SeniorPlaza

Een afgeluisterd gesprek

(Dr. E. Laurillard (1830-1908))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

In de tram wordt plaats genomen

Door een man, die hijgt naar lucht,

En wiens ademen 't geluid maakt

Van een diep en zwaar gezucht.

 

In haar Amsterdamse taaltje,

Zegt alras een burgervrouw:

"Uwé schijnt benauwd te weize !"

En de man zegt: "Ja, juffrouw."

 

"Jonges, jonges", spreekt ze verder:

Wat 'n mins wel geife sou,

Om van sou ies of te komme !"

En de man zegt: "Net, juffrouw."

 

"Maar der is niet heil feul baat vour",

Zegt ze; "Sou gefatte kou

De oorzaak zijn ? Je kan niet weiten."

En de man zegt: "Nee, juffrouw."

 

"'k Heb 'n swager, net as uwé,

Die s'n borst is ook sou rouw;

En wat heb die al verdokterd !"

En de man zegt: "Zo, juffrouw."

 

"Onlangs had ie nog so'n vleuchie,

Dat j'ies beiters wachte sou;

Maar 't is nou al weir feul slimmer."

En de man zegt: "Toch, juffrouw ?"

 

"Sie je, ik denk, de doud is 't endje,

Wat je ook al prebeiren wou !":

En de man stapt uit de wagen,

Met de groetenis: "Dag, juffrouw !"

 

Terug naar overzicht

Eén dat is een

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

Eén dat is een

Den ene God alleen

Die wij moeten dienen

En anders geen

 

Twee dat is twee

Twee stenen tafelen

Die Mozes sloeg aan rafelen

 

Drie dat is drie

De drie patriarken

Abraham, Izaak en Jacob

 

Vier dat is vier

De vier evangelisten

Die de zaken wisten

 

Vijf dat is vijf

Vijf dwaze maagden

Die de Heer behaagden

 

Zes dat is zes

Zes kruiken wijn

Die op de bruiloft van Cana zijn

 

Zeven dat is zeven

Zeven sacramenten

Zonder complimenten

 

Acht dat is acht

Acht zaligheden

Zijn er hier beneden

 

Negen dat is negen

Negen engelen koren

Die wij beneden horen

 

Tien dat is tien

De tien geboden des heren

Die wij moeten eren

 

Elf dat is elf

De elf martelaren

Die ten hemel varen

 

Twaalf dat is twaalf

Apostelen zijn er twaalf

Maar Judas de verrader

 

Terug naar overzicht

Een droom

(met dank aan Will van Buul voor het sturen van de tekst)

Tik, tik, tik en de kleine knuistjes van de kleine Marian,

Klopten o zo zacht en zeker bij de heilige Petrus an.

Hele grote sleutelbossen kwamen naderend dichterbij,

Ha, daar zag zij Sinte Pieter. ”Zeg eens kind, wat wilde gij ?”

 

“Heilige Petrus”, klonk het bevend, “ ‘k wil zo graag de hemel in,

Doe eens gauw dat poortje open, toe Sint Pieter, ‘k heb zo’n zin.”

“Maar dat gaat zomaar niet ! Zeg eens eventjes je naam.”

“Marianneke Sinte Pieter, Marianneke van Kaan.”

 

En zijn grote dikke vingers kwamen telkens verder maar.........

Eindelijk, ja daar stond hij stil, oh wat keek hij vreselijk naar.

Sinte Pieter keek niet vriendelijk, las zo half en half hard op,

Marianneke had wel kunnen huilen, haar hartje ging van klop klop klop.

 

“Kindje, lief, ik zie hier zo weinig goeds geschreven in je boek.

Wel veel ongehoorzaam wezen, eens gesnoept van peperkoek,

Nagejouwd en uitgelachen, Sanne de oude groentevrouw,

Ook gejokt, en slecht gebeden, alles zonder minst berouw.”

 

“Heilige Petrus, ik dacht niet dat je boven alles zag.

Ik zal heel braaf zijn Sinte Pieter, als ik nog eens naar Moeke mag !

Vraagt u eens aan lieve Heertje, kindje Jezus is zo goed,

Heus ik zal veel braver wezen, alles doen zoals het moet.”

 

“Nee, nee, nee, mijn kleine peuter, al jouw tijd is nu voorbij,

Niemand krijgt hier een retourtje, kom jij maar eens mee met mij.”

Oh wat ging toen het keeltje open, het kindje schreeuwde moord en brand,

Moeder vloog naar zusjes bedje en vroeg: ”Wat is er aan de hand ?”

 

Wakker met behuild gezichtje, lag Marianneke in bed,

“Ik heb zo vreselijk gedroomd moe, ‘k lag in ‘t vagevuur daarnet.”

Het was een lesje voor ons meisje, en komt het duiveltje soms weer,

Dacht ze even aan die vlammen en deed het kwaad nooit meer.

 

Terug naar overzicht

Een Huizeken

(Victor dela Montagne (1854-1915) voor Nora de Bom)

(met dank aan Ad Kanters voor het sturen van de tekst)

Ik zie er op een oud Hollandsch plein
een vriendlijk huizeken fijn en klein,
van heldre tichelsteentjes gebouwd
en vast wel een paar eeuwen oud.

Puntgeveltje met trapkens vier, vijf, zes,
met houten luifel en hoog bordes,
half verborgen in looverpracht
spiegelt het zich in de stille gracht.

En als er een zonnestraal over zinkt
al wat eraan is schittert en blinkt,
de ruitjes in den vensterboog
en 't gulden weerhaantje heel omhoog.

Wat heeft er dat huizeken fijn en klein
al niet beleefd op het eenzaam plein,
wat zag het, sinds het daar heeft gestaan,
geslachten komen, geslachten gaan ...

Wat zag het wissling van wel en wee
van nood en welvaart, krijg en vree,
wat borg het al niet in zijn schoot,
ontwakend leven, nakende dood ...

Toch, gingen jaren en eeuwen voorbij,
het bleef gespaard, één uit de rij,
het bleef gespaard, nog staat het recht,
't voorname geveltje, sterk en echt.

't Lijkt wel, zoo oud, toch zoo helder en net,
een besje met hagelwitte kornet,
wanneer haar rimplig verweerd gezicht
een milde jeugdige lach verlicht.

 

Terug naar overzicht

Een jongen verzoekende op de kermis te gaan

(Pieter Langendyk 1683-1756)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een jongen sprak beschroomd aldus zyn’ vader aan:
Ach ! mogt ik, als ’t u belieft, meê naar de kermis gaan ?
Myn neefjes staan gereed: de man zei: ’t mag niet weezen
Gy moet hier stil in huis de katechismus leezen.
Denk wat heeft Salomon gezeid,
De waereld is maar ydelheid,
Een op gesmukte pop, waar voor de jeugd moet vreezen
Ja, sprak de jongen, dat zei Salomon misschien
Na dat hy honderdmaal de kermis had gezien.

 

Terug naar overzicht

Een lied van de zee

(Helena L. Zwart)

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Flauw flikkert het lampje in een visschers hut,

Oud moedertje zit bij het vuur en dut.

Als donkere schimmen hand in hand

Schuifelen schaduwen langs den wand;

Droef zingen de golven een wiegelied

Voor wie daar in de baren zijn leven liet.

Droef zingen de golven een dooden lied.

Oud moedertje sluimert en hoort het niet.

Blij komt hare jeugd in een droom weer om.

Weer voelt zij de kus van haar bruidegom.

Weer luist'ren zij beiden naar het lied van de zee,

Weer zingt in hun ziel de liefde mee.

Weer zwerven zij zalig hand in hand

Trouw leidt hij haar schreden door schelp en zand.

Zacht wiegt haar de waan der verloorne jeugd

En zij siddert en glimlacht van stilte verheugd.

Wie klopt aan de deur ? Een blonde knaap

Stormt binnen en stoort haar kalme slaap.

Wie wekt mij zoo vroeg uit mijn schoone droom ?

Oud moedertje ik kom en hij hapert van schroom.

Flauw flikkert het lampje en met luttel licht

Beschijnt het des jongelings aangezicht.

Oud moedertje uw kleinzoon, wat beteekent die traan ?

Melijdende knaap is in zijn boot vergaan.

Ach tegen de storm is geen man bestand,

Zoo menig lijk is aangespoeld aan land;

Uw kind is dood, en zijn boot is vergaan,

Bleek licht de knaap in het licht der maan.

Roerloos stond zij een wijle daar,

Alsof zij zelve gestorven waar.

