(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Een fabel van
Jean de La Fontaine over goede raad
Een kater,
Rodilardus heette hij, was zeer berucht.
Hem kon geen rat meer zien
of die sloeg voor hem op de vlucht.
Hij had er zoveel koud gemaakt,
De kop en poten afgekraakt,
Dat zij die overleefden bleven beven in hun hol.
Zij hadden niet veel eten, waren van de honger dol.
Voor hen was Rodilardus niet zo maar een nare kater.
Nee, voor dit arme rattenvolk was hij zowaar een sater !
Toen kwam de tijd dat hij hoog en ver over daken liep
En krols miauwend lief naar een van zijn vriendinnen riep.
Terwijl hij heel het weekend lang zijn dame bleef versieren,
Hielden de ratten de synode der bedreigde dieren.
Althans, wat ervan overbleef kwam samen in een hoek.
De deken van de ratten zei: "Wij zijn misschien niet kloek,
Maar slim; dus moeten wij de kater straks de bel aanbinden.
Zo kunnen wij als hij op jacht gaat
snel een schuilplaats vinden."
Een ieder vond: "De deken is geniaal, hij weet het wel.
Maar het probleem is: wie van ons bevestigt deze bel ?"
De ene zei: "Mij niet gezien, ik ga er niet naar toe."
De andere: "Ik durf niet meer, ik ben te traag en moe."
Zo kropen zij weer in hun hol en werd er niets gedaan.
Zo heb ik menige synode ook uiteen zien gaan,
Synoden niet van ratten, maar van herders van de kerk,
Van monseigneurs, en ook daar is de vraag:
"Wie doet het werk ?"
Waartoe dient goede raad ?
Het hof heeft raadgevers met hopen.
Maar mannen van de daad,
Die zie je echt zo dik niet lopen.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Meester raaf zat
in een eikenboom.
Hij klemde in zijn bek een heerlijk brokje kaas uit Gouda.
Meester vos, gelokt door deze droom
Van geur, keek op en sprak: "Doctor honoris causa,
U met uw wijs en alziend oog
En met uw glanzend zwarte toog,
Als ook uw stemorgaan zo mooi is als uw veren
dan moet toch ieder dier u als een feniks eren !"
Meester raaf, ontroerd door zoveel eer,
Wipte van tak tot tak en boog zich wat naar voren,
Keek toen trots over zijn snavel neer
Op meester vos en om zijn stem te laten horen
Gaapte hij met zijn bek héél wijd.
Maar ja, de kaas was hij toen kwijt.
Hij hapte er nog naar, keek treurig naar beneden.
De vos pakte zijn prooi en fleemde toen tevreden:
"Denk eraan, mijn waarde heer,
Elke vleier schenkt zijn eer
Aan door 't lot verwende vrinden
Die zichzelf belangrijk vinden.
Deze wijze les, helaas,
Kost u wel dit brokje kaas !"
Beschaamd verborg de raaf zich in de eikentakken
(met dank aan Ad Kanters voor het sturen van de tekst)
Een zee van
golvend purper, in verbazen
En ademloos, verstijfd - als waar' zij dood -
Bij 't zien van 't eindloos-vlammend avond-rood....
Zóó schijnt de heide, waar wie honig lazen,
Met d' avond-last
langs bloem en purper razen,
Om niet te keeren, voor de nacht ontvlood, -
En scheidend, houdt de delling in haar schoot
De blanke heerden, die al ruischend grazen:
De waaksche wolf,
die zich geen wolf betoont,
Likt speelsch de staf-en-handen van den herder,
Die twintig kudden eenzaam heeft gehoed;
En met een blik,
waarin de liefde woont,
Drijft hij de wit-gewolde wolkjes verder....
En ziet naar hen, de heide en d' avond-gloed.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
"Schooier waar ga
jij naar toe ?”
‘Waar de wind mij drijft;
Schooieren is mijn levenslust,
Schooieren geeft er mijn ziele rust;
Schooieren hier, schooieren daar,
Altijd door zwerven en schooien daar,
Altijd door zwerven en schooien maar.”
“Schooier heb je
dan geen lief ?”
“Mijn lief zit overal,
Liefde dat er is overal,
Liefde dat is een zwerversgoed,
Dat de schooier zich schooiend verov’ren moet,
Mijn liefje zit hier, mijn liefje zit daar,
Dat vind ik in ieder stadje klaar.”
"Schooier heb jij
dan geen God ?”
“Mijn God is overal,
‘n Schooier ziet meer dan een ander ziet,
Fatsoenlijke mensen, die zien Hem zo niet,
Hij kijkt door de zon, Hij spreekt door de wind,
Geen plek waar de schooier zijn God niet vindt.”
“Schooier heb jij
dan geen vriend ?”
“Vrienden bij de vleet,
Maar iets ontbreekt aan de schooiersman;
Een arm waar hij veilig in sterven kan;
Een zucht bij zijn sponde, een traan op zijn kist,
Dat is een schat die de schooier mist.”
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Een vorst die
door zijn groot vermogen
Zijn onderdanen wetten geeft
Daar elk ontzaglijk voor beeft,
En zich op 't nedrigst houdt gebogen,
Wordt hier in minder graad verbeeld,
Daar Klaas de kindermeester speelt.
Zijn kroon,
waarmee de vorsten pralen,
Is een muts van goede stof,
Doch op den draad bijzonder grof,
Die hij in stee nog moet betalen,
Bij lome Govert zonder ziel,
Een knipluis in het Spinnewiel.
De mantel, die
zijn leen bekleden
Is een huisrok van Japan,
Die bestevaer, den ouden man,
Eer placht te hangen om zijn leden,
Als hij door jicht of flerezijn
Te krimpen zat van felle pijn.
Zijn staf en
skepter van vermogen
Is een plak van eikenhout,
Waarop hij als een vorst vertrouwt,
Om elk, op 't wenken van zijn ogen,
Zijn wil en wetten,te gebien,
Die hij aers nooit gevierd zou zien.
