SeniorPlaza

Jeugdliedjes van toen

't Waaiertje

(tekst/muziek: Manna de Wijs-Mouton)

(met dank aan Marja van Vathorst voor het sturen van de tekst)

Ik kreeg eens van mijn tantetje

een waaiertje present.

Met roze cherubijntjes,

Rococo poppedijntjes.

Met kleuren door de tijd verbleekt,

op gelig perkament.

Steekjes zwaaien,

Hooge hakjes draaien,

Pompadoertjes dansen hand aan hand,

Neigen elegant !

Tra la la la la la tra la la la la !

O ! wat een schattig waaiertje,

Wat een waaiertje was dat !

 

Mijn tante zei: Dat waaiertje

dat heeft een diepen zin;

Want bij die pompadoertjes,

Verschuilen zich amourtjes.

En schieten met hun pijltjes

diep de jonge harten in.

Bij 't coquetteeren

't Waaier manouevreeren,

Wordt argloos menig wondje toegebracht,

En cupidootje lacht.

Tra la la la la la tra la la la la !

O ! wat een listig waaiertje,

Wat een waaiertje is dat !

 

Toen heb ik met verwondering

mijn tantetje gevraagd:

Ik zou wel willen weten,

Heeft Cupido vergeten

Te schieten op mijn tante's hart

of werd dat niet geraakt ?

Tante vroolijk

Lacht en knipoogt oolijk:

Kind ik waai verkeerd zooals je ziet,

'k Ben links tot mijn verdriet !

Tra la la la la la tra la la la la !

O ! daarom trof Cupido

Het hart van tante niet !

 

Terug naar overzicht

Waar de bomen zacht ruisen

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Waar de bomen zacht ruisen,

Langs de zonnige baan,

Roept de koekoek ons tegen,

Mee naar buiten te gaan.

 

Refrein:

Ti-ri-a,

Holdria, tiria, holdria, koekoek,

Holdria, tiria, holdria, koekoek,

Holdria, tiria, holdria, koekoek,

Holdria, tiria, hó.

 

Fris op stap zonder dralen,

Met de rugzak vooruit.

Uit het hart klinkt een lied op,

Bij de klank van de luit.

 

Refrein

 

In ons hart zingt de vrede,

Snoert rond allen een band,

En we reiken elkander,

Ongedwongen de hand.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Waarvan gaan er de boeren

Waarvan gaan er de boeren, de boeren
Waarvan gaan er de boeren zo mooi
Ze dorsen het koren, verkopen het strooi
Daarvan gaan er de boeren, de boeren
Daarvan gaan er de boeren ze mooi

Waarvan hebben de boeren, de boeren
Waarvan hebben de boeren veel geld
Ze karnen de boter, verkopen de melk
Daarvan hebben de boeren, de  boeren
Daarvan hebben de boeren veel geld

Waarvan drinken, de boeren, de boeren
Waarvan drinken de boeren de wijn
Ze mesten het kalf en verkopen het zwijn
Daarvan drinken de boeren, de boeren
Daarvan drinken de boeren de wijn

 

Terug naar overzicht

Wakk're jongens (De reddingsboot)

(Dr. J.P. Heije/W.H. de Groot Wz)

Wakk're jongens, Hollands trots
Waar ons hart van kan verdagen
Als ge 't rappe lijf durft wagen
In het woedend golfgeklots
Die gevaren vreest noch dood
Als ge redden kunt uit nood

Die gevaren vreest noch dood
Als ge redden kunt uit nood

 

't Grove buis om forse borst
Dekt een harte vol erbarmen
Als g'een drenk'ling in uw armen
Door de wilde branding torst
Als ge vrouw en kind vergeet
Bij des scheep'lings bangen kreet

Als ge vrouw en kind vergeet
Bij des scheep'lings bangen kreet

 

't Is een stuk, Oud-Holland waard
Brave mannen in den lande
Trouwe wachters op de stranden
Moogt ge lang nog zijn gespaard
Als geen mens je namen weet
'k Denk dat God ze niet vergeet

Als geen mens je namen weet
'k Denk dat God ze niet vergeet

 

Terug naar overzicht

Wakk're mannen spoedt ter redding (De reddingsboot)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Wakk' re mannen spoedt ter redding,

Spoedt U met de reddingsboot.

Immer luider smeekt om hulp U,

't Scheepsvolk in zijn stervensnood.

Immer luider smeekt om hulp U,

't Scheepsvolk in zijn stervensnood.

 

Zie daar snelt het ranke vaartuig,

Klieft door schuim en golven heen.

Moedig strijdt de macht der liefde,

En bij het keren mist er geen.

Moedig strijdt de macht der liefde,

En bij het keren mist er geen.

 

Terug naar overzicht

Waldhoorn

Langs berg en dal
Klinkt hoorngeschal
Met vollen, zuiv'ren toon
Met vollen, zuiv'ren toon
En fors en stout
Weerklinkt door 't woud
Die galm zoo schoon, zo schoon
Die galm zoo schoon, zo schoon

't Geeft schooner kleur
En frisscher geur
Aan alles, wat m'omringt
Aan alles, wat m'omringt
En 't beekje spat
Zijn paarlend nat
Alsof het een liedje zingt
Alsof het een liedje zingt

Genot en rust
En levenslust
Daalt bij die melodij
Daalt bij die melodij
Verdriet en smart
Wijkt uit het hart
En vlucht en vlucht van mij
En vlucht en vlucht van mij

 

Terug naar overzicht

Wandel mee

(S. Haag / P. Lustenhouwer)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wandel toch eens met ons mee
Wees verstandig, zeg niet nee
Want de buitenlucht geeft ons weer nieuwe kracht
En de zon doet weer z’n best uit alle macht!
Wandel toch eens met ons mee !
Vindt u dat geen goed idee ?
Doe je zorgen in je rugzak voor ’n keer,
En geniet eens van ’t weer !

