SeniorPlaza

De kamerjacht

(Jacob van Oosterwijk Bruyn  1794-1876)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een jonker, jager in zijn hart, moest tot zijn smart

Zijn have en erf verkoopen

En al zijn bosschen en kasteel, geheel

Zien slechten en zien sloopen.

 

Maar ’t geen hij ’t zwaarst te missen vond

Zijn trouwen hond, en schellen jagershoren,

Nam hij met zich als laatste schat, naar stad

't Verblijf door hem verkoren.

 

Daar las hij voor een gevel muur

Hier zijn te huur, gemeubelde vertrekken

En aanstonds was de jonker klaar

Om daar zijn leden neer te strekken.

 

En ziet de kamer waar hij kwam

En intrek nam, heeft hij wat vreugd gevonden

Behangen met een grooten jacht. Vol pracht

Met herten en met honden.

 

En eensklaps blaakte nu zijn bloed,

In feller gloed, zijn hart sloeg zwaarder slagen

En in zijn boezem, had de wensch. Geen grens.

Om als weleer te jagen.

 

En tienmaal liep hij op een draf.

De kamer af. En deed den horen schallen

En dacht te jagen als hij plag. En zag

De vluggen herten vallen.

 

En naast hem liep zijn trouwen hond.

De kamer rond om tegen het wild te blaffen,

En wouw zich even als zijn heer. Thans weêr

Het jachtvermaak verschaffen.

 

Maar uit de kamer boven hem

Kwam nu een stem. Wilt gij dat leven staken

Nog nimmer was hier zoo ’n geruisch in huis,

Gij zult mij razend maken.

 

Maar ’t antwoord, dat de jonker gaf

Wees ’t aanzoek af. De jagt kan mij behagen,

En ’k wil hier sprak hij, steeds gerust

Met lust, en onverhindert jagen.

 

Hij stak nog eens den horen op

Liep in galop, de kamer heen en weder

En naast hem sprong zijn hazenwind

Gezwind. Al blaffend op en neder.

 

Maar door de dunne zolderplank

Sinds jaren krank, Voelt hij een droppel dalen

’t Was water, dat van boven vloeit en groeit

Van droppelen tot stralen.

 

Maar hoe hij vloekte hoe hij riep

Het water liep. En drong in al de hoeken

En onze jonker ging vol spijt en nijd

Zijn bovenbuur bezoeken.

 

Daar vond hij dat een waterplas

Gegoten was de bron van al dien zegen

Zijn buurman echter was er hoog en droog

Een tafel opgestegen.

 

Die zat daar met een hengelroê

En riep hem toe, ik wil dit vermaak

Niet missen. Elk doe hier vrij het geen hem

Behaagt. Gij jaagt laat mij onverhinderd visschen.

Terug naar overzicht

De kapitein en zijne moeder

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Mijn dierbare dochter, als de haan

Ons morgen uit den slaap zal wekken

Laat ons alras reisvaardig staan

Wij zullen ver zeer verre gaan

En 't regiment voorbij zien trekken

 

Zij keren roemrijk uit den slag

Na jaren afzijns, en uw broeder

Dien ik door 't lot mij onttrokken zag

Zal ons omhelzen als hij plag

En troosten zijne bedrukte moeder

 

En 's morgens vroeg voor zonsopstand

Eer al 't gevogelte nog was wakker

Zo gingen zij door heide en zand

De moeder aan haar dochters hand

Twee schamele vrouwen langs den akker

 

Zij gingen uren uren wijd

De moeder stram en traag van voeten

De dochter huppelend aan haar zijd'

Doch beiden in hun ziel verblijd

Met hoop die alles kan verzoeten

 

Zij kwamen eindelijk aan den voet

Eens heuvels bij den weg gelegen

Het meisje klom er op met spoed

Verheug u moeder, o schep moed

'k Zie ginds een stofwolk opgestegen

 

Zij draaide 't hoofd al luisterend om

Mij dunkt ik hoor... of zijn 't de bijen

Die dommelen op de boekweitblom

O neen 't is trommelen van de trom

Daar zijn ze ons heil is te benijden

 

Mijn moeder is 't mij toegestaan

Ik wil zijn roer en ransel dragen

Opdat hij vrij met u mag gaan

Nu dalen ze af tot op de baan

Met harten die van vreugde jagen

 

Daar nadert op gemeten tred

Het regiment met trom en hoorn

Welaan mijn kind thans wel gelet

Laat ons door vrees nog angst ontzet

Met blikken door de rangen boren

 

Dan ach zij trokken al voorbij

En de enige die zij niet zagen

Van al wie wapens droeg was hij

De moeder zeeg van smart terzij

En 't meisje moest de droeve schragen

 

Maar moeder ... zo mijn oog niet mist

Dat kruis van eer, die blote degen

Die ginds de rangen deelt en splitst

De kapitein ... o God hij is 't

Hij ziet erkent ons, vliegt ons tegen

 

En op der vrouwen schel geroep

Van dierbare zoon en dierbare broeder

Zijn duizend ogen uit den troep

Gevestigd op een schone groep

De kapitein en zijne moeder

Terug naar overzicht

De kinderen van Soetewey

(Antwerpse dichteres Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ze vertrekken ter schoole ten haleveracht

Het dorpje ligt ver van 't gehucht

Om 't even of 't lieflijk zonnetje lacht

Voor wind nog voor regen beducht

Met blauw baaien rokjes

En blinkende blokskes

Van 's zaterdags vers gevernist

Zo trekken ze zwijgend

De koppekens nijgend

Door regen door sneeuw of door mist

Dan spreken de boeren gespeeldekens geen woord

De groteren trekken de kleineren voort

Klikkerdeklak zo kloefren de rijen

Op blokskens voorbij op de grauwe kasseien

 

Op grootmoeders neusdoek met kopspeld gehecht

En keurig met bloemen bestikt

De strogele haren heel stevig gevlecht

Met vuurrode lintjes gestrikt

Bol-rode gezichtjes

En ogen als lichtjes

De handekens fris en gezond

Hoe lief en hoe gekjes

Die boerene bekjes

Met koffierandekens rond

Zo stappen ze fier als waren ze rijk

Hun neusdoekje sleept met zijn slippen door 't slijk

Klikkerdeklak zo kloefren de rijen

Op blokskens voorbij op de grauwe kasseien

 

Des zomers dan lopen de jongens voorop

Zij knabbelen aan raap of aan pee

De meisjes die leren hun lessen luidop

De kleintjes die zeggen ze mee

Soms doen ze hun blokjes

En lichtgrijze sokjes

Aan 't oude kapelleken uit

Dan klinkt langs de wegen

Het joelen u tegen

En 't plif pleffend voetjes geluid

Maar zien ze in 't deurgat hun moederken staan

Gauw schieten ze sokjes en blokjes weer aan

Klikkerdeklak zo kloefren de rijen

Op blokskens voorbij lange de grauwe kasseien

Terug naar overzicht

De kinderliefde

(Hiëronymus van Alphen (1746-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Mijn vader is mijn beste vrind;

Hij noemt mij steeds zijn lieve kind.

'k Ontzie hem, zonder bang te vreezen.

En ga ik hupplend aan zijn zij',

Ook dan vermaakt en leert hij mij;

Er kan geen beter vader wezen !

 

Ik ben ook somtijds wel eens stout,

Maar als mijn ondeugd mij berouwt,

Dan wordt zijn vaderhart bewogen;

Dan spreekt zijn liefde geen verwijt,

Ja zelfs, wanneer hij mij kastijdt,

Dan zie ik tranen in zijn oogen.

 

Zou ik, door ongehoorzaamheid,

Dan maken dat mijn vader schreit;

Zou ik hem zugten doen en klagen;

Neen, als mijn jonkheid iets misdoet,

Dan val ik aanstonds hem te voet,

En zal aan God vergeving vragen.

Terug naar overzicht

De kleine bedelaarster

(Hendrik Tollens 1780 - 1856)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik kom uit mijn dorpje: ik kom om wat brood;
Ik dool door het slijk en de slibber der straten;
Mijn kleed is gescheurd en mijn voeten zijn bloot;
Mijn moeder is krank en mijn vader is dood:
Wij schreiden zo luid, maar het mocht ons niet baten.

Heb meêlij, heb deernis, mijnheer en mevrouw !
Och, sluit niet uw oren zo koel voor mijn klagen:
De nacht is nabij, en ik bibber van kou;
Mijn moeder is krank van gebrek en van rouw;
Och, geef mij wat brood: ik zal nooit u weer vragen.

