Daar
komt Jaap de groenboer aan,
Met zijn ezelwagen.
Voor de huisdeur blijft hij staan,
En ik hoor hem vragen:
"Juffrouw koopt U wat van mij ?
Erwten, boonen, selderij.
Kijk eens in mijn manden,
Alles ligt voor handen."
"Juffrouw zie mijn waar eens na.
Zeg wat moet er wezen ?
Wort'len, bloemkool, uien, sla,
Alles uit gelezen !
Twee bos wort'len, dat is goed,
Frisch van kleur en suikerzoet.
Juffrouw, o wat zullen,
Straks Uw kind'ren smullen !"
"Zie die mooie peulen daar,
Wil u die niet koopen ?
Blijft de kar zoo vol en zwaar,
Dan wil grauw niet loopen."
"Jaapje, neen, vandaag niet meer,
Morgen kom je wel eens weer ?"
"'k Zal het niet vergeten,
Juffrouw, smaak'lijk eten !"
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Een aap,
Schoon kleiner dan een schaap,
Is echter een veel verstandiger knaap
En zou zich niet zo gemakkelijk laten scheren,
Als een schaap doet, in zijn wollen kleren.
Een aap is zeer amusant,
Vooral in zijn geboorteland,
En heeft in zijn jeugd veel grappiger manieren,
Dan de meeste jongelui onder de dieren.
Het klimmen en klaut'ren doet hij net zo vlug als een kat
En hij rijdt te paard op een hond,
Als iemand die er les in heeft gehad.
Van amandelen houdt hij veel en van noten,
En wat een ander met zijn handen zou doen,
Doet hij met zijn poten.
Daar is altijd een groot dispuut geweest
Of een aap een mens is of een beest;
En dat verwondert ons ook niet,
Daar men zoveel apen onder de mensen ziet.
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
,,AVRO 40”, juni feestmaand,
Hilversum receptieplaats.
Veertig jaar geleden had de
H.D.O.-conceptie plaats.
Ik ben dankbaar, dat ik destijds
’t Kindje wel eens wiegen mocht
Onder toezicht van twee bakers,
Van Guus Weitzel, Willem Vogt .
Ondanks vele kinderziekten,
Stuipjes, Mexicaanse hond,
Bloedarmoede, voedingstoornis
Werd het kindje tóch gezond.
Heel die leuke tijd van vroeger
Trekt weer aan mijn oog voorbij,
‘k Zie Max Tak en Nico Treep weer
En Hélèna Cals, Fred Fry:
‘k Zie mijn goeie vriend Buziau t’rug,
Nina Dolce, o, en dáár
Zijn de dames Snip en Snap óók,
‘t Vrouwelijke mannenpaar.
‘k Zie Jan Boots, Stella Fontaine,
‘k Hoor Han Hollander metéén,
Pierre Palla en Louis Davids,
Paul Colin en Egbert Veen.
‘k Zie Ida de Leeuw van Rees weer
Met Wam Heskes tegelijk.
Kovacs Lajos. en Rob Scholten
En daar Antoinette van Dijk.
‘k zit in AVRO’s Bonte Trein weer,
‘t Is, of ik zijn fluit nóg hoor;
Een pleziertrein, die plezier bracht
En ontspoord is op dood spoor.
Héél diep in mijn hart bewaar ik
‘t Móóiste stuk herinnering:
Toen mijn stem als allereerste
Draadloos naar de tropen ging.
VEERTIG jaren werd de AVRO;
Het destijds vrij hulp’loos kind
Heeft de leeftijd waarop ‘t leven
Eigenlijk pas goed begint.
AVRO, ‘k wens u nieuwe krachten,
Een vernieuwde frisse geest
En een glorierijke opmars
Naar het gouden AVRO feest
Onder zonne-klare hemel
Is ‘t nieuw tijdperk ingezet;
Blijf niet haken aan de draden
Van dat draadloos nieuwe net.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Wat was ze schoon toen ze uitgelaten
danste,
de zoete maagd, met sylfenlichte voet !
Haar reisblauw oog, waaruit haar onschuld glansde,
ontstak het vuur der liefde in elk gemoed.
Haar lippenpaar omzweefden zalige lachjes,
nooit werd een zoen gedrukt op malser koon.
