SeniorPlaza

Baadster

(Louis Couperus  1863-1923)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen 't blonde hair, dat druipend nat
Nog van den amber der violen geurde.

Hoe 't rozig-blond van 't blozend rozeblad
De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,
Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,
Zij lelie was, die in den dauwe treurde !

Daar stond ze, steunende op het slanke been,
Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,
Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.

Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,
Geheel omsluyerd in den korenblonde:
Antieke vaas met douden veile omwonden.

Terug naar overzicht

Ballade over moederverdriet

(Marie Boddaert 1844-1914)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Het schip voer af. - Zij oogde ’t na…
Het zonlicht ging met hem !
Nog hoorde zij het laatste woord
Dier jonge, diepe stem:

"Tot weerziens, Moeder !" - En zijn kus,
Die op haar lippen brandt,
Zijn blik, die lang de hare zocht,
En ’t wuiven van zijn hand.

Zij bergt het alles in heur hart.
Geen dag, geen nacht gaat om,
Of voor haar ogen rijst zijn beeld:
"Houd moed; ik kom weerom."

Nooit dof is ’t oog, nooit bleek haar wang,
Als zij zijn brieven leest.
Die liggen alle voor haar neer;
Zij leest de laatste ’t meest.

En perst haar lippen op zijn naam,
En op zijn jubelkreet:
"Ik kom terug ! Mijn laatste brief !
Houd huis en hart gereed."

Een kille, lichtloze nacht
Was ’t leven zonder hem.
Hij keert ! De nacht heeft uit ! Weldra
Hoort zij zijn stap; zijn stem.

En drukt zij hem in ’t arm, en voelt
Zijn kus en strijkt zijn haar,
Zijn donkere lokken van ’t gelaat,
Veranderd, - niet voor haar !

Zij zit en staaroogt, uren lang…
Daar staat het reuzengroot:
"Ik kom weerom !" – ’t Wordt nimmer waar
Men zei: "Uw zoon is dood";

"Hij stierf op zee"… En nog veel meer.
Zij heeft het niet verstaan.
"Ik kom weerom", zo fluistert zij,
En kijkt u lachend aan.

En iedere morgen wacht zij hem.
Dan gaat zij naar de reê
En doolt de schepen langs en tuurt
Naar de eindeloze zee.

En iedere middag wacht zij hem.
En zet zijn stoel gereed,
En toeft, een glimlach op ’t gelaat,
In feestelijk zondagskleed.

En iedere avond wacht zij hem.
En strookt zijn peluw glad,
En luistert – tot het laatst geluid
Gestorven is in stad.

En als zij ’t oog voor altijd sluit,
Dan is ‘t, schoon bleek en stom,
Als murmelden haar lippen nóg:
"Houd moed; ik kom weerom."

Terug naar overzicht

Ballade aan De Pijp

(Eduard Jacobs 1868-1914)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Na 't went'len op heur baantje

Langs d'Amstel en het IJ

Het maantje

Verdween uit buurt YY

 

Met zilverglans bescheen ze

Het nacht'lijk paradijs

Verdween ze

Uit de land der beide Y's

 

Wat lieflijke taf'reeltjes

Had zij die nacht bespied

Toneeltjes

Die zelfs de zon niet ziet

 

Maar ook, hoe menigmalen

Zag zij diezelfde nacht

Schandalen

Die zij niet had verwacht

 

Haar kuise blikken tuurden

In kamers, groot en klein

Begluurden

Ook menig bedgordijn

 

Zij zag er minnekozen

Geliefden met elkaar

Maar blozen

Deed haar ook menig paar

 

Zij zag er paartjes spelen

Met hun bekoorlijkheen

Van velen

Zag zij de rug alleen

 

Zij zag een kind als speelgoed

Van 'n oud, kaalhoofdig zwijn

Die heel goed

Haar grootvader kon zijn

 

Ook kon zij u vertellen

Van menig vrouwenpaar

Van lellen

Die lolden met elkaar

 

In vele huizen lagen

Op ied're kamer twee

Te zagen

Soms op de canape

 

Zij zag er bacchanalen

Aan Venus toegewijd

Schandalen

Waar Bacchus tranen schreit

 

Zij zag hoe 'n simpel boertje

Eerst dronken werd gevoerd

Door 'n hoertje

Die op zijn geldbeurs loert

 

En later kwam de pooier

Die op de loer al staat

De schooier

Hij smeet de boer op straat

 

Hij zag hoe zonder blozen

De liefde wordt verkracht

In pozes

Door geile lust bedacht

 

En op meen'ge zolder

Werd Venus ingeleid

De kolder

Joeg ze in het bed der meid

 

Zij zag er hoe 'n moeder

Door 'n vuile onverlaat

Zo'n loeder

Haar kind schofferen laat

 

Hoe soms wellustelingen

Misbruiken 't vrouwenlijf

Haar dwingen

Tot 't laagste hoerbedrijf

 

De maan zag alle vormen

Der laatste hoererij

Als wormen

Zich kronk'len door YY

 

Zij zag er alle zonden

Die prostitutie kent

Verbonden

Met misdaad en ellend

 

In diepe rust verzonken

Ligt nu het hoerendom

Te ronken

Waar 't straks in wellust zwom

 

En uit het morgengloren

Rijst nu een and're wijk

Herboren

Uit 't nacht'lijk schuim en slijk

 

Na 't went'len op heur baantje

Langs d'Amstel en het IJ

Het maantje

Verdween uit buurt YY...

