiskrakeel

(A.C.W. Staring 1767-1849)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Piet Fop was met de Vrouw aan 't kijven.
Zij smeet hem, naar de aard der wijven,
De sleutels naar de kop !
Piet nam ze lachend op,
En sprak: "mijn Kind, zal IK na deze
De sluiter in dit Dolhuis wezen ?"

 

Terug naar overzicht

Huwelijksgerecht

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Richt uw blikken op de wijde wereldzee,

Laat dit u niet verschrikken,

Het maakt u sterk in wel en wee,

Hij werpt op ’t strand het voorgerecht.

“ ‘t  Krachtnat” laat hij na in ‘t keren,

Waar een steert is ingelegd.

Ziet ge ginds die bootjes komen op zijn huwelijks bereid ?

Wijl de tarbot zonder schromen zacht op een sausje glijdt.

Ei, wat komt daar aan gedreven

In een muizen kantjes schaar ?

“Heilbot” is ‘t, wat een leven,

Nu verdwijnt het kaasgevaar.

Om het bootmachien te smeren,

Dat het draait lijk het behoort,

Houdt den zwezerik in ere,

Die de maag nog wel bekoort.

Wilt gij glijden als een veder,

Op het water goed geluimd ?

Bootslui zorgt dat ge in salade héél teder,

Nu wel een kieken pluimt.

Naar geen ijsberg moet ge stomen,

Liever veert naar ‘t land van “fruit“.

Laat het gebak u wel bekomen,

Nu de boot maar op “vooruit“.

 

Terug naar overzicht