(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Een blanke nymf
steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen 't blonde hair, dat druipend nat
Nog van den amber der violen geurde.
Hoe 't rozig-blond van 't blozend rozeblad
De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,
Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,
Zij lelie was, die in den dauwe treurde !
Daar stond ze, steunende op het slanke been,
Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,
Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.
Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,
Geheel omsluyerd in den korenblonde:
Antieke vaas met douden veile omwonden.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Ik heb dan
achtentwintig jaren
Geleefd ! geleefd ? neen; ver van daar:
Die schone tijd is weggevaren:
’k Bewoog mij achtentwintig jaar.
o Levensoorzaak ! wat is leven ?
Is ’t laag en ijdel tijdsverspil ?
Neen; ’t is aan u zich overgeven;
’t Is wandlen naar uw wijze wil.
Dan, ach ! mijne uren zijn verloren !
Die dierbre gift onnut verdaan !
Help ! God ! wat lot is mij beschoren !
Waar zal ik uw gezicht ontgaan ?
Waar vluchte ik !... waar ? ’k vlucht in uwe armen;
Ik berg mij in die hoge nood,
Vol hoop op ’t vaderlijk ontfermen,
Ik berg mijn hoofd in uwe schoot.
Ach ! wil de dwaasheên mij vergeven,
De dwaasheên van mijn losse jeugd !
’k Wijde u, o God ! mijn volgend leven:
Ik kenne, ik achte, ik kies de deugd.
Mijn vijand waakt, zou ik dan slapen,
En zorgloos sluimren in ’t gevaar ?
Gaf mij de Heilvorst schild en wapen,
Om ’t stil te leggen bij elkaar ?
Ik zal.. wat durve ik toch beloven ?
Ik schaam mij zulks voor u, o Heer !
Eén woord zal licht mijn ijver doven,
En, ach! één vijand werpt mij neer.
’k Heb duizendmaal, o God der goden,
Aan u met ernst mijn hart beloofd,
Ja zelfs gewillig aangeboden,
Doch duizendmalen weer ontroofd.
Zal ik, o God ! altoos dus zwerven ?
Nooit vast staan op de weg der deugd ?
Uw gunst en ’s werelds vriendschap derven ?...
Vaar wel dan, vrede en kalmte en vreugd !
Dan slijte ik kwijnende al mijn dagen;
Dan kruipe ik hijgend naar mijn graf,
Want ’s Hemels ongunst weg te dragen
Is ’t hardste leef, de zwaarste straf.
Neen, ’k grijp weer moed: gij zult mij sterken
In u, mijn hulp, mijn hoofd, mijn kracht;
Dan wordt het willen en het werken,
o God ! in mij door u volbracht.
Dan wordt, door gonzende ijdelheden,
Mijn zielrust niet gestoord,
Dan nadere ik, met snelle schreden,
Het land dat nu mijn ziel bekoort;
Tot ik, eens al ’t gevaar ontvaren,
In ’t vol genot van ’t hoogste goed,
Mijzelf al juichend zal verjaren,
Met zelfvoldoening in ’t gemoed.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Wijker Bijtje, die bij ’t Beekje
Nestelt, en geeft menig steekje
Die uw honig komt te dicht;
Wakker Nimfje, die zo klaartjes
Met uw oogjes op de blaartjes
Flikkert, blikkert, straalt, en licht;
Zeg mij, meisje, die zo netjes
Poezelachtig zijt, en vetjes,
Levend, helder, wel gedaan;
Waar van moog je zo wel tieren,
Daar al d'andere, arme dieren,
Bleek en treurig kwijnen gaan ?
Eet je slaatje met een eitje ?
Drink je niet dan schapeweitje ?
Pluk je moesje uit de tuin ?
Bak je struifjes van de kruitjes ?
Trek je heen, na zomerbuitjes,
Om lamprei en knijn, in duin ?
Slaap je op dons van witte zwaantjes ?
Lek je muskadelle traantjes ?
Hou je een ongemene stijl ?
Leg je in schim van koele boompjes ?
Droom je daar geen andre droompjes
Als van suiker, uit Brezijl ?
Zwem je in lachjes, en genuchjes ?
Leeft uw geest in zoete kluchjes ?
Springt uw zieltje in uw lijf ?
Erf je niet als heil, en zegen ?
Ben je juist van pas geregen,
Niet te los, noch niet te stijf ?
Zeg het toch uw medemeisjes,
Vol zwaarmoedige gepeisjes,
Heel uw speelnoots algelijk.
Red die diertjes van haar tering.
