(uitvoering o.a.: Bob Scholte, August
van de Laan en Chris a Blignant)
My
Sarie Marais
Is so ver van my hart
Maar ik hoop om haar weer te sien
Sy het in die wyk
Van die Mooirivier gewoon
Nog voor die oorlog het begin
Refrein
O bring my trug na die ou Transvaal
Daar waar my Sarie woon
Daar onder in die mielies by die groen doringboom
Daar woon my Sarie Marais
Daar onder in die mielies by die groen doringboom
Daar woon my Sarie Marais
Ek was so bang
Dat die kakies my sou vang
En ver oor die see wegstuur
Toe vlug ek na die kant
Van die Upington se sand
Daar onder langs die Grootrivier
Verlossing het gekom
En die huis-toe gaan was daar
Trug na die ou Transvaal
My liewelingspersoon
Sal seker ook daar wees
Om my met 'n kus te beloon
Versie 2
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Sarie Marais
Die zakte door het ijs
En kwam op de bodem terecht.
Toen kwam er een krokodil
En die beet haar in de bil
En Sarie Marais gaf een gil.
Werk
je zo eindeloos, eindeloos door
Is soms het smeden je leven je lust
Geef
je die hamer geen ogenblik rust
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop
Sla
de hamer op z'n kop
Achter de deuren, zeg hoor je me niet
Zingt
er zijn vrouwtje haar vrolijkste lied
Dat is zijn leven, dat is zijn lust
Hij
geeft de hamer geen ogenblik rust
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop
Sla
de hamer op z'n kop
Achter
die deuren, zeg hoor je dat wel
Speelt er m’n kindje haar zorgeloos spel
‘k Wed, dat wel spoedig haar stemmetje zweeg
Als het van moeder geen boterham kreeg !
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop
Sla
de hamer op z'n kop
Versie
2
Smidje
mijn smidje waar werk je zo voor
Werk
je zo eindeloos, rusteloos
Is dan het smeden je leven, je lust
Gun
je die hamer geen ogenblik rust
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop
Achter de deuren, zeg hoor je dat niet
Zingt
er mijn vrouwtje haar vrolijkste lied
'k Wed dat zij spoedig een traantje wegpinkt
Als
er dat vrolijk geklap niet weerklinkt
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop
Achter
die deuren, zeg hoor je dat wel
Spelen mijn kinderen hun vrolijke spel
‘k Wed dat wel spoedig hun mondeke zweeg
Als het van moeder geen boterham kreeg
(met dank aan Willie Versteegen
voor het sturen van de tekst)
Welkom, spreeuwtje ! op het dak,
Waar ge in 't glimmend zwarte pak,
Weêr uw liedje zit te fluiten.
't Eerste zomersche concert,
Dat natuur gegeven werd,
Lokt ons allen reeds naar buiten.
Vrolijk neuriet gij ons toe:
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
Vochtig van den morgendaauw,
Is uw borstje, groen en blaauw,
Met gespikkeld paarsche veren.
Gij draagt 't mooist satijnen vest,
't Is van 't fijnst en 't allerbest,
Meer geglansd dan vaders kleeren
En de garnituur van moe.
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
Waarom zijt gij weg gegaan ?
Hadt het liever niet gedaan.
Waartoe toch naar warmer plaatsen ?
Waart gebleven, lieve spreeuw !
Want er viel zoo weinig sneeuw.
Niemand zag men op de schaatsen,
En de sloot lei haast niet toe.
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
Ja, gij lacht ons, looze guit !
Met uw klepprend snaveltje uit,
Daar wij tent nog ijsbaan zagen;
Maar wij lachen nu om strijd,
Dat gij zulk een koudkleum zijt.
Hebt gij geen bouffant of kragen ?
Spreeuwtje ! knoop uw rokje toe.
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
Zie, daar zwermt gij door de lucht,
Zwenkend in gelijke vlucht.
Laat de sperwer u niet vinden.
Zijn zijn nagels in uw rug,
Zoo zal hij ook even vlug,
U met huid en haar verslinden;
Daarom, spreeuwtje! zie wat toe !
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
O, daar haalt gij met uw bek
Uit mijn tuintje plant en stek,
Om 't baldadig weg te slepen !
Wacht, ik zet mijn vogelknip,
En ik vang u in een wip;
Heb ik u maar eens gegrepen,
'k Sluit u op,... en fluit u toe:
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
Toen
Tinus nog een jongen was,
Zo omstreeks vijf- of zestien jaar,
Wist iedereen in ons dorp het al,
Die Tinus word huzaar.
Om steeds te werken,
Daar voelde Tiuns heus niet veel voor.
