Alle
dieren doen vandaag een beetje raar
Want ze vinden dat dat best een keertje mag
Ze besloten deze morgen met elkaar
't Wordt vandaag een dolle, dwaze dierendag
Het
olifantje is een hol gaan graven
Het nijlpaard bouwt een nestje in de boom
En in een weiland zie ik mollen draven
Het lijkt haast wel een knettergekke droom
Refrein
Het
haasje wil een grote leeuw gaan vangen
De zebra steekt zijn kop weer in het zand
De hamster spint een draad om aan te hangen
De vissen gaan uit wand'len op het strand
Refrein
De
slakken zitten boven op hun huisje
De uil probeert te zwemmen als een vis
De tijger zit te piepen als een muisje
'k Zal blij zijn als het morgen over is
Alle
weken twee maal, ga ik in het bad
Jongens jongens, wat een pret is dat
'k Tuimel vierkant op mijn kin
Zo pardoes de badkuip in
'k Tuimel vierkant op mijn kin
Zo pardoes de badkuip in
Truitje treuzel, steekt eerst half haar teentje in
Stopt en dan voorzichtig,'t halve beentje in
Staat te huilen bij het bad
Hi, hi, hi het is zo nat
Staat te huilen bij het bad
Hi, hi, hi, het is zo nat
O,
jongens als ik rijk was, ik wist wat ik dee
Een scheepje zou 'k bouwen en ik voer naar de zee
'k Zou hijsen het vlagje, heel hoog in de mast
Niet zo hoog, niet zo hoog, maar zo hoog
Niet zo hoog, niet zo hoog, maar zo hoog
O, jongens als ik rijk was, ik wist wat ik dee
'k Nam U al mijn vrindjes, naar stad zeker mee
'k Zou kopen voor ieder een lekkere koek
Niet zo lang, niet zo lang, maar zo lang
Niet zo lang, niet zo lang, maar zo lang
O, jongens als ik rijk was, ik wist wat ik dee
'k Gaf ieder een gulden, uw moeder kreeg twee
Maar zie, och ik heb zelf geen beursje met geld
Niet zoveel, niet zoveel, maar zoveel
Niet zoveel, niet zoveel, maar zoveel
Als
m'n vader en m'n moeder naar de markt toe gaan
O ja, ja zo
Dan komen zij niet thuis voor des avonds laat
O ja, ja zo
Fiederie fiedera fiederalala
fiederie fiedera fiederalala
O ja, ja zo
O ja, ja zo
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Nu moeten die oogjes zich gaan sluiten,
Die ik weer open zag
Wij hebben den ganschen dag
Door weiden en bosschen daar buiten
Geloopen, of worden misschien
Die voetjes niet moede van ‘t stappen,
Die lachende lipjes van ‘t snappen,
Die kijkertjes niet van ‘t zien ?
Daar buiten bij boschjes en varen
Daar heb ik je sprookjes verhaald,
Daar speelden we, dat we verdwaald,
Als Hans en Grietje waren,
Daar hebben we beiden, verrukt,
De vlugge konijnen zien spelen;
We hebben de holle stelen
Van paardebloemen geplukt,
En heel lange slingers gemaakt
en bloemenkransjes gewonden,
Wij hebben een nestje gevonden
Maar niet aan de eitjes geraakt…
Maar nu beginnen alree
De blinkende sterren te schijnen,
Nu rusten de kleine konijnen
Op hun legerste;
En knikkebollend staan
In ‘t gras de witte-margrietjes
En blauwe vergeet-me-nietjes,
En willen niet slapen gaan.
Nu zingt de zorgzame wind:
“Madeliefje, mijn engeltje,
Val niet van je stengeltje,
Ga toch naar bed mijn kind”
En slapen dan bloem en kruid,
Dan vaart de wind door de landen;
Waar paardebloemkaarsjes nog branden,
Blaast hij de lichtjes uit….