Neen, noem mij niet lui, niet vrijpostig en stout;
Ik zou wel zo graag leren breien en spinnen !
Reeds sprokklen mijn broertjes ons vlijtig wat hout;
En, zijn ze eens - als ik nu - groot en zo oud,
Dan zullen zij werken en eerlijk wat winnen.

Och, moest gij eens, rijken, zo keurig gekleed,
Zo kostbaar gevoed ! onze ellende ervaren;
Des winters zo naakt en des zomers bezweet,
Gaan bedelen langs straat om een dronk en een beet !
Och, moog er u God toch altoos voor bewaren !

Terug naar overzicht

De kleine misdienaar

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Een kleine blonde koorknaap,

Ontsteld en aangedaan,

Kwam uit de mis des 's morgens,

Te huis bij moeder aan.

 

"Nooit moeder", sprak hij wenend,

Met sidderend gebaar,

"Nooit, dien ik pater Petrus

De mis nog, aan 't altaar."

 

"Maar kindlief", sprak de moeder,

"Zeg mij wat vreest ge dan?

Die goede pater Petrus

Is zulk een goedheilig man."

 

"Men zegt dat somstijds eng'len,

In blinkend wit gewaad,

Rondom de pater zweven,

Als hij aan het altaar staat."

 

"Ach moe, gij moest eens weten",

Hernam hij met droeve stem

"Eerst was hij braaf en heilig,

Ik hield zoveel van hem."

 

"Maar hoor wat ik vanmorgen,

Met eigen ogen zag.

Ik zag een schoon klein kindje,

Dat op het altaar lag."

 

"En pater Peter lachte

Het schone kindje toe

En ook het kindje lachte,

Zo lief, zo blij te moe."

 

Toen nam hij het in zijn handen,

En boog zich langzaam neer

Hij bracht het aan zijn lippen,

En ik zag het kind niet meer."

 

"Ik ben zo bang geworden,

Och moeder, nu ik weet,

Hoe die pater Petrus,

De kleine kinderen eet."

 

"Laat me maar bij U blijven,

Want als ik hem nog dien,

Och moeder, 't is te vrezen,

Dan sterf ik ook misschien."

 

De moeder stond bewogen,

Zij drukt haar kind aan 't hart.

"Ach kindlief", sprak ze wenend,

Verban uw bange smart."

 

"Dat kind was 't kindje Jezus,

Uw kleine lieve Heer.

Het daalde alleen uit liefde,

In 's paters harte neer."

 

"Die goede pater Petrus,

Hij is Zijn beste vriend.

Hij bracht het in zijn harte,

Wijl hij het mint en dient."

 

"Ga morgen zonder vreze,

Weer naar de pater heen.

Hij nut geen and're kinderen,

Slechts het Jezuskind alleen."

 

"En als gij groot zult wezen,

En Jezus veel bemint,

Dan komt ook in uw harte

Dat zelfde Jezuskind."

Terug naar overzicht

De kleuren

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Wij zijn de kleuren rijk in pracht

Verblijden ‘t hart met toverkracht
Uit zonnelicht zijn wij geboren

Wat in den herfst ons doet gloren

 

Hoe zou het zonder kleuren gaan

Als niets schoon was op ‘s mensen baan

Wij zijn de pracht van velden en weiden

Van bossen en dalen en ook van de heide

 

Ik ben het klare glinsterende geel

Ik sier het graan dat men gaat zaaien

Ik spreid mijn glans op ‘t rijk juweel

En op de blaân die ‘t herfst komt maaien

 

Ik ben het blauw zo zoet en zacht

In het oog des kinds

Spreid ik mijn glanzenpracht

Ook op de blauwe hemel en de zee met kransen

 

Kom laat ons ook ons lot verbinden

Ik vind u toch zo wonder net

Ik moet u om uw schoonheid roemen

Kom maken we het violet

Oh ! Frisse kleuren

En balsem geuren

Als groen ook lacht

Alles lacht.

Terug naar overzicht

De knaap en het hondje

(J.J.A.Gouverneur 1809 - 1898)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De Knaap:
Hondje, zit op !
Stil met de kop,
Recht met het lijf,
Houd u nu stijf.
't Buikje vooruit,
Braaf, kleine guit !
Kijk mij nu aan;
Zo, wél gedaan !

Hondje:
Ach, moet ik al leren, en 'k ben nog zo klein;
Ach, laat mij met rust, tot ik groter zal zijn.

Knaap:
Neen, hondje ! 't is best, dat gij nu al wat doet;
Want zijt gij wat groter, dan gaat het niet goed.

Het hondje leerde nu met vlijt
En kon ook, na een korte tijd,
Flink op zijn achterpootjes staan
En zo rondom de tafel gaan;
Ook sprong het in de waterplas
En haalde wat verloren was.
Het knaapje had daar vreugde van,
Leerde ook en werd een kundig man.

Terug naar overzicht

De koopman zit op zijn kantoor

(Albert Verwey  1865 - 1937)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De koopman zit op zijn kantoor en somt
Bij 't walmend licht der lamp de winst van 't jaar;
Hij telt zijn posten preevlend bij elkaar
En cijfert, tot zijn rug zich dieper kromt,

 

Als de balans niet sluit. Hij peinst en gromt,
Half-binnensmonds en met verstoord gebaar
Telt hij opnieuw, ontstemd om 't zoeken naar
Een cijfer-cent, die niet te voorschijn komt.

 

En ... ! zijn winst vergeet hij, niet tevrêe
Vóór 't vinden van het cijfer van een cent,
Zijn kast is vol met hoopen klinkend goud;

 

Ik ben bevreesd, dat ik soms óók zoo deê,
En centen-cijferend mij heb ontwend
't Gouden geluk te zien dat 'k overhoud.

Terug naar overzicht

De krekel en de mier

(La cigale et la fourmi)

(Jean de La Fontaine 1621-1695)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De krekel sjirpte dag en nacht, zo lang het zomer was,
Wijl buurvrouw mier bedrijvig op en neer kroop door 't gras
"Ik vrolijk je wat op," zei hij. "Kom, luister naar mijn lied."
Zij schudde nijdig met haar kop: "Een mier die luiert niet !"

 

Toen na een tijd de vrieswind kwam, hield onze krekel op.
Geen larfje of geen sprietje meer: droef schudde hij zijn kop.
Doorkoud en hongerig kroop hij naar 't warme mierennest.
"Ach, juffrouw mier, geef alsjeblieft wat eten voor de rest

 

Van deze barre winter. Ik betaal met rente terug,
Nog vóór augustus, krekelwoord en zweren doe 'k niet vlug !"
"Je weet dat ik aan niemand leen,"
Zei buurvrouw mier toen heel gemeen.

 

"Wat deed je toen de zon nog straalde
En ik mijn voorraad binnenhaalde ?"
"Ik zong voor jou," zei zacht de krekel.
"Daaraan heb ik als mier een hekel !

 

Toen zong je en nu ben je arm.
Dus dans nu maar, dan krijg je 't warm !"
Wie leeft van kunst gaat door voor gek.

Terug naar overzicht

De krekel en de mier

(La Fontaine/ J. ten Kate)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Kriek, die heel de zomertijd zich met zingen had verblijd

Zag met schrik de herfst verschenen;

Zelfs geen wormpje waar ze zocht, dat de honger stillen mocht.

'Mier zal wel een kruimpje lenen uit haar volle voorraadschuur'.

 

Kriekje loopt naar Miertje-buur.

'Help,'zo sprak ze, 'tot de lente mij grootmoedig aan de kost;

Woord van eer dat schuld en rente binnen 't jaar zijn afgelost !'

Maar, wat Mier te wensen liet: lenen was haar zwak juist niet.

 

'Ei, wat hebt gij,'  ving zij aan , 'heel de zomer toch gedaan ?'

'Wel, ik heb uit al mijn macht trouw gezongen, dag en nacht ....'

'Trouw gezongen ?'  zei de Mier, 'Wel dat doet me groot plezier.

'k Heb een goede raad voor u: zingen deed ge ? Dans dan nu !'