 

 

Stukje fluiten

 

 

Als we wandelen dan zingen we spontaan:
Laat ons maar lopen ! laat ons maar lopen !
Laat ons opgewekt en blij naar buiten gaan
Trek eens je wandelschoenen aan !
Zing of fluit een vrolijk lied
Wat ? Nou ja, dat hindert niet.
Loop ’n eindje met ons mee…
Neem dus gauw ’n kloek besluit:
Trek er ’s ochtends vroeg op uit
En geniet van bos of zee !

 

 

Ta te ra ta ta ta ta ta ta
Ta te ra ta ta tsing boem !
Ta te ra ta ta ta ta ta ta
Ta te ra ta ta tsing boem !

 

 

Wandel toch eens met ons mee …

 

 

Als ’t zonnetje weer schijnt voel je je fit !
Je bent gelukkig, je bent gelukkig !
En het is of alles weer vol leven zit
Je tippelt vrolijk in ’t gelid !
Plotseling ben je weer jong.
En ’t wijsje dat je zong,
Bracht weer vreugde in je hart.
Op je voeten zit één blaar
En al bromt hij nog zo raar,
’s Ochtends sta je bij de start !

 

 

Ta te ra ta ta ta ta ta ta ...

 

 

Wandel toch eens met ons mee …

 

Terug naar overzicht

Wandellied

(J.J. Westenbrink/Albert van Zeilen)

Als de zomerzonne lachend schijnt

En tuin en velden kust,

Dan trekken wij de velden in,

Is wand'len onze lust !

De vogels heffen deuntjes aan,

De visjes spart'len blij,

Hoe heerlijk is geheel natuur,

Wat voelen w' ons toch vrij !

Hoe heerlijk is geheel natuur,

Wat voelen w' ons toch vrij !

 

We vlechten bloemen tot een krans

En zingen luid ons lied,

De kikkers kwaken in de sloot,

De eendjes in het riet !

En als we moe gewandeld zijn,

Dan leggen w' ons in 't gras,

De hemel is zo smetloos blauw,

Het beekje klaar als glas;

De hemel is zo smetloos blauw,

Het beekje klaar als glas !

 

Terug naar overzicht

Wandellied

(Pol de Mont/Jos. de Klerk)

Gaan wandelen, dat staat ons aan,

Gaan wandelen, gaan wandelen !

Nog walmt de nachtmist op de baan,

Wij wandelen, wij wandelen !

De zonne lacht de wei vol goud,

Elk halmpje blikkert nat en bedauwd !

Komt wandelen, komt wandelen, komt wandelen,

Komt wandelen, komt wandelen, komt wandelen !

 

Te wand'len leert ons al wat leeft,

Te wandelen, te wandelen !

Het vliegje, dat langs 't water zweeft,

Leert wandelen, leert wandelen.

De zonne wandelt van Oost naar West,

De wind doorwandelt gewest bij gewest.

Zij wandelen, zij wandelen, zij wandelen,

Zij wandelen, zij wandelen, zij wandelen !

 

En 't beekje zie toch ! baar bij baar,

Aan 't wandelen, aan 't wandelen !

Het water blinkt nog eens zo klaar,

Bij 't wandelen, bij 't wandelen !

Daar zwermt het dan van visjes in,

Daar poost geen staart, daar rust geen vin !

Zij wandelen, zij wandelen, zij wandelen,

Zij wandelen, zij wandelen, zij wandelen !

 

Vooruit ! ons lokt het lenteweer

Tot wandelen, tot wandelen.

De heuvels op, de helling neer,

Steeds wandelen, steeds wandelen.

Door weiden groen en geel van kleur,

Door wouden vol van wierookgeur.

Gaat wandelen, gaat wandelen, gaat wandelen,

Gaat wandelen, gaat wandelen, gaat wandelen !

 

Nooit keren wij voor 's avonds laat

Van 't wandelen, van 't wandelen.

Dan blijven wij van straat tot straat

Nog wandelen, nog wandelen.

Ons volgt van verre de schijf der maan,

Aanminnig lachende sterren ons aan

Na 't wandelen, na 't wandelen, na 't wandelen,

Na 't wandelen, na 't wandelen, na 't wandelen !

 

Terug naar overzicht

Wandellied

(T. van Buul/A.C. Hazenbosch)

Makkers, wie gaat mee naar buiten ?

Meimaand keerde weer in 't land.

Hoor, de lieve vogels fluiten

Weer hun lied van alle kant.

In de held're zonneschijn

Zal het buiten heerlijk zijn.

In de held're zonneschijn

Zal het buiten heerlijk zijn.

 

Voorwaarts mars ! Naar buiten henen !

Langs de brede, klare vliet !

Sneeuw en ijs zijn lang verdwenen,

't Lentewindje ruist in 't riet.

Bij der voog'len blij gezang

Wandelen we-uren lang.

Bij der voog'len blij gezang

Wandelen we-uren lang.

 

Voorwaarts mars ! Het hoofd geheven !

Borst vooruit, vergeet dat niet.

Door de bossen, langs de dreven,

Op de maat van 't vrolijk lied.

Snel en krachtig stroomt ons bloed;

Daarvoor is het wand'len goed.

Snel en krachtig stroomt ons bloed;

Daarvoor is het wand'len goed.

 

Terug naar overzicht

Wandellied

(Justine de bunje/Jac. Bonset)

Wie wand'len wil met blijde zin,

Hij zing' een lied daarbij,

En trek' de wijde wereld in,

Daar buiten aêmt men vrij, daar buiten aêmt men vrij.

Uit alles klinkt de welkomstgroet:

"O, buiten is 't zo goed !"

Uit alles klinkt de welkomstgroet:

"O, buiten is 't zo goed !"