Als hij op straat liep,
Zong heel het dorp in koor:
Refrein:
Tinusman, Tinusman, doe het maar,
Wordt maar huzaar, wordt maar huzaar.
Tinusman, Tinusman, doe het maar,
Wordt maar een flinke huzaar.
Dan krijg jij een mutsje op,
Met 'n heel mooi pluimpje er aan.
Dan krijg jij een mutsje op,
Dat zal vast goed staan.
Refrein
Dan
krijg jij een broekje aan,
Met een leren zitvlak er in.
Dan krijg jij een broekje aan,
En heb jij je zin.
Refrein
Dan krijg jij een jasje aan,
Met veel zilv'ren knopen er op.
Dan krijg jij een jasje aan,
En ben jij tip-top !
Refrein
Dan
krijg jij ook laarsjes aan,
Met die scherp sporen erbij.
Dan krijg jij ook laarsjes aan,
En dan ben je blij !
(met
dank aan Helena Claes en Leopold Verbraekel en Henk Derksen en Peter
Meijer voor het aanvullen van de tekst)
Treesje
(i.p.v. Treesje ook wel Tante Gré)
was een oude dame
Met een katje en een hond
En ze vond het zo vervelend
Ook omdat ze 't eenzaam vond
Daarom nam ze zich enige diertjes
Erg gezellig om haar heen (i.p.v. deze zin ook wel
Heel gezellig bij haar in)
En ze noemde die verzameling
Haar geliefkoosd huisgezin ("zing : huisgezeen")
Vroeg er soms ook iemand ernaar,
Dadelijk was haar antwoord klaar.
Refrein:
'k Heb zeven kippen (i.p.v. kippen kan ook hennen) en een haan
En een tamme pelikaan
En een hondje een een katje en een bokkie
En een lieve koekeroe
En een bonte kaketoe
En een konijntje in een pasgeverfd hokkie
En een vinkie en een kraai
En een schele papagaai
Die op 't ogenblik geplaagd wordt door de luisjes
En een merel (i.p.v. merel kan ook kneutje) en een spreeuw
En een opgezette leeuw
En een sigarenkistje met vier witte muisjes
Heel
de buurt ging aan het razen
Vonden
het een groot schandaal
Konden
haast des nachts niet slapen
Van
het vreselijk kabaal
Er
waren er zelfs die zeiden
Dat
ze wilde dieren had
Maar
toen oude Trees (i.p.v. oude Trees kan ook Tante Gré)
dat hoorde
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Trek uit de sleur van je daag'lijkse
leven
Weg uit de sfeer van de woelige stad
Trek er op uit in d'oneindige verte
Wolken en zon zijn de gids op je pad
Refrein:
Storm of regen, wat deert het ons
Daar kan elke trekker tegen
Makkers ! Neem een kloek besluit
Pak vlug je spullen bij elkaar en trek, trek er op uit !
Trek met je vrienden de weg op naar
buiten
Trek er op uit naar het bos en de hei
Hoor naar de stem van de ruisende bomen
Doe er de vreugd' van je liederen bij
Refrein
Pluk er de dag tot de laatste minuten
Wees zonder zorg voor de vallende nacht
Omdat je weet dat aan 't eind van je zwerven,
'n Veilig tehuis op je tochten je wacht
Refrein
Daar zit je 's avonds vereend bij
elkander
Daar spreekt je lied van het schoons dat je vond
Daar is een ieder de vriend van de ander
Samen vereend in een trekkersverbond
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Zo trekken wij de velden in,
Wij jongens, wij meisjes,
Zo trekken wij de velden in
Wij met elkaar.
De wind waait door der bomen kruin.
De zon brandt onze wangen bruin,
Zo trekken wij de velden in,
Wij met elkaar.
Zo zingen w'onze liederen,
Wij jongens, wij meisjes,
Zo zingen w'onze liederen,
Wij met elkaar.
Zo'n dag vol held're zonneschijn,
Wie zou er dan niet vrolijk zijn?
Zo zingen w'onze liederen,
Wij met elkaar.
Zo spelen wij in duin of bos,
Wij jongens, wij meisjes,
Zo spelen wij in duin of bos,
Wij met elkaar.
En niemand vallen d’uren lang
Bij spel en dans en blijde zang,
Zo spelen wij in duin of bos,
Wij met elkaar.
Zo gaan wij weer naar huis terug,
Wij jongens, wij meisjes.
Zo gaan wij weer naar huis terug,
Wij met elkaar.
Wij scheiden met een blijde lach,
Recht dankbaar voor zo’n fijne dag.
Zo gaan wij weer naar huis terug,
Wij met elkaar.