Terug naar overzicht

De kunst van het kussen

(J. Secundus, 1535)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zoals de wijnrank om zijn buur de olm zich slingert
en om de hoge eik
zijn lange armen slaat de kronkelende wingerd,
Neaera, als je kunt,
kruip zo op naar mijn hals met strengelende armen,
Neaera, als ik kon,
dan zou ik met zo’n band jouw blanke hals verwarmen,
in kussen voor altijd.
Dan zou mij noch de zorg om drinken, noch om eten,
noch zoete slaap, mijn lief,
ooit van je rode mond de laafnis doen vergeten,
maar in gedeelde kus
zou één tocht van het veer de twee gelieven varen
naar ’t vale huis des Doods.
En weldra zouden wij door geurige velden waren
met eeuwig voorjaarsweer,
waar samen edele heroën en heldinnen
in beurtzang en in dans
volgens antieke wijs elkaar eeuwig beminnen
in ’t groene mirtedal,
waar tussen rozen en viooltjes en narcissen
het lauwerbosje met
zijn schaduw trillend speelt en lauwe Zefiers sissen
in blijde fluistering
voortdurend, en de grond ook ongewond door ploegen,
zijn overvloed uitschenkt.
Dan zou de hele schaar der zaligen zich voegen
bij ons en op een bank
van zoden zouden wij naast oude dichters zitten.
Geen enkele minnares
van Jupiter zou jou je ereplaats betwisten,
noch de schone Helena.

Terug naar overzicht

De kus

(M.A. de Wijs-Mouton 1873 - 1935)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De kus waart door het huis
Het is er niet pluis
Papa die kust Mama
Mama die kust haar vriendje
Het vriendje dat kust Dientje
Als zij hem opendoet
Hij repeteren moet

En Dientje kust weer de koetsier
En die kust weer de kamenier
En die kust weer de huisknecht
Die 't niet de tweede meid zegt
Die laat hem niet met ruste
Omdat hij haar eerst kuste
Dan kust ook voor 'n pleziertje
De freule 't palfreniertje
De jonker met te veel gevoel
Kust onversaagd de hele boel
O ja, die 'k nog vergeten had
Is Grootmama. Die kust de kat

De kus waart door het land
Ten alle kant
Een kussen gaat alom
Een dart'len en een strelen
In tint'lend liefde-spelen
Kust zonneschijn het land
De golven 't blonde strand

Het windje kust de bomenkruin
Het helm buigt strelend over 't duin
En door de bloemenweien
Gaan kussend tal van bijen
En 't zacht insektenzoemen
Gaat kussend langs de bloemen
Een mensenkus, o jeetje
Is 'n schamel, mal ideetje
In Genesis zo duur betaald
Nu schroom'lijk naar benee gehaald
Als Adam kon, dan gaf hij vlug
Voor 't Paradijs zijn kus terug

Terug naar overzicht

De leeuwerik

(Frans Bastiaanse (1868-1947))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Het klare water vloeit als rein kristal

Door groene landen,

't Gebloemte zoomt de boorden overal

Met gele randen,

De leeuw'rik rijst de morgenvelden uit

En zingt een lied,

Dat ik wél hooren, wél gevoelen kan

Maar zeggen niet.

 

Want klaarder dan het menschelijke woord

Is 't vogelzingen;

Daar is geen snarenspel, geen harpaccoord

Dat kan doordringen

De ziel met vreugde en louterend geluk

Als déze toon,

Die draagt 't verlangen van de wereld tot

Der heem'len troon.

 

Hoor, hoor het zilv'ren trill'ren als een vreemd

Zalig verblijden,

Waar, boven bosschen en beschenen beemd,

Naar alle zijden

De wijde ruimte oneindig openblauwt,

De zonne schijnt,

En, onder 't juub'len van zijn heilig lied,

Die 't zong, verdwijnt.

 

Om, als verzaad van zon en hemelgloed

Zingend te dalen,

Maar straks, als een die steeds verlangen moet

De warme stralen

Van 't zomersch licht te drinken van nabij,

Wéér 't aardsche ontstijgt

En niet kán rusten voor de lentedag

Ter kimme nijgt.

Terug naar overzicht

De lente

(Frederik van Eden 1860-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Reeds is het statig eiber-paar gekomen,
't geduldig rijs wringt stil de knoppen los,
de zoele lente luwt door 't zonnig bosch
en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.

 

Violengeur stijgt op uit vochtig mos,
een bronzen gloed veerjongt de dorre boomen,
en primula's en dotterbloemen zoomen
de groene wei met gouden voorjaarsdos.

 

Wat heb ik, milde ! naar uw komst gesmacht !
wat scheen uw toeven lang ! -- is 't niet mijn leven
dat door uw donzen adem wordt gewekt ?

 

Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt,
des weerziens zaligheid mij niet meer geven
en grimmig grijnst dan d'eindelooze nacht.

Terug naar overzicht

De list van Jan Gerrit Giegengak

(Jan H. de Groot)

(met dank aan E. Schonewille voor het sturen van de tekst)

De schoenmaker Jan Gerrit Giegengak

Was een lustige klant, die z`n zaken had

Aan het hof van de koning der Moren.

Hij zat heel de dag voor zijn schoenmakerstent;

En keek naar de schoenen-rij schier zonder end

En stopte en lapte

En klopte en klapte,

Je kon hem in Bibaboelaja wel horen.

 

Zo eens in de week dan ging Giegengak Jan

Op zoek naar kapottene schoenen van

De dames en heren der Moren.

Maar, drommels, dat viel in de regel niet mee,

Hij moest door woestijnen tot vlak bij de zee.

Hij pruimde en kauwde

En zweette en sjouwde

Door zon den door zand, om naar lapwerk te horen.

 

Maar eens op een keer; `t was zomer en heet,

Liep Jan door het brandende zand, en het zweet

Droop tappelings-af langs z`n oren

Hij droeg op z`n rug een reusachtige zak,

waar`n stapeltje schoenen en laarzen in stak,

en dribbelde stug

met die zak op z`n rug.

 

Doch plots, voor hem uit, o, wat schrok onze Jan.

Daar renden twee kerels pardoes op hem a,

Twee glimmende pikzwarte Moren.

“Die moeten mij hebben,” dacht Jan…. “Of m`n zak”

En voort holde Jan Gerrit Giegengak

In de brandende zon

Zo hard als ie kon

Met een stofwolk van zand rond z`n oren.

 

Maar de zak was zo zwaar,

Jan kreeg pijn in z`n zij.

En die nikkers, die kwamen al dichterbij.

Hij meende hun schreeuwen te horen.

Daar zag ie twee palmen, en plots door z`n pet

Schoot een prachtig idee: “Hoera, `k ben gered!”

En snel sneed ie stuk

Met een trek en een ruk

De zak met schoenen der Moren.

 

Tussen die bomen in `t hart der woestijn,

Daar spande-ie de zak als een reuzengordijn

En wachtte op de aankomst der Morren.

Maar stiekempjes zette hij vlug naast elkaar

De schoenen, zo vlak aan de onderrand klaar.

En meesmuilend lachte-ie

En hartkloppend wachtte-ie:

Hij kon nu toch duid`lijk hun adem al horen.

 

Daar stonden de rovers, met hun zwarte gezicht

En schreeuwden…..maar langzaam werd opgelicht

Vlak voor hun flapperende oren,

Het gordijn…. En wat nou, daar in het gelid

Een rij mensenvoeten! Ze schrokken haast

Ze holden terug

Wel viermaal zo vlug

Door het land van de dappere Moren.

 

De schoenmaker Jan Gerrit Giegengak

Was een lustige kwant, die z`n zaken had

Aan het hof van de koning der Moren,

Hij zat weer gerust voor z`n schoenmakerstent

En keek naar een schoenenrij schier zonder end

En stopte en lapte

En klopte en klapte: Je kon het in Bibaboelaja weer horen!

Terug naar overzicht

De lommerd

(Erich Wichmann  1890-1929)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Tot tranen toe ben ik bekommerd:
nu kan ik nooit meer naar de lommerd,
omdat mijn hele inventaris
al daar is.

Terug naar overzicht

De Lorelei van buurt YY

(Eduard Jacobs - 1868-1914)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik weet niet wat het moet beduiden

Dat ik zo ben uit mijn humeur

Ik hoor daar de doodsklokken luiden

Een lijkkoets staat ginds voor de deur

En in de salon daar beneden

Zit snotterend een droevige rij

Verzonken in vurige gebeden

Voor de Lurelei van buurt YY

 

Hoe ijdel is 't mens'lijke leven

Daar ligt ze dood als 'n pier

Zij is op 't slachtveld gebleven

Van liefde, genot en plezier

Voor 't eerst, nu acht dagen geleden

Had ze in de salon gemankeerd

Toch had ze nog 's avonds beneden

Voor 't open raam gevigeleerd

 

Daar draagt men de lijkkist naar buiten

Steeds luider klinkt 't snott'rend geween

Madam gluurt bedroefd door de ruiten

Want daar gaat haar broodwinning heen

Eerst wilden de klanten niet komen

Wat zij en haar man ook bedacht

Toen heeft ze de blonde genomen

En die had haar zegen gebracht

 

Daar gaat ze nu henen, de blonde

De Lorelei van buurt YY

Madam kijkt bedroefd in het ronde

En monstert de snott'rende rij;

Graag had zij die allen gegeven

Voor haar, die men grafwaarts daar rijdt!