't
Tapijt, waarmee zijn wanden pralen
Zijn leien, vol van cijfertal
En borden. Ziet daar heb je 't al,
Dat zijne koninklijke zaten
Doeet schitt'ren met een eedlen gloed,
Die ruim het blinde oog voldoet.
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Daarboven staat
de groote nacht,
Daarboven staan de sterren.
Wat lijkt het daar licht, wat lijkt dat zacht,
Wat lijkt die hemel verre !
Wat ver van de kleine wereld vandaan !
Zoo om de wereld maar over te slaan.
Ai de sterretjes
zijn zoo mooi, zoo fijn,
Ik wou zoo graag
op de sterren zijn
En wachten tot
later - tot later !
Zij pinklen allemaal van pleizier,
Je zoudt toch gaan gelooven:
Het is er veel vroolijker dan hier,
En mooier ook daarboven !
O ! ik wou wel van de wereld vandaan
En daarboven naar de sterren toe gaan.
Ai de sterretjes
zijn zoo mooi, zoo fijn,
Ik wou zoo graag
op de sterren zijn
En wachten tot
later - tot later !
Ach moeder het was nog veel te vroeg !
Je had nog moeten wachten,
Daarboven was toch plaats genoeg
Voorloopig te overnachten !
Tot het hier een beetje beter zou gaan,
Tot er nog 'n klein tijdje zou zijn vergaan.
Ai de sterretjes
zijn zoo mooi, zoo fijn,
Ik wou zoo graag
op de sterren zijn
En wachten tot
later - tot later !
En als ik dan op de sterren zat,
Dan zou ik dit hier vergeten,
Dan zou ik vragen: "wat wereld is dat ?"
Maar 'k zou 't niet willen weten !
Dan schopte ik de wereld naar de maan,
Maar de sterren liet ik stilletjes staan.
Ai de sterretjes
zijn zoo mooi, zoo fijn,
Ik wou zoo graag
op de sterren zijn
En wachten tot
later - tot later !
En als 'k de wereld gelukkig dacht
En vroolijk en tevreden,
Dan klom ik weer op een mooien nacht
Van boven naar beneden !
En als 'k dan weer op de wereld zou staan,
O ! dan begon ik van voren af aan !
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Dat Petrus van
de Hemelhof de sleutels heeft,
waar door men of er in komt, of er uit moet blijven.
Al bood men honderdduizend schijven,
dat weet een ieder toch gewis,
die hiervan niet onkundig is.
En als men 't nimmer kwam ter oren,
dat men het nu terdege hore.
St. Paulus nu, die samen deed
met Petrus, dragend lief en leed.
Mocht daarom als het zo kwam ter voren,
ook wel met 's Hemels sleutels gloren,
als Petrus het te druk soms had,
of zaken te beredderen zat.
Eens 't was op een dier drukke dagen.
Kwam Petrus aan St Paulus vragen,
Om voor een wijlen te zijn portier,
St. Paulus was op 't postje fier.
En zonder lang zich te bezinnen.
Liet hij vol goedheid ieder binnen.
St. Petrus liet hem stil begaan
En dacht hij neemt slechts braven aan.
De les is hem genoeg gewezen,
Aan schuldenaars wordt de deur gewezen,
Totdat zij hebben afgedaan,
De schuld waarmee ze zijn belâân.
Daar kwam alras een troep gelopen
Om plaats in 't Hemelrijk te hopen,
Ze kloppen aller ned'rigt aan
En blijven voor het deurtje staan.
St. Paulus laat ook niet lang wachten
De lui die naar de Hemel smachten.
Komt spoedig, opent snel de poort,
Zo'n groot getal zijn hart bekoort.
Waar komen jullie vandaan met tienen ?
Van Egmonds kust om u te dienen
Wij vissers zijn van onze stiel
En zagen gaarne onze ziel
In 't Hemelrijk te doen leven.
Maar hebt ge nooit geen kwaad bedreven ?
Vraagt Paulus hen eerst heel secuur.
Dan moet ge eerst naar 't vagevuur.
O ! Heilige Paulus, nee gewis.
Ons aller ziel zo smet'loos is,
Als vissen die in 't water zwemmen
Laat U toch stemmen tot ons aller lot !
We zijn van 't reizen half kapot.
We komen van de Nederlanden
En hadden zuur ons stukje brood
Totdat ons halen kwam de dood.
St Paulus stond nog wat te weifelen
Maar zijn goed hart deed hem niet twijfelen
En naar hun arme plunje ziend
Dacht hij,"ze hebben het wel verdient
Dat ik voor hen de Hemel open,
Ze hebben toch zo'n eind gelopen."
"Kom binnen" zegt hij, "kom binnen gauw,
En sta niet langer in de kou.
Wat zal st Pieter blij toch wezen,
Daar hij ook visser was voor deze."
St. Petrus echter kwam eens kijken
En zag de tien naar binnen strijken
Waar hij het zijne niet van had.
Hij wist wat er in vissers zat
En wel uit eigen ondervinden,
Al waren 't nog zo goed gezinde
Hij ging dan ook naar Paulus toe
En vroeg, maar Paulus "hoe,
Hebt gij die tien er in gelaten?
Ik wou dat ze in hun land nog zaten
Waar komen ze toch wel vandaan ?"
"Wel van Europa, bovenaan,
Zowat ten oosten van de Britten.
Daar moet dat vissersvolkje zitten."
"Ja ik dacht het wel, 't visserslien
Hun broek en wambuis doet het zien.
Ik meen dat ze in Holland wonen
't Zijn echte Batavierenzonen.
Het heet er alles dijk en dam
En ze eten er haringen als ham.
Maar is het dat er schepen stranden,
Dan zijn ze er bij, met rappe handen
En redden wat te redden is.
Maar voor hun eigen zak gewis.
Ik zeg u Paulus, al die tien
Ze moesten het Hemelrijk niet zien.
