SeniorPlaza

De raad der ratten

(Jean de La Fontaine 1621-1593)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een fabel van Jean de La Fontaine over goede raad

Een kater, Rodilardus heette hij, was zeer berucht.
Hem kon geen rat meer zien
of die sloeg voor hem op de vlucht.
Hij had er zoveel koud gemaakt,
De kop en poten afgekraakt,
Dat zij die overleefden bleven beven in hun hol.
Zij hadden niet veel eten, waren van de honger dol.
Voor hen was Rodilardus niet zo maar een nare kater.
Nee, voor dit arme rattenvolk was hij zowaar een sater !
Toen kwam de tijd dat hij hoog en ver over daken liep
En krols miauwend lief naar een van zijn vriendinnen riep.
Terwijl hij heel het weekend lang zijn dame bleef versieren,
Hielden de ratten de synode der bedreigde dieren.
Althans, wat ervan overbleef kwam samen in een hoek.
De deken van de ratten zei: "Wij zijn misschien niet kloek,
Maar slim; dus moeten wij de kater straks de bel aanbinden.
Zo kunnen wij als hij op jacht gaat
snel een schuilplaats vinden."
Een ieder vond: "De deken is geniaal, hij weet het wel.
Maar het probleem is: wie van ons bevestigt deze bel ?"
De ene zei: "Mij niet gezien, ik ga er niet naar toe."
De andere: "Ik durf niet meer, ik ben te traag en moe."
Zo kropen zij weer in hun hol en werd er niets gedaan.

Zo heb ik menige synode ook uiteen zien gaan,
Synoden niet van ratten, maar van herders van de kerk,
Van monseigneurs, en ook daar is de vraag:
"Wie doet het werk ?"

Waartoe dient goede raad ?
Het hof heeft raadgevers met hopen.
Maar mannen van de daad,
Die zie je echt zo dik niet lopen.

 

Terug naar overzicht

De raaf en de vos

(Jean de La Fontaine 1621-1593)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Meester raaf zat in een eikenboom.
Hij klemde in zijn bek een heerlijk brokje kaas uit Gouda.
Meester vos, gelokt door deze droom
Van geur, keek op en sprak: "Doctor honoris causa,
U met uw wijs en alziend oog
En met uw glanzend zwarte toog,
Als ook uw stemorgaan zo mooi is als uw veren
dan moet toch ieder dier u als een feniks eren !"

Meester raaf, ontroerd door zoveel eer,
Wipte van tak tot tak en boog zich wat naar voren,
Keek toen trots over zijn snavel neer
Op meester vos en om zijn stem te laten horen
Gaapte hij met zijn bek héél wijd.
Maar ja, de kaas was hij toen kwijt.
Hij hapte er nog naar, keek treurig naar beneden.
De vos pakte zijn prooi en fleemde toen tevreden:

"Denk eraan, mijn waarde heer,
Elke vleier schenkt zijn eer
Aan door 't lot verwende vrinden
Die zichzelf belangrijk vinden.
Deze wijze les, helaas,
Kost u wel dit brokje kaas !"
Beschaamd verborg de raaf zich in de eikentakken

 

Terug naar overzicht

De rat en de oester

(Jean de La Fontaine 1621-1593)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een veldrat zonder veel verstand

had aan zijn huisgenoten het land.

Hij liet zijn veld met graan

en kruidenhoopjes staan.

kroop uit z'n holletje om héél ver te gaan

de wijde wereld door. Zodra hij uit zijn hol

gekropen was, zei hij:  "Hoe groot, die wereldbol"

"Kijk ! Dáár de Kaukasus en dáár de Alpennijnen!"

 

Zag daar de kleinste molshoop op

als naar de hoogste alpentop

en vond na twee drie dagen grote woestijnen.

Hij stond verwonderd aan het strand,

waar Thetis kwistig in het zand

veel oesters had gestrooid, naar links en rechts te staren

en wist zeker dat het grote schepen waren.

"Mijn vader" zuchtte hij, "was maar een kale jonker.

Omdat hij bang was, reisde hij alleen maar in het donker.

Hij hield niet van een uitje, maakte nooit een verre tocht.

Ik zag de oceaan en heb hier de woestijn doorzocht,

maar deed het kalmpjes aan. Wij reizen om te leren."

 

Zo stond de rat daar als een meester te oreren.

Niet als de huisrat, die als hij aan boeken vreet,

de inhoud ervan opdoet, en er véél van weet.

Temidden van de oesters, met hun schelpen dicht,

zag hij er plots één open naar de zon gericht.

De zefier streelde haar, zij nam een zonnebad,

zoog zilte geuren en dronk zich aan zeewind zat.

Ze was zo blank, zo dik, een enig lekker hapje.

De rat, als een voyeur, deed een voorzichtig stapje

en piepte stilletjes: "Wat ligt daar in het zand ?

Een hartig brokje voor een fijne lekkertand !

Dus, nu of nooit, ze is van mij !"

 

De rat kwam nog wat dichterbij,

keek in de oester, stak zijn nek nog méér naar voren.

De schelpen klapten toe en reddeloos verloren

was hij, die alles dacht te weten.

De oester heeft hem doodgebeten.

 

De fabel van de rat geeft ons een dubbele moraal:

voor wie zijn wereld nog niet kent, is reizen soms fataal.

En hij denkt een ander fijntjes op te slokken,

verliest soms zijn hoofd of hij verslikt zich en maakt brokken.

 

Terug naar overzicht

De Schelde

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Voor duizend eeuwen en nog meer

In 't reuzenrijk men streed en vocht

Want weten wouw men wie als heer

De open troon beklimmen mocht

Eenieder toonde eigen kracht

Bij dag blies een het zonnelicht uit

En een ander beukte met een slag

Een bergrug neer tot klomp en kluit

Doch Scaldis smeedde zich een ploeg

De eerste die door de aarde sneed

En trok hem zelf van 's morgens vroeg

Al was dit graaftuig zwaar en breed

Hij graafde tot de oceaan

Dat kon alleen een reuzenhand

En zie daar rolden golven aan

En vulden 't uitgeploegde land

Wat Scaldis deed is het zwaarst van al

Zo riepen alle reuzen luid

Ja Scaldis koning wezen zal

Weerklonk het alle kanten uit

Dat men dit niet betwijfele nee

Nu wijst de Schelde nog de baan

Van Frankrijk uit door Vlaanderen heen

Langs waar de reus zijn ploeg liet gaan

Terug naar overzicht

De Scheper

Jaques Perk (1859-1881)

(met dank aan Ad Kanters voor het sturen van de tekst)

Een zee van golvend purper, in verbazen
En ademloos, verstijfd - als waar' zij dood -
Bij 't zien van 't eindloos-vlammend avond-rood....
Zóó schijnt de heide, waar wie honig lazen,

Met d' avond-last langs bloem en purper razen,
Om niet te keeren, voor de nacht ontvlood, -
En scheidend, houdt de delling in haar schoot
De blanke heerden, die al ruischend grazen:

De waaksche wolf, die zich geen wolf betoont,
Likt speelsch de staf-en-handen van den herder,
Die twintig kudden eenzaam heeft gehoed;

En met een blik, waarin de liefde woont,
Drijft hij de wit-gewolde wolkjes verder....
En ziet naar hen, de heide en d' avond-gloed.

Terug naar overzicht

De schilder en de winkelier

(met dank aan Nennie Lamme voor het sturen van de tekst)

Een zeker winkelier, verwaand in alle zaken

Ontbood een schilder een uithangbord te maken.

Deez’ vroeg: “Hoe wilt gij dat ik het schilderen zal?”

Hij zei hem zus en zo, maar bovenal een beer

Gelegen aan een paal en aan een touw gebonden.

De schilder sprak: “Dit is niet goed door u bevonden.

Een beer moet vast zijn aan een ketting, maar niet aan een touw

Want als hij met zijn bek dat touw doorknagen zou!!

 

“Wat”, sprak de winkelier, “hoe en wat wilt gij mij leren ?

Ik wil geen ketting, maar een touw is mijn begeren!

Wilt gij het niet doen, ik zal een ander ontbiên

Ik wil zo ik begeer door u geschilderd zien.

“Goed”, sprak de schilder, “ik zal het doen naar uw behagen,

Maar wat er ook van koom, gij moet de spot verdragen!

“Ja”, zei de winkelier, “ ‘k neem alle schuld op mij

Wat zotskap zou mij om iets wat zo behoort toch laken

Gij zult het naar mijn zin en niet naar de uwe maken”.

 

De schilder schildert, opdat hij zijn wil niet derv’

Het touw met olie en de beer met waterverf

Hij weet het bord behoorlijk op te sieren, men roemt het naar waardij

’t Wordt opgehangen en de winkelier was blij.

Maar ’s nachts is, wie had dat kunnen dromen,

Een onweersbui zeer schielijk opgekomen

Vergezeld met regen, dat bijna een zondvloed scheen

Waarvoor de beer niet was bestand, maar ras verdween.

Men kijkt naar het bord zodra het daglicht werd vernomen

’t Was alles als het behoort, maar beeroom was ontkomen!

 

De schilder wordt ontboôn, men toont de zaak hem aan

“Ziet”, zegt hij, “had gij mijn zin gedaan,

Ik had hem aan geen touw maar aan een ketting vastgeklonken.

Het touw is losgerukt door die verwoede beer

Hij is nu naar de maan, gij ziet hem nimmer weer !”

Terug naar overzicht

De schildwacht

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Wat is die schildwacht droef en bleek,

Die nimmer lacht noch weent.

Die somber aan de grenspaal staat,

Als waar zijn blik versteent.

 

Tien jaren gingen er voorbij,

Toen was zijn kruin nog rood,

Toen was zijn aangezicht vol glans,

Thans is het dof en dood.

 

Als schildwacht staat hij op zijn post,

Na lange krijgman plicht,

En blikt in 't dal beneden hem,

In het zachte schemerlicht.

 

Daar woedde lang de cholera,

Die oud noch jong verschoond

In 't stille dorp beneden hem,

Daar waar zijn moeder woont.

 

Hij weet niet of zij is gespaard,

Of dat zij rust in 't graf,

Want niemand ging naar hem omhoog,

Of daalden dalwaarts af.

 

Maar meer verlangen dan bij hem,

Is in zijn moeders hart,

Zij zit bij 't lampke in haar hut,

En weent in stille smart.

 

Zij denkt alleen nog aan haar zoon,

Wist zich de wangen droog,

Zij neemt de stok, en kiest het pad,

Dat voert naar hem omhoog.

 

En in die koude winternacht,

Gaat daar het oudje voort,

Zij bidt: ”Laat mij slechts horen Heer,

Van hem een enkel woord."

 

Zij strompelt voort tot bij de post,

Een Werda klikt haar toe,

Nu jubelt luid haar moederhart,

Reeds van de tocht zo moe.

 

En weder klinkt 't haar in 't oor,

Wie daar, de derde keer,

Nu wil zij roepen, maar een schot,

Klinkt uit haar zoon's geweer.

 

Toen door de wolken dicht en zwart,

Het zilveren maanlicht glom,

Toen dacht hij, wie toch kan het zijn,

Die straks dit pad beklom ?.

 

Hij vindt een lichaam en blikt neer,

Och God, daar stuit zijn voet,

Daar stort hij op zijn moeders lijk

 Haar borst bedekt met bloed.

 

En sedert heeft de schildwacht nooit,

Gelachen noch geweend,

En koud is nu zijn hart als ijs,

Zijn aangezicht versteend.

 

Zijn oog , het is als was…zo dood,

En bleek zijn jong gelaat,

Het is zijn moeders droeve beeld,

Dat altijd voor hem staat.

Terug naar overzicht

De schipbreuk

Oost west

't Huis best

(Jacob van Lennep 1802-1868)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Onder de merkwaardigste tafrelen,

Waarin wij gewoon zijn de schepping te verdelen,

Behoren vooral zekere natuurtonelen,

Inzonderheid een vaartuig in de storm.

Wanneer iemand gerust kan zeggen: 'Ik ben maar een worm,

Die noch zijn eigen kan helpen, noch zijn natuurgenoten,

Al stond hij ook op zijn achterste poten.'

Zo er daarom een schipbreuk voorhanden is op zee,

Ga ik liever voor mijn plezier niet mee.

Leergierige jeugd ! gij bespeurt gewis,

Dat wat  ik thans op 't oog heb een schipbreuk is;

Wees daarom, gedurende de les, zeer attent.

Sta op uw eigen benen, en zoveel mogelijk, overend.

De storm, moet je weten, begint doorgaans met een stilte,

En ik had in mijn jeugd een kleinzoon, die in April te

Buiksloot moest wezen:--ik verspreek mij, ik meen te Curacau,

Een eiland, dat je misschien te Buiksloot niet vinden zou.

Hoe dit zij, mijn kleinzoon ging met zijn dochter en zijn vrouw

Naar zee toe, om op Ceylon kaneel te kopen,

En zo 't meeviel, vervolgens een nieuw schip af te laten lopen

Te Hoorn, voor de Walvisvangst bestemd in de IJs- of Glaciale zee,

(Gelijk, toen ons land ons land nog was, menigeen voor hem reeds dee)

En voor verandering van lucht namen zij beiden een zuigeling mee.

't Was eerst alles aan boord bijzonder kalm; de tijd werd met praten versleten

Over koetjes en kalfjes, en een glas wijn met een scharretje gegeten:

En daar werd, net als aan wal, geslapen en ontbeten,

En door enkelen ook veel van de zeeziekte geweten,

Waartegen dan een glaasje brandewijn 't beste remedie werd geheten.

De natuur was op de Oceaan ook bijzonder mooi,

Al zag men er juist niet veel boekweitvelden staan of meisjes werken in 't hooi,

Men zeilde lekkertjes voor de wind en het zeil had kreukel noch plooi.

Ja, het ging dikwijls zo gauw, hoorde ik mijn kleinzoon dikwijls getuigen,

Dat een stoomboot op stapel er gerust een punt aan had kunnen zuigen.

De zon liet, als een koningskaars, haar verkwikkende stralen

Op de kruinen onzer zwetende reisgenoten nederdalen.

De stuurman alleen keek nu en dan bedenkelijk naar de meridiaan,

Als of hij wou zeggen: 'daar is een luchtje aan:

De wolken worden in 't Westen hoe langer hoe dikker.

Daar is zeker iets, dat ik niet noemen zal, aan de knikker.

Het wordt zo donker, en spoedig zal ik misschien

De punt van mijn eigen neus, laat staan die van 't schip niet meer kunnen zien.

