SeniorPlaza

Aan de meisjes

(Jacobus Bellamy 1757-1787)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Jonge meisjes, hoe rampzalig
Is, voor u, die prille schoonheid,
Die, op uw gevulde wangen,
Op uw welgevormde lippen,
En op al uw leden, schittert;
Hoe rampzalig is die schoonheid,
Zoo gij, wars van blanke kuisheid,
Hun gehoor geeft, die u vleien !
Vliedt, ô Schoonen ! vliedt die vleiers !
Luistert gij naar hunne woorden,
Dan zal ras de bloozende onschuld
Uit uw jeugdig harte vluchten.
En, hoe schielijk zal dan de ondeugd
In uw jeugdig harte sluipen !
Neen ! ontvliedt die laffe vleiers !
Denkt niet dat zij u beminnen !
Vuige slaven hunner driften,
Volgen zij geen andre wetten,
Dan de wetten hunner driften.
Deugd en onschuld te belaagen,
Al wat heilig is te ontëeren,
Is hun eenigste bedoeling.
Neen, gij Schoonen ! kent de Liefde !
Laat een edeldenkend minnaar
U, die drift der groote zielen,
In heur groote kragt, doen voelen
Kent de Liefde ! zij is edel;
Deugd en onschuld zijn haar zusters.
Maar, dat nimmer luimende ondeugd,
In den schijn van waare liefde,
U, in haare strikken, vange !
Schielijk zou uw schoon verflenssen.
Schielijk zou de hand der ondeugd
't Merk der woedende begeerten,
Op uw jeugdig aanzicht, drukken !

 

Terug naar overzicht

Aan die komen

Adama van Scheltema 1877 - 1924, gedicht over WO I)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Gedenkt, gij kinderen van vrede

Bloemen aan den boom van geluk

Gedenkt het vreselijk verleden

Gedenkt die de aarde voor u kneedden

Als wortelen van uw geluk !

 

Gedenkt, gij die lachenden, levensblijden

Het geluid op aarde van den schrik

En luistert aan den afgrond der tijden

Naar den kreet die uw ziel bereidden

Als naar de echo van een snik

 

Gedenkt, gij gezegenden en gezonden

Hen die vielen voor uw blijde eeuw-

Zie Hun gelaat en wilde wonden

Zie het zwarte gat hunner monden

Nog open voor een laatsten schreeuw

 

Gedenkt, gij de smekende ogen

En al de stamelende pijn

Van die, verbrijzeld en bloedovergoten

Langzaam den donkeren dood ingezogen

Gedenkt gij, die uw verlossers zijn

 

Gedenkt gij den dreun van hun schreden

Tast terug in den donkeren vloed

Van die den ijzeren strijd voor u streden

Tast terug in het zinkend verleden

Dat uw hand nog drupt van hun bloed

 

Gedenkt die, wat zij deden en zagen

Nimmer meer wisten uit hun geest

Die door al hun gruwelijke dagen

Aller gruwelen bleven dragen

Gedenkt de gewonden van geest

 

Gedenkt ons, die allen vochten

Gedenkt ons aller bitteren strijd

Gedenkt ons, die den weg voor u zochten

Gedenkt ons, die nog niet vinden mochten

Gedenkt gedenkt onzen blinden tijd

 

Terug naar overzicht

Aan Dirk

(Const. Huygens (1596-1687))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Viel uw tong 't kakelen zo lastig als onz'oren,

Het is voorzeker, Dirk, wij zouden 't niet lang horen.

 

Terug naar overzicht

Aan een roosje

(Jacob van Lennep 1802-1868)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Zachtgekleurde lentebloesem,
Die Selindes borstjes kust,
Die zo mollig op haar boezem
Tussen donzen peulen rust !
Aartig roosje, vers ontloken,
Ware uw zalig lot het mijn’,
Lag ik ook zo neergedoken
Tussen 't dubbel halssatijn,
'k Lei geenszins als gij bewustloos
't Hangend hoofdje stil op zij;
Nee,'k bekeek, nieuwsgierig, rustloos,
Heel de omtrek van nabij.
'k Zou, door hete zucht gedreven,
Aan die borsten, blank en mals,
Duizend, duizend kusjens geven,
'k Zoende schouders, nek en hals.
'k Zoude ook samen vergelijken
Die twee bollen, wit en rond:
Zien, of deez' voor die moest wijken,
Of er onderscheid bestond,
Wie met blauwer aders praaIde,
Wie de blankste tint bezat,
Wie de meeste veerkracht haalde,
Wie de roodste bezie had.
'k Zou dan trachten op te sporen
Waar de holle weg ons leidt
Die gelijk een diepe voren
De ene bol van d'andre scheidt,
Die stilzwijgend schijnt te wenken,
Lager vindt ge rijker schat
Dan gij immer uit kost denken,
Dan een sterv'ling ooit bezat.
'k Nam dat pad, van lust doorprikkeld
Tot die schat mijne ogen trof
En 't geheim mij werd ontwikkeld

Binnen Cypris' rozenhof.

 

Terug naar overzicht

Aan een verrader van het vaderland

(Jacobus Bellamy 1757 - 1786)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

't Was nacht, toen uw moeder u baarde,
Een nacht, zo zwart als immer was.
Een leger van helse geesten waarde.
’t Gevogelte liet een naar gekras,
Door ’t aklig woud, tot driemaal horen.
De zee werd woedend, klotste en sloeg,
Wat zelfs, tot in de hemelkoren,
De engelen schrik in het hart joeg!
Uw moeder zag u – en het leven
Ontvluchtte aan haar beklemde hart!
Uw vader schrok – stond te beven –
Zeeg neer – overwonnen door de smart,
Toen een stem, net als een donder,
Klonk door het huis, dat u ontving:
“Dat elk zich van dit kind afzondere!….
“Natuur wrocht hier een aterling!
“Zij heeft hem, tot een straf der volken,
“In ’s hemels grimmigheid gebaard!
“De slechtste geest uit ’s afgronds kolken
“Zal hem beschermen op deze aard!
“Hij zal zijn vaderland verraden!
“De vrijheid trappen op de borst!
“Geen goud zal ooit zijn ziel verzadigen,
“Die steeds naar meer schatten dorst!
“Hij zal, kan het slechts zijn hebzucht voeden,
“Een gemene slaaf van de vorsten zijn!
“Waar hij onschuldigen ziet bloeden,
“Daar zal zijn vreugd en wellust zijn!
“Zijn hele ziel zal valsheid wezen!
“Zijn mond een kerker vol bedrog!
“Zijn helse ziel zal niemand vrezen;
“Steeds juichend denken: ‘“k werke nog!….
“U zou vergeefs zijn werking storen!
“Vergeefs is hier een fors geweld!
“Tot ramp voor ’t vaderland geboren,
“Is hij ten vloek van het volk gesteld!”

Verrader! monster! vloek der aarde!
Vernederend schepsel van de natuur!
Gods wraak, die u tot heden spaarde,
Verdelge u ooit door ’s hemels vuur!   

  

Met de verrader van het vaderland wordt stadhouder Willem V bedoeld, die zonder blikken of blozen wordt beschreven als het grootste monster dat ooit op aarde rondliep. Onder meer door dit gedicht kreeg De Post van den Neder-Rhijn op 25 oktober 1782 een tijdelijk verbod.

