(Victor dela Montagne (1854-1915) voor
Nora de Bom)
(met dank aan Ad Kanters voor het sturen van de tekst)
Ik zie er op
een oud Hollandsch plein
een vriendlijk huizeken fijn en klein,
van heldre tichelsteentjes gebouwd
en vast wel een paar eeuwen oud.
Puntgeveltje met trapkens vier, vijf, zes,
met houten luifel en hoog bordes,
half verborgen in looverpracht
spiegelt het zich in de stille gracht.
En als er een zonnestraal over zinkt
al wat eraan is schittert en blinkt,
de ruitjes in den vensterboog
en 't gulden weerhaantje heel omhoog.
Wat heeft er dat huizeken fijn en klein
al niet beleefd op het eenzaam plein,
wat zag het, sinds het daar heeft gestaan,
geslachten komen, geslachten gaan ...
Wat zag het wissling van wel en wee
van nood en welvaart, krijg en vree,
wat borg het al niet in zijn schoot,
ontwakend leven, nakende dood ...
Toch, gingen jaren en eeuwen voorbij,
het bleef gespaard, één uit de rij,
het bleef gespaard, nog staat het recht,
't voorname geveltje, sterk en echt.
't Lijkt wel, zoo oud, toch zoo helder en net,
een besje met hagelwitte kornet,
wanneer haar rimplig verweerd gezicht
een milde jeugdige lach verlicht.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Een jongen
sprak beschroomd aldus zyn’ vader aan:
Ach ! mogt ik, als ’t u belieft, meê naar de kermis gaan ?
Myn neefjes staan gereed: de man zei: ’t mag niet weezen
Gy moet hier stil in huis de katechismus leezen.
Denk wat heeft Salomon gezeid,
De waereld is maar ydelheid,
Een op gesmukte pop, waar voor de jeugd moet vreezen
Ja, sprak de jongen, dat zei Salomon misschien
Na dat hy honderdmaal de kermis had gezien.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Een ‘hoofd der
school’ stortte in het water
En wilde een noodkreet slaken ook,
Maar was in twijfel wát te roepen,
Terwijl hij al meer onderdook.
Zou ‘t ‘Help !’ zijn ? Of, was ’t meer taalkundig,
Te roepen ‘Hulp !' ? – een moeilijk iets.
En midder’lerwijl verdronk de meester;
Want door die twijfel riep hij niets.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Jeroen wou
zeggen: 'buitensporig',
Maar 'borenspuitig' kwam er uit.
Een poging, om 't weer goed te maken,
Had 'sporenbuitig' tot besluit.
Nog bleef de man naar juistheid streven
En 'spuitenborig' werd de klank;
Toen zag hij af van verder pogen
En sprak: 'Meneren! 'k zeg u dank,
Dat gij de daad hier voor de wil naamt;
Een goedheid, die uzelv' vereert,
Maar die ik toch ook wel verdiend heb,
Want 'k zeg het goed, maar 'k meen 't verkeerd.
'k Zal echter nu de mond maar sluiten.
Want naar een spreuk, zo waar, als oud,
Die zeker al de heren kennen,
Is spreken zwijgen, zilver goud.'
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Nu is zij dood
..
ze was van mij,
ze leefde jaren aan mijn zij
en kende nauwelijks mijn taal;
haar leven was een vreemd verhaal.
Zij kwam een avond met een lach
en bleef ook na de eerste dag;
zij is mij met een lach verschenen,
na vele tranen ging zij henen;
ik gaf haar meer dan kleed en brood ..
Nu is zij dood !
Nu is zij dood ..
haar kleine hart
kan niet meer zeggen wat het mart,
en beide ogen zijn gedoofd;
‘k heb in hun gloed heel lang geloofd;
haar lippen zijn van klank ontdaan,
nu zij voor goed is heen gegaan.