Ach, waarom verliet zij het leven?

En dat in het drukst van de tijd!

 

"Ik heb er een schat mee verloren

Nu zij uit mijn huis wordt gerukt

Had zij niet drie weken tevoren

'n Schatrijke vreemdeling geplukt

Wie wist, gelijk zij, te animeren

Als stromen doen vloeien de wijn?

Geen enk'le die voor ouwe heren

Vooral zo aantrekk'lijk kon zijn!"

 

Zo klaagde Madam en ze schreide

Om 't blondje, zo innig bemind

Van wie ze met droefenis scheidde

Als waar' zij haar bloedeigen kind

Om de hoek ging de lijkkoets aan 't draven

Er waren geen volgkoetsen bij...

Ze werd van armen begraven

De Lorelei van buurt YY!...

Terug naar overzicht

De luchtspiegeling

(Jacobus Israél de Haan - 1881-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een avondtoneeltje

Niets verbrak de zwoele stilte dan het nedersijplend nat
Van de vers gevallen regen;
Alle vogelkoren zwegen
In 't zacht druppelende lover langs ons eenzaam avondpad,
En de lijster schudt haar vlerkjes,
Droogt zich op de dorre rank,
Maar weerhoudt alsnog de tonen
Van haar schelle avonddank.

Helder lichtblaauw kleedt de hemel, met een witte glans vermengd.
Alle wolkjes zijn verdwenen;
't Daglicht heeft haast uitgeschenen;
Alles groent met frisse tinten, straks nog door de zon gezengd.
Mina! Mijd de kleine plasjes,
Die er ruisslen voor uw voet!
Zet wat minder wufte stapjes,
Dan gij wel gemeenlijk doet!

En nu sloegen wij de blikken naar 't doorschijnend wolkazuur.
God! Wat wonder! 't land met schoven,
't Groene bos zien wij daar boven,
Heel het landschap afgespiegeld met zijn kwijnend avondvuur.
Rundren weiden aan de hemel,
En langs zijn verlichte tin
Voert het paard de kar met garven
Rustig de open staldeur in.

En, haar blikken zacht beneveld door een wemelende traan,
Staart zij, in de ziel bewogen,
't Wonder aan van 's Hemels bogen.
"Mocht, dus zegt zij, 't heerlijk schouwspel in geen wolkjen ons ontgaan!
Maar al trekt ook 't aardse landschap
Aan des hemels trans voorbij,
Aarde en hemel smolten samen,
En dit smaakte ik aan uw zij."

Lieve! al wijkt in vorm en verwen de aarde van de hemel af,
Ik zie weer de hemel dalen
En in volle reinheid stralen
In de blauwe, smachtende ogen, die de goede God u gaf.
En wij drukten ons de handen,
En, in zoet gepeins verward,
Voerde 't paadje ons spraakloos verder
Met de hemel in het hart.

Terug naar overzicht

De maneschijn in 't bos

(Jacob Israël de Haan - 1881-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Daar buiten, waar de herder 't vee
Reeds naar de stal geleidt,
Is aan het effen luchtgewelf
Een grauwend kleed verspreid,
Dat alles, wat het land mocht tooien,
Omwikkelt in zijn brede plooien.

En boven trilt op 't bevend blad
Nog 't stervend avondgoud,
Maar 't rijzend maantje strooit zijn glans
Met handenvol door 't hout,
Dat ons de paden, droef en donker,
Beschildert met zijn lichtgeflonker.

Neen! 't Is geen dwarlende avondwind,
Die door de blaadren streeft,
Waardoor, met teder licht bespat,
En tak en lover beeft;
Gewis! 't zijn wreemlende Elvenscharen,
Die door het dicht geboomte waren.

Zij hipplen, tripplen op en neer,
En schommlen in het blad;
Zij dalen langs de stammen af
En dartlen op mijn pad,
Als of ze in mengeling van lichten,
Hun dartle rondedans verrichten.

Ik dool in een betoverd bos,
Waar een onzichtbre hand
Figuren in verscheiden vorm
Schetst op de loverwand;
'k Zie vooglen door de blaadren dwalen,
Hun vederdos van zilver stralen.

Ver achter gindse donkre stam
Zie ik een hinde staan;
Daar schrikt me een zilverblanke slang,
Die schuifelt op mijn paân;
Er zucht een koeltje om mij henen,
En alle vormen zijn uit énen.

Maar eensklaps straalt het weer in 't bos
Op ieder blad en tak,
Als dwaalden duizend sterren neer
Van 't hoge hemelvlak;
'k Sta in een tempel vol van glanzen,
Die aan de donkre wanden dansen.

Zou hier in 't bos 't betoverd slot
Der schone slaapster zijn,
Er sluimrend op het mollig dons
En kussens van satijn,
Daar honderd luchters om haar blaken,
Tot dat zij blijde zal ontwaken?

Kom, nadere ik met zachte tred,
En wat mij 't toeval biedt,
Het kalme schoon der frisse maagd
In sluimering bespied!
Dat boezemrijzen en weer dalen
Stil op de maat van 't ademhalen!

Een zwarte wolk befloerst de maan;
Met ritselend geruis
Stort ijlings het gebouw in één
Met gevelspits en kruis,
En heel 't begoochlend lichtgetover,
Is in zijn wondre flikkring over.

Terug naar overzicht

De mensen van voorbij

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De mensen van voorbij,
ze blijven met ons leven.
De mensen van voorbij,
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemen, geuren, in een lied,
dat opklinkt uit verdriet.

De mensen van voorbij,
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij,
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen;
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij !

Terug naar overzicht

De min

(A.C.W. Staring 1767-1840)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Gij moeders,

Gij hoeders

Der bloeiende jeugd,

Wat mort gij, wat noemt gij

De spijtigheid deugd !

 

Wat keert gij

En weert gij

De listige min

Van rijpende boezems ?

Hij raakt er toch in !

 

De kruiper,

De sluiper

Houdt ijverig de wacht.

Hij ligt op zijn luimen,

Bij dage, bij nacht !

 

Al sluiten

Hem buiten,

Met grendel en boom,

Benagelde poorten;

Al dreigt hem een stroom;

 

Twee achjes,

Twee lachjes,

Hij's binnen de guit !

En duizend sermoenen ...

Hij is er niet uit !

Terug naar overzicht

De misbruikte vrijheid

(Jacobus Bellamy 1757-1786)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

't Minnewicht kwam op mijn kamer.

Dichter, zoo 'k u niet verveel,

Ai, wil mij dan toch vergunnen,

dat ik hier een weinig speel !

'k Zal u in uw werk niet stooren !...

geef mij daar dat groote boek !

O ! ik zal zoo stille wezen,

als ik ginder prentjes zoek !

Zoo sprak 't looze minnegoodjem

gaf mijn handen zoen op zoen.

'k Liet hem vrijheid om te speelen,

mids dat hij geen kwaad zou doen.

Afgetrokken door gedachten,

greep ik weêr de dichtpen aan,

zonder op de boeverijën

van den Jongen acht te slaan.

Doch, vermoeid door 't stadig denken,

zie ik eindlijk voor mij heen.

't Boefje, dacht ik, is gehoorzaam

en schijnt nogal wel te vreên.

Maar - ik had nog niet vernomen,

wat de stoute jongen deedt; --

Hoe hij all' mijn schoone boeken,

't vengster uit, in 't water smeet ! --

Knaap ! dat zal ik u betalen !

riep ik op een' forssen toon.

Doch, hij zei, met traanende oogjes:

moeder heet het mij geboôn !

Maar - hij wees op drie, vier boeken --

die heb ik niet weggedaan,

om dat ik, op 't eerste blaadje,

mijne beeldtenis zag staan...

'k Ging mistroostig naar het vengster,

en zag zugtend in de vliet.

Nu heb ik geen and're boeken,

dan die hij nog liggen liet.

Terug naar overzicht

De moeder

(Geerten Gossaert (1884-1958))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hij sprak en zeide
In 't zaêl zich wendend:
Vaarwel, o moeder,
Nooit keer ik weer...
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking...
Doch, bijna blijde,
Beval de maagden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug neer.