 

Terug naar overzicht

Aan een vriend

(Const. Huygens (1596-1687))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Gij schijnt verlegen om klein geld

En zoekt het allerwegen;

Veel erger is 't mij gesteld:

Ik ben om groot verlegen.

 

Terug naar overzicht

Aan eene onbekende

(Prosper Van Langendonck 1862-1919)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

'k Liet door den schouwburg onbestemd mijn blikken waren
terwijl ginds de opera wegschemerde in de vert'.
Bewustloos scheen mijn geest en 't bleef me koud om 't hert.
Dan kwaamt ge - een lichtglans - voor mijn dolend oog gevaren.

En eensklaps trilde een wonder zingen op den snaren,
een lang vermiste toon, die me optilde uit de smert,
muziek, die als een blauwe zee bewogen werd,
wijl - ster der hoop - uw oog er pinkelde op de baren.

O ! in een zoeten droom verzwond ik toen en dacht
aan schaarsgedeelde vreugde en nieuwe levenskracht
en 'k zocht ... was mijn Sirene in 't toovermeir bedolven ?

Heen waart ge ! - en hortend, klotsend, huilend ging 't akkoord
en stuwde weer mijn geest in sombre richting voort,
een naakt, ontredderd wrak, daar vlottend langs de golven...

 

Terug naar overzicht

Aan Guido Gezelle

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Daar weet geen een de stille troost

Die door m'n kale kamer bloost

't En is geen zonlicht van de oost

't En is geen lief dat kust en koost

Het is een oude beeltenis

Van hem die schoon van eenvoud is

En prachtig droeg z'n droefenis

Gezelle ... m'n goede Gezelle

 

Daar op uw voorhoofd staat geprint

Het lijden van een mensenkind

En wen m'n blik uw blikken vind

Is 't of gij een verzeke begint

Een verzeke dat veel vergoed

Een dichteke dat dromen doet

Een liedeken voor Vlaanderen zoet

Gezelle ... M'n Vlaamse Gezelle

 

Wanneer te sterven ging de zon

De schemering haar webbe spon

Wanneer de smart mij overwon

En ik die smart niet dragen kon

Dan heb ik vaak me neergezet

Dicht bij dat oud verkleurd portret

Daar toeven was een schoon gebed

Gezelle ... M'n heilige Gezelle

 

O geef me van uw heel gezicht

De ziel die in uw ogen ligt

De ziel die lijk een blom naar 't licht

Naar God en Vlaanderen stond gericht

En leer het zanger leer het mij

Door levensvreugd en stervenstij

Te dichten simpel zoals gij

Gezelle ... M'n meester Gezelle

 

Terug naar overzicht

Aan het meisje dat een roosje aan hare boezem plaatste

(Rhijnvis - Feith - 1753-1823)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Meisje! plaats dit frisse roosje,
Dat de nacht nauw worden zag,
Aan uw zachtbewogen boezem;
't siert u slechts een halve dag.
Roosjes kwijnen, roosjes welken,
En hun blaadjes vallen af.

Meisje! sier u met het bloempje,
Dat nog welig bloeit aan 't graf.
Godsdienst wierp er 't eerste zaadje
Onbemerkt van in de grond,
En bezorgde ’t iedre morgen,
Drenkte 't elke avondstond.
't Rees, maar bloeide als 't Nachtviooltje,
Ongezien door 't vluchtig oog;
Maar de kenner rook zijn geuren,
En hij schatte 't bloempje hoog.

Vraagt gij, hoe zich 't bloempje noeme,
Dat zo needrig 't oog ontvliedt?
Vruchtloos zoekt gij 't bij Linneus,
Op zijn plantlijst staat het niet.
Wilt gij 't echter garen weten?

Beste Meisje! smaak die vreugd.
In 't Gedenkboek van de Hemel
Heet het lieve bloempje: Deugd.

      

Terug naar overzicht

Aan Jacob Cats

(Cornelis Paradijs - pseudoniem van Frederik van Eeden - 1860 - 1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

U klinkt mijn cither, Hollands bard !

Wiens werk den tand der tijden tart,

O bron van zooveel schats !

Wien Neêrlands volk zoo mint en roemt

En met den naam van Vader noemt,

Terecht, o Jacob Cats !

 

Gij Vondel, Bredero en Hooft

Waart niet van dichtgenie beroofd,

Dat ziet men aan 't debiet !

En gij ook Bellamy en Poot

Waart lang niet van talent ontbloot,

Maar Catsen waart gij niet !

 

Want Gij blinkt boven allen uit,

Gij sloeg een nationale luit,

Gij zongt een Hollandsch lied !

De krans, die om uw slapen gloort,

Is van echt Vaderlandsche soort,

Godvruchtig en solied !

 

Gij zongt op degelijken trant

Van vroomheid, deugd, gezond verstand

En van het huw'lijkszoet !

Nooit zocht ge, in wat geen sterfling vat,

Een droom of rollend rozeblad,

Den troost voor uw gemoed !

 

Waar is uw weêrga, zoet poëet,

Die Hollands taal als honig kneedt,

Verheven fenomeen ?

Welk land, welk volk, op heel deez' aard,

Heeft ooit een tweeden Cats gebaard ?

Dat kon ons land alleen.

 

Rust, dichter-pensionaris, warm

In 't Hemelrijk, in Godes arm,

Wiens naam gij altoos preest;

De laatste Nederlander sterft,

Eer Jacob Cats zijn glorie derft

En Nederland zijn geest !

 

Terug naar overzicht

Aan mijn echtgenoote op haar verjaardag

(Harme Bevoort 1801 - 1874)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Vraagde ik immer voor mijn leven,
Reine liefde, reine trouw,
Op die bede is mij gegeven,
Uw bezit, geliefde vrouw !
Wat genoegen, welk een zegen,
Toeft mij en bereidt gij mij,
Ja, ik heb een vrouw verkregen,
En een eerzaam ras er bij !
Schenk mij lang nog, dierb're gade !
Op het geen ik wenschen mag:
Leven, zegen, ruim en spade,
Kennis van een blijden dag;
Enkel licht en gunst van boven,
Vrij van weerspoed, vrij van smart,
Steeds uw liefde te geloven
In een regt gelukkig hart.

 

Terug naar overzicht

Aan mijne egade

(Willem Bilderdijk 1756 - 1831)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Niet een bloemtjen, niet een toontjen, op uw Jaarfeest, lieve Gâ !
Is mijn brein dan zoo onvruchtbaar, zoo geheel verwinterd ? — JA.
Of voelt mijn boezem minder voor uw lieve aanloklijkheên ?
Is me uw teêrheid minder dierbaar dan zy was of zijn moest ? - NEEN.
Ach! wat zou die boezem wenschen op dees heimplaats des verdriets
Dan de zaligheên der liefde die uw har my uitstort ?
- NIETS.
Lijden kan ik alle plagen van het onverduurbaarst lot:
Want wie heeft ze my beschoren ? wie my toegezonden ? — GOD.
Lijden kan ik, wat het lichaam, moet het, uit kan staan van smart.
’k Ken één bron van weelde en smarte; en wat is die welbron ?  - ’T HART.
’k Kan de kwelling fier verachten, die vernederde eerzucht lijdt.
Wat is in mislukte ontwerpen de angel die ons prikkelt ? — SPIJT.
’k Kan gebrek en kommer dragen : Hoe het in de wareld loopt’,
Wat’s als alles wil bezwijken, ’s Christens ondersteuning ? — HOOP.
Ja, gelukkig in uw armen, ’t zij in nood of overvloed,
En te vreên met Gods bestelling, wat's me al wat voorkoomt ? -  GOED.
ô Hoe vrolijk wilde ik zingen, lieve Weêrhelft, op uw feest !
Doch wat faalt my om te zingen ? Dierbaarste, ach ! gy weet het ! - GEEST.
Wat, wat bleef my, even hevig naar den geest en ’t lichaam krank,
Om den Hemel op te dragen? om aan u te schenken ? — DANK.
Dank en Liefde, dierbre Gade, zie daar al wat ik vermag !
’k Wij’ ze u beide, dit ’s mijn feestzang ! Want wat anders rest my ? — ACH !
 

