O
dierbaar Belgiė
O heilig land der vaad'ren
Onze ziel en ons hart zijn u gewijd
Aanvaard ons hart en het bloed van onze adren
Wees ons doel in arbeid en in strijd
Bloei, o land, in eendracht niet te breken
Wees immer u zelf en ongeknecht
Het woord getrouw, dat ge onbevreesd moogt spreken:
Voor Vorst, voor Vrijheid en voor Recht
Ik
heb u lief mijn heerlijk landje
Mijn enig Drentheland
Ik min de eenvoud in uw schoonheid
'k Heb u mijn hart verpand
Mijn taak vervuld' ik blijde
Waarheen ook plicht mij riep
Uw geest was 't die mij leidde
Daarom vergeet 'k u niet
'k
Hoor
nog de lieve held're klokjes
Bij zinkend' avondzon
Als schaapjes keerden van de heide
En moeder met ons zong
O, kon ik nog eens horen
Dat lied in 't schemeruur
En vaders schoon vertelsel
Bij 't vrolijk knappend vuur
'k
Zie
nog uw brink met forse eiken
Waar ik mijn makkers vond
Waar ik mijn tenen mandje vulde
Met eikels glad en rond
Daar bij die oude linde
Kwam 'k met mijn vrienden saam
Zo menig vriend ging henen
De schors bewaart zijn naam
De
ruige boswal langs uw velden
Was mijn luilekkerland
Die gaf mij lek'kre zoete bramen
Uit milde, gulle hand
Daar gaarde ik brandstof
Voor 't oud en heilig vuur
Als lente's adem wekte
Uw sluim'rende natuur
Waar
nog de held're koele veldplas
Uw vredig beekje voedt
Daar in dat wijde, bruine heivlak
Waar wilp en korhoen broedt
Daar koelde ik mijn leden
In 't nat van zuiv're wel
Daar heb ik leren zwieren
Op ijzers blank en snel
Die
beelden uit dat zoet verleden
Wat blijven zij mij bij
Vaak heb ik zware strijd gestreden
Dan hielpen, sterkten zij
En nu, ten volle dankbaar
Wijd 'k u mijn beste lied
Mijn heerlijk, heerlijk Drenthe
Vergeten kan 'k u niet
Waar
wij steden doen verrijzen
op de bodem van de zee,
onder Hollands wolkenhemel
tellen wij als twaalfde mee.
Een provincie die er wezen mag,
jongste stukje Nederland.
Waar het fijn is om te wonen,
mijn geliefde Flevoland!
Land
gemaakt door mensenhanden,
vol vertrouwen en met kracht.
Waar de zee werd teruggedrongen
die zoveel verschrikking bracht.
Een provincie die er wezen mag,
jongste stukje Nederland.
Waar het fijn is om te werken,
mijn geliefde Flevoland!
De
natuur laat zich hier gelden
dieren kiezen nest of hol.
En de wijde vergezichten
stemmen ons zo vreugdevol.
Een provincie die er wezen mag,
jongste stukje Nederland.
Waar het fijn is om te leven,
mijn geliefde Flevoland!
Frysk
bloed tsjoch op! wol no ris brūze en siede,
En būnzje troch śs ieren om!
Flean op! Wy sjonge it bźste lān fan d'ierde,
It Fryske lān fol eare en rom.
Klink dan en daverje fier yn it rūn
Dyn ālde eare, o Fryske grūn!
Klink dan en daverje fier yn it rūn
Dyn ālde eare, o Fryske grūn!
Hoe
ek fan oermacht, need en see betrutsen,
Oerālde, leave Fryske grūn,
Nea waard dy fźste, taaie bān ferbrutsen,
Dy't Friezen oan har lān ferbūn. Klink dan en daverje fier yn it rūn
Dyn ālde eare, o Fryske grūn!
Klink dan en daverje fier yn it rūn
Dyn ālde eare, o Fryske grūn!