Onderkruip den Haas zijn nering,
En word dokter van de Wijk.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
En klinkt het kloosterbelleke,
Ze sluit het stille celleke,
En drentelt naar 't kapelleke
Met de oogen neergeslaan;
En knielt er op het zedigste
En prevelt op het vredigste
En laat heur zieltje gaan.
En heel dit zieltje ontvouwende
En 't door en door beschouwende,
Klopt ze op heur hartje, rouwende:
“'k Heb zooveel kwaads gedaan;
Dat mij de Heer geduldige,
Ik wil me niet ontschuldigen,
'k Zal beteren voortaan.
Begijnen en
begarden zijn resp. vrouwen en mannen die leven als alleenstaanden en deel
uitmaken van een soort vrije lekengemeenschap
binnen de Rooms-Katholieke kerk.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Zij was een
wees, die vrienden had noch magen;
Zij was hier vreemd; zij kwam van wijd;
Zij kwam een dak, een Leger vragen
En luttel brood voor trouw en vlijt.
Zij was zoo zacht, zoo zedig, zoo bescheiden
Zij won het hart, nog eer ze sprak;
Bevoorregt, wie haar in mogt leiden
En opnam onder ‘t gastvrij dak.
Wat was zij vlug en welig en aanvallig !
Zij zweefde als op een donzen tred !
Wat was haar zilvren stem lieftallig !
Wat was haar taal beschaafd en net !
Wat was zij schoon ! ...
Hoe lachten uit haar trekken
De levenslust der blijde jeugd,
De reinheid, zonder kreuk of vlekken,
De kinderziel en de englendeugd !
Wat was zij goed ! wat was zij diep bewogen
Met wie bedrukt zat en in leed !
Hoe gaarne mogt zij tranen droogen,
Terwijl een traan haar oog ontgleed !
En als zij bad…! o, Wie haar mogt aanschouwen
Bij ‘t fluistrend murmlen van haar bee,
Hij moest als zij de handen vouwen,
Hij bad onwillens met haar mee.
Neen, blanker ziel met meer aanloklijkheden,
Noch vromer hart met blijder geest,
Noch schooner vorm met kuischer zeden
Zij waren nooit gepaard geweest.
Helaas, helaas ! het was een kort verschijnen !
Zij was te teer, de tengre plant !
Zij ging aan ‘t welken, aan ‘t verkwijnen;
Zij aardde niet in ‘t vreemde land.
‘t Werd guur en kil en vochtig in dees streken;
Een koortskou greep in ‘t zwak gestel:
Daar lag zij, magtloos en bezweken,
En zei aan ‘t land en de aard’ vaarwel:
Zij stierf !... Welnu ? dat lot is elk beschoren,
Aan dezen jong, aan dien bedaagd;
Er werd zoo veel toch niet verloren
Aan de onbekende kamermaagd.
Ze is dood… Welnu ! Er kwamen vrouwen binnen
En legden ‘t lijk betaamlijk af;
Zij speldden ‘t in een kleed van linnen,
Den opschik, dien men draagt in ‘t graf.
Er kwam een kist, een lijkkist met de schragen,
Het plankenhuis, dat allen toeft;
De doode werd er ingedragen,
Het deksel werd er opgeschroefd.
Er kwam een koets: de vracht werd ingeladen;
Er volgde een schaar, een kleene schaar…
O God ! van al wie medetraden
Viel de uitvaart aan niet eenen zwaar !
Och, aan niet een, van al die achterbleven,
Ontvlood een zucht, een klagt, een woord;
Niet een Vaarwel werd meegegeven,
Niet een Tot weerziens ! werd gehoord !
De vreemde wees… wat mogt ze meer begeeren ?
Niet elk nog werd verpleegd als zij;
Men liet haar hulp noch heul ontberen,
Men gaf ze een eerlijk graf er bij…
O God ! o God ! een toonbeeld zoo volkomen
Van onschuld en van lieflijkheid,
Met ruwe handen opgenomen,
Met koude harten uitgeleid ! ...
Ik zag het graf; ik heb de kist zien zinken,
Die zoo veel kostbaars was vertrouwd;
Ik zag de spa des gravers blinken,
Die ‘t zand ter neer plofte op het hout.
Ik stond ontroerd, verdiept in duistre vragen,
In mijmring en gepeins verward,
Met de oogen op de groef geslagen
En weemoed in ‘t gebroken hart;
1k zag in ‘t rond, of niemand stond te weenen,
lk las en vorschte in ieders blik…
De kuil was digt, de schaar’ toog henen,
En niemand plengde een traan dan ik.