Zo sluipend stil is zij verdwenen;
zij ging voor altijd van mij henen
het leven in, dat flonk’ring bood ..
Nu is zij dood !
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Wij zaten laatst
bij Saartje,
Onze oude goede baker,
Die sprookjes kan vertellen.
Wij dronken chocolade,
En deden honderd vragen.
In 't einde zei ons Saartje:
Wel nu, mijn hartediefjes !
Gij kent de vier getijden,
Wat houdt gij voor het beste ?
Toen zei mijn zusje Miesje,
Die tijd is mij de liefste,
Wanneer de bomen bloeien.
Dan krijgt men mooie bloempjes,
Om tuiltjes van te vlechten.
Dan ziet men duizend vogels
Op groene takjes zingen.
Is dat niet in de lente ?
De winter, lieve Saartje !
Zei Pietje, is de beste,
Dan horen wij vertellen,
En drinken chocolade,
Of eten dikke wafels.
Neen ik verkies de zomer
Zei Keesje, dan is 't kermis.
Dan hoef ik niet te leren.
Maar ik zei, 't is het beste,
Als meest de vruchten rijp zijn.
Dan valt er braaf te knappen.
Dan heeft men abrikozen,
En pruimen, en morellen,
En perziken, en peren:
En is dat niet in 't najaar.
Hoort kinders, zeide Saartje.
De winter moet de velden
En tuinen vruchtbaar maken.
Met moet de bomen snoeien;
De akker moet men mesten;
Dat doet men in de winter.
De bomen moeten bloeien,
Om vruchten ons te geven;
Dat doen zij in de lente.
De vruchten moeten groeien;
Dat doen zij in de zomer.
Men moet de vruchten plukken;
Dat doet men in het najaar.
Dus moet gij, lieve kinders,
In alle jaargetijden
Gods wijze goedheid loven,
En wel te vrede wezen.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Een vriendelijk
aardig vogelijn
Zong in de heldere zonneschijn
Op zachte toon zijn afscheidslied
Vergeet de kleine vogel niet
Vaarwel, vaarwel, vaarwel de tijd vliegt snel
Vaarwel vaarwel
Ik keek de vogel
droevig aan
En zei gij moogt niet henen gaan
De tijd duurt hier maar al te kort
Ik zorg voor u als 't winter wordt
Blijf hier blijf hier, blijf hier mijn aardig dier
Blijf hier blijf hier
De vogel sprak 't
wordt mij te koud
Te kil in 't bos te kaal in 't hout
In 't voorjaar zien we elkander weer
Voor mij zorgt onze lieve Heer
Ik kom ,ik kom, ik kom heel gauw weerom
Ik kom weerom
(met
dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)
Egelantieren
roosken, roosken,
liever komt uw geur te mij,
als uw broeder, als uw zusters,
of ’t zij welker blom het zij;
g' hebt een zuiver geluw hertjen,
en ge 'n duikt het niet, voorwaar,
g' hebt vijf bleekroo’ blijde vlerkskes
en zulk schoon gefriezeld haar;
g' hebt alle andere deugden, g' hebt een,
alderliefste name, maar,
hij bediedt een fel gebekten,
stekelsafden tronk, nie’ waar?
Nu
is de winter pas compleet !
Nu heeft het pas gevroren,
Nu wij het woord "Elfstedentocht"
Van ieders lippen hooren.
Nu mag de winter van dit jaar
Pas echte winter heeten,
Nu zich de besten met elkaar
Ten langen afstand meten.
Nu zien we Nêerland op zijn best,
In volle schaatsenglorie.
Het tooverwoord: Elfstedentocht
Is ons een stuk historie.
Nog donker is het, als ze gaan
Langs sloot, kanaal en meren,
Weer donker is het, als ze straks
Aan 't eindpunt arriveeren.
Nu zien we Nêerland op zijn best,
Per schaats langs die elf plaatsen;
Het bloed kruipt waar het niet kan gaan,
Nog liever rijdt het schaatsen.