Terug naar overzicht

Bedenkingen op mijn verjaardag

(Aagje Deken 1741 - 1804)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik heb dan achtentwintig jaren
Geleefd ! geleefd ? neen; ver van daar:
Die schone tijd is weggevaren:
’k Bewoog mij achtentwintig jaar.
o Levensoorzaak ! wat is leven ?
Is ’t laag en ijdel tijdsverspil ?
Neen; ’t is aan u zich overgeven;
’t Is wandlen naar uw wijze wil.
Dan, ach ! mijne uren zijn verloren !
Die dierbre gift onnut verdaan !
Help ! God ! wat lot is mij beschoren !
Waar zal ik uw gezicht ontgaan ?
Waar vluchte ik !... waar ? ’k vlucht in uwe armen;
Ik berg mij in die hoge nood,
Vol hoop op ’t vaderlijk ontfermen,
Ik berg mijn hoofd in uwe schoot.
Ach ! wil de dwaasheên mij vergeven,
De dwaasheên van mijn losse jeugd !
’k Wijde u, o God ! mijn volgend leven:
Ik kenne, ik achte, ik kies de deugd.
Mijn vijand waakt, zou ik dan slapen,
En zorgloos sluimren in ’t gevaar ?
Gaf mij de Heilvorst schild en wapen,
Om ’t stil te leggen bij elkaar ?
Ik zal.. wat durve ik toch beloven ?
Ik schaam mij zulks voor u, o Heer !
Eén woord zal licht mijn ijver doven,
En, ach! één vijand werpt mij neer.
’k Heb duizendmaal, o God der goden,
Aan u met ernst mijn hart beloofd,
Ja zelfs gewillig aangeboden,
Doch duizendmalen weer ontroofd.
Zal ik, o God ! altoos dus zwerven ?
Nooit vast staan op de weg der deugd ?
Uw gunst en ’s werelds vriendschap derven ?...
Vaar wel dan, vrede en kalmte en vreugd !
Dan slijte ik kwijnende al mijn dagen;
Dan kruipe ik hijgend naar mijn graf,
Want ’s Hemels ongunst weg te dragen
Is ’t hardste leef, de zwaarste straf.
Neen, ’k grijp weer moed: gij zult mij sterken
In u, mijn hulp, mijn hoofd, mijn kracht;
Dan wordt het willen en het werken,
o God ! in mij door u volbracht.
Dan wordt, door gonzende ijdelheden,
Mijn zielrust niet gestoord,
Dan nadere ik, met snelle schreden,
Het land dat nu mijn ziel bekoort;
Tot ik, eens al ’t gevaar ontvaren,
In ’t vol genot van ’t hoogste goed,
Mijzelf al juichend zal verjaren,
Met zelfvoldoening in ’t gemoed.

Terug naar overzicht

Beek

(Henriëtte Mooy)

(met dank aan Antoinette Schraven-De Laat voor het sturen van de tekst)

De beek klatert vanavond zoo luid,

de beek klatert vanavond zoo luid !

Het is alsof zij door een onheil werd getroffen,

of over haar een ramp is losgebarsten,

waardoor zij buiten zichzelve is geraakt.

Met fladderende haren en uitgestrekte armen,

rept zij zich voort, alsof zij iemand in wil halen,

grijpen, omvatten, toespreken, overreden,

--- zich voortgang-belemmerend voor zijn voeten werpen,

ze omstrengelen, ze binden op haar hart.

Hoor, zij roept!... 't Klinkt als een hoog, zwak gillen,

--- "Ga niet heen, o, ga niet héén !"

Vergeefs.

Een dreigend gerommel van donder dreunt op;

Geluid als van een branding, die woest de kust bebeukt,

Breekt door de lucht, ---:

Men heeft haar haar oog-appel ontstolen,

haar lieveling, haar weder-ziel !

Men heeft haar het hart uit het lichaam gescheurd !

De beek is buiten zichzelve,

door een ongehoorde ramp.

Terug naar overzicht

Beekzang aan Katharine

(Joost van den Vondel 1587-1679)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wijker Bijtje, die bij ’t Beekje
Nestelt, en geeft menig steekje
Die uw honig komt te dicht;
Wakker Nimfje, die zo klaartjes
Met uw oogjes op de blaartjes
Flikkert, blikkert, straalt, en licht;
Zeg mij, meisje, die zo netjes
Poezelachtig zijt, en vetjes,
Levend, helder, wel gedaan;
Waar van moog je zo wel tieren,
Daar al d'andere, arme dieren,
Bleek en treurig kwijnen gaan ?
Eet je slaatje met een eitje ?
Drink je niet dan schapeweitje ?
Pluk je moesje uit de tuin ?
Bak je struifjes van de kruitjes ?
Trek je heen, na zomerbuitjes,
Om lamprei en knijn, in duin ?
Slaap je op dons van witte zwaantjes ?
Lek je muskadelle traantjes ?
Hou je een ongemene stijl ?
Leg je in schim van koele boompjes ?
Droom je daar geen andre droompjes
Als van suiker, uit Brezijl ?
Zwem je in lachjes, en genuchjes ?
Leeft uw geest in zoete kluchjes ?
Springt uw zieltje in uw lijf ?
Erf je niet als heil, en zegen ?
Ben je juist van pas geregen,
Niet te los, noch niet te stijf ?
Zeg het toch uw medemeisjes,
Vol zwaarmoedige gepeisjes,
Heel uw speelnoots algelijk.
Red die diertjes van haar tering.
Onderkruip den Haas zijn nering,
En word dokter van de Wijk.

 

(Haas is dokter)

Terug naar overzicht

Begijnen en begarden

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

En klinkt het kloosterbelleke,
Ze sluit het stille celleke,
En drentelt naar 't kapelleke
Met de oogen neergeslaan;
En knielt er op het zedigste
En prevelt op het vredigste
En laat heur zieltje gaan.

En heel dit zieltje ontvouwende
En 't door en door beschouwende,
Klopt ze op heur hartje, rouwende:
“'k Heb zooveel kwaads gedaan;
Dat mij de Heer geduldige,
Ik wil me niet ontschuldigen,
'k Zal beteren voortaan.

 

Begijnen en begarden zijn resp. vrouwen en mannen die leven als alleenstaanden en deel uitmaken van een soort vrije lekengemeenschap binnen de Rooms-Katholieke kerk.

Terug naar overzicht

Belichaamde Eenheid

(met dank aan Maarten Alderliesten voor het sturen van de tekst)

En buldrend lacht

ons nageslacht

om wat Couzijn,

omdat 't zo moest,

een hoop oud roest

zo naar de schijnt,

voor Unilever heeft gebaard.

De kunst ontaard,

deez' in elkaar geslagen tram

wordt monument in Rotterdam.

Terug naar overzicht

Bemoediging

(Michel de Montaigne 1533-1592 )

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een mens lijdt dikwijls het meest

Om het lijden dat hij vreest.

Doch dat nooit op zal dagen

Zo heeft hij meer te dragen,

Dan God te dragen geeft.

 

Het leed dat is, drukt niet zo zwaar,

Als vrees voor allerlei gevaar.

En komt het eens in huis

Dan helpt God altijd weer.

En geeft hij kracht naar kruis.

Terug naar overzicht

Berceuse

(Paul van Ostaijen 1895-1928)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Slaap als een reus

Slaap als een roos

Slaap als een reus van een roos,

Reuzeke

Rozeke

Zoetekoeksdozeke

Doe de deur dicht van de doos

Ik slaap.