Terug naar overzicht

Aan mijne landgenooten

(Nicolaas Beets 1814-1903)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Dankt allen God en weest verblijd,
Omdat gij Nederlanders zijt !
Dien naam, die Eer, dien Zegen
Hebt gij van Hem verkregen.

Die Naam, bekend van Noord tot Zuid,
Schiet als een star zijn stralen uit,
En licht, wat wende of keere,
U voor op 't pad der eere.

Die Eer, het erfdeel van uw bloed,
Verheft uw hoofd, verhoogt uw moed.
Der Vaadren goed mocht minderen:
Hun glorie kroont de kinderen.

Die Zegen tart den schoonsten schijn,
Want schooner niet dan Vrij te zijn !
Laat Groote volken brallen:
De Vrije gaan voor allen.

Dankt allen God en weest verblijd,
Omdat gij Nederlanders zijt !
Waar zoo veel volken klagen,
Kunt gij van heil gewagen.

Geen openbaren dwingeland
Hebt gij te bieden wederstand,
Geen broederkrijg te sussen,
Geen twistvuur uit te blusschen.

Geen vijand dreigt voor grens of stad,
Geen roofzucht scheert uw akkers plat,
Of keert, voor de open haven,
Den schat der Oostergaven.

Men ziet bij u, hoe ver men trekk',
Geen weelde spotten met gebrek.
En weduwen en weezen
Wel treuren, maar niet vreezen.

Als kindren van een groot gezin,
Bindt u de band der broedermin:
Laat scheuren dam en dijken,
Die band zal niet bezwijken !

Ja, dam en dijk bezwijke en zwicht',
Die broedermin treedt meer aan 't licht;
Tot heeling aller wonden
Wordt zij getrouw bevonden.

Dankt allen God en weest verblijd,
Omdat gij Nederlanders zijt !
Laat nooit het bloed der Vaderen
Verbastren in uw aderen !

Voert, voert der Vaadren eer in top,
Richt marmerzuil en standbeeld op;
Maar dat uw laatste zonen
Zich hunner waardig toonen !

 

Terug naar overzicht

Aan mijne Noord Brabantse landgenoten

(August Snieders 1825-1904)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Een lijkhuis was gans Nederland

Een lijkhuis waar men niet dorst wenen

Trots rees de keizer, trots omschenen

Door wapenglans en stedenbrand

Elk bracht zijn schat aan Cesar's voeten

De jongeling kwam hem nederig groeten

Gelijk den slaaf, de dood nabij

Spionnen waarden door ons midden

En slechts in 't harte dorst men bidden

Red God ons van de dwingelandij

 

God heeft dien kreet gehoord van' t volk

Dat afgetobt door wonde op wonde

Wel bidden maar niet strijden konde

En ziet,n u klom een donderwolk

Een onweer op, zo groot zo donker

Zo vreselijk, dat het hel geflonker

Der keizers-kroon  -- een zon voorheen

Opstralend door de hemelen borend

Neerstralend in geen zeediep smorend

Een nachtelicht op een lijkbaar scheen

 

Want heller dan die kroonglans blonk

Gods bliksem door de zwarte wolken

En 't hovelinglied der slavenvolken

Versmachte toen Gods donder klonk

Wat is dat zwart in' t noord zich vormend  ?

Een troep barbaren spoorslags stormend

In wilde jacht, op moorden heet

Van waar die duizend bliksemglansen

't Is 't flikkeren van kozakken-lansen

Die donderslag ?een hurrah kreet

 

O wee ! trapt dan de het man niet

In Polen 't vaan der vrijheid weder ?

Neen, toen, toen rees de vrijheid weder

Uit 't bloedspoor dat hij achter liet

Een dronken troep met broze lansen

Joeg 't schitterend leger uit zijn schansen

Dat ooit bestond: God wilde 't zo

Zijn keizer hield de vlucht niet tegen

Maar daagde met gebroken degen

Ter uitvaart elk---te Waterloo

 

Toen was de bloedstroom leeggeplast

De zon deed weer haar gouden stralen

Op 't trillend land en zeevlak dalen

Maar Neerland hield de lont nog vast

Toen groots in 't strijden lijk in 't hopen

Sloeg op 't kanon 't gezangboek open

En hief tot God het dankbaar oog

De heer, barmhartig op die bede

Schreef aan 't azuur den bond der vrede

Door een oranje regenboog

 

't Was feest, ja feest gebloemte en vlag

Omkransten Neerlands enge gouwen

De moeder mocht haar zoon behouden

En die in 't kantelend wiegje lag

Zou niet gedoemd zijn om het wapen

Der wreed vermoorden op te rapen

Tot wreking der uitheemse schand

Ploeg bouwer veilig weer uw akker

Schud nijverheid uw zonen wakker

Ziel koopvaardij van Nederland

 

Zie nakroost, nu 't halfeeuwig werk

De welvaart heerst in dorp en steden

Oud Neerland boogt op eigen zeden

De vrijheid heerst in elke kerk

Verschillend klinken wel de psalmen

Maar als 't Wilhelmuslied komt te galmen

Stijgt toch die zang uit aller borst

En riep Oranje Neerlands knapen

Dan greep het kind zelfs naar het wapen

Voor eigen land, voor eigen vorst

 

Gij schimmen die den roem verwierft

Op 't smeltend sneeuwtapijt geschreven

Vergeten maar ons dier gebleven

Gij die, den dwingeland vloekend stierft

Rijs garde d'honneur, 't juweel der benden

Sla 't bloedig doodskleed om de lenden

En keer naar uw geboortegrond

Vertel hoe Neerland werd geschonden

Ruk af uw doodskleed, toon uw wonden

Kom ga met de offerschalen rond

 

Terug naar overzicht

Aan ouders

(E. Laurillard (1830 -1908)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Als ge in 't opvoeden van uwe kind'ren
Nu of dan niet recht weet hoe het moet,
Gaat tot hen, die nooit kinderen hadden;
Want die weten het altijd zo goed !