Fan
būgjen frjemd, bleau by 't āld folk yn eare
Syn namme en taal, syn frije sin;
Syn wurd wie wet; rjocht, sljocht en trou syn leare,
En twang, fan wa ek, stie it tsjin.
Klink dan en daverje fier yn it rūn
Dyn ālde eare, o Fryske grūn!
Klink dan en daverje fier yn it rūn
Dyn ālde eare, o Fryske grūn!
Trochloftich
folk fan dizze ālde namme,
Wźs jimmer op dy ālders grut!
Bliuw ivich fan dy grize, hege stamme
In grien, in krźftich bloeiend leat!
Klink dan en daverje fier yn it rūn
Dyn ālde eare, o Fryske grūn!
Klink dan en daverje fier yn it rūn
Dyn ālde eare, o Fryske grūn!
Gelders
dreven zijn de mooiste
In ons dierbaar Nederland.
Vette klei- en heidegronden,
Beken, bos en heuvelrand.
Ginds de Waal, daar weer de IJssel,
Dan de Maas en ook de Rijn
Geeft ons recht om heel ons leven
Trots op Gelderland te zijn.
Geeft
ons recht om heel ons leven
Trots op Gelderland te zijn.
Waar
ons vaderland bebouwd werd
Door den Saksischen Germaan,
Daar werd onze stam geboren,
Daar is Gelderland ontstaan.
En het graan, dat thans geoogst wordt,
Waar het woest en wild eens was
Geeft ons recht om trots te wezen,
Op ons echte Gelders ras.
Geeft ons recht om trots te wezen,
Op ons echte Gelders ras.
In
de dorpen en de steden
Tussen Brabant en de Zee,
Tussen Utrecht en Westfalen
Heerst de welvaart en de vreź!
Met je kerken en kastelen,
Met je huisjes aan de dijk,
Gelderland, jij bent de Parel
Van ons Hollands koninkrijk.
Gelderland, jij bent de Parel
Van ons Hollands koninkrijk.
Van
Lauwerszee tot Dollard tou
Van Drenthe tot aan 't Wad
Doar gruit, doar bluit ain wonderlaand
Rondom ain wondre stad
Ain pronkjewail in gaolden raand
Is Grönnen, Stad en Ommelaand
Ain pronkjewail in golden raand
Is Stad en Ommelaand
Doar
broest de zee, doar hoelt de wind
Doar soest 't oan diek en wad
Moar rustig waarkt en wuilt het volk
Het volk van Loug en Stad
Ain pronkjewail in gaolden raand
Is Grönnen, Stad en Ommelaand
Ain pronkjewail in golden raand
Is Stad en Ommelaand
Doar
woont de dege degelkhaaid
De wille, vast as stoal
Doar vuilt ut haart, wat tonge sprekt
In richt en slichte toal
Ain pronkjewail in gaolden raand
Is Grönnen, Stad en Ommelaand
Ain pronkjewail in golden raand
Is Stad en Ommelaand
(Anthony
Winkler Prins, predikant in Tjalleberd 1841 - 1850 en in Veendam 1850 -
1882)
Wild
en woest en ledig
Was het ruwe veen,
Slechts de heide vlocht er
Kransen overheen.
Boog zich over d'oevers
Van de bruine plas
En verborg de diepte
Van het zwart moeras.
Ziet,
daar nad'ren mannen
Met een ijz'ren wil.
Aan de zoom dier poelen
Staan zij peinzend stil.
Broeders op ten strijde,
Op, de band geslaakt,
Die de schatten kluistert
Door 't moeras bewaakt.
Ja
zij hebben moedig
D' eed'le strijd volbracht
En een schat verworven
Voor het nageslacht.
Hunne namen blinken
Met ondoofb're glans
En wij vlechten juichend
hun een heidekrans.