Maar nu is mijn lieveling moede
En nu moet ze slapen gaan,
Er komen nu nog vele goede,
Heerlijke dagen aan !
Maar nu komt er eerst een nacht
Reeds is het donker daarbuiten,
Nu moeten die oogjes zich sluiten,
Mijn kindje, slaap zacht, slaap zacht.
(met
dank aan Dhr. Ben Close voor het sturen van de tekst)
In
de grote vakantie trokken we met een paar groepsleiders en een troep
kinderen naar buiten, en verzorgden dan allerlei activiteiten voor de
jeugd. Tijdens de wandeling naar en van de plaats van handeling(en) werden
er allerlei liedjes gezongen, o.a. het volgende:
B
met een a - ba,
B
met een e - be, ba, be
B
met een i - bi, ba, be, bi,
B
met een o - bo, ba, be, bi, bo,
B
met een u - bu, ba, be, bi, bo, bu.
Het
liedje kon praktisch eindeloos herhaald worden door de medeklinker te
veranderen. Succesvol was altijd het couplet dat met een H begon.
Beertje,
mijn beertje, wat ben je toch lief
Je bent mijn kleine hartedief
Ik wil met je spelen, je bent toch van mij
Als ik je zie ben ik dadelijk blij
's Avonds in 't bedje dan slaap ik terstond
Beertj' in mijn armen en duimpj' in mijn mond
(met dank aan J. Tenge voor het
sturen van de tekst)
Boeroeng Kaka toea
Mentjiok di tjende la
Neneh soedah toea
Gigingja tinggal doea
Leitrum, Leitrum, Leitrum la la la
Leitrum, Leitrum, Leitrum la la la
Leitrum, Leitrum, Leitrum la la la
Daantje zou naar
school toe gaan
maar hij bleef gedurig staan
Hier te kijken, daar te turen
En het kan niet lang meer duren
Of de klok zal negen slaan
Jongen, jongen, stap wat aan
Daantje bleef te lang op straat
Daantje kwam op school te laat
Daarom moest hij 's middags blijven
En een hele lei vol schrijven
Anderen speelden, Daantje niet
Jongen, jongen, wat verdriet
De
kop van de kat is jarig,
En de pootjes vieren feest.
Het staartje kan niet meedoen,
Want het is pas ziek geweest.
Het kwam pas uit het ziekenhuis
En had zo'n pijn in zijn keel.
En al dat dansen en springen.
Dat was hem veel te veel.
(met
dank aan Jan Kooiman voor het sturen van de tekst)
Guusje ziet een negerjongen,
Vol verbazing blijft hij staan.
Om zo'n zwart gezicht te hebben,
Dat staat Guusje wonder aan.
Nooit hoef je je dan te wassen,
Vuil wordt je natuurlijk niet.
Al die ongerechtigheden,
'k Wed dat moeder die niet ziet.
Kan ik zo'n gezicht ook krijgen ?
Vraagt hij aan het negerjoch.
'k Vind dat wassen zo vervelend,
Toe zeg mij dat middel toch.
Nee ik weet geen enkel middel,
Zegt de jongen met een lach.
Maar op zwart zie je ook wel vlekken
Moeder wast mij ied're dag.
Dikkertje
Dap klom op de trap
's Morgens vroeg om kwart over zeven
Om de giraf een klontje te geven
Dag giraf, zei Dikkertje Dap
Weet je wat ik heb gekregen
Rode laarsjes voor de regen
't Is toch niet waar, zei de giraf
Dikkertje, Dikkertje, Dikkertje, Dikkertje ik sta paf
O giraf, zei Dikkertje Dap
'k Moet je nog veel meer vertellen
Ik kan al drie letters spellen
A, B, C, is dat niet knap
Ik kan ook al bijna rekenen
Ik kan mooie poppetjes tekenen
Lieve deugd, zei de giraf
Kerel, kerel, kerel, kerel ik sta paf
Zeg giraf, zei Dikkertje Dap
Mag ik niet eens even bij je
Stiekem van je nek af glijden
Zo maar eventjes, voor de grap
Denk je dat de grond van Artis
Als ik neerkom heel erg hard is
Stap maar op, zei de giraf
Stap maar op en glij maar af
Dikkertje Dap klom van de trap
Met een griezelig grote stap
Op de nek van de giraf
Zette Dikkertje Dap zich af
Roetsjj, daar gleed hij met een vaartje
Tot aan 't kwastje van het staartje
Dag giraf, zei Dikkertje Dap
Morgen kom ik weer hier terug met de trap
Voor zijn zandhof zit des morgens
Dokter Haas van Knabbelstein
En hij helpt daar alle beesten, die niet goed in orde zijn.