Er
volgen op uw levenspaan
14 engelen die u gadeslaan
2 aan uw hoofdend
2 aan uw voetenend
2 aan uw linkerzij
2 aan uw rechterzij
2 die u dekken
2 die u wekken
2 die u wijzen
Naar 's Hemels paradijzen
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ja als 't niet
kan, dan kan het niet !
Zo hoor ik alle dagen
Van flauwerds en van tragen
Maar ik, ik haat dat laffe lied;
En zo mij God de kracht wil gunnen
Dan zeg ik wat er ook geschiedt:
't Moet kunnen !
Komt haal de handen uit de zak !
En steek die uit de mouwen.
Gij mannen en gij vrouwen !
Staat af van lust en van gemak !
En valt er soms wat zwaars te tillen,
Denkt: "willen" tilt het zwaarste pak,
'k Wil willen !
Wat flink en eerlijk is, en goed,
Hoe zwaar het ook moog' lijken
Zal licht en handig blijken
Wanneer men 't pittig wil, en doet,
Hoe of 't dan lopen mag en runnen
Zegt steeds met ernstig, vroom gemoed:
't Moet kunnen !
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
O Heer, het wordt
nu tijd, wellicht, U aan te roepen.
Men weet niet goed... De vrees voor 't einde blijft bestaan.
De dood vergeet ons nooit. Men moet beproeven
een al te grote doodsstrijd te ontgaan.
De dood doet de arme mens naar vrome leugens zoeken.
Gij, Heer, Gij zetelt hoger dan de dood, daarboven,
dan 't zèlfde eind, altijd, van ieder lot.
De stervenden die roepen, werden eerst geboren,
Gij waart steeds, onverstoorbaar, in Uw rol van God,
De Zoon des
Mensen vond, tot hier, de liefste logen.
Zijn dood was hard, hij kon er iets voor krijgen,
hij werd Zoon Gods en Onze-Lieve-Heer.
Hij wist de dood, zei men, zo stervend, te bestrijden,
hij overwon de dood en wat niet meer ?
Het blijft een aaklig iets, te hijgen en verstijven.
Het blijft een aaklig iets, naar 't eigen hart te luistren,
te weten dat men dood is, als het stil blijft staan.
Die spierknobbel met kleppen waardoor 't bloed moet spuiten,
die rustloos vijftig, zestig jaar kan slaan,
en soms opeens uiteenspat, als een vat in duigen.
't Is heus wat anders dan zich laten baren;
men meet de dood soms na, bij vol verstand.
Tegen de vijf die suffend, zat van dagen,
gelijk een nachtkaars uitgaan, opgebrand,
zijn honderd die gefolterd in hun doodszweet baden.
De dood is niets misschien, het doodgaan alles.
En zij die de englen zien, een glimlach op 't gelaat,
en zij die vol berusting in het niet-zijn vallen,
zij maken wat zij kunnen van hun poovre staat.
Het blijft de wrede strijd van duive tegen valk.
Ik had een vriend, o Heer, wiens hart was uitgezwollen
tot bijna driemaal de omvang van een mensenhart,
men heeft hem, toen hij sterven ging, bevochten,
hij wou zijn hoofd in twee slaan om de barst,
het trage barsten van dat hart niet meer te volgen.
Ik had een andre vriend die met verrotte longen
trotseren moest het vlijmen van de scherpe kou,
in een verlaten tuin, waar ongestoord het domme
systeem zijn vreugde wurgde en niet verjagen zou
de dood die eens zijn moeder meegaf aan haar jongen.
Het is voorwaar geen wonder als de rede
ons bij de doodgedachte dringt naar zelfmoord.
Het mes van Jack the Ripper was een zegen,
o, onvoorziene dood die nauwlijks stoort!
de meesterlijke moord zij grotelijks geprezen.
