SeniorPlaza

Daar alleen kan liefde wonen

Daar alleen kan liefde wonen,
      Daar alleen is 't leven goed,
      Waar men vrij en ongedwongen,
      Alles voor elkander doet.

Terug naar overzicht

Daar komt Jaap de groenboer aan
Daar komt Jaap de groenboer aan,
Met zijn ezelwagen.
Voor de huisdeur blijft hij staan,
En ik hoor hem vragen:
"Juffrouw koopt U wat van mij ?
Erwten, boonen, selderij.
Kijk eens in mijn manden,
Alles ligt voor handen."

"Juffrouw zie mijn waar eens na.
Zeg wat moet er wezen ?
Wort'len, bloemkool, uien, sla,
Alles uit gelezen !
Twee bos wort'len, dat is goed,
Frisch van kleur en suikerzoet.
Juffrouw, o wat zullen,
Straks Uw kind'ren smullen !"

"Zie die mooie peulen daar,
Wil u die niet koopen ?
Blijft de kar zoo vol en zwaar,
Dan wil grauw niet loopen."
"Jaapje, neen, vandaag niet meer,
Morgen kom je wel eens weer ?"
"'k Zal het niet vergeten,
Juffrouw, smaak'lijk eten !"

Terug naar overzicht

Dat heertje met zijn witte das

(Piet Paaltjens 1835 - 1894)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Dat heertje met zijn witte das

Was eertijds een minnezanger;

Doch sinds het die witte das aanheeft,

Minnedicht het niet langer.

 

Nu preekt het en doet huisbezoek,

En voor de variatie,

Houdt het 's winters met, driemaal in de week,

Lidmatencatchechisatie.

 

Ik bezweer u, mijn allerliefste vriendin !

De draak hier niet mee te steken;

Er zit wezenlijk zo iets aandoenlijks in,

Dat een hart er wel van mocht breken.

Terug naar overzicht

De aap

(Den Schoolmeester G van der Linde 1808-1858)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een aap,
Schoon kleiner dan een schaap,
Is echter een veel verstandiger knaap
En zou zich niet zo gemakkelijk laten scheren,
Als een schaap doet, in zijn wollen kleren.

Een aap is zeer amusant,
Vooral in zijn geboorteland,
En heeft in zijn jeugd veel grappiger manieren,
Dan de meeste jongelui onder de dieren.
Het klimmen en klaut'ren doet hij net zo vlug als een kat
En hij rijdt te paard op een hond,
Als iemand die er les in heeft gehad.
Van amandelen houdt hij veel en van noten,
En wat een ander met zijn handen zou doen,
Doet hij met zijn poten.

Daar is altijd een groot dispuut geweest
Of een aap een mens is of een beest;
En dat verwondert ons ook niet,
Daar men zoveel apen onder de mensen ziet.

Terug naar overzicht

De Arend

(met dank aan Bertus ten Bosch voor het sturen van de tekst)

In de witte zonneluchten

Zweeft de arend heen en weer

Al de hoge bergen hebben

Nu voor hem geen hoogte meer

En de bossen en de gletsjers

En de meren zijn heel klein

Groot alleen is nog het luchtruim

Met zijn blanke zonneschijn

 

Boven al wat blijft gebonden

Aan de aarde, wiekt hij rond

Als een heerser, die geen tweede

Machtsomklede naast zich vond

Naast zich duldde. En zijn ogen

In hun scherpte ongestuit

Kiezen in de slaafse diepte

Hem een koninklijke buit

 

Eensklaps valt hij van de hemel

Als een schaduw die verglijdt

En de gemzenbok springt voorwaarts

En de gemzenmoeder krijt

Maar de koning neemt zijn schatting

En zijn klauwen grijpensrêê

Voeren naar de zonneruimte

't Arme speelse geitje mee.

Terug naar overzicht

De AVRO viert feest

(Clinge Doorenbos)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

,,AVRO 40”, juni feestmaand,
Hilversum receptieplaats.
Veertig jaar geleden had de
H.D.O.-conceptie plaats.
Ik ben dankbaar, dat ik destijds
’t Kindje wel eens wiegen mocht
Onder toezicht van twee bakers,
Van Guus Weitzel, Willem Vogt .
Ondanks vele kinderziekten,
Stuipjes, Mexicaanse hond,
Bloedarmoede, voedingstoornis
Werd het kindje tóch gezond.
Heel die leuke tijd van vroeger
Trekt weer aan mijn oog voorbij,
‘k Zie Max Tak en Nico Treep weer
En Hélèna Cals, Fred Fry:
‘k Zie mijn goeie vriend Buziau t’rug,
Nina Dolce, o, en dáár
Zijn de dames Snip en Snap óók,
‘t Vrouwelijke mannenpaar.
‘k Zie Jan Boots, Stella Fontaine,
‘k Hoor Han Hollander metéén,
Pierre Palla en Louis Davids,
Paul Colin en Egbert Veen.
‘k Zie Ida de Leeuw van Rees weer
Met Wam Heskes tegelijk.
Kovacs Lajos. en Rob Scholten
En daar Antoinette van Dijk.
‘k zit in AVRO’s Bonte Trein weer,
‘t Is, of ik zijn fluit nóg hoor;
Een pleziertrein, die plezier bracht
En ontspoord is op dood spoor.
Héél diep in mijn hart bewaar ik
‘t Móóiste stuk herinnering:
Toen mijn stem als allereerste
Draadloos naar de tropen ging.
VEERTIG jaren werd de AVRO;
Het destijds vrij hulp’loos kind
Heeft de leeftijd waarop ‘t leven
Eigenlijk pas goed begint.
AVRO, ‘k wens u nieuwe krachten,
Een vernieuwde frisse geest
En een glorierijke opmars
Naar het gouden AVRO feest
Onder zonne-klare hemel
Is ‘t nieuw tijdperk ingezet;
Blijf niet haken aan de draden
Van dat draadloos nieuwe net.

 

Terug naar overzicht

De badende kinderen

(Mr. Christianus Petrus Eliza Robidé van der Aa  1791-1851)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Geen blijder dag, dan Zaterdag,

Telt mij de gansche week,

Als ik zoo frisch mij baden mag

In 't kuipjen op de bleek,

En daar, al spartlend in het nat,

Mama van top tot teen bespat.

 

Zij knort dan nooit, die lieve Ma,

Maar zorgt slechts, dat aan Piet,

Naast wien ik dan te plassen sta,

Door mij geen leed geschied;

En meestal kraait de kleine guit

Dan zijn plezier al schaatrend uit.

 

Als 'k op den vijver staren mag,

Zoo helder als kristal,

Dan wensch ik naar den blijden dag,

Dat 'k dáár mij baden zal,

En zwemmende, als de blanke zwaan

Dáár fiks zal kopjen-onder gaan.

 

Maar als ik dat aan Ma vertel,

Dan beeft zij als een riet;

Zij toch houdt van het baden wèl,

Maar van het zwemmen niet,

Waar menig knaap, gelijk zij zegt,

Het leven door heeft afgelegd.

 

Daar nu mijn lief Maatje vindt,

Dat zwemmen schaden kon,

Zoo waag ik me, als gehoorzaam kind,

In vijver, beek, noch bron;

Maar wacht tot ik mij, Zaterdag,

In 't houten kuipjen baden mag.

Terug naar overzicht

De bedelaar

(Omer Karel De Laey 1876-1909)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Voor de kerke, met ‘n langen
paternoster, in z'n hand,
is ‘n blinde bedelaar ge-
zeten, op ‘n hoopje zand.

 

Z'n gekrulde grijze lokken
vlotten, lijk gezwingeld vlas,
uit z'n mutse neder, op den
krage van z'n winterjas.

 

Langs hem ligt ‘n waterhond te
slapen, die van tijd tot tijd,
wakker schiet, en met z'n witte
tanden naar de vlooien bijt.

 

De oogen van den blinde, in hunne
diepe holten, hangen stil
en verdoofd, gelijk de glazen
van ‘n natbedoomden bril.

 

Halve dagen blijft hij daar ge-
zeten lijk ‘n wassen beeld,
en hij luistert naar den wind, die
met z'n grijze lokken speelt.

 

En de winter, die de koude
grimmig uit het oosten zendt,
rimpelt ‘t grauwe vel van z'n ver-
droogden kop, lijk perkament.

Terug naar overzicht

De beste vriend

(P.A. de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Antoinette Schraven-de Laat voor het sturen van de tekst)

Ik heb een vriend met ijz'ren hand
En koel gebiedend oog;
Met recht gevoel en kloek verstand,
Doch vaak wel nors en droog.

Zijn woord voor mij, zijn wil is wet,
Zijn wenken is gebod;
Wee ! zo mijn ziele zich verzet
Hij rooft mij elk genot.

Hij stoort mij soms in 't zaligst uur,
Bij lust en feest en lied;
Als in de weelde der natuur
Mijn dromend hart geniet.

Hij jaagt mij van de liefste plek,
Hoe zoet de morgen lacht,
En sluit mij op in 't eng vertrek
Daar lustige arbeid wacht.

Hij dwingt mij kalm te zijn en sterk,
Terwijl mij 't harte bloedt;
En als ik ween, dan zegt hij:
Werk !
Als ik niet kan: gij moet !

Hij baart mij strijd, hij geeft mij rust
In zorg of zweet verdiend;
Hij is mijn Last, hij is mijn
Lust,
Mijn Plaag en toch - mijn Vriend,

Want volg ik hem, dan rondom mij
Schept hij mij vrede en licht,
En stemt mij h't hart zo ruim, zo vrij.
Hoe is zijn naam ? - De Plicht.

Terug naar overzicht

De beuken

(Jacqueline van der Waals 1868-1922)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik keek naar het huis, naar het oude huis,

Dat stil in het licht lag te droomen,

Ik hoorde het fluisterend bladergeruisch

Der oude beukeboomen,

Die bevend wakker staan geschrikt

En nieuwen jammer vreezen…

Ik heb de boomen toegeknikt,

Ze met een glimlach toegeknikt,

Opdat ze niet bang zouden wezen.

Terug naar overzicht

De Bijbel in huis

(J.J.L. ten Kate 1819-1889)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Als de Bijbel wordt gelezen
In het christlijk huisgezin,
Poost de zorge van haar vrezen,
Houdt de scherts haar lachjes in.

Vader voelt zijn diere plichten,
Moeder sterkt zich in gebeên,
En Gods liefdestralen lichten
Over 't hoofd der kindren heen !

Al het goede, in 't harte slapend,
Waakt en wordt op nieuw gewijd;
Oud en jong voelt zich gewapend
Voor des Levens heilige strijd.

Droef zou 's Levens echo wezen,
Klonk er niets dan 's Mensen woord:
Waar de Bijbel wordt gelezen,
Wordt des Heren stem gehoord !

Terug naar overzicht

De bloem van 't bal

(Frans Jozef de Cort 1834 - 1878)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wat was ze schoon toen ze uitgelaten danste,
de zoete maagd, met sylfenlichte voet !
Haar reisblauw oog, waaruit haar onschuld glansde,
ontstak het vuur der liefde in elk gemoed.
Haar lippenpaar omzweefden zalige lachjes,
nooit werd een zoen gedrukt op malser koon.
Bewondrend fluisterde iedre jongling zachtjes
Wat is ze schoon !

 

Zoals rondom de bloem er vlinders zweven,
zo ook omsluit haar deze vrijersschaar.
Elk wenst de hand ten danse haar te geven
en bidt en smeekt om maar 'n blik van haar.
Een lofzang ruist, waar zij ook treedt, haar tegen,
en, blozend als de rozen van baar kroon,
hoort zij verrukt het fluistren allerwegen
Wat is ze schoon !

 

Men zoekt vergeefs de maagd nu bij de paren,
wanneer ‘t orkest het sein geeft voor de wals.
De herfst bestrooit haar graf met dorre blaren..
verwelkt is ook de lieve bloem des bals.
En toen de geest des doods ze naar de hemel
geleidde naar des Heren gulden troon,
zong ‘t englenkoor in ‘t schittrend lichtgewemel
Wat is ze schoon !