Toen greep zij de hand van de visschers maat

Krampachtig, als een die verzinken gaat.

En zij liet hem niet los, en hij ging gedwee,

Als sleurde een wervelwind een willooze mee,

Zoo kwamen zij beiden sprakeloos,

Waar hij lag als een witte water roos,

Daar storte zij neer met eene doffe klacht,

En streelde zijn c1ruipende lokken zacht;

En steunend: kind hoe vind ik u hier

Streek zij uit zijn haren de klevende wier,

En sloot zijne oogen en kuste lang

Zijn paarse mond en zijn witte wang.

Mijn kind wat ligt gij zoo ijzig kil,

Uw adem is weg en uw hart staat stil.

0 God ! 't was al wat ik over had,

Waarvoor ik U morgen en avond bad;

't Was de eenige zoon van mijn eenig kind,

Hoe waart gij mij arme, zoo kwaad gezind.

Heen was de visschers knaap gegaan,

Maar de golven hoorden haar klagend aan.

Wild fladderen meeuwen om haar heen,

En zij bleef met het lijk van haar kind alleen.

Mijn man en mijn zoon: God geve bun vreê

Zijn beiden vergaan in de schoot der zee.

En zij richtte zich op met vervloekend gebaar,

Wild vloog de wind door het witte haar,

Ontnaamt gij mij alles, o booze zee,

Neem mij dan ook in uw golven mee.

Droef zingen de golven een wiegelied,

Voor wie haar in de baren het leven liet.

 

Terug naar overzicht

Een moeder

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Een moeder had een dochter,

Het was haar enig kind,

Ze kon het niet berispen,

Het was te zeer bemind.

Het had van jongs af aan, altijd gevolgd zijnen zin.

Zijnen zin was ene wet voor het héle gezin;

De zin van de falderalderie, van falderalderie.

 

Terug naar overzicht

Een Noordpool-vaart

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een schip voer op de Oceaan,

Met passagiers en vracht belaân;

Doch 't had verkeerde koers genomen,

En was te noordelijk gekomen.

Zoo dreef de niet te groote schuit,

Naar den Noordpool of dien kant uit.

De kapitein deed niets dan vloeken,

Wijl hij een uitweg liep te zoeken.

De equipage was verslagen,

En dronk slechts rum de laatste dagen !

Want daar een schipbreuk was te vreezen,

Wilden ze voor hun dood reeds zalig wezen.

Twee passagiers liepen aan dek,

De één, een koopman, was haast gek,

En riep maar:  Oo ! Wat slaat 't mij tegen,

'k Heb d' koorts op 't lijf van angst gekregen.

Daar heb ik nou, na heel lang sappelen,

Gekocht 10 kisten sinaasappelen,

En nou, nou overkomt me datte,

O, wat een mieze mazzematte.

'k Zie niets dan beren op deez' kusten,

Die geen sinaasappelen lusten.

'k Wordt van de kou maar aldoor strammer,

Wat is me zoo'n kap'tein een gammer.

Hij ging naar Holland, heeft-ie gezegd,

En nou komt-ie aan d'Noordpool terecht.

De and're passagier hield zijn mond,

Omdat geen mensch hem toch verstond.

't Was een Chinees ----- en 't was gebleken,

Dat hij alleen Chinees kon spreken.

Hij zat maar stiekem in een hoekje,

En las in een gebedenboekje.

En prevelde vol melancholie:

"Tja tji Tjong tschi tscha tjing tja tji"

In 't Hollandsch dan beduidt dit alles:

Heere, Heere, wat zit ik in de alles !

 

Zoo dreef het schip reeds dagen rond,

Toen er iets vreeselijks plaats vond;

Een walvisch kwam, ten hoogst verbolgen,

Het ong'luksschip daar achtervolgen.

Zijn muil deed 't beest 6 ellen open,

Alsof hij buit daarop kon loopen.

De manschap kwam toen op 't idee:

Die walvisch is de geest der zee,

Wij moeten hem een offer geven,

"Wellicht spaart hij dan ons leven.

En wat de kapitein ook zei,

Bij die opinie, daar bleven z' bij.

Ze zouden dan een offer plengen,

Om zoo het beest tot rust te brengen.

En de Chinees -----  ook al geen boffer,

Werd door hen toen bestemd als offer.

Men greep 'm, hij riep:  Tji mou mou tschjek !

Maar een matroos riep: hou je bek !

Men sleepte 'armen langstaart voort,

En wierp hem ijlings overboord,

En door dat boutje aangelokt,

Had´ d'walvisch hem dra opgeslokt.

 

Maar immer nog bleef daar verbolgen,

Trots 't offer ---- 't beest het schip nog volgen.

Een houten bank smeet men in 't water,

Ook die verdween in 't beest zijn snater.

Toe greep de manschap, zeer ontdaan,

Een kist met sinaasapp´len aan,

Om die in 't water neer te ploffen, ----

Maar toen schoot d' koopman uit zijn sloffen

En klampte zich met kracht en list

Als een wanhoop'ge aan de kist.

Mijn sinaasappels ! Ben j' mesjokke !

Los vent, of 'k sla je van de sokken !

't Binne mijn appels !  O wat een reissie !

'k Kon ze verkoopen: zes voor een beissie !

En nou ---- ach, 't is een reine moord,

Nou smijten ze ze overboord !

Maar 't hielp hem niet ---- al zijn gesnater,

De kist ging, ondanks hem, te water.

En ging, als waar' 't een stukje peen.

Ook door des walvisch keelgat heen.

 

Maar immer nog bleef daar verbolgen,

Trots 't offer ---- 't beest het schip nog volgen.

Toen werd de wanhoopskreet gehoord:

Dan moet de koopman overboord.

Dra werd de koopman aangegrepen,

Om naar d'verschansing heen te sleepen;

Doch men begrijpt, dat 't niet passeerde,

Zonder dat de koopman protesteerde !

Ik overboord ! O Gossiemijne,

Wat benne jelui toch voor zweinen,

Eerst laan z' me van de kou bevriezen,

En nou, nou slaan ze m'ahtelemiese.

Een mooi schip is 't ! 't Is een sof,

Ik zal....  opeens een gil, een plof

En, in zijn keel nog 't laatste woord,

Vloog daar de koopman overboord.

En was weldra met kop en beenen,

Ook in des walvisch buik verdwenen.

 

Maar immer nog bleef daar verbolgen,

Trots 't offer ---- 't beest het schip nog volgen.

Toen sprak de kapitein: Meneeren,

Wij moeten dat beest mores leeren,

Misschien bewerkt thans een harpoen,

Wat al die offers niet konden doen !

De manschap, door de wanhoop moedig,

Maakten zich op tot 'n strijd, zoo bloedig,

Als er nog nimmer was geweest.

Men smeet harpoenen in het beest, ----

En toen het dood was ---- in een wip

Haalde men het lijk aan boord van 't schip.

 

En ziet, wat zag men toen men 't beest sneed open?

Daar zat de koopman op de bank, den Chinees de Sinaasappels te verkopen !

 

Terug naar overzicht

Een ouderling uit Lutjebroek

(Spotdicht uit de oorlog, gericht tegen de bezetter en de NSB

die probeerden de zgn. arbeidsdienst populair te maken met de Germaanse Koenraad)

(met dank aan Frans Hoffmann voor het sturen van de tekst)

Een ouderling uit Lutjebroek

Ging met zijn maat op huisbezoek.

Al lopend in de stille polder

Op weg naar boer Hendrikus Bolder,

Kreeg onze man, hij heette Broest,

Het gevoel dat hij nodig moest.

En steeds maar hoger werd zijn nood

Wat moest hij doen, zijn angst was groot,

Waar kon hij hier met goed fatsoen

Zo gauw een grote boodschap doen.

De enige oplossing was 

Zijn ei te leggen in het gras

Hij zei tegen broeder Kruik: loop jij maar langzaam door

Ik ben aanstonds weer bij je hoor.

Ziezo nu afgestroopt die broek

Hij bakte een twee drie een koek

Waar zijn vrouw jaloers op zou wezen

Lichtbruin van kleur en mooi gerezen.

Hij gaf een zucht en 't was gedaan,

Dat was hem netjes afgegaan.

Nu nog een stuk papier,

Dan kon hij vrolijk weer van hier.

Maar tot zijn verdriet

Een stuk papier vond hij niet.

Hij werd moe van al dat zitten,

Hij kon hier toch niet blijven klitten.

Opeens voelde hij een hand

Die zacht streek langs zijn billenrand.

Wie was paraat ?