Want zelfmoord, Heer, is moeilijk, wil niet altijd slagen,
Cleopatra en de adder waren beiden sterk,
het gif van Mithradates deed hem angstig braken,
een slaaf, met beevrig zwaard, volbracht het werk.
Een zelfmoord is verzekerd tot de keus van 't wapen.
De dood is
vriendlijker, wellicht, in de ongelukken
die dagelijks de brave burger grieven:
de motorrijder die zich reed in stukken,
de machinist door twee locomotieven
vermorzeld wijl hij even stond te dutten.
De metselaar die van de ladder stortte,
wiens hoofd sloeg op de keien tot een ommelet,
en de arbeider, in een machien getrokken,
die, voordat men één wiel had stop gezet,
als nameloos gehakt alweer was uitgeworpen.
De kleine meisjes die door de ijslaag schoten,
wier doodskreet tot een sliertje stroom bevroos
en naar wier lijkjes niemand heeft gedoken,
het kind uit de achterbuurt dat achteloos
met kokend water, telkens weer, wordt overgoten.
Bepaald, de dood is vriendlijker voor de arme mensen,
zij sterven maklijker, zijn meer met hem vertrouwd.
Hij geeft ze lachjes, knipoogjes en wenken,
de vrees voor wat men dikwijls ziet, verflauwt.
De dood lijkt haast een doel, voor hen die dood zich werken.
De dood is de gezel der lange wintermaanden,
plichtmatig, zoals zij, voor de armen op het land.
Zij zwoegen rustig voort, zij strooien nieuwe zaden,
en rustig, als een veldbloem door een kinderhand,
plukt hij een zwoeger weg van de omgeploegde aarde.
De dronken vagebond, die lacht onder het kwijlen,
en kwijlend lachend loopt onder een volle trein,
de blinde bedelaar, te oud om te overlijden,
die op een heldre nacht zijn nek breekt zonder pijn,
het is de moeite niet naar zo'n dood om te kijken.
De werklijk harde dood daalt neer in verenbedden,
en vlijt zich lang en zwaar tegen een zachte borst,
en kust een zachte mond om 't aadmen te beletten,
en knijpt een zachte keel die nauw en gloeiend wordt,
en luistert naar het hart dat zich nog blijft verzetten.
Een dood die tellen mag, is wulps als een hetaire,
doch traag en zeer ervaren als een succubus.
Hij snuift de droppen zweet in die op 't voorhoofd paarlen
en drinkt de laatste adem met een diepe kus.
Hij schat de patiënt altijd op juiste waarde.
Hij is volmaakt beleefd en kondigt zijn bezoeken
soms weken lang vooruit zijn uitverkoornen aan,
die hem verkiezen, iedre fase liever proeven
dan rap en onverhoeds het leven uit te gaan.
Hij geeft hun tijd, o Heer, U vlijtig aan te roepen.
Want, Heer, zij duchten U veel méér soms dan het sterven,
zij zeggen: ''t Sterve' is kort, maar God is eindeloos!'
Zij menen dat Gij veel, veel meer van hen zult vergen
dan zo een triest sinjeur als zo een trage dood.
Gij, Heer, Gij zijt in staat hen eeuwig te verderven!
Het is geen klein verschil. Een ziel van stoom kastijden
wanneer het lijf van vlees sinds eeuwen is verrot,
het is wat anders nog dan 't schenden van wat lijken,
het is het waarborgsmerk van een heel ware God.
werk zo groots, o
Heer, geen epos kan 't beschrijven.
Zij hebbe' elkaar vermoord om U, Heer, te verdienen,
het zondig vlees gekerfd, geradbraakt en verkoold.
Groot is, goddank, de schaar der liefdevolle lieden
die zacht de poten breken van het schaap verdoold,
en lang voor 't stervensuur Uw paradijs verwierven.
Verwonder U dus niet wanneer zij daaglijks janken,
zij die U vrezen 't zeerst, zijn ook Uw ware trouwen.