Naar 't vagenvuur voor pekelzonden
Daar hadden ze hun plaats gevonden."
"Hoe raken we die luitjes kwijt,"
Zucht Paulus, die 't geweldig spijt
De tien te hebben in gelaten.
Van uit te smijten valt geen praten.
Ze zijn met tien man sterk en stijf
Met flinke kneukels aan het lijf.
Met wien hij zich niet graag zou meten.
Veel liever ging hij met hen eten.
Maar hier te blijven dat kon niet gaan.
Zijn reputatie ging er aan
En die wilde hij om die lui niet missen,
Hoe kon ik mij toch zo vergissen.
Maar Paulus recht- en Godgeleerd,
Waarin hij is gepromoveerd
Ging aan zijn brein om uitkomst vragen
In dit zo netelig geval,
Hij peinst niet lang, of hij weet het al.
Hij gaat dan ook naar Petrus toe
En zegt, "ze gaan er uit en hoe,
dat zal ik laten horen."
Meteen snelt hij dan vlug naar voren
En terwijl hij 's Hemels poort ontsluit
Roept hij vervaarlijk schreeuwt het uit !
"Mannen van Den Nederlanden !
Aan Egmonts kust is een schip aan 't stranden !"
Het tiental lang nog niet ontwent
Aan 't sein aan iedereen bekend.
Komt haastig naar de poort gelopen
Om zich in het ruime sop te dopen.
Ze trekken her en der waarts uit
Meteen St paulus het deurtje sluit.
"Dat heb je aardig klaar gekregen"
Zegt Petrus, "dat valt mij niet tegen
Maar het is voorwaar de laatste
Zij het ook slechts de eerste keer
Het mag niet meer.
Want eerst Hemelen, en dan vagevuren
Is tegen de orde der schrifturen."
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Zie door ‘t
open winkeldeurtje
de bejaarde timmerman,
Boezeroen en stofjes an,
Neerstig over ‘t werk gebogen,
Pinkend met zijn oude ogen
Naar de glad geschaafde plank
Op de zware timmerbank.
Ach, wat kan ik
jou benijden,
Manneke vol stille vlijt,
Ouderwetse deugd’lijkheid.
‘k Zie je passen, ‘k zie je meten,
Onverstoord en tijdvergeten,
Als je van het ruwe hout
Weldoordachte dingen bouwt.
‘k Ruik, als
straks je zit te schaften
Koffiegeur en roggebrood;
‘t Stukkenzakje op de schoot
Zit je knusjes tegen ‘t muurtje
En geniet je halve uurtje
Als de zon op ‘t raampje staat
En de stofkens dansen laat.
Wat al beitels,
boren, schaven,
Jarenlang gebruikt bij ‘t vak
Zie ik je in timmerbak.
‘k Voel de lust ze aan te raken,
Die zo wel bekende zaken
Gepolijst met noeste vlijt,
Kleine stukjes innigheid.
Timmerman toe
wil mij leren
Al de rust van jouw gedoe
‘k Ben het jachtend leven moe,
Laat mij in je winkel blijven,
Urenlang de tijd verdrijven,
‘k Ben je, o, zo dankbaar dan,
Lieve, oude timmerman ! ....
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Een tuinman
snoeide rozen in een gaarde,
Gelegen in een duivengrijze streek,
Het was opeens, dat hij de Dood ontwaarde,
Die roerloos, spottend grijnzend naar hem keek.
Zijn adem stokt, hij beeft en wordt zeer bleek,
Zou graag nog toeven op de goede aarde,
Die hem zo weinig zorgen baarde,
Voor hem steeds mild en goedertieren bleek.
Dan ijlt hij tot zijn meester, die hem wenkt,
Hij stijgt te paard en rent naar Ispahan,
Waar hij zich voor de Sombere veilig denkt.
Des avonds, in de schijn der halve maan,
Doemt weer de Dood, die de heer de mare brengt:
Ik kom vanwaar uw knecht is heengegaan.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Morgenwind wekt
mij, blaadrend in de boom
Waaronder ik in droom lag met een vrouw
Zo wulps als lieflijk, maar zelfs in die droom,
Toch zeer kortstondig, bleef ik haar niet trouw.
De kim woei open. Ik was weer verheugd
En wies mijn warm gezicht in morgendauw.
Ik roofde een landmeisje haar melk en deugd
Met volle teugen, en had geen berouw.
Ik leef. Ik vrees alleen dat ’t web van wegen
Dat zich al nauwer om de wereld spant,
Mij niet meer doorlaat naar het ver gelegen,
Steeds wenkend en steeds wijkend wonderland.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Spijtig,
Klaartje zou zich baden
Moedernaakt in ene beek,
Die langs klavere boorden streek,
Overschâuwd van wilge-bladen;
Grage Reinoud zat en keek,
Watertandend door de rietjes;
En hij riep eens zoet met een:
Nog wat dieper, tot de knietjes;
Daar mee droop zij schaamrood heen.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Een vriend, die
mij mijn feilen toont,
Gestreng bestraft, en nooit verschoont,
Heeft op mijn hart een groot vermogen;-
Maar...'t laag gemoed, dat altoos vleit,
Verdenk ik van baatzuchtigheid;-
Ik kan zijn bijzijn niet gedogen.
Die zelden prijst, spreekt vriendentaal:
Die altoos vleit, liegt menigmaal.
(met dank aan Frits Bentsink te Nijverdal voor de tekeningen en voor de bewerking naar "deze tijd")
Op de Veluwe was er vroeger een garnizoen
Met soldaten, die hun best wel doen
Om samen flink te exerceren
En, verder hun dienstplicht goed te leren.
Daar bij die “troep” was er één soldaat,
Ja, ’t was een echte “ongemaat”,
Die altijd voor gewoonte had:
“Ik wed om dit en ik wed om dat”.
Zijn majoor, echt een hele goeie man,
Die kreeg daar toch de brui wel van
En sprak: “Soldaat, doe me één plezier,
Dat wedden moet je laten hier.