Bewondrend fluisterde iedre jongling zachtjes
Wat is ze schoon !
Zoals rondom de bloem er vlinders
zweven,
zo ook omsluit haar deze vrijersschaar.
Elk wenst de hand ten danse haar te geven
en bidt en smeekt om maar 'n blik van haar.
Een lofzang ruist, waar zij ook treedt, haar tegen,
en, blozend als de rozen van baar kroon,
hoort zij verrukt het fluistren allerwegen
Wat is ze schoon !
Men zoekt vergeefs de maagd nu bij de
paren,
wanneer ‘t orkest het sein geeft voor de wals.
De herfst bestrooit haar graf met dorre blaren..
verwelkt is ook de lieve bloem des bals.
En toen de geest des doods ze naar de hemel
geleidde naar des Heren gulden troon,
zong ‘t englenkoor in ‘t schittrend lichtgewemel
Wat is ze schoon !
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik ben een zeer gelukkig kind,
Wanneer men dit bedenkt:
Mijn vader is mijn beste vrind,
Die mij schier alles schenkt:
Zijn afgedragen zomervest,
Zijn oude broeken, en de rest;
Maar dat weet Moeders naaister best.
Hoe lekker smaakt die boterham,
Met dat Sint Nikolaas,
Dat mijn mama mij brengen kwam
In plaats van Leidse kaas.
En och ! hoe menig arme man
Zijn zoontje proeft daar nimmer van;
Daar de ouwe 't niet betalen kan !
En daarop noopt mij dankbaarheid,
Reeds op het pad der deugd
(Gelijk mijn vader dikwerf zeit)
Te wand'len in mijn jeugd:
Altijd de rechte weg te gaan,
En, met mijn Zondags buisje aan,
Nooit ergens tegen aan te staan.
Wanneer Papa uit wandlen gaat,
Neemt hij ons dikwijls mee
En reciteert soms over straat
't Sanscrities a, b, c:
En, als ik 't hem dan nazeg, ik
Dan lees ik in zijn vaderblik:
'Ik ben ontzaglijk in mijn schik.'
En daarom is mijn vast besluit,
O dierbaar ouderpaar -
Dat ik, ofschoon uw jongste guit,
Uw meekrapkleurig haar
Nooit grijs doe worden voor de tijd,
Noch dat ik door gebrek aan vlijt
Het vaderhart u openrijt.
Integendeel, door mijn gedrag
Hoop ik al meer en meer,
- Als ik het zo 'reis noemen mag, -
Te strekken tot uw eer.
Zo moogt gij eenmaal, oude liên !
Nog in uw jongste telg misschien
Uw evenbeeld gespiegeld zien.
Verleden week zag ik een zoon,
Die zijne grootmama
Behandlen dorst met smaad en hoon,
De moeder van zijn pa !
Hij zei: haar man, die ouwe paai,
Sprak naamlijk als een schorre kraai....
- Dat stond die jongen heer niet fraai.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De landman gaat, nu de avond is
gevallen,
En de arbeid slaapt, voor 't laatst zijn hoeve rond;
Hij keurt het werk der knechts in schuur en stallen,
En als zijn schaduw volgt hem trouw de hond.
Hij toeft bij 't vee, en luistert hoe
het ademt;
Rond schoft en horen hangt een warme damp,
Die met een geur van zomer hem bewademt,
En in een nimbus nevelt om de lamp.
Dan loopt hij tastend langs de ruif
der paarden,
Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop;
Hij spreekt hen aan, en streelt een ruig behaarde,
Een speels hem toegestoken manenkop.
En als hij eindlijk, rustig na 't
volbrachte,
De handen boven 't vlammend houtvuur heft,
Vervult hem nog de ontroerende gedachte
Aan wat rondom hem leeft en niet beseft.
Hij peinst, en leest in 't boek met
koopren sloten
Het hoofdstuk uit, dat Noachs tocht beschrijft,
Hoe de arke met haar simple reisgenoten
Lang op de oeverloze zondvloed drijft.