Als de wind niet spoedig begint te draaien,

Dan gaan we allemaal en compagnie naar de haaien,

Net als op mijn eerste reis naar de Sourabaaien.

Ik wou dat een vijand zijn schip ons maar kwam praaien.

Ik heb het land, of liever, ik wou dat ik het land had: 't ziet er smerigjes uit:

Kijk voor de liefhebberij eens, hoe dat zwerk daar kruit,

En hoort me dat concert eens aan, dat door de zeilen fluit.'

En zo slaat de windzak door, vijf honderd uit.

Doch de Kapitein en de overige passagieren,

Benevens de onvernuftige huisdieren,

Zaten net zo gerust als in een wagentje van vieren.

De kapitein, dit dient hier en passant wel te worden vermeld,

Want op een zee-voyagie is de kapitein eigenlijk de Ulysses of de Eneas,enfin de held,

Was om de waarheid te zeggen een oude stoffel,

Die nooit een laars aantrok als hij kans had op een pantoffel;

Voor 't overige was hij een vrijgezel van vier voet hoog,

Die een anker op zijn rechterarm droeg, namelijk het portret daarvan,  zo men mij niet bedroog,

Benevens een strontje op zijn rechter oog.

Doch de Stuurman was iemand met merg in zijn knokken,

Vijf voet vijf als hij zijn sokken uit had, zonder jokken,

En meer of min begaafd met de kinderpokken.

Hij hield bijzonder veel van jenever, alsmede van tabak,

Die hij, in de vorm van een pruim, achter zijn kiezen stak.

Overigens was hij op zee gewonnen en geboren,

Waar reeds zijn grootvader in een veldtocht een houten been had verloren.

Hij kon vloeken voor drie, en zag aan het linkeroog wat scheel;

Maar wanneer hij sliep, merkte men dat juist niet veel.

Doch, om nu tot ons verhaal te retourneren,

Of, in zuiver Hollands gezegd, terug te keren,

Men kon een speld in 't water horen vallen, en de Oceaan

Was zo glad en blinkend als een geschuurde schuimspaan,

Maar, juist als men in de Schipbreuk van de Medusa ziet vertonen,

Waarvan ik op 't Leidse plein de representatie eens bij mocht wonen,

Daar verandert nu het toneel en een zware storm verschijnt,

Waarop de zon, en tevens de kleur van de kapitein zijn gelaat, verdwijnt,

Die er thans zo bleek uitziet, als of hij in de maan

Eigenlijk zijn stuurmans-examen had gedaan.

De lucht wordt integendeel zo zwart als een Moriaan,

Terwijl de zoute golven beginnen te brullen als een paar leeuwen,

En verschillende zeevogels, vergezeld van dolende meeuwen,

Hun geluid met dat der zuigelingen mengen, die thans overluids schreeuwen,

In plaats van, als zij te voren deden, van honger te geeuwen.

De Oceaan, zonder er doekjes om te winden,

Staat op het punt, het schip met man en muis te verslinden.

Ieder verschuilt zich nu in de masten of op het dek;

Want in het hol is de pomp verstopt en het vaartuig lek.

De Kapitein stelt zich in postuur, kucht, rochelt, en spreekt: 'met uw respect,

Scheepsvolk, reisgezellen, heren en dames en verdere natuur- en ambtgenoten,

Wij zijn op de fles, ik zie er geen gat in en mijn kruit is verschoten,

Onze enige uitkomst zit hem nu nog alleen in de boten.'

En nauwelijks heeft hij met deze geruststellende woorden hen wat gestild,

Of de grote mast met het vooranker worden door de storm over boord getild;

Het boeganker dobbert op de baren, en het ganse schip

Duikelt over zijn boegspriet als een besnopen snip;

Terwijl men de reizigers, die op de biertonnen of roeispanen drijven,

Ziet denken: 'ik zal het nu maar aan mijn famielje schrijven.'

'Is er,' vraagt een oude juffrouw, 'hier geen stal in de buurt ?'

'Ja wel !' antwoordt de koksmaat: 'maar al de rijtuigen zijn verhuurd !'

In dit plechtig ogenblik laat de Kapitein de Stuurman komen

En vraagt hem ronduit, of hij ook al te met iets van een storm heeft vernomen,

Waarop laatstgenoemde antwoord geeft met een zucht,

Dat er wel wat van schijnt aan te zijn, volgens het algemeen gerucht.

Eindelijk komt men op een onbewoond eiland aan, 's avonds heel laat,

Als men kan opmaken uit de torenklok, die kwart over elven slaat.

Doch de Kapitein stuurt terstond een liefhebberijknecht aan de Magistraat,

Met zijn complimenten, namelijk om assistentie en raad.

Deze laat hem echter per omgaande weten,

Dat het hier een uitgestorven eiland is, zonder een enkel ingezeten,

En dat, aangezien er geen contribuablen meer bestaan,

De magistratuur, mitsgaders de kommiezen, maar naar huis is gegaan.

Na ontvangst van dit bericht roept de Kapitein

De reizigers bijeen, en vraagt, of allen aanwezig zijn, groot en klein.

Waarop een ieder voor zijn beurt antwoordt: 'allen',

Behalve de zuigelingen, die zeggen: 'wij zijn in slaap gevallen.'

Hierop bouwt men met de verloren zeilen een tent

En geeft een hamer aan de Kapitein, die zich benoemt tot president,

En de Vergadering dus aanspreekt, met een witte das en overend:

'Telgen en nakroost,' zegt hij, 'van een en hetzelfde voorgeslacht !

Wij moeten hier handelen als mannen of wij worden omgebracht.

Zo wij hier al op 't droog staan, wat kan ons dat helpen ?

Wij worden eerst door de leeuwen opgegeten en vervolgens door hun welpen,

Die 't voorbeeld van hun ouderen, thans op ons hevig verbolgen,

Natuurlijk, als zij groot zijn, wel zullen volgen.

Ik vraag dus het gevoelen van al wie zich bevindt, klein of groot,

De afwezigen uitgezonderd, benevens de zuigeling en zijn tijdgenoot,

Wat of wij onder deze omstandigheden moeten verrichten:

Hier blijven, dan wel het verloren anker van het uiteengeslagen schip maar lichten ?'

Hierop besloten al de aanwezigen, na lang over en weder praten,

Men zou moeten handelen regis ad exemplar, op 't voorbeeld der magistraten,

En 's morgens bij het kraaien van de haan,

Zijn biezen pakken en weer stilletjes naar huis toe gaan.

Men danst echter eerst nog met de ingezetenen een quadrielje

En vindt zich kort daarna in welstand met de zuigelingen terug in zijn famielje.

Het geschiedboek vermeldt echter niet,

Hoe of op welke wijze dit eigenlijk is geschied.

Doch daar de stoomboot en spoorwagen sedert zijn uitgevonden,

Begrijpt de lezer, dat zij 't desnoods daarmee doen konden.

Enfin, ik verhaal u wat ik van mijn kleinzoon heb gehoord,

Die een deftig persoon was en wie ik wel moet geloven op zijn woord.

 

Terug naar overzicht

De schooier

(M.A. de Wijs-Mouton 1873-1935)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

"Schooier waar ga jij naar toe ?”
‘Waar de wind mij drijft;
Schooieren is mijn levenslust,
Schooieren geeft er mijn ziele rust;
Schooieren hier, schooieren daar,
Altijd door zwerven en schooien daar,
Altijd door zwerven en schooien maar.”

 

“Schooier heb je dan geen lief ?”
“Mijn lief zit overal,
Liefde dat er is overal,
Liefde dat is een zwerversgoed,
Dat de schooier zich schooiend verov’ren moet,
Mijn liefje zit hier, mijn liefje zit daar,
Dat vind ik in ieder stadje klaar.”

 

"Schooier heb jij dan geen God ?”
“Mijn God is overal,
‘n Schooier ziet meer dan een ander ziet,
Fatsoenlijke mensen, die zien Hem zo niet,
Hij kijkt door de zon, Hij spreekt door de wind,
Geen plek waar de schooier zijn God niet vindt.”

 

“Schooier heb jij dan geen vriend ?”
“Vrienden bij de vleet,
Maar iets ontbreekt aan de schooiersman;
Een arm waar hij veilig in sterven kan;
Een zucht bij zijn sponde, een traan op zijn kist,
Dat is een schat die de schooier mist.”

 

Terug naar overzicht

De schoolmeester

(Jan Luyken 1649 - 1712)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een vorst die door zijn groot vermogen
Zijn onderdanen wetten geeft
Daar elk ontzaglijk voor beeft,
En zich op 't nedrigst houdt gebogen,
Wordt hier in minder graad verbeeld,
Daar Klaas de kindermeester speelt.

 

Zijn kroon, waarmee de vorsten pralen,
Is een muts van goede stof,
Doch op den draad bijzonder grof,
Die hij in stee nog moet betalen,
Bij lome Govert zonder ziel,
Een knipluis in het Spinnewiel.

 

De mantel, die zijn leen bekleden
Is een huisrok van Japan,
Die bestevaer, den ouden man,
Eer placht te hangen om zijn leden,
Als hij door jicht of flerezijn
Te krimpen zat van felle pijn.

 

Zijn staf en skepter van vermogen
Is een plak van eikenhout,
Waarop hij als een vorst vertrouwt,
Om elk, op 't wenken van zijn ogen,
Zijn wil en wetten,te gebien,
Die hij aers nooit gevierd zou zien.

 

't Tapijt, waarmee zijn wanden pralen
Zijn leien, vol van cijfertal
En borden. Ziet daar heb je 't al,
Dat zijne koninklijke zaten
Doeet schitt'ren met een eedlen gloed,
Die ruim het blinde oog voldoet.

 

Terug naar overzicht

De Sint-Nikolaasavovond

(Een Amsterdamse vertelling)

(P.A. de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wie heeft daar ooren voor een dwaas, ondeugend lied ?

Wien belgt een losse scherts en ronde waarheid niet ?

Wie laat mij vrijheid om te zeggen en te zingen

Al wat ik hoorde en zag, al zijn het vreemde dingen !

Dat zal mettertijd veranderen, menschen ! maar

Ik wil niet veinzen voor mijn drie–en–twintigst jaar.

Wie kijkt de wereld in met onbenevelde oogen

En wordt niet graag door schijn, hoe deftig ook, bedrogen !

 

Gij zijt mijn man en ik omhels u in den geest,

Voor u te zingen is mijn blijde jeugd een feest !

Voor u mijn frissche lach, mijn opgeruimde zangen:

Den ronden lach terug wil ik tot loon ontvangen,

Uw tranen wil ik niet.  Die kostelijk schat

Komt beter u te pas op eigen levenspad,

En zoo ik u verveel – de hachelijkste aller kansen –

Dan moogt gij bij mijn vers gaan slapen, fluiten, dansen.

 

Ik zong mijn huidig lied alleen uit levenslust,

Soms in een dwaze bui, soms in den arm der rust.

Natuurlijk, dat ik dus mijn zinnen niet vermoeide

Met hopelooze Min of moord, en gruwlen broeide.

’k Ben zorgloos en tevreên, mijn lied moet vrolijk zijn:

Brengt peper aan en zout, o Muzen ! geen venijn.

Dees glimlach doet geen zeer, tenzij ge u boos zoudt maken,

Als ik met zeekren dwaas een nootje heb te kraken.

 

Beziel me, o plaaggeest der beminde Poëzij,

Beziel me, o schalke nimf der fijne plagerij !

Ik weet een klein verhaal vol vaderlandse grappen,

Dat ik met hart en ziel mijn vrienden wil verklappen.

En zoo het waar mag zijn dat een verstandig man

Uit wat hij hoort of ziet een lesje trekken kan,

Dan durf ik veilig en vrijmoedig hier beweren,

Dat ge uit mijn kleen verhaal – al lacht gij – ook kunt leeren !

 

Ik put mijn stof uit geen bestoven foliant,

Maar ’k nam gedurig toch een aardig werk ter hand,

Een boek vol poëzie en proza, diepte en klaarheid,

Vol onzin en vol geest, vol laster en vol waarheid;

Voor wie maar lezen wil is ’t altijd bij de hand

En in gezelschap soms bijzonder amuzant;

Een werk voor iedereen door iedereen geschreven,

Vol studie, vol natuur; ’t is, hoorders, ’t is ? Uw leven

 

Mijn kunstloos drama, want dien naam verdient het wel

Al breng ik niemand aan de poorten van de Hel,

Mijn vroolijk drama speelt in achttien honderd zeven

En veertig: dag en uur is lang niet om het even,

Raadt zelv’: ’t speelt op een dag, die,  wat hij brenge of baar,

Toch altijd is en blijft de zoetste van het jaar,

De bitterste misschien, gelukkigen en rijken

Voor d’armen snoeper, die bij alles toe mag kijken !

 

Een vriendelijken dag, een trouwe kindervrind,

Een dag, die elk van ons heeft liefgehad als kind,

En die nog pas uw beurs, uw kroost, uw maag, uw woning,

Bepaald in opstand bracht; een bisschop en een koning,

Vol zoetheid voor den mond, vol zielezaligheid,

Wiens naam gij langer niet kunt zwijgen, lieve meid,

Wie hij, jaar in, jaar uit, een stroom brengt van cadeautjes,

Altijd incognito van twintig beaux en beatjes !

 

Sint–Nikolaas, niet waar ? O wee hem, wie dat feest

Nog altijd meeviert met een kinderlijken geest !

Wiens hoofd niet al te zeer vervuld is van die schatten

Der wijsheid, die helaas, mijn brein niet kan bevatten,

’k Meen beursnieuws, politiek en soortgelijke meer,

Om met zijn kinderen meê, te leven in ’t weleer,

Om dagen lang vooruit de winkels rond te dwalen,

Of aan een „vrijster” nog zijn hart eens op te halen !

 

Terug naar overzicht

De slotenmakersknecht

(met dank aan José van Lieshout voor het sturen van de tekst)

Een slotenmaker had een knecht,

Niet bijster vlug ter hand

Wanneer hij aan de schroefbank stond,

Maar vlug was hij ter tand.

Gezeten aan de middagdis

Kon hij ze allen aan.

Dan was hij aan de beurt het eerst,

Maar had het laatst gedaan

 

Maar Jochem, zei hem eens zijn baas,

Ik begrijp dat ding niet recht.

Zolang ik leef is het waar geweest,

Wat ons het spreekwoord zegt:

Do traag ter hand, zo traag ter tand,

Dat komt niet uit bij jou.

