(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik kom uit mijn
dorpje: ik kom om wat brood;
Ik dool door het slijk en de slibber der straten;
Mijn kleed is gescheurd en mijn voeten zijn bloot;
Mijn moeder is krank en mijn vader is dood:
Wij schreiden zo luid, maar het mocht ons niet baten.
Heb meêlij, heb deernis, mijnheer en mevrouw !
Och, sluit niet uw oren zo koel voor mijn klagen:
De nacht is nabij, en ik bibber van kou;
Mijn moeder is krank van gebrek en van rouw;
Och, geef mij wat brood: ik zal nooit u weer vragen.
Neen, noem mij niet lui, niet vrijpostig en stout;
Ik zou wel zo graag leren breien en spinnen !
Reeds sprokklen mijn broertjes ons vlijtig wat hout;
En, zijn ze eens - als ik nu - groot en zo oud,
Dan zullen zij werken en eerlijk wat winnen.
Och, moest gij eens, rijken, zo keurig gekleed,
Zo kostbaar gevoed ! onze ellende ervaren;
Des winters zo naakt en des zomers bezweet,
Gaan bedelen langs straat om een dronk en een beet !
Och, moog er u God toch altoos voor bewaren !
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De Knaap:
Hondje, zit op !
Stil met de kop,
Recht met het lijf,
Houd u nu stijf.
't Buikje vooruit,
Braaf, kleine guit !
Kijk mij nu aan;
Zo, wél gedaan !
Hondje:
Ach, moet ik al leren, en 'k ben nog zo klein;
Ach, laat mij met rust, tot ik groter zal zijn.
Knaap:
Neen, hondje ! 't is best, dat gij nu al wat doet;
Want zijt gij wat groter, dan gaat het niet goed.
Het hondje leerde nu met vlijt
En kon ook, na een korte tijd,
Flink op zijn achterpootjes staan
En zo rondom de tafel gaan;
Ook sprong het in de waterplas
En haalde wat verloren was.
Het knaapje had daar vreugde van,
Leerde ook en werd een kundig man.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De koopman zit
op zijn kantoor en somt
Bij 't walmend licht der lamp de winst van 't jaar;
Hij telt zijn posten preevlend bij elkaar
En cijfert, tot zijn rug zich dieper kromt,
Als de balans
niet sluit. Hij peinst en gromt,
Half-binnensmonds en met verstoord gebaar
Telt hij opnieuw, ontstemd om 't zoeken naar
Een cijfer-cent, die niet te voorschijn komt.
En ... ! zijn
winst vergeet hij, niet tevrêe
Vóór 't vinden van het cijfer van een cent,
Zijn kast is vol met hoopen klinkend goud;
Ik ben
bevreesd, dat ik soms óók zoo deê,
En centen-cijferend mij heb ontwend
't Gouden geluk te zien dat 'k overhoud.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De krekel
sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was,
Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door 't gras
"Ik vrolijk je wat op," zei hij. "Kom, luister naar mijn lied."
Zij schudde nijdig met haar kop: "Een mier die luiert niet !"
Toen na een
tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op.
Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop.
Doorkoud en hongerig kroop hij naar 't warme mierennest.
"Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest
Van deze barre
winter. Ik betaal met rente terug,
Nog vóór augustus, krekelwoord en zweren doe 'k niet vlug !"
"Je weet dat ik aan niemand leen,"
Zei buurvrouw mier toen heel gemeen.
"Wat deed je
toen de zon nog straalde
En ik mijn voorraad binnenhaalde ?"
"Ik zong voor jou," zei zacht de krekel.
"Daaraan heb ik als mier een hekel !
Toen zong je en
nu ben je arm.
Dus dans nu maar, dan krijg je 't warm !"
Wie leeft van kunst gaat door voor gek.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Zoals de
wijnrank om zijn buur de olm zich slingert
en om de hoge eik
zijn lange armen slaat de kronkelende wingerd,
Neaera, als je kunt,
kruip zo op naar mijn hals met strengelende armen,
Neaera, als ik kon,
dan zou ik met zo’n band jouw blanke hals verwarmen,
in kussen voor altijd.
