Kent
gij het land, der zee ontrukt
Door d'arbeid van een voorgeslacht
Dat nooit verwonnen heeft gebukt
Of 't hief zich op met groter kracht
Dat land, bekend aan 't verste strand
Is 't ons zo dierbaar Nederland
Dat land, bekend aan 't verste strand
Is 't ons zo dierbaar Nederland
Kent gij het land, waar eer en trouw
Bij vorst en volk een woonplaats vindt
Waar eendracht steunt het staatsgebouw
En liefde vorst en volk verbindt
Dat land, bekend aan 't verste strand
Is 't ons zo dierbaar Nederland
Dat land, bekend aan 't verste strand
Is 't ons zo dierbaar Nederland
Kent gij het land, dat overal
Zijn schoonste driekleur wapp'ren deed
Dat helden kweekte zonder tal
En tachtig jaar voor vrijheid streed
Dat land, bekend aan 't verste strand
Is 't ons zo dierbaar Nederland
Dat land, bekend aan 't verste strand
Is 't ons zo dierbaar Nederland
O, Nederland, gezegend land
Klein stipje op de wereldkaart
Behoed' u steeds des Heren hand
En blijf der vaad'ren voorbeeld waard
Dan rijst voor u het schoonst verschiet
Want God verlaat de Zijnen niet
Dan rijst voor u het schoonst verschiet
Want God verlaat de Zijnen niet
Boven
Gent rijst, eenzaam en grijst
't Oud Belfort, zinbeeld van het verleden
Somber en groots, steeds stom en doods
Treurt d' oude Reus op het Gent van heden
Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt
Zijn bronzen stemme door de stede
Tril in uw graf, tril Gentse helden
Gij, Jan Hyoens, gij, Artevelden
Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland
Een bont verschiet schept het bronzen lied
Prachtig weer tovert mij voor de ogen
Mijn ziel erkent het oude Gent
Het volk komt gewapend toegevlogen
Het land is in nood: Vrijheid of dood
De gilden komen aangetogen
Ik zie Jan Hyoens, ik zie de Artevelden
En stormend roept Roeland de helden
Mijn naam is Roeland, ik kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland
O heldentolk, o reuzenvolk
O pracht en macht van vroeger dagen
O bronzen lied, ik weet uw bedied
En ik versta het verwijtend klagen
Doch wees getroost: Zie, 't oosten bloost
En Vlaanderens zonne gaat aan het dagen
Vlaanderen die leeuw, tril, oude toren
En paar uw lied met onze koren
Zing: ik ben Roeland, ik kleppe brand
Luide triomf in Vlaanderland
Komt
knapen en meisjes verheft nu in koor (Vaderlandsch lied)
(Dr. J.P. Heije/W. Smits)
Komt
knapen en meisjes verheft nu in koor
De grond die uw wieg heeft gedragen.
Uw lied klink' de beemden van 't vaderland door
Dat d' ogen op u houdt geslagen.
Dat vaderland eert en verheerlijkt gij nu,
Eens, hopen wij, eens zal het fier zijn op u.
Eens,
hopen wij, eens zal het fier zijn op u.
In
moed en in kennis, in vroomheid en deugd
Was 't eenmaal het sieraad der aarde.
Die glorie verbleekte, maar 't wacht van uw jeugd
Dat gij het herstelt in zijn waarde.
Dan, als gij het eert en verheerlijkt als nu,
Dan moge dat vaderland fier zijn op u.
Dan
moge dat vaderland fier zijn op u.
Welop
dan, o knapen, slechts moed en verstand,
Verwint in de kamp met het leven.
Welop dan, o meisjes, slechts sierlijke hand,
Kan waardig een zegekrans weven.
Die moed, die bevalligheid leerdet gij nu,
Het vaderland eist het als schatting van u.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Land, zo vlak, zo laaggelegen,
Jou bezing ik in dit lied.
Drassig hoekje, luttel plekje,
Met je slootje, met je hekje,
Van je zwijgen kan ik niet,
Van je zwijgen kan ik niet.
Land met wolken als kastelen,
Wijde velden, weeld’rig gras,
Bonte koeien gaan daartussen,
Vlinders die de bloemen kussen,
Bollend zeiltje op een plas,
Bollend zeiltje op een plas.
Land met stormen, mist en regen,
IJzel, sneeuw en felle kou.