't Is buiten, 't is buiten, 't is buiten 't best van al,

't Is buiten, 't is buiten, 't is buiten 't best van al.

 

Komt allen lustig voortgetreên,

Wij gaan langs veld en hei,

Daar zweven geuren om ons heen,

Daar zweven geuren om ons heen,

't Is nu het schoonst getij.

Hoe vrolijk klinkt de jubeltoon:

"O, buiten is 't zo schoon,

O, buiten is 't zo schoon !"

't Is buiten, 't is buiten, 't is buiten 't best van al,

't Is buiten, 't is buiten, 't is buiten 't best van al.

 

En ginder wenkt het groene bos,

Daar wacht ons nieuwe lust,

Wij vlijen ons op 't zachte mos

Een korte wijl ter rust, een korte wijl ter rust.

O, waar men toeft of toeven zal,

't Is buiten 't best van al.

O, waar men toeft of toeven zal,

't Is buiten 't best van al !

't Is buiten, 't is buiten, 't is buiten 't best van al,

't Is buiten, 't is buiten, 't is buiten 't best van al.

 

Terug naar overzicht

Wat heerlijk om chauffeur te zijn !

(Bertha Velderman/E. Wettig-Weissenborn)

Wat heerlijk om chauffeur te zijn !

Men suist door veld en lanen,

En gaat zich met een reuzenvaart

Zijn weg door 't leven banen.

„Geef luid signaal, chauffeur, geef acht

En maak geen misbruik van uw kracht."

 

Wat heerlijk om chauffeur te zijn !

Men tuft door stad en dreven,

In winterweer of zomertijd,

Het is al om het even;

Want op een sterke autoband

Chauffeert men door het ganse land.

 

Wat heerlijk om chauffeur te zijn !

Daar zou men veel voor geven,

Zo'n geurige benzinelucht

Veraangenaamt het leven.

Al is ons landje nog zo klein,

Toch is 't er goed chauffeur te zijn.

 

Terug naar overzicht

Wat zullen we doen met de dronken zeeman

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wat zullen we doen met de dronken zeeman,

Wat zullen we doen met de dronken zeeman,

Wat zullen we doen met de dronken zeeman,

's Morgens in de vroegte.

 

Refrein:

Hela. hup daar gaat ie,

Hela. hup daar gaat ie,

Hela. hup daar gaat ie,

's Morgens in de vroegte.

 

Stop hem met z'n kop in een emmer water,

Stop hem met z'n kop in een emmer water,

Stop hem met z'n kop in een emmer water,

's Morgens in de vroegte.

 

Refrein

 

Vervolgens hetzelfde met:

 

Gooi hem overboord dan kan hij zwemmen

 

Hang hem in de mast om uit te waaien

 

Roep de kapitein die zal hem leren

 

Stop hem in zijn bed om uit te slapen

en

Dat zullen we doen met de dronken zeeman

 

 

Terug naar overzicht

We gaan nog niet naar huis

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

We gaan nog niet naar huis,

Nog lange niet, nog lange niet,

En we gaan nog niet naar huis,

Want moeder is niet thuis.

 

En al was m'n moeder thuis,

Dan gingen we niet, dan gingen we niet,

En al was m'n moeder thuis,

Dan gingen we niet naar huis.

 

Terug naar overzicht

We komen uit verre landen

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

We komen uit verre landen

Magog magog magoggentje

We komen uit verre landen

Magoggentje.

 

Wat heb je voor ons meegebracht

Magog magog magoggentje

Wat heb je voor ons meegebracht

Magoggentje.

 

Een mandje met gouden roosjes

Magog magog magoggentje

Een mandje met gouden roosjes

Magoggentje.

 

Voor wie zal dat wel wezen

Magom magom magommetje

Voor wie zal dat wel wezen

Magommetje.

 

Al voor mijn allerliefste

Magom magom magommetje

Al voor mijn allerliefste

Magommetje.

 

Terug naar overzicht

We voeren met een zucht

(Uit “Trekliederen” 1929)

(met dank aan Jan Radstake voor het sturen van de tekst)

We voeren met een zucht,

Al boven door de lucht,

En we zaten zo gezellig in het schuitje

En niemand kon ons zien.

En we hadden pret voor tien

Lang leve de Zeppelin!

 

(Het liedje wordt zesmaal herhaald en telkens wordt een woord vervangen. Tot alle woorden aan bod zijn geweest wordt het liedje afgesloten met het oorspronkelijke couplet.) “zucht” wordt “”ffff”,  “lucht”” wordt “ch”, “schuitje”wordt geneuried en meegewiegd, “zien” wordt uitgebeeld met de hand boven de ogen, “zeppelin”wordt “zzzzzzz”.

 

Terug naar overzicht

Wees gegroet, volschone lentetijd

(Böringer/Van Rennes)

Als de winter vlucht voor de lentelucht en de zon het nieuwe leven wekt

Als een bloesemkroon met haar teder schoon

In de hof de naakte twijgen dekt

Dan zingt al wat leeft en zingen kan verblijd

Wees gegroet, volschone lentetijd

Wees gegroet, wees gegroet

Wees gegroet, volschone lentetijd

 

Ja, ons harte gloeit, nu 't viooltje bloeit, nu ons 't madeliefje

En met blijde klank brengen w' onze dank

Voor der zonne glans, der bloemen pracht

Zo weerklinke-ons vrolijk lied dan wijd en zijd

'k Heb u lief, o schone lentetijd

'k Heb u lief, 'k heb u lief

'k Heb u lief o schone lentetijd

 

Terug naar overzicht

Wel Annemarieke

Wel Anne-Marieke, waar gaat gij naar toe
Wel Anne-Marieke, waar gaat gij naar toe
'k Gane naar buiten al bij de soldaten
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