Terug naar overzicht

Berusting

(Jacob Israel De Haan 1881 - 1924)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

In dit spel van wind en water

Schouw ik peinzend heel den dag

'k Vraag niet meer naar toen en later

Ik draag wat er komen mag

Terug naar overzicht

Betekenis

(Frans De Cort 1834 - 1878)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Zo immer met ons tweeën

Vrouwlief, in paradijse rust

De wereld vreemd en onbewust

Van hare kampen, hare weeën

Dat ware een leven vol van lust

Met ons tweeën

 

Zij sprong mij op de knieën

En zag mij aan, zo zoet en teer

En sloeg dan weer hare ogen neer

Als wou ze mijne blik ontvlieën

En fluisterde, zo zoet , zo teer:

Met ons drieën !

Terug naar overzicht

Bidden

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Bidden is niet enkel knielen

't Is in 't huis van onbeminden

En in grauw-mizerie zielen

Veel verborgen liefde vinden

 

Bidden is de bittere dingen

Met een zacht gezeg vergoeden

't Is doorheen mijn tranen zingen

En is alles 't schoon vermoeden

 

Bidden is langs donkere paden

Lampen van gevoel doen branden

Bidden is de schoonste daden

Dragen op zijn eigen handen

 

Bidden is in stille weten

Weelde en weedom van elkander

Bidden is zichzelf vergeten

Om te peinzen aan een ander

Terug naar overzicht

Bij de dood van een kamermeisje

(Hendrik Tollens 1780 - 1856)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zij was een wees, die vrienden had noch magen;
Zij was hier vreemd; zij kwam van wijd;
Zij kwam een dak, een Leger vragen
En luttel brood voor trouw en vlijt.
Zij was zoo zacht, zoo zedig, zoo bescheiden
Zij won het hart, nog eer ze sprak;
Bevoorregt, wie haar in mogt leiden
En opnam onder ‘t gastvrij dak.
Wat was zij vlug en welig en aanvallig !
Zij zweefde als op een donzen tred !
Wat was haar zilvren stem lieftallig !
Wat was haar taal beschaafd en net !
Wat was zij schoon ! ...
Hoe lachten uit haar trekken
De levenslust der blijde jeugd,
De reinheid, zonder kreuk of vlekken,
De kinderziel en de englendeugd !
Wat was zij goed ! wat was zij diep bewogen
Met wie bedrukt zat en in leed !
Hoe gaarne mogt zij tranen droogen,
Terwijl een traan haar oog ontgleed !
En als zij bad…! o, Wie haar mogt aanschouwen
Bij ‘t fluistrend murmlen van haar bee,
Hij moest als zij de handen vouwen,
Hij bad onwillens met haar mee.
Neen, blanker ziel met meer aanloklijkheden,
Noch vromer hart met blijder geest,
Noch schooner vorm met kuischer zeden
Zij waren nooit gepaard geweest.
Helaas, helaas ! het was een kort verschijnen !
Zij was te teer, de tengre plant !
Zij ging aan ‘t welken, aan ‘t verkwijnen;
Zij aardde niet in ‘t vreemde land.
‘t Werd guur en kil en vochtig in dees streken;
Een koortskou greep in ‘t zwak gestel:
Daar lag zij, magtloos en bezweken,
En zei aan ‘t land en de aard’ vaarwel:
Zij stierf !... Welnu ? dat lot is elk beschoren,
Aan dezen jong, aan dien bedaagd;
Er werd zoo veel toch niet verloren
Aan de onbekende kamermaagd.
Ze is dood… Welnu ! Er kwamen vrouwen binnen
En legden ‘t lijk betaamlijk af;
Zij speldden ‘t in een kleed van linnen,
Den opschik, dien men draagt in ‘t graf.
Er kwam een kist, een lijkkist met de schragen,
Het plankenhuis, dat allen toeft;
De doode werd er ingedragen,
Het deksel werd er opgeschroefd.
Er kwam een koets: de vracht werd ingeladen;
Er volgde een schaar, een kleene schaar…
O God ! van al wie medetraden
Viel de uitvaart aan niet eenen zwaar !
Och, aan niet een, van al die achterbleven,
Ontvlood een zucht, een klagt, een woord;
Niet een Vaarwel werd meegegeven,
Niet een Tot weerziens ! werd gehoord !
De vreemde wees… wat mogt ze meer begeeren ?
Niet elk nog werd verpleegd als zij;
Men liet haar hulp noch heul ontberen,
Men gaf ze een eerlijk graf er bij…
O God ! o God ! een toonbeeld zoo volkomen
Van onschuld en van lieflijkheid,
Met ruwe handen opgenomen,
Met koude harten uitgeleid ! ...
Ik zag het graf; ik heb de kist zien zinken,
Die zoo veel kostbaars was vertrouwd;
Ik zag de spa des gravers blinken,
Die ‘t zand ter neer plofte op het hout.
Ik stond ontroerd, verdiept in duistre vragen,
In mijmring en gepeins verward,
Met de oogen op de groef geslagen
En weemoed in ‘t gebroken hart;
1k zag in ‘t rond, of niemand stond te weenen,
lk las en vorschte in ieders blik…
De kuil was digt, de schaar’ toog henen,
En niemand plengde een traan dan ik.

Terug naar overzicht

Bij de zingende ketel

(Dr. E. Laurillard)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wanneer de ketel
In 't schemeruur
Zacht staat te zingen
Op 't glimmend vuur,

Dan zweeft de mijm'ring
Mij door de geest
En 't stil herdenken
Wat is geweest.

Verdwenen beelden
Zie 'k voor mij staan,
En 'k hoor nog stappen,
Die niet meer gaan.

'k Verneem nog stemmen,
Al jaren stom,
Ik zie mijn doden
Nog eens weerom.

'k Voel vroeg're vreugd weer
En vroeg're smart,
De wolk en 't maanlicht
Zijn me in het hart.

En 'k denk bij 't letten
Op heil en ramp:
Ach ! 't ganse leven
Is als de damp.

Maar, schoon 't zo vluchtig,
Zo ras ontwijkt,
Geen nood, als 't hierin
Naar damp gelijkt,

Dat zich de golving
Ten hoge richt,
Dat in 't vervliegen
Het stijgen ligt.

Terug naar overzicht

Bij het beekje

(P.A. de Génestet 1829 – 1861)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Terwijl ik staar in 't spiegelglad

Van 't zilv'ren nat,

Schud ik mijn hoofd: wie ben ik ?

Ja hooge Hemel: Hoe, wie, wat ?

Wat wil, wat weet, wat ken ik ?

Zie hoe hij lacht - die dwaas, die guit,

Die leelijkert in 't water:

Mijn help ! mij-zelven lach ik uit

Met wonderlijk geschater.

