(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Jonge meisjes,
hoe rampzalig
Is, voor u, die prille schoonheid,
Die, op uw gevulde wangen,
Op uw welgevormde lippen,
En op al uw leden, schittert;
Hoe rampzalig is die schoonheid,
Zoo gij, wars van blanke kuisheid,
Hun gehoor geeft, die u vleien !
Vliedt, ô Schoonen ! vliedt die vleiers !
Luistert gij naar hunne woorden,
Dan zal ras de bloozende onschuld
Uit uw jeugdig harte vluchten.
En, hoe schielijk zal dan de ondeugd
In uw jeugdig harte sluipen !
Neen ! ontvliedt die laffe vleiers !
Denkt niet dat zij u beminnen !
Vuige slaven hunner driften,
Volgen zij geen andre wetten,
Dan de wetten hunner driften.
Deugd en onschuld te belaagen,
Al wat heilig is te ontëeren,
Is hun eenigste bedoeling.
Neen, gij Schoonen ! kent de Liefde !
Laat een edeldenkend minnaar
U, die drift der groote zielen,
In heur groote kragt, doen voelen
Kent de Liefde ! zij is edel;
Deugd en onschuld zijn haar zusters.
Maar, dat nimmer luimende ondeugd,
In den schijn van waare liefde,
U, in haare strikken, vange !
Schielijk zou uw schoon verflenssen.
Schielijk zou de hand der ondeugd
't Merk der woedende begeerten,
Op uw jeugdig aanzicht, drukken !
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Zachtgekleurde
lentebloesem,
Die Selindes borstjes kust,
Die zo mollig op haar boezem
Tussen donzen peulen rust !
Aartig roosje, vers ontloken,
Ware uw zalig lot het mijn’,
Lag ik ook zo neergedoken
Tussen 't dubbel halssatijn,
'k Lei geenszins als gij bewustloos
't Hangend hoofdje stil op zij;
Nee,'k bekeek, nieuwsgierig, rustloos,
Heel de omtrek van nabij.
'k Zou, door hete zucht gedreven,
Aan die borsten, blank en mals,
Duizend, duizend kusjens geven,
'k Zoende schouders, nek en hals.
'k Zoude ook samen vergelijken
Die twee bollen, wit en rond:
Zien, of deez' voor die moest wijken,
Of er onderscheid bestond,
Wie met blauwer aders praaIde,
Wie de blankste tint bezat,
Wie de meeste veerkracht haalde,
Wie de roodste bezie had.
'k Zou dan trachten op te sporen
Waar de holle weg ons leidt
Die gelijk een diepe voren
De ene bol van d'andre scheidt,
Die stilzwijgend schijnt te wenken,
Lager vindt ge rijker schat
Dan gij immer uit kost denken,
Dan een sterv'ling ooit bezat.
'k Nam dat pad, van lust doorprikkeld
Tot die schat mijne ogen trof
En 't geheim mij werd ontwikkeld
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
't Was nacht,
toen uw moeder u baarde,
Een nacht, zo zwart als immer was.
Een leger van helse geesten waarde.
’t Gevogelte liet een naar gekras,
Door ’t aklig woud, tot driemaal horen.
De zee werd woedend, klotste en sloeg,
Wat zelfs, tot in de hemelkoren,
De engelen schrik in het hart joeg!
Uw moeder zag u – en het leven
Ontvluchtte aan haar beklemde hart!
Uw vader schrok – stond te beven –
Zeeg neer – overwonnen door de smart,
Toen een stem, net als een donder,
Klonk door het huis, dat u ontving:
“Dat elk zich van dit kind afzondere!….
“Natuur wrocht hier een aterling!
“Zij heeft hem, tot een straf der volken,
“In ’s hemels grimmigheid gebaard!
“De slechtste geest uit ’s afgronds kolken
“Zal hem beschermen op deze aard!
“Hij zal zijn vaderland verraden!
“De vrijheid trappen op de borst!
“Geen goud zal ooit zijn ziel verzadigen,
“Die steeds naar meer schatten dorst!
“Hij zal, kan het slechts zijn hebzucht voeden,
“Een gemene slaaf van de vorsten zijn!
“Waar hij onschuldigen ziet bloeden,
“Daar zal zijn vreugd en wellust zijn!
“Zijn hele ziel zal valsheid wezen!
“Zijn mond een kerker vol bedrog!
“Zijn helse ziel zal niemand vrezen;
“Steeds juichend denken: ‘“k werke nog!….
“U zou vergeefs zijn werking storen!
“Vergeefs is hier een fors geweld!
“Tot ramp voor ’t vaderland geboren,
“Is hij ten vloek van het volk gesteld!”