Dan zou mij noch de zorg om drinken, noch om eten,
noch zoete slaap, mijn lief,
ooit van je rode mond de laafnis doen vergeten,
maar in gedeelde kus
zou één tocht van het veer de twee gelieven varen
naar ’t vale huis des Doods.
En weldra zouden wij door geurige velden waren
met eeuwig voorjaarsweer,
waar samen edele heroën en heldinnen
in beurtzang en in dans
volgens antieke wijs elkaar eeuwig beminnen
in ’t groene mirtedal,
waar tussen rozen en viooltjes en narcissen
het lauwerbosje met
zijn schaduw trillend speelt en lauwe Zefiers sissen
in blijde fluistering
voortdurend, en de grond ook ongewond door ploegen,
zijn overvloed uitschenkt.
Dan zou de hele schaar der zaligen zich voegen
bij ons en op een bank
van zoden zouden wij naast oude dichters zitten.
Geen enkele minnares
van Jupiter zou jou je ereplaats betwisten,
noch de schone Helena.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De kus waart
door het huis
Het is er niet pluis
Papa die kust Mama
Mama die kust haar vriendje
Het vriendje dat kust Dientje
Als zij hem opendoet
Hij repeteren moet
En Dientje kust weer de koetsier
En die kust weer de kamenier
En die kust weer de huisknecht
Die 't niet de tweede meid zegt
Die laat hem niet met ruste
Omdat hij haar eerst kuste
Dan kust ook voor 'n pleziertje
De freule 't palfreniertje
De jonker met te veel gevoel
Kust onversaagd de hele boel
O ja, die 'k nog vergeten had
Is Grootmama. Die kust de kat
De kus waart door het land
Ten alle kant
Een kussen gaat alom
Een dart'len en een strelen
In tint'lend liefde-spelen
Kust zonneschijn het land
De golven 't blonde strand
Het windje kust de bomenkruin
Het helm buigt strelend over 't duin
En door de bloemenweien
Gaan kussend tal van bijen
En 't zacht insektenzoemen
Gaat kussend langs de bloemen
Een mensenkus, o jeetje
Is 'n schamel, mal ideetje
In Genesis zo duur betaald
Nu schroom'lijk naar benee gehaald
Als Adam kon, dan gaf hij vlug
Voor 't Paradijs zijn kus terug
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Reeds is het
statig eiber-paar gekomen,
't geduldig rijs wringt stil de knoppen los,
de zoele lente luwt door 't zonnig bosch
en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.
Violengeur stijgt
op uit vochtig mos,
een bronzen gloed veerjongt de dorre boomen,
en primula's en dotterbloemen zoomen
de groene wei met gouden voorjaarsdos.
Wat heb ik, milde
! naar uw komst gesmacht !
wat scheen uw toeven lang ! -- is 't niet mijn leven
dat door uw donzen adem wordt gewekt ?
Eens zult ge niet
meer keeren, als ge trekt,
des weerziens zaligheid mij niet meer geven
en grimmig grijnst dan d'eindelooze nacht.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Een
avondtoneeltje
Niets verbrak de zwoele stilte dan het nedersijplend nat
Van de vers gevallen regen;
Alle vogelkoren zwegen
In 't zacht druppelende lover langs ons eenzaam avondpad,
En de lijster schudt haar vlerkjes,
Droogt zich op de dorre rank,
Maar weerhoudt alsnog de tonen
Van haar schelle avonddank.
Helder lichtblaauw kleedt de hemel, met een witte glans vermengd.
Alle wolkjes zijn verdwenen;
't Daglicht heeft haast uitgeschenen;
Alles groent met frisse tinten, straks nog door de zon gezengd.
Mina! Mijd de kleine plasjes,
Die er ruisslen voor uw voet!
Zet wat minder wufte stapjes,
Dan gij wel gemeenlijk doet!
En nu sloegen wij de blikken naar 't doorschijnend wolkazuur.
God! Wat wonder! 't land met schoven,
't Groene bos zien wij daar boven,
Heel het landschap afgespiegeld met zijn kwijnend avondvuur.
Rundren weiden aan de hemel,
En langs zijn verlichte tin
Voert het paard de kar met garven
Rustig de open staldeur in.
En, haar blikken zacht beneveld door een wemelende traan,
Staart zij, in de ziel bewogen,
't Wonder aan van 's Hemels bogen.