Jij altijd met je wedderij,
Je krijgt het aan de stok met mij.”
Toen sprak de soldaat ietwat brutaal:
”Majoor, het is echt een familiekwaal,
Al houdt u mij nòg zo in de gaten,
Dat wedden kan ik tòch niet laten.”
“Niet laten zo, dat staat je net,
Dat jij je tegen de majoor verzet.”
“Verzetten?”, sprak de soldaat heel vlug,
“Daar kom ik correct even op terug.
Ik zou het zelfs wel durven wagen,
U om een weddenschap te vragen.”
De majoor, al enigszins oud van dagen,
Stond compleet hiervan verslagen.
“Wil je wèèr wedden, jonge maat,
Welaan, kom er dan mee voor de draad.
Je weddenschap zal zo niet zijn,
Of je zal het verliezen tegen mij’n.
Je knoeierij kan zo niet wezen,
Of ik zal je er even van genezen.”
Een glimlach trok nu over het gelaat
Van onze weddende soldaat.
Hij sprak: “Nu goed mijn beste majoor
Het volgende stel ik u thans voor.
Nu u mijn weddenschap kunt dulden,
Wed ik om driehonderd gulden,
Dat een steenpuist, jaaah.. ’t is sterk,
Zal komen op uw achterwerk.
Misschien vindt u het raar van mij’n
Maar over drie dagen zal het echt zo zijn.”
De majoor was nù geheel verstoord,
Zoiets had hij nog nòòit gehoord.
“Maar, ’t is goed, je weddenschap is aangenomen,
Over drie dagen kun je wederkomen.”
De eerste dag der drie verstreek,
Doch hoe de majoor ook in de spiegel keek,
Hij kon er steeds niets van ontdekken,
Zelfs niet door zijn nek ver uit te strekken.
De tweede dag dacht hij: ”Stel je voor,
Dat ik de weddenschap verloor.
Met mijn geld zal die soldaat zich niet verrijken,
Ik zal toch de dokter eens laten kijken.”
Maar hoe de arts ook zocht en keek
Niets wat op een pukkel of een puist geleek.
Opgelucht en dus nogal zeer tevree’n
Ging de majoor daarna huiswaarts heen.
Nu is het wachten op de soldaat,
Die de derde dag plots voor hem staat.
“Wel majoor”, zo was hij begonnen,
“Heb ik de weddenschap gewonnen?”
“Gewonnen?” riep de majoor, die meer brulde,
“Waar zijn mijn driehonderd gulden?”
“Die centen krijgt u vlot en zelfs subiet,
Zoals u hier in mijn beurs wel ziet.
Alleen als ik de waarheid mag aanschouwen,
Mag u deze knip met centen houden.”
Daar begon de majoor wel van te zweten,
De soldaat wilde echt de waarheid weten.
De majoor wist hem niet om te buigen,
De soldaat wilde echt zichzelve overtuigen.
De majoor moest dus maar voor die wil bezwijken,
In vredesnaam, hij moest maar kijken.
En de soldaat, ’t was werkelijk haast te veel,
Keek toen grijnzend naar dit blanke achterdeel.
Maar…, hij betaalde direct zijn schulden,
Immers, hij had verloren: nogwel "driehonderd gulden".
De majoor ging hierna opgetogen naar de soos,
En daar, waar hij zich een mooi plaatsje koos,
Was ook de kapitein gezeten,
Die graag iets over die soldaat wou weten.
“Wel majoor,” zo ving hij nieuwsgierig aan,
“Hoe is het toch met die soldaat gegaan,
Je weet wel die zo vol met wedden zat.
Heb je hèm wel eens te grazen gehad?
“Nou,” sprak de majoor verheugd
“Die heeft van mij gewis zijn meugt,
Binnen drie dagen, ja ’t is sterk,
Dan zou er op mijn achterwerk
Een steenpuist zijn verrezen,
Zo zou zijn weddenschap er wezen.”
“En?” zo sprak de kapitein, ”Heb je dat misschien
Aan die jonge kerel laten zien?”
“Natuurlijk”, sprak de majoor, “het is geen mop,
Het kostte hem zelfs driehonderd pop.”
De kapitein werd toen wit en steunde: “Ach,
Dit is voor mij een dure dag.
Hoe heeft die vent het zo verzonnen,
Zevenhonderd gulden heeft hij nu gewonnen.
Want f.1000.- heeft hij van mij te pakken,
Omdat jij je broek hebt laten zakken,
Daar hij wedde met mij bovendien
Dat hij binnen drie dagen jouw kont zou zien.”
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Vóór het
huwlijk werd besloten,
Door dit echtpaar, lief, maar dom:
"Onze kindren ('t meisje bloosde!)
Zullen worden om en om.
Schenkt ons God het eerst een jongen,
Luthersch wordt ons eerste kind,
En de tweede, knaap of meisje,
Volgt u en wordt Doopsgezind.
Doch mocht de eerste een meisje wezen,
In dat liefelijk verschiet,
Dan wordt ook de rij geopend
Met een kleine Mennoniet." --
Thans, hun huis telt twalef kindren,
Die, tot eer van 't Christendom,
Luther eeren, Menno volgen,
Vroom en deftig, om en om.
Toch waar' 't koppigst Lutheraantje
Daar een Doopsgezinde geest,
Zoo meneer zijn oudste broeder
Maar een meisje was geweest!
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
't Gebeurde
eens, dat een lam in 't koele water plaschte,
Aan d'afloop van een heldre beek,
Toen hem op eens een wolf verraste,
Die, nuchter uitgevast, rondsnuffelde in de streek.
"Wat !" riep hij met vergramde kaken:
"Het water dat ik drink komt gij hier troebel maken ?
Gestraft moet die vermetelheid !"
"Maar, Sire !" sprak het lam, "ik bid Uw Majesteit
Wel allerneedrigst om genade,
En smeek haar niet voorbij te zien
Dat ik nog wel een pas of tien
Van 't plekjen waar Zij staat, beneden strooms, mij baadde,
Zoodat ik 't water van Haar bron
Onmooglijk troebel maken kon."