Tussen de man die meent alleen te mogen danken
en hij die U slechts roept in 't klamme doodsbenauwen,
tussen die schobbers, Heer, zijn duizend overgangen.
En als ik minder bid dan de echte katholieken,
of de echte protestanten, die 't niet minder doen,
het is om van een schaars gebed tienvoudig te genieten
en uit bescheidenheid. Het afgeblaat sermoen,
ik ben er zeker van, is niet naar Uw believen.
Ik heb U, Heer, naar 'k hoop, ditmaal met recht gebeden,
ik ben geen twijflaar, Heer, voorwaar geen twijfelaar!
De twijfel is te slim en hindert mijn geweten,
ik heb niets uit te staan met deze handelswaar,
als zij die koster zijn en die Urbanus heten.
Heb ik gezondigd tegen 't tweede der geboden?
Ik riep U met in mij het schroeiendste venijn
dat ooit uit mensenhart vervloeide in mensenwoorden,
de vrees, de grote vrees in 't afgeschuurd refrein:
De dood, de dood, de dood, het doodgaan, en de doden.
De dood is altijd kort, duurt hoogstens één seconde,
men is dood of niet dood, zoals Stendhal ons leert.
De foltering vooraf is langer aan de orde,
en iemand die, als Job, ontzaglijk blasfemeert,
kan zeggen: 'God mijn Heer, dit is Uw grootste zonde!'
Maar als ik mij verstout U op de dood te wijzen,
dat is het wijl ik denk dat Gij hem soms vergeet.
Zend mij een leugen, Heer, als ik met hem zal strijden,
een leugen, groot als de ernst die 'k in deez' verzen deed.
Want de ironie, zegt men, schaadt aan de poëzije.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Gij badt op enen
berg alleen,
en... Jesu, ik en vind er geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:
de wereld wil mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn ogen sla;
en arm als ik en is er geen,
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
O, leer mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Onder hun huid
van teder craquelé
staan zij hun leden langzaam te bewegen
Zij zeggen niets en houden niets verzwegen
en lopen willig met zichzelve mee.
Zij speuren naar het langgerekte dromen,
dat altijd in hun neusgaten vibreert.
Zij hebben van de mensen niets geleerd
en daarom is het licht in hen volkomen.
Zij leven enkel door het doodstil oog.
waarmee zij van de wereld weg geraken.
- Het blijft een ogenblik aan 't zonlicht haken. -
Even bewegen zich de dunne kaken
Maar niemand hoort hun broze monoloog.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Zy kwamen na
jaren uit Brabant weerom
met vliegend vaandel en slaande trom,
en zagen de zon, by het zinken,
op 't duin van hun vaderland blinken.
Zoo rukken zij voort -- 't is de zee, die hen trekt --
maar ginds, waar het gras hun gevallenen dekt,
is 't, of hun een 'halt !' wordt geboden,
en houden zy rust bij de dooden.
"Kom, sla hier de trommel en steek de trompet !
Maar langzaam en statig, als zy 't een gebed,
en treed met ons vaandel naar voren;
zy zullen het Prinsenlied hooren !"
Zy zongen het, saâm om de heuvel geschaard,
met de hand aan den hoed, met de hand aan het zwaard,
En plechtig, ver in 't ronde
klonk 't lied van Aldegonde
Toen sprak nog de hopman een: "Broeders, Goênacht !"
en 't vendel trok voort. Aan de kim, als een wacht,
verhieven Hollands duinen
in 't avondrood hun kruinen.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
God is zo ver ! -
Ik kan Hem niet bereiken
Mijn bede rijst niet hoger dan die ster
En hoger woont Hij dan de sterren prijken -
God is zo ver !
God is zo rijk ! - Berooid, met lege handen,
Schuil 'k huivrend weg, een bedelkind gelijk.