En toen, na jaren,
Melaats, een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zoon keert weer...
Zag zij hem aan en
Vond gene tranen,
Voor zoveel vreugde geen tranen meer.

Terug naar overzicht

De moerbeitoppen ruisten

(Nicolaas Beets - 1804-1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

‘De Moerbeitoppen ruisten;’
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in de stilte,
De stille nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
‘k Voelde zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij

Terug naar overzicht

De molen

(Jan van Droogenbroeck 1836-1902)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Daar staat hij,

Met zijne grijze kap,

Zijnen langen staart,

Zijnen steilen trap,

En vier roode wieken,

Hoog in de lucht,

Die zwieren en zwaaien in volle vlucht.

Aan eene koorde hangt een zak,

Die langzaam gaat naar boven,

En de molenaar, wit bestoven,

Fluit een deuntjen op zijn gemak.

Hij fluit een deuntje, blij van zin

En trekt den zak het venster in.

De wieken zwaaien en zwieren;

De wielen draaien en gieren;

De steenen knarsen en ronken

Waartusschen het graan is gezonken.

Van boven was dit graan geheel;

Van onder is het stuivend meel.

Zoo God het niet meer waaien liet,

Hadde de molenaar veel verdriet;

De man en wist niet wat beginnen;

Hij moet met den wind zijn broodje winnen.

Terug naar overzicht

De mooiste bloemen

(G.W. Lovendaal 1847-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Daar zijn geen schooner bloemen,

Dan aan de hemel staan,

De reine margarieten,

Die ’s avonds opengaan.

’t Zijn bloemen die nooit welken,

Maar bloeien te allen tijd,

In zomer en in winter

In volle heerlijkheid.

 

Het zijn de wonderreine,

Die God bloeien laat

Voor wie in stille nachten

Den blik ten hemel slaat.

Zij hebben al geschenen

Zoo menig donkren nacht,

Zij hebben al zoo velen

In ‘t lijden troost gebracht.

Terug naar overzicht

De moord van Spangahoekweg

(met dank aan Benno Pen voor het sturen van de tekst)

Zeg burgers luister naar mijn lied, wat eens te Spanga was geschied
Een boer had daar veel geld gespaard en in zijn waterpot bewaard

 

Maar op een pikdonkre nacht werd hem toch eens bezoek gebracht
Vier rovers kwamen van hein en ver gewapend met een breekijzer

 

De eerste rover heette  Ben, had vreeslijk last van zweetvoeten 
Een tweede rover heette Frank was niet te benaderen van de stank

 

De derde rover heette Klaas had een kop als een varkensblaas
De vierde rover heette Piet en de vijfde rover was er niet

 

Ze waren nog maar net op weg, of Ben moest even achter de heg
Dat was dan ook snel gedaan en trokken ze op Spangahoekweg aan

 

De rovers waren zeer bekwaam en kropen door het wee-cee-huis-raam
Toen stapte Frank met z'n rechter been geestdriftig door het deksel heen

 

Piet zei: wat heb je nu gedaan, je hebt met je benen in de poep gestaan
Toen kwamen de rovers in de hal en daar begon het bloedbad al

 

De Heer des huizes lang niet mis, die zwaaide met de pot met pis
Ook de oudste zoon een violist, had van angst in z'n broek gepist

 

Oudste dochter "een schone maagd" werd in de lengte doorgezaagd
En kleine Jan van zeven pond die zwom al in de pispot rond

 

Opoe begon ook al te gillen, want de rovers knepen in haar billen
Toen kwam de tuinman met de gieter en sloeg de boeven op de mieter

 

Ook de  politie rook al heel snel lont  en zat de boeven achter hun  kont
Toen de rovers het schavot op gingen, begonnen ze Wier Neerlans Bloed te zingen

 

Maar Frank die kon de wijs niet houden en zong het Wilhelmes van Nassauwen
Zo stierven vier ROVERS aan het schavot .. en dit "O Burgers" is het slot

 

Terug naar overzicht

De mug

(met dank aan Joke van Boven voor het sturen van de tekst)

Als ik 's avonds uitgekleed,
Op mijn legerstee toetreed,
Zie ik over t plafond de ruggen,
Van een leger snelle muggen.
 


‘k Haal een trapleer uit de schuur,
‘k Neem een doek en heel secuur
Weet ik ze één voor één te raken,
Zodat hun ribbenkasten kraken
En de lijken op de grond
Zich verdringen in het rond.
 


Zo, ’t vee is dood, nu kan ik slapen,
Onbevreesd lig ik te gapen.
Op de grond slechts, ligt er één
Nog te wuiven met z’n been.
 


‘k Trap hem fijn, kruip er weer onder,
Ja dat gezoem heb ik zonder
Twijfel in mijn droom gehoord.
Maar die oer vervelende mug
Komt telkens weer bij mij terug.
Zo kan ik m’n  kamer niet sluiten,
Of alles met gif dood te spuiten,
Of het doemt weer op uit de nacht
En kust mij onzacht.
 


Ik heb een dagmasker gedragen,
Gebaad in azijn, alle dagen.
Ik heb de hele nacht liggen roken,
Diep onder de dekens gestoken,
Maar toch als ik 's morgens ontwaak,
Vind ik op mijn mond, mijn neus en mijn kaak,
De bloedige sporen terug,
Van die vervelende mug.
 


En nu, ten einde raad,  ga ik een prijsvraag uitschrijven,
Hoe kan ik dat monster verdrijven,
Hoe breng ik hem het vlugst aan z’n end ?
Wie het wint, krijgt zijn lijkje present !

Terug naar overzicht

De nachtegaal

(C.S. Adama van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Door de avondwereld

Gaat geen geruisch --

Alleen één vogel

Gaat stil naar huis.


Een purper boompje

Staat heel alleen --

Daar vliegt op eenmaal

Een vogeltje heen.


Dat gaat aan ’t zingen

Dat zingt zoo hard --

Dat zingt weer wakker

Mijn arme hart !

Terug naar overzicht

De nachtegaal en de koekoek

(Willem Bilderdijk 1756 - 1831)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Nachtegaal en koekoek streden
Om de zangprijs van het dal.
Hoe gelukkig zal hij wezen,
Die die zangprijs winnen zal !

 

Koekoek sprak: ik weet een rechter,
Die ons vonnis wijzen kan.
Oren heeft hij om te horen
Groter dan de grote pan.

 

De ezel kwam, men gaat aan ‘t zingen.
Langoor bromt eens in de keel,
Rekt zich uit, en geeuwt en luistert
Naar het lied van Filomeel.

 

Wind en bos en stromen zwegen.
Eindlijk zegt hij : Gans niet kwaad;
Maar het is te wild gezongen,
En het blijft niet in de maat.”

 

Na een korte poos gegrinnik
Geeft hij d’ ander ook gehoor,
Koekoek fluks aan ‘t koekoekschreeuwen,
Koekoek, koekoek, na als voor.

 

Bravo ja, dat noem ik zingen,
(Zegt hij) dat ’s de rechte toon !
‘t Nachtegaaltjen piept wel aardig.
Maar de koekoek spant de kroon.

 

Dat zijn klinkklaar zuivre jamben;
Dat ’s een maat naar MIJN verstand;
Daar is zoet bij in te slapen
‘k Hou niet van die Griekse trant.”

Terug naar overzicht

De netten van de spin

(Jacob Cats 1577-1660)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De netten van de spin, die in de vensters hangen,
En kunnen maar alleen de kleine muggen vangen:
De wespe met de bij, en al wat hoger zweeft,
Maakt dat het broze rag op hen geen vat en heeft.

 

Wat kan een moedig hart zijn goede weg beletten ?
Al wat de wereld spint en zijn maar boze netten.
En acht, o waarde ziel ! en acht geen losse waan,
De wind verstrooit het kaf, maar niet het wichtig graan.

Terug naar overzicht

De nieuwe dienstmaagd

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst)

Willemijn, de nieuwe dienstmaagd

Deed volijverig haar taak,

Echter 't vegen van de vloeren

Ging een weiniglijkje raak.

'Veeg je wel onder de divan ?"

Vroeg mevrouw op zekere dag

Toen het ietwat slonzig werken

Der gedienstige ze zag.

"Dat doe ik zeker" was 't bescheid

Dat mevrouw van 't meisje kreeg.

"Ik kan u zonder jokken zeggen

Dat 'k er alles onder veeg !"