'k Gane naar buiten al bij de soldaten
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

Wel Anne-Marieke, wat gaat gij daar doen

Wel Anne-Marieke, wat gaat gij daar doen
Haspen en spinnen, soldaatjes beminnen
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

Haspen en spinnen, soldaatjes beminnen
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

Wel Anne-Marieke, hebt gij er geen man

Wel Anne-Marieke, hebt gij er geen man
Heb ik geen man, ik krijge geen slagen
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

Heb ik geen man, ik krijge geen slagen
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

Wel Anne-Marieke, hebt gij er geen kind

Wel Anne-Marieke, hebt gij er geen kind
Heb ik geen kind, ik moete niet zorgen
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

Heb ik geen kind, ik moete niet zorgen
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

Wel Anne-Marieke, hebt gij er geen lief

Wel Anne-Marieke, hebt gij er geen lief
'k Heb er niet één, ik heb er wel zeven
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

'k Heb er niet één, ik heb er wel zeven
Hop-sa-sa, fal-la-la, Anne-Marie

 

Terug naar overzicht

Wie gaat mee, gaat mee over zee (Een liedje van de zee)

(Dr. A.D. Loman)

Wie gaat mee, gaat mee over zee

Houd het roer recht

Fris blaast de wind langs de reê

Blijft ge-in 't nest, in 't nest met de rest

Houd het roer recht

Ons lijkt de zee 't allerbest

Wie wat worden wil

Wel, die zit niet stil

Neen, hij trekke 't zeegat uit

Zie, hem wacht een rijke buit

 

Bij de hand, bij de hand vor het land

Houd her roer recht

Zo klinkt het luid van alle kant

Voor u uit het oog en omhoog

Houd het roer recht

Dat u geen storm verrassen moog

Met het oog in 't zeil en voor niemand veil

Stuurt de zeeman 't zwemmend paard

Nooit voor iemand vervaard

 

Een hoezee, hoezee voor de zee

Houd het roer recht

Jongens van Holland, roept het mee

Hier is 't veld, is 't veld voor den held

Houd het roer recht

Onder 't zeemansbuis, daar is moed nog thuis

In zijn vuist ligt heel zijn lot

Niemand vreest hij dan --- God

 

Terug naar overzicht

Wie met ons wil naar buiten gaan

(J.A. Böhringer / C. v. Rennes)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wie met ons wil naar buiten gaan,
Zien hoe het koeltje stoeit.
Met al het goudgeel golvend graan,
Dat op de akker groeit.
Die tone ons ook een blij gezicht,
Kom lustig, wel te vreê;
Want alles jubelt, zingt en lacht,
En wij, wij jub'len mee,
Want alles jubelt, zingt en lacht,
En wij, wij jub'len mee !

 

Wie met ons wil naar buiten gaan,
Dwalen in 't lom'rig woud,
Wie lijster en vink wil horen slaan,
Hoog in het beukenhout,
Die moet geen trage dromer zijn,
Maar vrolijk, flink en ree;
Want alles juicht en zingt en lacht,
En wij, wij zingen mee,
Want alles juicht en zingt en lacht,
En wij, wij zingen mee !

 

Wie met ons wil naar buiten gaan,
Spelen aan 't frisse strand,
Waar soms de golven met d'orkaan,
Beuken op 't mulle zand,
Die moet geen zwakke bloodaard zijn,
Maar krachtig als de zee,
Die thans haar liefste liedje zingt,
En wij, wij zingen mee,
Die thans haar liefste liedje zingt,
En wij, wij zingen mee !

 

 

Terug naar overzicht

Wie rusten wil in 't groene woud (Een middagslaapje)

(Dr. J.P. Heije/J.Worp)

Wie rusten wil in 't groene woud
Wie rusten wil met lusten
Hij kieze een plekje dicht in 't hout
En vlije zich tot rusten
Een peluwtje van mollig mos
Een kussentje van varen
Een een gordijn van bláren
Geeft zoete middagslaap in 't bos

De hemel van het ledikant
Blinkt prachtig blauw door 't lover
De heesters sling'ren om de rand
De bloesem hangt er over
Het koeltje fluistert met de vliet
De dart'le vlinders spelen
De nachtegalen kwelen
Is 't niet een lieflijk wiegelied

En 't best is, dat het groene woud
Met koelte en rust u lavend
Van u geen zilver vraagt of goud
Al slaapt gij tot de avond
't Vraagt enkel: Zijt gij mat of moé
De slaapstee is voor allen
En is ze u goed bevallen
Dan krijgt gij 't avondgoud nog toe

 

Terug naar overzicht

Wie wil er mee naar Wieringen varen
(met dank aan Boukje Nieuwenhuizen voor het sturen van de tekst)

Wie wil er mee naar Wieringen varen
's morgens vroeg al in de dauw
Met een mooi meisje van achtien jaren
dat zo graag eens naar Wieringen wou

Refrein:
Schipper, ik hoor de hanen kraaien
Schipper, ik zie de vlaggetjes waaien
Stuurman, laat je roer maar gaan
dan zullen we spoedig op Wieringen staan

Als wij dan straks op Wieringen kwamen
zagen wij de boeren staan
Die hunne spek met lepels aten
daarvoor moet je naar Wieringen gaan

Refrein

Straks in de herberg van Simon en Pietje
daar verkopen ze brandewijn
Een potje vol al om een oortje
suiker en kaneel erbij

Refrein
 

Terug naar overzicht

Wie zingt er mee

(F. de Clercq-Zubli/Dina Appedoorn)

Wie zingt er mee een jolig liedje,

Een leutig wijsje, bedenk je toch niet.

Wie zingt er mee met heldere stemmen

En schitt'rende ogen een krachtig lied !