"Dat hebt gij toch gedaan !" riep Grimbaard in zijn toren,
"Maar 'k ben door u, verleden jaar,
Bebabbeld bovendien ! Of is dat ook niet waar ?"
"Hoe kan dat ?" zuchtte 't lam, "Ik was nog niet geboren:
Mijn moeder zoogt mij nog." - "Dan is 't uw broer geweest."
"Ik heb geen broer." - "Dan toch het een of ander beest
Van uw famielje ! Ik heb steeds boosheid ondervonden
Van u, uw herders, en uw honden !
Dat eischt in 't eind een goede les."
En zonder vorm zelfs van proces
Heeft Grimbaard, één, twee, drie het arme schaap verslonden.
Helaas, zóó
gaat het maar in 't ondermaansche slijk:
De sterkste heeft altijd gelijk !
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Een man in
Vriesland, naar het verhaal,
Zat 's avonds moe van 't werken,
Om door een ned'rig avondmaal,
Zijn aardsche deel te sterken.
En sprak, zijn oog op 't knappend vuur
Met wijfjelief aan 't kouten,
Wat maakt de accijns de spijzen duur,
Vooral de schapenbouten.
't Is waar, zij
komen wel ter snee,
Gehakt aan karbonaden,
En niemand zal ons warm soupé,
Geheel en al versmaden;
Maar toch die impost, lieve vrouw !
Die impost doet mij beven,
Wat konden wij ons aardsch gebouw,
Toch buiten haar niet geven ?
Ziet, and'ren
hebben dat geluk,
Door stout de wet te ontduiken,
En nu eens een slaplendenstuk,
En dan weêr drank te sluiken.
En wij, wij zitten stiltjes hier,
Neen, 'k wil dat ook probeeren,
Want hoe het zij, aan zulk een zier,
Zal nooit het land krepeeren.
De vrouw zweeg
stil, maar dacht toch slechts,
Gelijk de meeste vrouwen,
Al gaat het links, al gaat het rechts,
Het geld doet huizen bouwen.
De vrouw zorgt daaglijks voor en na,
Hoe ze aan het geld moog raken,
Voor garen, lint etcetera,
Voor honderd and're zaken.
Juist had nu de
vroege vorst,
De wat'ren doen bedekken,
En 's morgens scheen een held're korst,
Des sluikers moed te wekken.
Al gaf het ijs nog krak op krak,
Toch toog hij vrolijk henen,
En zweefde langs het spiegelvlak,
Met schaatsen aan de benen.
De lucht was
nev'lig graauw en koud,
En aan den haard gedoken,
Zat bijna alles jong en oud,
Te kouten en te roken;
Ook hier en daar deed ligt geraas,
Zich uit de veestal hooren,
Men riep er luid om klaveraas,
Bij 't Nederlansch pandoren.
De man scheen
als door drift gepord,
De wind woei langs hoe kouder,
Hij had een touw om 't lijf gesjord,
Een haakje op zijn schouder.
Hij repte, spoede sneller heen,
En neuride van binnen,
Op maat en streek: "Climeen, Waarheen,
Waar dwalen al mijn zinnen" !
Zo was hij ras
naar 't doel gesneld,
Het doel van zijn verlangen;
En zag zich voor een weinig geld,
Een vaatje drank omhangen.
Genever is vrij hoog belast,
Zoo ieder kan bezinnen,
En dit was dus 't product al vast,
Om rijklijk geld te winnen.
Het vaatje hing
aan 't zelfde touw,
Dat eerst zijn lijf omsloten,
En nu als middel dienen zou,
Van rug en beurs vergrooten.
Ook was de vragt vooral niet ligt,
En soms hem 't lot beschooren,
Dat hij geheel zijn evenwigt,
Door topzwaarte had verlooren.
Maar toch hij
regt zich telkens weêr,
Om sneller voort te varen,
Al staat en ziet hij keer op keer,
Uit vrees voor de ambtenaren.
Toch gaat het voort, op de eigen wijs,
In bochten en in draaien,
Hij doet het schraapsel van het ijs,
Ver agter zich verwaaijen.
Maar ziet, 't
balsturig grimmig lot,
Scheen fel op hem gebeten;
En dreef met al zijn moeite spot,
Hoe ook de man mogt zweeten.
Helaas ! dit was dan hier de prijs,
De prijs van welgelukken,
Daar valt het vat hem af op 't ijs,
En hoep en boôm zijn stukken.
Verbeeld u, wat
een ramp dit was,
Hoe trof hij hart en zinnen !
Daar zag hij den geneverplas,
Wat zal de man beginnen ?
In wanhoop stort hij neêr op 't vocht,
De wereld mag het weten,
Hij wil de rampspoed van zijn tocht,
In haar genot vergeten.
Hij slorpt, en
drinkt, en valt op zij,
Bedwelmt, en vol van 't schranzen.
Omhoog trok westwaards juist voorbij,
Een troep van wilde ganzen.
De dieren van hun hoog bestek,
Door zek're zucht gedreven,
Verbeelden zich daar wak of trek,
Dat open was gebleven.
Zij vallen neêr
op 't geestrijk vocht,
Eens uit Schiedam gekomen,
Doch zien zich 't voortgaan van hun tocht,
Ten eenemaal benomen;
Hun wieken hangen magtloos neêr,
Zij wag'len op de pooten,
Zij draaijen, went'len, rollen weêr,
Als in een kring besloten.
De man kwam
wakker van 't gedruis,
Dat stout zijn rust kwam stooren,
Hij sprak; "Houdt hier de booze huis,
"Wat snat'ren aan mijn oren !
'k Schijn in een eendenkooi gebragt,
De drommel mag het weten,
Het is hier privatieve jagt,
Of 'k wil geen Jasper heeten."