 

Terug naar overzicht

Aan 't verre dorpken

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Waar de hei te bloeien staat

Speelde ik eens als kind

'k Lachte en zong er, vroeg en laat

Stoeide er met de wind

Och 'k en wist geen leed geen zucht

Vlocht maar Erica's

Boven mij hing heel de lucht

Vol lobelia's

 

Waar de hei te bloeien staat

Knielde ik, liefste mijn

's Avonds in m'n nachtgewaad

Voor mijn beddekijn

'k Bad dat ge me lieven mocht

Jongen van m'n ziel

Want mijn ziele de uwe zocht

Wijl er de avond viel

 

Waar de hei te bloeien staat

'k Wist geen woorden toen

Bloeide er op mijn jong gelaat

De eerste liefdezoen

Zachtjes over 't dorpekijn

Zong wat avondwind

Gauw zult ge vergeten zijn

Blond idylle-kind

 

Waar de hei te bloeien staat

Slapen liefde en wee

't Lied dat door de bloemekens gaat

Zingt m'n ziele mee

't Leven lokt en liefde lacht

Kom, mijn weg is breed

Heidebloemekens zingen zacht

Kind, vergeet...vergeet

 

Terug naar overzicht

Aan twee lieve jongens

(Hieronymus van Alphen 1746 - 1803)

(met dank aan C.A. Krabbe voor het sturen van de tekst)

Zie daar; lieve wichtjes !

Een bundel gedichtjes,

Vermaakt er u mee !

En springt naar uw woning,

Maar … eerst ter beloning,

Een kusje of twee.

 

Door liefde gedrongen

Heb ik ze gezongen,

En wilt gij er meer,

Ge moogt er om vragen.

Wanneer ze u behagen,

Komt huppelend weer.

 

Terug naar overzicht

Aangebrand

(A.C.W. Staring 1767 - 1840))

(met dank aan C.A. Krabbe voor het sturen van de tekst)

Aagt Morsebel nam kleine Piet

In kost, en als het kind, te middag aangezeten,

Haar soms zijn walging merken liet:

De vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweten.

Aan kaarsvet, roet noch snuif; 't was altoos : "Lekkertand,

Wat zou het zijn , als aangebrand ?"

Nu kwam er eens een schotelvol groen eten

Te voorschijn, die Kok Aagt spinazie had geheten:

Hiervan kreeg kleine Piet zijn deel op 't bord gesmakt;

Hij roert erin; hij vind twee achterpoten

Van d'arme kikvors, onder 't warmoes kort gehakt,

En legt, met de ogen half gesloten,

Zijn eetvork neer, terwijl hij vraagt:

"Heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aagt ?"

 

Terug naar overzicht

Aanvoer

(Const. Huygens (1596-1687))

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Dirk schoof bij misverstand van vijf- of zestien trappen;

Eer ik hem houden kon was 't ongeval geschied.

"Dirk", zei ik, "lust u meer te glijden als te trappen,

Dat is de kortste weg, maar 't is de zachtste niet."

 

Terug naar overzicht

Aapjeskoetsier

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Als men tegenwoordig het rijden beziet

En  wat men voor 60 centen al biedt,

Het wagentje zwart en de wieltjes mooi rood,

En toch heeft menigeen weer een goed stukje brood,

Gekleed als 'n aapje  maken wij nog veel zwier,

Maar ik kan 't niet helpen ik ben maar koetsier

 

Staan wij soms te wachten op plein of op gracht.

Zoo komt daar 'n dametje vol weelde en pracht

En om van de regen haar hoed te bevrijden,

Laat zij zich heel deftig naar huis toe rijden,

Voor de regen beschermd en rijden voor plezier

Het staat toch wel netjes met een knappe koetsier.

 

Zo stond ik te wachten aan de bierbrouwerij,

Toen kreeg ik weer eens volk en wat was ik blij,

't Was een heer en een dame wat wist ik er van,

Ik dacht in mijzelven: 't is zeker vrouw en man,

Maar vijf uur te rijden en 's nachts voor plezier

 Hoe kon ik het weten ik ben maar koetsier.

 

Zoo was er laatst: 'n juffrouw,  heel netjes  en  stijf,

Ze gevoelde op eens zoo'n pijn in het lijf,

Ze scheen me heel lijdzaam, heel goed en gedwee,

Ik zeg:  heb u pijn, rijdt dan maar met me mee

Naar de Turfmarkt ! ,naar de Turfmarkt !, riep zij met 'n gier

Ik moest haar toch brengen want ik ben maar koetsier.

 

Zoo heb ik ook eens laatst, het was bij nacht,

'n Heertje heel zalig  naar de oude brug toegebracht

Mijnheer was voor plezier uit, maar was er op gesteld,

Zijn plezier  te betalen van 'n  ander zijn geld.

Hij moest mee naar oompje en rijden uit plezier,

Kan ik dat nou helpen ik ben maar koetsier.

 

Weer stond ik te wachten aan het volkspaleis,

Maar daar ook geraakte ik heel van de wijs,

Daar kwam 'n Fransche juffrouw, die zegt ik ben mamsel

Ik zeg: stap maar in, want Fransch kan ik wel.

Zij zegt: naar de Nes, daar is mijn man in plezier

Ik moest haar wel brengen,  want ik ben maar koetsier.

 

Een was aardig dronken en had veel plezier

Maar weg waren de centen hij neemt een koetsier,

Ik was zeer beleefd, zeg: mijnheer waar moet ik heen ?

Ik moet wezen voor zaken in bank No 1.

Weg horloge en ketting ! en  opnieuw aan de zwier,

Hij gaat maar uit zwieren ik ben de koetsier

 

Ook 's avonds onderweg, den dag weet ik niet meer,

Vroeg me 'n jonge juffrouw met een zeer oude heer;

Koetsier, wil je ons brengen tegen 't gewone accoord,

Wij moeten samen 'n boodschap in de oudemanhuispoort

Gij wacht even buiten en brengt ons weer hier,

't Was wel een rare boodschap, maar ik ben de koetsier.

 

En toch in ons vak, zoals men vele hier ziet,

Rijden wij in vreugde en ook bij verdriet

Naar trouwzaal, naar gasthuis voor 't kerkhof te staan,

Menigeen die niet wil, moet toch medegaan,

Dan rijd men ook henen maar met geen plezier,

Maar ik doe mijn plicht, want ik ben koetsier.

 

Terug naar overzicht

A.  B.  C.  voor ieder, die verblijft in de vrije natuur

Satyrische schetsch van L. Slawin (Prawda)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van dieren heeft, nu de vacanties zijn begonnen en velen naar buiten trekken, het volgende A. B. C. verspreid:

 

A  is de Aanvang van 't zomerseizoen,

B  zijn de Bosschen en 't teere plantsoen;

C  de Commissies voor reizen en trekken,

D  zijn de Dieren, die zorg in ons wekken;

E  is de Eerbied voor alles wat leeft.

F  is de Frischheid, die het buitenzijn geeft;

G  is de Glans van den zonnige tijd,

H  is de Hulp, voor wat zwak is of lijdt;

I  is het Inzicht, verdiept door natuur,

J  zijn de Jong'ren, voor het trekken vol vuur;

K  zijn de Knapen, vol jeugdigen kracht,

L  is de Leiding, in mildheid volbracht;

M  zijn de Meisjes, die zacht zijn voor 't dier,

N  is Natuur, vaak geschaad door 't vertier;

O  is de Orde, aan vrijheid gepaard,

P  zijn de Planten, bescherming steeds waard;

Q  is de Quibus, voor 't schoon doof en blind,

R  is de Rust, die men wand'lend hervindt;

S  is de Schade, door domheid geleden,

T  is de Toekomst met wijzere zeden;

U  is het Uur van terugkeer naar stad,

V  is de Vrede, na 't geestelijk bad;

W  is de Weldaad, althans één dier betoond,

X  d' Onbekende, dat 's elk in wien woont;

IJ  dat 's de IJver in 't brengen van blijheid,

Z  dan de Zelfzucht, de kroon op de vrijheid.