Holland met je gure vlagen,
Met je grauwe winterdagen,
Zonder zon, toch hou’k van jou,
Zonder zon, toch hou’k van jou.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Waar de zee haar sterke zangen
Eind'loos komen doet en gaan,
Waar de grijze neev'len hangen
En de stille duinen staan,
Waar de verre, wijde luchten,
Tint'len boven stad en strand,
Waar de wilde winden zuchten,
Is mijn vrije vaderland.
Waar de sterke krachten hijgen,
En de wereldschepen gaan,
Waar de ranke torens stijgen,
Boven 't vredig dorpsbestaan,
Waar de witte wolken kuiven,
Paarlen in een gouden rand,
Waar de dichte bossen wuiven,
In mijn vrije vaderland.
Waar de molenwieken draaien,
't Vee zich voedt in vette wei,
Waar de zonnevlammen laaien,
Over purperpaarse hei,
Waar het volk die God blijft eren,
Die ons lot draagt in Zijn hand,
Waar gezag en wet regeren,
Is mijn vrije vaderland.
Land, dat d'eeuwen door, gevluchten,
Tot een hulpe wezen wou,
Onder uwe grijze luchten,
Zweren wij u eeuwig trouw.
Heilig erf, door kloeke scharen,
Ons gelaten tot een pand,
Naarstig zullen w'u bewaren,
Als ons vrije vaderland !
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
De oorlogsfakkel brandt alom, de wereld
is in nood,
De dood komt aan met slaande trom, bloed verft de velden rood.
Maar wij staan pal aan onze grens, het wapen in de hand;
Slechts vrede en vrijheid zijn de wens van 't vrije Nederland.
Wel drong de schrik de harten in, de zorg voor 't grote leed,
Maar 't heil van Land en Koningin snel 't wapen grijpen deed.
Zo stroomde oud en jong soldaat kloek saam van alle kant,
Bereid tot strijden voor de Staat, voor 't vrije Nederland.
Wij allen dienen nu tezaam, wij, burgers en soldaat:
Wij strijden voor de goede naam van deze kleine Staat.
Als 't oorlogswee geëindigd is en Neêrlands vlag hield stand,
Dan leeft ons volk verjongd en fris, in 't vrije Nederland.
Als broeders helpen wij elkaar, wij zijn als één gezin,
Elk op zijn post aan 't werken naar de wens der Koningin.
Een eensgezinde wil bezielt ons al, van grens tot strand:
't Behoud, wat ook de krijg vernielt, van 't vrije Nederland.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Versie 1
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Morgenrood ! Morgenrood !
Wenkt gij mij ten vroegen dood ?
Straks zal de trompet weerklinken,
En ik stervend nederzinken,
Ik en menig kameraad.
Onverwacht, onverwacht,
Heeft de dood ons in zijn macht.
Gister fier in 't zadel gestegen,
Heden dood terneêr gezegen,
Morgen in het koele graf.
Als een bloem, als een bloem,
Is des mensen kracht en roem.
Als twee rode, frisse rozen,
Ziet men uw wangen blozen,
Maar de rozen welken ras.
Ach hoe mist, ach hoe mist,
Aller mensen plan en list.
Onder kommer, onder zorgen,
Bukt hij zich reeds in den morgen,
En tot d' avond nederdaalt.
Daarom stil, daarom stil,
Voeg ik mij naar 's Heeren wil.
Van mijn post wil ik niet wijken,
En moet heden ik bezwijken,
'k Sterf de braven ruiterdood.
Versie 2
(O. den Nobel / D. Troelstra)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Morgenrood, uw heilig gloeien
Heeft ons steeds de dag gebracht
Breek toch door, o lichtvernieuwer
In de grote volk'rennacht
Laat uw glorie hope geven
Hun die worst'len in de nacht
Geef hun moed in 't voorwaarts streven
Tot hun 't daglicht tegenlacht
Tot hun 't daglicht tegenlacht
Morgenrood, in worst'lend zwoegen
Hebben zij naar u gesmacht
En in de nachten, treurig duister
Uw verlossend werk verwacht
Roze gloed kleurt reeds de wolken
D'ochtendwind ruist door de blaên
Weldra is voor alle volken
't Schitterend zonlicht opgegaan
't Schitterend zonlicht opgegaan
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Waar boven veld en bos en hei, wijd
zich de hemel spant,
Waar rustloos golven, rij na rij, werpen zich op ’t strand,
Waar trots het rood, wit, blauw waait over stad en land,
Dat stukje grond waar ‘k zo van hou,
Dat is mijn Nederland.