Je vijlt, je vijlt, zo lui, zo lui,

Maar je eet zo weerga's gauw.

 

Wel, dat begrijp ik drommels goed,

Hernam de knecht met vuur.

Het eten duurt hier een kwartier,

Het vijlen veertien uur.

Veronderstel eens baas, ik at hier

Veertien uren lang,

Dan was ik aan tafel even lui

Als ginder aan de bank.

 

Terug naar overzicht

De sterren

(C.S. Adama van Scheltema)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Daarboven staat de groote nacht,
Daarboven staan de sterren.
Wat lijkt het daar licht, wat lijkt dat zacht,
Wat lijkt die hemel verre !
Wat ver van de kleine wereld vandaan !
Zoo om de wereld maar over te slaan.

 

Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn,

Ik wou zoo graag op de sterren zijn

En wachten tot later - tot later !


Zij pinklen allemaal van pleizier,
Je zoudt toch gaan gelooven:
Het is er veel vroolijker dan hier,
En mooier ook daarboven !
O ! ik wou wel van de wereld vandaan
En daarboven naar de sterren toe gaan.

 

Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn,

Ik wou zoo graag op de sterren zijn

En wachten tot later - tot later !


Ach moeder het was nog veel te vroeg !
Je had nog moeten wachten,
Daarboven was toch plaats genoeg
Voorloopig te overnachten !
Tot het hier een beetje beter zou gaan,
Tot er nog 'n klein tijdje zou zijn vergaan.

 

Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn,

Ik wou zoo graag op de sterren zijn

En wachten tot later - tot later !


En als ik dan op de sterren zat,
Dan zou ik dit hier vergeten,
Dan zou ik vragen: "wat wereld is dat ?"
Maar 'k zou 't niet willen weten !
Dan schopte ik de wereld naar de maan,
Maar de sterren liet ik stilletjes staan.

 

Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn,

Ik wou zoo graag op de sterren zijn

En wachten tot later - tot later !


En als 'k de wereld gelukkig dacht
En vroolijk en tevreden,
Dan klom ik weer op een mooien nacht
Van boven naar beneden !
En als 'k dan weer op de wereld zou staan,
O ! dan begon ik van voren af aan !

 

Ai de sterretjes zijn zoo mooi, zoo fijn,

Ik wou zoo graag op de sterren zijn

En wachten tot later - tot later ! 

Terug naar overzicht

De stilte

(Carel Steven Adema Van Scheltema 1877 -1924)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Daar komt een stilte aan mijn lijf

Een wezenloos gelaat

't Is of het leven verder gaat

En 'k ergens achterblijf

 

Nu drijf ik van het leven af

Naar eene waterkom

Als eene witte waterblom

Naar haar verholen graf

 

En 't leven gaat voorbij-voorbij

Ik zie het zwijgend aan

En ik - ik kan niet medegaan

Want het is stil in mij

 

En 't leven haalt mij wederom

En drijft mij verder mee

En blaast mij als een waterblom

Door zijne wijde zee

 

De stilte is van mijn gelaat

En van mijn lijf gewist

Dat is de dood die zich vergist

En naar een ander gaat

Terug naar overzicht

De stoel met de bloemen van blauw

(J. Clinge Doorenbos)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Pa had het de kleintjes verteld, al;

ze zeiden 't elkander zacht na:

Nu moederke nooit bij hen t'rugkwam,

nu kregen ze een andere ma.

Dat moedertje nu was gestorven

begrepen die drie niet zo gauw.

Haar stoel stond precies op zijn plaats nog:

die stoel met die bloemen van blauw.

 

Op zekere dag kwam de moeder.

De kinderen keken haar aan,

Ze gaven heel netjes een handje,

in vader z'n oog blonk een traan.

Men zette zich rondom de tafel,

en Jantje van vijf zei: 'Mevrouw,

die stoel daar, die is voor ons moeke.

die stoel met de bloemen van blauw.'

 

Begrijpend het teer kinderzieltje

liet zij moeders stoel ledig staan.

Zo zijn er eens dagen, toen weken,

toen maanden voorbij gegaan.

Op zekere dag kwam de kleinste,

die pakte haar vast aan d'r mouw

en vader zag 's avonds een viertal

op die stoel met die bloemen van blauw.

Terug naar overzicht

De straatzanger

(Hélène Swarth 1859-1941)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De blinde bedelt langs de stille straat,

en met een stem, die beeft van koude en honger,

zingt hij een liedje van verwelkte bloemen.

Doordringend klinkt de klagende romance.

De man is oud en grijs. Onordelijk fladdren

zijn dunne lokken op de valse jaskraag.

De hond, met wie hij elke bete broods deelt,

zijn trouwe metgezel in wel en wee, ziet

de schaarse wandlaar aan met smekende ogen,

totdat een aalmoes valt in 't blikken bakje,

dat hij voorzichtig met zijn tanden vasthoudt;

en beiden huivren in de gure wind.

Terug naar overzicht

De student buiten de academiestad

(Johannes Kneppelhout 1814-1885)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wie wandelt daar, heele uren lang,

De straten door met loomen gang ?

Wie ziet er knorrig uit en geel,

En lijkt, met alles in krakeel,

Een mensch, bij wien 't niet pluis is ?

't Is de student, die thuis is.

 

Wie heeft het land, waar hij ook gaat,

Het land in huis, het land op straat,

Waar veel, waar weinig mensen zijn

Waar thee geschonken wordt of wijn

Waar 't stil en waar gedruisch is ?

't Is de student, die thuis is.

 

Wie, schoon zijn beurs zij welgesteld,

Geeft niet één cent uit van zijn geld,

Die anders meer nog dan zijn deel

Verfeestviert, als hij droog van keel,

Maar kaler dan een luis is ?

't Is de student die thuis is.

Terug naar overzicht

De tien Egmondse vissers

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Dat Petrus van de Hemelhof de sleutels heeft,
waar door men of er in komt, of er uit moet blijven.
Al bood men honderdduizend schijven,
dat weet een ieder toch gewis,
die hiervan niet onkundig is.
En als men 't nimmer kwam ter oren,
dat men het nu terdege hore.
St. Paulus nu, die samen deed
met Petrus, dragend lief en leed.
Mocht daarom als het zo kwam ter voren,
ook wel met 's Hemels sleutels gloren,
als Petrus het te druk soms had,
of zaken te beredderen zat.


Eens 't was op een dier drukke dagen.
Kwam Petrus aan St Paulus vragen,
Om voor een wijlen te zijn portier,
St. Paulus was op 't postje fier.
En zonder lang zich te bezinnen.
Liet hij vol goedheid ieder binnen.
St. Petrus liet hem stil begaan
En dacht hij neemt slechts braven aan.
De les is hem genoeg gewezen,
Aan schuldenaars wordt de deur gewezen,
Totdat zij hebben afgedaan,
De schuld waarmee ze zijn belâân.

Daar kwam alras een troep gelopen
Om plaats in 't Hemelrijk te hopen,
Ze kloppen aller ned'rigt aan
En blijven voor het deurtje staan.
St. Paulus laat ook niet lang wachten
De lui die naar de Hemel smachten.
Komt spoedig, opent snel de poort,
Zo'n groot getal zijn hart bekoort.

Waar komen jullie vandaan met tienen ?
Van Egmonds kust om u te dienen
Wij vissers zijn van onze stiel
En zagen gaarne onze ziel
In 't Hemelrijk te doen leven.
Maar hebt ge nooit geen kwaad bedreven ?
Vraagt Paulus hen eerst heel secuur.
Dan moet ge eerst naar 't vagevuur.

O ! Heilige Paulus, nee gewis.
Ons aller ziel zo smet'loos is,
Als vissen die in 't water zwemmen
Laat U toch stemmen tot ons aller lot !
We zijn van 't reizen half kapot.
We komen van de Nederlanden
En hadden zuur ons stukje brood
Totdat ons halen kwam de dood.

St Paulus stond nog wat te weifelen
Maar zijn goed hart deed hem niet twijfelen
En naar hun arme plunje ziend
Dacht hij,"ze hebben het wel verdient
Dat ik voor hen de Hemel open,
Ze hebben toch zo'n eind gelopen."
"Kom binnen" zegt hij, "kom binnen gauw,
En sta niet langer in de kou.
Wat zal st Pieter blij toch wezen,
Daar hij ook visser was voor deze."

St. Petrus echter kwam eens kijken
En zag de tien naar binnen strijken
Waar hij het zijne niet van had.
Hij wist wat er in vissers zat
En wel uit eigen ondervinden,
Al waren 't nog zo goed gezinde
Hij ging dan ook naar Paulus toe
En vroeg, maar Paulus "hoe,
Hebt gij die tien er in gelaten?
Ik wou dat ze in hun land nog zaten
Waar komen ze toch wel vandaan ?"

"Wel van Europa, bovenaan,
Zowat ten oosten van de Britten.
Daar moet dat vissersvolkje zitten."

"Ja ik dacht het wel, 't visserslien
Hun broek en wambuis doet het zien.
Ik meen dat ze in Holland wonen
't Zijn echte Batavierenzonen.
Het heet er alles dijk en dam
En ze eten er haringen als ham.
Maar is het dat er schepen stranden,
Dan zijn ze er bij, met rappe handen
En redden wat te redden is.
Maar voor hun eigen zak gewis.
Ik zeg u Paulus, al die tien
Ze moesten het Hemelrijk niet zien.
Naar 't vagenvuur voor pekelzonden
Daar hadden ze hun plaats gevonden."

"Hoe raken we die luitjes kwijt,"
Zucht Paulus, die 't geweldig spijt
De tien te hebben in gelaten.
Van uit te smijten valt geen praten.
Ze zijn met tien man sterk en stijf
Met flinke kneukels aan het lijf.
Met wien hij zich niet graag zou meten.
Veel liever ging hij met hen eten.
Maar hier te blijven dat kon niet gaan.
Zijn reputatie ging er aan
En die wilde hij om die lui niet missen,
Hoe kon ik mij toch zo vergissen.

Maar Paulus recht- en Godgeleerd,
Waarin hij is gepromoveerd
Ging aan zijn brein om uitkomst vragen
In dit zo netelig geval,
Hij peinst niet lang, of hij weet het al.
Hij gaat dan ook naar Petrus toe
En zegt, "ze gaan er uit en hoe,
dat zal ik laten horen."
Meteen snelt hij dan vlug naar voren
En terwijl hij 's Hemels poort ontsluit
Roept hij vervaarlijk schreeuwt het uit !
"Mannen van Den Nederlanden !
Aan Egmonts kust is een schip aan 't stranden !"
Het tiental lang nog niet ontwent
Aan 't sein aan iedereen bekend.
Komt haastig naar de poort gelopen
Om zich in het ruime sop te dopen.
Ze trekken her en der waarts uit
Meteen St paulus het deurtje sluit.

"Dat heb je aardig klaar gekregen"
Zegt Petrus, "dat valt mij niet tegen
Maar het is voorwaar de laatste
Zij het ook slechts de eerste keer
Het mag niet meer.
Want eerst Hemelen, en dan vagevuren
Is tegen de orde der schrifturen."

Terug naar overzicht

De timmerman

(M.A. de Wijs-Mouton  1873-1935)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zie door ‘t open winkeldeurtje
de bejaarde timmerman,
Boezeroen en stofjes an,
Neerstig over ‘t werk gebogen,
Pinkend met zijn oude ogen
Naar de glad geschaafde plank
Op de zware timmerbank.

 

Ach, wat kan ik jou benijden,
Manneke vol stille vlijt,
Ouderwetse deugd’lijkheid.
‘k Zie je passen, ‘k zie je meten,
Onverstoord en tijdvergeten,
Als je van het ruwe hout
Weldoordachte dingen bouwt.

 

‘k Ruik, als straks je zit te schaften
Koffiegeur en roggebrood;
‘t Stukkenzakje op de schoot
Zit je knusjes tegen ‘t muurtje
En geniet je halve uurtje
Als de zon op ‘t raampje staat
En de stofkens dansen laat.

 

Wat al beitels, boren, schaven,
Jarenlang gebruikt bij ‘t vak
Zie ik je in timmerbak.
‘k Voel de lust ze aan te raken,
Die zo wel bekende zaken
Gepolijst met noeste vlijt,
Kleine stukjes innigheid.

 

Timmerman toe wil mij leren
Al de rust van jouw gedoe
‘k Ben het jachtend leven moe,
Laat mij in je winkel blijven,
Urenlang de tijd verdrijven,
‘k Ben je, o, zo dankbaar dan,
Lieve, oude timmerman ! ....

Terug naar overzicht

De torenklok

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

De torenklok wijst van verre reeds

Waar 't schone kerkje staat,

En als een roepstem van de klok

Tot ver in het ronde gaat……bimbam.

 

En luid de klok het angelus

Dan komt het weesgegroet,

Vanuit de hoge toren

Je zo ritmisch tegemoet…..bimbam.

 

En komt er een kindje ten doop

Dan juicht de klok gewis,

Omdat er voor de hemel weer

Een ziel gewonnen is…..bimbam.

 

En als er soms een uitvaart is

Loopt heel het dorpje uit,

Want meegevoel ligt in de klank

Wanneer de klok dan luid…..bimbam.

 

Wanneer er dan een trouwmis is

De loper ligt … en 't paar,

Heel vreedzaam naar het altaar schreit

Dan klept de klok zo klaar…..bimbam.

 

De klanken van de torenklok

Zij brengen ons de vree,

Ook klagen zij, en treuren zij

Of juichen met ons mee…..bimbam.

 

Zoek troost wanneer het klagend is

Maar juicht wanneer de klank,

De mensen volle blijdschap brengt

En reden geeft tot dank…..bimbam.