Wij hebben twee
kleine poesjes
Met pootjes zo zacht als fluweel
De kleinste die noemen we Bobby
En de andere dikzak heet Neel
En de andere dikzak heet Neel
Laatst waren we ze nergens te vinden
Toen zijn we aan 't zoeken gegaan
We keken in alle hoeken
Waar kwamen ze denk je vandaan
Waar kwamen ze denk je vandaan
Wit Neeltje lag in de turfmand
En Bob lag bij popje in bed
Wij namen ze gauw mee naar binnen
En rolden haast om van de pret
En rolden haast om van de pret
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Jaapje, ben-je wel begoud,
Ben-je wel bezilverd, ventje ?
’t Is maar jammer, ieder kent-je
Lang, voor 60 jaren oud !
’t Hoedje schijnt-je wel te staan,
Of ge woudt uit vrijen gaan.
Wou-je ’t weeuwtje van hier naast,
’t Olijk weeuwtje licht behagen ?
Maar ze is veel te jonk van dagen,
Baasje, ’t is uw dochter haast !
Grijs en bruin, wáár dat ge ’t vindt,
Dat is zout en peper, Vrind !
Zet die krullen uit uw hoofd ! -
Lang zijt gij voor wijs gehouen;
‘k Vrees, dat, zo ge weer gaat trouwen,
Elk u stapelgek gelooft:
En je weet, het oude mal
Is nog wel het ergst van al.
Lammetje,
loop je zo eenzaam te blaten
Over de hei? Over de hei?
Hoe kom je hier, zo van allen verlaten,
Bleef je niet liever daar ginds op de wei?
Lammetje, hier groeien bloemen noch gras,
Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten.
Hier is geen schaduw om onder te rusten;
En als je dan nog zo klein maar niet was!
En als je dan nog zo klein maar niet was!
Kind'ren,
ik had al zoo lang lopen spelen
Ginds op de wei! Ginds op de wei!
Altijd dat grazen begon te vervelen
'k Wou eens zien, hoe het hier was op de hei!
Ach, nu verdwaald' ik al verder en meer,
'k Zoek er mijn moedertje, 'k zoek er mijn vrinden,
'k Zoek om wat gras en wat water te vinden,
Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!
Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!
Schaapje,
wij zullen de weg u wel leren,
Over de hei! Over de hei!
Ga maar met ons en geen leed zal je deren,
Zeker, wij brengen je weer op de wei!
Maar maak dan voort, of we laten je staan,
Moeder ziet zeker al uit, waar we toeven;
Waarlijk, ik zou haar niet graag zo bedroeven,
Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!
Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!
Vier weverkens
zag men ter botermarkt gaan
En de boter die was er zo diere
Zij hadden geen duit haast meer in hunne tas
En ze kochten een pond sa vieren
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza!
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
En ze kochten een pond sa vieren
En als zij dat
boterke hadden gekocht
Zij hadden er vier platelen
Zij spraken dat vrouwke zo vriendelijk aan
Sa, vrouwke, en wilt het ons delen
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
Sa, vrouwke, en wilt het ons delen
Het vrouwke dat
sprak: Ja dat zal ik wel doen
Ja, zo wel als een vrouwke vol eren
Want ik wete wel wat er de weverkens zijn
En de weverkens zijn er geen heren
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
En de weverkens zijn er geen heren
Wat zouden de
weverkens heren zijn
Zij en hebben er huize noch erven
En kruipt er een muiske in hunne schapraai
Van honger zo moet het er sterven
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
Van honger zo moet het er sterven
En als dan dat
muiske gestorven zal zijn
Waar zullen zij het begraven
Al onder de weverkens hunne getouw
En het grafke zal rooskens dragen
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
En het grafke zal rooskens dragen
Vol
levens lust en moed.
Als goede lopers blijven wi,j
Altijd op goede voet.
Want wij zijn één voor allen
En allen zijn wij één.
Zo willen wij door Neerland,
En door het leven heen.
Van
het allerbeste merk.
Gaf ons een hart en longen paar,
Gezond, gaaf, goed en sterk.
En één paar flinke benen,
Een groot geluk op aard.
Wie die niet wil gebruiken,
Is niet zo motor waard.
Er
schommelt een wiegje in 't bloeiende hout
Een wiegje met bloemengordijntjes
Dat hebben twee vogeltjes samen gebouwd
En zie eens hoe keurig en fijntjes
Als 't windeke speelt
De loverkens streelt
Dan schommelt het tedere wiegelijn mee
Als 't scheepje op deinende zee
In't
schommelend wiegje is 't wonder geschied
Uit d'eitjes zijn jongen geboren
Nu zingt in verrukking het gaaiken zijn lied
Een ledeke zoet om te horen
Hoe 't jubelt door 't hout
Hoe schatert door 't woud
En moedertje dekt ze van 't luisteren niet moe
Met koest'rende vleugeltjes toe