Hij wreef nog
eens zijn oogen uit,
Nog half door slaap gesloten,
En rees, en wierp zich op zijn buit,
En bond ze ras de pooten;
Het eene eind van 't zelfde touw,
Was om zijn lijf geregen,
Opdat hij niet verliezen zou,
Wat mak'lijk was verkregen.
"Zoo" sprak
hij, dat 's een heele vangst,
"Wat zal mijn vrouw wel kijken,
Als zij zulk wild naar haar verlangst,
In huis ziet binnen strijken.
Geheel een and're waar als straks,
Ik zal ze niet verliezen,
En blijf nog zelfs op mijn gemak,
"Al kwamen tien comiesen."
Zoo dacht hij
langs de gladde baan,
De ganzen meê te sleepen,
Maar ziet, hun roes was heengegaan,
Schoon aan een touw beknepen.
Maar onbelemmerd was hun vlugt,
Thans kon geen band die toomen,
Ras hadden ze in de ruime lucht,
De sluiker meegenomen.
De man scheen
ligter dan een geest,
Zoo vrijlijk mogt hij zweven,
Hij had nog nooit zoo hoog geweest,
Dat zwoer hij bij zijn leven.
Zijn gang was zelfs verbazend snel,
En ligt gelijk een veder,
Geleek hij naar een slinger wel,
Zo ging hij heen en weder.
Intusschen week
de dag geheel,
Het touw begon te klemmen,
Daarbij de angst dat 't vlug gareel,
Eens lust kreeg om te zwemmen.
Hij zag een groote witte plek,
En was in duizend vreezen,
Het scheen toch, volgens zijn bestek,
De Zuiderzee te wezen.
De roes des
daags, de angst en pijn,
Was 't die den man bewaakte;
Althans, de lucht was vreeslijk fijn,
En 't vroor zoo dat het kraakte.
En vreesde hij 't lot zich opgeleid,
Van koude te verstijven,
Toch was er geen gelegenheid,
Zijn handen eens te wrijven.
Maar ziet,
hij meent een licht te zien,
Het duister schijnt te zwichten.
Hij hoort een roep, "de klok heit tien,
Bewaar je vuur en lichten !"
Hij rukt en trekt uit al zijn magt,
De ganzen dalen neder,
En hij ziet bij de Keizersgracht,
Nu te Amsterdam zich weder.
Toch was hij
verre van gerust,
Want, waar zijn oog mogt dwalen,
Geen een der ganzen toonde lust,
Op aarde neêr te dalen.
Nu nam de wanhoop bij hem plaats,
En sterkt hem in zijn pogen,
Hij daalt, en treft met zijne schaats,
De wachter in zijne oogen.
De nachtwacht,
anders ferm en kras,
Had wel gedruis vernomen,
Maar stond, daar hij wat kippig was,
Juist of hij stond te droomen.
"Wacht, booswicht !", riep hij, "zoo infaam
Me een schrik op 't lijf te jagen,
Hoe, hang je hier uit een vensterraam,
Dat zult gij u beklagen !"
Zijn woede kent
nu perk noch toom,
Fiks grijpt hij om zich henen,
En vat, en trekt nu zonder schroom,
Den sluiker bij de beenen.
Het touw brak los, en op zijn rug,
Kwam onze man te landen;
De ganzen vlogen snel en vlug,
Naar zuidelijker stranden.
Naauw had hij
't hoofd omhoog gewendt,
Of aanstonds naar behooren,
Maakt hij de wacht een compliment,
Voor zijn onhandig stooren.
Maar deze brengt hem in de kost,
Naar 't huis, nooit hoog geprezen,
En is hij daar niet uit verlost,
Dan zal hij er nog wezen.
Ten slotte,
Vrienden ! kan gewis,
Dit voorval ons toch leeren:
Geef Keizer wat des Keizers is,
Dan zal geen kwaad u deeren.
En, ziet ge u ooit in 't naauw gebragt,
Hoe hoog de nood moog' prangen,
Schop nimmer toch een ratelwacht,
Of gij raakt licht gevangen.
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Opgedragen aan de vreemdeling
O, vreemdeling, die onze taal bestudeert,
Lees verder, ik wed dat mijn rijm je wat leert.
'k Hoop niet, dat de studie je tegen zal vallen.
Zo zegt men bal—ballen, maar, ach! niet: dal—dallen.
En 't enkelvoud, vreemdling, van koeien is: koe.
Maar de boef draagt wel boeien, de drenkling geen boe.
En Vondel, je weet het, schreef prachtige reien,
Maar niemand bestelt in een lunchroom ooit eien.
En kinden is niets, noch ook winderen—wel lammeren,
Wel: wortelen, geen eiekelen, noch borstelen of kammeren.
Zo kom je van zelf op de lastige paderen:
Rad—raden? Stad—staden? Is vad stam van vaderen?
Ook heb je wel potten, maar nergens zijn slotten.
En niemand zegt roten, marmoten of lotten.
De boer houdt geen haanders, maar zeker wel hoenderen,
En draagt op het land meestal klompen—nooit schoenderen.
Het meervoud van krent is eenvoudig krenten.
Maar: vent in het meervoud, is kerels—niet venten.
Leer ook de geslachten, mijn leerling, vroegtijdig:
de vrouwen zijn vrouwelijk, maar wijf is onzijdig.
Zeg: naaister, maar schilderster moet je niet zegge,
ook niet koninges of dievin of vriendegge.
Je zult al wel weten—ik hoop, dat je 't wist,
dat je heden zult eten, maar gisteren niet ist.
Toen gisteren de torenklok twaalf had geslagen,
zeg, ben je toen rustig naar huis toe gegagen?
Och, als je 't maar weet, is 't gemak'lijk genoeg,
joeg nooit bij 't behang naar een muisje dat knoeg.
En als je in vervelend gezelschap haast sliep,
heeft niemand gemerkt, dat je heimelijk giep.
Ik denk ook niet, dat je vaak hebt gezocht
naar een post in je boek, die verkeerd was gebocht.