Terug naar overzicht

De toverfluit

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ik wou dat ik vond de toverfluit

De fluit van de Noorse legende

Hoe zou ik wiegen in slaap met verzoenend geluid

De haat en de oorlogsellende

 

Als de kleine Knoet die het fluitje vond

Door de reuzenjonkvrouw verloren

Zou ik fluiten mijn lied met bezaligden mond

Heel de wereld zou het bekoren

 

Drie tonen maar had die toverfluit

Wie de ene hoorde moest wenen

Wie de tweede hoorde moest lachen luid

En zijn haat was voor altoos verdwenen

 

En floot hij de derde en was 't oorlog in 't land

En al warend de wakkerste knapen

Hen vielen de wapenen uit de hand

Beide legers lagen te slapen

 

En de wapenen verborg hij behendig en stil

En dan zong hij met zijn fluit hen weer wakker

En zij weenden van liefde en van goeden wil

In de vijand erkenden ze een makker

 

Dan liet hij hen lachen, zo blij en zo teer

De lach die het hart komt verwarmen

En de vijanden waren geen vijanden meer

En zij vielen elkander in de armen

 

O wie zal er nu vinden de toverfluit

De fluit van de Noorse legende

Wie zal er wiegen in slaap met verzoenend geluid

De haat en de oorlogsellende

Terug naar overzicht

De trekhond

(met dank aan Benno Pen voor het sturen van de tekst)

Hijgend van dorst en met hooploze ogen

trekt hij de kar door het moeilijke zand

Zijn lijf is vermagerd zijn kop hangt gebogen

voor de gloeiende zon die hem pijnigt en brandt

 

De weg is zo lang, zo  zwaar is de wagen

de baas wil steeds vlugger dan hij maar kan

en springt op de kar en geeft hem maar slagen

zijn vel en zijn poten, zij schrijnen er van

Zo zeult hij maar voor langs wegen en straten,
een smartelijk verdriet, dat langs de dorpen trekt

 

Zo zeult hij maar voort langs dorpen en straten

en soms als de baas hem alleen moet laten

en hij zich even neer heeft gestrekt,
staat troostend een kindje wat met hem te praten,
waarvoor hij het dankbaar, de handjes lekt

Terug naar overzicht

De tuinman en de dood

(Reinier van Genderen Stort 1886-1942)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een tuinman snoeide rozen in een gaarde,
Gelegen in een duivengrijze streek,
Het was opeens, dat hij de Dood ontwaarde,
Die roerloos, spottend grijnzend naar hem keek.

Zijn adem stokt, hij beeft en wordt zeer bleek,
Zou graag nog toeven op de goede aarde,
Die hem zo weinig zorgen baarde,
Voor hem steeds mild en goedertieren bleek.

Dan ijlt hij tot zijn meester, die hem wenkt,
Hij stijgt te paard en rent naar Ispahan,
Waar hij zich voor de Sombere veilig denkt.

Des avonds, in de schijn der halve maan,
Doemt weer de Dood, die de heer de mare brengt:
Ik kom vanwaar uw knecht is heengegaan.

Terug naar overzicht

De tweede vrouw

(Rosalie Loveling 1834-1875)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik was der kinderen tweede moeder,
En als ik in de woning kwam,
Daar stonden ze allen rond hun vader,
Gelijk de scheutjes rond de stam.

 

Hij zette 't kleinste op mijne knieën,
En lei zijn handjes in de mijn,
En zei, dat het mij lief zou hebben,
En dat het zou gehoorzaam zijn.

 

Ik ging er mee aan 't open venster,
En toonde 't schaapje in het gras,
En vroeg hem hoe zijn broerkens heetten,

En zei, dat ik zijn moeder was.

 

Het wendde 't hoofd naar de oude vrouwe:
Ik zette 't neer en liet hem gaan;
Zij sprak er stil en minzaam tegen,
Het bleef bij hare zetel staan.

 

Ik ging tot haar en zeide: Moeder;
Ik weet niet of zij 't heeft gehoord;
Zij keek mij strak en vreemd in de ogen,
En stond niet op, en zei geen woord.

 

Hun vader zal het nimmer weten,
Wat er toen omging in mijn ziel,
En hoe de stilte van de kinderen,
Als een verwijt op 't hert mij viel.

 

Ik heb hen al tot mij doen komen
En hen gestreeld, en hen gekust;
Maar 't scheen of mij hun moeder toeriep:
"Och, laat mijn kinderen toch in rust !"

Terug naar overzicht

De vagebond

(Jan Jacob Slauerhoff 1998 - 1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Morgenwind wekt mij, blaadrend in de boom
Waaronder ik in droom lag met een vrouw
Zo wulps als lieflijk, maar zelfs in die droom,
Toch zeer kortstondig, bleef ik haar niet trouw.

De kim woei open. Ik was weer verheugd
En wies mijn warm gezicht in morgendauw.
Ik roofde een landmeisje haar melk en deugd
Met volle teugen, en had geen berouw.

Ik leef. Ik vrees alleen dat ’t web van wegen
Dat zich al nauwer om de wereld spant,
Mij niet meer doorlaat naar het ver gelegen,
Steeds wenkend en steeds wijkend wonderland.

Terug naar overzicht

De vergeefse proefneming

(Jacobus Bellamy 1757-1786)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Laatst was ik bij mijn Fillis

Zij zat een wijl te peinzen,

maar in het einde vroeg zij:

'Weet gij wat een kusje is ?'

 

Ik zei: "Mijn liefste meisje ,

dit is te filosofisch.

Een kusje laat zich voelen,

doch laat zich niet beschrijven.

 

Misschien dat wij het wezen,

als ook de aard der kusjes

door dadelijke proeven

wel min of meer ontdekten.'

 

Ik greep haar in mijn armen

en drukte mijne lippen

op heur bevallig mondje.

Nu kusten wij elkander

op allerhande wijzen.

 

Ik bleef schier onbeweeglijk

op heure lipjes kleven.

Doch na zo vele proeven

was 't ons nog gans onmooglijk

een kusje te beschrijven.

 

Ik zei:"Mijn lieve Fillis,

wij zullen het nooit ontdekken !"

 

"Wel," zeide toen mijn meisje,

"laat gij de hoop reeds varen ?

Wie weet, zo wij de proeven

te meermaal weer hervatten,

of wij het niet ontdekken !"

Terug naar overzicht

De verrassing

(Jan Luyken 1649-1712)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Spijtig, Klaartje zou zich baden
Moedernaakt in ene beek,
Die langs klavere boorden streek,
Overschâuwd van wilge-bladen;
Grage Reinoud zat en keek,
Watertandend door de rietjes;
En hij riep eens zoet met een:
Nog wat dieper, tot de knietjes;
Daar mee droop zij schaamrood heen.

Terug naar overzicht

De vogelverschrikker

(G.W. Lovendaal 1847-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Boven in de kerselaar

Staat een pop van zessen klaar.

Om zijn lijf een lange jas

Om zijn hals een rooie das.

Wijd zijn armen uitgestrekt

Staat hij daar, zijn hoofd gedekt

Met een hoge vilten hoed,

Weet je wat die man er doet ?

 

Al de dieven uit de heg,

Mussen, spreeuwen jaagt hij weg.

Als een boeman staat hij daar

Boven in de kerselaar.

Maar de spreeuwen, hoe gemeen,

Gig’len spottend om hem heen

En wat stout gebroed

’t Nestelt in de hoge hoed.

Terug naar overzicht

De vreemdeling

(H. Marsman 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Laat mij alleen.

Dit is de tweesprong onzer wegen.

Gij hebt mij tot den versten rand geleid.

 

Maar keer hier om, ween niet.

Gij kunt den laatsten tocht naast mij niet schrijden,

noch ik met u, gij gaat hem eens alleen.

 

Gij zijt mij nochtans onverdeeld verpand;

Ik heb uw bloed den donkren kus gegeven

van hen, die boven dood en leven

ontstegen zijn. Ik ben hun afgezant.

 

Ik beid uw komst.

 

Wij zullen eens den zwarten wijn

van dood en donker uit één beker drinken,

wij zullen stromend in elkaar verzinken

en eeuwig zijn.

 

Vaarwel.

Ik keer niet weer.

Maar gij komt zelve, later;

Vaarwel, het water roept voor de derde keer.

Terug naar overzicht

De vreemdeling

(Rosalie Loveling 1834 - 1875)

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

't Was lang, zo lang geleden,
Dat hij was heen gegaan;
Hij zag nog eenmaal weder
Zijne oude woning staan.

Was het de flauwe scheemring
Van 't zinkend avondrood,
Die op dat needrig huisje
Die zoete kleuren goot ?

Och, hier vervloog zijn kindsheid:
Hij was geen vreemdeling;
Hij kende 't heilig beeldje,
Dat in het eikje hing,

De waterput op 't voorplein,
Die nauwelijks bewoog,
Zo diep, zo kalm en helder,
Gelijk een ernstig oog,

De rooslaar aan de gevel,
De wijngaard op het dak,
En, och, de hand, die binnen
Het koopren lampje ontstak.

Hij keek door 't vensterspleetje,
En keek het huisje rond,
En leî de hand op 't herte:
Hoe klopte 't in die stond !

Zijn moeders witte leunstoel
Stond daar nog in de hoek,
En ginds lag op het venster
Haar groot gebedenboek.

Hij heeft 't verleên vergeten,
Hij is weer thuis; daar is
Zijn moeders zoete glimlach,
Zijn plaatske aan de dis !

Hij droomde, de arme vreemdeling,
En als hij 't oog ontsloot,
Zag hij alleen zijn schaduw,
Die langs het voetpad schoot.

Hij hoorde 't avondklokje,
Dat wegstierf in de vert':
.. Gaan zo de herinneringen
Nooit sterven in het hert ?

Hoe treurig is 't ontwaken !
Daar stond hij gans alleen,
Hij zuchtte, en trok weer verder,
En wist toch niet waarheen.

Och, weet het gele blaârken,
Dat afvalt vóór de herfst,
Waarom 't zo vroeg verdord is
En langs het bospad zwerft ?

Terug naar overzicht

De vuile, vieze hond

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Toen Marietje laatst uit school kwam

Huppelend van dartelheid,

Zaten Pa en Ma te wachten

Op hun lieve, kleine meid.

En terwijl zij vrolijk speelde

Kwam zo'n grote, vreemde hond,

Die zij met haar handje streelde

Vrienden waren zij terstond.

 

En terwijl zij weer naar huis ging

Liep de hond vanzelvers mee,

Vader joeg hem gauw de deur uit

Toen hij op de vloer wat dee.

Door het schreien van Marietje

Mocht hij weer in huis terstond,

En terwijl de Vader gromde:

Wat heb ik aan zo'n vieze hond.

 

Klein Marietje was verdrietig

Als Paatje op haar hondje schold,

Maar de hond die kwispelstaartte

Deed alsof hem zulks niet gold.

Als andere kinderen zich verblijdden

En zij zich zo alleen bevond,

Wie was haar trouwe begeleider ?

Die nare, vreemde, vieze hond.

 

Op een der koudste winterdagen

Werd de lieve kleine schat,

Bewusteloos naar huis gedragen

Geheel haar kleertjes waren nat.

Wie moeten wij die redding danken

Vroeg het ouderpaar terstond,

Zwijgend wezen toen de mensen

Op die natte, vieze hond.

 

Marietje kon niet meer genezen

Vaders lieveling ging dood,

Spoorloos was de hond verdwenen

Toen Marietjes leven vlood.

Toen zondags Pa en Ma gingen kijken

Naar het dierbaar plekje grond,

Waar Marietje lag begraven

Lag daar ook die vreemde, vieze hond.

Terug naar overzicht

De ware vriendschap

(Hieronymus van Alphen (1746-1803))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een vriend, die mij mijn feilen toont,
Gestreng bestraft, en nooit verschoont,
Heeft op mijn hart een groot vermogen;-
Maar...'t laag gemoed, dat altoos vleit,
Verdenk ik van baatzuchtigheid;-
Ik kan zijn bijzijn niet gedogen.
Die zelden prijst, spreekt vriendentaal:
Die altoos vleit, liegt menigmaal.

Terug naar overzicht

De Waterlelie

(Fr. van Eeden (1860-1932))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik heb de witte waterlelie lief,
Daar die zo blank is en zo stil haar kroon
Uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donkerkoele vijvergrond,
Heeft zij het licht gevonden en ontsloot
Toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
En wenst niet meer…

Terug naar overzicht

De weddenschap

(Aangetroffen in: "Het Amusantje” uit 1915.")

(met dank aan Frits Bentsink te Nijverdal voor de tekeningen en voor de bewerking naar "deze tijd")

Op de Veluwe was er vroeger een garnizoen
Met soldaten, die hun best wel doen
Om samen flink te exerceren
En, verder hun dienstplicht goed te leren.

Daar bij die “troep” was er één soldaat,
Ja, ’t was een echte “ongemaat”,
Die altijd voor gewoonte had:
“Ik wed om dit en ik wed om dat”.

Zijn majoor, echt een hele goeie man,
Die kreeg daar toch de brui wel van
En sprak: “Soldaat, doe me één plezier,
Dat wedden moet je laten hier.
Jij altijd met je wedderij,
Je krijgt het aan de stok met mij.”

Toen sprak de soldaat ietwat brutaal:
”Majoor, het is echt een familiekwaal,
Al houdt u mij nòg zo in de gaten,
Dat wedden kan ik tòch niet laten.”
“Niet laten zo, dat staat je net,
Dat jij je tegen de majoor verzet.”

“Verzetten?”, sprak de soldaat heel vlug,
“Daar kom ik correct even op terug.
Ik zou het zelfs wel durven wagen,
U om een weddenschap te vragen.”

De majoor, al enigszins oud van dagen,
Stond compleet hiervan verslagen.
“Wil je wèèr wedden, jonge maat,
Welaan, kom er dan mee voor de draad.

Je weddenschap zal zo niet zijn,
Of je zal het verliezen tegen mij’n.
Je knoeierij kan zo niet wezen,
Of ik zal je er even van genezen.”

Een glimlach trok nu over het gelaat
Van onze weddende soldaat.
Hij sprak: “Nu goed mijn beste majoor
Het volgende stel ik u thans voor.
Nu u mijn weddenschap kunt dulden,
Wed ik om driehonderd gulden,
Dat een steenpuist, jaaah.. ’t is sterk,
Zal komen op uw achterwerk.
Misschien vindt u het raar van mij’n
Maar over drie dagen zal het echt zo zijn.”

De majoor was nù geheel verstoord,
Zoiets had hij nog nòòit gehoord.
“Maar, ’t is goed, je weddenschap is aangenomen,
Over drie dagen kun je wederkomen.”

De eerste dag der drie verstreek,
Doch hoe de majoor ook in de spiegel keek,
Hij kon er steeds niets van ontdekken,
Zelfs niet door zijn nek ver uit te strekken.

De tweede dag dacht hij: ”Stel je voor,
Dat ik de weddenschap verloor.
Met mijn geld zal die soldaat zich niet verrijken,
Ik zal toch de dokter eens laten kijken.”

Maar hoe de arts ook zocht en keek
Niets wat op een pukkel of een puist geleek.
Opgelucht en dus nogal zeer tevree’n
Ging de majoor daarna huiswaarts heen.