Verrader! monster! vloek der aarde!
Vernederend schepsel van de natuur!
Gods wraak, die u tot heden spaarde,
Verdelge u ooit door ’s hemels vuur!
Met de verrader van het vaderland wordt
stadhouder Willem V bedoeld, die zonder blikken of blozen wordt beschreven
als het grootste monster dat ooit op aarde rondliep. Onder meer door dit
gedicht kreeg De Post van den Neder-Rhijn op 25 oktober 1782 een tijdelijk
verbod.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
'k Liet door
den schouwburg onbestemd mijn blikken waren
terwijl ginds de opera wegschemerde in de vert'.
Bewustloos scheen mijn geest en 't bleef me koud om 't hert.
Dan kwaamt ge - een lichtglans - voor mijn dolend oog gevaren.
En eensklaps trilde een wonder zingen op den snaren,
een lang vermiste toon, die me optilde uit de smert,
muziek, die als een blauwe zee bewogen werd,
wijl - ster der hoop - uw oog er pinkelde op de baren.
O ! in een zoeten droom verzwond ik toen en dacht
aan schaarsgedeelde vreugde en nieuwe levenskracht
en 'k zocht ... was mijn Sirene in 't toovermeir bedolven ?
Heen waart ge ! - en hortend, klotsend, huilend ging 't akkoord
en stuwde weer mijn geest in sombre richting voort,
een naakt, ontredderd wrak, daar vlottend langs de golven...
Aan
het meisje dat een roosje aan hare boezem plaatste
(Rhijnvis
- Feith - 1753-1823)
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Meisje!
plaats dit frisse roosje,
Dat de nacht nauw worden zag,
Aan uw zachtbewogen boezem;
't siert u slechts een halve dag.
Roosjes kwijnen, roosjes welken,
En hun blaadjes vallen af.
Meisje! sier u met het bloempje,
Dat nog welig bloeit aan 't graf.
Godsdienst wierp er 't eerste zaadje
Onbemerkt van in de grond,
En bezorgde ’t iedre morgen,
Drenkte 't elke avondstond.
't Rees, maar bloeide als 't Nachtviooltje,
Ongezien door 't vluchtig oog;
Maar de kenner rook zijn geuren,
En hij schatte 't bloempje hoog.
Vraagt gij, hoe zich 't bloempje noeme,
Dat zo needrig 't oog ontvliedt?
Vruchtloos zoekt gij 't bij Linneus,
Op zijn plantlijst staat het niet.
Wilt gij 't echter garen weten?
Beste Meisje! smaak die vreugd.
In 't Gedenkboek van de Hemel
Heet het lieve bloempje: Deugd.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Vraagde ik
immer voor mijn leven,
Reine liefde, reine trouw,
Op die bede is mij gegeven,
Uw bezit, geliefde vrouw !
Wat genoegen, welk een zegen,
Toeft mij en bereidt gij mij,
Ja, ik heb een vrouw verkregen,
En een eerzaam ras er bij !
Schenk mij lang nog, dierb're gade !
Op het geen ik wenschen mag:
Leven, zegen, ruim en spade,
Kennis van een blijden dag;
Enkel licht en gunst van boven,
Vrij van weerspoed, vrij van smart,
Steeds uw liefde te geloven
In een regt gelukkig hart.
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Niet een
bloemtjen, niet een toontjen, op uw Jaarfeest, lieve Gâ !
Is mijn brein dan zoo onvruchtbaar, zoo geheel verwinterd ? — JA.
Of voelt mijn boezem minder voor uw lieve aanloklijkheên ?
Is me uw teêrheid minder dierbaar dan zy was of zijn moest ? - NEEN.
Ach! wat zou die boezem wenschen op dees heimplaats des verdriets
Dan de zaligheên der liefde die uw har my uitstort ? - NIETS.
Lijden kan ik alle plagen van het onverduurbaarst lot:
Want wie heeft ze my beschoren ? wie my toegezonden ? — GOD.
Lijden kan ik, wat het lichaam, moet het, uit kan staan van smart.
’k Ken één bron van weelde en smarte; en wat is die welbron ? - ’T HART.
’k Kan de kwelling fier verachten, die vernederde eerzucht lijdt.
Wat is in mislukte ontwerpen de angel die ons prikkelt ? — SPIJT.
’k Kan gebrek en kommer dragen : Hoe het in de wareld loopt’,
Wat’s als alles wil bezwijken, ’s Christens ondersteuning ? — HOOP.
Ja, gelukkig in uw armen, ’t zij in nood of overvloed,
En te vreên met Gods bestelling, wat's me al wat voorkoomt ? - GOED.