Neêrland, o mijn Neêrland, op de kaart
slechts klein,
’t Land van mijne liefde zult gij altoos zijn.
En wanneer uw vrijheid bruut werd aangerand,
Hield ge met Oranje trouw en moedig stand,
Hield ge met Oranje trouw en moedig stand.
Oranje gaf ons Nederland zijn eigen
volksbestaan,
Oranje bracht ons vaderland, vrede en welvaart aan.
En werd de vrede ruw verstoord, Oranje ’t land ontzegd,
Dan streed het in de vreemde voort, voor Neêrlands eer en recht.
Neêrland en Oranje, één in vreugd' en
rouw,
Altoos bleef Oranje ’t volk van Neêrland trouw,
Altijd stond Oranje pal voor Nederland,
God bescherm Oranje en ons vaderland,
God bescherm Oranje en ons vaderland.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Neêrland
klein, maar hoog geprezen,
'k Ben met u zo heel tevreê.
Immer draag ik in mijn harte,
Al uw heerlijkheden mee.
Waar ik ook zou kunnen wonen,
'k Geef gerust daarop mijn hand:
Kon ik elders schatten garen,
'k Ruil voor niets mijn Nederland !
'k Zie de weelde van uw waat'ren,
Van uw weide, van uw bos,
Van de kleuren uwer heide,
Van uw fiere Zeeuwse ros.
Van uw koeien van uw schapen,
Van uw flinke boerenstand,
Kon ik elders schatten garen,
'k Ruil voor niets mijn Nederland !
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Neêrlands vlag, zie ik je wapp'ren
Op het land of op de vloed,
Sneller gaat mijn hart dan kloppen
Want uw aanblik doet mij goed.
Gij toch zijt symbool van 't land,
Van ons kleine Nederland.
Gij toch zijt symbool van 't land,
Van ons kleine Nederland.
Waai vrij uit langs alle kusten
En verkondig heel de aard'
Dat een klein land groot kan wezen,
Als zijn eenheid blijft bewaard.
Toon je daar symbool van 't land,
Van het nijv're Nederland.
Toon je daar symbool van 't land,
Van het nijv're Nederland.
Waai vrij uit in hoge luchten,
Helder, blij, en wees de tolk,
Van standvastigheid en eendracht,
Bij het Nederlandse volk.
Blijf dan steeds symbool van 't land,
Van ons dierbaar vaderland.
Blijf dan steeds symbool van 't land,
Van ons dierbaar vaderland.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Als oud soldaat, met fiere borst,
Denk ik aan vroeger tijden,
Toen ik mij mocht verblijden,
Ik streed met moed voor Land en Vorst
En wuifde steeds de vaan omhoog,
Waar menige kogel vloog !
Refrein:
Zo lang mijn hart nog klopt in mijne
borst,
Is dit voor mij het Liefdespand,
Van ons zo roemrijk Vaderland !
En als een Vaandel zo voorbij mij
zweeft,
Dan is het of die jonge kracht weer in
mijn ziel herleeft;
Rataplan, rataplan, rataplan.
Zingt met een oud-soldaat,
Voor mij is Oranje steeds victorie !
Elke dappere is mijn kameraad.
Voorwaarts, en blijft Uw Land getrouw,
't Echt Hollands bloed mag nooit
verkleuren,
Wat ook mag gebeuren,
We waken voor ons Rood, Wit, Blauw.
De strijd riep mij reeds in mijn
jeugd,
Het slagveld was mijn woning.
Voor Vaderland en Koning
En Neêrlands roem was steeds mijn
vreugd,
Toen werd ik met dit Kruis beloond
Voor moed door mij betoond.