Nu is het wachten op de soldaat,
Die de derde dag plots voor hem staat.
“Wel majoor”, zo was hij begonnen,
“Heb ik de weddenschap gewonnen?”
“Gewonnen?” riep de majoor, die meer brulde,
“Waar zijn mijn driehonderd gulden?”

“Die centen krijgt u vlot en zelfs subiet,
Zoals u hier in mijn beurs wel ziet.
Alleen als ik de waarheid mag aanschouwen,
Mag u deze knip met centen houden.”

Daar begon de majoor wel van te zweten,
De soldaat wilde echt de waarheid weten.
De majoor wist hem niet om te buigen,
De soldaat wilde echt zichzelve overtuigen.

De majoor moest dus maar voor die wil bezwijken,
In vredesnaam, hij moest maar kijken.
En de soldaat, ’t was werkelijk haast te veel,
Keek toen grijnzend naar dit blanke achterdeel.
Maar…, hij betaalde direct zijn schulden,
Immers, hij had verloren: nogwel "driehonderd gulden".

De majoor ging hierna opgetogen naar de soos,
En daar, waar hij zich een mooi plaatsje koos,
Was ook de kapitein gezeten,
Die graag iets over die soldaat wou weten.

“Wel majoor,” zo ving hij nieuwsgierig aan,
“Hoe is het toch met die soldaat gegaan,
Je weet wel die zo vol met wedden zat.
Heb je hèm wel eens te grazen gehad?

“Nou,” sprak de majoor verheugd
“Die heeft van mij gewis zijn meugt,
Binnen drie dagen, ja ’t is sterk,
Dan zou er op mijn achterwerk
Een steenpuist zijn verrezen,
Zo zou zijn weddenschap er wezen.”

“En?” zo sprak de kapitein, ”Heb je dat misschien
Aan die jonge kerel laten zien?”
“Natuurlijk”, sprak de majoor, “het is geen mop,
Het kostte hem zelfs driehonderd pop.”

De kapitein werd toen wit en steunde: “Ach,
Dit is voor mij een dure dag.
Hoe heeft die vent het zo verzonnen,
Zevenhonderd gulden heeft hij nu gewonnen.

Want f.1000.- heeft hij van mij te pakken,
Omdat jij je broek hebt laten zakken,
Daar hij wedde met mij bovendien
Dat hij binnen drie dagen jouw kont zou zien.”

Terug naar overzicht

De wederkomst de koeijen

(Prudens Van Duyse 1804 - 1859)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wat geloei werd daer vernomen ?

 't Is de koe die huiswaert gaet,

 Uit de groene weî gekomen,

 Van het malsche kruid verzaed.

  

 Onze buerman wacht zyn koeijen,

 Zingend, af; de lekkre melk

 Zal weldra in d'emmer vloeijen,

 Tot verzadiging van elk.

  

 Hoe kan 't weîgras, dat ze scheeren

 En dat haer zoo weeldig voedt,

 In die stroomen melks verkeeren ?

 Dat weet God, die 't wonder doet.

Terug naar overzicht

De weerwolf

(uit: “Kriekende Kriekske” door Bernhard van Meurs; zevende druk/Gelders dialect)

(met dank aan Jos de Vet voor het sturen van de tekst)

Komt, kienders, gaot zitten naost grootvao,

Stôkt ‘et vuur op den heerd flog wat ân;

Ge heurt toch zoo gerne van spoken,

Zit stil, dan vertel 'k er wa van.

 

Toen ‘k jong was – ‘k bin nou ien de tachtig,

Al zestig jaor is ‘et geleên.

Waor blieft toch de tied? zoude zeggen –

Toen ‘k jong was en vlugger te been.

 

Toen kwiem ‘r is op eenmaol ‘et praotje,

Men wist nie heel krek uut wat mond:

‘s Nachts lôpt met den klokslag van twaolef

Het derp rond ‘en vremd soort van hond.

 

Ik malde met weerwolven-praotjes,

Vertrouwde da spulleke ook niet;

En ‘k zei tot mien eigen: kom Frerik,

Geleuf ‘et nie veur da je ‘t ziet.

 

Op ’n aovend, ‘t was maonlicht en wienter,

Gao’k moerziel alleen ien de schuur

En leg me daor neer op ‘en strooibos

Te wachten tot ‘s nachts twaolef uur. –

 

Daor heur ik den klokslag van twaolef,

‘t Is wienter en hel schient de maon –

Mien haoren die riezen te bergen,

Wa zie ik?… De hond kumt er aon!

1k zie ‘em dicht bij – op tien passen –

Klein is ie, zoo'n takshond, precies!

‘k Mot ‘t miene er van weten, zoo denk ik,

En roep heel onneuzel: kies! kies!

 

Daor wordt me da ding kriegel-nijdig,

En lôpt op ‘en draf naor de schuur…

Wordt grooter... kiekt de onderdeur over

Met oogen zoo gluuiend as vuur.

 

Parrrjen! zeg ‘k, en maok me uut de voeten,

En klauter de zoldering op,

Kom boven... daor steet ie veur ‘t venster

Alweer met z’n grienzenden kop!

 

Nou breek ik de pannen aon stukken,

En klim op ‘et dak een twee drie;

(‘k Weet nòg nie, hoe ik ‘et dorst waogen).

Maor raoj er is, kienders, wa’k zie…

 

De hond wordt al grooter en grooter,

Zoo groot as ‘en hooimiet! veut meer!

Z’n haoren die stoengen as pieken –

Gen draod bleef meer dreug aon mien kleêr.

Daor drukt ie de twee veurste pooten

As lood m’ op de borst, dat ik stik –

En hapt met z’n muil waogwied open…

‘k Wier wakker, Goddank, van den schrik!

 

Gedrômd hê’k wel dukkels van spoken,

Gezien nooit of nimmer daorvan –

En toch bin ik diep ien de tachtig!

Stôkt, kienders, ‘et vuur nog wat ân.

Terug naar overzicht

De wereld der traditie

(P.A. de Génestet - 1829-1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Vóór het huwlijk werd besloten,
Door dit echtpaar, lief, maar dom:
"Onze kindren ('t meisje bloosde!)
Zullen worden om en om.
Schenkt ons God het eerst een jongen,
Luthersch wordt ons eerste kind,
En de tweede, knaap of meisje,
Volgt u en wordt Doopsgezind.
Doch mocht de eerste een meisje wezen,
In dat liefelijk verschiet,
Dan wordt ook de rij geopend
Met een kleine Mennoniet." --
Thans, hun huis telt twalef kindren,
Die, tot eer van 't Christendom,
Luther eeren, Menno volgen,
Vroom en deftig, om en om.
Toch waar' 't koppigst Lutheraantje
Daar een Doopsgezinde geest,
Zoo meneer zijn oudste broeder
Maar een meisje was geweest!

Terug naar overzicht

De wiedsterkens

(Alice Nahon1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Onz'kerels hebben 't zaad gezaaid

In Vlaamse grond

Maar voor dat d'oogst zal afgemaaid

Zo goudig blond

Behoeft een zorge zacht en sterk

Van vrouwenhand

Die doet het edele wiederswerk

Op 't Vlaamse land

Weet dat uw veld niet bloeiend wordt

Wanneer ge tegen 't werken mort

Een schone ziel, een grove schort

Die wiedsters zijn er veel te kort

In Vlaanderen

Wordt wakker, wordt wakker

Voor Vlaanderens grote akker

Vergeet toch niet wat uw naam bediedt

O wiedsterkens, o wiedsterkens

Als ge wiedsterkens heet

Is 't uw plicht dat ge wiedt

O wiedsterkens, o wiedsterkens

Van het Vlaamse veld

In 't stil gedoe van iedere dag

Wat niemand telt

Zelfs in uw leed en in uw lach

Daar vind ge een veld

Daar kunt ge wieden 't vreemde kruid

In spraak en lied

Maar rukt het met den wortel uit

Of 't kruid verschiet

En in uw vrouwelijk gemoed

Zal komen lijk een zegening zoet

Het weten schoon, het weten zoet

Dat gij voor Vlaanderen ook iets doet

Voor Vlaanderen

Terug naar overzicht

De wilgen

(C.S. Adama van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Daar ware' eens zeven wilgen

In ene boerenwei.

Die droegen grote pruiken op

Hun ouden harden houten kop

En stonden op een rij.

En hunne pruik met haren

Die kwam nooit tot bedaren -

Zij knikten al maar: "ja en neen",

Wat dat beduidde wist er geen.

 

Toen kwamen er heel veel vogeltjes -

Die bouwden daar hun nest,

Die woonden allen paar aan paar

En leefden leutig met elkaar

En vonden 't opperbest.

En ieder zong een liedje -

Van wiede-wiede-wiedje, -

Maar al de wilgen riepen: "Och,

Wat schreeuwen daar die vogels toch !"

 

Toen kwam de wilde wervelwind -

Die ziet ze daar zo staan,

En draait zich driemaal om, en zeit:

"Wat's dat nou voor parmantigheid !"

En waait zó op ze aan: -

Eerst deden ze nog deftig,

Maar 't werd hun gauw te heftig -

Toen riepen ze allen door mekaar:

"O jeminee wat is dat naar !"

 

Toen kwam een grote regenbui -

Die keek heel boos, en zei:

"Die pruiken vind ik veel te hoog,

Dat's geen fatsoen, die zijn te droog -

Daar moet wat water bij !"-

De wilgen snikte' en steenden:

"Wat is dat nat!" - - ze weenden !

"O!" riepen ze met 'n lang gezicht,

"Nee dát vergeten wij niet licht !"

 

Toen kwam een dikke bonte koe -

Die snoof zo 's en zei: "wel

Zo'n wilgeblaadje mag ik graag,

Dat's juist goed voor een volle maag

En voor een zwak gestel.

'k Mag  zeker van uw pruiken

Wel 'n kleinigheid gebruiken ?" -

De wilgen zuchtte' elkander toe:

"Wat zeg je nou van zó een koe !"

 

Toen werd op 't laatst hun pruikebol

Zo alleraakligst lang,

Dat iedereen van schrik wegliep -

De vogels riepen: "piep piep piep!"

En werden ook wat bang.

En ieder zei: "wat vreeslijk !

Dat's zeker ongeneeslijk ?"

De wilgen dachten: "Dat's juist fijn,

't Bewijst dat wij van adel zijn !"

 

Toen kwam de boerenkapper aan,

Die had een lange schaar -

En knipte met een groten hap,

Zo maar op éénmaal: knip-knip-knap

Door ál dat wilgenhaar ! -

Zij schrokken zelf verbazend,

Maar de andren lachten razend,

En riepen allemaal brutaal:

"Wat bennen jullie nou weer kaal !"

 

Terug naar overzicht

De wind

(C.S. Adama van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De wind sluipt door den donkren nacht,

Hij woelt door doode blâren, -

Luister: die lange bange klacht -

De wind zal niet bedaren.

 

De wind huilt door het dorre hout,

Hij rukt aan alle ruiten, -

't Is binnen stil, 't is binnen koud -

Hoor: hoe de wind kan fluiten !

 

De wind komt aan mijn dichte deur -

Hij wil bij mij naar binnen, -

Daar is een oude diepe scheur -

Wat wil de wind beginnen ?

 

De wind gaat door mijn donker huis -

Hij draagt het oud verleden - !

Hij rakelt in het kil fornuis,

In de asch van mijn gebeden !

 

De wind drijft het verloopen tij

Uit lang-vergane dagen, -

De golven komen dichterbij -

Ik zie ze dooden dragen !

 

Het rijst al om mijn donker hoofd,

Het joelt voorbij mijn oogen -

Ai mij ! ik had dat lang gedoofd ! -

O, wind heb mededoogen !

 

Neem weer, neem mee dien ouden last;

Wat eens mijn oogen zochten -

Waarnaar ik eenmaal heb getast -

Neem 't op uw verre tochten !

 

O, bange wind ga van mijn borst;

Waarnaar 'k met leege handen -

Waarnaar mijn heete mond gedorst -

Neem het naar verre landen !

 

En al waarvoor ik heb geschreid,

Waarom ik nòg moet snikken -

O ! waai het, waai het, wijd en zijd,

Waar nooit mijn oogen blikken !

 

Neem alles wat eens is geweest

Op uw gevreesde vierken,

Draag 't uit mijn moe geworden geest,

Leg 't in vergeten zerken !

 

De wind vaart door mijn leege hart,

Drijft mij langs oude paden,

De wind speelt met mijn oude smart

Als met de dorre bladen.

 

De wind voert me in het donker veld,

Hij vraagt er al mijn tranen;

De wind heeft me alles weerverteld,

Hij zwaait zijn zwarte vanen !

 

De wind gaat door, - hoor: hoe hij lacht !

Hij wilde niets meer sparen,

Ik ben alleen - en in den nacht

Zit ik hem na te staren.

 

Terug naar overzicht

De wolf en het lam

(Jean de La Fontaine 1621-1593)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

't Gebeurde eens, dat een lam in 't koele water plaschte,
Aan d'afloop van een heldre beek,
Toen hem op eens een wolf verraste,
Die, nuchter uitgevast, rondsnuffelde in de streek.
"Wat !" riep hij met vergramde kaken:
"Het water dat ik drink komt gij hier troebel maken ?
Gestraft moet die vermetelheid !"
"Maar, Sire !" sprak het lam, "ik bid Uw Majesteit
Wel allerneedrigst om genade,
En smeek haar niet voorbij te zien
Dat ik nog wel een pas of tien
Van 't plekjen waar Zij staat, beneden strooms, mij baadde,
Zoodat ik 't water van Haar bron
Onmooglijk troebel maken kon."
"Dat hebt gij toch gedaan !" riep Grimbaard in zijn toren,
"Maar 'k ben door u, verleden jaar,
Bebabbeld bovendien ! Of is dat ook niet waar ?"
"Hoe kan dat ?" zuchtte 't lam, "Ik was nog niet geboren:
Mijn moeder zoogt mij nog." - "Dan is 't uw broer geweest."
"Ik heb geen broer." - "Dan toch het een of ander beest
Van uw famielje ! Ik heb steeds boosheid ondervonden
Van u, uw herders, en uw honden !
Dat eischt in 't eind een goede les."
En zonder vorm zelfs van proces
Heeft Grimbaard, één, twee, drie het arme schaap verslonden.

 

Helaas, zóó gaat het maar in 't ondermaansche slijk:
De sterkste heeft altijd gelijk !