Hij weet raad voor alle kwalen, en ook laat men hem vaak halen,
Maar wie kan komt bij hem aan, om genezen weg te gaan,
Maar wie kan komt bij hem aan, om genezen weg te gaan.
"Wat wilt u juffrouw kikvors?" " 'k Heb een doperwt ingeslikt
En omdat ie in m'n keel zit, al geen dag gerikketikt."
"Dan zal ik die erwt eens even, 'n duwtje naar beneden geven,
Hup, daar gaat ie naar omlaag, zo, daar plonst ie in uw maag,
Hup, daar gaat ie naar omlaag, zo, daar plonst ie in uw maag."
"Goedendag meneer de veldmuis" "Dokter trek mij gauw een tand.
Boven, voor, achter of onder ?Au, au, au, aan deze kant."
"Nou, u hoeft niet zo te beven, geef mij vlug de tang eens even.
Trekken is voor deze pijn, wel de beste medicijn,
Trekken is voor deze pijn, wel de beste medicijn."
"Wat heeft u, mejuffrouw Sprinkhaan?" "Dokter, ach ik heb zo'n pijn,
In m'n beide achterpoten, zou dat van de regen zijn?"
"Wilt u even zitten blijven, dan zal ik met olie wrijven,
Olie is voor deze pijn, wel de beste medicijn,
Olie is voor deze pijn, wel de beste medicijn."
"Goedendag meneer de donker Goedendag, wie volg er nu?"
Hagedis een klap gekregen, met een blauwe paraplu.
Een verband, nu weer een ander, zo helpt hij ze na elkander.
Dokter Haas van Knabbelstein, heeft voor elk een medicijn,
Dokter Haas van Knabbelstein, heeft voor elk een medicijn.
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes,
zeven
Miertje is de dokter thuis?
Kan hij mij een drankje geven
Voor een arme zieke muis,
Die zo-even van de treden
Van een ladder is gegleden
Op een plat, in de stad
Miertje, Miertje, haast je wat.
Even wachten, juffrouw Brommer!
Want de dokter is absent,
Hij is net naar vader Nachtuil
Dien je zeker ook wel kent.
Die heeft bij het middageten
Eensklaps op zijn tong gebeten
Wat een Pijn, zal dat zijn!
Daarvoor helpt geen medicijn!
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven.
Daar is dokter Langpootmug
Met zijn zalfjes en zijn pleisters,
Dokter, dokter, zeg toch vlug
Wat ik aan de muis moet geven,
Dat ze weer wat op gaat leven.
't Is een kruis, daar in huis !
Haar gezondheid is niet pluis.
Neem wat melk en neem wat boter,
Neem wat olie, niet te veel,
Meng het met een beetje sago,
Kneed het met een beetje meel;
Doe het in een houten napje,
Roer het om en kook een papje,
Strijk het rond, op de wond:
Morgen is de muis gezond !
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven.
Dank je, dokter Langpootmug,
'k Zal het even gaan bestellen
En dan ben ik zoo terug.
'k Hoop maar, dat ze zal genezen,
We begonnen al te vrezen,
En je weet als leek niet goed,
Wat je er van denken moet !