 

 

O menschenhart, o menschenhart,

Verstrikt, verward,

Vol zonden, dwaasheên, wonden;

Ik gaf mijn zoetste en liefste smart,

Mocht ik mij-zelf doorgronden.

Een lach klinkt uit het golvenbed:

Dat wil zich-zelf begrijpen !

Zoudt ge ook uw beelt'nis hier te-met,

In de ooren willen knijpen ?

Terug naar overzicht

Bij het denken aan de liefde

(Herman Gorter 1864 - 1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Bij het denken aan de liefde
Heb ik de liefde lief,
En 't is de liefde tot u, Geliefde,
Die mij tot die liefde hief.

Terug naar overzicht

Blarenlied

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Wij dorre en dode blaren

Wij komen stil gewoon

En vlechten door uw haren

Een goud - en bronzen kroon

 

Daar waar wij ritselend vielen

En strooiden herfstgewaad

Daar sterft iets in uw zielen

Gij die er over gaat

 

Wij leggen in uw ogen

Traan van weemoedigheid

"De zomer was een logen"

Zo zucht ge wijl ge schreit

 

Neen sterveling, in uw klagen

Treurt ge om dor geblaart

Ge denkt aan zonnedagen

Die gij vergeten waart

 

Gij weent omdat wij zingen

Op droeve mijmertoon

Van half vergane dingen

Te vroeg gestorven schoon

 

Wij suizen 't in de hagen

Wij fluisteren 't voor uw voet

Wij komen ritselend klagen

Dat alles sterven moet

Terug naar overzicht

Blauwe bloemen

(G.W. Lovendaal 1847-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Blauwe bloemen, witte bloemen,

Bonte bloemen overal !

'k Weet niet wie ik 't hoogst zal roemen

Wie ik 't meeste prijzen zal.

 

Iedre heeft haar eigen verven,

Eigen vorm en eigen fleur;

Enkle, die wat schoonheid derven,

Zijn weer rijk aan zoeten geur.

 

'k Weet niet wie ik 't meest zal prijzen,

Wie ik 't hoogste roemen zal,

Alle loven mij den wijzen

Grooten Schepper van 't heelal.

 

Och, hoe klein het wezen moge,

Ieder bloemke is een genot,

Is een zoete lust voor de oogen,

Is een meesterwerk van God.

Terug naar overzicht

Bloeiende heide

(Hélène Swarth (1859-1941))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De blonde schapen weiden op de heide.

Ik hoor van ver het klokje van den ram,

Het klagend blaten van het jongste lam,

Den hondenblaf, wen 't groepje zich verspreidde.

 

Dan is 't of lome dromenstilte kwam

Over de wilde bloeiend-paarse heide.

De ruige hond gaat rusten van 't geleide

En zwijgt en hijgt en snapt naar vliegen, tam.

 

En schurend hoor 'k de schapentongen scheren

De taaie halmen van het heidegras,

Een honingdronken hommel zoemend keren

Naar de eigen heipol, waar hij zoetheid las,

En suizlen 't koeltjein 't loof als lichte veren

Van 't eenzaam berkje, bij den heideplas.

Terug naar overzicht

Bloemen

(Carel Adama van Scheltema, 1877-1925)

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Ach, heb toch altijd ergens

Een beetje bloemen staan -

Zij doen toch altijd wel even

Een beetje gelukkig aan !

 

Een stil liedje van kleuren,

Een fijne, blij-mooie tint -

Even een kleine ontroering,

Als de lach van een lief kind.

 

Alles, alles neemt het leven,

Het laat ons ieder eenmaal berooid -

Maar het geluk van een beetje schoonheid

Dat ontneemt het ons nooit.

Terug naar overzicht

Boerke Naas

(Guido Gezelle 1830-1899)

(met dank aan G. Jessen voor het sturen van de tekst)

Wie heeft er ooit het lied gehoord,
het lied van Boerke Naas ?
't en had, 't is waar, geen leeuwenhert,
maar toch, 't en was geen dwaas.

Boer Naas die was twee runders gaan
verkopen naar de steê
en bracht, als hij naar huis toe kwam,
zeshonderd franken meê.

Boer Naas, die maar een boer en was,
nochtans was scherp van zin,
hij ging en kocht een zevenschot,
en stak daar kogels in.

Alzo kwam Naas, met stapkes licht,
en met de beurze zwaar;
Hij zei: "Och 'k wilde dat ik thuis
en in mijn bedde waar !"

Al met een keer, wat hoort boer Naas,
juist bracht hem in de tronk ?
Daar roert er wat, daar loert er wat:
't docht Naasken dat 't verzonk !

En, eer dat 't ventjen asem kreeg,
zodanig was 't ontsteld,
daar grijpen Naas twee vuisten vast,
en 't ligt daar, neêrgeveld.

't En hoorde noch 't en zag bijkan,
't en voelde bijkans niet,
tenzij dat 't een pistole zag,
en zeggen hoorde: "...Ik schiet!"

"Ik schiet, zo gij, op staande voet,
niet al uw geld en geeft;
en g' hebt, van zo gij roert, mijn man,
uw laatste dag geleefd !"

Boer Naas, die alle dagen vijf,
zes kruisgebeden bad,
om lang te mogen leven, peinst
hoe hij in de nesten zat !

"Wat zal ze zeggen," krees boer Naas,
 "wanneer ik huiswaarts keer ?
Hij heeft het weêrom al verbuisd !
die zatlap, nog een keer !"

"Hoort hier, mijn vriend, believe 't u,
toog dat gij minzaam zijt,
och schiet een kogel door mijn hoed
en spaart mij 't vrouwverwijt !

"'k zal zeggen, als ik thuis geraak:
men heeft mijn geld geroofd,
en, letter scheelde 't , of ik had
een kogel door mijn hoofd !"

De dief, die meer van duiten hield
als van boer Naas zijn bloed,
schoot rap een kogel door en door
de kobbe van z'n hoed.

"Bedankt!" zei Naas, en greep zijn slip:
"schiet nog een door mijn kleed!"
De dief legt aan en Naasken houdt
zijn pitelerken g'reed.

"Schiet nog een door mijn broek," zei Naas,
toen peist mijn wijf, voorwaar,
als dat ik, bij mirakel, ben
ontsnapt aan 't lijfsgevaar."

De rover zegt: "Nu zal 't wel gaan,
waar is uw beurze, snel:
't en heb noch tijd noch kogels meer..."
"Ik wel,", zegt Naas, "ik wel !"