 

Refrein:

Wie houdt van zonneschijn,

Jong en vrolijk zijn,

Wie houdt van blijde zang,

't hele leven lang.

Wie op een somb're dag,

Toch heeft een lied en lach,

Die zingt er met ons mee.

Wie zingt er mee ?

Die zingt er met ons mee.

Wie zingt er mee ?

 

Wie gaat er mee zo zingend door 't leven,

Zo'n leutig wijsje, dan word je niet oud.

Dan zing je zelfs bij zon en bij regen,

Want geen van ons allen, die 't ooit berouwt !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Wiegelied

(W.P. de Chavonnes/W. Buys)

't Wordt duister, mijn Roosje ! kom speel nu niet meer,

Staak, liefje ! dat woelen, vlij rustig u neêr.

Gij ligt in uw wiegje zo warm en zo zacht,

Dat God u bewake ! Mijn kind, goede nacht !

Dat God u bewake ! Mijn kind, goede nacht !

 

Daar ligt zij, mijn rijkdom ! van dartelen moe,

Thans sluit zich dat mondje, haar oogjes gaan toe.

Maar 'k lees nog op 't wezen, dat schuldeloos lacht:

"Waak, God ! voor mijn moeder !" Mijn kind, goede nacht !

"Waak, God ! voor mijn moeder !" Mijn kind, goede nacht !

 

Terug naar overzicht

Wij gaan 's morgens vroeg er op uit

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wij gaan ’s morgens vroeg er op uit, fallera
Al lang voor de eerste vogel fluit, fallera
Wij zoeken de natuur
Want op dit vroege uur
Ziet de wereld er heel anders uit, fallera

 

De langslaper is er niet bij, fallera
Hij draait zich eens op z’n and’re zij, fallera
Hij heeft in zijn bestaan
De zon nooit op zien gaan
En hij kent niet de ochtend als wij, fallera

 

Daar kraait in de verte een haan, fallera
Die kondigt de dageraad al aan, fallera
De dag breekt langzaam door
En hoor, het vogelkoor
Heft geleid’lijk een ochtendlied aan, fallera

 

Zo wandelen wij door het dal, fallera
De dauwdruppels glinst’ren als kristal, fallera
Wie met ons mee wil gaan
Die sluit’ zich bij ons aan
Want dan klinkt straks ons lied overal, fallera

 

Terug naar overzicht

Wij reizen om te leren

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Wij reizen om te leren

Door heel het land

En hebben als wij keren

Ook meer verstand

Naar 't oosten naar 't zuiden

Op weg naar de Walen

O jongens wat zien wij

Van bergen en dalen

Wat mijnen van kolen, arduin en metaal

Dat geeft ons de zielen van ijzer en staal

Wij reizen om te leren

Door heel het land

En hebben als wij keren

Ook meer verstand

 

Terug naar overzicht

Wij zijn allen gg leden

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Wij zijn allen gg leden,

Staan steeds klaar voor iedereen,

Weten vreugde uit te dragen,

Brengen vrede om ons heen.

Wil ons devies dan altijd volgen,

Steeds moedig en de trouw,

Steeds moedig en de trouw.

 

Wij acteren spelen zingen,

Trekken saam naar bos en hei,

Weten vreugde uit te dragen,

Houden weide vuur in mei.

Wilt ons devies dan altijd volgen,

Steeds moedig en de trouw,

Steeds moedig en de trouw.

 

Het lied werd gezongen met het hijsen van de vlag op zondagmiddag door één van de gg leden,  gg betekende Genoveva Gilde en was voor meisjes van ongeveer 9 tot 14 jaar, zeg maar een onderdeel van wat je tegenwoordig scouting noemt.

 

Terug naar overzicht

Wij zijn jong

(J.D. van Ramshorst)

Wij zijn jong, de aard' ligt open,

Lokt en roept met sterk geluid.

Ons verlangen en ons hopen,

Drijven ons de huizen uit.

Makkers laat het hoofd niet hangen,

Kijkt maar in de zonneschijn,

Er op uit met sterk verlangen,

Wij zijn jong en dat is fijn !

 

Ligt daar achter gindse bomen,

Niet een onbekend gebied ?

Zingt de wind niet langs de stromen,

Zijn bekoorlijk zang'rig lied ?

Of wij zwerven op  de heide,

Dan wel in de duinen zijn,

Of wij gaan langs bos en weide,

Wij zijn jong en dat is fijn !

 

Op dan, op, de zon zal stralen,

Overal op onzen weg,

Als de nacht te vroeg mocht dalen,

Wijzen de sterren ons de weg.

't Vrolijk lied dringt uit de kelen,

Mocht er soms een buitje zijn,

Regen, wind, 't kan ons niet schelen,

Wij zijn jong en dat is fijn !

 

Terug naar overzicht

Wij zijn rijke marionetten

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wij zijn rijke, rijke, rijke marionse, marionetten.

Wij zijn rijke, rijke, rijke, rijke marions.

 

Wij zijn arme, arme, arme marionse, marionetten.

Wij zijn arme, arme, arme, arme marions.

 

'k Wou zo graag uw dochter hebben, marionse, marionetten.

'k Wou zo graag uw dochter hebben, marions.

 

Wat zult gij mijn dochter geven ? marionse, marionetten.

Wat zult gij mijn dochter geven ? marions.

 

Warme broodjes met chocolade, marionse, marionetten.

Warme broodjes met chocolade, marions.

 

Hoe zult gij mijn dochter kleden ? marionse, marionetten.

Hoe zult gij mijn dochter kleden ? marions.

 

'n Strooien hoed met polkaveren, marionse, marionetten.

'n Strooien hoed met polkaveren, marions.

 

Dan kunt gij mijn dochter krijgen, marionse, marionetten.

Dan kunt gij mijn dochter krijgen, marions. 