Terug naar overzicht

De nieuwe knecht

(Willem de Merode 1887-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zwijgend taxeert de boer den knecht !
Armen en beenen lang en pezig;
Groothandig; borstkas iets te vleezig;
De schouders knoestig; scherp en recht.
De kop, met, als een vrieslucht fel,
Blauwe oogen; neus smal; haren hel;
Ooren ver van het hoofd gebogen;
En door de lippen, dun en rood,
Wordt zo wild adem ingezogen,
Dat 't bloed hem naar de wangen schoot.
Hij wees het span en zeide: ploeg !
De jongen, met een kort zacht tjoeken,
't Was of hij streelde en of hij sloeg,
Bedwong de ruinen èn het veld.
En ziende dit gerecht geweld,
Begon de boer voldaan te roepen.
En vreugdevol en vast besloten
Klapten hun handen in elkaar.
En eensgezind heeft 't zwoegend paar
Het moeizaam akkerwerk genóten.

Terug naar overzicht

De onbedagtsaamheid

(Hiëronymus van Alphen 1746-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zie Keesje ! deze doode mug
Vloog nog zo even blij en vlug
Maar 't is door onbedagtsaamheid,
Dat hij nu dood op tafel leit.
Hij had in 't kaarslicht zulk een zin,
En vloog er onvoorzichtig in.
Nu ligt hij daar: maar 't is te laat.
Er is voor 't mugje nu geen raad.
Hij werd bedrogen door den schijn.
O ! Laat ons dit tot leering zijn,
Dat, eer men iets gewigtigs doet,
Men zich wat lang bedenken moet.
Eén uur van onbedagtsaamheid
Kan maken dat men weeken schreit.

Terug naar overzicht

De ontsnapping van Hugo de Groot

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Er woonde eens op Loevestein een lange tijd geleên,

Een man waarvan een ieder ziet, zo knap is er niet één.

Maar ach, zijn knapheid hielp niet veel, hij had er weinig an,

Want kijk hij woonde er niet als heer, maar als gevangen man.

 

En dat verveelde hem op 't lest en daarom zei hij: "Vrouw,

Ik wou dat er eens iemand kwam die mij verlossen wou.

Dan ging ik rechtstreeks naar Parijs, daar is thans geen gevaar,

Want om een gevangen man te zijn, dat is toch meer dan naar."

 

Juist kwam een boekenkist op 't slot, waarop stond, "aan de Groot".

En aanstonds sprak de slimme vrouw: "Nu zijn we uit de nood

Hoor Huug, gij zult hier ras vandaan, ik weet een mooie list.

We dragen jou uit Loevestein al in die boekenkist."

 

"Dat doe ik", zei toen Huig de Groot, en op een mooie dag,

Toen -juist gereed om heen te gaan- een schuit aan d' oever lag,

Droeg men De Groot al in een kist voor boeken buiten 't slot.

De vogel vloog toen naar Parijs en was daar buiten schot.

 

Maar nauw'lijks was de Groot ontvlucht of daar kwam de cipier.

Die raasde, dreigde en schold geducht en maakte veel getier.

"Maar man", sprak toen mevrouw de Groot, "wat zet g' een boos gezicht.

Wees dankbaar, want gij had mijn Huig en die heb ik gelicht."

Terug naar overzicht

De opa en zijn kleinkind

(met dank aan G. Jessen voor het sturen van de tekst)

Hij trok het laatje open, het knaapje stond aan z'n zij

en zag het oude zilveren uurwerk liggen, och grootvader toe geef het mij.

 Ik zal het u wel eens geven, toe komend jaar misschien,

als ge wel leert en braaf zijt, zei de oude, we zullen zien.

 Toe komend jáár zei het knaapje,

máár grootvader dan zou u lang reeds dood kunnen zijn, u bent zo ziek en oud.

 De oude stond te pijnzen en dacht, het is wel waar

en zijn lange vingers streelden knaapje's krullend haar.

 Hij nam het zilveren uurwerk met de zware keten er bij

en legde ze in de gretige handjes, het komt nog van je vader zo sprak hij.

 Er werd een grafje gedolven, de scholieren stonden er omheen,

en de oude grijsaard boog met moeite, doch ene knie ging naar de grond.

 Het koele morgen windje streelde onze haren zacht,

't gele kistje zonk neder, arm knaapje wie had dat gedacht.

 Hij keerde terug naar zijn woning, de oude grijsaard weende oh zo zeer

en legde het zilveren uurwerk in het oude laatje weer.

Terug naar overzicht

De organist

(Prosper van Langendonck 1862-1920)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wat is 't me een zoet genoegen, dat
de ervaren hand de toetsen duwt
en, over 't juublend elpen blad
de volle jacht der klanken stuwt;
wanneer ik elke noot ontmoet,
met wisse slag op vaste maat,
op iedre klop van 't drijvend bloed
een toon van 't klankbord wederslaat.

Doch voller is 't genoegen, dat
mijn ziel met 't speeltuig samenzingt,
haar leven, - schuw geborgen schat -
in klanken naar mijn lippen dringt,
dat fors en lenig en gedwee
klinkt hoog en laag mijn stemgeluid
met zware en lichte noten mee
en boven 't dreunend orgel uit.

Hij spelen ! - wie niet elk akkoord
van 't orgel in de gorgel springt,
die niet tot ieder menslijk woord
de brede stem van 't orgel dwingt !
Hij zingen! - wie de stem beeft en
die, zwak of stram of moegestreefd,
geen orgel in de keel heeft en
geen ziel, die in dat orgel leeft !

Vertrouwend laat ik 't speeltuig gaan,
in hope blij, in angsten bang,
triomfen dreunen, vreugde slaan
en liefde smelten in mijn zang.
Mijn voet is vast, mijn vingren snel,
en 'k weef om 't ruisend koorgewelf,
de luister van mijn orgelspel,
mijn zielespel... mijn ziele zelf...

Terug naar overzicht

De papegaai

(met dank aan Joop Overvoorde voor het sturen van de tekst)

Bij meneer van Wipperdingen, 

 in een kooi bijzonder fraai,

 helemaal van blinkend koper

 zat een mooie papegaai.

 't Dier kon praten, fluiten zingen

 soms wel uren aan één stuk.

 Maar meneer was al op jaren

 en het werd hem vaak te druk.

 Daar hij echter geen familie in de stad had

 en geen vriend,

 schonk hij 't dier maar aan zijn kruier

 die hem jaren had gediend.

 

 Zes of zeven dagen waren er misschien voor bij gegaan

 Toen kwam hij de kruier tegen en sprak :

 "Hoe is het met de papegaai ?"

 "Nou meneer, ronduit gesproken,

 'k Vond hem wel een beetje taai."

"Wat... ben jij hem op gaan eten,

nee dat is toch al te kras

't dier kon praten fluiten zingen,

dat het haast een wonder was".

"Kon die vogel praten zegt u ?

Nou dan spijt het me oprecht,

maar waarom, toen 'k hem ging slachten,

heeft hij dat dan niet gezegd ?"

Terug naar overzicht

De pas van drie

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

Er was eens in een herenhuis, een rijk versierde zaal,

De stoelen hadden zittingen van zijde, allemaal.

Op elke leuning stond een kroon, een kroon van zuiver goud,

De tafel droeg een mozaïek, van zeven soorten hout.

Er was een venster in die zaal, dat twintig ruitjes had,

Elk droeg een kleurig wapenschild, en was in lood gevat.

Een lang gordijn van bruin fluweel, hing aan de linker kant,

Met blinkend gouddraad rijk bestikt, een franje aan de rand.

Er was een ouderwetse schouw, een kroonlijst liep er rond,

Waarop van Saksisch porselein, een tweetal beeldjes stond.

Een aardig herderinnetje, dat, leunend op haar staf,

Een herder die de dwarsfluit blies, tersluiks een oogje gaf.

Ze stonden daar al menig jaar, zo stil als dat moest zijn,

Wanneer je ben vervaardigd, van Saksisch porselein.

Toch hielden zij hun deftigheid, alleen maar overdag,

Maar o wanneer te middernacht, geen sterveling hun zag,

Des 's avonds als de volle maan, den boom voor het huis bescheen,

Dan vielen lange schaduwen, door 't hoge venster heen.

Ze klommen bij de muren op, ze schoven langs de vloer,

Ze gleden over porselein, kristal en parelmoer.

Ze kwamen en ze gingen stil, ze werden elke nacht,

Door al wat in de kamer stond, opnieuw terug verwacht.