ô Hoe vrolijk wilde ik zingen, lieve Weêrhelft, op uw feest !
Doch wat faalt my om te zingen ? Dierbaarste, ach ! gy weet het ! - GEEST.
Wat, wat bleef my, even hevig naar den geest en ’t lichaam krank,
Om den Hemel op te dragen? om aan u te schenken ? — DANK.
Dank en Liefde, dierbre Gade, zie daar al wat ik vermag !
’k Wij’ ze u beide, dit ’s mijn feestzang ! Want wat anders rest my ? —
ACH !
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Als ge in 't
opvoeden van uwe kind'ren
Nu of dan niet recht weet hoe het moet,
Gaat tot hen, die nooit kinderen hadden;
Want die weten het altijd zo goed !
A. B. C.
voor ieder, die verblijft in de vrije natuur
Satyrische schetsch van L. Slawin (Prawda)
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De
Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van dieren heeft, nu de
vacanties zijn begonnen en velen naar buiten trekken, het volgende A. B.
C. verspreid:
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Adam en Eva,
Die aten samen gort.
Adam had een broekjen aan
En Eva droeg een schort.
Als ik mij niet zéér vergis,
Is dat lang geleden,
Maar het ging (of 'k heb het mis !)
Toen al net als heden.
Eva's die de broek aan hebben,
Zijn de rechte Eva's niet,
En een Adam met een schort voor,
Noemde men een keukenpiet.
Wat de kroon is voor een koning,
Voor de huisvrouw is haar schort.
Draag de uwe steeds met eere,
En 't ontbreekt u nooit aan - gort.
(De
schoolmeester (Gerrit van de Linde) - 1802-1868)
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
O Neêrland!
stuur toch, blij te moê, Uw kroost naar mijn collèzie toe, De beste school die ooit bestond Op ons gezellig waereldrond. Men leert hier aan de lieve jeugd Het Engelsch, 't cijfren en de deugd: Men zingt er en men leest er En elk diner, 't is geen bedrog, Vindt gy als t' huis, ja beter nog, Vooral dat van den meester: En ieder bed, net als by ons, Van Zwanenhair en paardedons: Nog leert men elk zijn plichten hier Als mensch, vooral eerst als scholier; Terwijl mosjeu de jonkheid graag Met zachtheid leidt en niet met slaag: Hy geeft dien wilden gasten, Opdat hy hun kolijken spaar, En 't geld in zijne beurs bewaar, Geen andre straf dan "vasten".
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Och bevende
alarmisten,
Och pruiken, podagristen,
Och ouwe–wijven–kliek,
Och nare leuterkousen,
Och bankroetiers en smousen,
Je malen maakt me ziek.
Je duffe konversatie
Is ééne lamentatie,
En nergens zie je licht;
Je snatert en je stottert,
Je steunt en stikt en stottert....
’t Is wat een vies gezicht !
Gedaalde metallieken,
Failliete republieken,
D’ effektenhoek vol vrees;
De kooplui in perikel,
Heel de aard op een karikel,
De wereld op de sjees !
Het menschdom op zijn endje,
Veel kinderen en – geen centje
Verdiensten op ’t kantoor:
Den heelen boel in ’t honderd,
En half Euroop geplonderd –
Dat ’s alles wat ik hoor !
Wie naar je praat wil luisteren,
Die ziet de zon verduisteren,
Die weet niet, wat hij ziet,
En zou zijn mooiste zaken
Terstond aan kant gaan maken,
Of stuurt ze recht – in ’t riet !
Die zou zich dood gaan kniezen,
En al zijn geld verliezen
Uit zuinigheid alleen;
Die laat zijn kroost verhongeren,
En foetert op de jongeren,
Die spotten op hem heen !
Die ziet, owaai ! de Franschen
Al in zijn keuken dansen,
De meid tot déjeuné;
Die ’s nergens op zijn aise,
Die hoort een Marseillaise
In ’t lied van Isabé !
Die ziet in al
zijn zonen
Al tijger–aardjes wonen
En kleine Louis Blanc’s:
Die ’s bang voor Balinezen,
Die durft geen krant meer lezen,
Maar kijkt er rillend langs !
Met al die bange wezels,
Die kwezels en die ezels,
Wie drommel, weet er raad ?
Al trekken zich die Joppen
De haren uit hun koppen,
Ik weet niet of het baat !
Maar handen uit de mouwen,
Couragie en vertrouwen
En wat gezond verstand !
De mensch leeft om te hopen....
En ’t zal zoo’n vaart niet loopen:
’t Leit immers op zijn kant ?