Terug naar overzicht

De Boog

(uit: Gedichten, 1870, Rosalie Loveling 1834-1875)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Moeder keek door 't venster buiten,
Vader maakte 't knaapje een boog;
't Blijde knaapje mikte op 't vinkje,
Dat naar 't hongrig nestje vloog.

 

't Arme vinkje tuimelt neder,
't Knaapje grijpt het, blij te moê;
Vader klopt hem op den schouder,
Moeder knikt hem vriendlijk toe.

 

Blinkende oogjes, bloedig bekje,
't Hertje brekende in den dood;
Wat al angst en wat al lijden
Toch dat kinderhandje omsloot !

 

Schuldloos is des knaapjes herte,
't Klopt van vreugde en hoogmoed, maar...
Wat zal nu van 't nestje worden
In den hoogen perelaar ?

Terug naar overzicht

De boterham en de goudzoeker

(Een verhaal in den geest des tijds)

(Piet Paaltjens 1835-1894)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Te Wormerveer

Woonde eens een Heer,

En te Overschie

Een juffrouw die

Dien Heer zijn hert

En Hand aanvaardde ze mijn moeder werd.

En Moeder liep wat met haar eersteling heen.

En Grootvader zei: "kijk ! hij loopt haast alleen."

Maar Vader zei droogweg: "dat's numero een."

 

 

En zoo leefden mijn ouders en ik alle drie

Als fatsoenlijke lieden op Overschie,

En wy hadden er ieder zijn boterham

Die ons alle drie smaakte en ons wel bekwam.

 

 

En toen er nu fluks - wat overdaad

In hun echten staat ! -

Gelijk het wel meer in het huwelijk gaat,

Een tweede kwam

Om zijn boterham,

Toen sprak mijn vader: "ik ben niet rijk,

"Ofschoon ik reeds met een paar stamhouders prijk.

"Ik heb geen post of geen landspensioen,

"Wat zal ik hier met de twee spruiten doen ?

"Hoe hou ik op Overschie mijn fatsoen ?

"Is één niet genoeg voor een burgerman ?

"Wat doe ik met twee ? - Wat heb ik er an ?

"Zoo'n tweede sieraad

"Van mijn huwelijksstaat,

"Die in 's levens ontlokenen dageraad

"Zich reeds tweemaal alhier te verslikken staat,

"Terwijl hy, in toomloozen overdaad,

"Zijn buik als een pakschuit op marktdag laadt,

"En zijn ouders vertroost met de hoop op zwart zaad,

"Pak jy, kameraad !

"Maar spoedig je biezen en poets me de plaat.

"Jy, klaplooper, voort ! of wy krijgen 't te kwaad.

"Hy eet meer dan twee

"En hy drinkt als de zee !

"Met zoo'n tweede letter in 't Echt - A-B-C

"Mijn huwelijkslevens, wat doe ik er meê ?

"Is A niet genoeg ? en wat heb ik aan B ?"

 

 

Mijn moeder zei lachend: "op Wormerveer

"Sprak iemand heel anders: niet waar, mijn Heer ?

"Kom, geef vrouwlief een zoen, en zeg het niet meer.

"Zoo'n zegen doet my en mijn kindtjen te zeer."

 

 

Maar toen er nu - weër om zijn boterham -

Op nieuw een produkt uit de bloemkool kwam,

Toen bromde mijn vader: "Wel Heerejee !

"Daar is nummer vijf !  wat doe ik er meê ?

"Wat heb ik hier aan zoo'n mutsebol ?

"Mijn zak loop leêg en mijn huis loopt vol,

"En de affaire gaat slecht en mijn kop is op hol.

"Op het Hof in den Haag

"Heb ik vrind noch maag,

"En op Overschie heb ik maag noch vrind.

"Wat doe ik hier met zoôn vijfde kind ?

"- 't Heeft nu reeds van 't zuigen een stuk in zijn kraag -

"Zoo'n jeugdige haai met zijn volle maag,

"Zoo'n zuigend zoogdier, zoo'n lik-in-de-pan,

"Zoo'n etende teering, wat maak ik er van ?

"Zoo'n vijfde kwaêjongen, wat heb ik er an ?"

 

 

Ons kroost was maar drie, en geen sterveling meer;

Maar 't reeknen ging slecht op Wormerveer.

 

 

Mijn moeder zei niets voor 't oogenblik;

Want mijn jongste broêrtjen had juist de hik.

 

 

Doch toen uit de kool nu een tweetal kwam,

En vroeg om een dubbelen boterham,

Toen riep mijn vader, geweldig boos:

"'t Lijkt de postwagen wel van Van Gend en Loos.

"Ben je daar alle drie ? wel dat doet my plezier,

"En de baker er ook by, en alles by nacht,

"Waarom kom je in eens toch maar niet alle vier?

"Een meer of minder zeit niets op zoo'n vracht,

"Haal het restjen nu ook maar, dan heb je net acht.

"Goddeloos ! wie had ooit zoo'n famielje verwacht ?"

 

 

Vader dacht aan een drieling: doch 't was er maar twee,

En hy telde in der haast onze baker noch meê;

Maar de man in zijn drift wist niet best wat hy deê.

 

 

Maar moederlief zei: "wel heden mijn tijd !

"Hoe raak je nu, Vader ! de klus zoo kwijt ?

"Daar is er geen een, die nog honger lijdt.

"En heb je dan geen overleg en vlijt ?"

 

 

"Ja wel", zei mijn vader: "maar acht is te veel,

"En daar kijken er zeven van honger al scheel.

- "Een ouderlijk dak en een huislijke haard

"En ons negental kind'ren en allen gespaard !

"Vier gespeend, vijf aan 't zuigen, en één met een baard,

"En die beeldfraaie brieven als Vader verjaart !

"En ons leven is waarlijk een hemel op aard ! -

"Dat zijn allemaal praatjens, de moeite waard

"Voor een Heer, die een koets houdt, een knecht en paard.

"Dan is 't hemelsch aandoenlijk en machtig fijn; -

"Maar daar moet in zoo'n hemel een boterham zijn.

"En voor boterhammen, in aantal zoo groot,

("Want wy zijn met ons tienen en niemand nog dood)

"Heb ik in zoo'n hongrigen hemel geen brood.

"Ik ben op dit punt licht zoo knap niet als Poot,

"En wat hebben wy hier aan een hongersnood ?

"Zoo'n hemel heeft veel van een ravennest.

"Maar eventjens elf... en ik schenk je de rest."

 

 

Mijn vader was weër in zijn rekening mis; -

Doch wat zeit niet een man al, die driftig is.

 

 

"Wel, Vader !" zei Moederlief: "jy weet het best:

"Maar ik heb geen vrees voor ons ravennest." -

 

 

"Hoort, kindren !" zei Vader op 't lest; "weet je wat ?

"Het eenige, dat er nog opzit, is dat

"Eerst je broêr met zijn baard, en jylui daarna,

"Dat elk uwer enfin eens uit reizen ga !

"En dat je maar, elk als je gaat en staat

"(Want veel plunje is op reis maar overdaad)

"Het ouderlijk huis by provizie verlaat,

"Tot het kindervertrek weër wat lediger staat.

"Want al ben jelui klein, jelui bent niet zoo mal

"Te denken, dat ik zoo'n vervaarlijk getal

"Voor kost en inwoning, vrijhonen zal.

"'t Is hier 't leger, de vloot en de schuttery

"By mekaêr en je maakt den foerier van my.

"Nommer één snij dus uit !

"Hier heb je mijn zegen en verder geen duit,

"En ik wou

"Dat met jou,

"De rest van die bengels reeds zat in de schuit."

 

 

't Was Vader die sprak en Vader alleen;

Want Moeder was ziek en sloop stilletjens heen.

En toen ik nu zag, dat ik d'oudste was,

Toen ging ik aan 't pakken en haalde mijn pas,

Als of het een reis naar Sebastopol was.

Mijn pakjen was licht, en mijn beurs woog nog min;

Doch Moederlief stak er een boterham in.

 

 

En toen eindelijk 't uur van het afscheid sloeg,

En de Schipper - of Jantjen haast klaar was - vroeg,

En Moeder hem zond wat die vracht bedroeg,

Met een brief en een fooitjen, meer dan genoeg,

En voor 't laatst op haar ziekbed in de armen my nam,

Terwijl er een beek langs mijn wangen kwam,

Toen zei zy: "hier is een zest'half of twee,

"En een dubbeltje, wees er maar zuinig meê.

"En daar komt uit mijn zak jongelief ! nog een duit;

"Maar Jantjen, och ! geef hem niet roekeloos uit."

 

 

"Wat of toch dat snikken en snott'ren beduidt,

"Dat heesch en dat krijtend hyeenengeluid ?

"Dat neusdoekverslindende neuzengesnuit ?"

Riep Vader omlaag met een stem als een fluit;

"Zeg, is dat gezanik daarboven haast uit ?

"Met huilen verschietje maar nutloos je kruit.

"Zoo Jantjen niet oppast, mist Jantjen de schuit,

"En wy zijn nog twee uren langer gebruid

"Met onzen geknevelden huwelijksspruit;

"Want de bel heeft al tweemaal voor de afvaart geluid."

 

 

Zoo sprak hy, en ik zei: "dag, Vader, adieu !"

"Nou ! niets van je Fransch hier," zei vader: "mosieu !

"Blijf my maar van 't lijf met die uitlandsche zeu

"En zeg op zijn Hollandsch eenvòudig: hadie !

"En kom je nog eens weër Overschie,

"Dan hoop ik, dat ik je in je rijtuig er zie,

"Met een dubbelen, dikken boterham;

"Want anders waar 't best, dat je nooit hier weër kwam."

Ik had in de reis volstrekt geen zin;

Doch de Schipper riep luid: "kom maak een begin,"

En zoo stapte ik in de schuit en de waereld in.

 

 

Maar eer ik nog was aan den Leydschen Dam,

Toen dacht ik reeds meer aan dien boterham,

Dien ik in de gedaante eener schatrijke vrouw,

Aan mijn vader, by 't keeren, eens brengen zoû,

Dan, ach ! aan de tranen van teederheid,

By 't afscheidnemen door Moeder geschreid.

 

 

In de roef vond ik daadlijk een meisjen, dat,

Op liefde prat,

Zoo aardig en poezelig by my zat,

Dat ik Vader zijn boterham byna vergat,

Wanneer ik gelukkig een waarschuwend blad,

Een naamloos briefjen, van Vader bekwam,

Waaruit ik de droevige tijding vernam,

Dat ze een weesdochter was zonder boterham.

Dat doofde zoo aanstonds mijn liefdevlam,

Zoodat ik subiet van haar afscheid nam

En in 't ruim der schuit nog eens stilletjens dacht

Aan de les, in mijn Vaders post-scriptum gebracht:

"Hoe lieflijk de sexie u tegenlacht,

"Het schoonste produkt van het schoone geslacht,

"Zonder boterham, Jan ! is een weërgâsche vracht.

"Je twee broêrtjens zijn dood.  Nu, dag Jan, goede nacht."

 

 

Doch toen ik nu reizende verder toog,

Toen viel al spoedig, op Schiermonnik-oog,

Mijn rechter zoo wel als mijn linker oog

Op een keurlijk sieraad van een maagd, zoo fraai,

Met zoo'n Fransche toernour en zoo'n smaakvollen draai,

Zoo'n zwierigen zwaai,

Dat elk een zei: "o Nay-

"ade ! o Syreen !

"O Trojaansche Heleen !

"O Penelopé ! gooi dat korpetjen toch heen !

"En baad ons, Melpomeen !

"Niet langer in treurspel en dolk en geween.

"Heb medelij toch met een blaauwe scheen,

"En leg ons wat zalf of wat kaarsvet op 't been,

"Of wind er wat Engelschen pleister om heen:

"Ik meen,

"Lieve Leen !

 "S'il vous plait, permitteer,

"Dat ik over u thands fatsoenlijk verkeer,

"Dat is vrij

"Over u, en dat gy,

"Van uw zij,

"Ook vrijt over my,

"En dat wy

"Ons gelukkig bevinden in die vrijery,

"Tot ik ras u aanschouw

"Aan dees borst als mijn vrouw,

"En dat niets ons dan schei in de gandsche natuur

"Tot de leste minuut van ons levensuur,

"Noch van u noch van my,

"Steeds voor wind en voor tij...."