Wie toonde zich een man van daad ?

Wie streek zonder een woord te kikken ?

In deez' benarde ogenblikken ?

Wie veegde met een stuk papier ?

Zijn poepert schoon met edele zwier ?

Het was Koen. Koentje van de arbeidsdienst zo gezeed

Die deez' edele weldaad deed

 

Terug naar overzicht

Een oudt liedeken

(Victor de la Montagne)

(met dank aan C.A. Krabbe voor het sturen van de tekst)

Tsagh eens een cnape stervensgeern

een valsche, vreede, boose deern.

 

Sei totten cnape: "hael mi terstont

din moeders herte voor minen hont."

 

Hi ging en sloech sin moeder doot

en vluchtte mettet herte root.

 

Met twyl hi loopt, stuict oppen steen

en valt,- dat erme hart meteen.

 

Al botsen op de harde baen,

vingh plots dat hert te spreken aen;

 

Al weenen vinghet te spreken aan:

"Och, jonghe, hebs di seer gedaen?"

 

Terug naar overzicht

Een Perzisch edelman (of: De tuinman en de dood)

(P.N. van Eyck)

(met dank aan C.A. Krabbe voor het sturen van de tekst)

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,

Mijn woning in: "Heer, een ogenblik !

 

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,

Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

 

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,

Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

 

Meester, uw paard. en laat mij spoorslags gaan.

Voor de avond nog bereik ik Ispahaan !"

 

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)

Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

 

"Waarom," zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,

"Hebt gij vanmorgen vroeg mijn knecht bedreigd ?"

 

Glimlachende antwoordt hij: "Geen dreiging was 't

Waarvoor uw tuinmand vlood. Ik was verrast,

 

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,

Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."

 

Terug naar overzicht

Een Sinterklaassurprise

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

Een poets is ons juffrouw gebakken,

Ge lacht da ge er een bult van krijgt.

Ik koom het is efkes vertellen,

Mar ik reken er op dat je zwijgt.

 

Geen kwaad ist, dus ik maag het wel zeggen,

Ja ik woon er al drie jaar als meid,

En hee, dê mot ie mijn prijzen,

Geen kwaad hê van heur ooit gezijd.

 

Dê zou ook den hemel geplaagd zijn,

Want dê moet ik zeggen ze is goed.

Mar jammer ze is gek op de mode

En leeft op een heel grote voet.

 

Ze draagt al japonnen die slepen,

Met franjes en van achter een strik.

Die "t breed hê die laat het breed hangen,

Zo denkt ze en ze hee nog gelêêk.

 

In huis hê ze elegaal nieuwe meubels,

Gekocht er 't leste half jaar.

Ik wou voor de grap dê ge 't zien kon,

Dan sloegen oe handen in elkaar.

 

Heur man, dê kunde begrijpen,

Die is daarmee nie in z'n schik.

List sloeg ie met de vuist op tafel

En zee wie is baas gij of ik !

 

Z'n opschik die past nie voor meensen,

Die leven van veefokkerij.

Verdraait al m'n zeventig koeien,

Die kosten zo veul nie as gij !

 

Mar 't hielp nie,want kort nar de ruzie,

Toen kocht ze wir een kostelijke kas.

Het hout blinkt er van as 'n spiegel,

De deuren z'n helemaal van glas.

 

Daarin zegt ze heurt nou te pronken,

Porselijn goed, en zilver servies.

Die mot ik van mijn man zien te krijgen,

Op Sinterklaassuprise.

 

Toen ging ze hem fluren en vlaaien,

't Was lievertje veur en lievertje na.

Nooit het ie zo lekker geêten,

Mar hij zee gin boe of ba.

 

Daags voor Sinterklaas zei ze Mieke,

Mijn man is er vandaag op uit.

Let gij nou ens goed as ie thuiskomt,

Op al wê ie zee en wa ie doet.

 

En avonds toen zette ze een klompke,

Met 'n briefke  van binnen er in.

Ach breng in die kas Sinterklaaske,

Wat ik er 't liefste in zie.

 

En 's mergens heel vroeg zei ze Mieke,

Ik heb gunstig gedroomd deze nacht.

Toe ga nou 's stillekens kieken,

Wê moois Sinterklaas hê gebracht.

 

Ik ga kijken en ik roep: "juf, juf !"

Ze vloog of ik aangebrand was,

Wa zaag ze ge kunt het niet rooien,

Heur eigen man as suprise in de kas.

 

Terug naar overzicht

Een slachtoffer van de taalmin

(Dr. E. Laurillard)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een ‘hoofd der school’ stortte in het water
En wilde een noodkreet slaken ook,
Maar was in twijfel wát te roepen,
Terwijl hij al meer onderdook.
Zou ‘t ‘Help !’ zijn ? Of, was ’t meer taalkundig,
Te roepen ‘Hulp !' ? – een moeilijk iets.
En midder’lerwijl verdronk de meester;
Want door die twijfel riep hij niets.

 

Terug naar overzicht

Een spreker die maar niet uit de war kwam

(Dr. E. Laurillard)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Jeroen wou zeggen: 'buitensporig',
Maar 'borenspuitig' kwam er uit.
Een poging, om 't weer goed te maken,
Had 'sporenbuitig' tot besluit.
Nog bleef de man naar juistheid streven
En 'spuitenborig' werd de klank;
Toen zag hij af van verder pogen
En sprak: 'Meneren! 'k zeg u dank,
Dat gij de daad hier voor de wil naamt;
Een goedheid, die uzelv' vereert,
Maar die ik toch ook wel verdiend heb,
Want 'k zeg het goed, maar 'k meen 't verkeerd.
'k Zal echter nu de mond maar sluiten.
Want naar een spreuk, zo waar, als oud,
Die zeker al de heren kennen,
Is spreken zwijgen, zilver goud.'

 

Terug naar overzicht

Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven

(anoniem, voor 1871)

Versie 1

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

 

Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven,

Anne met de lappen kwam mij tegen,

Over het rooie bruggetje gaan,

Ik hoorde 't klokje van vieren slaan,

Een pijpje tabak,

En een klodder in je zak,

Ik wou dat het altijd kermis was.

 

Versie 2

(met dank aan Marjon Bruls voor het sturen van de tekst)

 

Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven

allebei de Lappen kwam ik tegen,

op het glazen bruggetje.

Petronel, pijp in de zak

ik wou dat het alle dagen kermis was.

De kermis was gesloten

toen liep ik naar de boten.

De boten waren toe,

toen liep ik naar de koe.

De koe die wou me bijten,

toen liep ik naar de geiten.

De geiten wilden me slaan,

toen liep ik naar de baan.

De baan die was zo glad,

toen viel ik op mijn blote krentegat !

 

Versie 3

(met dank aan Greet Lindeman voor het sturen van de tekst)

 

Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven,

Anne met de pappot kwam ik tegen,

Op het St. Jorisbruggetje,

Met de pappot op haar ruggetje,

Met de lepel in de hand,

Zo ging Anne met de pappot door het land.

 

Terug naar overzicht

Een verdoolde

(Dop Bles 1883 - 1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Nu is zij dood ..
ze was van mij,
ze leefde jaren aan mijn zij
en kende nauwelijks mijn taal;
haar leven was een vreemd verhaal.
Zij kwam een avond met een lach
en bleef ook na de eerste dag;
zij is mij met een lach verschenen,
na vele tranen ging zij henen;
ik gaf haar meer dan kleed en brood ..
Nu is zij dood !

Nu is zij dood ..
haar kleine hart
kan niet meer zeggen wat het mart,
en beide ogen zijn gedoofd;
‘k heb in hun gloed heel lang geloofd;
haar lippen zijn van klank ontdaan,
nu zij voor goed is heen gegaan.
Zo sluipend stil is zij verdwenen;
zij ging voor altijd van mij henen
het leven in, dat flonk’ring bood ..
Nu is zij dood !

 

Terug naar overzicht

Een vers dat als een nachtkaars uitgaat

(E.Laurillard)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

In een diligence zaten negen mensen bij elkaar.

't Was een dag van grote hitte, en de lucht was drukkend zwaar.

Alles wat die mensen zeiden, kwam zowat op 't zelfde neer,

Niemand hunner sprak tenminste anders dan van 't hete weer.

 

Naast een jonge dwaze dandy, zat een onderofficier,

Nevens hem een rijzig zeeman, over dien een rentenier.

Naast de rentenier een nufje, als een uitgeknipte prent

En naast haar een burgerjuffrouw met een Amsterdams accent.