Ook ik beken het garen:
Wat onze tijden baren
Is ver van amuzant,
’t Is vreeslijk en ’t is ijselijk,
’t Is schriklijk en afgrijselijk....
En ik heb ook het land !
Maar ’t ergst van alle plagen,
Zijn toch in onze dagen
Die kennissen van Job !
Het zijn je die meneeren,
Die steeds jeremiëeren,
Die altijd lamenteeren,
Die ’t weinigs goeds negeeren
En eeuwig redeneeren
Als kippen zonder kop !
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Een heer die de
straat afdaalt
een heer die de straat opklimt
twee heren die dalen en klimmen
dat is de ene heer daalt
en de andere heer klimt
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers
treffen zij elkaar
de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand
dan gaan de ene en de andere heer
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
de rechtse die daalt
de linkse die klimt
dan gaan beide heren
elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed
elkaar voorbij
vlak vóór de deur
van de winkel
van Hinderickx en Winderickx
van de beroemde hoedemakers
dan zetten beide heren
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
eenmaal aan elkaar voorbij
hun hoge hoeden weer op het hoofd
men versta mij wel
elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd
dat is hun recht
dat is het recht van deze beide heren
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Als alles voorbij
is en 't scheiden begint
Gaat hij links en zij rechts
Nemen z'ieder een kind
De meid krijgt getuigen om verder te gaan
De hond kan niet kiezen
Blijft weifelend staan
Met de vogeltjes deed men de buren plezier
De haan met zijn kippen gaan naar de poelier
De kat denkt: hoe rustig, nu is alles uit huis
Als 't stil is en leeg
Vang ik eerder een muis
Dan blijven nog over de mot in de kast
En 'n bromvlieg voor 't raam
Die zijn voorpoten wast
Als alles voorbij is, komt 't bordje "te huur"
Vuil en stof in de gang en het vocht op de muur
En kijkers met praatjes van dit en van dat
Zien 'n halfdode bromvlieg
En 'n magere kat
Maar is 't weer lente, wordt 't huisje geboend
Komt 'n pas getrouwd paartje
Dat giechelt en zoent
Dat aldoor vertelt hoe gelukkig ze zijn
De nachtegaal zingt onderwijl z'n refrein
Hij zingt er van trouw bij de zilveren maan
Dat heeft hij voor 't vorige paar ook gedaan
Hij roept: Nog vijf jaar op zijn hoogst, dan is 't mis
Dan ga je weer scheiden, daar 't mode nu is !
Als
je in je levensstrijd
Warmte om je heen verspreidt,
Als je iemand die daar treurt,
Hebt getroost en opgebeurd,
Als je hielp waar je dat kon,
Aan wat licht en aan wat zon,
Als je steeds naar beter streeft,
Heb je niet voor niets geleefd.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
‘n Enkele lijn
is genoeg en ik zag u van teen tot schedel:
’t Verende gaan, de heup, het teruggeworpen lijf.
Vurig en edel waart ge, glimlachende ! – en vurig en edel
Zij ’t galopperende vers, dat ik, u huldigend, schrijf.
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
De groote stem
der stad verstomt
en de nachtwind die in mijn venster komt
brengt een vaag en wonderlijk suizen
als zuchten der slapende huizen.
Mijn lamp brandt stil en suizelt zacht
en peinst zijn gepeinzen den langen nacht.
Ik staar in het heldere branden,
mijn katje speelt met mijn handen.
Hoe waren de dagen die verre zijn
toen mijn hart ontwaakte in den zonneschijn ?
toen de geuren mij wekten der linde ?
toen de kelken knikten der winde ?
Waar heb ik de roze het eerst gegroet,
de bleeke, die groeit aan der duinen voet ?
Mijn katje speelt in de schaduwen
der gordijnen, met ritslende klauwen.
Zie, bloemen en gras op mijn kleed, mijn boek,
een meidoorn bloeit in den kamer-hoek,
zie, bleekroode rozen omringen
mij rings, en dichte seringen...
Maar een schaduw valt en alle wijkt. --
Op de vensterbank zit mijn katje en kijkt
in de donkere diepte neder,
zijn staart slingert heen en weder.
Nu komen van over de zwarte stad,
nu stijgen op uit het wiegelend nat
van de kille, duistere grachten,
de kille, zwarte gedachten.
Ze zweven zwijgend door 't venster heen,
op iedere schouder zet zich één,
op mijn hoofd, mijn borst en mijn brauwen,
ze drukken met klemmend benauwen.
En dof hoort mijn oor het vaag gerucht
der nachtwind die weeklagend zucht,
de angstige droomen der huizen.
Mijn lamp blijft peinzend suizen.