 

 

Doch niet steeds is de liefde bestendig van duur;

Want: "die bruid

"Heeft geen duit."

Riep eens op een wand'ling een schoenpoetser uit,

En die maar klonk me in de ooren als een dondergeluid, -

- En gebluscht was op eenmaal mijn liefdevuur;

't Was basta hiermeê en mijn vrijen was uit;

Want ik dacht by geluk

Aan den boot'ram van Vader, dat waarschuwend stuk.

 

 

En op 't slot van de zaak was mijn hiel zelfs niet blaauw

En genas heel gaauw,

Zonder kaarsvet of pleister of zalf, en ik vloog,

Als een pijl uit een boog,

Van Penelopé weg en van Schiermonnik-oog.

Doch toen ik vervolgens de reis hernam

En 't Edam

Op de kaasmarkt kwam,

Toen vond ik zoo'n tros

Van een deern, met zoo'n blos

En zoo beelderig haar,

Het eenige kind van een kaas-makelaar

In kazen, een schatrijk Edammenaar,

Dat ik daad'lijk tot haar

Zei: "ach, dierbare Saar !

"Maak uw Zondagspak klaar

"Om terstond met mekaêr

"Naar het huwlijksaltaar,

"En te samen van daar

"Hand aan hand naar 't Edammer Stadhuis te gaan." -

En den volgende dag was ik vroeg op de baan

En ik belde aan het huis van mijn schoonvader aan,

Zoo netjes gekleed als een haan

Pas gebraên,

Toen ik juist hallef acht op 't Stadhuis hoorde slaan,

Doch hier zag ik een beer - met laarzen aan

En zoo bleek als een roomkaas - in 't voorhuis staan

En die zei: "je moet nimmer die gekheid begaan;

"Want die maaklaar in kaas is op reis naar de maan,

"En van middag nog slaan

"Wy beeren Zijn Edeles boeltjen aan."

En 'k zei hierop: "dankje, Chineesche schim !

"Geen maaklaar zegge ooit; hy was Jantje te slim.

"Lief Saartje, ik snij uit en ik laat je maar staan,

"En 't is met mijn vrijaadje te Edam gedaan."

 

 

En toen 't met mijn trouwen dus over was,

Zoo kwamen de bruidsuikers minder te pas

En ik stopte ze dus, met mijn hypocras,

Maar stilletjens weg in mijn overjas

En haastte my straks uit Edam vandaan

Nog zo ongehuwd als een Kapellaan

Maar nu kwam ik te Sneek

In de kermisweek

En ik raakte er zoo bleek

En dan weder zoo rood, zoo geheel van streek,

En ik voelde in mijn hart zoo'n doorborende steek;

Terwijl ik in Sneek

Naar niets anders keek,

Dan alleen heel den dag naar een Sneeksche apotheek;

Want hier zag ik een lijn

Van een meisken zoo fijn,

Met een hand als satijn,

En een kleur als een roos in de maneschijn;

En dat maagdelijn

Gaf m' een zoentjen als suiker of ambrozijn

Of malaga-wijn,

En ik riep in vervoering: "o liefste mijn !

"Ik verkwijn

"En verdwijn

"Uit het land van de levenden, lief Colombijn !

"Of gy moet pardoes de mijne zijn.

"Ach ! zeg: ja,

"Lieve Na !

"En niet spaê

"Wees mijn gaê". -

En het meisken zei: "ja,

"Met consent van mama;

"Want ik heb geen papa." -

En straks zijn wy de bruid

En niet langer een buit

Van het snood celibaat, dat een vrijgezel bruit,

En wy roeien te saam in de huwelijksschuit,

En mijn Naatjen die ziet er zoo snoeperig uit.

(Als je durfde, dan stal je haar weg van mijn zij;

Maar laat dat maar liever, want ik ben er bij).

En zoo gaan we in de wittebroodsweken vooruit.

En ik zeg tot besluit,

Dat mijn lief gezin

Met zoo'n Engelin

Van een hartsvriendin,

En een jeugdig paar tweelingen, tot een begin,

Een toneel is van trouw en van Sneeksche min....

...Maar haar moeder te Sneek zit er warmpjes in.

 

 

En toen ben ik nu over de Leydschen Dam

Met Na te Overschie by mijn vader kwam,

Toen zei ik: "hier heb ik mijn boterham."

Doch Vader was, och ! helemaal van streek,

En zag doodlijk bleek,

Als of hem de dood uit zijn oogen keek,

En nadacht: "ik woû maar ik zat weër te Sneek."

Doch eindelijk sprak hy: "wel Jan ! dat is goed;

"Maar zie, in mijn huis is thands overvloed;

"En 'k behoef my niet langer te kwellen om brood:

"Want de kinders zijn weg en je moeder is dood."

Terug naar overzicht

De Bruid

(Jan Prins)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De lucht, over den jongen dag,

Was helderder dan ooit.

Iets ongewoon-verblijdends lag

In weide en veld gestrooid.

De torenklok zong, wat ze kon,

De vlaggen staken uit.

De bruigom was de lentezon

En Holland was de bruid.

 

Ze was des morgens opgestaan,

Een ranke, frisse meid.

Ze deed haar gazen sluier aan

Van dunne dauwigheid.

Ze stak zich van den pereboom

Den bloesem in het haar,

Die witter dan een winterdroom

Is, wonder, wonderbaar.

 

Ze deed een gladden gordel om

Van zilverig allooi,

Van zuiveren waterglans, wat glom

Die ronde gordel mooi !

Toen hechtte ze als een donzen vacht

Aan haar satijnen kleed

Den schuimrand, dien de zee haar bracht.

Toen was de bruid gereed.

 

Een ooievaar trad op den deel,

Gewichtig, met zijn stok.

De merel was in zwart fluweel,

De zwaluw kwam in rok.

Toen keken, daar 't zó prachtig was,

En Holland is de bruid,

De madeliefjes in het gras

Haar gouden oogjes uit.

 

De bruidegom is een edel man,

De bruid is jong en sterk.

Daar komen schone kinders van

En blijdschap bij het werk.

De bruid, waar zag men weker leest,

Een vriendelijker mond,

De bruid, die maakten zeewind meest

En ruimte zo gezond.

 

Nu komt ze met haar lief gezicht

Den bruigom tegemoet.

Wat is de hemel wijd en licht.

Wat is het leven goed.

De wereld is een wonderbron

Van telkens nieuw geluid.

De bruigom is de lentezon

En Holland is de bruid.

Terug naar overzicht

De bruid

(Hendrik Marsman 1899 - 1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik dacht dat ik geboren was voor verdriet

 

en nu ben ik opeens een lied

aan ’t worden, fluisterend door het ijle morgenriet.

Nu smelt ik weg en voel mij openstromen

naar alle verten van den horizon,

maar ik weet niet

meer waar mijn loop begon.

 

De schaduwen van blinkend witte wolken

bespelen mij en overzeilen mij;

en scholen zilvren vissen bevolken

mijne diepte en bliksemend voel ik ze mij

doorschichten en mijne wateren alom doorkruisen

en in mijn lissen vluchten

 

zij zijn mijn kind’ren en mijn liefste dromen

 

ik ben nu volgegoten met geluk.

De tranen die ik schreide en de zuchten

zie ik vervluchtigen tot regenbogen

die van mijn ogen springen naar de zon.

 

Waar zijn de bergen van den horizon ?

 

Ik zie ze niet.

Terug naar overzicht

De daad

(C.S. Adama van Scheltema 1877-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wie is het die de zwarte voren

In golvend goud verandren doet,

Wie mesten en wie maaien 't koren,

Wie is het die de wereld voedt ?

Dat zijn de paarden en de ploegers,

Dat zijn de zweeters en de zwoegers,

Dat zijn de zaaiers van het zaad -

Dat is de daad !

        

Wie graaft de glinsterende kolen,

Wie schept het schitterende zout,

Wie haalt uit diepe duistre holen

Het gele glanzend zachte goud ?

Dat zijn die in het donker graven,

Dat zijn de sloovers en de slaven,

Dat is de zwarte kameraad -

Dat is de daad !

        

Wie zijn het die de wereld tooien

Met hunne wapperende vlag,

Die roode bloesems om zich strooien

Gelijk een eeuw'gen lentedag ?

Dat zijn de werkers en de wakers,

Dat zijn de sterken en de stakers,

Dat zijn de mannen van de straat -

Dat is de daad !

        

En wie die hunne vaandels vlechten

Tot éénen rozerooden band,

Die voor een nieuwe wereld vechten

En sterven voor 't beloofde land ?

Dat zijn de muiters en de makkers,

Dat zijn de taaie rooie rakkers,

Dat zijn de sloopers van den staat -

Dat is de daad !

Terug naar overzicht

De dame met de sprei

 (met dank aan Diana Aarts voor het sturen van de tekst)

Er was een dame in de stad,

Die op de Westertoren zat.

Zij zat te haken aan een sprei,

"O, wat verrukkelijk !" riep zij,

"Ik kijk hier over alle daken,

En onderwijl zit ik te haken !"

 

Toen woei de wind in haar gezicht

En zij verloor haar evenwicht.

Maar onder ‘t vallen  werkte zij,

Nog altijd verder aan die sprei

En zij bleef tellen ondertussen:

"Drie halve vasten en twee lussen."

 

Zij viel na anderhalve toer,

In d' auto van de groenteboer

Zonder zich ernstig te bezeren,

Te midden van een kist met peren.

De groenteman die aan kwam rennen,

Riep uit: "O, mijn triomf de viënne !!"

 

Maar zij bleef rustig verder haken,

Zonder zich ook maar druk te maken.

M’n kind, wanneer je dit gaat lezen

Laat het dan een voorbeeld voor je wezen;

Werk door ! .. werk door ! .. hoe het ook zij !

Denk aan die dame met de sprei !!

 

Terug naar overzicht

De dankbare zoon

(Gerrit van de Linde 1808-1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik ben een zeer gelukkig kind,
Wanneer men dit bedenkt:
Mijn vader is mijn beste vrind,
Die mij schier alles schenkt:
Zijn afgedragen zomervest,
Zijn oude broeken, en de rest;
Maar dat weet Moeders naaister best.

Hoe lekker smaakt die boterham,
Met dat Sint Nikolaas,
Dat mijn mama mij brengen kwam
In plaats van Leidse kaas.
En och ! hoe menig arme man
Zijn zoontje proeft daar nimmer van;
Daar de ouwe 't niet betalen kan !

En daarop noopt mij dankbaarheid,
Reeds op het pad der deugd
(Gelijk mijn vader dikwerf zeit)
Te wand'len in mijn jeugd:
Altijd de rechte weg te gaan,
En, met mijn Zondags buisje aan,
Nooit ergens tegen aan te staan.

Wanneer Papa uit wandlen gaat,
Neemt hij ons dikwijls mee
En reciteert soms over straat
't Sanscrities a, b, c:
En, als ik 't hem dan nazeg, ik
Dan lees ik in zijn vaderblik:
'Ik ben ontzaglijk in mijn schik.'

En daarom is mijn vast besluit,
O dierbaar ouderpaar -
Dat ik, ofschoon uw jongste guit,
Uw meekrapkleurig haar
Nooit grijs doe worden voor de tijd,
Noch dat ik door gebrek aan vlijt
Het vaderhart u openrijt.

Integendeel, door mijn gedrag
Hoop ik al meer en meer,
- Als ik het zo 'reis noemen mag, -
Te strekken tot uw eer.
Zo moogt gij eenmaal, oude liên !
Nog in uw jongste telg misschien
Uw evenbeeld gespiegeld zien.

Verleden week zag ik een zoon,
Die zijne grootmama
Behandlen dorst met smaad en hoon,
De moeder van zijn pa !
Hij zei: haar man, die ouwe paai,
Sprak naamlijk als een schorre kraai....
- Dat stond die jongen heer niet fraai.

Terug naar overzicht

De dieren

(Aart van der Leeuw 1876-1931)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De  landman gaat, nu de avond is gevallen,
En de arbeid slaapt, voor 't laatst zijn hoeve rond;
Hij keurt het werk der knechts in schuur en stallen,
En als zijn schaduw volgt hem trouw de hond.