Waar
in 't bronsgroen eikenhout
't Nachtegaaltje zingt
Over 't malse korenveld
't Lied des leeuwriks klinkt
Waar de hoorn des herders schalt
Langs der beekjes boord
Daar is mijn Vaderland
Limburgs dierbaar oord
Daar is mijn Vaderland
Limburgs dierbaar oord
Waar
de brede stroom der Maas
Statig zeewaarts vloeit
Weeld'rig sappig veldgewas
Kost'lijk groeit en bloeit
Bloemengaard en beemd en bos
Overheerlijk gloort
Daar is mijn Vaderland
Limburgs dierbaar oord
Daar is mijn Vaderland
Limburgs dierbaar oord
Waar
der vad'ren schone taal
Klinkt met held're kracht
Waar men kloek en fier van aard
Vreemde praal veracht
Eigen zeden, eigen schoon
't Hart des volks bekoort
Daar is mijn Vaderland
Limburgs dierbaar oord
Daar is mijn Vaderland
Limburgs dierbaar oord
Waar
aan 't oud Oranjehuis
't Volk blijft hou en trouw
Met ons roemrijk Nederland
Eén in vreugd en rouw
Trouw aan plicht en trouw aan God
Heerst van Zuid tot Noord
Daar is mijn Vaderland
Limburgs dierbaar oord
Wilhelmus
van Nassouwe
ben ik, van Duitsen bloed,
den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een Prinse van Oranje
ben ik vrij onverveerd,
den Koning van Hispanje
heb ik altijd geėerd.
In
Godes vrees te leven
heb ik altijd betracht,
daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.
Lijdt
u, mijn onderzaten
die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven,
dat ik u helpen mag.
Lijf
en goed al te samen
heb ik u niet verschoond,
mijn broeders hoog van namen
hebben 't u ook vertoond:
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in 't eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.
Edel
en hooggeboren,
van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vreden
mijn edel bloed gewaagd.
Mijn
schild ende betrouwen zijt Gij,
o God mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
uw dienaar t'aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.
Van
al die mij bezwaren
en mijn vervolgers zijn,
mijn God, wil doch bewaren
den trouwen dienaar dijn,
dat zij mij niet verassen
in hunnen bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.
Als
David moeste vluchten
voor Sauel den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koninkrijk gegeven
in Israėl zeer groot.
Na
't zuur zal ik ontvangen
van God mijn Heer dat zoet,
daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is, dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.
Niet
doet mij meer erbarmen
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.
Als
een prins opgezeten
met mijner heires-kracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht,
die, bij Maastricht begraven,
bevreesde mijn geweld;
mijn ruiters zag men draven
zeer moedig door dat veld.
Zo
het den wil des Heren
op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.
Zeer
christlijk was gedreven
mijn prinselijk gemoed,
standvastig is gebleven
mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.
Oorlof,
mijn arme schapen
die zijt in groten nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven,
't zal hier haast zijn gedaan.
Voor
God wil ik belijden
en zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediėren
in der gerechtigheid.
Toen
den Hertog Jan kwam varen
Te peerd parmant al triumfant.
Na zevenhonderd jaren,
Hoe zong men t'allen kant:
Harba lorifa, zong de Hertog,
Harba lorifa.
Na zevenhonderd jaren
In dit edel Brabants land.
Hij
kwam van over 't water:
Den Scheldevloed, aan wal te voet,
t'Antwerpen op de straten
Zilver veren op zijn hoed
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa.
t'Antwerpen op de straten,
Lere leerzen aan zien voet.
Och,
Turnhout, stedeke schone,
Zijn uw ruitjes groen, maar uw hertjes koen,
Laat den Hertog binnenkomen
In dit zomers vrolijk seizoen.
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa,
Laat den Hertog binnenkomen,
Hij heeft een peerd van doen.
Hij
heeft een peerd gekregen
Een schoon wit peerd, een schimmelpeerd,
Daar is hij opgestegen,
Dien ridder onverveerd.
Harba lorifa, zong den hertog,
Harba lorifa,
Daar is hij opgestegen
En hij reed naar Valkensweerd.
In
Valkensweerd daar zaten,
Al in de kast, de zilverkast,
De guldekoning zijn platen,
Die wierden aaneengelast.
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa,
De guldekoning zijn platen,
Toen had hij een harnas.