Gans in het wonderbaar verhaal
verloren,
Terwijl hij mijmrend in de haardgloed staart,
Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,
Hij met zijn dieren over 't water vaart.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Freuletje Constance
Paulien en Emerance
Met hun drieen
Van falderalderiee
Leefden als begijntjes
Achter de gordijntjes
Lang geleden
Van falderaldera
Pauline leest bij 't lichtje
Een amoureus gedichtje
En Constance
Speelt een spel patience
Emeranc' zit uren
Fijntjes te borduren
Heel tevreden
Van falderaldera
Weg
zijn nu die uren
Patience en borduren
Poezieen
Van falderalderiee
'n Vierde is gekomen
Heeft bezit genomen
Van hun drieen
Van falderaldera
Met frisse jonge krachten
Uithuizige gedachten
Dolle streken
Lachend om hun preken
Met lieve minneliedjes
En coquetterietjes
Melodietjes
Van falderaldera
Freuletje Constance
Vergeet de convenance
Ebahie
Van falderalderiee
Houdt niet op met kleuren
Wat ging nu gebeuren
Met hun drieen
Van falderaldera
Emeranc' heel netjes
Borduurt 's nachts twee manchetjes
Paulien moet bij tijen
Soms lachen dan weer schreien
Maakt bij een olielichtje
Een heimelijk gedichtje
Falderie
Van falderaldera
Zo
komen bij Constance
Pauline en Emerance
De jaloezieen
Van falderalderiee
De vierde zeer hulpvaardig
Altijd even aardig
Met hun drieen
Van falderaldera
Ze wandelt met Pauline
En leert haar mandoline
Noemt Emerance haar zusje
En geeft Constance een kusje
Ze solt met al hun dieren
Om 't drietal te plezieren
Falderiere
Van falderaldera
Veranderd als presentje
Wordt het testamentje
Van hun drieen
Van falderalderiee
Dan klinken z' op 't logeetje
Bedrinken zich een beetje
Op 't soupeetje
Van falderaldera
De vierde brengt heel netjes
Het drietal naar hun bedjes
Dan gaat 't haar vervelen
Haar gunsten uit te delen
Adieu, zegt zij, Constance,
Pauline en Emerance
De romance
Is falderaldera
Nu zitten daar heel knusjes
De oud geworden zusjes
Met hun drieen
Van falderalderiee
Achter de gordijntjes
Vergeelde porseleintjes
Broos en fijntjes
Van falderaldera
De krulletjes heel netjes
Het mutsenlint coquetjes
De beverige handjes
De mondjes zonder tandjes
Pauline verwijt Constance
Herinnert Emerance
'n Imprudence
Van falderaldera...
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
In ’t bloeiend loofprieel zit ik
alleen
En drink, verlangend naar een kameraad, –
Is geen nabij, die met mij drinken wil ?
Daar komt de maan en groet mij als een vriend
En nog een derde duikt daar op: mijn schaduw !
Mijn schaduw en de maan ! Bij God, twee stille
Gezellen – en geen droppel drinken zij !
Mijn schaduwbeeld beweegt zich zooals ik,
Bleek is de maan – Gezellen, ’k heet u welkom.
Nu laat ons zwelgen tot de lente bloeit.
Ik zing – en lachend luistert naar mijn lied
De maan, ik dans – en vrolijk danst mijn schaduw.
Hallo, gezellen ! Welk een drinkgelag !
O blijft mij trouw, tenminste tot zoo lang
Als heldre zin mijn woorden nog bezielt.
Doch als de roes mijn slapen heet doorwoelt
Vaarwel dan, vriendschap ! Vrienden, dan vaarwel !
Wij scheiden in den vroegen morgenschemer,
Maar niet voor lang – Ja, morgenavond vieren
Wij feest weer samen – willen wij, gezellen ?
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Een engel blikte in ’t wiegje neer,
En vond in ’t hemels aangezichtje
Van ’t schuldeloos en sluim’rend wichtje,
Als in een beek, het zijne weer.
O (sprak hij) liefje ! mij gelijk !
O ! Ga met mij naar hoger sferen !
Wij zullen samen God vereren
En zalig zijn in ’t Hemelrijk.
Volkomen vreugd heerst niet op aard,
Daar heeft ook ’t heil zijn ongenuchten;
De blijdschap gaat vermengd met zuchten,
De wellust met berouw gepaard.
Daar woont de kommer op elk feest;
Daar zijn nooit onbewolkte dagen
Een waarborg tegen onweersvlagen;
Daar is nooit waar geluk geweest.