 

Hij toeft bij 't vee, en luistert hoe het ademt;
Rond schoft en horen hangt een warme damp,
Die met een geur van zomer hem bewademt,
En in een nimbus nevelt om de lamp.

 

Dan loopt hij tastend langs de ruif der paarden,
Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop;
Hij spreekt hen aan, en streelt een ruig behaarde,
Een speels hem toegestoken manenkop.

 

En als hij eindlijk, rustig na 't volbrachte,
De handen boven 't vlammend houtvuur heft,
Vervult hem nog de ontroerende gedachte
Aan wat rondom hem leeft en niet beseft.

 

Hij peinst, en leest in 't boek met koopren sloten
Het hoofdstuk uit, dat Noachs tocht beschrijft,
Hoe de arke met haar simple reisgenoten
Lang op de oeverloze zondvloed drijft.

 

Gans in het wonderbaar verhaal verloren,
Terwijl hij mijmrend in de haardgloed staart,
Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,
Hij met zijn dieren over 't water vaart.

Terug naar overzicht

De dierenvriend

(met dank aan Tobias van der Hoeven voor het sturen van de tekst)

Als ergens voor een lege villa

Een grote meubelwagen staat

En een aantal stoere kerels

Voortdurend heen en weder gaat

Staat een kind de paarden

Trouw te voederen

"Kijk dat vind ik aardig vent"

Zegt één der mannen

"Maar weet ook je moeder

Waar je hier mee bezig bent

En waar haal jij dat brood vandaan ?"

Terwijl de vrager hevig schrok

Wees het ventje met zijn vinger

"Daar bij die jassen op de bok."

Terug naar overzicht

De dijk

(C.S. Adama van Scheltema)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe

Daar lag de dijk door het waterig land

Als iets waaraan niets was te veranderen;

De koeien en de kikkers aan de' eenen kant

En de zilveren visschen aan de' anderen;

Zoo bleven zij ieder in hun element,
Daar was dan ook ieder al lang aan gewend

Daar tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe.

 

En ónder aan den dijk daar glommen de blommen;

Die zwierden en tierden maar overal,

Die stonden te bloze' en te bloeien,

Die knikten en knakte', en die lachten maar al

Om die klapperdekakkende koeien;

En de koeien, die tilden hun steerten op
En zagen nadenkende uit hunnen kop,

Ja ónder aan den dijk daar glommen de blommen !

 

En óver den dijk daar floten de booten;

Die toeterde' en ploeterden door de rivier,

Die waren geweldig aan 't sleepen,

En hadden een onfatsoenlijk pleizier

In de deftig zeilende schepen.

Die hielden zich kwasi wat achteraf,
Maar eigenlijk legden ze 't leelijk af,

Ja, óver den dijk daar floten de booten !

 

En benéde' aan den dijk daar had je het stadje;

Dat lag daar zoo kluchtig, zoo klein en zoo rein,

Als was 't maar een hapje, een stapje,

Dat kon eigenlijk wel eens niet anders zijn

Dan een echt-Hollandsch schildersgrapje !

Maar van den toren is dat niet gezegd,
Want de ouwe toren was zeker echt !

Ja, benéde' aan den dijk daar had je het stadje !

 

En bóve' op de dijk daar voeren de boeren;

Die holderdebolderden over den dijk

In hun hossebossende sjeezen

Die reden hun glanzende peerden te kijk,

En hun wijf in heur Zondagsche wezen,

En die klapte' hunne zweep en die dachten maar: "krak,
Hoort gij die rijksdaalders wel in mienen zak !"

Ja bóve' op den dijk daar voeren de boeren ! 

Terug naar overzicht

De drie bedrogen studenten

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Drie studenten even dartel,

Zooals meest studenten zijn,

Liepen langs den weg te zingen,

Braaf verhit van den ouden wijn.

Nu was geene dan weer deze,

't Mikpunt van hun spotternij,
Dan was 't weer een boerendeern,

Dan weer 'n dame in het zij !

Dan de steek des ouden leeraars,

Dan den staartpruik van den schout ,

Ieder moest hun spot verduren,

Groot en klein ! jong en oud !

In 't verschiet daar komt een landman

Die van 't dagwerk afgemat,

In de vele dart'le streken,

Van de jeugd, - geen zin meer had.

"Ha !" roept de eerste van het drietal,

"Daar komt juist de rechte man

Die ons met zijn boerenuitzicht,

Vroolijk eens vermaken kan."

"Goeden Avond ! - vader Abraham !"

Sprak de eerste van hun uit,

"Goedenavond ! – vader Izaäk !"

Spreekt de tweede en lachte luid,

"Goeden avond ! papa Jacob !"

Zegt de derde, en zag hem aan.

En het drietal schudde van 't lachen,

Om den ouden die bleef staan,

Op hun toetrad en hun aansprak.

"Abram, Izaäk, Jacob neen gij raad het mis.

Dus gij hebt u hier versproken,

Ik ben Saül de zoon van Kis,

Die reeds vroeg was uitgezonden,

In het bosch en in het dal.

Om drie ezels op te zoeken,

Weggeloopen van de stal,

Maar ik hoef niet meer te zoeken,

Daar ik 't drietal voor mijn zie !

Dus ik kan gerust naar huis gaan,

Goeden avond ! alle drie."

Terug naar overzicht

De drie freuletjes

(Manna de Wijs-Mouton - 1873-1935)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Freuletje Constance
Paulien en Emerance
Met hun drieen
Van falderalderiee
Leefden als begijntjes
Achter de gordijntjes
Lang geleden
Van falderaldera
Pauline leest bij 't lichtje
Een amoureus gedichtje
En Constance
Speelt een spel patience
Emeranc' zit uren
Fijntjes te borduren
Heel tevreden
Van falderaldera 

Weg zijn nu die uren
Patience en borduren
Poezieen
Van falderalderiee
'n Vierde is gekomen
Heeft bezit genomen
Van hun drieen
Van falderaldera
Met frisse jonge krachten
Uithuizige gedachten
Dolle streken
Lachend om hun preken
Met lieve minneliedjes
En coquetterietjes
Melodietjes
Van falderaldera 

Freuletje Constance
Vergeet de convenance
Ebahie
Van falderalderiee
Houdt niet op met kleuren
Wat ging nu gebeuren
Met hun drieen
Van falderaldera
Emeranc' heel netjes
Borduurt 's nachts twee manchetjes
Paulien moet bij tijen
Soms lachen dan weer schreien
Maakt bij een olielichtje
Een heimelijk gedichtje
Falderie
Van falderaldera

Zo komen bij Constance
Pauline en Emerance
De jaloezieen
Van falderalderiee
De vierde zeer hulpvaardig
Altijd even aardig
Met hun drieen
Van falderaldera
Ze wandelt met Pauline
En leert haar mandoline
Noemt Emerance haar zusje
En geeft Constance een kusje
Ze solt met al hun dieren
Om 't drietal te plezieren
Falderiere
Van falderaldera

Veranderd als presentje
Wordt het testamentje
Van hun drieen
Van falderalderiee
Dan klinken z' op 't logeetje
Bedrinken zich een beetje
Op 't soupeetje
Van falderaldera
De vierde brengt heel netjes
Het drietal naar hun bedjes
Dan gaat 't haar vervelen
Haar gunsten uit te delen
Adieu, zegt zij, Constance,
Pauline en Emerance
De romance
Is falderaldera
 
Nu zitten daar heel knusjes
De oud geworden zusjes
Met hun drieen
Van falderalderiee
Achter de gordijntjes
Vergeelde porseleintjes
Broos en fijntjes
Van falderaldera
De krulletjes heel netjes
Het mutsenlint coquetjes
De beverige handjes
De mondjes zonder tandjes
Pauline verwijt Constance
Herinnert Emerance
'n Imprudence
Van falderaldera...

Terug naar overzicht

De drie gezellen

(Helene Swarth 1859-1941)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

In ’t bloeiend loofprieel zit ik alleen
En drink, verlangend naar een kameraad, –
Is geen nabij, die met mij drinken wil ?

Daar komt de maan en groet mij als een vriend
En nog een derde duikt daar op: mijn schaduw !
Mijn schaduw en de maan ! Bij God, twee stille
Gezellen – en geen droppel drinken zij !
Mijn schaduwbeeld beweegt zich zooals ik,
Bleek is de maan – Gezellen, ’k heet u welkom.
Nu laat ons zwelgen tot de lente bloeit.

Ik zing – en lachend luistert naar mijn lied
De maan, ik dans – en vrolijk danst mijn schaduw.
Hallo, gezellen ! Welk een drinkgelag !
O blijft mij trouw, tenminste tot zoo lang
Als heldre zin mijn woorden nog bezielt.
Doch als de roes mijn slapen heet doorwoelt
Vaarwel dan, vriendschap ! Vrienden, dan vaarwel !
Wij scheiden in den vroegen morgenschemer,
Maar niet voor lang – Ja, morgenavond vieren
Wij feest weer samen – willen wij, gezellen ?

Terug naar overzicht

De eikenboom

(Jan Dirk Padmos geb. 18-08-1909 te Rotterdam)

(met dank aan Wil Bode-Padmos voor het sturen van de tekst)

(stond onder op een stoof)

Door storm en regen werd ik groot,

Door zaag en bijl vond ik de dood.

Als stoof wil ik nu verder leven,

Om ieders voeten rust te geven.

Terug naar overzicht

De engel en het kind

(Jacob van Lennep 1802 - 1868)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een engel blikte in ’t wiegje neer,
En vond in ’t hemels aangezichtje
Van ’t schuldeloos en sluim’rend wichtje,
Als in een beek, het zijne weer.

O (sprak hij) liefje ! mij gelijk !
O ! Ga met mij naar hoger sferen !
Wij zullen samen God vereren
En zalig zijn in ’t Hemelrijk.

Volkomen vreugd heerst niet op aard,
Daar heeft ook ’t heil zijn ongenuchten;
De blijdschap gaat vermengd met zuchten,
De wellust met berouw gepaard.

Daar woont de kommer op elk feest;
Daar zijn nooit onbewolkte dagen
Een waarborg tegen onweersvlagen;
Daar is nooit waar geluk geweest.

Hoe, zoude een bitt’re tranenvloed,
Die blauwende oogjes eens ontluist’ren ?
Zou ’t leed de reine glans verduist’ren,
Die ’t effen voorhoofd blinken doet ?

Neen ! met mij, eer gij zwoegt en lijdt,
Naar d’onbeperkte trans gevlogen !
De Algoedheid scheldt uit mededogen
U al uw verd’re dagen kwijt.

Uw afzijn bare aan niemand leed !
Neen, schoon ge uw adem laat ontglippen,
Vloei de eigen danktoon van elks lippen,
Die uw geboorte vloeien deed.

Dat hier geen voorhoofd somber zij;
Want o ! de laatste dag des levens,
Is hij niet de allerschoonste tevens,
Wanneer men rein is, liefje ! als gij ?

En de opgetogen engel vlood
Met brede vlerk naar hoger kringen,
Om ’t Hallel voor Gods troon te zingen.
Ach ! moeder ! ach, uw kindje is dood.

Terug naar overzicht

De erste lokkemotief

(B.V. Meurs)

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

Nou 'k heb em gezien heur ! de lokkemotief

Nog vuul ik de griezel er van deur mien lief,

Zo 'n monster mein ik, zo'n aoklig masjien

Is nooit ien et derp en karmis gezien.

Nee liever nog zie ik, al kost et ook meer,

Een zeemarremin, drommedaris, of beer !

 

We stoengen van mergen bij 't wachthuus aan 't hek

Onze erbeiêr Jan en dan ik, zei de gek.

Pas op riep de wachtbaos, meteen komt ie er aon,

Al is ie nog wel en kwartier hier vandaon !

En krek dat ie 't zeit, loer ik efkes op zij

Verrechtig, daor kwam ie al dichterbij.

 

En aorigheid was et te zien in de vert,

Hoe dichter ie bij kwiem, hoe groter ie werd.

Hie dampte uut z'n piep witte rookwolken uut

En gromde  toezoers uut en vuut ! uut en vuut !

'k Kiek um d'r was niks, gene kraoi op den weg,

,,Rij deur maar !" zo riep ik en met da 'k et zeg,

 

Daor geft ie en schraow, da verdekselde ding,

Da 'k meinde da heuren en zien me verging.