     Van ieder, in stad en in land

     Die zwerft en het God'lijke ziet

     In al 't levende en 't met eerbied geniet

     En 't ruwe uit zijn leven verbant.

 

Terug naar overzicht

Adam en Eva

(Piet Paaltjens 1835 - 1894)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Adam en Eva,
Die aten samen gort.
Adam had een broekjen aan
En Eva droeg een schort.
Als ik mij niet zéér vergis,
Is dat lang geleden,
Maar het ging (of 'k heb het mis !)
Toen al net als heden.
Eva's die de broek aan hebben,
Zijn de rechte Eva's niet,
En een Adam met een schort voor,
Noemde men een keukenpiet.
Wat de kroon is voor een koning,
Voor de huisvrouw is haar schort.
Draag de uwe steeds met eere,
En 't ontbreekt u nooit aan - gort.

 

Terug naar overzicht

Advertentie van den schoolmeester

(De schoolmeester (Gerrit van de Linde) - 1802-1868)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

O Neêrland! stuur toch, blij te moê,
Uw kroost naar mijn collèzie toe,
De beste school die ooit bestond
Op ons gezellig waereldrond.
Men leert hier aan de lieve jeugd
Het Engelsch, 't cijfren en de deugd:
Men zingt er en men leest er
En elk diner, 't is geen bedrog,
Vindt gy als t' huis, ja beter nog,
Vooral dat van den meester:
En ieder bed, net als by ons,
Van Zwanenhair en paardedons:
Nog leert men elk zijn plichten hier
Als mensch, vooral eerst als scholier;
Terwijl mosjeu de jonkheid graag
Met zachtheid leidt en niet met slaag:
Hy geeft dien wilden gasten,
Opdat hy hun kolijken spaar,
En 't geld in zijne beurs bewaar,
Geen andre straf dan "vasten".

 

Terug naar overzicht

Afscheid

(G.W. Lovendaal 1847-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het avondzonnetje vlamde in ons raam

En gloeide ons geveltje rood.

Tien snoezige zwaluwen zaten te zaam

Te snebbelen hoog op de goot.

 

 

Maar wát ze kwebbelden, al door elkaar,

Daar werd wel niemand uit wijs;

Best mogelijk maakten ze 't reisplan klaar,

Ze gingen dien avond op reis.

 

 

Daar gilde' opeens ons vaarwel alle tien

En weggescheerd was de drom;

Ons grootje riep ook nog: tot wederzien,

Maar zag ze toch nimmer weerom.

 

Terug naar overzicht

Afscheid van het dorp

(H. Marsman 1899-1940)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De verte lokt.

De zee en 't bronzen duin

die golfden om mijn jeugd

versmalden langzaam tot den kleinen tuin

waarin mijn moeder nu begraven ligt.

 

Dit was haar raam, dit is de stille brink

waarlangs zij schreed in 't vroege schemeruur.

Alles wat aan het leven vreugde gaf en vuur,

zij heeft het meegenomen in haar graf.

 

Wat doe ik hier ? Wat kan ik hier nog doen ?

Mijn moeder dood, mijn vrienden ver verspreid;

en moederziel alleen loop ik de straten rond;

mijn hart is zwaar en wijd.

 

Ik ga op weg naar onbekend verschiet,

de heuvels over, naar een stroomgebied

dat mijn verlangen stem geeft

en de koorts der poëzie weer in mij aanblaast;

meer begeer ik niet !

 

Kracht der verbeelding, o, begeef mij niet !

Ik roep u aan met de verdorde stem

van wanhoop en ontbering, zonder u

kan ik niet verder gaan,

de weg is lang en mijne kracht gering.

 

Ik heb om u mijn huis in as gelegd,

ik heb mijn moeder in haar graf gelegd

en ben op weg gegaan, verlaat mij niet.

In mijn bedroefde keel klopt een nieuw lied.

 

Terug naar overzicht

Alarmisten

(De Génestet  1829 - 1861)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Och bevende alarmisten,
Och pruiken, podagristen,
Och ouwe–wijven–kliek,
Och nare leuterkousen,
Och bankroetiers en smousen,
Je malen maakt me ziek.

Je duffe konversatie
Is ééne lamentatie,
En nergens zie je licht;
Je snatert en je stottert,
Je steunt en stikt en stottert....
’t Is wat een vies gezicht !

Gedaalde metallieken,
Failliete republieken,
D’ effektenhoek vol vrees;
De kooplui in perikel,
Heel de aard op een karikel,
De wereld op de sjees !

Het menschdom op zijn endje,
Veel kinderen en – geen centje
Verdiensten op ’t kantoor:
Den heelen boel in ’t honderd,
En half Euroop geplonderd –
Dat ’s alles wat ik hoor !

Wie naar je praat wil luisteren,
Die ziet de zon verduisteren,
Die weet niet, wat hij ziet,
En zou zijn mooiste zaken
Terstond aan kant gaan maken,
Of stuurt ze recht – in ’t riet !

Die zou zich dood gaan kniezen,
En al zijn geld verliezen
Uit zuinigheid alleen;
Die laat zijn kroost verhongeren,
En foetert op de jongeren,
Die spotten op hem heen !

Die ziet, owaai ! de Franschen
Al in zijn keuken dansen,
De meid tot déjeuné;
Die ’s nergens op zijn aise,
Die hoort een Marseillaise
In ’t lied van Isabé !

 

Die ziet in al zijn zonen
Al tijger–aardjes wonen
En kleine Louis Blanc’s:
Die ’s bang voor Balinezen,
Die durft geen krant meer lezen,
Maar kijkt er rillend langs !

Met al die bange wezels,
Die kwezels en die ezels,
Wie drommel, weet er raad ?
Al trekken zich die Joppen
De haren uit hun koppen,
Ik weet niet of het baat !

Maar handen uit de mouwen,
Couragie en vertrouwen
En wat gezond verstand !
De mensch leeft om te hopen....
En ’t zal zoo’n vaart niet loopen:
’t Leit immers op zijn kant ?

Ook ik beken het garen:
Wat onze tijden baren
Is ver van amuzant,
’t Is vreeslijk en ’t is ijselijk,
’t Is schriklijk en afgrijselijk....
En ik heb ook het land !

Maar ’t ergst van alle plagen,
Zijn toch in onze dagen
Die kennissen van Job !
Het zijn je die meneeren,
Die steeds jeremiëeren,
Die altijd lamenteeren,
Die ’t weinigs goeds negeeren
En eeuwig redeneeren
Als kippen zonder kop !

 

Terug naar overzicht

Alle goeie dingen in drieën

(met dank aan Cor Heuvelmans voor het sturen van de tekst)

't Geval da ik jullie hier nou vertel,

Op zijn boerenhutjes, zonder veel gratie,

Is van Mieke en Bart, zo'n verliefd stel,

Ok wel genoemd de vijftiende statie.

 

Mieke was al sinds enig jaor,

De weduw van Arie Verkwellen,

En Bart ongetrouwd, jao 't is echt waor,

Dronk wel 'ns zoals veul vrijgezellen.

 

Mieke och waorom zou z't nie doen,

Ze woonde toch tegenover elkander.

Naoide en stopte en poetste zijn schoen

En beredderde zo 't een en 't aander.