 

't Was een ruwe paardenkoper, die weer achter deze zat

En gewoon was zo te spreken of hij hoge ruzie had.

Aan zijn zijde een reizend hand'laar, in zijn spreken razend vlug

En daarnaast een rimp'lig besje, bevend en gekromd van rug.

 

"'t Is fameus !" zo spreekt de dandy, en daarbij wordt uiterst net,

Met twee vingers en twee duimen, 't kneveltje in de krul gezet.

"'t Is fameus vandaag meneren, etouffant is de atmosfeer.

Men gaat waarlijk languisseeren naar wat vocht, mijn woord van eer."

 

"Ja", zo antwoordt hem de zeeman, en zijn dasknoop zit al laag,

Maar hij trekt die nog wat lager, tot zowat de streek der maag.

"Erger nog dan in Oostinje, brandt de zon hier op je huid,

't Merg druipt weg uit al je knokkels, 't pek loopt al de naden uit."

 

"Ja, 't is warm", zo zegt de man nu die stil van zijn rente leeft

En wiens hals een hoge heining wit en helder om zich heeft.

"'t Is zeer warm", vervolgt hij keurig, of 't zo naar de drukpers moet,

"Anders is de zon zo lief'lijk, maar thans kwelt derzelver gloed."

 

"Stel je voor", zo zegt de krijger, trekkend aan zijn kinnebaard,

Hand'ling waar een ernstig fronsen van het voorhoofd zich mee paart.

"Stel je voor, 'k heb met zo'n hitte eens vijf uren gemarcheerd,

't Was wat ! maar in mijn carrièrre dient bepaald geobedieerd."

 

"Nou maar", sprak de paardenkoper op zijn oude ruzietoon

En zijn pet heel schuin gestoten, dekt zijn hoofd niet maar zijn koon.

"Nou maar, wat wou jullie praten, 'k leg hier de verklaring af,

Dat ik eens een dag beleefd heb, dat een paard geen schaduw gaf."

 

"'k Was op weg, ik wou wat schuilen achter 't peerd, maar ja toen scheen,

't Is zowaar als ik het je zeg hoor, 't zonnelicht er dwars doorheen."

"'k Weet nog wel", zegt nu het besje, en het bruine bovenvlak,

Van haar hand loopt langs haar neus heen "dat de mussen van het dak,

 

Zomaar morsdood kwamen vallen toen ik nog een meiske was.

En het vee kreeg 's zeumers koeken want er stond geen spiertje gras."

"Ja, enfin !" zo spreekt de hand'laar in een snelle woordenvloed,

"Zie je, een glaasje groc van bessen straks in 't posthuis, dat doet goed."

 

"Ik ben altijd reizend zie je, nu enfin dan kent men dat,

Groc en beiers, prachtig heerlijk van dat beiers, fris van 't vat."

"Och", zucht nu de burgerjuffrouw, "liefe mins, 'k bin so verhit,

't Mot wel sijn, sou 'k haast geloufen, dat 'k so an de sonsij sit."

 

"Op Uws plaassie is 't nog beiter, maar hier sweit een mins sich doud.

'k Mot U seggen, van mijn handen, loupt een plassie in me schout."

Van de hitte spraken allen, maar die ene stijve nuf ??

Wel die zei daarbij maar telkens, met haar zakdoek waaiend, "pfff."

 

In meer dan éne zin, maar ook door dit besluit,

Gaat dit verheven gedicht gelijk een nachtkaars uit !!!!!

 

Terug naar overzicht

Een vertelling
(Hieronymus van Alphen 1726-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wij zaten laatst bij Saartje,
Onze oude goede baker,
Die sprookjes kan vertellen.
Wij dronken chocolade,
En deden honderd vragen.

In 't einde zei ons Saartje:
Wel nu, mijn hartediefjes !
Gij kent de vier getijden,
Wat houdt gij voor het beste ?

Toen zei mijn zusje Miesje,
Die tijd is mij de liefste,
Wanneer de bomen bloeien.
Dan krijgt men mooie bloempjes,
Om tuiltjes van te vlechten.
Dan ziet men duizend vogels
Op groene takjes zingen.
Is dat niet in de lente ?

De winter, lieve Saartje !
Zei Pietje, is de beste,
Dan horen wij vertellen,
En drinken chocolade,
Of eten dikke wafels.

Neen ik verkies de zomer
Zei Keesje, dan is 't kermis.
Dan hoef ik niet te leren.

Maar ik zei, 't is het beste,
Als meest de vruchten rijp zijn.
Dan valt er braaf te knappen.
Dan heeft men abrikozen,
En pruimen, en morellen,
En perziken, en peren:
En is dat niet in 't najaar.

Hoort kinders, zeide Saartje.
De winter moet de velden
En tuinen vruchtbaar maken.
Met moet de bomen snoeien;
De akker moet men mesten;
Dat doet men in de winter.
De bomen moeten bloeien,
Om vruchten ons te geven;
Dat doen zij in de lente.
De vruchten moeten groeien;
Dat doen zij in de zomer.
Men moet de vruchten plukken;
Dat doet men in het najaar.

Dus moet gij, lieve kinders,
In alle jaargetijden
Gods wijze goedheid loven,
En wel te vrede wezen.

 

Terug naar overzicht

Een vinkske

(René de Clercq 1877-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een vinkske ! Een vinkske !
Daar zit het, zwijg,
Een levend dingske,
Op een dode twijg.

Het borstje bibbert,
Het keelke zwelt.
Het bekske slibbert
Van 't klankgeweld.

't Zijn versjes, zere,
Onvatbaar kort,
In éne keer,
Der-uit gestort.

Tzit-tzit-tzit-dap-dapper,
Dewingihee !
Tzit-tzit-tzit-rap-rapper,
De hele ree !

Tzit-tzit-tzit, een ander !
Nog één, nog één.
Tzit-tzit-tzit, wie kan-der
De voeten scheên ?!

Tzit-tzit-tzit, 't gesnebber
wordt dom en dol.
Tzit ... halt ! Ik heb er
Mijn oren vol !

 

Terug naar overzicht

Een vriend die mij zijn feilen toont

(Hieronymus van Alphen 1746-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een vriend, die mij mijn feilen toont,

Gestreng bestraft, en nooit verschoont,

Heeft op mijn hart een groot vermogen.

Maar...'t laag gemoed, dat altoos vleit,

Verdenk ik van baatzuchtigheid;

Ik kan zijn bijzijn niet gedogen.

 

Terug naar overzicht

Een vriendelijk aardig vogelijn

(J.A. Bohringer 1834-1911)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een vriendelijk aardig vogelijn
Zong in de heldere zonneschijn
Op zachte toon zijn afscheidslied
Vergeet de kleine vogel niet
Vaarwel, vaarwel, vaarwel de tijd vliegt snel
Vaarwel vaarwel

 

Ik keek de vogel droevig aan
En zei gij moogt niet henen gaan
De tijd duurt hier maar al te kort
Ik zorg voor u als 't winter wordt
Blijf hier blijf hier, blijf hier mijn aardig dier
Blijf hier blijf hier

 

De vogel sprak 't wordt mij te koud
Te kil in 't bos te kaal in 't hout
In 't voorjaar zien we elkander weer
Voor mij zorgt onze lieve Heer
Ik kom ,ik kom, ik kom heel gauw weerom
Ik kom weerom

 

Terug naar overzicht

Eens waren er voetjes

Eens waren er voetjes,
Die schopten.
En beentjes die trapten in mij.

Eens waren er handjes die klopten,
Maar dat is voor altijd voorbij.

Nu ben je naar buiten gekomen.
Nu kan ik dan zien wie je bent.
Daar ben je, het kind van mijn dromen,
Mijn baby, mijn jongen, mijn vent.

 

Terug naar overzicht

Eenvoud

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor de tekst)

Ik voel m'n ziel verwant met kleine simpele dingen

Die op ons wegen staan als bloemen van het veld

Verdoken in het gras, door weinigen geteld...