Bedenk, vriend, als j' in verontwaardiging raakt
dat niet wan wordt getrouwd hij, die nacht heeft gebraakt.
Ik vraag j' of je hier wel eens ooit aan gedacht hebt en of je 'r je
aandacht genoeg aan geschacht hebt?
Leer ook de getallen, o vreemd'ling, aandachtig:
zeg: vijftig en zestig—niet drietig en achtig.
Ook d' uitspraak is soms nog een moeilijk ding
immers: beving je ooit van de angst een beving?
En hoorde j' ooit iemand in 't Hollands bevelen,
een vocht naar een lager staand vat te hevelen?
Al schrijf je ook Gorinchem, spreek het uit: Gorkum
maar schrijf in vergissing niet Borinchem voor Borkum.
Misschien ben je 't Hollands in zover al meester,
dat je heester niet zo maar laat rijmen op zeester.
En rijmt dit precies: “Als Marie gelei maakt,
dan vind ik dat die naar een spiegelei smaakt”?
Dus leer lieve lezer, de les uit mijn lied:
het Hollands is heus nog zo makkelijk niet.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Uit een oud
dorp,
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka,
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruisisch-blauw
en haar haar vlas-geel;
ook waren haar ogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.
In het "Hotel Lapland" zat zij
bij een tafel aan het straat-raam
zij schreef 'n brief.
Een haarlok viel laag op haar rode kaak
en zij stak haar tong uit,
want ze schreef moeilijk die brief
en daaronder "Dinska Bronska", haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar ogen langs het plafond.
Op het papier waren 'n inktvlek
en groot gestompel van letters:
zij kocht het voor tien centiem
in de kruidenierszaak
over het hotel.
Er was 'n beetje inkt aan heur kaak.
O, Dinska
Bronska;
gij vertrekt naar Canada:
de verroeste stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanak
der "Red Star Line"
dat Canada grotere appels,
o, hoger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn !
O, Dinska
Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zo moeilijk die brief.
Je ogen zoeken vliegen op het plafond.
"Moj Boze !"
Er zit 'n tranen-veeg,
o zo verdrietig,
van je blauwe ogen naar je mond.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Ogen, in wier
diepte helle nacht
Droomt en lokt, als er de rust uit lacht -
Grondelozen, gij, die smeekt en smacht,
Al wie oogt naar u, droomt met u mede...
Voor uw toverende wonder-macht
Wordt de ziel van mannen zonder kracht,
En wiens kracht úw kracht ten onder bracht,
Diens gehele ziel wordt éne bede.
Aan het vreedzaam hart rooft gij de vrede,
Maar gij schenkt hem weder, onverwacht -
En wie gij de weelde toe-bedacht,
Van uw blikken, zoo fluweelig-zacht,
Die omspannen zij van lieverlede,
En hij slaakt een langgezuchte klacht,
Doch een vreugderijke juichkreet mede.
U te zien, is schoonheid zelve ontwaren,
En, waar zij op donzige englen-schacht
Nederstrijkt, om zeegnend rond te waren,
Daar versterft de haat, en geurt de zomerpracht
Der liefde.... Donker oog, blijf dikwijls op mij staren!
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Heer, als ik
sterf
op een december-dag,
in het ziek laken dat ruikt,
en mijn gezicht: geel als een raap,
mijn baard verwoest door het zweet,
terwijl mijn hand vol angst in het kussen pluikt,
Heer, houd dan voor mij, arm schaap,
houd uw barmhartigheid gereed.
Want gedurig was ik lui en dom,
onkuis hoovaardig en zot,
ik was gulzig aan bier- en wijnpot
en mijn tanden bruin van de pijp.
Heer, als ik
sterf
en mijn voeten zijn koud als glas,
de kaars druipt op mijn hand
en de dokter zegt: "‘t Is gedaan,"
als bij de kamer-wand
de priester bidt: "Heer, laat hem gaan",
dat ik dan bidde:
"Heer, neem mij in ontferming aan."
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Wie in zijn
jeugd op gladde baan
Te lang aan moeders handje stapt;
Geen stroobreed hoeft ter zij te gaan,
Of op een steentje trapt,
Wijl hij zich nimmer voorwaarts waagt,
Eer 't pad voor hem is schoon gevaagd, --
Hij heeft het zeker kalm en goed,
Maar blijft, bij 't minst verlet, een bloed.
Maar hij, die vroeg reeds heeft geleerd
Zich zelf te redden, waar het voegt,
Die , waar hij 't beter deel ontbeert,
Met minder zich vernoegt;
Al kruipt hij soms door 't kreupelbosch,
Hij maakt zich van de boeien los,
Hem door d'afhankelijkheid gesmeed,
En wordt een man bij lief en leed.
Daar loopen er, helaas ! nog veel
Met dik en drap Jansalie-bloed ;
't Wordt hun voor d'oogen groen en geel
Bij 't steentje voor hun voet;
Ach, is hun jeugd nog niet vergaan,
Men laat hen eens voor 't schuthek staan,
Of maak eens d'ouden leiband los,
En jaag hen dan in 't kreupelbosch.
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Ik volg de
straat waarlangs de huizen slapen.
Het raadhuis staat apart. Daar hangt het wapen
Dat de gemeente in oude dagen had,
('t Visschersgehucht was eenmaal Hansa-stad);
Een koggeschip op blauwe golvenfranje,
Verguldsel opgelegd om de kampanje.
Het wordt tien
uur, de trage tijd ontwaakt
En knarst tien slagen, 't klokkenhuisje kraakt
In zijn gebinten, het is verfloos kaal,
De cijferplaat verweerd en zonder wijzer.
Achter smal grintveld ligt het schoollokaal.
De grijze schedel van den onderwijzer
- Op 't raam, half grijsgeschilderd, gehalveerd -
Knikt naar zijn stokgestamp; de klas psalmeert
Van frissche waterstroomen, zaalge oogsten
't Veelverzig loflied tot den Allerhoogste.