 

Terug naar overzicht

Wij zijn zo graag daar boven

(met dank aan Tineke de Koning voor het sturen van de tekst)

Wij zijn zo graag daar boven

Daar boven in het duin

Omhoog met voet en handen

Geklauterd door de zanden

En dan omlaag gestoven

Getuimeld van de kruin

 

Wij zijn zo graag daar buiten

Wie klautert met ons mee

Wij rennen in de dalen

Wij zwerven en wij dwalen

En laten de oren tuiten

Door het bulderen van de zee

 

Daar zijn de vissers schuiten

Wat zijn ze ver van ree

Ik zie de schepen varen

Op wit geschuimde baren

De frisse winden fluiten

Oh schepen neem ons mee

 

Terug naar overzicht

Wildzang

(J. v.d. Vondel/J.Duin)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Wat zong het vrolijk vogelkijn,

Dat in den boomgaard zat ?

Hoe heerlijk blinkt de zonneschijn,

Van rijkdom en van schat,

Hoe ruist de koelte-in 't eikenhout

En vers gesproten lof,

Hoe straalt de boterbloem als goud,

Wat heeft de wildzang stof !

Hoe ruist de koelte-in 't eikenhout

En vers gesproten lof,

Hoe straalt de boterbloem als goud,

Wat heeft de wildzang stof !

 

Wij vogels vliegen warm gedost,

Gerust van tak op tak.

De hemel schaft ons drank en kost,

De hemel is ons dak.

Wij zaaien niet, wij maaien niet,

Maar teren op den boer;

Als 't koren in zijn aren schiet,

Bestelt al 't land ons voer.

Wij zaaien niet, wij maaien niet,

Maar teren op den boer;

Als 't koren in zijn aren schiet,

Bestelt al 't land ons voer.

 

Terug naar overzicht

Wim zat zo hard te werken

Wim zat zo hard te werken
Hij tekende een spoor
Een spoor met zeven wagens
Maar dat is moeilijk hoor

Maar weet je wat hij geheel vergat
Toen hij zo hard te werken zat
Dat hij een glas naast zich had staan
Dat moe met melk had vol gedaan

Ziezo mijn spoor is klaar hoor
Nu gauw wat drinken gaan
Maar het glas lag om en poesje
Keek hem ondeugend aan

Hij likte nog zijn snoetje af
En was volstrekt niet bang voor straf
Je mag mijn spoor niet zien hoor Nel
Zei Wim heel boos, wat denk je we

 

Terug naar overzicht

Wordt wakker ('s Morgens vroeg)

(Hendrika v. Tussenbroek)

Wordt wakker het zonnetje is al op
De bloemen kijken uit haar knop
De vlugge leew'rik zingt al lang
De zwaluw sjilpt haar morgen zang


Wordt wakker, wordt wakker,wordt wakker
wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker

 

Het duifje strijkt zijn veertjes glad
En trippelt vrolijk over het pad
De haan kraait voor de tweede keer
't Is alles buiten in de weer


Wordt wakker, wordt wakker,wordt wakker
wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker

 

Terug naar overzicht

Zaltbommel

In die grote stad Zaltbommel, bommel,
Heerste grote watersnood
En zo menig arme drommel
Die niet zwemmen kon ging dood

refrein:
En te midden van die rommel, rommel
Dreef de torenspits van Bi-Ba-Bommel
En temidden van die rommel, rommel
Dreef de torenspits in het rond

Een matroos met houten benen
En een rode zwembroek aan
Zat als een klein kind te wenen
Want zijn schip dat was vergaan

Op een vlot van houten planken
Zat een grote herdershond
Zo erbarmelijk te janken
Omdat hij zijn baas niet vond.

Op een vloer met nog wat planken
Dreef de doopsgezinde school
Jongens hingen uit de banken
Lapten het leren aan hun zool

In een mand met verse broodjes
Dreef des bakkers jongste kind
Zwaaide met zijn blote pootjes
En stonk uren in de wind

't Was afgrijselijk te aanschouwen
hoe beroofd van haar korset
Een boerin uit Henegouwen
Aan kwam drijven op haar vet

In een Ford met lekke banden
Zat een rijke kruidenier
Tussen zijn verkleumde handen
Klemde hij een heel vat bier

Een Chinees met lange haren
Op zijn rug een linnen zak
Viste met machinegaren
Sinaasappels met tabak

Op een ton met houten banden
Zat een brouwer dik en fier
Hij wreef juichend in zijn handen
Hij had nu water voor zijn bier

Een heel regiment soldaten
En 'n eskader van de vloot
Wierpen blindelings granaten
En ze zopen zich haast dood

De twee zoontjes van de koster
Zaten op het kerkendak
Samen stekelbaars te vangen
In de kerkcollectezak

 

Terug naar overzicht

Zeg ken jij de mosselman

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Zeg ken jij de mosselman, de mosselman, de mosselman ?

Zeg ken jij de mosselman ?

Die woont in Scheveningen.

Ja, ik ken de mosselman, de mosselman, de mosselman,

Ja, ik ken de mosselman,

Die woont in Scheveningen.

Samen kennen wij de mosselman, de mosselman, de mosselman,

Samen kennen wij de mosselman,

Die woont in Scheveningen.

 

Terug naar overzicht

Zeg kwezelken wilde gij dansen ?