En als ze kwamen, als wanneer van buiten over 't veld,

De torenklok 't uur van middernacht, plechtstatig had gemeld,

Dan klonk er van de kroonlijst af, opeens een zacht geluid,

Het was de herder, werkelijk, hij speelden op zijn fluit.

Eerst klonk het zacht, zoals de wind door 't voorjaarslover blaast,

Dan keek de kleine herderin verlegen en verbaasd.

Doch weldra klonk er voller toon, een kleine melodie,

En eindelijk blies de herdersknaap, verheugd de pas van drie.

Het slanke herderinnetje, nam vlug haar kleed bijeen,

Ze streek haar krulletjes opzij, bewoog het linker been,

En na een kleine aarzeling, werd sierlijk vlug en net,

Het witte muiltje met de strik, een pas vooruit gezet.

Ze huppelde de schoorsteen rond, ze stapte heen en weer,

Ze draaide op haar hakjes rond, en boog en wuifde  zeer.

Ze danste daar van links naar rechts, de handjes in de zij,

Ze ging haar trouwe muzikant, al lachende voorbij.

Daar buiten deed de lichte maan, haar stille ommegang,

Men hoorde in een weidesloot, het eentonige gezang

Van kikkers in de zomernacht, terwijl in 't ver verschiet,

Een torenklok van tijd tot tijd, de uren horen liet.

Maar op de brede schoorsteenrand, daar klonk de melodie,

Daar danste het herderinnetje verheugd de pas van drie.

Dat duurden voort tot aan de kim een rose gloed verscheen,

Zodat de schaduwen in 't vertrek,  verbleekten en verdween.

Dan klonk er telkens zachter toon, van het lied der herdersfluit,

Een laatste lange triller nog, en daarna was het uit.

Maar ook het herderinnetje, werd telkens minder vlug,

Ze danste naar haar voetstuk heen, en dansten niet meer terug.

Ze streek haar kanten rokje glad, en keek de herder aan,

En daarna was het ook voor haar, met dansen weer gedaan.

Wanneer de zon nu hoger klom, en ook eens kijken ging,

Dan zag ze in de hele zaal niet een verandering.

Daarboven op de oude schouw, stond roerloos stil en fijn,

Het slanke herderinnetje, van Saksisch porselein.

En naast haar blies de herdersknaap, nog altijd op zijn fluit,

Maar hoe de zon ook luisterde, geen toontje kwam er uit.

Doch..al wat in de kamer stond, wist beter dan de zon,

Men wist dat het herderinnetje, bij maanlicht dansen kon.

Terug naar overzicht

De pauw en de raaf

(Willem Bilderdijk 1756 - 1831)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

“Geef”, sprak de pauw “gij raaf, purperroode brozen (1),
Zij passen bij mijn fraai met goud doorstikt gewaad:
Ge ontstalt ze in mijn slaap en ‘k zag den dageraad
Sinds daaglijks over mij om ‘t vuile schoeisel blozen,
Dat bij uw kleeding voegt, maar bij mijn dosch misstaat.”

 

“Vooral niet”, zei de raaf,” ik weet van geen ruilen;
Doch had gij de misslag plaats, zoo heeft ze plaats in ‘t kleed.
Geef gij me uw veedrenpronk waarop ge u dus vermeet;
Mijn laarzen passen aan mijn voeten; u , die vuilen,
Waarmee ge in zotten praal op mest- en vuilhoop treedt.”

 

De schildpad zat dien twist eerst zwijgend aan te hooren,
Doch eindelijk roept zij uit:”De raaf heeft groot gelijk;
De hoogmoed stelt niet slechts hetgeen hij heeft te prijk,
Maar heeft natuur aan elk zijn eigen deel beschoren.
Die rijk is wil altijd nog rijker zijn dan rijk”

 

(1) laarzen

Terug naar overzicht

De perzik

(Hieronymus van Alphen 1746-1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Die perzik gaf mijn vader mij,
Om dat ik vlijtig leer.
Nu eet ik vergenoegd en blij,
Die perzik smaakt naar meer.

De vrolijkheid past aan de jeugd
Die leerzaam zig betoont.
De naarstigheid, die kinderdeugd,
Wordt altoos wel beloond.

Terug naar overzicht

De philosophische eieren

(De Schoolmeester, pseudoniem van de Nederlandse dichter Gerrit van de Linde 1808 – 1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Louw, die een rijke fokker was
En in zijn echt door 's hemels zegen
Twee wakkre zonen had verkregen,
   Waarin men 's vaders beeltnis las,
Liet dus zich aan zijn wijfje hooren:
"Mijn Maartjelief ! mijne uitverkoren !
"Wat zullen wij met Krelis doen ?"
"Jij weet, wij hebben rijklijk poen,
En, om van hem een boer te maken,
"Dat zijn gewis te slechte zaken."
"Dat 's waar," zei Maartje, "hij is kangt
En heeft een overgroot verstangd." -
   Juist kwam, in 't voeren van dees reden,
De heer van 't dorp naar binnen treden,
Dien vroegen zij terstond om raad,
Wat best te doen met Krelismaat ?
   Hij sprak: "Ik liet hem wis studeeren !"-
"Fiat! studeeren," zei de boer:
"Wie weet, wat hij kan worden, moêr !
   En hoe men hem zal rispecteeren!"-
"Voorts," zei het heerschap: "volgt mijn raad:
Indien gij hem studeeren laat,
Moet hij de wijsbegeerte kiezen,
Daar kan men nooit iets bij verliezen,"-
"Wat's dat?" vroeg Louw: "ei, zeg het mij!
"Is dat niet, spreek, philosophij?" -
   "Ja, Louw ! dat hebt gij net geraden,"
Was't antwoord: "'k weet geen beter zaak,
Noch die men leert met meer vermaak,
   En die den geest meer kan verzaden."-
"Men zoekt straks naar een schrander man,
Daar Kees die kunst van leeren kan.
Hij gaat van huis, om in die zaken
Zich kundig en beroemd te maken.-
Na één jaar afzijns komt hij weer,
   Bezoekt zijn moeder en zijn vader;
Elk op zijn beurt omhelst hem teer."
   Louw zegt in 't eind': "Mijn zoon, kom nader !
Zet u aan tafel naast mijn zij.
Wat zijn wij thans vernoegd en blij !
Laat ons wat van jouw wijsheid hooren,
Het zal ons zekerlijk bekoren:
Philosopheer wat met ons, Kees !
Jij weet, dat ik al hiel veul lees."-
"Dat's waar," sprak Kees: "maar 't u te zeggen,
En 't philosophische uit te leggen,
Daarin wordt nooit uw wensch vervuld,
Dewijl gij 't niet begrijpen zult."-
"'k Zal wel," zei Louw, "wil maar beginnen,
Ik luister toe met al mijn zinnen."
Kees zag een bord met eiren staan,
(Drie was 't getal,) en ving dus aan:
"Ei, vader ! wil mij eens ontvouwen
't Getal der eiren, die we aanschouwen ?"-
"Wel, jongen !" sprak de boer, "wel, drie"-
"Abuis! want mijn philosophie
Ontdekt mij, dat er vijf zijn, vader."-
"Loop, loop, verklaar mij dat wat nader,
Want,  of mijn oog bedriegt mij zeer,
Of drie, drie zijn er, en niet meer."-
"O neen," sprak Kees, "gij zijt bedrogen:
Ik zie met philosophische oogen.
Maar antwoord mij op mijne beê:
"Waar drie zijn, zijn er daar geen twee ?"
"Wel vast," zei Louw, "dat kan niet missen;
Daar kan geen mensch zich in vergissen."-
"Welnu, is drie en twee geen vijf ?"-
"O ja, mijn zoon ! dat 's buiten kijf.
Ik heb de philosoofse knepen,
Versta je 't ? nou al klaar begrepen."-
Straks grijpt hij 't bord met eiren aan
En zegt: "Zie, of wij 't ons verstaan.
"Dút ei is, vat je 't? voor jouw moeder,
"Dút is voor mij,  dút voor jouw broeder:
Eet jij nou met jouw wijzen kop
De philosophische eieren op."

Terug naar overzicht

De pijpekop

(Bernard Van Meurs S.J. 1835 - 1915)

(met dank aan G. Jessen voor het sturen van de tekst)

“Dag oudje ! Smaakt het pijpje goed ?
Wat rookt die kop mooi door !
‘t Is echte zeeschuim naar het schijnt,
Zeg dan, wat vraagt g’er voor ?”

 

“Mijnheer, die kop is niet te koop,
Ik kreeg hem als cadeau,
Op ‘t slagveld, van mijn kapitein,
Die viel bij Waterloo.