Refrein
O
dierbaar plekje grond
O dierbaar
plekje grond
Waar eens mijn wieg op stond
Mijn vaderland
U die mij woning bood
En koesterd' in uw schoot
Zij ook in nood en dood
Mijn trouw ten pand
In uw
historieblaân
Lees ik de grote daân
Van 't voorgeslacht
Hun leus zij ook ons woord
Het word' van elk gehoord
Blijv' immer ongestoord:
Eendracht maakt macht
Oranj' en
Nederland
Zijn immer nauw verwant
In vreugd en smart
Die band zij onze kracht
Die eendracht onze macht
Die leuze nooit veracht
Door 't Hollands hart
Dat onze
welvaart groei'
Dat onze handel bloei'
In rust en vreê
Zo daal uw zegen neêr
En dat wij allen, Heer
Steeds leven U ter eer
Is onze beê
Er
is een schamel, schamel landje,
Van water, gras en veen.
Een landje met een randje,
Van grint en mergelsteen.
Maar op dat need'rig plekjen,
Bloeit hooge schoonheidszin,
Geen huisjen, ja geen hekjen,
Of schoonheid schuilt er in !
Er is een schamel, schamel landje,
Van regen, wind en mist,
Waarvan haast ieder zandje,
Uit zee is opgevischt.
Maar is dat landje ook arrem,
Toch bloeit de liefde er schoon,
En klopt het hart er warrem,
Voor vaderland en troon !
Met luchten grijs en grauw,
Maar hier en daar een bandje,
Van vreugdenrijker blauw.
Maar is dat landje ook poover,
Toch bloeit er moed en trouw.
En driemaal wee den roover,
Die 't landje stelen wou !
(bij de Troonsbestijging van
Wilhelmina op 6 september 1898)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Dat Wilhelmina leev',
Dat God Haar zegen geev'
En heil bereid !
Vast sta haar aardsche troon,
Volksliefde zij haar loon,
En eens sier' Haar de kroon
Der Heerlijkheid.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
't Ros Beyaard doet zijn ronde
in de stad van Dendermonde
die van Aalst die zijn zo kwaad
omdat hier 't Ros Beyaard gaat.
De vier Aymonskinderen jent
met 't blanke zweerd in d' hand
ziet ze rijden, 't zijn de schoonste al van ons land.
't Ros Beyaard hoog verheven
hij is in het vuur gebleven.
zie 't Ros Beyaard hoog verheven
zie 't Ros Beyaard zeer charmant.
't Ros Beyaard's ogen fonk'len
zijne brede manen kronk'len
en hij wendt hem fraai en vlug
met vier broers op zijnen rug.
De vier Aymonskinderen jent
met 't blanke zweerd in d' hand
ziet ze rijden, 't zijn de schoonste al van ons land.
Hun harnas, schild en lansen
blinken bij de zonneglanzen
een den beiaard 't vooisken geeft
daar het Ros zijn eer in heeft.
O Dendermondenaren
blijft altijd den roem bewaren
van het peerd zo wijd vermaard
als den grootsten man op aard.
De vier Aymonskinderen jent
met 't blanke zweerd in d'hand
ziet ze rijden, 't zijn de schoonste al van ons land.
't Ros Beyaard is ons glorie
en benijdt g' ons die victorie,
Aalst, gij hebt nog min verstand
als ons ridderros vaillant.
't Ros Beyaard is verheven
heeft hem in het vuur begeven
en het week op 't oorlogsveld
alles voor zijn groot geweld.
De vier Aymonskinderen jent
met 't blanke zweerd in d'hand
ziet ze rijden, 't zijn de schoonste al van ons land.
't Ros Beyaard doet zijn ronde
in de stad van Dendermonde
die van Aalst die zijn zo kwaad
omdat hier 't Ros Beyaard gaat.
Van
mannen in oorlog, van mannen in vreê,
Oud-Holland daar mocht je van spreken,
En riep je te land, of riep je ter zee,
Ze bleven niet in gebreken !
Ze bleven niet in gebreken !
Dezelfde hand greep fiks genoeg,
Het zwaard, den roerstok en den ploeg,
Tot heil van 't lieve Vaderland, van 't lieve Vaderland,
Tot heil van 't lieve Vaderland, van 't lieve Vaderland.
Wat
suf je, jong Neêrland, wat sluimer je dan,
Waarachtig, 't is zonde, 't is schande,
Net of je geen tien nu tellen meer kan,
Te water en ook te lande,
Te water en ook te lande.
Kom sla uw hand en fiks genoeg,
Om zwaard, den roerstok en den ploeg,
Tot heil van 't lieve Vaderland, van 't lieve Vaderland,
Tot heil van 't lieve Vaderland, van 't lieve Vaderland.