"Mocht, dus zegt zij, 't heerlijk schouwspel in geen wolkjen ons ontgaan!
Maar al trekt ook 't aardse landschap
Aan des hemels trans voorbij,
Aarde en hemel smolten samen,
En dit smaakte ik aan uw zij."
Lieve! al wijkt in vorm en verwen de aarde van de hemel af,
Ik zie weer de hemel dalen
En in volle reinheid stralen
In de blauwe, smachtende ogen, die de goede God u gaf.
En wij drukten ons de handen,
En, in zoet gepeins verward,
Voerde 't paadje ons spraakloos verder
Met de hemel in het hart.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Daar buiten, waar
de herder 't vee
Reeds naar de stal geleidt,
Is aan het effen luchtgewelf
Een grauwend kleed verspreid,
Dat alles, wat het land mocht tooien,
Omwikkelt in zijn brede plooien.
En boven trilt op 't bevend blad
Nog 't stervend avondgoud,
Maar 't rijzend maantje strooit zijn glans
Met handenvol door 't hout,
Dat ons de paden, droef en donker,
Beschildert met zijn lichtgeflonker.
Neen! 't Is geen dwarlende avondwind,
Die door de blaadren streeft,
Waardoor, met teder licht bespat,
En tak en lover beeft;
Gewis! 't zijn wreemlende Elvenscharen,
Die door het dicht geboomte waren.
Zij hipplen, tripplen op en neer,
En schommlen in het blad;
Zij dalen langs de stammen af
En dartlen op mijn pad,
Als of ze in mengeling van lichten,
Hun dartle rondedans verrichten.
Ik dool in een betoverd bos,
Waar een onzichtbre hand
Figuren in verscheiden vorm
Schetst op de loverwand;
'k Zie vooglen door de blaadren dwalen,
Hun vederdos van zilver stralen.
Ver achter gindse donkre stam
Zie ik een hinde staan;
Daar schrikt me een zilverblanke slang,
Die schuifelt op mijn paân;
Er zucht een koeltje om mij henen,
En alle vormen zijn uit énen.
Maar eensklaps straalt het weer in 't bos
Op ieder blad en tak,
Als dwaalden duizend sterren neer
Van 't hoge hemelvlak;
'k Sta in een tempel vol van glanzen,
Die aan de donkre wanden dansen.
Zou hier in 't bos 't betoverd slot
Der schone slaapster zijn,
Er sluimrend op het mollig dons
En kussens van satijn,
Daar honderd luchters om haar blaken,
Tot dat zij blijde zal ontwaken?
Kom, nadere ik met zachte tred,
En wat mij 't toeval biedt,
Het kalme schoon der frisse maagd
In sluimering bespied!
Dat boezemrijzen en weer dalen
Stil op de maat van 't ademhalen!
Een zwarte wolk
befloerst de maan;
Met ritselend geruis
Stort ijlings het gebouw in één
Met gevelspits en kruis,
En heel 't begoochlend lichtgetover,
Is in zijn wondre flikkring over.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De mensen van
voorbij,
ze blijven met ons leven.
De mensen van voorbij,
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemen, geuren, in een lied,
dat opklinkt uit verdriet.
De mensen van voorbij,
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij,
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen;
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij !
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Hij sprak en
zeide
In 't zaêl zich wendend:
Vaarwel, o moeder,
Nooit keer ik weer...
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.
Sprak geen vervloeking...
Doch, bijna blijde,
Beval de maagden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug neer.
En toen, na jaren,
Melaats, een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zoon keert weer...
Zag zij hem aan en
Vond gene tranen,
Voor zoveel vreugde geen tranen meer.
(met dank aan Joke van Boven voor het sturen van de tekst)
Als ik 's
avonds uitgekleed,
Op mijn legerstee toetreed,
Zie ik over t plafond de ruggen,
Van een leger snelle muggen.
‘k Haal een trapleer uit de schuur,
‘k Neem een doek en heel secuur
Weet ik ze één voor één te raken,
Zodat hun ribbenkasten kraken
En de lijken op de grond
Zich verdringen in het rond.
Zo, ’t vee is dood, nu kan ik slapen,
Onbevreesd lig ik te gapen.