 

Als ze avonds der bedstee in kroop,

Dan, zo zijn eenmaal dat soort vrouwen,

Dacht aan Bart en kreeg zo weer hoop,

Om vroeg of laot nog 'ns te hertrouwen.

 

En Bart die op zijn opkamer sliep,

Laag daor soms urenlang wakker,

't gebeurde, dat hij in zunne slaop Mieke riep,

Maar niemand heurde "m de stakker.

 

Toen is hij 'n keer ter bedevaart gegaon

En kocht daor een kaars veur St. Gelachus,

'n Koek waor hij Uit Vriendschap op zag staon,

Van Mieke en bracht toen 'n offer aan Bachus.

 

Mieke was mee 't cadeau daonig blij,

Ze zette 'n bakske en dankte de gever,

De koek was mooi, bruin en van zoete candij,

Maar hij rook (vond ze ) naor de jenever.

 

's Avonds praotte Bart van wijd en zijd,

Maar hij sloeg geen spijkers mee koppen.

En Mieke docht vooruit mee de geit,

Kom over de brug potvermoppen.

 

't Werd kermis, Bart kocht weer een koek,

Mee suiker krullen, zo van binnen naar buiten.

"Uit achting" stond er op en in 'n hoek,

'n Vogeltje krek of 't zat te fluiten.

 

Weer zette ze koffie en zoals 't ook past,

Bedankte en nam toen twee sneeên.

Saomen legde ze de rest in de kast,

Maar "t werd weer geen ja of neê.

 

Laoter weer thuis, Bart wist geen raod,

Zat uren mee zunne  kop tussen z'n knieën.

Toen opeens.......'t gaot zo 't gaot,

Mee sinterklaas alle dingen in drieëen

 

Hij kocht toen 'n schone koek in de stad,

Waarop ne pijl twee harten deurkliefde.

'n Engeltje da haast geen kleren aan had,

Droeg een bordje mee de woorden "uit liefde".

 

En Mieke ? die gaf ook al mer voet,

En zei: "Bart 't kan van 't jaor  wel wa lijen."

Zet bij mij auwe klomp, twee is zeker zo goed,

Dan kan sinterklaas veur jou ook wa rijen.

 

Op sinterklaasdag, mee benen lood zwaor,

Z'n hart de niet klopte, maar pompte,

Kwam Bart bij Mieke's verduveld die stond daor,

Al te wachten in zijn eigen klompen.

 

De rest is eigenlijk heel gauw verteld,

Ze trouwden ....daor zou ik 't bij willen laoten.

Maar ja 'n luisteraar hê gere nieuws voor zijn geld,

En 't vrouwvolk, we om over te praoten.

 

Toen Bart weer eens naor de kermis ging,

Da, was al een hele tijd laoter,

Kocht hij veul borrels, maar vergat een vernaom ding,

'n Koek en daormee sloeg ie ne flater.

 

Laot op den aovond kwam ie pas thuis,

En zei m m m Mieke en zijn tong sloeg wel dubbel.

Mieke pakt hem hij viel...'t was kruis,

In den hert en 't gaf toen wa getrubbel.

 

Wat toen gebeurde zeg ik liever maar nie,

Mar een ding mag je wel weten,

Da Bart zunne kop 'n week of drei,

Meraokels in het verband hê gezeten.

 

Bart pochte laoter, mar hij zei 't nie hard:

"Er zijn van vrouwen twee sort,

Slechte......ennne...." mar toen riep Mieke: "Bart,

" 't is bedtijd....kom binnen maak vort."

 

Trouwen, da zeg ik, is deurgaons heel goed,

Als ge niet gaot boven oew krachten.

Koeken en vrouwen zijn soms erg zoet,

Mar van borrels moette 't zuur meer verwachten.

 

Terug naar overzicht

Allerzielen

(Alice Nahon 1896 - 1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Zwijgende mensen

Over de straat,

't Is of ze peinzen.

Wellicht komt er een lief gelaat

In hun gedachten rijzen.

 

En ritselend reuz'lend

Over de weg,

Verdroogde blaren

Daar komt iets van hun dood gezeg

Over mijn jeugd gevaren.

 

't Is allerzielen

Over die blaan

Langs dode kanten

Heb ik daarstraks een vrouw zien gaan,

Heur armen vol kryzanten.

 

Terug naar overzicht

Almanak

(anoniem, voor 1871)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Almanak,

Leugenzak

Komt van Delft,

Liegt de helft

Komt van Aalsmeer

Liegt nog veel meer

Komt van Dordt,

Liegt dat hij zwart wordt

Komt van Zwartewaal,

Liegt het allemaal.

 

Terug naar overzicht

Alpejagerslied

(voor E. du Perron)

(Paul van Ostaijen 1896-1926)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een heer die de straat afdaalt
een heer die de straat opklimt
twee heren die dalen en klimmen
dat is de ene heer daalt
en de andere heer klimt
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers
treffen zij elkaar
de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand
dan gaan de ene en de andere heer
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
de rechtse die daalt
de linkse die klimt
dan gaan beide heren
elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed
elkaar voorbij
vlak vóór de deur
van de winkel
van Hinderickx en Winderickx
van de beroemde hoedemakers
dan zetten beide heren
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
eenmaal aan elkaar voorbij
hun hoge hoeden weer op het hoofd
men versta mij wel
elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd
dat is hun recht
dat is het recht van deze beide heren

 

Terug naar overzicht

Als alles voorbij is

(M.A. de Wijs-Mouton 1873 - 1935)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Als alles voorbij is en 't scheiden begint
Gaat hij links en zij rechts
Nemen z'ieder een kind
De meid krijgt getuigen om verder te gaan
De hond kan niet kiezen
Blijft weifelend staan
Met de vogeltjes deed men de buren plezier
De haan met zijn kippen gaan naar de poelier

De kat denkt: hoe rustig, nu is alles uit huis
Als 't stil is en leeg
Vang ik eerder een muis
Dan blijven nog over de mot in de kast
En 'n bromvlieg voor 't raam
Die zijn voorpoten wast
Als alles voorbij is, komt 't bordje "te huur"
Vuil en stof in de gang en het vocht op de muur

En kijkers met praatjes van dit en van dat
Zien 'n halfdode bromvlieg
En 'n magere kat
Maar is 't weer lente, wordt 't huisje geboend
Komt 'n pas getrouwd paartje
Dat giechelt en zoent
Dat aldoor vertelt hoe gelukkig ze zijn
De nachtegaal zingt onderwijl z'n refrein

Hij zingt er van trouw bij de zilveren maan
Dat heeft hij voor 't vorige paar ook gedaan
Hij roept: Nog vijf jaar op zijn hoogst, dan is 't mis
Dan ga je weer scheiden, daar 't mode nu is !

 

Terug naar overzicht

Als gij mij eens zult komen zeggen

(Reinier van Genderen  1886-1942)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Als gij mij eens zult komen zeggen,
Dat gij mij straks voorgoed verlaat,
Dan zal ik stil mijn handen leggen
Rondom uw bleek en zacht gelaat.

Dan zal ik in uw ogen schouwen,
Die ik zo innig heb gekust,
En andermaal u toevertrouwen,
Wat in mijn diepste wezen rust.

De goede dood zal ons niet scheiden,
Hij is de wachter, die ons beidt
En tot de heerlijkheid zal leiden,
Aan gene zij van ruimt’ en tijd.