Al dragen z' in hun kelk de zoetste zegeningen

 

'k Vind hun schoonheid overal, maar dat wat zachte perelt

Van uit uw moeë mond, die luttel woorden vind

"Goenavond...lieveke, goenacht...m'n zielenkind

Dat maakt me zaal'ger dan de weelde van de wereld

 

Zo groeit in m'n gedacht een vrede niet te noemen

M'n ziel in schoonheidshuis, niet een mysterie vindt

Want al wat schoonheid is, met simpelheid begint

En 'k noeme liefde, 't zaad van alle schoonheidsbloemen

 

Terug naar overzicht

Eenzaam in de nacht

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor de tekst)

Eenzaam in de nacht

loop ik zo heel alleen

eenzaam in de nacht

zachtjes zingend om me heen

peinzend staar ik naar de sterren

die zo flonkerend staan, zo verre

en ik zucht, ik heb geen vrienden

zelfs niet één

 

Eenzaam in de nacht

loop ik dan maar weer voort

maar mijn pas wordt flinker

ik heb een stem gehoord

die mij zegt dat hij eens in mijn leven

mij een trouwe vriend zal geven

en bij dag en nacht

ik niet eenzaam meer zal zijn

 

Terug naar overzicht

Eerste communiegedichtje

(met dank aan fam. Bikmaz voor de tekst)

In mijn hartje kwam deze morgen Jezus voor de eerste keer,

O wat voelde ik me gelukkig, ik dankte hem wel duizend keer,

Lieve Heertje zei ik zachtjes , o ik houd zo veel van U,

Laat me altijd toch zo blijven, even braaf en rein als nu.

 

Terug naar overzicht

Egelantieren Roosken

(Guido Gezelle 1830-1899)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Egelantieren roosken, roosken,
liever komt uw geur te mij,
als uw broeder, als uw zusters,
of ’t zij welker blom het zij;
g' hebt een zuiver geluw hertjen,
en ge 'n duikt het niet, voorwaar,
g' hebt vijf bleekroo’ blijde vlerkskes
en zulk schoon gefriezeld haar;
g' hebt alle andere deugden, g' hebt een,
alderliefste name, maar,
hij bediedt een fel gebekten,
stekelsafden tronk, nie’ waar?

 

Terug naar overzicht

Egoïsmus

(P. A. Génestet 1829-1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Geef een meisje bruine lokken,

Lippen nimmer moe of bang

Om te kussen of te jokken

Heel het lieve leven lang;

Rozenblosjes, sneeuwen handen,

Hemelsche oogen, epen tanden,

Ranke leest en vluggen voet:

Armpjes om er in te vliegen,

Of een kindje op te wiegen,

En een blij gestemd gemoed.

 

Lieve Hemel, hoor mijn beden,

Geef haar zachtheid, stille trouw,

En die duizend kleinigheden,

Die zoo lief staan in een vrouw.

Kleine zonden, teedre nukken,

Die een gloeiend hart verrukken,

Liefdes dartle poëzij;

Geef haar wat zich de engel denken

En uw rijkste gunst kan schenken,

En dan – Hemel, geef haar mij !

 

Terug naar overzicht

Elfendans

(Jaqueline van der Waals 1868 - 1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Des nachts in de zachte glansen

Van de zilveren maan,

Als alle verstandige menschen

Reeds lang naar bed zijn gegaan,

 

Als 't groote vuur gebluscht is,

Dat 's avonds in 't Westen gloeit,

En alles in diepe rust is,

Door 't zonnelicht vermoeid -

 

Dan in de nevelglansen,

Die over de weide gaan,

Ziet men de elfen dansen

Bij het licht van de maan.

 

Terug naar overzicht

Elfstedentocht

(Clinge Doorenbos)

Nu is de winter pas compleet !
Nu heeft het pas gevroren,
Nu wij het woord "Elfstedentocht"
Van ieders lippen hooren.
Nu mag de winter van dit jaar
Pas echte winter heeten,
Nu zich de besten met elkaar
Ten langen afstand meten.
Nu zien we Nêerland op zijn best,
In volle schaatsenglorie.
Het tooverwoord: Elfstedentocht
Is ons een stuk historie.
Nog donker is het, als ze gaan
Langs sloot, kanaal en meren,
Weer donker is het, als ze straks
Aan 't eindpunt arriveeren.
Nu zien we Nêerland op zijn best,
Per schaats langs die elf plaatsen;
Het bloed kruipt waar het niet kan gaan,
Nog liever rijdt het schaatsen.

 

Terug naar overzicht

Elk volgens zijn natuur

(Virginie Loveling 1836 - 1923)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De zwaluw was weergekomen,
En zat met de mus op de goot,
Zij spraken vertrouwelijk te samen,
Verhaalden hun kommer en nood.

De zwaluw vertelde wat angsten
Zij al had uitgestaan,
Wanneer zij, van de andre gescheiden,
Alleen over zee moest gaan.

En hoe zij steeds hoopte en verlangde,
In gene wilde natuur,
Om weer te mogen komen
Naar 't nestje in de schuur.

De mus sprak van vorst en van ijzel,
En sneeuw zo schriklijk hoog,
Dat zelfs de schuwe merel
Aan ’t keukenvenster vloog.

En hoe zij soms van koude
Gemeend te sterven had,
En eenmaal, gepraamd door de honger,
Bijna in een vogelhuis zat !…

Zij huiverden bij het aanhoren
Van die wederzijdse nood,
En zaten een ogenblik zwijgend,
En peinzend op de goot.

‘O, beter nog te vluchten,’
Zei de zwaluw, ’naar verre strand !’
‘Ach, liever nog te lijden,’
sprak de mus, ’in ’t vaderland !’

 

Terug naar overzicht

Elk zijn kruis

(met dank aan Jean Bijloos voor het sturen van de tekst)

Ieder krijgt zijn deel op aard,

Ieder heeft wat hem bezwaart;

Ieder hart en ieder huis

Heeft zijn eigen smart en kruis.

 

Het ene kruis is openbaar,

Het andere wordt men niet gewaar;

Het een is klein en 't ander groot,

't Een is van hout en 't ander van lood.

 

Deze heeft een enig kruis,

Gene een driedubbel thuis;

Maar dit is het wonderbaarst:

Iedereen vindt 't zijn het zwaarst.

 

Ook houdt bij 't zijne menigeen

Zijns naasten kruis, als was 't er geen

En als het mocht en mogelijk waar,

Dan ruilden velen met elkaar.

 

Zag men echter op een rij

Al die kruisen van nabij,

Ieder koos voor zich en nam

Waar hij mee ter markte kwam.

 

't Kruis van een ander schijnt U licht,

Maar gij bedriegt U in 't gewicht,

En wie weet of gij verdroegt

Waar nu hun schouder onder zwoegt.

 

Niet aan ieders voorhoofd staat

Hoe het hem van binnen gaat;

Dikwerf heeft zo menig hart

Midden onder 't lachen smart.

 

Dus dragen wij naar 's Heren wil,

Steeds met gelatenheid en stil;

Gij Uw kruisen, ik mijn leed,

Wijl God ons beider krachten meet.

 

't Kruis te kiezen naar zijn zin

Heeft voorzeker niet veel in;

't Is of men zich 't enenmaal

Wil ontslaan van kruis en kwaal.

 

Terug naar overzicht

Er volgen op uw levenspaan

Er volgen op uw levenspaan
14 engelen die u gadeslaan
2 aan uw hoofdend
2 aan uw voetenend
2 aan uw linkerzij
2 aan uw rechterzij
2 die u dekken
2 die u wekken
2 die u wijzen
Naar 's Hemels paradijzen

 

Terug naar overzicht

Er waren eens drie eendjes
(Simon Abrahamsz. - 1887-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Er waren eens drie eendjes in een pontje;

Het eene heette Bontje,

Het tweede heette Gontje

En het derde heette Klisklasklepelklontje.

Dat vond eens een klontje,

Maar ze wou het niet geven aan Bontje.

Toen nam Bontje een steen

En gooide dien naar Klisklasklepelklontje's been.

‘O foei!’ zei toen Gontje,

‘Neem jij een steen

En gooi je dien naar Klisklasklepelklontje's been?’

 

Terug naar overzicht

Flink

(J.P. Heije 1809-1876)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ja als 't niet kan, dan kan het niet !
Zo hoor ik alle dagen
Van flauwerds en van tragen
Maar ik, ik haat dat laffe lied;
En zo mij God de kracht wil gunnen
Dan zeg ik wat er ook geschiedt:
't Moet kunnen !

Komt haal de handen uit de zak !
En steek die uit de mouwen.
Gij mannen en gij vrouwen !
Staat af van lust en van gemak !
En valt er soms wat zwaars te tillen,
Denkt: "willen" tilt het zwaarste pak,
'k Wil willen !

Wat flink en eerlijk is, en goed,
Hoe zwaar het ook moog' lijken
Zal licht en handig blijken
Wanneer men 't pittig wil, en doet,
Hoe of 't dan lopen mag en runnen
Zegt steeds met ernstig, vroom gemoed:
't Moet kunnen !