Hoe, zoude een bitt’re tranenvloed,
Die blauwende oogjes eens ontluist’ren ?
Zou ’t leed de reine glans verduist’ren,
Die ’t effen voorhoofd blinken doet ?
Neen ! met mij, eer gij zwoegt en lijdt,
Naar d’onbeperkte trans gevlogen !
De Algoedheid scheldt uit mededogen
U al uw verd’re dagen kwijt.
Uw afzijn bare aan niemand leed !
Neen, schoon ge uw adem laat ontglippen,
Vloei de eigen danktoon van elks lippen,
Die uw geboorte vloeien deed.
Dat hier geen voorhoofd somber zij;
Want o ! de laatste dag des levens,
Is hij niet de allerschoonste tevens,
Wanneer men rein is, liefje ! als gij ?
En de opgetogen engel vlood
Met brede vlerk naar hoger kringen,
Om ’t Hallel voor Gods troon te zingen.
Ach ! moeder ! ach, uw kindje is dood.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen
van de tekst)
Een ezel is een heer met een staart,
Dien hy van achteren draagt, als een paard.
Het verschil tussen ezels en geleerde doktoren
Zit hem soms minder in 't hoofd dan wel in de ooren.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen
van de tekst)
'k Bad dikwerf om een lok van Agnes
schitt'rend haar;
Zij weigert. 'k Vraag 't op nieuw als blijk van wederliefde;
Vergeefs. Ik neem in 't eind een gunstig kansje waar,
En vat met stoute hand een sluw verborgen schaar,
Die, eer zij 't merken kon, een Godlijk vlechtje kliefde.
Nu juich ik in mijn roof. Maar Hemel, welk een spijt!
Ach ! dat ik, vóór dat feit, onschuldig was gestorven !
Baldadige ! (roept ze met een angelscherp verwijt)
Gij hebt mijn nieuwe pruik (die zó veel kost) bedorven.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen
van de tekst)
Gezondheid is een grote schat
Om vergenoegd te leven.
Ofschoon ik grote rijkdom had,
Wat voordeel zou het geven,
Zo ik, doorknaagd van angst en pijn,
Mij zelve tot een last moest zijn.
Maar zou ik dan mijn Vaders raad
Niet ijverig betrachten ?
En gulzigheid en overdaad
Niet mijden en verachten ?
Die nooit genoeg heeft voor zijn mond,
Leeft zelden vrolijk en gezond.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen
van de tekst)
De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.
fabel over de wedstrijd tussen de
haas en de schildpad
(Jean de La Fontaine - 1621-1693)
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen
van de tekst)
De haas moest altijd lachen wanneer
hij de schildpad zag lopen, want het ging zo langzaam.
"Ik begrijp niet waarom jij nooit
naar iets onderweg gaat," zij hij pesterig.
"Als jij eindelijk aankomt, is het
altijd te laat en alles is al lang voorbij."
De schildpad lachte een beetje. "Vlug ben ik niet," zei hij,
"maar toch durf ik te wedden, dat ik
eerder aan de overkant van dit veld ben dan jij.
Zullen we een wedstrijd houden? Dan
kun je het zien."
"Goed!" riep de haas en meteen sprong hij er vandoor, zo snel als hij
kon.
De schildpad ging heel rustig op
weg.
Nu was het die dag erg warm weer met een brandende zon, en de haas werd
halverwege moe en slaperig.
"Weet je wat," dacht hij. "Ik doe
even een tukje onder die heg hier.
Zelfs als die schildpad me onderwijl
voorbij loopt, heb ik hem in een flits weer ingehaald."
De haas ging in de schaduw liggen en
sliep in.
De schildpad kroop gestaag voort onder de warme zon.
Pas na lange tijd werd de haas wakker. Het was veel later dan hij dacht
en hij keek eens rond.
Geen schildpad te bekennen. "Nou
nou," mompelde hij, "waar zit dat vriendje?
Wacht maar, ik zal hem eens wat
laten zien."
Als een pijl uit een boog schoot hij weg, door het korte gras, door het
koren, over sloten, langs braamstruiken,
en bij de laatste bocht bleef hij
even staan om te zien waar de eindstreep lag.
Daar! En nog geen halve meter ervoor
kroop de schildpad, langzaam maar zeker,
stap voor stap, dichter en dichter
naar het eindpunt.