Op de grond slechts, ligt er één
Nog te wuiven met z’n been.
‘k Trap hem fijn, kruip er weer onder,
Ja dat gezoem heb ik zonder
Twijfel in mijn droom gehoord.
Maar die oer vervelende mug
Komt telkens weer bij mij terug.
Zo kan ik m’n kamer niet sluiten,
Of alles met gif dood te spuiten,
Of het doemt weer op uit de nacht
En kust mij onzacht.
Ik heb een dagmasker gedragen,
Gebaad in azijn, alle dagen.
Ik heb de hele nacht liggen roken,
Diep onder de dekens gestoken,
Maar toch als ik 's morgens ontwaak,
Vind ik op mijn mond, mijn neus en mijn kaak,
De bloedige sporen terug,
Van die vervelende mug.
En nu, ten einde raad, ga ik een prijsvraag uitschrijven,
Hoe kan ik dat monster verdrijven,
Hoe breng ik hem het vlugst aan z’n end ?
Wie het wint, krijgt zijn lijkje present !
(met dank aan Jeanne Albers
voor het sturen van de tekst)
De netten van
de spin, die in de vensters hangen,
En kunnen maar alleen de kleine muggen vangen:
De wespe met de bij, en al wat hoger zweeft,
Maakt dat het broze rag op hen geen vat en heeft.
Wat kan een
moedig hart zijn goede weg beletten ?
Al wat de wereld spint en zijn maar boze netten.
En acht, o waarde ziel ! en acht geen losse waan,
De wind verstrooit het kaf, maar niet het wichtig graan.
(met dank aan Jeanne Albers
voor het sturen van de tekst)
Zwijgend
taxeert de boer den knecht !
Armen en beenen lang en pezig;
Groothandig; borstkas iets te vleezig;
De schouders knoestig; scherp en recht.
De kop, met, als een vrieslucht fel,
Blauwe oogen; neus smal; haren hel;
Ooren ver van het hoofd gebogen;
En door de lippen, dun en rood,
Wordt zo wild adem ingezogen,
Dat 't bloed hem naar de wangen schoot.
Hij wees het span en zeide: ploeg !
De jongen, met een kort zacht tjoeken,
't Was of hij streelde en of hij sloeg,
Bedwong de ruinen èn het veld.
En ziende dit gerecht geweld,
Begon de boer voldaan te roepen.
En vreugdevol en vast besloten
Klapten hun handen in elkaar.
En eensgezind heeft 't zwoegend paar
Het moeizaam akkerwerk genóten.
(met dank aan Jeanne Albers
voor het sturen van de tekst)
Zie Keesje !
deze doode mug
Vloog nog zo even blij en vlug
Maar 't is door onbedagtsaamheid,
Dat hij nu dood op tafel leit.
Hij had in 't kaarslicht zulk een zin,
En vloog er onvoorzichtig in.
Nu ligt hij daar: maar 't is te laat.
Er is voor 't mugje nu geen raad.
Hij werd bedrogen door den schijn.
O ! Laat ons dit tot leering zijn,
Dat, eer men iets gewigtigs doet,
Men zich wat lang bedenken moet.
Eén uur van onbedagtsaamheid
Kan maken dat men weeken schreit.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Wat is 't me een
zoet genoegen, dat
de ervaren hand de toetsen duwt
en, over 't juublend elpen blad
de volle jacht der klanken stuwt;
wanneer ik elke noot ontmoet,
met wisse slag op vaste maat,
op iedre klop van 't drijvend bloed
een toon van 't klankbord wederslaat.
Doch voller is 't genoegen, dat
mijn ziel met 't speeltuig samenzingt,
haar leven, - schuw geborgen schat -
in klanken naar mijn lippen dringt,
dat fors en lenig en gedwee
klinkt hoog en laag mijn stemgeluid
met zware en lichte noten mee
en boven 't dreunend orgel uit.
Hij spelen ! - wie niet elk akkoord
van 't orgel in de gorgel springt,
die niet tot ieder menslijk woord
de brede stem van 't orgel dwingt !
Hij zingen! - wie de stem beeft en
die, zwak of stram of moegestreefd,
geen orgel in de keel heeft en
geen ziel, die in dat orgel leeft !