Zijn zevenschot haalt Naas toen uit
en spreekt: "Is 't dat ge u niet,
in een-twee-drie, van hier en pakt,
gij galgendweil, ik schiet !

"Ik schiet, van als gij nader komt,
uw domme kop in gruis.
en, zo gij Naas nog roven wilt,
laat uw verstand niet thuis !"

En lopen dat die rover die,
de benen van zijn lijf,
zo snel dat 't onbeschrijflijk is,
hoe snel ook dat ik schrijf !

Hier stoppe ik. Dichte een ander nu
een voois op boerke Naas;
't Is waar, 't en was geen leeuwenhert,
maar toch, 't en was niet dwaas !

Terug naar overzicht

Bolleman, geef acht !

(In  'De Vrije Westfries' plaatst een Andijker bouwer in April 1929 het volgende gedicht, dat de toestand prachtig typeert)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Zie hem jagen, zie hem rijden !
Wie is toch die dolleman ?
Wel die dolle, wilde Roeland
Is West-Frieslands bolleman.

En wat glimt daar voor zijn auto,
Waar hij star het oog op richt?
't Is de gladde, ronde gulden,
Die daar rolt voor zijn gezicht!

Zie zijn ogen uit de kassen
Puilend, als een dolleman,
Steeds gericht op 't rollend zilver,
Rijdt en rost daar bolleman !

Vader bouwde een hoekje mosterd,
Moeder bakte zelf hun brood,
Vader was zo bang voor schulden,
Moeder spaarde voor de nood....

Zoon beplakt nu met papieren
Van bijzonder makelij
Zijn halfglazen driehoekswoning
Aan de hele binnenzij.

In zijn hoofd daar is 't een chaos:
Haarlem, Mendel, kraal van kraal,
Toppers, bijgoed, kas voor broeien,
En een mond vol vreemde taal.

Land te koop in wijde omtrek
Doet zijn hart driedubbel slaan
En een schip vol Drentenaren
Ziet hij vol van vreugde aan.
Geld ! 0 Geld! 0 Geld ! De gulden
Trekt hem immer feller voort !

Uit de weg! Hij zit aan 't stuurrad,
Waag niet, dat je hem nu stoort !
Die daar vóór hem gaat nog harder
Achter 't gouden, glimmend geld !
Rustloos wordt zijn woelend leven
Door zijn hebzucht wreed gekweld.

Zijn er zo in ons West-Friesland ?
Als deez wilde dolleman ?
Strekke 't beeld ons tot bezinning
Van zo menig bolleman !
IJver, vuur en onderneming,
Schoon en goed, geen mens die 't laakt....
Zorg slechts, dat de zucht naar méér nog
U van 't goud geen lijfslaaf maakt.

Terug naar overzicht

Boutade

(P.A. de Genestet 1829 - 1861)

(met dank aan C.A. Krabbe voor het sturen van de tekst)

O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,

Doorsijperd stukse grond, vol killen dauw en damp,

Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,

Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp !

 

 

O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,

Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoôn,

Van eenden, groot en klein, in allerlei fatsoenen,

Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon !

 

 

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen

Tot modder ; 'k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vreê.

Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,

Gij- niet op mijn verzoek- ontwoekerd aan de zee.

 

Terug naar overzicht

Bram de dichter

(met dank aan Henk van Beusekom voor het sturen van de tekst)

Riemen dichten versies maken

Bint dar noe zukke slimme zaken?

k'Zeg oe nee, 'k make mien stark

Middenonder 't boerenwark

Inderhoast un vers te dichten

Woar 'j de pette veur zult lichten

 

Gleuf ie 't niet. 'k zal 't oe bewiezen

Wacht is 't is noe kwart veur vieven

'k Wed dat binnen un kwartier

Op dit schone vel papier

Een gedicht heb neer è schreven

Net zo goed en net zo bes

As er veur en noa mien `lèven

Ooit een dichtstuk is à wes

 

Kom loa 'ksaluk is beginnen

Vrouwe holt oe proaties binnen

en dat kindergoed wat stil

Loat dat lèven wat bedoaren

Want ik wil oe vast verkloaren

Dat 'k een mooi vers maken wil

 

Loat es zien woar za"k op dichten

Huweliujkstrouw, nee, kinderplichten,

Van de règen of de snee

Of za"k dichten op mien vee?

Wacht is ja verdreid nog toe

Ik goa dichten op mien  koe

 

Bram heel ernstig noa de grond

Dan noa de zolder, dan in "t rond

Hij strijkt zo fors langs neus en hoofd

Als was daar 't vers reeds gaar gestoofd

De kinren vechten, huilen. kijven

En Bram begint zijn vers te schrijven

 

Oh koe wat zijt gij een schoon dier

(wat is het toch een leven hier)

Aals gij mij toelacht uit de stal,

dan weet ik niet hoe ik u prijzen zal

Gij geeft ons melk en kaas en botter

Klaas hou is op met dat gesnotter

En botter en botter en wat nog meer

En ok en ok en ok nog leer

 

Oh koe gij zijt mijn trouwste vrind

(wel drommels vrouw wat schreeuwt dat kind)

(Zo kan  k niet dichten zeg ik oe)

En daarvoor dan ik u mien koe

Wat staat uw hoofd fraai op uw romp

(Va, Jannes houwt mien met de klomp)

Hoe zacht hoe glanzend is oe vel

(Pas op Gaitjan ik zie oe wel)

 

Hoe lieflijk roept ge telkens boe

Net als, nel als een echte koe

Daarom mijn dier graas vrij en blij

Ginds in de malse klaverwei

Straks keert gij weer door "t groene hek

(vrouw sloat dat kind is op de bek

(wat ligt dat jong doar toch te janken)

Woar was ik ok weer, oh juust das krek

Straks keert gij weer door 't groene hek

Ba foei roept plotseling onze zanger

'k Schei uut met dichten ik doe niet langer.

Terug naar overzicht

Brave ouders

(Jean-Louis Pisuisse 1880 - 1927)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

'n Jonge man, 'n meisje teer

Die wilde, elkander trouwen...

Daar was geen and're reden veur

Als dat z' elkander wouên.

Hij was 'n zorgelooze kwant

En zij 'n argloos kind,

Die droomden zich de huw'lijksband

'n Rose zijden lint...

 

Gelukkig had zij nog 'n Pa,

'n Heel verstandig vader.

En bovendien nog 'n Mama,

En deze twee tegader

Die waakten voor het levensheil

Van hun geliefde dochter:

Ze kenden same 'n ouwe dweil

Met duiten. En die kocht'r.