Met een geweldige sprong stoof de haas erop af. Maar hij was te laat.
Toen hij de lijn passeerde, was de
schildpad hem juist voor geweest.
"Zie je nou wel," zei de schildpad.
Maar de haas had geen adem meer om te kunnen antwoorden.
(met dank aan Hanneke Peters voor het
sturen van de tekst)
Eens ging ik langs het lage riet,
Dat ruisen kan en anders niet,
Toen langs mijn pad een herder kwam,
Die één van deze halmen nam,
En die besnoeide en besneed,
En maakte tot zijn dienst gereed.
Door dit gekorven rietje, dat
Als dood hij in zijn handen had,
Die stemmeloze stengel, zond
Hij straks de adem van zijn mond,
En als hij blies, zo zong het riet,
En, als hij zweeg, verstomde 't lied:
De zoete, pas ontwaakte stem
Bestond en leefde slechts door hem.
Zo gaf ik gaarne wens en wil
In 's Heren hand en hield mij stil.
Zo dan, als door een rieten fluit,
Bij zwijgend eigen stemgeluid,
Gods adem door mij henen blies,
Hoe grote winst bij klein verlies !
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Elk weet, waar
't Almensch Kerkje staat,
En kent de laan, die derwaart gaat,
Een duiker perst daar, onder 't spoor,
Zijn schuim tot in de Berkel door;
Al golft rondom de wintervloed,
Men komt ter preek met droogen voet.
Eens was het anders hier ter stee,
Wanneer een voord den weg doorsnee,
En 't brugje, naast die voord geleid,
Den smaad droeg van zijn nieuwigheid.
Ik vond een boek, dat meld daarvan,
Wat volgen moet, zoo 't rijmen kan.
De voord, dan min dan meerder diep,
Naar sloot en schiegrep stond of liep,
Was Almens gansche tempelschaar
Vooral de Meisjes ! tot bezwaar;
Met schade aan dure feestkleedij
Kwam menig aardig kind niet vrij;
Men raakte in 't zweet op 't lange pad;
Men vatte koude in 't modderbad;
En de ijver om ter kerk te gaan
Bragt buikpuin en geen stichting aan.
Kortom die voord was elks verdriet,
In Almens needrig dorpsgebied;
Van toen de Meid, per bezemstok,
Den schoorsteen uit daar overtrok,
Tot, na verloop van eeuw en dag,
De Tooverkunst begraven lag;
Wanneer een Kerkedienaar kwam,
Die 't oud gebrek ter harte nam,
En, op een morgen, na 't sermoen,
Zijn woord aldus begon te doen:
"Mijn Vrienden, in mijn prillen tijd,
Ten herder van dit oord gewijd,
Zwom ik, met onbezweken trouw,
Mijn kudde voor, naar 't kerkgebouw.
Ook lieden nog, hoe grijs van kin,
Schoot ik getroost den slibkuil in;
Maar 't wil niet meer, en blijft het dus,
Zoo heet ik ras emeritus.
Met droogen hoest en jicht bezocht,
Verlaat mij kracht en ademtogt.
Nog tweemaal als van daag doorweekt,
Eilaas, dan heb ik uitgepreekt !
Een Brug, op 't smalste, naast de voord,
Uit planken van 't geringste soort,
Ziet daar mijn wensch ! Vergeet toch niet,
Wat ge in dien poel al schoenen liet !
Denkt aan uw kostlijk zondagsgoed,
Bedorven door dien moddervloed !
Ligt vindt gij, eer het werk verjaart,
Uw uitschot dubbel ingespaard;
En ik behoef dan baai noch drop,
En luik weer als een arend op !"
Hier zweeg den Man. Zijn aanspraak had
De luidjes bij hun zwak gevat.
Het stuk kwam ernstig op 't tapijt;
En wat men hoorde, wijd en zijd,
Was, viermaal dertig dagen lank,
Slechts palen, balken, rib en plank;
En, driemaal dertig andermaal,
Slechts planken ribben, balk en paal !
Ja, 't scheen zoo ver de Berkel vloeit,
Zou' ieder boord met hout beschoeid;
Of dat een reuzenzoldering
Den ganschen stroom verdekken ging.
Doch, met Aprilmaands lesten dag,
Moest blind zijn, die de brug niet zag !