Zeg kwezelken wilde gij dansen

Ik zal u geven een ei

Wel neen ik, zei dat kwezelken

Van dansen ben ik vrij

'k En kan niet dansen

'k En mag niet dansen

Dansen is onze regel niet

Begijntjes en kwezelkens dansen niet

 

Zeg kwezelken wilde gij dansen

Ik zal u geven een koe

Wel neen ik, zei dat kwezelken

Van dansen word ik te moe

'k En kan niet dansen

'k En mag niet dansen

Dansen is onze regel niet

Begijntjes en kwezelkens dansen niet

 

Zeg kwezelken wilde gij dansen

Ik zal u geven een peerd

Wel neen ik, zei dat kwezelken

't En is mij 't dansen niet weerd

'k En kan niet dansen

'k En mag niet dansen

Dansen is onze regel niet

Begijntjes en kwezelkens dansen niet

 

Zeg kwezelken wilde gij dansen

Ik zal u geven een man

Wel ja ik, zei dat kwezelken

'k Zal dansen al wat ik kan

'k En kan wel dansen

'k En mag wel dansen

Dansen is onze regel wel

Begijntjes en kwezelkens dansen wel

 

Terug naar overzicht

Zeilen

(E. P. de Boer/Dina Appeldoorn)

Los de touwen, kameraden !

Hijst de zeilen tot de top.

Aan de schoten, vastberaden,

't Gaat er onder, of er op !

Frisse wind waait door je haren,

Fluit een wijsje in het want.

Ha, wij scheren langs de baren.

Vast het roer maar in de hand.

Heisa, jongens, duikt de steven

Bonkend in het bruisend sop,

Nimmer denken wij aan reven:

't Gaat er onder, of er op !

 

Terug naar overzicht

Zie hoe het vriend'lijke zonlicht (Zonnelied)

(Anna Fles/Cath. v. Rennes)

Zie, hoe het vriend'lijke zonlicht

Schittert op weide en woud;

Zie, hoe zich velden en heide

Baden in stromen van goud !

Lief'lijke zonne, zo helder, zo rein,

Diep in mijn hart dringt uw heerlijke schijn.

En uit een dankbaar gemoed

Breng ik u blijde mijn groet.

 

U kan geen winter verjagen,

Stralen uit zalige tijd;

Trouw zal mijn hart u bewaren,

Regen en stormen ten spijt.

't Hart, eens verkwikt door uw vriend'lijke schijn,

Zal ook des winters vol zonneglans zijn;

Daarom uit dankbaar gemoed

Breng ik u, zonne mijn groet.

 

Terug naar overzicht

Zingen

(G.W. Hugenholz./Catharina van Rennes)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Van zelf, als de vogel zijn morgenlied fluit,

Zoo dringt ook de zangtoon den boezem mij uit.

Ik dank voor de spraak, die de woorden mij schiep,

Maar als ik ze zing, dan eerst voel ik ze diep !

 

'k Wil zingen als d' ochtend aan d' arbeid mij ziet,

Hoe rept zich de hand op de maat van het lied !

De borst wordt er ruim bij, vol vroolijken moed,

En 't werk is voltooid, eer ik zelf het vermoed !

 

Slechts dan als ik kwaad denk of kwaad heb gedaan,

Dan wil 't met zingen van harte niet gaan.

Al klinkt ook het lied met vervaarlijk geluid,

De vreugd is geweken, de ziel is er uit !

 

Ons lied zij zoo rein en zoo zuiver 't akkoord,

Dat aarde noch hemel er wanklank in hoort.

Een troost rijke gave uwer goedheid o Heer !

Met dankbare blijdschap gewijd aan Uw eer !

 

Terug naar overzicht

Zingen is gezond

(H. Stenz )

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Nu tezaam een lied gezongen,
Flink de stemmen los gemaakt,
Zingen, vrolijk ongedwongen,
Nu de bleuheid eens gestaakt.
Goed de woorden uitgesproken
En geen letters afgebroken,
Doet maar open flink de mond,
Zingen, zingen is gezond !

 

Zorg bij 't zingen van uw liedje,
Dat een ieder u verstaat,
Dat men tekst en melodietje,
Lezen kan van uw gelaat.
Zet de zorgen eens op zijde,
Dat een ieder u benijde,
Doe maar open flink de mond,
Zingen, zingen is gezond !

 

Zingen staalt de borst en longen,
't Maakt ons heus een ander mens.
Waar een lied wordt gezongen,
Is de kruik der boosheid lens.
Opgewekte stemgeluiden,
Zijn de beste levenskruiden,
Doe maar open flink de mond,
Zingen, zingen is gezond !

 

Terug naar overzicht

Zomer

(tekst/muziek: G. Leenheer/J.C. Andreae)

In de zomer rond te dwalen,

Door de bossen, in de heide,

Langs de akkers, over weiden,

Welk genot kan daarbij halen.

Daarom zingen wij verblijd:

"Heil u, mooie zomertijd."

Daarom zingen wij verblijd:

"Heil u, mooie zomertijd."

 

Alles lacht ons vriend'lijk tegen,

't Groen der bomen, pracht van bloemen,

Keur van vruchten, niet te noemen,

't Al schenkt ons een rijke zegen.

Daarom zingen wij verblijd:

"Heil u, mooie zomertijd."

Daarom zingen wij verblijd:

"Heil u, mooie zomertijd."

 

Frisse lucht en schone dreven,

Doen verheugd ons ademhalen,

Doen ons steeds het lied herhalen,

Van het heerlijk buitenleven.

Daarom zingen wij verblijd:

"Heil u, mooie zomertijd."

Daarom zingen wij verblijd:

"Heil u, mooie zomertijd."

 

Terug naar overzicht

Zomerliedje

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Geel staat het koren op het veld

Wachtend op de maaiers

Wachtend op de maaiers.

Geel staat het koren op het veld

Wat de boer een rijke oogst voorspeldt.

 

Refrein:

't Zonlicht straalt overal, op ons kamp bovenal.

't Schijnt op 't bedauwde gras of het kristalle was.

't Zonlicht straalt overal, op ons kamp bovenal.

Dat geeft weer nieuwe moed,

Dat doet je goed.

 

 

Paars bloeit de heide om ons heen,

Wat een zomervreugde

Wat een zomervreugde.