(In 'De Vrije Westfries' plaatst een
Andijker bouwer in April 1929 het volgende gedicht, dat de toestand
prachtig typeert)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Zie hem jagen,
zie hem rijden !
Wie is toch die dolleman ?
Wel die dolle, wilde Roeland
Is West-Frieslands bolleman.
En wat glimt daar voor zijn auto,
Waar hij star het oog op richt?
't Is de gladde, ronde gulden,
Die daar rolt voor zijn gezicht!
Zie zijn ogen uit de kassen
Puilend, als een dolleman,
Steeds gericht op 't rollend zilver,
Rijdt en rost daar bolleman !
Vader bouwde een hoekje mosterd,
Moeder bakte zelf hun brood,
Vader was zo bang voor schulden,
Moeder spaarde voor de nood....
Zoon beplakt nu met papieren
Van bijzonder makelij
Zijn halfglazen driehoekswoning
Aan de hele binnenzij.
In zijn hoofd daar is 't een chaos:
Haarlem, Mendel, kraal van kraal,
Toppers, bijgoed, kas voor broeien,
En een mond vol vreemde taal.
Land te koop in wijde omtrek
Doet zijn hart driedubbel slaan
En een schip vol Drentenaren
Ziet hij vol van vreugde aan.
Geld ! 0 Geld! 0 Geld ! De gulden
Trekt hem immer feller voort !
Uit de weg! Hij zit aan 't stuurrad,
Waag niet, dat je hem nu stoort !
Die daar vóór hem gaat nog harder
Achter 't gouden, glimmend geld !
Rustloos wordt zijn woelend leven
Door zijn hebzucht wreed gekweld.
Zijn er zo in ons West-Friesland ?
Als deez wilde dolleman ?
Strekke 't beeld ons tot bezinning
Van zo menig bolleman !
IJver, vuur en onderneming,
Schoon en goed, geen mens die 't laakt....
Zorg slechts, dat de zucht naar méér nog
U van 't goud geen lijfslaaf maakt.
(met dank aan Bei Cok voor
het sturen van de tekst)
Een omgewaaiden
eiken-boom,
Kwam drijven met een snellen stroom,
Kwam drijven in het groene riet,
Gewassen aan de gulle vliet,
En ziende dat het dun gewas,
Niet van den wind beschadigd was,
Zoo sprak terstond dit eiken hout,
Bi ben geslingerd uit het woud,
Bi ben getrokken uit den grond,
Hoe vast dat ik geworteld stond,
Ik ben met krachten neergedrukt,
En in der haast daar heen gerukt;
En gij, een zwak, een tanger kruid,
Dat hier omtrent den oever spruit,
Staat frisch en weet van geen verdriet:
Ei, zeg mij toch hoe dit geschiedt.
Het riet-bosch loeg , om dit gesprek,
En zeide: ik weet een beter trek ,
Als hooge boomen uws gelijk,
En dat alleen vermits ik wijk,
Vermits ik buig , en duik , en nijg,
Tot dat ik beter weder krijg;
Maar gij zijt hard en bijster trotsch
En staat gelijk een stege rots.
En of al schoon een noorden wind,
Op aarde zijn geweld begint,
En dat hij fel en vinnig blaast,
En door de groene bosschen raast,
Gij past niet op zijn groote magt,
En toont dat gij hem niet en acht,
En daarom wordt hij bijster gram,
En valt dan op uw dikken stam.
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Waar, vlam-rood,
rozen in de rooie zalen
Bloeien in kronen en 't goud rommedomt,
In spiegel-wanden duizendvoud weerómt,
Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen.
Dan in geroes van vele talen,
In spraak-gewar dat Babylonisch gromt,
We hurken om tafels, naar elkaar gekromd,
Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen.
Daar zitten we onder zuilen als in dag,
Stoer lijf bij lijf, elkaar, wijl de uren vliegen,
Vertrouwelijk van 't leven te beliegen.
De vrouw-gerokte kelners brengen ons drinken.
Hóór, door de rooie rook joelt onze lach ...
De zaal 'n burcht is ... de klare glazen klinken.
(met dank aan Riet Pietersen voor het
sturen van de aanvulling)
"Chriestne
zielen!"Aorige uutroep,
Die nao meer dan vieftig jaor,
Mien nog schreien duut van 't lachen
En weemujigheid tegaar
Och waor is de tied gebleven?
Al mien haoren zin nou gries,
En ik merk mien levensliedje
Raokt somwielen van de wies.