Laat eens kijken, melk en boter
Krijg ik wel bij Kees Konijn
Aan den boschrand; voor de meelpap
Moet ik bij den bakker zijn;
Olie bij de olieslager,
Want de prijzen zijn er lager.
En dan haal ik nog de rest
Bij den kruidenier het best.
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven.
Melkboer, geef me gauw een oord
Een oord melk en zeven maatjes,
Vlug, hoor !, want ik moet weer voort
Hier de kan en daar de centen;
Eerst getapt en dan betaald,
Vijf, zes, zeven !, van mijn leven
Heb ik 't niet zoo vlug gehaald.
Nu het meel nog bij den bakker,
Bakker, geef me maar een pond,
Haast je, rep je is de boodschap,
Haast je langzaam is gezond.
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven.
Zeven centen wil ik geven.
Als ik zei: Drie er bij
Had ik ook den zak nog vrij !
Olie bij den olieslager, sago bij den kruidenier;
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven.
Een pond sago !, met plezier!
Afgewogen, vlug een beetje!
't Is om zalf te maken, weet je:
Juffrouw Muis ligt in huis,
Haar gezondheid is niet pluis.
Nu is alles bij elkander,
Roer de pap en stook een vuur,
Leg de pleister op de wonde,
Dat zal helpen op den duur !
Arme muis, wat piept ze pijnlijk !
Van de heete pap waarschijnlijk.
Om het even. 't Redt haar leven !
Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven.
Goeienavond, tante Betje
Goeienavond, ome Jan
En mijn moeder laat je vragen
Of je niet eens komen kan
Met de kleine poppedeine
Met de grote bombam
Goeienavond, tante Betje
Goeienavond, ome Jan
Hagel
en sneeuw
Onweer, wind en regen
Deren ons niet
We kunnen er wel tegen
Lach er maar om
En stap er flink door heen
't Is pech, maar zeg
Als straks de zon weer scheen
La, la, la, la
Een ding staat vast
Morren helpt geen steek
Want als de zon
Eens door de wolken keek
En jou dan zag
Met zo’n kwaad gezicht
’t Is pech, maar zeg
Dan bleef het niet lang licht
Hannes
loopt op klompen
Zimpe, zampe, zompe
Door de plassen, dat het spat
Broek en kousen worden nat
Moeder roept, Hans, laat het hoor
Hannes trapt maar dapper door
Hij-ij laat zicht niet lompen
(met dank aan Riet Rademakers voor
het sturen van de tekst)
Heb je wel gehoord van de zeven de
zeven,
Heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
Maar ik kan dansen als een edelman,
Dat is één...
Heb je wel gehoord van de zeven de
zeven,
Heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
Maar ik kan dansen als een edelman,
Dat is één en dat is
twee........................................
En zo gaat het verder tot je bij zeven
bent en dan zing je: dat is zé-é-vennnnn........
Dit lied werd gezongen in de rondekring,
iedereen gaf elkaar een hand (je) en danste rond, bij elk cijfer maakte men
een buiging naar het midden en bij de zevende ging men op de knietjes zitten
en met het hoofd op de grond.
(met dank aan Hanneke Peters voor het
sturen van de tekst)
In het bos daar staat een huis
Hertje tuurt al door de ruit
Komt een haasje aangesneld
En klopt aan de deur..
Hertje, hertje help mij toch
Straks schiet mij de jager nog
Haasje, haasje kom maar hier
En reik mij de hand.
(met dank aan Raymond Lardinois voor het
sturen van de tekst)
Versie 1
(met dank aan Raymond Lardinois voor het
sturen van de tekst)
Twee kindertjes zouden naar school gaan,
Ze liepen zo lustig en blij.
Daar klonk in de verte een orgel,
Daar moesten ze even voorbij.
En het orgel speelde van tjoemmelahei,
en de kindertjes dansten erbij,
En het orgel speelde van tjoemmelahei,
en de kindertjes dansten erbij.
De orgelman bleef maar aan 't draaien,
de kindertjes dansten maar door.