 

Terug naar overzicht

Flipje, de vader en de tuinman

(Hieronymus van Alphen 1746-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Flipje

Wel waarom snoeit ge tog de boomen,

Zeg trouwe Piet ?

Daar aan die takjes vrugt zou komen,

Gelijk ge ziet.

 

De tuinman

Een boom, die al te veel moet dragen,

Verliest zijn kragt,

Ook zou de vrugt zo niet behagen,

Als gij verwagt.

Uw vader heeft graag goede peeren !

 

De vader

't Is wel gezegd:

En 't deel van die te veel begeeren

Is doorgaands slegt.

 

Terug naar overzicht

Franciscus

(Art van der Leeuw 1876 -  1931)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Franciscus heeft, om U te ontmoeten,
Alles wat schittert afgedaan
Aan hals en hand, voorhoofd en voeten;
Want schamel wilde hij tot U gaan.

Maar niemand hebt Gij zó ontvangen,
O liefde, en als de dag begon,
Waart gij het, die zijn zuivre zangen
Deed jubelen van zuster zon.

En moet ik óok zo tot U komen,
Afleggend waar mijn ziel mee speelt:
De rijke schat der schone dromen,
Het fonklend woord, het sierlijk beeld ?

En moet ik langs de grauwe wegen,
In grove pij en ongeschoeid
Het geeslen voelen van de regen,
En hoe het eenzaam-zijn vermoeit,

Eer ik mij bij U neer mag leggen,
Gelijk een zwerver bij een bron,
En aan uw borst mijn zang mag zeggen
Voor broeder wind en zuster zon ?

 

Terug naar overzicht

Gebed bij de harde dood

(Edgar du Perron 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

O Heer, het wordt nu tijd, wellicht, U aan te roepen.
Men weet niet goed... De vrees voor 't einde blijft bestaan.
De dood vergeet ons nooit. Men moet beproeven
een al te grote doodsstrijd te ontgaan.
De dood doet de arme mens naar vrome leugens zoeken.

Gij, Heer, Gij zetelt hoger dan de dood, daarboven,
dan 't zèlfde eind, altijd, van ieder lot.
De stervenden die roepen, werden eerst geboren,
Gij waart steeds, onverstoorbaar, in Uw rol van God,

De Zoon des Mensen vond, tot hier, de liefste logen.

Zijn dood was hard, hij kon er iets voor krijgen,
hij werd Zoon Gods en Onze-Lieve-Heer.
Hij wist de dood, zei men, zo stervend, te bestrijden,
hij overwon de dood en wat niet meer ?
Het blijft een aaklig iets, te hijgen en verstijven.

Het blijft een aaklig iets, naar 't eigen hart te luistren,
te weten dat men dood is, als het stil blijft staan.
Die spierknobbel met kleppen waardoor 't bloed moet spuiten,
die rustloos vijftig, zestig jaar kan slaan,
en soms opeens uiteenspat, als een vat in duigen.

't Is heus wat anders dan zich laten baren;
men meet de dood soms na, bij vol verstand.
Tegen de vijf die suffend, zat van dagen,
gelijk een nachtkaars uitgaan, opgebrand,
zijn honderd die gefolterd in hun doodszweet baden.

De dood is niets misschien, het doodgaan alles.
En zij die de englen zien, een glimlach op 't gelaat,
en zij die vol berusting in het niet-zijn vallen,
zij maken wat zij kunnen van hun poovre staat.
Het blijft de wrede strijd van duive tegen valk.

Ik had een vriend, o Heer, wiens hart was uitgezwollen
tot bijna driemaal de omvang van een mensenhart,
men heeft hem, toen hij sterven ging, bevochten,
hij wou zijn hoofd in twee slaan om de barst,
het trage barsten van dat hart niet meer te volgen.

Ik had een andre vriend die met verrotte longen
trotseren moest het vlijmen van de scherpe kou,
in een verlaten tuin, waar ongestoord het domme
systeem zijn vreugde wurgde en niet verjagen zou
de dood die eens zijn moeder meegaf aan haar jongen.

Het is voorwaar geen wonder als de rede
ons bij de doodgedachte dringt naar zelfmoord.
Het mes van Jack the Ripper was een zegen,
o, onvoorziene dood die nauwlijks stoort!
de meesterlijke moord zij grotelijks geprezen.

Want zelfmoord, Heer, is moeilijk, wil niet altijd slagen,
Cleopatra en de adder waren beiden sterk,
het gif van Mithradates deed hem angstig braken,
een slaaf, met beevrig zwaard, volbracht het werk.
Een zelfmoord is verzekerd tot de keus van 't wapen.

 

De dood is vriendlijker, wellicht, in de ongelukken
die dagelijks de brave burger grieven:
de motorrijder die zich reed in stukken,
de machinist door twee locomotieven
vermorzeld wijl hij even stond te dutten.

De metselaar die van de ladder stortte,
wiens hoofd sloeg op de keien tot een ommelet,
en de arbeider, in een machien getrokken,
die, voordat men één wiel had stop gezet,
als nameloos gehakt alweer was uitgeworpen.

De kleine meisjes die door de ijslaag schoten,
wier doodskreet tot een sliertje stroom bevroos
en naar wier lijkjes niemand heeft gedoken,
het kind uit de achterbuurt dat achteloos
met kokend water, telkens weer, wordt overgoten.

Bepaald, de dood is vriendlijker voor de arme mensen,
zij sterven maklijker, zijn meer met hem vertrouwd.
Hij geeft ze lachjes, knipoogjes en wenken,
de vrees voor wat men dikwijls ziet, verflauwt.
De dood lijkt haast een doel, voor hen die dood zich werken.

De dood is de gezel der lange wintermaanden,
plichtmatig, zoals zij, voor de armen op het land.
Zij zwoegen rustig voort, zij strooien nieuwe zaden,
en rustig, als een veldbloem door een kinderhand,
plukt hij een zwoeger weg van de omgeploegde aarde.

De dronken vagebond, die lacht onder het kwijlen,
en kwijlend lachend loopt onder een volle trein,
de blinde bedelaar, te oud om te overlijden,
die op een heldre nacht zijn nek breekt zonder pijn,
het is de moeite niet naar zo'n dood om te kijken.

De werklijk harde dood daalt neer in verenbedden,
en vlijt zich lang en zwaar tegen een zachte borst,
en kust een zachte mond om 't aadmen te beletten,
en knijpt een zachte keel die nauw en gloeiend wordt,
en luistert naar het hart dat zich nog blijft verzetten.

Een dood die tellen mag, is wulps als een hetaire,
doch traag en zeer ervaren als een succubus.
Hij snuift de droppen zweet in die op 't voorhoofd paarlen
en drinkt de laatste adem met een diepe kus.
Hij schat de patiënt altijd op juiste waarde.

Hij is volmaakt beleefd en kondigt zijn bezoeken
soms weken lang vooruit zijn uitverkoornen aan,
die hem verkiezen, iedre fase liever proeven
dan rap en onverhoeds het leven uit te gaan.
Hij geeft hun tijd, o Heer, U vlijtig aan te roepen.

Want, Heer, zij duchten U veel méér soms dan het sterven,
zij zeggen: ''t Sterve' is kort, maar God is eindeloos!'
Zij menen dat Gij veel, veel meer van hen zult vergen
dan zo een triest sinjeur als zo een trage dood.
Gij, Heer, Gij zijt in staat hen eeuwig te verderven!

Het is geen klein verschil. Een ziel van stoom kastijden
wanneer het lijf van vlees sinds eeuwen is verrot,
het is wat anders nog dan 't schenden van wat lijken,
het is het waarborgsmerk van een heel ware God. 

werk zo groots, o Heer, geen epos kan 't beschrijven.

Zij hebbe' elkaar vermoord om U, Heer, te verdienen,
het zondig vlees gekerfd, geradbraakt en verkoold.
Groot is, goddank, de schaar der liefdevolle lieden
die zacht de poten breken van het schaap verdoold,
en lang voor 't stervensuur Uw paradijs verwierven.

Verwonder U dus niet wanneer zij daaglijks janken,
zij die U vrezen 't zeerst, zijn ook Uw ware trouwen.
Tussen de man die meent alleen te mogen danken
en hij die U slechts roept in 't klamme doodsbenauwen,
tussen die schobbers, Heer, zijn duizend overgangen.

En als ik minder bid dan de echte katholieken,
of de echte protestanten, die 't niet minder doen,
het is om van een schaars gebed tienvoudig te genieten
en uit bescheidenheid. Het afgeblaat sermoen,
ik ben er zeker van, is niet naar Uw believen.