He rit wa geraos, 'k docht de grond zakt ieneen !

'k Zag schiemring veur de ogen, ik rilde ien de lêên.

De boom griepte ik vast, 't was precies of en douw,

Dien 'k vuulde en nie zag, mien veurruut stoten wou.

 

En veur da 'k keer aojem kos haolen, verdord

En veur ik hem goed zien kos, daor was ie al vort !

Het erst wa'k toen zei was: ,,Hij leefde nog Jan ?"

,,Jao" zeet ie ,,maor jong, vralterierend bin ik er van !"

,,Ik ook" zei ik ,,jong,"t kan zowaor in de hel

Nie slimmer spektaoklen, geleufde da wel ?"

 

,,'k Geleuf 't" zeit ie ,,'k heb er den duuvel zien staon,

Zo'n zwarte sinjeur en et vuur porde aon !"

,,Zeg duuvel of weerwolf, 't is krek en allins,

Went da houw ik vol, Jan ik zet et en mins,

Um zo zonder peerd, zonder toom, zonder zweep,

Zo'n waogen te sturen ! zeg vat je de kneep !"

Terug naar overzicht

De ezel

(Schoolmeester 1808-1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een ezel is een heer met een staart,
Dien hy van achteren draagt, als een paard.
Het verschil tussen ezels en geleerde doktoren
Zit hem soms minder in 't hoofd dan wel in de ooren.

Terug naar overzicht

De fijne daden der Rijken of De gemeene daden der Werkman

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Dames en heeren  ik zal u laten hooren,

Met welk een verschil de mensch is geboren.

Een woord op z'n pas, stelt niet ieder tevreen,

Al schijnen die woorden somtijds gemeen.

Al schijnen die woorden somtijds onrein,

Toch moet elk zeggen, ze zijn werkelijk fijn.

De woorden der armen  noemt men gemeen,

Maar die van de rijken zijn fijn alleen.

 

Een werkmansdochter had zich laten bekoren,

Uit dit geval werd nu een kleintje geboren.

Men bracht haar  naar 't ziekenhuis heen,

En sprak zulk een slet  is vreeslijk gemeen.

Maar een rijke jongedame had 't zelfde geval,

Haar kindje verdween,  en dit dekte haar val.

Als moeder te zorgen noemt men altijd gemeen,

Maar kind'ren verduisteren is fijn alleen.

 

Een arme drommel zat in de nor,

Hij stal voor zijn huisgezin een brood,

Men bracht hem naar de gevangenis heen,

En sprak zulk een dief is vreeselijk gemeen.

Maar een rijke mijnheer ging onlangs henen,

Met drie, vier millioenen  was hij verdwenen,

Een dief in de nood is altijd gemeen,

Maar  milioenen  verduisteren is fijn alleen.

 

Een werkman had een slokje gedronken,

Zooals  men  dat noemt  was hij tamelijk beschonken.

Men bracht hem naar 't politiebureau heen,

En sprak zulk een dronkaard is vreeslijk gemeen.

Maar een student laat zich rijden door paard en door wagen,

Want zes flesch champagne  kon hij niet verdragen.

Van jenever dronken noemt men altijd gemeen,

Maar van champagne is fijn alleen.

 

De werkloosheid  is uitgebreid   en groot,

Zoodat vele gezinnen  verkeeren  in nood.

De winter is daar zeer koud en streng,

Zij loopen bijna naakt,  wie brengt redding voor hen?

Maar rijken heeren  en dames  gaan gekleed in het bont,

Of rijden in sleden of rijtuigen rond.

Door armoe schamel gekleed gaan noemt men gemeen,

Maar pronken met rijkdom is fijn alleen.

Terug naar overzicht

De gebroken schaats

(Jan Brester 1805-1862)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

„Heeft er iemand ook een touwtje ?

't IJzer is mij losgegaan !"

Smeekte een aardig weduwvrouwtje,

Dat op ééne schaats moest staan.

 

Och, ze wou zich reis vertreden;

Zie, ze had toch tijds genoeg,

En ze had nog niet gereden,

Sinds ze 't weêuwenrouwkleed droeg.

 

Eerst ging 't stemmig, zacht en zoetjes,

Langs de buurt en op de baan:

't Was of waagden oog noch voetjes

Links of regtsom uit te slaan.

 

Maar de streek werd lang en langer,

't Voordewindje kwam van pas,

En het hart sloeg haar niet banger,

Dan toen ze een jong meisje was.

 

Ver van buren en van magen,

Van de drokte en van 't gewoel,

Zweefde ze, als in vroeger dagen,

Los en luchtig op den poel.

 

Tot op eens ('t gebeurde ons allen,

En geen sterfling die het zag)

't Lieve weêuwtje kwam te vallen,

En op 't ijs ter neder lag.

 

Een twee drie, en zie daar stond ze

Onbezeerd weêr op de baan;

Maar het regterijzer vond ze

Twintig schreden daar van daan.

 

Maar wat nu ? het dorp was verre;

't Windje wakkerde aardig aan:

Reeds blonk hier en daar een sterre,

En juist was het nieuwe maan;

 

En op ééne schaats te glijden,

Zoo als soms de kinders doen,

Past, al kon men zóó ook rijden,

Past geen vrouwe van fatsoen.

 

„Heeft er iemand ook een touwtje ?

't IJzer is mij losgegaan !"

En het aardig weduwvrouwtje

Zag haar buurman vleijend aan.

 

Maar de buurman schoof maar henen,

Of hij niets hoorde en zag;

En gedacht misschien meteenen

Wat hem zwaar op 't harte lag.

 

Had heur man niet, de overleden,

In zijn dochter zin gehad,

Toen zij ze in den weg kwam treden

En met hem in 't huwlijk trad ?

 

„Heeft er iemand ook een touwtje ?

Neef, het ijzer is mij los !"

En, gelukkig voor het vrouwtje.

Dekte 't donker heuren blos.

 

Neef was jong, eerst weinig weken

Was hij echter proponent;

d' Andren Zondag moest hij preken,

Hij, bij elk in 't dorp bekend !

 

Hij hield op, en zocht en draalde,

En hij vond het touw misschien;

Maar zoo iemand hier eens dwaalde,

Zoo hem iemand eens mogt zien....

 

„Nichtje, 't spijt.... het spijt me magtig..

'k Heb geen touw en ook geen tijd;

Bind maar af, doch wees indachtig,

't IJs is glad voor wie niet rijdt."

 

En hij liet haar daar bekreten

Staan, verlaten en alleen;

En hoe menig, mogt hij 't weten,

Vloog om haar te helpen heen !

 

Wie is dat ? met zwierende armen,

Lange beenen, lange jas ?

Neen, bij hem waar' geen erbarmen,

Zoo het eens de meester was !

 

Hij was 't, die in vroeger tijden,

Driemaal 's weeks ten harent kwam,

Eer ze uit zuiver medelijden

d' Ouden rijken pachter nam.

 

Goeden avond, jufvrouw Wallen !

„Goeden avond, meest... Mijnheer !"

‘t Komt mij voor, gij zijt gevallen,

Maar ge deedt u toch niet zeer ?

 

„Neen ik.... ja, Mijnheer ! een beetje.

Meester, maar.... mijn schaats is stuk."

Had ik, sprak hij, maar mijn sleedje,

Want zóó krijgt ge een ongeluk.

 

„Had er iemand maar een touwtje,

Zei ze, en zag toen voor zich heen;"

En het ijzer en het houtje

Bragt ze als ongemerkt bijeen.

 

Meester, Meester ! och, wat voelje ,

Zoekje en vindje 't koord meteen !

Och, wat windje, wringje en woelje

Hout en ijzer weêr aanéén !

 

Och, wat zuchtje al onder 't binden

Om je lang vergeefsche klagt;

Om te wreed gescheiden vrienden,

Later weêr bijéén gebragt.

 

Meester ! doe als de andren deden,

Laat het rijke weêuwtje staan,

Of voor 't laatst betreedt gij heden

Als een vrijgezel de baan !

 

Meester ! als je jongens 't hoorden ,

Iemand zoo geleerd als gij,

Enkel gekheid in zijn woorden,

Enkel zoete vleijerij !

 

Ach, ze wreven zich de handen,

Zag men wat gij knielend doet:

't Strikken van twee schaatsenbanden

Om een' kleinen vrouwenvoet !

 

En de weduw wilde 't wagen,

Nam de hand van Meester aan:

Twee, vier, zes, tot twintig slagen;

't Touwtje was niet losgegaan.

 

Of het vasthield tot den ende,

Of de schaats niet weder brak,

Niemand, die de jufvrouw kende,

Wien ze daar een woord van sprak.

 

Meester scheert zich alle dagen,

Sinds die schaats het had verbruid,

En, der jeugd tot groot behagen,

De avondschool gaat tijdig uit.

 

Buurman, als men bij hem pijpen

En tabak voor 't weêuwtje haalt,

Bromt zoo wat van „niet begrijpen ,

Gaauw vergeten, gaauw bepaald !

 

“Neef, zoo nichtje ooit kon besluiten,

Zegent d' echt in van het paar;

Reeds kent hij 't gebed van buiten,

En zijn schets is kant en klaar.

 

 „Heeft er iemand ook een touwtje ?"

Fluistert ze elken avond laat,

Als de Meester van het vrouwtje

Mooi geplaagd, naar huis toe gaat.

 

En dan loopt hij wat te droomen,

Zuchtend: „Was er de avond al,

Als wanneer ik bij haar komen,

En geen afscheid nemen zal."

Terug naar overzicht

De geroofde haarlok

(Willem Bilderdijk 1756-1831)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

'k Bad dikwerf om een lok van Agnes schitt'rend haar;
Zij weigert. 'k Vraag 't op nieuw als blijk van wederliefde;
Vergeefs. Ik neem in 't eind een gunstig kansje waar,
En vat met stoute hand een sluw verborgen schaar,
Die, eer zij 't merken kon, een Godlijk vlechtje kliefde.
Nu juich ik in mijn roof. Maar Hemel, welk een spijt!
Ach ! dat ik, vóór dat feit, onschuldig was gestorven !
Baldadige ! (roept ze met een angelscherp verwijt)
Gij hebt mijn nieuwe pruik (die zó veel kost) bedorven.

Terug naar overzicht

De gezondheid

(Hieronymus van Alphen 1746 - 1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Gezondheid is een grote schat
Om vergenoegd te leven.
Ofschoon ik grote rijkdom had,
Wat voordeel zou het geven,
Zo ik, doorknaagd van angst en pijn,
Mij zelve tot een last moest zijn.

Maar zou ik dan mijn Vaders raad
Niet ijverig betrachten ?
En gulzigheid en overdaad
Niet mijden en verachten ?
Die nooit genoeg heeft voor zijn mond,
Leeft zelden vrolijk en gezond.

Terug naar overzicht

De grijsaard en de jongeling

(H. Marsman 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Groots en meeslepend wil ik leven !

hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis !


'ga dan niet ver van huis,

en weer vooral ook het gespuis van vrouwen

buiten uw hart, weer het uit uw kamer;

laat alles wat tot u komt

onder grote en oorlogszuchtige namen

buiten uw raam in de regen staan:

het is slecht te vertrouwen en niets gedaan.


alleen het geruis

van uw bloed en van uw hart het gehamer

vervulle uw lichaam, verstaat ge, uw leven, uw kluis.

zwicht nooit voor lippen:

samenzijn is een leugen en alle kussen verraad;

alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat

is een zuiver hart op een zuivere maat.
 

zie naar mijzelf.

ik heb in mijn jeugd

mijn leven verslingerd aan duizend dingen

van felle en vurige namen, oproeren, liefdes

en wat is het alles tezamen nu nog geweest ?

over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen

en hoeveel is er dat misschien nooit geneest ?'

de jongen kijkt door de geopende ramen

waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden

stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.

Terug naar overzicht

De grond is wit

(Jaqueline E v.d.Waals 1868-1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.

Terug naar overzicht

De grootvader

(Rosalie Loveling 1834-1875)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Hij spreekt wel soms van al zijn lijden,
Die oude man met sneeuwwit haar;
Maar meest zit hij in zich verzonken
En stil en zwijgend nevens haar.