Mijn haard is zo koud, reeds donkren de avonlanden
God is zo rijk !
God is zo groot ! - In blauwe hemelzalen
Schalt engelzang, maar dringt geen kreet van nood.
Hoe zal Hij zien mijn droef en eenzaam dwalen ?
God is zo groot !
God is nabij ! - Ik voel zijn adem waren
In 't wuivend woud, dat suizelt, vroom en blij.
Ik voel zijn adem huivren door mijn haren -
God is nabij !
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Was ik een nachtegaal, ik wou mijn
Schepper eren
Met Zijne grote lof altijd te kwinkeleren,
Dat bossen, berg en dal zou deunen van de klank,
En de woudvogeltjes vergeten hare zang.
Ik ben geen nachtegaal, maar, in veel groter ere,
Een mens, het evenbeeld van aller heren Heere.
Ik wil dan mijne stem doen horen alle man
En prijzen Hem zo hoog en verre als ik kan,
Niet vragende een zier naar al het lelijk pruilen
Of misselijk getier van eksters en van uilen,
Verzekered dat Hij, die eeuwiglijken leeft,
Mijn tong tot Zijne roem alleen geschapen heeft.
(Nicolaas Beets, Grafschrift voor
mijzelven, 1886)
(Nicolaas Beets 1814 - 1903)
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Twee dingen heb ik willen zijn:
Een Christen en een Nederlander.
Gebrekkig was ik 't een als 't ander;
Maar toch naar 't wezen, niet in schijn.
Zoo 't slechts gebrekkig is geweest:
God en mijn Volk moog 't mij vergeven !
Maak gij het beter, die dit leest;
Gij hebt nog tijd van leven.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Eurekamen, Eurekamen ! wij hebben het
gevonden !
De gang der wereld is aan oorzaken gebonden.
Alles wordt door oorzaak en gevolg geregeerd;
Daarom gaat alles perfect en rolt als gesmeerd.
Oorzaken en gevolgen houden alles in orden;
Gevolgen, die weder oorzaken worden;
Oorzaken, die weer gevolgen genereeren;
Gevolgen, die weer tot oorzaken promoveeren;
Tot oorzaken, in gevolgen weder schatrijk,
Pulu-lu-lu leerende onophoudelijk.
Het is een systema van schakels en lussen
En haken en oogen; geen speld kan er tusschen;
In ‘t stofflijk, in ‘t zeedlijk, in hemel en aard
En daarmee zijn alle problemen verklaard !
Onze ouden hebben voor menig probleempje gezeten;
Maar ze hebben ook van geen oorzaken geweten;
Zij hebben om geen gevolgen gedacht;
Wij zelv’ zijn maar pas op dat denkbeeld gebracht.
‘t Was ook niemand te vergen op die hoogte te komen,
Eer hij, bij gaslicht, door tunnels mocht stoomen,
d’Afstand vernietigde per telegraaf,
En heer van de stof werd, inplaats van haar slaaf.
Het was, wel beschouwd, een vergeeflijke zotheid
Der vroegre geslachten, die droom van een godheid.
Een hoogere zorg, een voorzienig bestuur,
Een koning der wereld, een heer der natuur,
Een geest, een verstand, dat formeerde en regeerde,
Een zeedlijken wil, die de stof reguleerde:
Zij konden niets anders, zij wisten geen raad.
Zij zagen het niet, dat de plant uit het zaad.
Van de plant weer het zaad komt, en zoo in ‘t oneindige !
Daarom was hun wijsbegeerte ook eene ellendige.
Nu is dit wel laat, maar toch tijdig ontdekt,
En geeft ons een inzicht dat mijlenver strekt.
‘t Is het ei van Columbus; een kind kan ‘t begrijpen:
Alle gevolgen dansen naar der oorzaken pijpen;
En, zoo lang maar conform dat principe geschiedt,
Is het leven een dansjen, en meer ook niet.