Paars bloeit de heide om ons heen,

Wat een zomervreugde voor iedereen.

 

Refrein

 

Zacht wuift de wind door 't dennebos,

Noodt ons tot rusten

Noodt ons tot rusten.

Zacht wuift de wind door 't dennebos

Noodt ons tot rusten in het mos.

 

Refrein

 

Luid zingen vogels 't hoogste lied,

In de hoge bomen

In de hoge bomen.

Luid zingen vogels 't hoogste lied,

Maar dat mooie wijsje ken je niet.

 

Refrein

 

Mooi staan de bloemen in bos en veld

Wat een pracht van kleuren

Wat een pracht van kleuren.

Mooi staan de bloemen in bos en veld

En je kunt ze plukken zonder geld.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

't Zonnetje gaat van ons scheiden (Het avondklokje)

't Zonnetje gaat van ons scheiden
't Avondrood kleurt weer het veld
Zoete rust mogen wij beiden
Nog door geen zorgen gekweld !

Refrein:
Hoort gij, hoe 't klokje met lieflijke klank
Ons weer naar huis roept tot bede en tot dank
Lui nu o klokje lui voort
Slapen wij straks ongestoord

Schemering daalt op de dreven
D' avondster glanst reeds van ver
Straks staat Gods naam weer geschreven
Schitt'rende-in sterre bij ster

Welkom, verkwikkelijke avond
Dank, die uw zoet heeft bereid
Rust na den arbeid hoe lavend
God heeft ons 't leger gespreid

 

Terug naar overzicht

't Zonnetje schijnt

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

't Zonnetje schijnt zo heerlijk schoon,

't Vogeltje zingt op held'ren toon,

't Windje suist zo zacht,

Ja het zingt met ons mee,

In de weide dartelt het jolige vee,

Lustig klinkt mijn lied,

Wie zingt met mij mee.

 

Terug naar overzicht

Zonnetje, waar blijf je toch

(Uit de bundel "Lentezangen voor de kleintjes" (Gilles van Hees, J.G. van Herwaarden, uitgeverij Wolters) 3e druk/1931 alsmede "Lentezangen voor kleuters en kleintjes" (idem samenstellers en uitgeverij) 4e druk/1953. Hierin zowel tekst als muziek.)

(met dank aan Theo Lintmeijer voor het sturen van de tekst)

Zonnetje, waar blijf je toch ?

'k Wou je even spreken

Zeg je hebt een hele week

Niet door 't raam gekeken.

Zonnetje waar blijf je nou ?

'k Vind je wel een beetje flauw.

 

Zonnetje, toe zonnetje,

'k Moet je heusch wat vragen,

Moeder is zoo ziek, zoo ziek,

Al verscheiden dagen.

Als jij eens om 't hoekje keek,

Was ze stellig niet zo bleek.

 

Zonnetje, zeg, hoor je 't nu ?

Ik verwacht je morgen,

En we zullen saampjes dan

Moedertje verzorgen.

Jij gaat in de kamer staan,

Dan breng ik de drankjes aan.

 

Terug naar overzicht

'k Zou zo graag

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

‘k Zou zo graag een kikker willen wezen,

‘k Zou zo graag een kikker willen zijn.

Dan zou ik mijn rikkik laten horen,

Dan zou ik mijn rikkik laten gaan.

 

Rikkik rikkik hopse hopse hoi.

Havermout en sperziebonen,

Havermout en sperziebonen,

Havermout en sperziebonen,

Alles door elkaar genomen.

 

Terug naar overzicht

Zusjes wiegenlied

(met dank aan Gonny Nedermeyer voor het sturen van de tekst)

Zusje heeft op haar wieg een gordijntje,

Allemaal bloementjes, lief en teer.

Madeliefjes en rozenknopjes,

Blauwe viooltjes en witte jasmijn.

Moet je niet altijd aan zomer denken

Als je naar zusje haar wiegenkleed kijkt.

Vind je niet dat haar lief klein kopje

Ook op zo"n mooi roze bloemetje lijkt ?

 

Terug naar overzicht

Zwaluw waarheen is uw vlucht

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Zwaluw, waarheen is uw vlucht
Hoog in de lucht ?
Over bergen en dalen,
Waar gij uw voedsel moet halen ?
Zwaluw, waarheen is uw vlucht
Hoog in de lucht ?

(Bovenstaande is het origineel dat een aantal malen herhaald wordt. Onderstaande zijn varianten)


Piccard, waarheen is uw vlucht
Hoog in de lucht ?
Tussen Zürich en ’t Gardameer
Donderde hij uit de stratosfeer.
Piccard, waarheen is uw vlucht
Hoog in de lucht ?

Coba, een snee in mijn poot;
Ik bloed haast dood !
Kom toch gauw met de jodium,
Coba, want anders verlies ik hem.
Coba, een snee in mijn poot;
Ik bloed haast dood !

Titow, waarheen is uw vlucht
Hoog in de lucht ?
Tussen Irkoetsk en Zwarte Zee
Vloog hij een dag met de Wostok II.
Titow, waarheen is uw vlucht
hoog in de lucht ?

 

(Auguste Piccard (1884-1962): Zwitserse natuurkundige, hoogleraar, ondernam 1931 en 1932 ballonvaarten naar stratosfeer, verzamelde toen gegevens op gebied van hoogtestraling en luchtelektriciteit. Daalde 1953 af in een kogelvormig vaartuig tot 3150 m. onder zeespiegel in Tyrrheense Zee. In 1960 construeerde Piccard een bathyscaaf, de Triëste II, waarmee zijn zoon Jacques en de Amerikaan D.Walsh in de Marianentrog tot 1500 m. afdaalden. Titow was een Russische astronaut welke met de missie Wostok I en II een ruimtereis maakte.)

 

Terug naar overzicht