Ik heb U, Heer, naar 'k hoop, ditmaal met recht gebeden,
ik ben geen twijflaar, Heer, voorwaar geen twijfelaar!
De twijfel is te slim en hindert mijn geweten,
ik heb niets uit te staan met deze handelswaar,
als zij die koster zijn en die Urbanus heten.

Heb ik gezondigd tegen 't tweede der geboden?
Ik riep U met in mij het schroeiendste venijn
dat ooit uit mensenhart vervloeide in mensenwoorden,
de vrees, de grote vrees in 't afgeschuurd refrein:
De dood, de dood, de dood, het doodgaan, en de doden.

De dood is altijd kort, duurt hoogstens één seconde,
men is dood of niet dood, zoals Stendhal ons leert.
De foltering vooraf is langer aan de orde,
en iemand die, als Job, ontzaglijk blasfemeert,
kan zeggen: 'God mijn Heer, dit is Uw grootste zonde!'

Maar als ik mij verstout U op de dood te wijzen,
dat is het wijl ik denk dat Gij hem soms vergeet.
Zend mij een leugen, Heer, als ik met hem zal strijden,
een leugen, groot als de ernst die 'k in deez' verzen deed.
Want de ironie, zegt men, schaadt aan de poëzije.
 

Terug naar overzicht

Gebed van een bejaarde

(met dank aan Jo Hogeboom voor het sturen van de tekst)

Lieve Vader

 

Verlos mij van mijn bangheid

Over mijn kinderen;

Over hun kinderen;

Over mijn lieve mensen.

 

Er kan zoveel gebeuren

Op hun reis,

Er kan zoveel gebeuren

Op hun levensreis.

 

Ik denk aan ze

Ik ben met hen begaan;

Ik kan ze niet beschermen

God

U moet het doen

Laat mij geloven

Dat u het kan en wil.

 

En als het mijn tijd is

Om heen te gaan,

Laten we het dan nog even uitstellen

Tot na de vakantie.

Ze hebben het zo hard nodig.

 

Terug naar overzicht

Geen reden

(Const. Huygens (1596-1687))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

"Mijn ouders", zei Andries, "zijn àl op zee gebleven,

Daarom en durf ik mij niet licht te scheep begeven."

"Mijn ouders stierven op haar bed", zei Adriaan,

"Hoe is 't ? Zou ik daarom niet te bedde durven gaan ?"

 

Terug naar overzicht

Gekleed?

(E. Laurillard 1830 - 1908)

(met dank aan Jeanne Albers het sturen van de tekst)

‘O! ’t was een schitt’rend feest;

- men was er zeer gekleed...’
‘Met uw verlof: alleen de heren;
Die zaten voegzaam in de kleren.
De dames waren half ontkleed.’

 

Terug naar overzicht

Geloof

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Daar droomt iets in uw ogen

Wen gij ten hemel ziet

Daar zingt iets in uw zuchten

Heel verre van verdriet

 

Daar sust iets in uw stemme

Een troost die 'k zelden vond

In woorden die gedijen

Uit menselijke mond

 

Daar juicht iets in uw vreugde

En zo ge wel eens schreit

Dan lacht er door uw tranen

Zoveel gelatenheid

 

O lieve zeg me stille

Is dat soms verre schijn

Van eindeloze weelde

Heel dicht bij hem kan zijn

 

Terug naar overzicht

Geloof 't maar niet, 't is een bak

(Firma F.W.Vislaake, Rozenstraat 148 Amsterdam)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mevrouw zag laatst een Schoenmakersjongen

In den stortregen staan

Hij had geen paraplu die jongen

Dat stond Mevrouw niet aan.

Ach doe mij een plezier,

Ik heb met hem zoo'n medelijden.

Haal jij hem even hier,

Maar toen Mevrouw in de keuken kwam.

Toen stond daar een huzaar

Het is geen vliering of geen inkwartiering

Jij ben vrij famillaar.

Maar Kaatje sprak verlegen.

'k Had medelijden net als u,

Ik haalde hem uit de regen.

Hij had ook geen parapui.

Geloof het maar niet  't is een bak.   (bis)

  

Neen ik wil niet langer verdragen,

Sprak laatst een jonge vrouw.

Mijn man komt maar alle dagen

Niet thuis voor dag en dauw.

Waar zou hij des nachts wel verkeeren

Het is voorwaar een straf.

En als ik hem er over wil spreken

Dan snauwt hij mij maar af.

Haar droefheid is nu dubbel groot,

Haar lieve man is dood.

Hij is overleden door haar aangebeden

Wat had zij een verdriet

Toen zij daar staarde in den schoot der aarde

Sprak zij het is geschied.

Een troost blijft mij nog over

Sprak zij met diepe droef,

Nou weet ik toch ten minste,

Waar of hij s' nachts vertoeft

Geloof het maar niet,  het is een bak.   (bis)

 

Laatst zou zich in den echt gaan begeven

Een jonge weduwvrouw,

Zij sprak tot haar man, heel mijn leven

Zweer ik eeuwig trouw

Er verheugd en blij sprak zij teeder

'k Blijf kinderloos, hoe fraai

Ja zij verhaalde telkens weder

Zij had nog kind nog kraai,

Maar toe zij kwamen van 't Stadhuis

Vond hij drie kinderen thuis

Hij sprak tot zijn vrouwtje, mijn schatteboutje

Wat is dat toch Marie,

Je zei me toch immer, je had geen kinder

En nu vind ik er drie,

Och wil mij niet vergissen

Sprak zij 'k sta zelf verstomd

Maar je weet niet bij 't verhuizen

Vanwaar de rommel komt

Geloof het maar niet,  't is een bak.   (bis)

 

Terug naar overzicht

Geluk

(met dank aan Jaap Klijnsma voor het sturen van de tekst)

Gelukkig zijn

Is niet,

Krijgen wat we verlangen,

Maar tevreden zijn

Met wat we hebben.

 

Kwaliteit

Van het leven

Heb je niet voor het kiezen.

Geniet

Van hetgeen

Je is gegeven,

Er valt zoveel te verliezen.

 

Terug naar overzicht

Gelukkig Nieuwjaar

(met dank aan Steef van 't Schip voor het sturen van de tekst)

Gelukkig Nieuwjaar

Mijn hand staat klaar

Mijn zak staat open

En als je me een dubbeltje geeft

Laat ik hem er zo inlopen

 

Terug naar overzicht

Gemis

(P A de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Betty Conijn voor het sturen van de tekst)

Toen ik hem daaglijks sprak en zag-

Dat vriendlijk oog, dien milden lach-

Beminden wij elkander;

Toch hield ik, zoo verbeeldde ik mij,

Iets meer van menig ander;

Van jonger vrienden, dwaas en vrij,

Vol opgewonden jong gevoel,

Want hij was kalm en scheen wel koel....

Maar nu de vriend mij is ontvallen,

Nu voel ik het aan mijn lange smart,

Nu klaagt, nu weet mijn eenzaam hart;

Hem had ik het liefst van allen !

 

Terug naar overzicht

Geografica

(met dank aan Gommert van Kampen voor het sturen van de tekst)

Als Piet te laat uit school komt, vraagt pa wat de reden is.

Ik moest een uurtje achter blijven want ik had me wat vergist.

‘k wist niet waar de Alpen waren.

Pats, daar krijgt Piet voor zijn broek.

Ik heb je vaak genoeg gewaarschuwd knaapje !

Jij maakt altijd alles zoek !

 

Terug naar overzicht

Gij badt op enen berg alleen

(Guido Gezelle - 1830–1899)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Gij badt op enen berg alleen,
en... Jesu, ik en vind er geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:
de wereld wil mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn ogen sla;
en arm als ik en is er geen,
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
O, leer mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!

 

Terug naar overzicht

Gij staat zoo heel, heel stil

(Herman Gorter - 1864-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Gij staat zoo heel, heel stil

met uwe handen, ik wil

u zeggen een zoo lief wat,

maar 'k weet niet wat.

 

Uw schoudertjes zijn zoo mooi,

om u is lichtgedooi,

warm, warm, warm - stil omhangen

van warmte, ik doe verlangen.

 

Uw oogen zijn zoo blauw

als klaar water - ik wou

dat ik eens even u kon zijn,

maar 't kan niet ik blijf van mijn,

 

En ik weet niet wat 't is waterlelie

ik u zeggen wil - 't was toch wat.