 

Terug naar overzicht

De zee

(H. Marsman 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wie schrijft, schrijv' in den geest van deze zee

of schrijve niet; hier ligt het maansteenrif

dat stand houdt als de vloed ons overvalt

en de cultuur gelijk Atlantis zinkt;

hier alleen scheert de wiekslag van het licht

de kim van het drievoudig continent

dat aan ons lied den blanken weerschijn schenkt

van zacht ivoor en koolzwart ebbenhout,

en in den dronk den geur der rozen mengt

met de extasen van den wingerdrank.

Hier golft de nacht van 't dionysisch schip

dat van de Zuilen naar den Hellespont

en van Damascus naar den Etna zwierf;

hier de fontein die naar het zenith sprong

en regenbogen naar de kusten wierp

van de moskee, de tempel en het kruis.

Hier heeft het hart de hoge stem gehoord

waardoor Odysseus zich bekoren liet

en 't woord dat Solon te Athene sprak;

en in de branding dezer kusten brak

de trots van Rome en van Babylon.

 

Zolang de Europese wereld leeft

en, bloedend, droomt den roekelozen droom

waarin het kruishout als een wijnstok rankt,

ruist hier de bron, zweeft boven déze zee

het lichten van den creatieven geest.

 

Terug naar overzicht

De zelfmoordenaar

(Piet Paaltjens 1835-1894)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

In het diepst van het woud,

't Was al herfst en erg koud,

Liep een heer in zijn eentje te dwalen.

Och, zijn oog zag zoo dof !

En zijn goed zat zoo slof !

En hij tandknerste, als was hij aan 't malen.

 

"Harriot !" dus riep hij verwoed,

"'k Heb een adder gebroed,

Neen, erger, een draak aan mijn borst hier !"

En hij sloeg op zijn jas,

En hij trapte in een plas;

't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

 

En meteen zocht zijn blik

Naar een eiketak, dik

Genoeg om zijn lichaam te torschen.

Daarna haalde hij een strop

Uit zijn zak, hing zich op,

En toen kon hij zich niet meer bemorsen.

 

Het werd stil in het woud

En wel tienmaal zo koud,

Want de wintertijd kwam. En intusschen

Hing maar steeds aan zijn tak,

Op zijn doode gemak,

Die mijnheer, tot verbazing der musschen.

 

En de winter vlood heen,

Want de lente verscheen,

Om opnieuw voor den zomer te wijken.

Toen dan zwierf - 't was erg warm -

Er een paar arm in arm

Door het woud. Maar wat stond dát te kijken !

 

Want, terwijl het, zoo zacht

Koozend, voortliep en dacht:

Hier onder deez' eik is 't goed vrijen,

Kwam een laars van den man,

Die daar boven hing, van

Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen.

 

"Al mijn leven ! van waar

Komt die laars ?" riep het paar,

En werktuigelijk keek het naar boven.

En daar zag het met schrik

Dien mijnheer, eens zo dik

En nu tot een geraamte afgekloven.

 

Op zijn grijzende kop

Stond zijn hoed nog rechtop,

Maar de rand was er af. Al zijn linnen

Was gerafeld en grauw.

Door een gat in zijn mouw

Blikten mieren en wurmen en spinnen.

 

Zijn horloge stond stil,

En één glas van zijn bril

Was kapot en het ander beslagen.

Op den rand van een zak

Van zijn vest zat een slak,

Een erg slijmrige slak, stil te knagen.

 

In een wip was de lust

Om te vrijen gebluscht

Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken.

't Zag van schrik zóó spierwit

Als een laken, wen dit

Reeds een dag op het gras ligt te bleeken.

 

Terug naar overzicht

De zeven boeven

(Albert Verwey 1865-1937)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een koning en een diender,
Die gingen samen wandlen;
De diender knoopte zijn handschoen dicht,
De koning at amandlen.

Zij kwamen aan een groot groot bos,
Daar zaten zeven boeven.
Toen zei de koning: diender, sluit
Die boeven in de schroeven.

Toen zei de diender: Sire, ik heb
Geen schroeven, maar wel touwtjes.
En de koning: doe het dáár dan mee,
Maar doe het alsjeblieft gauwtjes.

Toen ging de diender naar de eerste en zei:
Wil u mij uw handen even geven ?
En hij bond zijn handen met een touwtje saam;
Zo deed hij met alle zeven.

En toen hij klaar was zei hij: nu sta
Jullie op en loopt gevallig,
Op een rijtje voor mij en de koning uit,
Tot wij komen aan de galleg.

En als wij bij de galleg zijn,
Dan worden jullie gehangen;
Want het is een schandaal, dat in 's konings land
Nog boeven zijn te vangen.

Zo liepen zij dan op een rijtje voort,
En de diender telde hun koppen;
En de koning, die amandelen at,
Mikte naar hen met de doppen.

Maar toen zij kwamen aan de galg,
Toen braken de boeven hun banden,
En hingen de koning en de diender op, -
Tot hun ieder eeuwige schanden.

Terug naar overzicht

De ziel spreekt

(P.C. Boutens 1870-1943)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Lijd getroost; want ik zal klaren,

Eer uw tranen zijn vervuld,

Tot den lach die al uw jaren

In zijn éenen luister hult.

 

Laat door venstren van uw oogen

Open steeds in lach of leed,

Tot mij binnen dit bewogen

Licht van God, dat leven heet:

 

Als de zon den morgenregen

In den middag achterhaalt,

Tot de wereld allerwegen

Van hun éenen luister straalt,

 

Zal het masker uwer trekken,

Vóor het in den dood verstijft,

Nog mijn eigen glorie dekken,

Die u tot den einde blijft.

 

Na den klaren avondluister

Van uw oogen en uw mond

Wachten door hetzelfde duister

Wij denzelfden morgenstond.

Terug naar overzicht

De zingende danser

(Jacob Israël de Haan 1881-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wie danst zo rank, zo rap, zo zacht van zede,

Met stap en stamp, buiging, handslag en kushand ?

Een knaap, die mijn hart heeft verzoend met Rusland,

Die maat en muziek maakt van zijne leden.

 

Mijn open mond drinkt het zoet van de lucht,

Mijn oog verzadigt zich van zalig schoon,

De muziek wiekt, gelijk een vogelvlucht,

Zo zacht van slag, en fluit zo vol van toon.

 

En hoor: hoe nu de muziek sneller gaat,

En ziet, hoe nu de knaap zich rapper wendt,

Allen tot luisteren en glimlach dwingt.

 

Hij zingt als zilver met gloeiend gelaat,

En is er schoner muziekinstrument

Dan de stem van een knaap, die dansend zingt ?

Terug naar overzicht

De zonderlinge reistocht

(Harme Bevoort 1801-1874)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een man in Vriesland, naar het verhaal,
Zat 's avonds moe van 't werken,
Om door een ned'rig avondmaal,
Zijn aardsche deel te sterken.
En sprak, zijn oog op 't knappend vuur
Met wijfjelief aan 't kouten,
Wat maakt de accijns de spijzen duur,
Vooral de schapenbouten.

 

't Is waar, zij komen wel ter snee,
Gehakt aan karbonaden,
En niemand zal ons warm soupé,
Geheel en al versmaden;
Maar toch die impost, lieve vrouw !
Die impost doet mij beven,
Wat konden wij ons aardsch gebouw,
Toch buiten haar niet geven ?

 

Ziet, and'ren hebben dat geluk,
Door stout de wet te ontduiken,
En nu eens een slaplendenstuk,
En dan weêr drank te sluiken.
En wij, wij zitten stiltjes hier,
Neen, 'k wil dat ook probeeren,
Want hoe het zij, aan zulk een zier,
Zal nooit het land krepeeren.

 

De vrouw zweeg stil, maar dacht toch slechts,
Gelijk de meeste vrouwen,
Al gaat het links, al gaat het rechts,
Het geld doet huizen bouwen.
De vrouw zorgt daaglijks voor en na,
Hoe ze aan het geld moog raken,
Voor garen, lint etcetera,
Voor honderd and're zaken.

 

Juist had nu de vroege vorst,
De wat'ren doen bedekken,
En 's morgens scheen een held're korst,
Des sluikers moed te wekken.
Al gaf het ijs nog krak op krak,
Toch toog hij vrolijk henen,
En zweefde langs het spiegelvlak,
Met schaatsen aan de benen.

 

De lucht was nev'lig graauw en koud,
En aan den haard gedoken,
Zat bijna alles jong en oud,
Te kouten en te roken;
Ook hier en daar deed ligt geraas,
Zich uit de veestal hooren,
Men riep er luid om klaveraas,
Bij 't Nederlansch pandoren.

 

De man scheen als door drift gepord,
De wind woei langs hoe kouder,
Hij had een touw om 't lijf gesjord,
Een haakje op zijn schouder.
Hij repte, spoede sneller heen,
En neuride van binnen,
Op maat en streek: "Climeen, Waarheen,
Waar dwalen al mijn zinnen" !

 

Zo was hij ras naar 't doel gesneld,
Het doel van zijn verlangen;
En zag zich voor een weinig geld,
Een vaatje drank omhangen.
Genever is vrij hoog belast,
Zoo ieder kan bezinnen,
En dit was dus 't product al vast,
Om rijklijk geld te winnen.

 

Het vaatje hing aan 't zelfde touw,
Dat eerst zijn lijf omsloten,
En nu als middel dienen zou,
Van rug en beurs vergrooten.
Ook was de vragt vooral niet ligt,
En soms hem 't lot beschooren,
Dat hij geheel zijn evenwigt,
Door topzwaarte had verlooren.

 

Maar toch hij regt zich telkens weêr,
Om sneller voort te varen,
Al staat en ziet hij keer op keer,
Uit vrees voor de ambtenaren.
Toch gaat het voort, op de eigen wijs,
In bochten en in draaien,
Hij doet het schraapsel van het ijs,
Ver agter zich verwaaijen.

 

Maar ziet, 't balsturig grimmig lot,
Scheen fel op hem gebeten;
En dreef met al zijn moeite spot,
Hoe ook de man mogt zweeten.
Helaas ! dit was dan hier de prijs,
De prijs van welgelukken,
Daar valt het vat hem af op 't ijs,
En hoep en boôm zijn stukken.

 

Verbeeld u, wat een ramp dit was,
Hoe trof hij hart en zinnen !
Daar zag hij den geneverplas,
Wat zal de man beginnen ?
In wanhoop stort hij neêr op 't vocht,
De wereld mag het weten,
Hij wil de rampspoed van zijn tocht,
In haar genot vergeten.

 

Hij slorpt, en drinkt, en valt op zij,
Bedwelmt, en vol van 't schranzen.
Omhoog trok westwaards juist voorbij,
Een troep van wilde ganzen.
De dieren van hun hoog bestek,
Door zek're zucht gedreven,
Verbeelden zich daar wak of trek,
Dat open was gebleven.

 

Zij vallen neêr op 't geestrijk vocht,
Eens uit Schiedam gekomen,
Doch zien zich 't voortgaan van hun tocht,
Ten eenemaal benomen;
Hun wieken hangen magtloos neêr,
Zij wag'len op de pooten,
Zij draaijen, went'len, rollen weêr,
Als in een kring besloten.

 

De man kwam wakker van 't gedruis,
Dat stout zijn rust kwam stooren,
Hij sprak; "Houdt hier de booze huis,
"Wat snat'ren aan mijn oren !
'k Schijn in een eendenkooi gebragt,
De drommel mag het weten,
Het is hier privatieve jagt,
Of 'k wil geen Jasper heeten."

 

Hij wreef nog eens zijn oogen uit,
Nog half door slaap gesloten,
En rees, en wierp zich op zijn buit,
En bond ze ras de pooten;
Het eene eind van 't zelfde touw,
Was om zijn lijf geregen,
Opdat hij niet verliezen zou,
Wat mak'lijk was verkregen.

 

"Zoo" sprak hij, dat 's een heele vangst,
"Wat zal mijn vrouw wel kijken,
Als zij zulk wild naar haar verlangst,
In huis ziet binnen strijken.
Geheel een and're waar als straks,
Ik zal ze niet verliezen,
En blijf nog zelfs op mijn gemak,
"Al kwamen tien comiesen."

 

Zoo dacht hij langs de gladde baan,
De ganzen meê te sleepen,
Maar ziet, hun roes was heengegaan,
Schoon aan een touw beknepen.
Maar onbelemmerd was hun vlugt,
Thans kon geen band die toomen,
Ras hadden ze in de ruime lucht,
De sluiker meegenomen.

 

De man scheen ligter dan een geest,
Zoo vrijlijk mogt hij zweven,
Hij had nog nooit zoo hoog geweest,
Dat zwoer hij bij zijn leven.
Zijn gang was zelfs verbazend snel,
En ligt gelijk een veder,
Geleek hij naar een slinger wel,
Zo ging hij heen en weder.

 

Intusschen week de dag geheel,
Het touw begon te klemmen,
Daarbij de angst dat 't vlug gareel,
Eens lust kreeg om te zwemmen.
Hij zag een groote witte plek,
En was in duizend vreezen,
Het scheen toch, volgens zijn bestek,
De Zuiderzee te wezen.

 

De roes des daags, de angst en pijn,
Was 't die den man bewaakte;
Althans, de lucht was vreeslijk fijn,
En 't vroor zoo dat het kraakte.
En vreesde hij 't lot zich opgeleid,
Van koude te verstijven,
Toch was er geen gelegenheid,
Zijn handen eens te wrijven.

 

Maar ziet,  hij meent een licht te zien,
Het duister schijnt te zwichten.
Hij hoort een roep, "de klok heit tien,
Bewaar je vuur en lichten !"
Hij rukt en trekt uit al zijn magt,
De ganzen dalen neder,
En hij ziet bij de Keizersgracht,
Nu te Amsterdam zich weder.

 

Toch was hij verre van gerust,
Want, waar zijn oog mogt dwalen,
Geen een der ganzen toonde lust,
Op aarde neêr te dalen.
Nu nam de wanhoop bij hem plaats,
En sterkt hem in zijn pogen,
Hij daalt, en treft met zijne schaats,
De wachter in zijne oogen.

 

De nachtwacht, anders ferm en kras,
Had wel gedruis vernomen,
Maar stond, daar hij wat kippig was,
Juist of hij stond te droomen.
"Wacht, booswicht !", riep hij, "zoo infaam
Me een schrik op 't lijf te jagen,
Hoe, hang je hier uit een vensterraam,
Dat zult gij u beklagen !"

 

Zijn woede kent nu perk noch toom,
Fiks grijpt hij om zich henen,
En vat, en trekt nu zonder schroom,
Den sluiker bij de beenen.
Het touw brak los, en op zijn rug,
Kwam onze man te landen;
De ganzen vlogen snel en vlug,
Naar zuidelijker stranden.