Mien geheugen speult m'al parten,
Wil ik is uut verlejen tied
Dit of dat geval vertellen -
Fuut ! Ik bin naom en daotum kwiet.
Maor , en dâ's weer onbegrieplik,
Wâ'k as dreumes heb gedaon,
Glad vergeten was siends jaoren,
Kumt weer levend veur mien staon.
Zo beveurbeild uut mien jonkheid
Schiet mien ien 't kemiek geval
Dâ'k op Sinter Klaos beleefd heb
En oe nou vertellen zal
's Aovends goeng weer 't spul beginnen
't Joeg mien wel 'en schrik op 't lief
Da gerammel met de ketting;
Maor toch was 'k op mien kievief
Went ik trok 'en bietje ien twiefel
De echtheid van de Sinterklaos
En gen zier
meer kos ik gleuven,
In
z'n knecht de'n Pieterbaos.
"Stil!" riep vaoder bang tot moeder,
"Heurde 'm?...Daor kumt Pieter aon!"
Maor ze kniepte saom 'en eugske,
En dâ dee mien veul verstaon.
Boems! d'r valt 'n roei, en strompelt
Pieter brommend uut de kas.
Gauw zag 'k aon zien kromme benen,
Dat'et aome Graodus was.
Maor
'k zei niks en hiew m'onneuzel
En dee krek al wat ie wou.
Op mien knie beleufde ik greinend
Dâ'k m'ien alles beetren zou.
Daorum
kreeg 'k ien stee van priegel,
Keuning David van taoi-taoi.
'k Had zien kroon al opgepeuzeld,
Toen ik hum vond in moeders laoi.
Nog meer lekkers zag 'k dien mergen
Ien de laoi van 't kammenet.
'k Docht: zou moeder Sinterklaas zin?...
Jao, best meuglik !...Opgelet !
Veur haor bedstee hè'k 'en klumke
Hooi en wortels neergezet;
Maor ze zei mien, toen'k goeng slaopen
"Zet 'et veur oew eigen bed !
"Went de bisschop laot oe weten
Dat ie rijdt bij ou vannacht
Mergen vruug dan kum'k is kieken
Wâ de heilige man oe bracht"
'k Kreeg 'n kruuske op 'et veurheufd
Met 'n "slaopwel!" op de wang;
Trooi mien kleine kaomer binnen,
Lachend maor 'n bietje bang.
Bang?... Waorveur zou'k bang zin? Gekheid !
Kiek 'en bisschop is gen spook...
't Is 'en heilige man uut Spanje,
Dâ zeit moeder - 't gleuf 'et ook;
Maor, dat-ie te peerd ien huus kumt
Deur 't schorsteengat - dâ's raor!
Zonder nek of poot te breken
Speult geen enkel peerd dâ klaor.
't Is kemiek!...Zou moeders zelvers? -
O, ze houwt zo veul van mien
Maor ze kan 'm ook aorig foppen -
Zou zij zelvers? Hé !...Misschien !
Zo
lei'k lang in bed te miemren,
Met de dekens aan de mond
Hiew 'k den aojem ien, al luusterend
En keek scharp ien 't duuster rond.
Stil ! ... daor piept de deur ... gauw snurken,
Net of ik slaop. D'r kumt wat heur
Wie zou 't zin ! Zo waor 't is moeder,
'k Zie 't bij 't schiensel uut de deur.
Zuutjes schuuft ze op kousenvuutjes,
Buugt zich veur de taofel neer.
Leit daorop 'en groten klaosman,
Sukerbeuntjes en nog meer;
Heel veurzichtig haolt ze uut 't klumpke
Hooi en wortels - krek of 't peerd
't Helegaor had opgevreten
En maokt haostig rechtsumkeert.
Deur weer dicht - maor zonder piepen,
Weer
is 't duuster - Nou d'r uut!
En daor stao 'k al veur de taofel,
Dansend op mien blote vuut.
Klaosman, beuntjes, 't hele boeltje,
Gauw mee naor de werme kooi.
'k Kruup er ien, en toen aon 't smullen,
Net zo lang, da'k heel de zooi,
Tot 'et leste brukske en stukske,
Is geburgen ien mien maog.
Was de maog daarmee tevrejen ?
Jongens doen haor nooit zo'n vraag !
't Heugt mien deksel goed alevel,
'k Had 'n raoren droom toen'k sliep.
Pieterbaos danst op zien klompen,
Ien mien maog de horlepiep.