Zij wordt wel groot, maar is zo tenger;
Hij legt de hand soms op haar hoofd:
-- Zo ze eenmaal in mijne oude dagen
Door vroege dood mij werd ontroofd !

Dan lacht ze op hem met stille weemoed,
Terwijl ze zwijgend hem aanschouwt
En denkt: hij zal niet lang meer leven:
Hij wordt zo stram, hij is zo oud !

Wie zal het eerst van beiden sterven,
Zo diep beducht thans voor elkaar --
Het meisje in de bloei van 't leven,
Of de oude man van tachtig jaar ?

Terug naar overzicht

De haan

(De schoolmeester (Gerrit van de Linde)1808-1858)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wy zijn het eens met Linnaeus, dat er geen beesten bestaan,

Die meer van kippen houden dan een haan,

En het blijkt uit de Natuurlijke Geschiedenis,

Dat dit eigentlijk de oorsprong van onze hoendereieren is.

 

Een haan is vervolgens een van die dieren,

Die de natuur met hun vederen vercieren,

En hy draagt zijn staart

Net als een geängliseerd paard.

Zijn gezang of gekraai

Is mede byzonder fraai,

En hy is altijd een beest

Met een goede memorie geweest;

Want hy knijpt, als hy kraait, zijn oogen toe,

Of hy zeggen woû: "Je ziet, hoop ik, dat ik 't uit mijn hoofd doe ?"

Doch volgens Martinet en Buffon,

Is dit een bloot dit-on. -

 

Het is een vaste gewoont by den haan

Om met de kippetjens naar bed te gaan;

Doch hy is ook altijd weër 't eerst op de baan,

En met het ochtendkrieken staat sinjeur

Reeds, met zijn sporen aan, voor de deur

En neemt een morgenslokjen

Uit het kommetjen, onder zijn stokjen.

Of hy geeft wellicht

Aan 't jongste zoontjen van zijn nicht

In 't kraaien een weinig onderricht,

En leert hem schrijven in 't groot,

Eerst een schrapjen, en dan een hanepoot,

Mitsgaders andere manieren

Die een jeugdigen haan van goede famielje vercieren

Soms brengt hy een mandtjen wurmen aan 't hok van zijn broêr,

Voor zijn schoonzuster, die niet al te wel is, mevrouw Koekeloer;

En gaat daarna met zijn favoriet hoen

Een wandelingetjen in den moestuin doen;

Of hy gaat eens uit vechten voor zijn pleizier

Met den nieuwen haan van den barbier.

Enfin, wie denkt dat hy 's morgens geen raad met zijn tijd zoû weten,

Kan gerust zeggen: "Ik ben mijn Natuurlijke Historie vergeten."

Want integendeel vóór 't ontbijt

Is 't een haan zijn aangenaamste tijd.

 

Volgens Grotius en Puffendorf is de haan

Eigentlijk gezegd een Mahomedaan.

Omtrent het huwelijk volgt hy dan ook Oostersche begrippen,

En houdt er verscheidene gemalinnen op na, beter bekend onder den naam

van kippen,

En die, naar men algemeen zegt,

Zeer gelukkig met hem zijn in den echt.

 

Het doet hem natuurlijk leed,

Dat men op aarde zoveel hoenders eet,

En dat zoo menig jong haan reeds voor 't vuur staat te braaien

Eer het kind nog gespeend is of zelfs kan kraaien...

"Terwijl er", zegt hy "zoo'n overvloed van visch

"En ander veldgewas voorhanden is.

"Zoo de mensch" vervolgt hy, "met groente, petercelie of radijs

"Content was, dan hadden wy hier een aardsch paradijs;

"En liet hy dan op zijn verjaardag, een een paar oude vossen braaien,

"Eens is immers geens, daar zoû waarlijk geen haan naar kraaien.

"Enfin, laat hy, als ik doe, eten van 't geen den hof verciert,

"En zijn handen afhouên van ons, pluimgediert".

 

Als een haan hierover begint door te slaan,

Dan heeft hy morgen ochtend nog niet gedaan.

"Doch," zegt Cuvier, "zoo insecten en wormpjens dit hoorden,

"Zouden zy Mijnheer al aardig kunnen antwoorden."

Hoe dit zij, een haan zijn grootste pleizier,

Is altijd de begrafenis van een poelier.

Terug naar overzicht

De haas en de schildpad

fabel over de wedstrijd tussen de haas en de schildpad

(Jean de La Fontaine - 1621-1693)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De haas moest altijd lachen wanneer hij de schildpad zag lopen, want het ging zo langzaam.

"Ik begrijp niet waarom jij nooit naar iets onderweg gaat," zij hij pesterig.

"Als jij eindelijk aankomt, is het altijd te laat en alles is al lang voorbij."

De schildpad lachte een beetje. "Vlug ben ik niet," zei hij,

"maar toch durf ik te wedden, dat ik eerder aan de overkant van dit veld ben dan jij.

Zullen we een wedstrijd houden? Dan kun je het zien."

"Goed!" riep de haas en meteen sprong hij er vandoor, zo snel als hij kon.

De schildpad ging heel rustig op weg.

Nu was het die dag erg warm weer met een brandende zon, en de haas werd halverwege moe en slaperig.

"Weet je wat," dacht hij. "Ik doe even een tukje onder die heg hier.

Zelfs als die schildpad me onderwijl voorbij loopt, heb ik hem in een flits weer ingehaald."

De haas ging in de schaduw liggen en sliep in.

De schildpad kroop gestaag voort onder de warme zon.

Pas na lange tijd werd de haas wakker. Het was veel later dan hij dacht en hij keek eens rond.

Geen schildpad te bekennen. "Nou nou," mompelde hij, "waar zit dat vriendje?

Wacht maar, ik zal hem eens wat laten zien."

Als een pijl uit een boog schoot hij weg, door het korte gras, door het koren, over sloten, langs braamstruiken,

en bij de laatste bocht bleef hij even staan om te zien waar de eindstreep lag.

Daar! En nog geen halve meter ervoor kroop de schildpad, langzaam maar zeker,

stap voor stap, dichter en dichter naar het eindpunt.

Met een geweldige sprong stoof de haas erop af. Maar hij was te laat.

Toen hij de lijn passeerde, was de schildpad hem juist voor geweest.
"Zie je nou wel," zei de schildpad.
Maar de haas had geen adem meer om te kunnen antwoorden.

 

Terug naar overzicht

De haas en de vos

(Jean de La Fontaine - 1621-1693)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een vos was op zijn tocht een tuinhaag doorgekropen

en in een hazenstrik geslopen.

Zo mooi, dat voor den hoendergek op geen ontkomen viel te hopen.

Want vaster sloot bij elke trek, de koperen strop hem om zijn nek.

Terwijl hij daar teneder lag, kwam er een haas voorbij......

"Ach beste vrind", zo sprak de vos. "Heb medelij , laat mij niet zo hangen".

De tranen liepen langs zijn wangen..... 

De haas kreeg deernis met den dief, die sprak zoo roerend en zoo lief.

Vergat wat hij misdeed, door kennissen te jagen

En begon fuks aan den strop te knagen.

Zodat hij met een knauw of wat,  die weldra  kapot gebeten had.

"Ha, zo, sprak de vos ; "Zijt gij dat, haas der honden, die mij daar in de nek zoo beet ?" 

"Zie eens wat vlokken haar,  wie weet hoe gij mijn pels daar hebt geschonden !" 

Daarbij, zie hier, dit is geen vossenstrop,

Die hing men hier voor jou en jouw's gelijken op !

En had men hier van jullie niks te vrezen,

Dan zouden hier ook geen stroppen wezen,

Waarin een arme onnozele vos, zo deerlijk schond zijn schone dos.

Och arme zuchtte de haas, "Wat heb ik dan misdreven, ik redde u toch het leven ?".

"Het leven, huichelaar ?" "Je lust geen vossevlees, en was de strop niet stuk gegaan,

 Wie weet, je beet me zo, wat gij mij nog had misdaan".

Daarop greep de ondeugd met zijn bek, het arme haasje in zijn nek !

 

 

(Moraal :  Een haas moet nooit een vos verlossen, want..... vossen blijven altijd vossen!)

 

Terug naar overzicht

De handschoen

(Jan Brester 1805-1862)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Dáár, voor zijn diergaard neêr,

 Zat Koning Frans

 In schoonen hofstoetglans,

 Van Edelvrouw en Baanderheer

 Op 't hoog balkon omgeven.   

 Nu wenkt de Vorst;

 Daar wordt een valdeur opgeheven:

 Met hoogen kop en breede borst,

 Waarlangs gekrulde manen zweven,

 Komt fier een forsche leeuw te voor:

 Bedachtzaam loopt hij 't strijdperk door,

 Met groote schreden;

 Hij schudt de manen, rekt de leden,

 En legt zich neêr.

 

 De Vorst wenkt weêr;

 Snel gaat een tweede valdeur op:

 Met radden sprong en in galop

 Verschijnt een tijger, bont gestreept,

 En geeft, bij d' aanblik van den leeuw,

 Een luid geschreeuw,

 En slaat en zweept

 Den bontgeringden staart,

 En krult daarmede een' kring in de aard';

 Hij rekt de tong en spalkt den muil,

 Loopt schuw den leeuw rond: grimmig grommend

 Legt hij zich, brommend,

 Naast hem ter neêr.

 

 De Vorst wenkt weêr;

 Daar braakt op eens een dubb'le kooi

 Twee luipaards uit;

 Zij springen op den tijger neêr,

 Die ze, als zijn prooi,

 In de ijz'ren klaauwen ijlings sluit.

 

 Maar alles ijst:

 De woudvorst rijst,

 En brult, dat de aarde trilt in 't rond.

 't Wordt stil nu; maar

 Het moordziek paar,

 Al kleurt het bloed hun bontgevlekte vachten,

 Schijnt hong'rig op een' tweeden kamp te wachten.

 

 En van der galerijen rand

 Valt daar een handschoen van een schoone hand

 Op 't smalle plekje, dat en leeuw en tijger scheidde,

 Juist tusschen beide. 

 En lagchend ziet de Jonkvrouw Kunegond

 Den kring van hare aanbidders rond,

 En spottend zegt zij nu tot een':

 ‘Heer Ridder ! gij zwoert het, gij mint mij, naar 'k meen;

 Welnu, raap dien handschoen mij op van den grond.’

 

 De Ridder laat,

 Na kort beraad,

 Zich op het bloedig kampveld neêr,

 En tusschen leeuw en tijger gaat

 De held, en neemt den handschoen weêr.

  

 Versteld om zulk een stout bestaan,

 Zien Jufferschap en Ridders 't aan.

 Bedaard brengt hij den handschoen weêr,

 En ieders mond klinkt hem ter eer.

 Maar Kunegonde's gloênde koon,

 Haar teed're blik beloven rijker loon.

 

 Doch hij, die voor de Jonkvrouw staat,

 Werpt haar den handschoen in 't gelaat,

 En zegt: " 'k Begeer uw' dank niet, neen !"

 En buigt, en gaat met fierheid heen.

Terug naar overzicht

De hemeltelefoon

(met dank aan Josée Reyners voor het sturen van de tekst)

Ik weet niet of het u bekend is, dat er een telefoon bestaat,

Die draadloos vanaf deze aarde rechtstreeks naar de hemel gaat.

Want ga je op de knieën, dan gaat in den hemel de bel,

En kunt ge rustig spreken, God hoort uw stem dan wel.

U zult het ras wel merken de lijn is altijd vrij,

“ U bent verkeerd verbonden “ is er in het huis van God niet bij.

Misschien is door niet geloven, de verbinding stuk gegaan,

U hebt dit hemeltoestel verwaarloosd laten staan.

Uw hart is het toestel en u kunt zonder voorbereiding,

Op elk tijdstip van de dag, gebruik maken van de leiding.

Hij wil naar u horen en zegt nooit: “ maak het kort !"

Hij blijft wel aan het toestel, totdat ge uw hart hebt uitgestort.

Als vader met zijn kind spreekt, luistert hij met open oor,

Hij wil voor het kind het beste, daar is hij vader voor.

Controleer maar eens uw toestel, en maak het storingsvrij,

Uw vader in de hemel is dan ontzeggelijk blij.