 

't Jonge meisje werd ‘mevrouw’,

Maar van den dorren ouwe

Kon 't arme kind dat leven wou

En liefde zocht, niet houe.

En als 't Lente, voorjaar was,

Dan had ze oogenblikken,

Dan zocht ze buite 'n plekje in 't gras...

Daar zat ze stil te snikken.

 

En 't eindigde met 'n schandaal,

'n Echtbreuk en 'n scheiding -

Voor leutertantes allemaal

'n Reden tot verblijding.

De theestoof en de koffiekan,

Die zongen 't zelfde wijsje.

Want heel de stad sprak schande van

Dat zedelooze meisje.

 

De man, die troostte zich weldra,

Hij kocht wel gauw 'n ander...

Maar 't ergst was 't voor haar Pa en Ma,

Zoo zei men tot elkander.

Je dochter als 'n slet in huis,

Je zou 't geen vijand wenschen....

Ja, ja, zoo'n kind dat is 'n kruis

Voor zulke nette menschen.

Terug naar overzicht

Brief van vader uit het oude mannenhuis

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik schrijf u jongen nog een briefje,

Ik weet niet of je er wat om geeft,

Let niet op het slechte schrijven,

Ik ben oud, mijn hand die beeft.

Ik hoop maar dat ge het zult lezen,

Leg het niet terzijde neer,

Ik gevoel mij zwak de laatste dagen,

Wellicht schrijf ik nimmer meer.

 

Ik zit hier uren stil te wenen,

In het ouwe mannenhuis,

Ik denk dan vaak nog aan ’t verleden,

Toen ik nog was, in eigen huis.

Waar jij het levenslicht aanschouwde,

Waar ik woonde met mijn vrouw,

Ik dacht toen niet dat jij, mijn jongen,

Mij ooit daaruit verdrijven zou.

Toen je met dat meiske trouwde,

Stond ik jou mijn huiske af,

Ik kon toen niet meer werken,

Ik leefde van wat jij mij gaf

 

Ik kreeg een hele mooie kamer,

Doch daar moest ik gauw vandaan,

En als arme oude stakker,

Naar een zolderkamer gaan.

Ik mocht niet eens aan tafel komen,

Wat ik zeer storend vond,

En moest op den zolder eten,

Was ik dan gelijk een hond?

’t Is gelukkig dat je moeder,

Voor die tijd is dood gegaan,

Ik zou niet gaarne willen hebben,

Dat het haar was aangedaan.

 

Ach ge kunt maar niet begrijpen,

Hoe ongelukkig ik ook ben,

’t is hier zo stil en zo eenzaam,

Er is niemand die ik ken.

Had me honger laten lijden,

Op den zolder bij jou thuis,

Liever nog dan weg te kwijnen,

In het oude mannenhuis.

Ik word zwak, de kracht begeeft me,

Jongen lief, ontvang mijn groet.

 

Ach ge zult mij nu wel niet bezoeken,

Maar afijn, het is zo goed.

Ik voel geen haat, ik schenk vergeving,

En ik bid den goede God,

Dat hij jou in later jaren,

Spaart voor zo’n ellendig lot.

Nu mijn jongen, nog een groetje,

Kus je kind van mij goenacht,

En laat de kleine voor mij bidden,

Dat ik maar gauw sterven mag.

 

Dan eerst ben ik uit mijn lijden,

Naar den dood verlang ik gauw,

Boven wacht jouw goede moeder,

Boven wacht mijn lieve vrouw.

Terug naar overzicht

Broertje

(Willy Derby - 1886-1944)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Met z’n groote hongeroogen

En z’n bleek en mager snuit,

Stond hij in de felle koude

Voor het groote winkelruit.

Binnen in de groote lunchroom

Waar het warm was en zoo licht,

Aten menschen koek en taartjes

Met ’n vergenoegd gezicht

En het taartje kreeg ze niet.

 

Jantje stond er naar te kijken,

Vergat honger en de kou;

En hij dacht hoe z’n ziek zusje

Van dat lekkers smullen zou.

’n Mijnheer met mooie bontkraag,

Zag ’t schooiertje daar staan;

En hij vroeg of kleine Jantje

Met hem binnen wilde gaan.

 

Jantje kreeg in bevend handje

’n Gebakje met wat room,

Jantje stond verbaasd te kijken,

’t Was nog mooier dan een droom.

Jantje had zo’n grooten honger

Maar hij stak niets in z’n mond;

Hij dacht aan zijn zieke zusje,

En keek angstig in ’t rond….

 

Plots… toen rende-ie de straat op,

Liep weer in de felle kou;

En hij dacht met kloppend hartje

Hoe z’n zusje smullen zou….

Maar toen Jantje hijgend thuis kwam

Was het krotje vol verdriet…….

Kleine zus die was gestorven

…En het taartje…. Kreeg ze niet….

Terug naar overzicht

Buigzaamheid

(Jacob Cats 1577-1660)

(met dank aan Bei Cok voor het sturen van de tekst)

Een omgewaaiden eiken-boom,
Kwam drijven met een snellen stroom,
Kwam drijven in het groene riet,
Gewassen aan de gulle vliet,
En ziende dat het dun gewas,
Niet van den wind beschadigd was,
Zoo sprak terstond dit eiken hout,
Bi ben geslingerd uit het woud,
Bi ben getrokken uit den grond,
Hoe vast dat ik geworteld stond,
Ik ben met krachten neergedrukt,
En in der haast daar heen gerukt;
En gij, een zwak, een tanger kruid,
Dat hier omtrent den oever spruit,
Staat frisch en weet van geen verdriet:
Ei, zeg mij toch hoe dit geschiedt.


Het riet-bosch loeg , om dit gesprek,
En zeide: ik weet een beter trek ,
Als hooge boomen uws gelijk,
En dat alleen vermits ik wijk,
Vermits ik buig , en duik , en nijg,
Tot dat ik beter weder krijg;
Maar gij zijt hard en bijster trotsch
En staat gelijk een stege rots.
En of al schoon een noorden wind,
Op aarde zijn geweld begint,
En dat hij fel en vinnig blaast,
En door de groene bosschen raast,
Gij past niet op zijn groote magt,
En toont dat gij hem niet en acht,
En daarom wordt hij bijster gram,
En valt dan op uw dikken stam.