Daar speelde de klok van de toren,
het negende uur in 't rond.
Toen liepen ze weg met een angstig gezicht,
maar de deur van de school was al dicht.
Toen liepen ze weg met een angstig gezicht,
maar de deur van de school was al dicht.
Ze stonden bedremmeld te kijken,
de straf zou hun vast niet ontgaan.
Och, was die muziek niet gekomen,
Dan zouden ze hier niet zo staan.
En het orgel speelde van tjoemmelahei,
en de kindertjes huilden erbij.
En het orgel speelde van tjoemelahei,
en de kindertjes huilden erbij.
Versie 2
Twee kindertjes gingen naar school toe,
Ze waren zo vrolijk en blij.
In de verte daar speelde een orgel,
Daar moesten ze eventjes bij.
En de orgelman speelde van holi a hei !
En de kindertjes dansten erbij.(2 maal)
En de orgelman speelde maar verder,
En de kindertjes dansten maar door.
Toen sloeg in de verte een toren
En negen uur klonk in hun oor !
De kindertjes zetten een angstig
gezicht,
Want de deur van de school was al dicht.
(2 maal)
Ze stonden beteuterd te kijken:
Wat hadden ze nu toch gedaan ?
Was de orgelman nu niet gekomen,
Dan hadden ze hier niet gestaan !
En de orgelman speelde van holi a hei,
En de kindertjes huilden er bij. (2
maal)
Versie 3
(met dank aan Mariet van Deuzen voor het
sturen van de tekst)
(met
dank aan Hendrik Jobse † voor het sturen van de de tekst)
'k
Droomde gist'ren van een ventje
En zijn buikje was van koek
Van sukade was zijn neusje
En van chocola zijn broek
't Ventje liep op rode klompjes
En die waren van fondant
En een wandelstok van suiker
Hield hij in zijn rechterhand
Weet je wat zijn oogjes waren ?
Kleine ronde stukjes drop
En hij had een aardig hoedje
Van rozijnentulband op
Droeg daarbij een aardig jasje
En dat was van pannekoek
En dat stond hem even netjes
Als zijn chocoladebroek
't Stak zijn armpjes recht naar boven
En hij zei: " Nu ben 'k een reus"
En hij maakte van zijn handjes
Voor de grap een lange neus
Even later ging hij dansen
En hij zong van tralala
En tot slot kreeg ik een stukje
Van zijn broek van chocola
(met dank aan Moena de Koning voor
het sturen van de tekst)
Hop hop hop m'n paardje
Met je vlasse staartje
Met je ijzeren voetjes
Paardje loop maar zoetjes
Paardje loop maar zachtjes aan
Dat onze [naam kindje] mee kan gaan
Hop hop hop zo gaan wij de bergen op
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van mei, ja, ja
Rooie neuzen zijn verdwenen
Dooie vingers, prikkelteenen
Al dat kil en koud verdriet
Heb je in de meimaand niet
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van mei
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van mei, ja, ja
Weg met dikke winterjassen
Weg met mutsen, wollen dassen
Moortje heeft zijn werk gedaan
Moortje kan naar zolder gaan
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van mei
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van mei, ja, ja
Jongens kom, we gaan aan 't stappen
Om wat frisse lucht te happen
Alles staat in lentetooi
O, wat is die mei toch mooi
Hopsa, heisasa
't Is in de maand van mei
Ik
ben een muzikantje en ik kom uit Schwabenland
Ik kan goed spelen op mijne viole
Van je ritsem, ritsem, ritsem ja, ritsem, ritsem, troelala
Ritsem, ritsem, ritsem ja, zo moet het zijn
Ik ben een muzikantje en ik kom uit Schwabenland
Ik kan goed spelen op mijne trommel