Terug naar overzicht

De herder van Termure

(met dank aan Anki Mol voor het sturen van de tekst)

Met een ingevallen aanschijn

uitgemergeld als een geest,

staat de herder van Termure

op de preekstoel want 't is feest.

 

Langzaam rollen zijne blikken

door het kleine heiligdom,

ach, zijn kudde is zo weerspannig

en de herder treurt er om.

 

Somber klinkt zijn diepe grafstem

over zestig, tachtig jaar,

liggen w'allen ginds bij 't kruisbeeld

en verlossing wacht ons daar.

 

'k Had deez' nacht mijn dier'bre broeders

ene droom, 'k deel hem u mee,

want het is de wil  Desgene,

die hem zond, o wee, o wee.

 

'k Was dus dood en zoals 't hoorde

'k was ook zalig, 'k steeg omhoog,

'k wandelde op 'n vloer van sterren

door de gouden hemelboog.

 

'k Dacht aan u, 'k deed daar niet veel aan

beter was het als 'k vergat,

mijn parochie en al wat ik

dierbaars op deez' aard  bezat.

 

Maar men is zo lang niet Herder

zonder dat men 't schaapje mint.

'k dacht allicht dat ik daarboven

menig oude  kennis vind.

 

Eindlijk zie ik daar vlak voor me

d'overschone hemelpoort,

heel eerbiedig klop ik, tik-tik

wie daar? ik, was mijn woord.

 

Wie is ik?, Termure's Herder

o Matthijs, kom wel, kom in,

voor me lag 'n boek met namen

Adam stond heel in 't begin.

 

Heilige Petrus, zei ik, kunt ge

mij ook zeggen of er veel,

van mijn vroegere onderdanen

erven s'hemels ervendeel.

 

O zeer gaarne, zei d'apostel

en doorzocht zijn boek met vlijt,

ter Termure zegt ge herder ?

ach  hier is het, maar wat spijt.

 

Niemand, zie, de ganse bladzij

is zo wit nog als de sneeuw,

gij zijt d'eerste van dat dorpje

die hier komt in gans 'n eeuw.

 

Heilige Petrus, kijk nog eenmaal

niemand van Termure hier ?

en ik sloeg mijn handen samen

ge begrijpt niet van plezier.

 

Ach, verzuchtte ik, heilige Petrus

breng mij bij hen, 'k wil hen troost,

daar gaan brengen waar zij leven

't was mijn kudde toch, 't was mijn kroost.

 

Goed, zei Petrus, ongetwijfeld

toeven zij in 't vagevuur,

hunne schuld is niet vereffend

en vergiffenis is daar duur.

 

Trek maar even mijne muilen

in de plaats der uwe aan,

want daaronder zijn de wegen

bijna niet om te begaan.

 

'k Ging op pad alwaar de doornen

welig groeiden en ik vond,

ene zil'vren poort met sterren

dicht bezaaid, ik klop terstond.

 

Tik, tik, wie daar ?

'k stamel zacht:

't is de herder van Termure

die hier aan deez' poorte wacht.

 

Goed, treedt binnen, 'k trad naar binnen

'k zag 'n engel, wit gekleed,

schitterend als de morgensterre

met twee vleugels rijk en breed.

 

Aan zijn gordel hing 'n sleutel

van het schoonste diamant,

d'engel was aan 't namen schrijven

in een dikke foliant.

 

Heer Pastoor, wat komt ge hier doen,

in dit oord van straf en pijn ?

'k zou graag weten of er een'gen

van mijn kudde hier soms zijn.

 

Neen pastoor het spijt mij werkelijk

niet 'n schaapje, zelfs geen lam

uit de kudde van Termure

viel  hier in deez' zuiv'ringsvlam.

 

Maar waar zijn ze dan toch, zuchtte ik

wel pastoor, in 't paradijs

daaraan kunt ge toch niet twijf'len

ach, ik keer juist van die reis.

 

En ik klaagde, kan het wezen

dat ik moederziel alleen,

hoog in 't paradijs moet leven

zonder schaapjes om mij heen.

 

Neen, dat kan ik niet geloven

wilt ge 't weten heer Pastoor ?

neem dit pad, klop aan die deur daar

wellicht komt er iemand voor.

 

'k Ging op pad met hete kolen

was 't bestrooid aan alle kant,

'k droeg goddank sint Pieters muilen

anders had ik mij wis gebrand.

 

Na 'n lange, lange voetreis

zie ik voor me, ach lieve tijd,

'n zwart geverfde slagpoort

openstaande wagenwijd.

 

't Was de poort van d'eeuwige vuurpoel,

niemand die naar namen vroeg,

hoopsgewijze trad men binnen

zoals zondags in de kroeg.

 

'k Sprong terug, maar ziet 'n duivel

kwisp'lend met zijn staart verscheen,

waarom staat ge hier te dralen

in de poel, riep hij, hierheen.

 

'k ben 'n zalige, zei ik bevend

maar wat doet ge dan bij 't vuur ?

'k zocht te weten of hier enigen

uit mijn dorp zijn, uit Termuur.

 

Mooie grap, ge zult niet weten

dat het hele ras hier brandt

en meteen wierp hij een  troepje

binnenkomers op een kant.

 

'k Zag daar op de bodem liggen

Janus Dorst die zijne vrouw

dagelijks sloeg, nooit was hij nuchter

maar wat had hij nu berouw.

 

Jacob Rijkaard zag ik wentelen

vlak naast d'oude rijke vrek,

nooit gaf hij 'n cent aan d'armen

en met mij hield hij de gek.

 

'k Zag er Vingerlijn de meester,

die met God en godsdienst spot,

nu het vuur voor hem gestookt wordt,

nu gelooft hij wel aan God.

 

Snijder Hanna lag daar ook al

en waarom, ach iedere dag,

sprak hij kwaad van leek en priester

waar en vals met veel gelach.

 

'k Zag er zondagswerkers, donkaards,

maandaghouders bij de vleet,

oude vloekers en ook jonge,

ach, wat hadden zij het heet.

 

'k Zag helaas dat alle doden

heengegaan uit mijn Termuur,

tot over d'oren in de vlammen

lagen van het hellevuur.

 

'k Stiet 'n gil, 'k was eensklaps wakker

en ik wreef mij d'ogen uit,

maar mijn oor, gelooft ge broeders

dat het nog van  't knetteren tuit.

 

Dier'bre kudde, niet gewanhoopt

't vuur wordt niet voor u gestookt,

'k wil u uit die oven redden,

waar het eeuwig, eeuwig rookt.

 

Morgen, maandag, wil ik biechten,

grijsaards, sukkelaars, oude vrouw,

al wat springt op stok en krukken,

zorg vooral voor 'n goed berouw.

 

't Volk te klein voor tafellaken

en te groot voor 'n servet,

ongetrouwden, u bedoel ik,

heb ik dinsdag maar gezet.

 

Woensdag komt dan heel de schooljeugd,

't manvolk wacht ik donderdag.

vrijdag komt dan 't vrouwvolk,

ook dat, wat van haar man niet biechten mag.

 

Molenaar, gij komt het laatste,

een dag heb ik aan u genoeg.

wat er dan nog niet gebiecht is,

kome zondag s'morgens vroeg.

 

Hoeveel tijd het mij ook koste

 hagelwit zij onze was,

haast u, haast u, redt uw zielen,

d'eeuwigheid toch nadert ras.

 

Diep ontroerd was heel de kudde

van die onvergetelijke stond,

en Termure ging ter kerke,

van heindever, tien uur in 't rond.

 

En de herder die zo somber

droomde van het hellevuur,

had opnieuw na enige dagen

ene droom in 't nachtelijk uur.

 

't Scheen hem dat een stroom van zaligen

door hun herder voorgeleidt,

opwaarts stegen uit Termure

naar het Rijk der Heerlijkheid.

Terug naar overzicht

De herdersfluit

(Jaqueline E. van der Waals 1868 - 1922)

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Eens ging ik langs het lage riet,
Dat ruisen kan en anders niet,
Toen langs mijn pad een herder kwam,
Die één van deze halmen nam,
En die besnoeide en besneed,
En maakte tot zijn dienst gereed.
Door dit gekorven rietje, dat
Als dood hij in zijn handen had,
Die stemmeloze stengel, zond
Hij straks de adem van zijn mond,
En als hij blies, zo zong het riet,
En, als hij zweeg, verstomde 't lied:
De zoete, pas ontwaakte stem
Bestond en leefde slechts door hem.

Zo gaf ik gaarne wens en wil
In 's Heren hand en hield mij stil.
Zo dan, als door een rieten fluit,
Bij zwijgend eigen stemgeluid,
Gods adem door mij henen blies,
Hoe grote winst bij klein verlies !

Terug naar overzicht

De herdersstaf

(Aart van der Leeuw 1876 - 1931)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik was nog blond en jong van jaren
toen ik een sterke rechte tak
zag wuiven met zijn vlag van blaren
en tot hem opklom en hem brak.

Ik boog mij zingend tot hem over,
die kloeke telg van de oude es,
en ras verloor hij schors en lover
onder het knarsen van mijn mes.

Dan heb ik half in droom gesproken:
"Ook mij, Heer, bid ik breek mij af,
en ben ik uit Uw kroon gebroken,
snijd mij ook tot zo'n schone staf."

Doch nauw'lijks had ik dit gebeden,
of plots'ling merk ik aan mijn hart
het vlijmend wee van snee bij snede,
diep kervend, want dit staal trof hard.

Ik beidde 't eind de pijn bleef duren,
terwijl ik wachtte, werd ik oud,
ja al die zware langzame uren
had ik Gods handgreep om mijn hout.

Ook nu nog, maar wie klaagde of morde,
niet ik, die 't lijden alles gaf,
want onder 't werk, zie ik hem worden
de slanke gave herdersstaf.

Terug naar overzicht

De hoofdige boer

(Eene Zutphense Vertelling, A.C.W. Staring 1767-1840)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Elk weet, waar 't Almensch Kerkje staat,
En kent de laan, die derwaart gaat,
Een duiker perst daar, onder 't spoor,
Zijn schuim tot in de Berkel door;
Al golft rondom de wintervloed,
Men komt ter preek met droogen voet.

Eens was het anders hier ter stee,
Wanneer een voord den weg doorsnee,
En 't brugje, naast die voord geleid,
Den smaad droeg van zijn nieuwigheid.
Ik vond een boek, dat meld daarvan,
Wat volgen moet, zoo 't rijmen kan.

De voord, dan min dan meerder diep,
Naar sloot en schiegrep stond of liep,
Was Almens gansche tempelschaar
Vooral de Meisjes ! tot bezwaar;
Met schade aan dure feestkleedij
Kwam menig aardig kind niet vrij;
Men raakte in 't zweet op 't lange pad;
Men vatte koude in 't modderbad;
En de ijver om ter kerk te gaan
Bragt buikpuin en geen stichting aan.

Kortom die voord was elks verdriet,
In Almens needrig dorpsgebied;
Van toen de Meid, per bezemstok,
Den schoorsteen uit daar overtrok,
Tot, na verloop van eeuw en dag,
De Tooverkunst begraven lag;
Wanneer een Kerkedienaar kwam,
Die 't oud gebrek ter harte nam,
En, op een morgen, na 't sermoen,
Zijn woord aldus begon te doen:

"Mijn Vrienden, in mijn prillen tijd,
Ten herder van dit oord gewijd,
Zwom ik, met onbezweken trouw,
Mijn kudde voor, naar 't kerkgebouw.
Ook lieden nog, hoe grijs van kin,
Schoot ik getroost den slibkuil in;
Maar 't wil niet meer, en blijft het dus,
Zoo heet ik ras emeritus.
Met droogen hoest en jicht bezocht,
Verlaat mij kracht en ademtogt.
Nog tweemaal als van daag doorweekt,
Eilaas, dan heb ik uitgepreekt !

Een Brug, op 't smalste, naast de voord,
Uit planken van 't geringste soort,
Ziet daar mijn wensch ! Vergeet toch niet,
Wat ge in dien poel al schoenen liet !
Denkt aan uw kostlijk zondagsgoed,
Bedorven door dien moddervloed !
Ligt vindt gij, eer het werk verjaart,
Uw uitschot dubbel ingespaard;
En ik behoef dan baai noch drop,
En luik weer als een arend op !"