 

Dat ging er daar geducht op los.
Van ‘s morgens twalef uur
Tot ‘s avonds, zonder nat of droog,
Toujours maar in het vuur.”

 

“Vertel mij dat een andere keer.
Toe, geef me uw pijpekop,
Ik bied er een goud tientje voor
Hewel ! stem toe ! … leg op !”

 

“’k ben maar een arme man, mijnheer,
En heb een klein pensioen;
Toch, deed ge er duizend guldens bij,
Zou ik het nog niet doen.

 

Ik stond, gelijk ik zei, in ‘t vuur
En naast mijn zij, o God !
Kreeg onze brave kapitein,
Vlak in zijn borst, een schot.

 

Ik ving hem in mijn armen op,
En droeg ‘t gedrang hem uit,
Verbond zijn wond en zag met vreugd
Zijn stromend bloed gestuit.

 

Toen gaf hij mij deez’ pijpekop,
En ook zijn beurs vol geld;
Hij drukte mij voor ‘t laatst de hand
En stierf gelijk een held.

 

De beurs gaf ik het arm gezin,
Wiens huis was afgebrand;
Maar deez’ , mijnheer, mijn pijpekop
Komt in geen vreemde hand.

 

Sinds jaren reeds bewaar ik hem,
Gelijk een relikwie;
Zo dikwijls ik mijn pijpje rook,
Is ‘t of ik hem nog zie.”

 

“Schoon, brave man. Hoe heette hij
Die goede kapitein ?”
“Wij noemden hem steeds “beste vaâr”;
Zijn naam was Van der Klein.

 

Ziet gij in ‘t bos die gevelspits ?
Dat slot ? Daar woonde hij.”
“Het was mijn vader, beste vriend,
Dat huis behoort aan mij !

 

Hebt gij mijn vader bijgestaan
In de ure van zijn dood ?
Kom, brave, ga dan meê met mij
En eet voortaan mijn brood.”

 

“Is ‘t mogelijk, heer, zijt gij zijn zoon ?
En woont gij op zijn erf ?
‘k Ga met u meê; de pijpekop
Krijgt gij eens als ik sterf !”

Terug naar overzicht

De plaats van het paard in het dierenrijk

(Uit: De Veterinaire Almanak van 1894)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De mensch, zoo werd ook mij geleerd,
Heeft, maar ook hij alleen,
Twee handen, spraak, verstand en wil,
Hij staat nummer één.


Dan komt de aap, het is bekend,
Dat het vier handen heeft,
Dat er zeer vele soorten zijn,
Dat hij verschillend leeft.


Dan volgen and're orden nog,
Eerst later komt het paard,
Met eigenschappen, breed vermeld,
Met manen en staart.

'Eenhoevige' noemt men 't edel dier,
Waardoor 't zich onderscheidt,
Van rund en zwijn en ander vee,
Waarbij de hoef zich splijt.

Men late 't onderscheid toch gaan,
Dat ik u aangaf hier,
En geve een meer gepasten rang,
Aan 't schoonst en edelst dier.
 

Nog eens, geeft 't paard een and're plaats,
Een plaats , die het verdient,
In 't dierenrijk, ge kwijt dan 'n plicht,
Van dankbaarheid aan 'n vriend.

Terug naar overzicht

De ploegers

(Jan Prins 1876-1948)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De trotse paarden trekken

Het glimmend ijzer door de grond

En doen met kluiten mals en rond

Den akker zich bedekken

Een man staat aan de ploeg

En een ziet of het recht gaan zal

En beiden hebben zij

Aan al hun aandacht niet genoeg

Dan komt het tot een draaien

De wijde zee van klei weer in

De paarden houden even in

De lange manen waaien

De hoge koppen nijgen

Zich nader tot de zware klei

De luie modder zijgt opzij

En de twee mannen zwijgen

Terug naar overzicht

De Populieren

(C.S. Adama van Scheltema)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Het ruischt in de' avondstond,
Het ruischt in 't zingende verbond

Van mijne lieve donkre populieren -

Ik hoor hun koelen geest
Het winderige avondfeest

Met eene diepe sombre vreugde vieren.


Als in den morgen nauw
Hun stammen rijzen uit den dauw,

Zingen mijn hooge tooverige boomen -

Ik hoor hun kalme klacht
Tot in den stillen sterrennacht

Van al hun zangerige takken stroomen.


Als ik het leven vlied
Met in mijn hart zijn jammerlied,

Luister ik naar hun ritselende blaren -

Tot leed en wrevel vlucht,
En ik met een gelaten zucht

Mij onder hunnen balsem voel bedaren.


Zoo 'k aan hun wortels kniel,
Als 't waait en wankelt door mijn ziel,

Hoor 'k over mij hun rustig vrome koren -

Dan gaat mijn weenend hart
En heel mijn menschelijke smart

Onder hun zingend gebed verloren.


Als in het morgenlicht
Ik, blijde om een droomgezicht,

Verdwaal onder hun sombere gezangen -

Dan zwijgt mijn zwakke lach,
En blijft dien ganschen wijden dag

Een vreemde stilte in mijn boezem hangen.


Ik weet wat mij verstomt,
Wat van hun loovers nederkomt,

Wat daalt uit hunne wankelende kronen: -

Dat is vergetelheid -
De adem van de eeuwigheid,

Die in die duizend blare' is blijven wonen.

Terug naar overzicht

De pottenbakker

(Aart van der Leeuw 1876 - 1925)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De meester zegt: "Geef aan de schaal
De bocht van 't brood; waartoe een fraai bokaal,
Als toch de drinknap in haar holle hand
Lessing genoeg voor elke dorst omspant ?

Vergun tot enig sieraad uwe kruik
De gulle welving van een gladde buik.
Zwaar is het leven, ernstig; bloed en zweet
Proeft ge aan haar gaven als ge drinkt en eet;

Zorgt gij dat, in een soobre vorm geprangd,
Het simpelst vat die bittre vrucht ontvangt."
Maar, zo ik voor mijn venster zit en werk,
En, in de lijst van 't raam mij veld en zwerk

Verrukken door hun machtig schilderij, -
De madelieven flikkren in de wei,
Zwaluwen slieren arabesken snel
Van wolk naar wolk, uiteen vouwt de kapel

't Mystiek wonder van zijn tekenschrift,
Met diamant, op saffier gegrift, -
Dan beeft mijn vinger, wijl de draaischijf snort,
Het blinkend nat over de leemklomp stort,

En onbewust druk ik de weke klei
Tot kelken, lijk de bloemen in de wei,
En rank en pooprend zwelt omhoog de tuit,
Of daar een vogel opwaarts wiekt en fluit;

In 't zwierig lijnspel dat ik mijmrend trek
Fladdren de vlinders met hun stom gesprek,
Terwijl ik eindlijk op mijn fijn penceel
De blauwe schemer van de hemel steel;

En eerst als gaaf het kunstwerk voor mij staat,
Ach, denk ik aan de meester en zijn raad.

Terug naar overzicht

De practici

(P.A. de Génestet 1829-1851)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Durf te leven ! kwel u niet
Met te veel gedachten,
Werk uw werk en zing uw lied
Onder blij verwachten !
Vroom en vroolijk, frisch en vroeg
Met de zonne wakker,
Strek uw handen naar den ploeg
Op den grooten akker !

Blik in 't rond, doch wijd uw vlijt
Niet aan 't spekuleeren;
Vriendje hebt ge zooveel tijd
Tot filozofeeren ?
Mooi ! zoo komt ge juist van pas
Voor een tal van zaken;
Is nog schoon te maken !

Denken doodt en doen verlicht !
Op ! de mensch moet handlen;
Niet staêg met bedrukt gezicht
Als in droomen wandlen !
Kracht, gezondheid, raad en baat
Voor uw zielenooden,
Is in d' arbeid, in de daad
U van God geboden !

Werk en min, ziedaar de troost !
Bouw een huis op aarde !
Leef en streef voor gade en kroost !
Kweek de schoone gaarde !
Menig nokkend filozoof
Wien zijn huis bekeerde
Tot echt-menschelijk geloof --
Dat zijn kind hem leerde !

Wie, uit liefde, een heilgen plicht
Hart en hoofd wil geven,
Zal zijn God en vrede en licht
Vinden in het leven;
Meer dan hij die, suf en sip,
Dag en nacht blijft zoeken
naar een r e e d l ij k  G o d s b e g r i p
In de nieuwste boeken !

Terug naar overzicht