 

Terug naar overzicht

Giraffen

(Harriet Laurey - 1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Onder hun huid van teder craquelé
staan zij hun leden langzaam te bewegen
Zij zeggen niets en houden niets verzwegen
en lopen willig met zichzelve mee.

Zij speuren naar het langgerekte dromen,
dat altijd in hun neusgaten vibreert.
Zij hebben van de mensen niets geleerd
en daarom is het licht in hen volkomen.

Zij leven enkel door het doodstil oog.
waarmee zij van de wereld weg geraken.
- Het blijft een ogenblik aan 't zonlicht haken. -

Even bewegen zich de dunne kaken
Maar niemand hoort hun broze monoloog.

 

Terug naar overzicht

't Geuzenvendel op den thuismars

        (F.L. Hemkes (1854 - 1887)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Zy kwamen na jaren uit Brabant weerom
met vliegend vaandel en slaande trom,
en zagen de zon, by het zinken,
op 't duin van hun vaderland blinken.

Zoo rukken zij voort -- 't is de zee, die hen trekt --
maar ginds, waar het gras hun gevallenen dekt,
is 't, of hun een 'halt !' wordt geboden,
en houden zy rust bij de dooden.

"Kom, sla hier de trommel en steek de trompet !
 Maar langzaam en statig, als zy 't een gebed,
 en treed met ons vaandel naar voren;
 zy zullen het Prinsenlied hooren !"

Zy zongen het, saâm om de heuvel geschaard,
met de hand aan den hoed, met de hand aan het zwaard,
En plechtig, ver in 't ronde
klonk 't lied van Aldegonde

Toen sprak nog de hopman een: "Broeders, Goênacht !"
en 't vendel trok voort. Aan de kim, als een wacht,
verhieven Hollands duinen
in 't avondrood hun kruinen.

 

Terug naar overzicht

God is zo ver

(Helene Swarth 1859-1941)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

God is zo ver ! - Ik kan Hem niet bereiken
Mijn bede rijst niet hoger dan die ster
En hoger woont Hij dan de sterren prijken -
God is zo ver !

God is zo rijk ! - Berooid, met lege handen,
Schuil 'k huivrend weg, een bedelkind gelijk.
Mijn haard is zo koud, reeds donkren de avonlanden
God is zo rijk !

God is zo groot ! - In blauwe hemelzalen
Schalt engelzang, maar dringt geen kreet van nood.
Hoe zal Hij zien mijn droef en eenzaam dwalen ?
God is zo groot !

God is nabij ! - Ik voel zijn adem waren
In 't wuivend woud, dat suizelt, vroom en blij.
Ik voel zijn adem huivren door mijn haren -
God is nabij !

 

Terug naar overzicht

God maakt alles weder goed

(met dank aan Jean Bijloos voor het sturen van de tekst)

Wanneer in dit aardsche leven

Lijdenswolken U omgeven;

Heb vertrouwen, schep toch moed,

God maakt alles weder goed !

 

Wanneer U menschen bitter krenken

En Uw daden boos verdenken;

Heb vertrouwen, schep toch moed,

God maakt alles weder goed !

 

Wanneer U zware ziekte kwelt

Smartgevoel Uw hart ontstelt;

Heb vertrouwen, schep toch moed,

God maakt alles weder goed !

 

Wanneer de heer Uw dierb'ren nam

En het lijden tot U kwam;

Heb vertrouwen, schep toch moed,

God maakt alles weder goed !

 

Wanneer Uw geest in 't nacht'lijk duister,

Niets meer hoort van Gods gefluister

Heb vertrouwen, schep toch moed,

God maakt alles weder goed !

 

Wanneer vriendentrouw U snood verliet,

Alles behalve smart U biedt;

Heb vertrouwen, schep toch moed,

God maakt alles weder goed !

 

Wanneer geen ster meer vroolijk blinkt

En U moed en hoop verzinkt;

Kind, vertrouw en schep weer moed

God, uw Vader, zorgt zoo goed !

 

Terug naar overzicht

God moet mij geren zien

(Alice Nahon 1896 - 1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

God zei dat ik een liedeke moest maken,

Ik zei dat ik niet kon.

Hij lee mijn weifel-hand en wilde bij me blijven,

Zoals een moeder doet die kindeke leert schrijven,

En 't lied begon.

 

En 't lied begon te groeien uit mijn handen,

Lijk uit de mei het gras.

Nog voor ik aan die wasdom bloei en zaad kon wensen,

Stond heel mijn herte rijp van liekens voor de mensen,

Zodat ik dichter was.

 

Zodat ik dichter werd door Gods genade,

Ik die zo zerp van ziel,

Geen wijze dingen wist, geen weeldewoord van boeken,

Hoe heeft mijn lieve heer mij, arme, uit gaan zoeken

Voor zijn muzieken stiel ?

 

'k En weet, maar tussen ieder melodieke,

Waarmee 'k de mensen dien,

Is 't woordeke "waarom"een stille, matte schakel,

Een antwoord weet ik maar over dat zoet mirakel,

God moet mij geren zien.

 

Terug naar overzicht

Gods lof

(Jacobus Revius 1586-1658)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Was ik een nachtegaal, ik wou mijn Schepper eren
Met Zijne grote lof altijd te kwinkeleren,
Dat bossen, berg en dal zou deunen van de klank,
En de woudvogeltjes vergeten hare zang.
Ik ben geen nachtegaal, maar, in veel groter ere,
Een mens, het evenbeeld van aller heren Heere.
Ik wil dan mijne stem doen horen alle man
En prijzen Hem zo hoog en verre als ik kan,
Niet vragende een zier naar al het lelijk pruilen
Of misselijk getier van eksters en van uilen,
Verzekered dat Hij, die eeuwiglijken leeft,
Mijn tong tot Zijne roem alleen geschapen heeft.

 

Terug naar overzicht

Grafschrift

(Nicolaas Beets, Grafschrift voor mijzelven, 1886)

(Nicolaas Beets 1814 - 1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Twee dingen heb ik willen zijn:
Een Christen en een Nederlander.
Gebrekkig was ik 't een als 't ander;
Maar toch naar 't wezen, niet in schijn.
Zoo 't slechts gebrekkig is geweest:
God en mijn Volk moog 't mij vergeven !
Maak gij het beter, die dit leest;
Gij hebt nog tijd van leven.

 

Terug naar overzicht

Groote ontdekking

(Nicolaas Beets 1814 - 1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Eurekamen, Eurekamen ! wij hebben het gevonden !
De gang der wereld is aan oorzaken gebonden.
Alles wordt door oorzaak en gevolg geregeerd;
Daarom gaat alles perfect en rolt als gesmeerd.
Oorzaken en gevolgen houden alles in orden;
Gevolgen, die weder oorzaken worden;
Oorzaken, die weer gevolgen genereeren;
Gevolgen, die weer tot oorzaken promoveeren;
Tot oorzaken, in gevolgen weder schatrijk,
Pulu-lu-lu leerende onophoudelijk.
Het is een systema van schakels en lussen
En haken en oogen; geen speld kan er tusschen;
In ‘t stofflijk, in ‘t zeedlijk, in hemel en aard
En daarmee zijn alle problemen verklaard !
Onze ouden hebben voor menig probleempje gezeten;
Maar ze hebben ook van geen oorzaken geweten;
Zij hebben om geen gevolgen gedacht;
Wij zelv’ zijn maar pas op dat denkbeeld gebracht.
‘t Was ook niemand te vergen op die hoogte te komen,
Eer hij, bij gaslicht, door tunnels mocht stoomen,
d’Afstand vernietigde per telegraaf,
En heer van de stof werd, inplaats van haar slaaf.
Het was, wel beschouwd, een vergeeflijke zotheid
Der vroegre geslachten, die droom van een godheid.
Een hoogere zorg, een voorzienig bestuur,
Een koning der wereld, een heer der natuur,
Een geest, een verstand, dat formeerde en regeerde,
Een zeedlijken wil, die de stof reguleerde:
Zij konden niets anders, zij wisten geen raad.
Zij zagen het niet, dat de plant uit het zaad.
Van de plant weer het zaad komt, en zoo in ‘t oneindige !
Daarom was hun wijsbegeerte ook eene ellendige.
Nu is dit wel laat, maar toch tijdig ontdekt,
En geeft ons een inzicht dat mijlenver strekt.
‘t Is het ei van Columbus; een kind kan ‘t begrijpen:
Alle gevolgen dansen naar der oorzaken pijpen;
En, zoo lang maar conform dat principe geschiedt,
Is het leven een dansjen, en meer ook niet.

 

Terug naar overzicht