 

Naauw had hij 't hoofd omhoog gewendt,
Of aanstonds naar behooren,
Maakt hij de wacht een compliment,
Voor zijn onhandig stooren.
Maar deze brengt hem in de kost,
Naar 't huis, nooit hoog geprezen,
En is hij daar niet uit verlost,
Dan zal hij er nog wezen.

 

Ten slotte, Vrienden ! kan gewis,
Dit voorval ons toch leeren:
Geef Keizer wat des Keizers is,
Dan zal geen kwaad u deeren.
En, ziet ge u ooit in 't naauw gebragt,
Hoe hoog de nood moog' prangen,
Schop nimmer toch een ratelwacht,
Of gij raakt licht gevangen.

Terug naar overzicht

Die Hollands leert

(Charivarius 1870 - 1946)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Opgedragen aan de vreemdeling


O, vreemdeling, die onze taal bestudeert,
Lees verder, ik wed dat mijn rijm je wat leert.
'k Hoop niet, dat de studie je tegen zal vallen.
Zo zegt men bal—ballen, maar, ach! niet: dal—dallen.
En 't enkelvoud, vreemdling, van koeien is: koe.
Maar de boef draagt wel boeien, de drenkling geen boe.
En Vondel, je weet het, schreef prachtige reien,
Maar niemand bestelt in een lunchroom ooit eien.
En kinden is niets, noch ook winderen—wel lammeren,
Wel: wortelen, geen eiekelen, noch borstelen of kammeren.


Zo kom je van zelf op de lastige paderen:
Rad—raden? Stad—staden? Is vad stam van vaderen?
Ook heb je wel potten, maar nergens zijn slotten.
En niemand zegt roten, marmoten of lotten.
De boer houdt geen haanders, maar zeker wel hoenderen,
En draagt op het land meestal klompen—nooit schoenderen.


Het meervoud van krent is eenvoudig krenten.
Maar: vent in het meervoud, is kerels—niet venten.
Leer ook de geslachten, mijn leerling, vroegtijdig:
de vrouwen zijn vrouwelijk, maar wijf is onzijdig.
Zeg: naaister, maar schilderster moet je niet zegge,
ook niet koninges of dievin of vriendegge.


Je zult al wel weten—ik hoop, dat je 't wist,
dat je heden zult eten, maar gisteren niet ist.
Toen gisteren de torenklok twaalf had geslagen,
zeg, ben je toen rustig naar huis toe gegagen?


Och, als je 't maar weet, is 't gemak'lijk genoeg,
joeg nooit bij 't behang naar een muisje dat knoeg.
En als je in vervelend gezelschap haast sliep,
heeft niemand gemerkt, dat je heimelijk giep.

 
Ik denk ook niet, dat je vaak hebt gezocht
naar een post in je boek, die verkeerd was gebocht.
Bedenk, vriend, als j' in verontwaardiging raakt
dat niet wan wordt getrouwd hij, die nacht heeft gebraakt.
Ik vraag j' of je hier wel eens ooit aan gedacht hebt en of je 'r je aandacht genoeg aan geschacht hebt?


Leer ook de getallen, o vreemd'ling, aandachtig:
zeg: vijftig en zestig—niet drietig en achtig.
Ook d' uitspraak is soms nog een moeilijk ding
immers: beving je ooit van de angst een beving?
En hoorde j' ooit iemand in 't Hollands bevelen,
een vocht naar een lager staand vat te hevelen?


Al schrijf je ook Gorinchem, spreek het uit: Gorkum
maar schrijf in vergissing niet Borinchem voor Borkum.
Misschien ben je 't Hollands in zover al meester,
dat je heester niet zo maar laat rijmen op zeester.
En rijmt dit precies: “Als Marie gelei maakt,
dan vind ik dat die naar een spiegelei smaakt”?


Dus leer lieve lezer, de les uit mijn lied:
het Hollands is heus nog zo makkelijk niet.

Terug naar overzicht

Die morgen was zij moe en zwaar

(J.H. Leopold 1865-1925)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Die morgen was zij moe en zwaar
en talmende opgestaan
en had met achteloos besef
haar dagelijks doen gedaan.

Zij ging verloren door het vertrek
met ongevoelde schreden,
behaspelende dit en dat,
verschikkende zonder reden.

Als plotseling met een vreemd gevoel
zich iets in haar bewoog
en een nieuwe en wondere zekerheid
haar door de gedachten vloog,

En met een diepere ademtocht
was zij even neergezegen
en toefde een ogenblik totdat
zij zichzelve had herkregen.

En in trots en in deemoedig zijn
boog zij het hoofd ter neer
en fluisterde met toegevende mond
"zie uwe dienstmaagd, Heer."

Terug naar overzicht

Die prokureur sijn hond

(F.L. Reitz)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

"Goei morre, Prokureur - geef mij tog bitjie raad.

Mij is 'n ding gebeur, hier buite op die straat.

Daar kom een slegte hond, net vlak hier voor jou deur,

En bijt mij in die been; mijn broek is glad verskeur.

 

Dit was 'n nuwe broek, en ik wil jou nou vrâ

Of die nie môlik is, so'n kerel an te klâ.

Wat sulke slegte goed laat los-loop op die straat,

Om mij somar te bijt, as ik hier langes gaat."

 

"Welseker, mijn ou'vrind - dit staat jou altijd vrij

Om van die hond sijn Baas die skade weer te krij'."

"Wat denk meneer daarvan; zal dit te baing wees

Om 10 sielings te vrâ, ver skade van die bees ?"

 

"Wel al te seker niet - die ei'naar moet beskou,

Dat 10 sielings is min, als hij so'n hond wil hou."

"Wel, Baas, dan raak jij ook nou net 10 sielings kwijt,

Dit was jou ei'e hond, die het mij so gebijt."

 

"Mijn hond ! mijn Pollo dan, het hij jou so gekrij';

Mar as jij seker is, dan sal ik ook niet strij'.

Dâ, vat dan mar jou geld - wat reg is moet bestaan

Al sou die wereld ook daaronder moet vergaan."

 

Die Boer die moet toe skater van die lach;

Hij vat die geld heel vrolik, want hij dag:

" 'n Prokureur mag glad wees met sijn bek,

Tog kijk 'n domme Boer hem in die nek."

 

So stap hij weg, mar kom net bij die deur:

"Stop, vrind, wag, stop !" seg toen die Prokureur,

"Dis alles goed en wel, die skade van mijn hond;

Mar ik moet jou vertel: mijn raad die kos een pond.

 

So geef mij hier mar gou mijn 10 sielings nou weer,

Dan skuld jij mijn voor raat nog net een halfpond meer;

Want dit is tog mar waar - wat reg is moet bestaan,

Al sou die wereld ook daaronder moet vergaan."

Terug naar overzicht

Dinska Bronska

(Karel van den Oever 1879-1926)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Uit een oud dorp,
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka,
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruisisch-blauw
en haar haar vlas-geel;
ook waren haar ogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.
In het "Hotel Lapland" zat zij
bij een tafel aan het straat-raam
zij schreef 'n brief.
Een haarlok viel laag op haar rode kaak
en zij stak haar tong uit,
want ze schreef moeilijk die brief
en daaronder "Dinska Bronska", haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar ogen langs het plafond.
Op het papier waren 'n inktvlek
en groot gestompel van letters:
zij kocht het voor tien centiem
in de kruidenierszaak
over het hotel.
Er was 'n beetje inkt aan heur kaak.

 

O, Dinska Bronska;
gij vertrekt naar Canada:
de verroeste stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanak
der "Red Star Line"
dat Canada grotere appels,
o, hoger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn !

 

O, Dinska Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zo moeilijk die brief.
Je ogen zoeken vliegen op het plafond.
"Moj Boze !"
Er zit 'n tranen-veeg,
o zo verdrietig,
van je blauwe ogen naar je mond.

O, Dinska Bronska !

Terug naar overzicht

Dodenklacht

(Marie Boddaert 1844-1914)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Laat dicht de luiken; 't zonlicht dringe
Niet in deez' ruimten, waar geen morgen
Haar langer wacht.

Ga, laat 'm alleen met mijne dode.
'k Wil mèt haar zijn in d' eerste wake
Van hare nacht.

Ik wil de teedre woorden spreken,
Die 'k nog voor haar in 't hart bewaarde;
'k Zei niet genoeg.

Ik wil haar dodensponde sieren
Met bloemen der herinn'ring.... Ai mij,
Zij bloeien vroeg !

Daal op haar neder, op haar handen,
Die zegen spreidden; vlecht een krans haar
Om 't jonge hoofd.

Kom dan tot mij; kom, zoals vroeger,
Geliefde, die in volle bloeitijd
Mij werd ontroofd !

Kon 'k met mijn hartebloed u 't leven
Hergeven, u de zonnige ogen
Weer op doen slaan;

Of in mijn armen door het duister
Der stille dodengangen dragen,
En met u gaan.

Terug naar overzicht

Doen en zwijgen

(Const. Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Mij vraagde een barbier

Hoe 'k mij wou scheren laten;

'k Zei, op een nieuw manier,

Knap weg, en zonder praten.

Terug naar overzicht

Donkere ogen

(Jacques Perk 1859-1881)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ogen, in wier diepte helle nacht
Droomt en lokt, als er de rust uit lacht -
Grondelozen, gij, die smeekt en smacht,
Al wie oogt naar u, droomt met u mede...
Voor uw toverende wonder-macht
Wordt de ziel van mannen zonder kracht,
En wiens kracht úw kracht ten onder bracht,
Diens gehele ziel wordt éne bede.

Aan het vreedzaam hart rooft gij de vrede,
Maar gij schenkt hem weder, onverwacht -
En wie gij de weelde toe-bedacht,
Van uw blikken, zoo fluweelig-zacht,
Die omspannen zij van lieverlede,
En hij slaakt een langgezuchte klacht,
Doch een vreugderijke juichkreet mede.

U te zien, is schoonheid zelve ontwaren,
En, waar zij op donzige englen-schacht
Nederstrijkt, om zeegnend rond te waren,
Daar versterft de haat, en geurt de zomerpracht
Der liefde.... Donker oog, blijf dikwijls op mij staren!

Terug naar overzicht

Donkere wolken

(met dank aan Frank Hooyer voor het sturen van de tekst)

Donkere wolken dreigen

Boven de oude hei

In geweldig zwijgen trekken ze voorbij

’t Lijken dromedaren

Bultig rug en nek

Ruig en ruw van haren

Trots en dom van bek

Dragend Arabieren

In het wit gehuld

Houden de banieren

Aan de top verguld

Donkere wolken dreigen

Boven de oude hei……

In geweldig zwijgen trekken ze voorbij.

Terug naar overzicht

Donkeyman

(Jan Jacob Slauerhoff 1898 - 1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

 Ik had ook eens een vrouw lief in mijn leven

't Was toen ik nog op de Malaya voer

Wij hadden lang voor Gods gena gedreven

Maar haalden eindelijk toch Singapore

Het schip was bijna in de Straits gebleven

En luisterde al lang niet meer naar 't roer

Bestemd voor Bombay, lang al opgegeven

Niemand verwachtte het in Singapore

Singapore, Singapore

Bestemd voor Bombay, lang al opgegeven

Niemand verwachtte het in Singapore

 

Daar lagen al die witte luxe boten

Wij voelden ons zo afgetakeld poor

Het was alsof zij met hun funnels floten:

"Wat kom jij doen in 't schatrijk Singapore ?"

Wij lagen er twee maanden in de dokken

Menig huisvader hield het met een hoer

Zij gingen wat gezellig samenhokken

In een slecht huis van 't chinees Singapore

Singapore, Singapore

Zij gingen wat gezellig samenhokken

In een slecht huis van 't chinees Singapore

 

Ik bleef alleen, liep 's avonds rond te darren

Gewend te leven zonder liefdesvoer

Ik zag de rijken rijden in hun karren

Ja, alles wat zich mest aan Singapore

Maar eindelijk liet ik mij toch ook blezen

Bij een japansai op de blanke vloer

Veel bleker, tengerder dan die chinesen

Zij hoorde ook niet in 't moordend Singapore

Singapore, Singapore

Veel bleker, tengerder dan die chinesen

Zij hoorde ook niet in 't moordend Singapore

 

Aan haar heb ik mijn levenslot gewijd

Het werd mij klaar hoe 'k zo lang zonder voer

Ik had nooit meer dan twee, drie dagen tijd !

En nu drie maand in 't smoorheet Singapore

De kar was klaar, wij moesten weer verlaten

Maar er was een die trouw voor eeuwig zwoer

"Ja, blank en bruin hoeft elkaar niet te haten

Dag lieve meid in 't mooie Singapore."

Singapore, Singapore

"Ja, blank en bruin hoeft elkaar niet te haten

Dag lieve meid in 't mooie Singapore."...

Terug naar overzicht

Doodsgebed

(Karel van den Oever 1879-1926)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Heer, als ik sterf
op een december-dag,
in het ziek laken dat ruikt,
en mijn gezicht: geel als een raap,
mijn baard verwoest door het zweet,
terwijl mijn hand vol angst in het kussen pluikt,
Heer, houd dan voor mij, arm schaap,
houd uw barmhartigheid gereed.
Want gedurig was ik lui en dom,
onkuis hoovaardig en zot,
ik was gulzig aan bier- en wijnpot
en mijn tanden bruin van de pijp.

 

Heer, als ik sterf
en mijn voeten zijn koud als glas,
de kaars druipt op mijn hand
en de dokter zegt: "‘t Is gedaan,"
als bij de kamer-wand
de priester bidt: "Heer, laat hem gaan",
dat ik dan bidde:
"Heer, neem mij in ontferming aan."

Terug naar overzicht

Door 't kreupelbosch

(W.J. van Zeggelen 1811-1879)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wie in zijn jeugd op gladde baan
Te lang aan moeders handje stapt;
Geen stroobreed hoeft ter zij te gaan,
Of op een steentje trapt,
Wijl hij zich nimmer voorwaarts waagt,
Eer 't pad voor hem is schoon gevaagd, --
Hij heeft het zeker kalm en goed,
Maar blijft, bij 't minst verlet, een bloed.

Maar hij, die vroeg reeds heeft geleerd
Zich zelf te redden, waar het voegt,
Die , waar hij 't beter deel ontbeert,
Met minder zich vernoegt;
Al kruipt hij soms door 't kreupelbosch,
Hij maakt zich van de boeien los,
Hem door d'afhankelijkheid gesmeed,
En wordt een man bij lief en leed.