Vaarwel,
vaarwel, mijn dierbaar Vaderland,
Mijn Nederland, vaarwel !
Ik vaar van hier, van hier naar 't Oosterstrand,
Mijn Nederland, vaarwel !
Bij 't ruisen van de zilte vloed
Breng ik aan u mijn afscheidsgroet.
Lief Vaderland, lief Vaderland, vaarwel !
Lief Vaderland, lief Vaderland, vaarwel !
Lief Vaderland, lief Vaderland, vaarwel !
Aan
u, aan u blijft steeds mijn trouw verpand;
Mijn Nederland, vaarwel !
Ik wijd aan u, aan u mijn hart en hand,
Mijn Nederland, vaarwel !
En zelfs in Java's wondertuin
Vergeet ik nooit mijn Hollands duin.
Lief Vaderland, lief Vaderland, vaarwel !
Van
Holland wil ik zingen
Van 't landje waar ik woon
't Is nietig op de landkaart
Maar toch zo lief en schoon
Wanneer ik in de lente
Die bloesems zie vol pracht
Aanschouw ik er een wonder
Van d' Allerhoogste Macht
Aanschouw ik er een wonder
Van d' Allerhoogste Macht
Van Holland wil ik zingen
Zie ik de groene wei
Des Zomers vol met bloemen
En op de purp'ren hei
Den herder met zijn kudde
En met zijn trouwe hond
Dan voel ik: rust en vrede
Schenkt mijn geboortegrond
Dan voel ik: rust en vrede
Schenkt mijn geboortegrond
Van Holland wil ik zingen
Als Herfst de blad'ren verft
De wind in 't lover fluistert
Hoe alles eenzaam sterft
O bos, gij zult ontwaken
Juicht hoopvol dan mijn hart
En 't oog, verrukt door kleuren
Schreit niet om scheidens-smart
En 't oog, verrukt door kleuren
Schreit niet om scheidens-smart
Van Holland wil ik zingen
Ook in de Wintertijd
Als jong en oud op 't ijs zwiert
En sneeuw de jeugd verblijdt
Mijn Holland is mijn glorie
Mijn Holland is mijn lust
Het land waar 'k ben geboren
Wellicht mijn stof eens rust
O schitt'rende
kleuren van Nederlands vlag
Wat wappert gij fier langs de vloed !
Hoe klopt ons het harte van vreugd en ontzag,
Wanneer het uw banen begroet !
Ontplooi u, waai uit nu, bij nacht en bij dag !
Gij blijft ons het teken, o heilige vlag,
Van trouw en van vroomheid, van vroomheid en moed,
Van trouw en van vroomheid en moed.
Of is niet dat
blauw, in zijn smetloze pracht
De trouw onzer va-d'ren gewijd ?
Of tuigt niet dat rood van hun manlijke kracht
En moed in zo menige strijd ?
Of wijst niet die blankheid, zo rein en zo zacht,
Op vroomheid, die zegen van Gode verwacht,
De zegen, die enig, die enig gedijt,
De zegen, die enig gedijt ?
Waai uit dan, o
vlag, zij een tolk onzer beê,
Om trouw en om vroomheid en moed.
De wereld ontzie u op golven en reê;
Maar, daaldet gij ooit op de vloed,
Wij heffen uw wit uit de schuimende zee,
En voeren naar 't blauw van de hemel u meê,
Al kleurt zich, al kleurt zich uw rood met ons bloed,
Al kleurt zich uw rood met ons bloed !