's Mergens heur ik moeder schrauwen:
"Chriestne zielen!" op die shrauw,
Koekeloer 'k deur 't bedgordientje:
't Goeje mins zit arg ien 't nauw.
Met de handen saomgevouwen,
Blieft ze 'n poos bedrempeld staon,
Scharp naor alle kanten kiekend,
Fluusterend: "Wâ nou gedaon?"
Of
ik van de Prins gen kwaod weet,
Roep ik: "Goeje mergen, moe !"
"G'mergen jungske!" zei ze vriendlik
En kwiem langzaam naor mien toe.
Op de taofel wiezend, vraogt ze:
"Zo ! De bisschop kwiem hier niet !
"Toch wel moe! 't Peerd hêt et klumpke
Leeggevreten, zo ge ziet !"
"Zo ! En gij ?...Al opgegeten
Wat ie reej op taofel?...Zeg?..."
"Jao ! Hie zei mien: eet maar op jong,
Anders pakt'et moeder weg !"
"Schelm, ge fopt mien!" riep ze lachend,
"Maor 't is nou de leste keer".
"Sinter Klaos rijdt veur zoo'n deugniet,
Op'en
ander jaor nie meer!"
"Chriestne
Zielen!" Aorige uutroep,
Die nao meer dan vieftig jaor,
Mien nog schreien duut van 't lachen
En weemuujigheid te gaor.
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Wanneer ik
neergezeten
Bedaard het beeld aanschouwe
Van mijne lieve moeder,
Dan rollen mij de tranen
Gestadig langs de wangen.
Dat lief en lachend wezen,
Waar godvrucht en oprechtheid
Bevalligheid en blijdschap
Zo klaar op is te lezen,
Doet mij dan bitter schreien,
Om dat ik haar moet missen;
Ik - nog geen negen jaren.
Wat heb ik niet al uurtjes
Met nut bij haar gezeten,
Wanneer zij mij, al spelend
Het een en ander leerde.
Maar 't zal mij altoos heugen,
Hoe zij mij bij haar sterven
Voor 't laatst nog eens omhelsde.
Ik kan er niet aan denken,
En 'k doe het toch zo gaarne.
Toen zei ze: "Lieve Claartje !
Uw moeder zal haast sterven,
En van deze aarde scheiden,
Om in de blijde Hemel
Bij de engelen te wonen;
Hoor dan mijn laatste woorden,
En geef mij 't laatste kusje.
Eer God, bemin uw vader !
Groei op in deugd en wijsheid !
En wilt ge vrolijk leven,
Leer vroeg de zonden haten.
Maar hebt ge eens kwaad bedreven,
Dan moet ge 't gul belijden;
En God om Jesus wille
Zal u vergeving schenken.
Maar ziet ge dan, mijn Claartje !
Op aarde mij niet weder,
Zie dikwijls naar de hemel,
En zeg - daar woont mijn moeder.
Ach, zag ik na uw sterven
Mijn kind ook daar verschijnen,
Hoe zou ik mij verblijden,
En God eerbiedig danken.
Voor u, mijn lieve Claartje !
Is ook de hemel open.
Maar ach; mijn lieve meisje !
Ik voel de dood genaken,
En kan niet langer spreken,
Vaarwel, vaarwel dan, Claartje !
Daar hebt ge 't laatste kusje !
'k Ging schreiend naar beneden;
En 't duurde weinig uren,
Of Moeder was gestorven.
Wanneer ik nu,
gezeten
Bij 't beeld van mijne moeder,
Aan hare dood gedenke,
Dan rollen mij gestadig
De tranen langs de wangen.
Dan zie ik naar de hemel,
De woonplaats mijner moeder;
Dan roep ik, bitter schreiend,
O God, hebt Gij die moeder
Aan mij zo vroeg ontnomen,
U mag ik niet berispen,
Hoe zeer ik haar betreure;
Neen, Gij zijt wijs en heilig,
Mag ik U maar beminnen,
Mijn lieve Vader eren,
En moeders lessen volgen,
Dan zal ik bij mijn sterven
Bij U en moeder komen.
Wat zal dat zalig wezen !
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Daar zijn nu de
conductrices,
Bezig in de drukke tram.
Straks misschien wel wagenvoersters,
Aan de handle en de rem.
In een keurig, fleurig pakje,
Met een rammelende tas,
Doen die kloeke slimme meisjes,
Of dat jarenlang zoo was.
Vrijgevochten vrijgezellen,
Wagen er tien oogjes aan.
En .... zelfs de zwaarstgehuwde mannen,
Ziet men nu extra trammen gaan.