Terug naar overzicht

Café

(Jacobus van Looy 1855-1930)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Waar, vlam-rood, rozen in de rooie zalen
Bloeien in kronen en 't goud rommedomt,
In spiegel-wanden duizendvoud weerómt,
Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen.
Dan in geroes van vele talen,
In spraak-gewar dat Babylonisch gromt,
We hurken om tafels, naar elkaar gekromd,
Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen.
Daar zitten we onder zuilen als in dag,
Stoer lijf bij lijf, elkaar, wijl de uren vliegen,
Vertrouwelijk van 't leven te beliegen.
De vrouw-gerokte kelners brengen ons drinken.
Hóór, door de rooie rook joelt onze lach ...
De zaal 'n burcht is ... de klare glazen klinken.

Terug naar overzicht

Chocoladeletter

(Sinterklaasgedichtje van Clinge Doorenbosch)

(met dank aan Bertus ten Bosch voor het sturen van de tekst)

"Mag het geen andere letter wezen?", vroeg ze met een lief gezicht

"Alle letters zijn hetzelfde, in de prijs en in 't gewicht"

"Neen, het moet bepaald een B zijn" sprak de dikgebuikte heer

En de vriendelijke juffrouw zocht weer voor de vierde keer

Maar, de letter B was niet voor handen en de winkeljuffrouw zei:

"Ik zal er eentje laten halen uit de andere bakkerij"

Weldra klinkt haar telefoontje: "Stuur me gauw een letter B"

En het dikgebuikte heertje wachtte, drentelend, gedwee

Van de flikjes naar de borstplaat, van de borstplaat naar de kas

Het kon wel een kwartiertje duren, eer de letter B er was

Een minuut of twintig later, klinkt een vrachtautosignaal

En daar komt de letter B aan, uit het verre stadsfiliaal

"Zal ik hem in een vetvrij papier doen, of in een kartonnen doos?"

"Neen, 't is om hier op te eten", en de juf stond sprakeloos.

Terug naar overzicht

Chriestne Zielen

(Bernard van Meurs)

(met dank aan Riet Pietersen voor het sturen van de aanvulling)

"Chriestne zielen!"Aorige uutroep,
Die nao meer dan vieftig jaor,
Mien nog schreien duut van 't lachen
En weemujigheid tegaar
Och waor is de tied gebleven?
Al mien haoren zin nou gries,
En ik merk mien levensliedje
Raokt somwielen van de wies.
Mien geheugen speult m'al parten,
Wil ik is uut verlejen tied
Dit of dat geval vertellen -
Fuut ! Ik bin naom en daotum kwiet.
Maor , en dâ's weer onbegrieplik,
Wâ'k as dreumes heb gedaon,
Glad vergeten was siends jaoren,
Kumt weer levend veur mien staon.
Zo beveurbeild uut mien jonkheid
Schiet mien ien 't kemiek geval
Dâ'k op Sinter Klaos beleefd heb
En oe nou vertellen zal
's Aovends goeng weer 't spul beginnen
't Joeg mien wel 'en schrik op 't lief
Da gerammel met de ketting;
Maor toch was 'k op mien kievief
Went ik trok 'en bietje ien twiefel
De echtheid van de Sinterklaos

En gen zier meer kos ik gleuven,

In z'n knecht de'n Pieterbaos.
"Stil!" riep vaoder bang tot moeder,
"Heurde 'm?...Daor kumt Pieter aon!"
Maor ze kniepte saom 'en eugske,
En dâ dee mien veul verstaon.
Boems! d'r valt 'n roei, en strompelt
Pieter brommend uut de kas.
Gauw zag 'k aon zien kromme benen,
Dat'et aome Graodus was.

Maor 'k zei niks en hiew m'onneuzel
En dee krek al wat ie wou.
Op mien knie beleufde ik greinend
Dâ'k m'ien alles beetren zou.

Daorum kreeg 'k ien stee van priegel,
Keuning David van taoi-taoi.
'k Had zien kroon al opgepeuzeld,
Toen ik hum vond in moeders laoi.
Nog meer lekkers zag 'k dien mergen
Ien de laoi van 't kammenet.
'k Docht: zou moeder Sinterklaas zin?...
Jao, best meuglik !...Opgelet !
Veur haor bedstee hè'k 'en klumke
Hooi en wortels neergezet;
Maor ze zei mien, toen'k goeng slaopen
"Zet 'et veur oew eigen bed !
"Went de bisschop laot oe weten
Dat ie rijdt bij ou vannacht
Mergen vruug dan kum'k is kieken
Wâ de heilige man oe bracht"
'k Kreeg 'n kruuske op 'et veurheufd
Met 'n "slaopwel!" op de wang;
Trooi mien kleine kaomer binnen,
Lachend maor 'n bietje bang.
Bang?... Waorveur zou'k bang zin? Gekheid !
Kiek 'en bisschop is gen spook...
't Is 'en heilige man uut Spanje,
Dâ zeit moeder - 't gleuf 'et ook;
Maor, dat-ie te peerd ien huus kumt
Deur 't schorsteengat - dâ's raor!
Zonder nek of poot te breken
Speult geen enkel peerd dâ klaor.
't Is kemiek!...Zou moeders zelvers? -
O, ze houwt zo veul van mien
Maor ze kan 'm ook aorig foppen -
Zou zij zelvers? Hé !...Misschien !

Zo lei'k lang in bed te miemren,
Met de dekens aan de mond
Hiew 'k den aojem ien, al luusterend
En keek scharp ien 't duuster rond.
Stil ! ... daor piept de deur ... gauw snurken,
Net of ik slaop. D'r kumt wat heur
Wie zou 't zin ! Zo waor 't is moeder,
'k Zie 't bij 't schiensel uut de deur.
Zuutjes schuuft ze op kousenvuutjes,
Buugt zich veur de taofel neer.
Leit daorop 'en groten klaosman,
Sukerbeuntjes en nog meer;
Heel veurzichtig haolt ze uut 't klumpke
Hooi en wortels - krek of 't peerd
't Helegaor had opgevreten
En maokt haostig rechtsumkeert.
Deur weer dicht - maor zonder piepen,

Weer is 't duuster - Nou d'r uut!
En daor stao 'k al veur de taofel,
Dansend op mien blote vuut.
Klaosman, beuntjes, 't hele boeltje,
Gauw mee naor de werme kooi.
'k Kruup er ien, en toen aon 't smullen,
Net zo lang, da'k heel de zooi,
Tot 'et leste brukske en stukske,
Is geburgen ien mien maog.
Was de maog daarmee tevrejen ?
Jongens doen haor nooit zo'n vraag !
't Heugt mien deksel goed alevel,
'k Had 'n raoren droom toen'k sliep.
Pieterbaos danst op zien klompen,
Ien mien maog de horlepiep.
's Mergens heur ik moeder schrauwen:
"Chriestne zielen!" op die shrauw,
Koekeloer 'k deur 't bedgordientje:
't Goeje mins zit arg ien 't nauw.
Met de handen saomgevouwen,
Blieft ze 'n poos bedrempeld staon,
Scharp naor alle kanten kiekend,
Fluusterend: "Wâ nou gedaon?"