Rooise
boeren, komt naar buiten,
Met de grote trom, met de kleine trom,
Trompetten en cornetten en de fluiten
In dit Brabants hertogdom.
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa,
Trompetten en cornetten
ende fluiten Indit Brabants hertogdom.
Wij
reden allemaal samen,
Op Oirschot aan, door een kanidasselaan,
En Jan riep: 'In Gods name!
Hier heb ik meer gestaan.'
Harba lorifa, zong den Hertog,
Harba lorifa
En Jan riep 'In Gods name!
Reikt mij mijn standaard aan.'
Noord-Holland,
ik houd van het groen in je wei,
Het zwart-wit en rood van je koeien.
Je velden vol molens versieren de Mei
Wanneer alle bollen gaan bloeien.
Het zilveren licht kleurt de lucht op het land.
En zilt komt de zeelucht gewaaid aan je strand
Om 't wit van de wolken aan 't hemelse blauw:
Noord-Holland, mijn Holland, hoe houd ik van jou!
Noord-Holland,
ik houd van je heerlijke Gooi,
je prachtige Kennemerdreven.
Je meren en brede kanalen zo mooi,
zijn spiegels van waterrijk leven
En zie ik je polders, ontworsteld aan zee,
daar wuift nu het goudgele graan met ons mee.
Het fluitekruid siert met zijn sluier je dijk.
Noord-Holland, mijn Holland, wat ben je toch rijk!
Noord-Holland,
ik zie je historische pracht,
bewaard in je talloze steden.
Je huizen getuigen van stoerheid en kracht,
en rijk is je grote verleden.
Een volk waar de één op de ander vertrouwt
en dat aan zijn toekomst nog dagelijks bouwt,
met ieder die aan jou zijn hart heeft verpand.
Daarom ben jij Holland, mijn Holland, mijn land!
Aan
de rand van Hollands gouwen
Over brede IJsselstroom
Ligt daar, lieflijk om t'aanschouwen
Overijssel,'fier en vroom.
Waar de Vecht en Regge kronk'len
Door de heuv'len in't verschiet
Waar de Dinkelgolfjes fonk'len
Ligt het land, dat 'k stil bespied.
'K
Heb U lief; G'omvat in glorie
Oudheid, Kunst en Klederdracht.
Eertijds streden om victorie
Steden - Ridders, Burchtenmacht.
D'eindeloze'twisten brachten
U, mijn land, geen voorspoed aan;
Toch is uit Uw leed en klachten
Rijke stedenbloei ontstaan.
Gij
bidt'God, dat Hij op't zaaien
Rijpen doe 't gestrooide zaad;
Dat Ge dankbaar 't graan moogt maaien
Als het uur van oogsten slaat.
Oversticht, Uw schone weiden,
Horizonten, paarse hei
Boeien hart. en ziele beide
Van Uw volk. Gij zijt van mij.
De
rookwolk, die stijgt aan de horizon op
Die wijst ons de nijvere steden
Met mensen arbeidzaam en deeg'lijk, bewoond
De zetels van 't krachtige heden
Maar buiten in boerschap, op heide en veld
Daar wordt nog de sage en 't sprookje verteld
Daar rust de Tubanter in 't heuvelig graf
't Verleden naast 't heden van Twente
't Verleden naast 't heden van Twente
En
voert ons het lot ook uit Twente soms weg
Wij blijven het immer gedenken
Geen andere landstreek, hoe schoon ze ook zij
Kan 't zelfde als Twente ons schenken
Wij drukken elkaar in den vreemde de hand
Gedenkend ons klein, maar zo dierbare land
En moge ons huis in den vreemde ook staan
Ons hart blijft toch altijd in Twente
Ons hart blijft toch altijd in Twente
Langs
de d'oude Rijnstroom
Strekt zich wijd het Stichtse land.
Wilibrord ontstak uw fakkel,
Die ons blusbaar verder brandt;
Waar 's Lands Unie werd geboren,
Utrecht, hart van Nederland!