Het armhuis
ligt terzijde en achteraf.
Met mos begroeid als een vergeten graf
Zijn de gedeukte daken en de muren.
De eenge die daar zijn dagen uit moet duren
- Een bultenaar, een burgemeesterszoon -
Draagt steeds een groene pandjas: schaamle hoon
Aan hen die hem eens achtten, maar zijn lot
Sinds overlieten aan de' almachtigen God.
Slechts een wrak hek staat tusschen de' armhuistuin
En 't smalle kerkhof, hellend tegen 't duin.
't Is slechts een schrede tusschen slaap en waken.
Als wegwijzers staan witte walvischkaken,
Waaraan het vet zich schuurt de zeere zijden
Op weg van stal naar schrale duingrasweiden.
't Verleden
zelf is in verlaten kerke
Te rust gegaan onder de blauwe zerken.
De gevel draagt in roestige ijzren cijfers
Niets dan het jaartal 1607.
Alleen op den gebarsten zonnewijzer
Staat nog, half uitgewischt, een naam geschreven.
Wie het geweest is komt er niet op aan:
Bestaan is niets, er heerscht alleen vergaan.
Deze oude zomer zoo vol ondervinding
In 't bloeien leidt alleen tot verdre ontbinding.
Maar in zijn
nachten ruischt de zee een lied,
Een mild vermanen om het leven niet
Op zich te nemen als een zwaren last,
De liefde in plichten, in een diepe kast
't Zuurverdiend geld te bergen, niet te jammren
Wanneer vischvangst mislukt, hooioogst bederft,
Het schip vergaat, het vee in stuipen sterft;
Argloos te leven als zeehonden, lammren
Die op de strandwei soms elkaar ontmoeten,
Elkaar besnufflen met arglooze snoeten.
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Ter kerke,
omdreund van doodsklokgalmen,
Rijst voor het heimvol hoogaltaar,
Waar wierook walmt en psalmen klinken,
Een zwartbefloerste dodenbaar.
Droef knielend om het lijk huns makkers,
Die 't werken staakte, vóór de tijd,
Herdromen de ingetogen boeren
Zijn rusteloze levensstrijd.
Zijn kindren, tot ter dood bevangen,
Ineengezonken van de smart,
Valt ieder vers der rouwgezangen
Gelijk een hamerslag op 't hart.
Wijl 't dies irae de bazuinklank
Der ijzingvolle tonen plangt,
Die merg en beenderen doorsiddert
En d'adem uit de boezem prangt.
Doch 't snerpend treurgezang vermildert
En spreekt, aan 't smeltend kinderhart,
Van balsem voor de diepste wonden,
Van hemeltroost in de aardse smart;
En uit die zee van angst en lijden,
Wanhopig golvend af en aan,
Is hartversterkend, zielverheffend,
Een jubelzangtoon opgegaan:
"In Paradisum...", 't Hart verheldert,
Een weiflend licht schijnt neergedaald.
De kindren voelen 't, dat hun vader
De paradijszon tegenstraalt.
Men draagt de dode buiten 't kerkje
De donkre grafkuil gaapt hem aan,
En de aarde breidt hare armen open
Voor hem, eens uit de aarde ontstaan.
Wie kende ooit hopelozer stonde ?
Daar ligt de waarheid, naar en bloot.
Geen schijn bedriegt, geen droom begoochelt;
't Zegt alles duidlijk: "dood is dood !"
De moed zinkt weg; de knieën knikken
En de ogen breken op de stond
Waar, van de draagbaar afgeschoven,
De doodkist neerdaalt in de grond.
O 't dof gebons der vallende aarde,
Weerschokkend in het broos gemoed !
O 't hooploos huilen van de kleinen,
Dat aller tranen vloeien doet !
De laatste bede wordt gesproken,
Een kruis op de
effen terp gedrukt,
De moedloos neergezonken kindren
Van vaders grafsteê weggerukt.
En, op het
treurig veld der doden,
Waar meenge rouw ging overheen,
Blijft, thans verlaten, straks vergeten,
De moede werker nu alleen.
En zie, 't is lente ! - Nevens 't kerkhof
Ligt de akker glanzend in 't verschiet,
Waar 't door zijn hand gezaaide koren
Reeds welig door de kleien schiet.
Daar was het eng toneel zijns levens.
Daar heeft zijn zweet, als uit de lucht
De dauw des hemels, mild gedroppeld,
De erfelijke grond bevrucht.
Bij morgenrood en avondschemer
Is daar, al zwoegend, immeraan
De akker liefderijk omvangend,
Zijn lange schaduw rondgegaan.
En 't koren dat hij zelf er zaaide,
Een andre zal het rijpen zien;
Een andre zal de sikkel zwaaien
Op 't maatgezang der arbeidsliên.
Toch zal hij sluimren zacht en dromen,
Bij 't wiegend reuzlen van het graan.
Zijn geest nog zal het werk bestieren,
Zijn adem over d'akker gaan;
En dubbel zalig zal hij wezen
Zo de aarde, met zijn zweet gedrenkt,
Zijn kindren lief haar wondre schatten
Met moederlijke mildheid schenkt.
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
"Mijn God", zo
sprak de duif, "is innig zacht,
Heeft donzen wieken, en bemint ons allen;
Almachtig, heerst hij over duizend-tallen
En houdt op ieglijk duifje trouwe wacht."
De sperwer sprak: "Mijn God heeft vlucht en kracht,
En kan op eens uit hoger luchten vallen,
En die Volmaakte laat een juich-kreet schallen,
Wanneer zijn schone neb een doffer slacht."
Zo keven zij; de een riep: "Gij lastert God"
En de ander: "Gij zijt dom" - "Gij wilt mij krenken" -
- "Godloochenaar ! - Gij drijft met God de spot !"
Een uil, vol wijsheid, zag ik stilte wenken;
Die sprak: "Verdraagt elkaar, en weest niet zot,
Daar wij ons, allen, God met vleugels denken."