Voor
Neêrland een lied op een krachtige toon
Voor 't land dat ik liefheb, voor 't land waar ik woon
Dat al wat ik min in zijn grenzen omsluit
Waar al mijn geluk en mijn blijdschap ontspruit
Waar
al mijn geluk en mijn blijdschap ontspruit
Klein is dat land maar met eer klinkt zijn naam
Nederlands daden meldt roemvol de Faam
't Is klein maar bood weerstand aan dreigend geweld
En vaak bleef het meester op zee en in 't veld
Wanneer
d' oceaan onze erfgrond belaagt
En bulderend beukt, of al vleiende knaagt
Dan werpen wij moedig een dijk voor zijn voet
Of schor en het duin, dat zijn slagen ontmoet
Of
schor en het duin, dat zijn slagen ontmoet
Straks
draagt hij weer met geduld onze vloot
Helpt ons aan rijkdom, aan arbeid, aan brood
't Is fier op ons volk, aan zijn luimen gewend
En voert onze driekleur van ouds hem bekend
O
land, waar de vrijheid haar troon heeft gebouwd
Aan ons wordt het heil van uw toekomst vertrouwd
W' aanvaarden met trots en met ijver dat pand
En steunen uw bloei met een krachtige hand
En
steunen uw bloei met een krachtige hand
Arbeid
en eendracht en deugd en beleid
Waren uw viertal, dat zegen verspreidt
En dwingt ons de nood - wat de hemel verhoed'
Wij wagen voor Neêrland ons goed en ons bloed
Waar
de blanke top der duinen
Schittert in den zonnegloed.
En de Noordzee, vriend'lijk bruisend,
Neêrlands smalle kust begroet,
Juich ik aan het vlakke strand:
Juich ik aan het vlakke strand:
'k Heb u lief, mijn Nederland !
'k Heb u lief, mijn Nederland !
Waar het lachend groen der heuvels
't Kleed der stille heide-omzoomt,
Waar langs rijk beladen velden
Rijn of Maas of Schelde stroomt.
Klinkt mijn lied op oude trant:
Klinkt mijn lied op oude trant:
'k heb u lief, mijn Nederland !
'k heb u lief, mijn Nederland !
Blijf gezegend, land der Vaad'ren
Make-u eendracht sterk en groot,
Blijve 't volk der Koninginne
Hou en trouw in nood en dood !
Doe zo ieder 't woord gestand:
Doe zo ieder 't woord gestand:
'k Heb u lief, mijn Nederland !
'k
Heb u lief, mijn Nederland !
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Waar de zee de trotse duinen
En de stille wadden groet;
Waar de Maas en Schelde stromen,
En de Rijn zich zeewaarts spoedt;
Daar weerklinkt op blijde dagen ,
Over blinkend watervlak:
" 'k Heb u lief, mijn dierbaar Neêrland,
'k Heb u lief, 'k Heb u lief, mijn vaderland !"
Waar de dart'le windjes stoeien,
Met de Zeeuwse korenaar;
Waar de Twentse eiken groeien
En de Drentse lamm'renschaar;
Klinkt dan luid, met volle accoorden,
Zingt men 't uit met hart en mond:
" 'k Heb u lief, mijn dierbaar Neêrland,
'k Heb u lief, 'k Heb u lief.mijn vaderland !"
Waar de blijde zonnestralen,
Lichten over 't vrije land;
Waar ze een ras, een volk beschijnen,
Kloek van zin en rap van hand;
Zing' men steeds in de eigen tale,
Klinke steeds zo fier en stout:
" 'k Heb u lief, mijn dierbaar Neêrland,
'k Heb u lief, 'k Heb u lief, mijn vaderland !"
(Tekst uit: Valerius'
Gedenck-Clanck, 1626. Op de Hollandse en Zeeuwse zeevaart 1616 / Melodie:
Pots hondert duisent slapperment)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Waer dat men sich al keerd of wend,
End' waer men loopt of staet,
Waer dat men reyst of rost of rend,
End' waer men henen gaet,
Daer vindt men, 't sij ook op wat
reê,
d' Hollander end' de Zeeuw;
Sij loopen door de woeste zee,
Als door het bosch de leeuw.
Vereenigd vrijgevochten volck,
Maekt Spanjen d' oorlog moe.
Sulx dat hij zijnen vredentolck,
Dit land moet senden toe.
Wie zoud' oijt hebben dit gedacht,
Dat d' hoogmoet van Papou,
Dat soo een groote trotse macht,
So buygsaem worden sou ?
O Neêrland, so ghij maer bout
Op God den Heer altijd,
U Pijlen vast gebonden hout
End t' saem eendrachtig zijt,
So kan u Duyvel, Hel noch Doot,
Niet krencken noch vertreen,
Al waer oock Spanjen noch soo groot,
Ja 's werelds machten één.
Wees
begroet met jubeltonen,
Wees gezegend groote dag !
Komt ons heerlijk feest nu kronen,
Geurend loover, zonnelach !