Of ik van de Prins gen kwaod weet,
Roep ik: "Goeje mergen, moe !"
"G'mergen jungske!" zei ze vriendlik
En kwiem langzaam naor mien toe.
Op de taofel wiezend, vraogt ze:
"Zo ! De bisschop kwiem hier niet !
"Toch wel moe! 't Peerd hêt et klumpke
Leeggevreten, zo ge ziet !"
"Zo ! En gij ?...Al opgegeten
Wat ie reej op taofel?...Zeg?..."
"Jao ! Hie zei mien: eet maar op jong,
Anders pakt'et moeder weg !"
"Schelm, ge fopt mien!" riep ze lachend,
"Maor 't is nou de leste keer".
"Sinter Klaos rijdt veur zoo'n deugniet,

Op'en ander jaor nie meer!"

"Chriestne Zielen!" Aorige uutroep,
Die nao meer dan vieftig jaor,
Mien nog schreien duut van 't lachen
En weemuujigheid te gaor.

Terug naar overzicht

Claartje

(Bij de schilderij van hare overleden moeder)

(Hieronymus van Alphen 1746 - 1803)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wanneer ik neergezeten
Bedaard het beeld aanschouwe
Van mijne lieve moeder,
Dan rollen mij de tranen
Gestadig langs de wangen.
Dat lief en lachend wezen,
Waar godvrucht en oprechtheid
Bevalligheid en blijdschap
Zo klaar op is te lezen,
Doet mij dan bitter schreien,
Om dat ik haar moet missen;
Ik - nog geen negen jaren.
Wat heb ik niet al uurtjes
Met nut bij haar gezeten,
Wanneer zij mij, al spelend
Het een en ander leerde.

Maar 't zal mij altoos heugen,
Hoe zij mij bij haar sterven
Voor 't laatst nog eens omhelsde.

Ik kan er niet aan denken,
En 'k doe het toch zo gaarne.

Toen zei ze: "Lieve Claartje !
Uw moeder zal haast sterven,
En van deze aarde scheiden,
Om in de blijde Hemel
Bij de engelen te wonen;
Hoor dan mijn laatste woorden,
En geef mij 't laatste kusje.

Eer God, bemin uw vader !
Groei op in deugd en wijsheid !
En wilt ge vrolijk leven,
Leer vroeg de zonden haten.
Maar hebt ge eens kwaad bedreven,
Dan moet ge 't gul belijden;
En God om Jesus wille
Zal u vergeving schenken.
Maar ziet ge dan, mijn Claartje !
Op aarde mij niet weder,
Zie dikwijls naar de hemel,
En zeg - daar woont mijn moeder.
Ach, zag ik na uw sterven
Mijn kind ook daar verschijnen,
Hoe zou ik mij verblijden,
En God eerbiedig danken.
Voor u, mijn lieve Claartje !
Is ook de hemel open.

Maar ach; mijn lieve meisje !
Ik voel de dood genaken,
En kan niet langer spreken,
Vaarwel, vaarwel dan, Claartje !
Daar hebt ge 't laatste kusje !

'k Ging schreiend naar beneden;
En 't duurde weinig uren,
Of Moeder was gestorven.

Wanneer ik nu, gezeten
Bij 't beeld van mijne moeder,
Aan hare dood gedenke,
Dan rollen mij gestadig
De tranen langs de wangen.
Dan zie ik naar de hemel,
De woonplaats mijner moeder;
Dan roep ik, bitter schreiend,
O God, hebt Gij die moeder
Aan mij zo vroeg ontnomen,
U mag ik niet berispen,
Hoe zeer ik haar betreure;
Neen, Gij zijt wijs en heilig,
Mag ik U maar beminnen,
Mijn lieve Vader eren,
En moeders lessen volgen,
Dan zal ik bij mijn sterven
Bij U en moeder komen.
Wat zal dat zalig wezen !

Terug naar overzicht

Complainte

(J. Slauerhoff 1896-1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ik leefde ook liever monogaam,
Maar ik ben veroordeeld als nomade,
Tot geen gestage echt bekwaam,
Steeds af te wijken van de paden

Door elk van wieg tot graf bewandeld,
Strak afgewend van 't boos instinct:
Hun ziel voor welvaart vlot verhandeld,
Hun drift verdrongen en verminkt.

't Geluk, dit smadelijk verdrag
Toch te vergeten bij een gade:
Een zacht licht in een trieste dag,
Des nachts een donkre genade,

Wordt duur gekocht; die lieve lust
Groeit in een stadje vast en vaster,
Moet luisteren naar regel, rust,
Van klokgelui tot laf gelaster.

Ik zal wel heengaan op een nacht
Met stille trom: een desperado
Die smachtend zoekt als Eldorado
Een land nog niet in kaart gebracht.

Om eindlijk, door elk visioen
verraden, mij te laten werven
Voor 't vreemdelingenlegioen,
Zo eervol anoniem te sterven.

 

Terug naar overzicht

Conductrices tijdens WO II

(Koos Speenhoff 1869-1945)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Daar zijn nu de conductrices,
Bezig in de drukke tram.
Straks misschien wel wagenvoersters,
Aan de handle en de rem.
In een keurig, fleurig pakje,
Met een rammelende tas,
Doen die kloeke slimme meisjes,
Of dat jarenlang zoo was.
Vrijgevochten vrijgezellen,
Wagen er tien oogjes aan.
En .... zelfs de zwaarstgehuwde mannen,
Ziet men nu extra trammen gaan.

Terug naar overzicht

Cupidootje

(C. S. Adama van Scheltema 1877 - 1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Cupidootje,

Speelgenootje

Ach, wat schoot je

Weer bijzij !

Altijd zeilt je

Scherpe pijltje

Juist mijn kloppend hart voorbij !

 

Nooit es deert je

Gauw geweertje

Dan een veertje

Van mijn hoed, -

En ze zeiden:

"Die verdijde

Kleine jongen schiet zo goed !"

 

Of - zeg, schiet je,

Deugenietje

Met een rietje

Zonder punt ?

Want ik zie et

Wel op wie et

Telkens toch weer is gemunt !

 

Liefdegodje

Wat bedot je

Vinnig schotje

Mij zoo vaak ?

Word es wakker

Kleine rakker -

Cupidootje - - schiet es raak !

Terug naar overzicht