 

Terug naar overzicht

Als het goed gaat heb je vrienden

Als het goed gaat heb je vrienden.
Als het slecht gaat vaak niet een.
Mocht dat eens bij jou gebeuren,
Bel me dan, ik kom meteen.

 

Terug naar overzicht

Als je in je levensstrijd

Als je in je levensstrijd
Warmte om je heen verspreidt,
Als je iemand die daar treurt,
Hebt getroost en opgebeurd,
Als je hielp waar je dat kon,
Aan wat licht en aan wat zon,
Als je steeds naar beter streeft,
Heb je niet voor niets geleefd.

 

Terug naar overzicht

Als 't zomeravonds donker is

(met dank aan Peter Roubos Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Als 't zomersavonds donker is en iedereen naar bed,

Dan zingt er aan de waterkant een wonderlijk kwartet.

Drie kikkers en een zwartgejaste nachtegaal,

Die zingen in hun wond're dierentaal,

Veel liedjes, schoon en net.

 

Omdat nachtegalen zangers zijn is hij dirigent

En met zijn zwarte pandjas aan is hij een nette vent.

Hij slaat de maat en geeft heel goed de hoogte aan,

Zo zingen zij in 't schijnsel van de volle maan,

Hun liedjes onbekend.

 

Aan d' oever van de waterkant staat stijf en stram een uil op wacht,

Hij waakt voor de rust en geniet van de zomerse nacht.

Nu luistert hij juist naar het hartroerende lied

Van kikvorsenleed, hoe er een stierf van verdriet

In een duistere nacht.

 

De kikkers kwelen zacht aan d' oever van de stroom,

Nu zingen zij het negerlied van Old Kentucky Home,

Plots krast de uil, hij ziet een katerkop....

De kikkers vluchten weg, de vogels in een boom.

 

Terug naar overzicht

Amsterdam ontroerd

(sneldicht van Const. Huygens)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hoe kwam 't dat Amsterdam zo gram was,

        En waarom was 't niet voor den Prins ?

        In zeven woorden gaat veel zins:

        Omdat de Prins voor Amsterdam was

 

Terug naar overzicht

Anna Pavlova

(Albert Verwey 1856-1936)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

‘n Enkele lijn is genoeg en ik zag u van teen tot schedel:
’t Verende gaan, de heup, het teruggeworpen lijf.
Vurig en edel waart ge, glimlachende ! – en vurig en edel
Zij ’t galopperende vers, dat ik, u huldigend, schrijf.

 

Terug naar overzicht

Anni's taal

(P.A. de Génestet 1829-1869)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Geen dichter schiep ooit zoeter taal,

 Geen schrijver maakt zulke zinnetjes,

Als gij, bruin wicht, klein ideaal 

Van al uw moeders vriendinnetjes !

 

Wie, drommel, leerde u toch zoo lief

En geestig uw woordjes te schikken,

Te snappen zoo onnavolgbaar naïef,

Met mondje en handjes en blikken ?

 

Ik heb beproefd te schrijven als gij,

O schalkje! gewoon zijt te spreken.

Beproefd in proza en poëzij,

Mijn povere kunst is gebleken !

 

Uw stemmetje klinkt zoo blij, zoo zoet;

De woordekens buitlen en trippen,

Vol geur en kleur en toon en gloed,

U van de rozenlippen.

 

Dus koosden wis in ’t paradijs

De reine kinderzielen,

Op vrome, kunstelooze wijs,

Eer ze in de geleerdheid vervielen ?

 

Gij kunt me zoo zonder grammatika,

Verbuigen en vervoegen,

Dat ik betooverd te luisteren sta,

Schier met jaloers genoegen.

 

Wie leerde u dat ?  Dat leerde u voorwaar

Geen kitt’lig taalgeleerde,

Geen preeker of geen redenaar,

Wien Siegenbeek bekeerde !

 

Dat leerde u de goede moeder Natuur,

Die ook de vogels leert zingen !

Haar lessen zijn, voorwaar, niet duur,

Doch schraal haar volgelingen.

 

Dat leerde u de goede moeder Natuur,

Zij gaf u die tooverklanken....

Beleedig haar nooit, met kunst of kuur,

Blijf steeds háár eeren en danken !

 

O, ’k bid voor u, dat ge immermeer

Moogt praten zoo natuurlijk,

Een kind van onzen lieven Heer

Nooit deftig of figuurlijk.

 

 Dat ge immer op uw schalke tong,

Als thans, uw hartje moogt dragen,

Een hartje, zoo rein, zoo frisch, zoo jong,

Schoon – met wat minder vragen !

 

 Dat uit uw kinderlijk gemoed,

Zoo geestig en lieftallig,

Uw taaltje vloeie steeds zoo zoet,

Eenvoudig, oprecht en bevallig !

 

Dat God u beware voor ons valsch,

Ons afgesproken taaltje,

Ook voor den Delftschen tongval – als

Voor ’t Rotterdamsche haaltje !

 

Terug naar overzicht

Annunciatie

(Jacqueline E. van der Waals  1868-1922)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst en Piet Flens voor de aanvulling)

Ik hoorde uw voetstap naadren op het pad,

Ik wachtte, en zag u na een korte pooze.

Hoe geurden 't dennenboschje en de rozen !

Toen gij mijn open woning binnentradt.

 

Gij waart dien avond, toen gij tot mij kwaamt,

O Dood, niet overmoedig, niet vermetel,

En toen gij plaats naamt in mijn zachten zetel,

Gelijk een knaap zoo schuchter en beschaamd.

 

"Ik kom misschien wat laat en ongelegen ?

Maar God heeft mij gezonden met een last."

Ik sprak: "Wie tot mij komt van Zijnetwege

Is mij ten allen tijde een lieve gast."

 

Ik bood u spijze, ik dronk met u den wijn.

Toen spraakt gij vragend, en uw oogen zagen

De mijne niet, naar de uwe opgeslagen,

Maar staarden peinzend in den avondschijn:

 

"Ik weet, dat ge u een woning hebt gebouwd,

Die gij zoo juist van plan waart te betrekken ?

Dat gij de taak, door God u toevertrouwd

Ten laatste aan uzelve zoudt ontdekken,

Als gij uw eigen leven leven zoudt ?" ...

 

Maar met een glimlach sprak ik snel en stil:

"Kwaamt gij, o Dood, mij van mijn plannen spreken ?

Spreek en verkondig mij des Meesters wil."

Toen stondt gij op, toen gaaft gij mij het teeken,

Waarmede gij de uwen wijdt, o Dood.

 

Ik deed u even later uitgeleide,

Ik zag u duister in het avondrood

Verdwijnen in de duisternis der heide.

En keerde huiswaarts langs het kiezelpad,

Ik sprak niet "goede Dood", ik sprak niet "booze",

En 'k had het leven nooit zoo lief gehad. 

    

Terug naar overzicht

Arbeid adelt

(G.W. Lovendaal)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst en Piet Flens voor de aanvulling)

Mijn lust is mijn ambacht,

Mijn ambacht mijn eer.

Ik sla voor den beste

Mijn ogen niet neer.

'k Heb pit in mijn spieren,

'k Ben flink en gezond,

Als Hollandse jongen,

Van harte goed rond.

 

Ik steek in een plunje,

Dat past bij mijn vak;

Een zot is een mulder

In zwart-lakens pak.

En vraagt mij een fatje

Naar rang en naar stand,

Dan zeg ik: "Van adel",

En .... toon hem mijn hànd.