Nog blinder, die met Julij kwam,
En niet van 't groen portaal vernam,
Ter dankbetoonende offerrand,
Door 't Maagdengild daarop geplant !
't Had reden ! want, hoe kerksch men was,
De vlierpot bleef nu in de kas;
Kalmink noch sergie liep gevaar;
En schoenloos werd geen wandelaar.
Zoo groeide een wijsgegeven raad
Ten milden oogst van zegenzaad !
En toch, dat werk, met roem bedekt,
Hat Scholte Stugginks gal gewekt !
Daar kwam hij ! Zonder ba of boe;
Gelaarsd, tot aan de heupen toe;
Een knubbelstok in iedre hand,
Kwam onze Paai, en stak van land,
Zoo vaak de preekklok werd gehoord,
De brug bezijden, in de voord !
Het vroegre kerkvolk, droog daarnaast,
Was van dit vreemd bedrijf verbaasd,
En 't vragen keek uit elk gezigt;
Doch ieder hield zich wijslijk digt:
De troep kwam later op het pad,
Waar Scholte Stuggink praat voor had:
Zijn makkers, uit den gulden tijd,
Dien vlieger, tol en bal verblijdt.
't Waarom en 't hoe bleef dus gespaard,
Tot Wolter, naar den eisch bejaard,
door gunstig toeval, juist van pas
Getuige van 't spektakel was.
"In Goos naam, zeg ons, Scholtebuur"
Hief Wolter aan "wat raarder kuur !
Hoe plomt gij ons zoo dol voorbij ?
Geloof, de brug draagt u en mij !"
"Ja" klonk het uit de modderzee
"De Scholtebuur en gij zijn twee !
Gelooft hij niet wat gij gelooft;
Zoo menig mensch, zoo menig hoofd.
Zie daar ! al werd uw brug van steen,
Toch zal ze Stuggink nooit betreen !
Wie eere geeft krijgt eer weerom:
Onze ouders waren ook niet dom !
Een brug valt ligt in een te slaan;
Onze ouders hebben 't nooit gedaan;
Zij gingen, waar nu Stuggink gaat,
Eeuw in eeuw uit, de modderstraat.
Al weten wij de reden niet,
't Is vast op goeden grond geschied;
En hebt gij hier een brug gemaakt,
Zoo hebt ge uw' ouders eer geraakt !
Laat dit genoeg zijn, Wolterbuur;
De klok houdt op; 't is negen uur.
Bouwt GIJ een BRUG om droog te gaan ?
Ik kom er ook, met LAARZEN aan !"
De
dochter had juist voor de gasten,
Gekweeld met hooge C sopraan.
Een heertje, dat wist hoe het hoorde,
Sprak toen Mama eens even aan:
"Mevrouw, uw dochter moet beslist naar
't Conservatorium toe gaan."
Die pracht-stem moet geschoold, ontwikkeld !
Ma zei: "Daar komt ze net vandaan !"
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Eenmaal had ik
zeven vrinden,
Bloemen in mijn levensgaard,
Die ik tot een krans mocht binden
Om mijn hoofd en om mijn haard.
Luister, en, van één tot zeven,
Zeg ik in een bondig lied,
Waar zij allen zijn gebleven,
Want ik had – maar heb ze niet.
De eerste, een knaap met blonde lokken
En een vriendelijk gemoed,
Is naar ’t verre land vertrokken,
Hij is heen en heen voor goed.
Op zijn beeltnis blijf ik staren
En ik weef een lang gedicht;
Door mijn dromen komt hij waren,
Met een vreemd en bruin gezicht.
Nommer Twee liet zijn getrouwen
Lopen voor een kleine meid,
Die hem strengen op leert houên,
Smelten doet van zaligheid.
’t Was een fiere, forse jongen,
Die altijd mijn poken brak;
Onbedwingbaar, nu bedwongen,
Door een zachte vrouweplak !
Nommer Drie, wie ik het leven
Zo vol gratie en talent
Door zag fladdren, zingen, zweven,
Half een vlinder, half student.
Zijn Eerwaarde zakte op klompen
In een kleigrond, zes voet diep,
En tracht d’Urmens in te pompen
Wie dan toch de wereld schiep !...
Nommer Vier werd ongenietbaar;
’t Is een pure filoloog !