Vertrouwend laat ik 't speeltuig gaan,
in hope blij, in angsten bang,
triomfen dreunen, vreugde slaan
en liefde smelten in mijn zang.
Mijn voet is vast, mijn vingren snel,
en 'k weef om 't ruisend koorgewelf,
de luister van mijn orgelspel,
mijn zielespel... mijn ziele zelf...
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
“Geef”, sprak de
pauw “gij raaf, purperroode brozen (1),
Zij passen bij mijn fraai met goud doorstikt gewaad:
Ge ontstalt ze in mijn slaap en ‘k zag den dageraad
Sinds daaglijks over mij om ‘t vuile schoeisel blozen,
Dat bij uw kleeding voegt, maar bij mijn dosch misstaat.”
“Vooral niet”,
zei de raaf,” ik weet van geen ruilen;
Doch had gij de misslag plaats, zoo heeft ze plaats in ‘t kleed.
Geef gij me uw veedrenpronk waarop ge u dus vermeet;
Mijn laarzen passen aan mijn voeten; u , die vuilen,
Waarmee ge in zotten praal op mest- en vuilhoop treedt.”
De schildpad zat
dien twist eerst zwijgend aan te hooren,
Doch eindelijk roept zij uit:”De raaf heeft groot gelijk;
De hoogmoed stelt niet slechts hetgeen hij heeft te prijk,
Maar heeft natuur aan elk zijn eigen deel beschoren.
Die rijk is wil altijd nog rijker zijn dan rijk”
(De Schoolmeester, pseudoniem van de
Nederlandse dichter Gerrit van de Linde 1808 – 1858)
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Louw, die een
rijke fokker was
En in zijn echt door 's hemels zegen
Twee wakkre zonen had verkregen,
Waarin men 's vaders beeltnis las,
Liet dus zich aan zijn wijfje hooren:
"Mijn Maartjelief ! mijne uitverkoren !
"Wat zullen wij met Krelis doen ?"
"Jij weet, wij hebben rijklijk poen,
En, om van hem een boer te maken,
"Dat zijn gewis te slechte zaken."
"Dat 's waar," zei Maartje, "hij is kangt
En heeft een overgroot verstangd." -
Juist kwam, in 't voeren van dees reden,
De heer van 't dorp naar binnen treden,
Dien vroegen zij terstond om raad,
Wat best te doen met Krelismaat ?
Hij sprak: "Ik liet hem wis studeeren !"-
"Fiat! studeeren," zei de boer:
"Wie weet, wat hij kan worden, moêr !
En hoe men hem zal rispecteeren!"-
"Voorts," zei het heerschap: "volgt mijn raad:
Indien gij hem studeeren laat,
Moet hij de wijsbegeerte kiezen,
Daar kan men nooit iets bij verliezen,"-
"Wat's dat?" vroeg Louw: "ei, zeg het mij!
"Is dat niet, spreek, philosophij?" -
"Ja, Louw ! dat hebt gij net geraden,"
Was't antwoord: "'k weet geen beter zaak,
Noch die men leert met meer vermaak,
En die den geest meer kan verzaden."-
"Men zoekt straks naar een schrander man,
Daar Kees die kunst van leeren kan.
Hij gaat van huis, om in die zaken
Zich kundig en beroemd te maken.-
Na één jaar afzijns komt hij weer,
Bezoekt zijn moeder en zijn vader;
Elk op zijn beurt omhelst hem teer."
Louw zegt in 't eind': "Mijn zoon, kom nader !
Zet u aan tafel naast mijn zij.
Wat zijn wij thans vernoegd en blij !
Laat ons wat van jouw wijsheid hooren,
Het zal ons zekerlijk bekoren:
Philosopheer wat met ons, Kees !
Jij weet, dat ik al hiel veul lees."-
"Dat's waar," sprak Kees: "maar 't u te zeggen,
En 't philosophische uit te leggen,
Daarin wordt nooit uw wensch vervuld,
Dewijl gij 't niet begrijpen zult."-
"'k Zal wel," zei Louw, "wil maar beginnen,
Ik luister toe met al mijn zinnen."