Van je rombomrombomrombombom, rombomrombom troelala
Rombomrombomrombombom, zo moet het zijn
Ik
ben geboren in Frieseland
Frieseland, Frieseland
Ik ben geboren in Frieseland
En daarom ben ik hier
Van jampot jampot likke likke lik
Van jampot jampot likke likke lik
En daarom ben ik hier
Ik heb geen vader of moeder meer
Moeder meer, moeder meer
Ik heb geen vader of moeder meer
En daarom ben ik hier
Van jampot jampot likke likke lik
Van jampot jampot likke likke lik
En daarom ben ik hier
Ik
stond laatst voor een poppenkraam
Oh oh oh
Daar zag ik mooie poppen staan
Zo zo zo
De poppenkoopman ging op reis
De poppen raakten van de wijs
Ze deden allemaal zo
Ze deden allemaal zo
Ze deden allemaal zo
Ik
zag twee beren
Broodjes smeren
Oh dat was een wonder
Het was een wonder boven wonder
Dat die beren smeren konden
Hi hi hi ha ha ha
Ik stond erbij en ik keek ernaar
Ik zag twee apen wortelen schrapen
Oh het was een wonder
Het was een wonder boven wonder
Dat die apen schrapen konden
Hi h ihi ha ha ha
Ik stond erbij en ik keek ernaar
Ik zag twee slangen de was ophangen
Oh het was een wonder
Het was een wonder boven wonder
Dat die slangen hangen konden
Hi hi hi ha ha ha
Ik stond erbij en ik keek ernaar
Ik zag twee vlooien aardappelen rooien
Oh het was een wonder
Het was een wonder boven wonder
Dat die vlooien rooien konden
Hi hi hi ha ha ha
Ik stond erbij en ik keek ernaar
Ik
zei er van Jaap
Ik zei er van Jaap
En ik zei er van Japie sta stil
Maar waarom zou ik stil gaan staan
Want ik heb van zijn leven ooit geen kwaad gedaan
Ik zei er van Jaap
Ik zei er van Jaap
En ik zei er van Japie sta stil
In
de maneschijn
In de maneschijn
Klom ik op het trapje naar het raamkozijn.
En je waagt het niet
En je waagt het niet
Zo doet een vogel en zo doet een vis
Zo doet een duizendpoot die schoenpoetser is
En dat is één
En dat is twee
En dat is dikke, dikke, dikke tante Kee
En dat is recht
En dat is krom
En nu draaien we het wieltje nog eens om
Rom bom
Bij
elke regel worden gebaren gemaakt met de handen; zoals een huis, turen,
rennen, kloppen, etc. Het liedje werd steeds herhaald waarbij
telkens de eerstvolgende regel niet werd gezongen maar vervangen door
een handgebaar en de melodie werd geneuried. Dus i.p.v. In het bos daar
staat een huis : met de handen een huis uitbeelden en dan de volgende
regels weer zingen. Steeds kwam er een neurie-regel bij. Vervolgens i.p.v. Hertje
tuurt al door de ruit: neuriën en turen. Enzovoort. Op het laatst wordt
er alleen geneuried met gebaren.
Een Vlaamse variant van het liedje 'In
het bos daar staat een huisje'
(met dank aan Guido Kuppens voor het
sturen van de tekst)
Jarig
Jetje zou tracteren
Alle meisjes van de klas
Jetje had wat uitgekozen
Waar ze zelf zo dol op was
Ulevellen bracht ze mee
Ieder kreeg er minstens twee
Ulevellen
bracht ze mee
Ieder kreeg er minstens twee
Maar jawel, een stroom vriendinnen
Kwam ons Jetje tegemoet
Met de allerbeste wensen
Werd de jarige begroet
En ze vroegen, nog al glad
Wat of Jet in 't zakje had
En
ze vroegen, nog al glad
Wat of Jet in 't zakje had
Ulevellen, even proeven
Eentje kwam er niet op aan
Nog één, Jetje's ulevellen
Gingen zoetjes naar de maan
En de klas, een gek geval
Kreeg warempel niemandal
En
de klas, een gek geval
Kreeg warempel niemandal