Grooten, kleinen, grijsheid, jeugd,
Allen gloeit de borst van vreugd.
Juichend strekken wij de handen.
Heil U ! ruischt door Hollands tuin,
Heil U ! jub'len strand en duin,
Koningin, Koningin der Nederlanden !
't Vast verbond is thans gesloten,
Tusschen Volk en Koningin.
Laat ons stil het hoofd ontblooten,
Kinderen van één Huisgezin !
Wilhelmina siert de kroon,
Gouden jonkheid stijgt ten troon,
Vast geknoopt zijn de eêlste banden.
Heil U ! wat bezwijken zal,
Heil U ! onze trouw staat pal !
Koningin, Koningin der Nederlanden !
Voer Uw scepter tal van jaren,
Tooverstaf, die allen trekt.
Rust gebiedt in 't woên der baren,
Frisscher leven, vreugde wekt !
Groen' de olijftak van den vreê,
Welvaart deel' haar schatten meê.
Vrijheid wone aan deze stranden.
Heil U ! op der Nassau's troon.
Heil U ! zeeg'ne God Uw Kroon,
Koningin, Koningin der Nederlanden !
Wien
Neêrlands bloed in d' aders vloeit
Van vreemde smetten vrij
Wiens hart voor land en koning gloeit
Verheff' de zang als wij:
Hij zett' met ons, vereend van zin
Met onbeklemde borst
Het godgevallig feestlied in
Voor vaderland en vorst
Voor
vaderland en vorst
De Godheid, op haar hemeltroon
Bezongen en vereerd
Houdt gunstig ook naar onze toon
Het heilig oor gekeerd
Zij geeft het eerst, na 't zalig koor
Dat hoger snaren spant
Het rond en hartig lied gehoor
Voor vorst en vaderland
Voor
vorst en vaderland
Dring' luid, van uit ons feestgedruis
Die beê uw hemel in
Bewaar de vorst, bewaar zijn huis
En ons, zijn huisgezin
Doe nog ons laatst, ons jongst gezang
Die eigen wens gestand
Bewaar, o God de koning lang
En 't lieve vaderland
En
't lieve vaderland
Versie
2
Wien
Neêrlands bloed in de ad'ren vloeit
Wien 't hart klopt fier en vrij
Wie voor zijn volk van liefde gloeit
Verheff' de zang als wij:
Hij roem' met allen, welgezind
Den onverbreekb're band
Die Neêrland en Oranje bindt
Vorstin en vaderland
Vorstin
en vaderland
Bescherm, o God! bewaak den grond
Waarop onze adem gaat
De plek waar onze wieg op stond
Wellicht ons sterfuur slaat
Wij smeken van Uw vaderhand
Met blijden kinderzin
Behoud voor 't lieve vaderland
Voor land en koningin
Voor
land en koningin
Dring' luid, van uit ons feestgedruis
De beê den hemel in:
Blijv' met ons oud Oranjehuis
Het volk steeds één gezin
Vorstin en prins prijze ons gezang
En 't klinke aan allen kant:
Bewaar het vorst'lijk stamhuis lang
En 't lieve vaderland
En
't lieve vaderland
Versie 3
(spotliedje in Brabants dialect)
(met dank aan Riet Rademakers voor het
sturen van de tekst)
Wij leven vrij,
wij leven blij
Op Neêrlands dierb're grond;
Ontworsteld aan de slavernij,
Zijn wij door eendracht groot en vrij,
Hier duldt de grond geen dwing'landij,
Waar vrijheid eeuwen stond !
Waar vrijheid
eeuwen stond !
Hoe dierbaar is
ons 't Vaderland
Der helden bakermat,
Der kunsten wieg, 't gezegend strand,
Waar 't heilig recht zijn zetel plant,
En deugd met een fluwelen band
Vorstin en volk omvat,
Vorstin en volk
omvat.
Wij leven vrij,
wij leven blij
Wij dienen énen God.
Wat ook 't verschil in dienen zij,
De wet laat alle godsdienst vrij;
Vereend als broeders juichen wij:
Gezegend is ons lot,
Gezegend is ons
lot.
Zo leven
we-
altijd vrij en blij
Op Neêrlands dierb're grond;
Door trouw aan eigen wetten vrij,
Praalt Neêrland in der volken rij,
En 't vaderland blijf groot en vrij,
Tot 's werelds avondstond !