Hier zweeg den Man. Zijn aanspraak had
De luidjes bij hun zwak gevat.
Het stuk kwam ernstig op 't tapijt;
En wat men hoorde, wijd en zijd,
Was, viermaal dertig dagen lank,
Slechts palen, balken, rib en plank;
En, driemaal dertig andermaal,
Slechts planken ribben, balk en paal !
Ja, 't scheen zoo ver de Berkel vloeit,
Zou' ieder boord met hout beschoeid;
Of dat een reuzenzoldering
Den ganschen stroom verdekken ging.
Doch, met Aprilmaands lesten dag,
Moest blind zijn, die de brug niet zag !
Nog blinder, die met Julij kwam,
En niet van 't groen portaal vernam,
Ter dankbetoonende offerrand,
Door 't Maagdengild daarop geplant !

't Had reden ! want, hoe kerksch men was,
De vlierpot bleef nu in de kas;
Kalmink noch sergie liep gevaar;
En schoenloos werd geen wandelaar.

Zoo groeide een wijsgegeven raad
Ten milden oogst van zegenzaad !
En toch, dat werk, met roem bedekt,
Hat Scholte Stugginks gal gewekt !

Daar kwam hij ! Zonder ba of boe;
Gelaarsd, tot aan de heupen toe;
Een knubbelstok in iedre hand,
Kwam onze Paai, en stak van land,
Zoo vaak de preekklok werd gehoord,
De brug bezijden, in de voord !
Het vroegre kerkvolk, droog daarnaast,
Was van dit vreemd bedrijf verbaasd,
En 't vragen keek uit elk gezigt;
Doch ieder hield zich wijslijk digt:
De troep kwam later op het pad,
Waar Scholte Stuggink praat voor had:
Zijn makkers, uit den gulden tijd,
Dien vlieger, tol en bal verblijdt.

't Waarom en 't hoe bleef dus gespaard,
Tot Wolter, naar den eisch bejaard,
door gunstig toeval, juist van pas
Getuige van 't spektakel was.

"In Goos naam, zeg ons, Scholtebuur"
Hief Wolter aan "wat raarder kuur !
Hoe plomt gij ons zoo dol voorbij ?
Geloof, de brug draagt u en mij !"

"Ja" klonk het uit de modderzee
"De Scholtebuur en gij zijn twee !
Gelooft hij niet wat gij gelooft;
Zoo menig mensch, zoo menig hoofd.
Zie daar ! al werd uw brug van steen,
Toch zal ze Stuggink nooit betreen !
Wie eere geeft krijgt eer weerom:
Onze ouders waren ook niet dom !
Een brug valt ligt in een te slaan;
Onze ouders hebben 't nooit gedaan;
Zij gingen, waar nu Stuggink gaat,
Eeuw in eeuw uit, de modderstraat.
Al weten wij de reden niet,
't Is vast op goeden grond geschied;
En hebt gij hier een brug gemaakt,
Zoo hebt ge uw' ouders eer geraakt !
Laat dit genoeg zijn, Wolterbuur;
De klok houdt op; 't is negen uur.
Bouwt GIJ een BRUG om droog te gaan ?
Ik kom er ook, met LAARZEN aan !"

Terug naar overzicht

De hooge C

(Clinge Doorenbos)

De dochter had juist voor de gasten,
Gekweeld met hooge C sopraan.
Een heertje, dat wist hoe het hoorde,
Sprak toen Mama eens even aan:
"Mevrouw, uw dochter moet beslist naar
't Conservatorium toe gaan."
Die pracht-stem moet geschoold, ontwikkeld !
Ma zei: "Daar komt ze net vandaan !"

Terug naar overzicht

De humorist

(Horrible, horrible, most horrible)

(P.A. de Génestet 1829-1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Eenmaal had ik zeven vrinden,
Bloemen in mijn levensgaard,
Die ik tot een krans mocht binden
Om mijn hoofd en om mijn haard.
Luister, en, van één tot zeven,
Zeg ik in een bondig lied,
Waar zij allen zijn gebleven,
Want ik had – maar heb ze niet.

De eerste, een knaap met blonde lokken
En een vriendelijk gemoed,
Is naar ’t verre land vertrokken,
Hij is heen en heen voor goed.
Op zijn beeltnis blijf ik staren
En ik weef een lang gedicht;
Door mijn dromen komt hij waren,
Met een vreemd en bruin gezicht.

Nommer Twee liet zijn getrouwen
Lopen voor een kleine meid,
Die hem strengen op leert houên,
Smelten doet van zaligheid.
’t Was een fiere, forse jongen,
Die altijd mijn poken brak;
Onbedwingbaar, nu bedwongen,
Door een zachte vrouweplak !

Nommer Drie, wie ik het leven
Zo vol gratie en talent
Door zag fladdren, zingen, zweven,
Half een vlinder, half student.
Zijn Eerwaarde zakte op klompen
In een kleigrond, zes voet diep,
En tracht d’Urmens in te pompen
Wie dan toch de wereld schiep !...

Nommer Vier werd ongenietbaar;
’t Is een pure filoloog !
’t Is een Graecus, ’t is een Piet – maar
Ongelooflijk dom en droog.
’k Moest de Vijfde laten glijden,
Daar ’k met hem mijn rust verloor,
Want op ongelegen tijden
Las hij me altijd verzen voor.

En de Zesde, jong bedorven –
Zwakke ziel en grote geest –
Is, mijn ziele schreit – gestorven !
Maar een ander zegt, gesjeesd.
Mocht hij voor een vriend herleven,
’k Zou hem in mijn dankbaar hart
’t Liefste plekje wedergeven,
Heilig door een lange smart.

Maar u kan ik zien noch luchten,
Diepst gezonken Simia !
Al uw zeemlen, al uw zuchten,

Al uw doen is laria,
Ieder zuchtje is een Judas,
Ieder glimlach is een list...
O mijn help ! ik merk het nu pas,
Ach, de vent werd humorist !

Terug naar overzicht

De jonge baars

(met dank aan G. Jessen voor het sturen van de tekst)

Een Jonge baars in het heetst van het seizoen,

lag dommelend in een sloot,

wiens oppervlak krozig groen

een luwe schaduw bood.

 Och geeuwde hij en riep zijn makkers toe,

wordt ge ook zo gekweld als ik,

wat ben ik toch al die wijsheid moe,

die ik thuis aanhoudend slik.

 Dat oude volkje loom en laf,

voorziet in alles kwaad.

 Hem was de vreugde van het leven af,

die hoorden naar hun raad.

 Het lekkers dat ge proeven kunt mag drijven in de vliet,

zij dromen van een angelpunt en schreeuwen,

roer het niet.

 Bij dit zeggen schuift het kroos vaneen

en door het groen verdekt,

wringt kronkelend een worm zich heen.

 Een pier zo vet als spek,

een oude zeelt verroert geen vin en roept toe roer het niet,

maar ons baarsje hapt naar het aas,

met schiet een haak zijn kieuwen in.

 Gevangen is de dwaas,

de hengelaar stopt hem in zijn net,

daar vloekt hij nu zijn waal.

 Och ouders had ik toch gelet op uw zo'n wijs vermaan.

 Maar dit zweer ik u, zo ik nog de dans ontspring,

stipt volg ik dan uw raad.

Baars zei de man die schrappen ging,

die eed komt wat te laat.

Terug naar overzicht

De jonge Kloë

(Johannes Kinker 1764-1845)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Kloë zestien jaar oud,
Sprak: ik zal de min ontvlugten:
Want als men het wel beschouwt,
Doen de minnaars niets dan zuchten.
’t Is of elk zijn’ tijd besteed
In ’t gevoelen van zijn leed.

Waar ik slechts mijnen oogen wend’ --
Nergens vind ik twee gelieven
Die niet zuchten. Wat ellend’
Mag hun teedre boezems grieven ?
Waarom staag de vreugde ontvlugt
Door hun eindeloos gezucht ? --

Neen, nooit zal de liefde mij
In haar nare kluisters binden:
In die teedre slavernij
Kan ik zoo veel heils niet vinden.
Heeft de min er anders geen ? --
Liever blijf ik dan alleen.

Laats vroeg Lykas om een zoen . . . .
(’k Moet nog laghen om dat vragen.)
’k Riep: Och Lykas, neen ! -- En toen
Zuchtte hij, en sloeg aan ’t klagen.
ô Wat is het minnen dwaas !
Al zijn antwoord was -- helaas !

Gistren zag ik Lykas weêr.
’k dacht: ’t is best zijn oog te ontvlugten;
Wijl ik ligt zijn smart vermeêr:
Want hij weende en scheen te zuchten.
’k Vlood zeer schielijk van die plaats:
Alles riep mij daar -- helaas !

Zoo zong Kloë; -- maar de Min
Hoorde het vermetel zingen
Van die jonge herderin. --
’k Zal die stoute schoone dwingen !”
Sprak hij. -- Kloë maak vrij staat,
Dat hij ’t bij geen zeggen laat.

Eensklaps vloog hij naar beneên.
Kloë dacht: Zou hij mij dwingen ! --
’k Blijf gerust met hem alleen.
Lagchend ging zij voort met zingen:
’t Is of elk zijn’ tijd besteedt,
In ’t gevoelen van zijn leed.

Hij nam ’t meisje bij de hand,
Wees haar lagchend twee gelieven.
Houdt u wat aan dezen kant
Kloë ! (sprak hij) ’t mogt hen grieven.
 Veilig moogt gij hen bespiên,
Zoo gij maar niet wordt gezien.

Och ! hoe gretig hoorde zij
Toen het zuchtend teeder hijgen,
Dat, in dees liefkozerij,
Kloë toeriep, onder ’t zwijgen:
Zie hoe men den tijd besteed,
In de liefde zonder leed.”

Toen Cupido haar verliet,
Gloeide hare lieve wangen:
En de gulle vreugd verliet
Kloë’s hart voor ’t zoet verlangen.
Sedert heeft zij het gezucht
Van haar’ Lykas nooit ontvlugt.

Terug naar overzicht

De jongelingen

(Jacobus Bellamy 1757 - 1786)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

In een kring van jongelingen,
Bij de warme haard gezeten,
Drinken wij de purpren nektar.
Gulheid lacht in aller ogen,
Ieder vult de glazen beker
Op het welzijn van zijn meisje.
En dan vullen wij de glazen
Op het welzijn aller schonen.
Allen roepen wij: het welzijn
Van de Vaderlandse Schonen !
Nu doen wij opnieuw de nektar
In de heldre beker branden,
En nu roepen wij eenparig:
't Vaderland ! . . . . de bekers klinken,
En een traantje van verrukking
Mengt zich met de druivennektar.
Niemand spreekt er, maar elk aanzicht
Draagt de duidelijkste tekens
Van een edeldenkend harte.

Terug naar overzicht

De Jonkheer

(met dank aan Pieter Maas voor het sturen van de tekst)

Eens ging een Jonker voor plezier

Een toertje maken met zijn vier

Gerrit op de bok, een kerel Steven als blok

Hield flink de lange teugels.

Het rijtuig rolde langs een woud

Daar schoten uit het kreupelhout twee rovers

"Halt" ze vallen aan, de jonker vecht zo goed hij kan

En Gerrit laat hem vechten,

De slagen klinken door de lucht

Maar Gerrit slaakt geen enkel zucht.

Opeens schiet hij in razernij

En brult nu is de beurt aan mij !

Een vuistslag hier een vuistslag daar

En grijnzend valt het rovers paar

En ligt in het zand te bijten.

"Maar Gerrit" sprak de jonker toen

"Is dat nu een manier van doen,

Eerst laat je er mij alleen voor staan,

Dan ga je als een stokvis slaan,

Dan word je opeens een Samson."

"Dat komt" sprak Gerrit dood bedaard

"Ik ben weet uw wat koud van aard,

Maar toen die stok danste op mijn lijf

Begon ik warm te worden.

En ben ik helemaal warm

Dan voel ik jeuken in mijn arm

Dan kookt mijn bloed

En wie dan een vuistslag treft

Zal het niet verder navertellen.

Terug naar overzicht