’t Is een Graecus, ’t is een Piet – maar
Ongelooflijk dom en droog.
’k Moest de Vijfde laten glijden,
Daar ’k met hem mijn rust verloor,
Want op ongelegen tijden
Las hij me altijd verzen voor.
En de Zesde, jong bedorven –
Zwakke ziel en grote geest –
Is, mijn ziele schreit – gestorven !
Maar een ander zegt, gesjeesd.
Mocht hij voor een vriend herleven,
’k Zou hem in mijn dankbaar hart
’t Liefste plekje wedergeven,
Heilig door een lange smart.
Maar u kan ik zien noch luchten,
Diepst gezonken Simia !
Al uw zeemlen, al uw zuchten,
Al uw doen is
laria,
Ieder zuchtje is een Judas,
Ieder glimlach is een list...
O mijn help ! ik merk het nu pas,
Ach, de vent werd humorist !
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Kloë zestien
jaar oud,
Sprak: ik zal de min ontvlugten:
Want als men het wel beschouwt,
Doen de minnaars niets dan zuchten.
’t Is of elk zijn’ tijd besteed
In ’t gevoelen van zijn leed.
Waar ik slechts mijnen oogen wend’ --
Nergens vind ik twee gelieven
Die niet zuchten. Wat ellend’
Mag hun teedre boezems grieven ?
Waarom staag de vreugde ontvlugt
Door hun eindeloos gezucht ? --
Neen, nooit zal de liefde mij
In haar nare kluisters binden:
In die teedre slavernij
Kan ik zoo veel heils niet vinden.
Heeft de min er anders geen ? --
Liever blijf ik dan alleen.
Laats vroeg Lykas om een zoen . . . .
(’k Moet nog laghen om dat vragen.)
’k Riep: Och Lykas, neen ! -- En toen
Zuchtte hij, en sloeg aan ’t klagen.
ô Wat is het minnen dwaas !
Al zijn antwoord was -- helaas !
Gistren zag ik Lykas weêr.
’k dacht: ’t is best zijn oog te ontvlugten;
Wijl ik ligt zijn smart vermeêr:
Want hij weende en scheen te zuchten.
’k Vlood zeer schielijk van die plaats:
Alles riep mij daar -- helaas !
Zoo zong Kloë; -- maar de Min
Hoorde het vermetel zingen
Van die jonge herderin. --
’k Zal die stoute schoone dwingen !”
Sprak hij. -- Kloë maak vrij staat,
Dat hij ’t bij geen zeggen laat.
Eensklaps vloog hij naar beneên.
Kloë dacht: Zou hij mij dwingen ! --
’k Blijf gerust met hem alleen.
Lagchend ging zij voort met zingen:
’t Is of elk zijn’ tijd besteedt,
In ’t gevoelen van zijn leed.
Hij nam ’t meisje bij de hand,
Wees haar lagchend twee gelieven.
Houdt u wat aan dezen kant
Kloë ! (sprak hij) ’t mogt hen grieven.
Veilig moogt gij hen bespiên,
Zoo gij maar niet wordt gezien.
Och ! hoe gretig hoorde zij
Toen het zuchtend teeder hijgen,
Dat, in dees liefkozerij,
Kloë toeriep, onder ’t zwijgen:
Zie hoe men den tijd besteed,
In de liefde zonder leed.”
Toen Cupido haar verliet,
Gloeide hare lieve wangen:
En de gulle vreugd verliet
Kloë’s hart voor ’t zoet verlangen.
Sedert heeft zij het gezucht
Van haar’ Lykas nooit ontvlugt.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
In een kring
van jongelingen,
Bij de warme haard gezeten,
Drinken wij de purpren nektar.
Gulheid lacht in aller ogen,
Ieder vult de glazen beker
Op het welzijn van zijn meisje.
En dan vullen wij de glazen
Op het welzijn aller schonen.
Allen roepen wij: het welzijn
Van de Vaderlandse Schonen !
Nu doen wij opnieuw de nektar
In de heldre beker branden,
En nu roepen wij eenparig:
't Vaderland ! . . . . de bekers klinken,
En een traantje van verrukking
Mengt zich met de druivennektar.
Niemand spreekt er, maar elk aanzicht
Draagt de duidelijkste tekens
Van een edeldenkend harte.