Wij willen
Holland houen,
Ons Holland, fier maar klein !
Wij blijven 't hou en trouwe,
Wat ook zijn lot moog' zijn !
En wie denkt ons te dreigen
En denkt te nemen ooit !
Hij zal ons land niet krijgen,
Wij geven Holland nooit !
Hij zal ons land niet krijgen,
Wij geven Holland nooit !
En vast aan onze zijde
Zal Hollands leeuw daar staan;
Die zal het nimmer lijden,
Dat Holland zal vergaan.
Zolang de leeuw zal dragen
Zijn zwaard en zijne kroon,
Zal hij ons land ook schragen
En staan naast volk en troon !
Zal hij ons land ook schragen
En staan naast volk en troon !
Ons Holland zal niet vallen,
Zal nimmermeer vergaan;
De leeuw staat met ons allen,
Zal met ons blijven staan !
De leeuw zal Holland houen
Zijn zwaard en zijne kroon,
En tot den dood getrouwe
Bewaken volk en troon !
En tot den dood getrouwe
Bewaken volk en troon !
Wilhelmus
van Nassouwe
En 't lieve vaderland,
Blijf ik altijd getrouwe
Met hoofd en hart en hand.
Ja goed en bloed en leven
Heb ik voor 't land gereed.
Zal ik gewillig geven
Zoals Wilhelmus deed.
Wilhelmus
hoog verheven,
Prins Maurits sterk en groot,
En Fred'rik Hendrik bleven,
Getrouw tot in de dood.
De Prinsen van Oranje
Zij maakten Neêrland vrij,
Zij redden ons van Spanje
En Frankrijks heerschappij.
Wilhelmus
van Nassouwe
Weerklinkt uit volle borst.
Met God is ons vertrouwen
Op Hem d' Oranjevorst.
En komen droeve tijden,
Wij zullen kloek van hand,
Eendrachtig met Hem strijden,
Voor 't lieve vaderland.
Zij
zullen het niet hebben, ons oude Nederland.
Het bleef bij alle ellende, Gods en der vad'ren pand.
Zij zullen het niet hebben, de goden van de tijd,
Niet om hun erf te wezen heeft God het ons bevrijd,
Niet om hun erf te wezen, heeft God het ons bevrijd.
Met al hun schone woorden, met al hun stout geschreeuw,
Zij zullen ons niet hebben, de goden dezer eeuw.
Tenzij het woord des zwijgers moedwillig werd verzaakt,
'k Heb met de Heer der Heren een vast verbond gemaakt,
'k Heb met de Heer der Heren een vast verbond gemaakt.
Heb je van de zilveren
vloot wel gehoord
De zilveren vloot uit Spanje
Die had er veel Spaansche matten aan boord
En appeltjes van oranje
Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein, zijn naam is klein
Zijn daden benne groot
Zijn daden benne groot
Hij heeft gewonnen de zilveren vloot.
Hij heeft gewonnen, gewonnen de zilvervloot
Hij heeft
gewonnen de zilvervloot
Sprak
toen niet Piet Hein met een aalwaerig woord
Wel jongentjes van Oranje
Kom, klim 'reis aan dit en dat Spaanse boord
En rol me de matten van Spanje
Piet Hein, Piet Hein
Piet Hein zijn naam is klein
Zijn daden benne groot
Zijn daden benne groot
Hij heeft gewonnen de zilveren vloot
Hij heeft gewonnen, gewonnen de zilvervloot
Hij heeft
gewonnen de zilvervloot
Klommen
niet de jongens als katten in 't want
En vochten ze niet als leeuwen
Ze maakten de Spanjers duchtig te schand
Tot in Spanje klonk hun schreeuwen
Piet Hein, Piet Hein
Piet Hein zijn naam is klein
Zijn
daden benne groot
Zijn daden benne groot
Hij heeft gewonnen de zilveren vloot
Hij heeft gewonnen, gewonnen de zilvervloot
Hij heeft
gewonnen de zilvervloot
Kwam
er nu nog eenmaal zo'n zilveren vloot
Zeg zou jullie nog zo kloppen
Of zoudt gij uw veilig en wel buiten schoot
Maar stil in je hangmat stoppen
Wel, Hollandsch bloed
Dat bloed heeft nog wel moed
Al bennen we niet groot