Daar loopen er, helaas ! nog veel
Met dik en drap Jansalie-bloed ;
't Wordt hun voor d'oogen groen en geel
 Bij 't steentje voor hun voet;
Ach, is hun jeugd nog niet vergaan,
Men laat hen eens voor 't schuthek staan,
Of maak eens d'ouden leiband los,
En jaag hen dan in 't kreupelbosch.

Terug naar overzicht

Doortje

(met dank aan Hanneke Peters en Thieu Coppen voor het sturen van de tekst)

Door Drim’s duinachtige dreven drentelde de dartele deugdzame dochter des dominees, Doortje Derksen.

Dit deftige dametje deed dolgaarne deugdzame daden. Dagelijks drenkte Doortje de dorstige diertjes.

Dertien donzige duifjes doorkliefden de Drimse dreven. Doch de dartele Dirk des dagloners Dinkels dreigde driest deze donzige diertjes.

Doortje deed daarom de Drimmelse dierenkweller door de deftige diender des dorps doorelkaarschudden,

doch daar deze driemaal daags dronkenmakende dranken dronk doorboorde de degen des dienders dolzinnig den doodsbleken deugniet.

De diender duizelde, doorziende deze deerniswekkende daad. De dorpsschout dagvaardde daarop deze doemwaardige doodslag,

doch de diender deserteerde door de donkere dennenbossen die de dorpsweg doorsneden.

Doortje doorleefde daardoor droevige dagen. Dagelijks doorkruiste Doortje de donkere dennenbossen,

de dartelheid dervende. Dinsdag de derde december doorsloop de doodsengel des Derksens deur,

diens desolate dochter Doortje dodende. Dat deed de deur dicht.

Terug naar overzicht

Dorp aan zee

(Waddeneilanden)

(Jan Jacob Slauerhoff  1898-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik volg de straat waarlangs de huizen slapen.
Het raadhuis staat apart. Daar hangt het wapen
Dat de gemeente in oude dagen had,
('t Visschersgehucht was eenmaal Hansa-stad);
Een koggeschip op blauwe golvenfranje,
Verguldsel opgelegd om de kampanje.

 

Het wordt tien uur, de trage tijd ontwaakt
En knarst tien slagen, 't klokkenhuisje kraakt
In zijn gebinten, het is verfloos kaal,
De cijferplaat verweerd en zonder wijzer.
Achter smal grintveld ligt het schoollokaal.
De grijze schedel van den onderwijzer
- Op 't raam, half grijsgeschilderd, gehalveerd -
Knikt naar zijn stokgestamp; de klas psalmeert
Van frissche waterstroomen, zaalge oogsten
't Veelverzig loflied tot den Allerhoogste.

 

Het armhuis ligt terzijde en achteraf.
Met mos begroeid als een vergeten graf
Zijn de gedeukte daken en de muren.
De eenge die daar zijn dagen uit moet duren
- Een bultenaar, een burgemeesterszoon -
Draagt steeds een groene pandjas: schaamle hoon
Aan hen die hem eens achtten, maar zijn lot
Sinds overlieten aan de' almachtigen God.
Slechts een wrak hek staat tusschen de' armhuistuin
En 't smalle kerkhof, hellend tegen 't duin.
't Is slechts een schrede tusschen slaap en waken.
Als wegwijzers staan witte walvischkaken,
Waaraan het vet zich schuurt de zeere zijden
Op weg van stal naar schrale duingrasweiden.

 

't Verleden zelf is in verlaten kerke
Te rust gegaan onder de blauwe zerken.
De gevel draagt in roestige ijzren cijfers
Niets dan het jaartal 1607.
Alleen op den gebarsten zonnewijzer
Staat nog, half uitgewischt, een naam geschreven.
Wie het geweest is komt er niet op aan:
Bestaan is niets, er heerscht alleen vergaan.
Deze oude zomer zoo vol ondervinding
In 't bloeien leidt alleen tot verdre ontbinding.

 

Maar in zijn nachten ruischt de zee een lied,
Een mild vermanen om het leven niet
Op zich te nemen als een zwaren last,
De liefde in plichten, in een diepe kast
't Zuurverdiend geld te bergen, niet te jammren
Wanneer vischvangst mislukt, hooioogst bederft,
Het schip vergaat, het vee in stuipen sterft;
Argloos te leven als zeehonden, lammren
Die op de strandwei soms elkaar ontmoeten,
Elkaar besnufflen met arglooze snoeten.

 

Terug naar overzicht

Dorpsbegrafenis

Prosper van Langendonck 1862 - 1920)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ter kerke, omdreund van doodsklokgalmen,
Rijst voor het heimvol hoogaltaar,
Waar wierook walmt en psalmen klinken,
Een zwartbefloerste dodenbaar.

Droef knielend om het lijk huns makkers,
Die 't werken staakte, vóór de tijd,
Herdromen de ingetogen boeren
Zijn rusteloze levensstrijd.

Zijn kindren, tot ter dood bevangen,
Ineengezonken van de smart,
Valt ieder vers der rouwgezangen
Gelijk een hamerslag op 't hart.

Wijl 't dies irae de bazuinklank
Der ijzingvolle tonen plangt,
Die merg en beenderen doorsiddert
En d'adem uit de boezem prangt.

Doch 't snerpend treurgezang vermildert
En spreekt, aan 't smeltend kinderhart,
Van balsem voor de diepste wonden,
Van hemeltroost in de aardse smart;

En uit die zee van angst en lijden,
Wanhopig golvend af en aan,
Is hartversterkend, zielverheffend,
Een jubelzangtoon opgegaan:

"In Paradisum...", 't Hart verheldert,
Een weiflend licht schijnt neergedaald.
De kindren voelen 't, dat hun vader
De paradijszon tegenstraalt.

Men draagt de dode buiten 't kerkje
De donkre grafkuil gaapt hem aan,
En de aarde breidt hare armen open
Voor hem, eens uit de aarde ontstaan.

Wie kende ooit hopelozer stonde ?
Daar ligt de waarheid, naar en bloot.
Geen schijn bedriegt, geen droom begoochelt;
't Zegt alles duidlijk: "dood is dood !"

De moed zinkt weg; de knieën knikken
En de ogen breken op de stond
Waar, van de draagbaar afgeschoven,
De doodkist neerdaalt in de grond.

O 't dof gebons der vallende aarde,
Weerschokkend in het broos gemoed !
O 't hooploos huilen van de kleinen,
Dat aller tranen vloeien doet !

De laatste bede wordt gesproken,

Een kruis op de effen terp gedrukt,
De moedloos neergezonken kindren
Van vaders grafsteê weggerukt.

En, op het treurig veld der doden,
Waar meenge rouw ging overheen,
Blijft, thans verlaten, straks vergeten,
De moede werker nu alleen.

En zie, 't is lente ! - Nevens 't kerkhof
Ligt de akker glanzend in 't verschiet,
Waar 't door zijn hand gezaaide koren
Reeds welig door de kleien schiet.

Daar was het eng toneel zijns levens.
Daar heeft zijn zweet, als uit de lucht
De dauw des hemels, mild gedroppeld,
De erfelijke grond bevrucht.

Bij morgenrood en avondschemer
Is daar, al zwoegend, immeraan
De akker liefderijk omvangend,
Zijn lange schaduw rondgegaan.

En 't koren dat hij zelf er zaaide,
Een andre zal het rijpen zien;
Een andre zal de sikkel zwaaien
Op 't maatgezang der arbeidsliên.

Toch zal hij sluimren zacht en dromen,
Bij 't wiegend reuzlen van het graan.
Zijn geest nog zal het werk bestieren,
Zijn adem over d'akker gaan;

En dubbel zalig zal hij wezen
Zo de aarde, met zijn zweet gedrenkt,
Zijn kindren lief haar wondre schatten
Met moederlijke mildheid schenkt.

Terug naar overzicht

Drij blommen

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Zeg, kerels en kent ge dat stekelig kruid

Der distels ?-dat roeit er geen sterveling uit.

't Is 't kruid van de wegen, 't is 't kruid van de gracht;

Maar zacht is de blomme, die paars er op lacht.

Zo groei onuitroeibaar de struik van uw taal,

Met blommen van dons en met blaren van staal.

'k Had geren wat zachters voor Vlaanderen gekozen,

En 'k wene

Maar 'k vond er geen rozen,

Geen ene.

 

Gij volk van verlangen, dat zingt en schalmeit

Hoog boven uw armoe, hoog boven de tijd;

Dat lijdend en lachend ons Vlaanderen lieft,

Al heeft men er nimmer uw harte gegriefd,

M'n ziel heeft in stilte u een blomme gewijd,

Die, rood van illusie, in 't wilde gedijt;

De vonken van Vlaanderens korens en klavers,

 

Die 'k noeme:

Scharlaken papavers,

Uw roeme !

 

Papavers.. uw dromen, en distels.. de daad !

Ge moogt ze niet scheiden ! 0 zaait er hun zaad

op Vlaanderens wegen, al zijn ze beslijkt,

Tot boven ons gouwen een regenboog prijkt !

Het mag u niet deren, wat laf men u zegt;

Wij weten uw liefde, uw lijden, uw recht !

We lieven ons kerels, de stoeren, de koenen.

De trouwen,

Wij, Vlaamse pioenen...

Wij, vrouwen !

Terug naar overzicht

Droeve gebeurtenis

(Cornelis Paradijs (pseudoniem van Frederik van Eeden) 1860 - 1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ach, Truitjen ! wat een groote schrik,

Hoezeer ben ik ontsteld !

Gij wachttet, ijs'lijk in uw schik,

Het tiende, welgeteld.

 

De naam bedacht, het wiegje klaar,

De mutsjes net en klein;

Doch God bezocht ons bang en naar,

Het heeft niet mogen zijn.

 

Nog eer het wichtje was volgroeid,

Ontwonden uit uw schoot,

Hebt hij u wat te veel vermoeid...

En 't arme schaap ging dood.

 

Nog voor ik 't lieve wicht ontving,

Nam God het weer terug,

En onze tiende lieveling

Ontviel ons, ach ! te vlug.

 

Toch ben ik dankbaar, als ik zing,

En is 't mijn dank niet waard ?

Wát vrucht er ook verloren ging,

De godsvrucht bleef gespaard !

Terug naar overzicht

Droom-vrouw kom !

(Marie Boddaert 1844 - 1914)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Droom-vrouw, kom !
Droom-vrouw, kom !
En draag mijn kleine
In je armen, de rozereine;
Draag mijn kleine
Die slapen wil
Naar je droomhof
Manestil.

Kleine sterrekindren gaan
Met hun lichtjes al vooraan,
Openen de blauwe dromepoort,
Zorgen dat niets mijn kleine stoort.

Maar schuift op haar venster zacht;
Roomblanke roosjes houden er wacht;
Maanlichte klokjes op zilvrige stelen
Zullen er fijntjes voor hen spelen.

Windvlugge elfjes, diedeldomdein,
Wiegen zijn wiegje op dromerig refrein.
Zullen er gouden laddertjes maken,
Die tot aan de hemel raken;

Daarlangs komen de engelijn
Die zo graag met mijn kindje zijn
Komen, als vlucht van sneeuwen duiven
Op rozepootjes, met vleugelwuiven.

Voor maan’s gouden vensterraam
Scholen ze al hun kopjes saam;
Hebben hun vleugeltjes klaargeleid,
Wachten nog maar op de juiste tijd.

Suja, suja, diedeldomdeine,
Droom-vrouw ! kom
En vlij mijn kleine
Vlij mijn kleine….
Die slapen wil….
In je droomhof….
Manestil.....

Terug naar overzicht

Drukker

(sneldicht van Const. Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Mijn drukker leeft in droeve druk;

Want 't drukken drukt hem weinig druk:

't Waar geen bedrukte drukker,

Viel 't drukken maar wat drukker.

Terug naar overzicht

Duif en sperwer

(P. Louwerse 1840-1908)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

"Mijn God", zo sprak de duif, "is innig zacht,
Heeft donzen wieken, en bemint ons allen;
Almachtig, heerst hij over duizend-tallen
En houdt op ieglijk duifje trouwe wacht."

De sperwer sprak: "Mijn God heeft vlucht en kracht,
En kan op eens uit hoger luchten vallen,
En die Volmaakte laat een juich-kreet schallen,
Wanneer zijn schone neb een doffer slacht."

Zo keven zij; de een riep: "Gij lastert God"
En de ander: "Gij zijt dom" - "Gij wilt mij krenken" -
- "Godloochenaar ! - Gij drijft met God de spot !"

Een uil, vol wijsheid, zag ik stilte wenken;
Die sprak: "Verdraagt elkaar, en weest niet zot,
Daar wij ons, allen, God met vleugels denken."

 

(Neb = snavel)

Terug naar overzicht

Duizend en een nacht

(J.H.Leopold 1865-1925)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zij kwam en droeg een wat melkwit en -zacht

en hare ogen waren ingevangen

in mijmering; de rozen harer wangen

zegenden Hem, Die ze had voortgebracht.

En ik: gij gaat voorbij en ziet mij niet,

terwijl dat ik mij geef in uwe handen

als het gewillig lam der offerande,

dat zelf zijn gorgel aan de slachter biedt.

En zij: laat af van spreken en geniet

des Scheppers gave in stilte van bezit;

wit is mijn lijf en wit is mijn gewaad,

wit mijn gezicht en wit mijn levensdraad

en dit is wit op wit en wit op wit.

 

Zij kwam en droeg een stromend vlammenkleed

rood als haar hoogmoed zonder mededogen

en ik riep uit verwonderd en bewogen:

gij, die u blanker dan het maanlicht weet,

hoe durft gij komen met een wangenpracht,

waarop de druppels onzes harten tronen,

en met het trots satijn der anemonen !

En zij: de morgen leende eerst zijn dracht,

nu werd de middagzon mijn bondgenoot;

rood zijn mijn wangen, rood het bloedsatijn,

rood is mijn mond, rood de gedronken wijn

en dit is rood op rood en rood op rood.

 

Zij kwam en droeg nachtzwart een slippenkleed

en sloeg haar ogen afwaarts van mijn schande

en ik: ziet gij dan niet, hoe mijn vijanden

uitbundig zijn over mijn diepste leed ?

O nu besef ik al mijn wanhoopssmart !

Zwart zijn uw ogen en zwart zijn uw haren

zwart is uw kleed, zwart zijn mijn levensjaren

en dit is zwart op zwart en zwart op zwart.

Terug naar overzicht