 

Terug naar overzicht

Armoe

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

'k Heb honger naar een lied

In dit huis van eenzaam wezen

Waar 'k nog in geen blik mocht lezen

Dat een mens me gaarne ziet

 

't Kloksken tikt melancholiek

't Maakt me monotoon en kranke

God ik smacht naar dieper klanken

'k Heb zo'n honger naar muziek

 

Ach en zo 'k mezelve sus

Met een blom of een gebeken

Ziet ge niet mijn lippen smeken

'k Heb zo'n honger naar een kus

 

Leven dat ik lieven moet

Leven...kunt ge zo me laten ?

Zonder liefde zonder haten ?

'k Heb zo'n honger naar uw gloed

 

Terug naar overzicht

As et buukske van oew leven

(Brabants gedicht)

(met dank aan Wil Brouwers voor het sturen van de tekst)

As et buukske van oew leven

Heelegaor is volgeschreven

Komt nao 't endje nog 'n endje

Da gedrukt steet op 'n prentje.

 

O, dan worde mooi geprezen !

Jao, deur teksten wordt bewézen

Da ge 'n heilige waort veur dezen !

Spietig, da ge 't nie kunt lézen !

 

Maor oew vrienden,------ die 't nog kúnnen,

Ou die lof ok nóú nie gunnen,-------

Denken kniezend,  schoon ze zwiegen:

"Ook deur teksten kan men liegen !"

 

Terug naar overzicht

Avond in de stad

(Frederik van Eeden 1860-1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De groote stem der stad verstomt
en de nachtwind die in mijn venster komt
brengt een vaag en wonderlijk suizen
als zuchten der slapende huizen.

Mijn lamp brandt stil en suizelt zacht
en peinst zijn gepeinzen den langen nacht.
Ik staar in het heldere branden,
mijn katje speelt met mijn handen.

Hoe waren de dagen die verre zijn
toen mijn hart ontwaakte in den zonneschijn ?
toen de geuren mij wekten der linde ?
toen de kelken knikten der winde ?

Waar heb ik de roze het eerst gegroet,
de bleeke, die groeit aan der duinen voet ?
Mijn katje speelt in de schaduwen
der gordijnen, met ritslende klauwen.

Zie, bloemen en gras op mijn kleed, mijn boek,
een meidoorn bloeit in den kamer-hoek,
zie, bleekroode rozen omringen
mij rings, en dichte seringen...

Maar een schaduw valt en alle wijkt. --
Op de vensterbank zit mijn katje en kijkt
in de donkere diepte neder,
zijn staart slingert heen en weder.

Nu komen van over de zwarte stad,
nu stijgen op uit het wiegelend nat
van de kille, duistere grachten,
de kille, zwarte gedachten.

Ze zweven zwijgend door 't venster heen,
op iedere schouder zet zich één,
op mijn hoofd, mijn borst en mijn brauwen,
ze drukken met klemmend benauwen.

En dof hoort mijn oor het vaag gerucht
der nachtwind die weeklagend zucht,
de angstige droomen der huizen.
Mijn lamp blijft peinzend suizen.
 

Terug naar overzicht

Avondgebedje van een ondeugende teckel

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Op mijn kleine korte pootjes, kniel ik even voor u neer.

Ik wil u hartelijk bedanken, voor deez' fijne dag, o Heer.

Wel moet ik u opmerkzaam maken, het begon een beetje vroeg,

Of lag het aan mijn slaperig oortje dat de klok zes slagen sloeg ?

 

Er viel vandaag een beetje regen. En de wind was dun en koud.

U moet toch weten, grote schepper, dat een taks daar niet van houdt.

Het is niet, dat 'k wil verwijten, daarvoor ben ik toch te klein.

Maar de warmte van het zonnetje, zou voor mij veel beter zijn.

 

Ik heb vandaag weer veel gelachen. Lieve Heer wat een plezier,

Want die pestkat van de buren, zorgde weer voor mijn vertier.

Lekker bibberend van de koude, zat ie op de schuur, kletsnat,

Ik zat droog achter de ramen. Hemel wat een lol gaf dat.

 

Omdat ik deed of ik iets 'doen' moest, liet mijn baas mij even uit,

Ik zachtjes naar dat beest geslopen, met zijn stomme kattensnuit.

't Loeder had niets in de gaten en toen gaf ik toch een blaf,

Lieve Heer, 'k heb krom gelegen, hij viel van het schuurtje af.

 

Met zijn staart recht in de hoogte, ging ie krijsend aan de haal,

Op een afstand zitten blazen, 't beest is toch zo asociaal.

't Kreeg toen zo de pé in, weet u, ik heb 'm even opgezocht,

Eerlijk Heer, ik was vergeten, dat het van de baas niet mocht.

 

Maar wat doet dat zwarte monster ? Deelt een dreun uit met zijn klauw.

Zeg nou zelf, dat was niet eerlijk. En toen gaf ik hem een knauw.

Het werd een levensgrote ruzie, met ontzettend veel kabaal.

En ik dacht: voor ik ga verliezen, ga ik pijlsnel aan de haal.

 

Dat was reuze slim bekeken, want de baas kwam op mijn baan.

Nou, dat is een sterke kerel. Die kan echt een kat wel aan.

Over mij had hij wat zorgen, die kattenklauw deed reuze zeer.

Gelukkig had hij nog een tube, met een of ander wondersmeer.

 

Toen ben ik even uit gaan rusten. Voor deez' keer mocht ik op bed.

Terwijl ik sliep trokken mijn pootjes nog van dolle binnenpret.

Het wakker worden was geweldig. O, Heer, mijn baas is toch zo'n dot.

Omwille van die grote krabbel, kreeg ik een super vleesrijk bot.

 

Nou dacht ik Heer, een kleine teckel, heeft vast uw welgevallig oog.

'k Ben altijd lief, altijd gehoorzaam. De baas prijst immers hemelhoog.

Als u een beetje mee wilt werken, Uw scheppingsplan nog eens beziet,

Denk dan aan katten zonder nagels. Dat is toch eerlijker ? Of niet.

Terug naar overzicht

Avondliedeke

(Alice Nahon 1896-1933)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

't Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan

Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.

En vind ik in het huis mijns herten,
Dat ik één droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
Rondom één hoofd, dat eenzaam was...;

Dan voel ik op mijn jonge lippen,
Die goedheid lijk een avondzoen...
't Is goed in 't eigen hert te kijken
En zó z'n ogen toe te doen.

Terug naar overzicht

Avondzang aan de reede van Texel

(Het baden in zee)

(Pieter Leonard van de Kasteele 1748-1810)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Op ! Texelbewoner !
Geen avond ooit schooner;
’t Loopt alles ons mee.
Op ! jeugdige knapen !
De zon wil gaan slapen;
Komt baadt u in zee !

Het westelijk luchtje
Doorgolft met een zuchtje
Mijn flodderend haar.
Twee zeeën begroeten
Mijn kletsende voeten
Ze omarmen elkaâr

Zie ’t Noorderzout blinken !
De zon gaat er zinken, 

Zie ginds in het Oost
De Zuiderzee dartlen;
De maan haar ontspartlen;
Zij beeft, en zij bloost.

Rondom zich die glonsen
Op zee te zien dansen,
Hoe lacht dit ons aan !
Wat vreugd ! onbeladen
In zee zich te baden

Terug naar overzicht