Utrecht,
parel der gewesten,
'k Min Uw bos en lustwarand'.
'n eigen stempel draagt Uw landschap:
Plas, rivier of heid' en zand,
Weid' en bongerd, bont verscheiden,
Utrecht, hart van Nederland!
Utrecht,
nobel, nijver Utrecht,
Middelpunt naar alle kant,
Aan Uw eigen stijl en schoonheid
Houd ik steeds mijn zin verpand.
Blijv' in goed' en kwade dagen:
Utrecht, hart van Nederland!
Geen
dierder plek voor ons op aard
Geen oord ter wereld meer ons waard
Dan, waar beschermd door dijk en duin
Ons toelacht veld en bosch en tuin
Waar steeds d'aloude Eendracht woont
En welvaart 's landsmans werk bekroont
Waar klinkt des Leeuwen forsche stem:
"Ik worstel moedig en ontzwem!"
Het
land dat fier zijn zonen prijst
En ons met trots de namen wijst
Van Bestevāer en Joost de Moor
Die blinken zullen d' eeuwen door
Waarvan in de historieblāen
De Evertsens en Bankert staan
Dat immer hoog in ere houdt
Den onverschrokken Naerebout
Gij,
Zeeland, zijt ons eigen land
We dulden hier geen vreemde hand
Die over ons regeren zou
Aan onze vrijheid zijn we trouw
We hebben slechts één enk'le keus:
Waar
eens 't gekrijs der meeuwen
Verstierf aan 't eenzaam strand
Daar schiepen zich de Zeeuwen
Uit schor en slik hun land
En kwam de stormwind woeden
Hen dreigend met verderf
Dan keerden zij de vloeden
Van 't pas gewonnen erf
Refrein:
Van
d'Ee tot Hontenisse
Van
Hulst tot aan Candzand
Dat
is mijn eigen landje
Maar
een deel van Nederland
Waar
eens de zeeėn braken
Met donderend gedruis
Daar glimmen nu de daken
En lispelt bladgesuis
Daar trekt de ploeg de voren,
Daar klinkt de zicht in 't graan
Daar ziet men 't Zeeuwse koren
Het allerschoonste staan
Refrein
Daar klappen rappe tongen
De ganse lieve dag
Daar klinkt uit frisse longen
Gejok en gulle lach
Daar klinkt de echte landstaal
Geleerd uit moeders mond
Eenvoudig, zonder omhaal
Goed Zeeuws en dus goed rond
Refrein
Daar werd de oude zede
Getrouwelijk bewaard
En 't huis in dorp en steden
Bleef zuiver Zeeuws van aard
Daar leeft men zo eendrachtig
En vrij van droef krakeel
Daar dankt men God almachtig
Voor 't toegemeten deel
Refrein
De worstelstrijd met Spanje
Bracht ons het hoogste goed
De vrijheid door Oranje
Betaald met hartebloed
Dat goed gaat nooit verloren
De Nederlandse vlag.
Zal wapp'ren van de toren
Tot op de jongste dag
Zuid-
Holland met je weiden en 't grazende vee,
Je molens, je duinen, je strand en je zee,
Je plassen en meren, aan schoonheid zo rijk,
Je grote rivieren, betoomd door de dijk,
Je akkers met graan, waar de wind overgaat,
Je bloembollenvelden in kleurig gewaad!
Aan jou o, Zuid- Holland, mijn heerlijk land, mijn heerlijk land,
Aan jou o, Zuid- Holland, heb ik mijn hart verpand!
Zuid-
Holland, je hoofdstad zo mooi en zo oud,
Je weids 's-Gravenhage, met Plein en Voorhout,
Daar vindt men 't bestuur van Provincie en Land,
Daar wonen ook ambassadeur en gezant.
Daar gingen de graven van Holland op jacht,
Daar zetelt Oranjes doorluchtig geslacht!
Aan jou, o Zuid- Holland, historisch land, historisch land
Aan jou, o Zuid- Holland, heb ik mijn hart verpand!