Kees zag een bord met eiren staan,
(Drie was 't getal,) en ving dus aan:
"Ei, vader ! wil mij eens ontvouwen
't Getal der eiren, die we aanschouwen ?"-
"Wel, jongen !" sprak de boer, "wel, drie"-
"Abuis! want mijn philosophie
Ontdekt mij, dat er vijf zijn, vader."-
"Loop, loop, verklaar mij dat wat nader,
Want, of mijn oog bedriegt mij zeer,
Of drie, drie zijn er, en niet meer."-
"O neen," sprak Kees, "gij zijt bedrogen:
Ik zie met philosophische oogen.
Maar antwoord mij op mijne beê:
"Waar drie zijn, zijn er daar geen twee ?"
"Wel vast," zei Louw, "dat kan niet missen;
Daar kan geen mensch zich in vergissen."-
"Welnu, is drie en twee geen vijf ?"-
"O ja, mijn zoon ! dat 's buiten kijf.
Ik heb de philosoofse knepen,
Versta je 't ? nou al klaar begrepen."-
Straks grijpt hij 't bord met eiren aan
En zegt: "Zie, of wij 't ons verstaan.
"Dút ei is, vat je 't? voor jouw moeder,
"Dút is voor mij, dút voor jouw broeder:
Eet jij nou met jouw wijzen kop
De philosophische eieren op."
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De meester zegt:
"Geef aan de schaal
De bocht van 't brood; waartoe een fraai bokaal,
Als toch de drinknap in haar holle hand
Lessing genoeg voor elke dorst omspant ?
Vergun tot enig sieraad uwe kruik
De gulle welving van een gladde buik.
Zwaar is het leven, ernstig; bloed en zweet
Proeft ge aan haar gaven als ge drinkt en eet;
Zorgt gij dat, in een soobre vorm geprangd,
Het simpelst vat die bittre vrucht ontvangt."
Maar, zo ik voor mijn venster zit en werk,
En, in de lijst van 't raam mij veld en zwerk
Verrukken door hun machtig schilderij, -
De madelieven flikkren in de wei,
Zwaluwen slieren arabesken snel
Van wolk naar wolk, uiteen vouwt de kapel
't Mystiek wonder van zijn tekenschrift,
Met diamant, op saffier gegrift, -
Dan beeft mijn vinger, wijl de draaischijf snort,
Het blinkend nat over de leemklomp stort,
En onbewust druk ik de weke klei
Tot kelken, lijk de bloemen in de wei,
En rank en pooprend zwelt omhoog de tuit,
Of daar een vogel opwaarts wiekt en fluit;
In 't zwierig lijnspel dat ik mijmrend trek
Fladdren de vlinders met hun stom gesprek,
Terwijl ik eindlijk op mijn fijn penceel
De blauwe schemer van de hemel steel;
En eerst als gaaf het kunstwerk voor mij staat,
Ach, denk ik aan de meester en zijn raad.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Durf te leven !
kwel u niet
Met te veel gedachten,
Werk uw werk en zing uw lied
Onder blij verwachten !
Vroom en vroolijk, frisch en vroeg
Met de zonne wakker,
Strek uw handen naar den ploeg
Op den grooten akker !
Blik in 't rond, doch wijd uw vlijt
Niet aan 't spekuleeren;
Vriendje hebt ge zooveel tijd
Tot filozofeeren ?
Mooi ! zoo komt ge juist van pas
Voor een tal van zaken;
Is nog schoon te maken !
Denken doodt en doen verlicht !
Op ! de mensch moet handlen;
Niet staêg met bedrukt gezicht
Als in droomen wandlen !
Kracht, gezondheid, raad en baat
Voor uw zielenooden,
Is in d' arbeid, in de daad
U van God geboden !
Werk en min, ziedaar de troost !
Bouw een huis op aarde !
Leef en streef voor gade en kroost !
Kweek de schoone gaarde !
Menig nokkend filozoof
Wien zijn huis bekeerde
Tot echt-menschelijk geloof --
Dat zijn kind hem leerde !
Wie, uit liefde, een heilgen plicht
Hart en hoofd wil geven,
Zal zijn God en vrede en licht
Vinden in het leven;
Meer dan hij die, suf en sip,
Dag en nacht blijft zoeken
naar een r e e d l ij k G o d s b e g r i p
In de nieuwste boeken !