SeniorPlaza

Jeugdliedjes van toen

Sarie Marais (1934)

(uitvoering o.a.: Bob Scholte, August van de Laan en Chris a Blignant)

My Sarie Marais
Is so ver van my hart
Maar ik hoop om haar weer te sien
Sy het in die wyk
Van die Mooirivier gewoon
Nog voor die oorlog het begin

Refrein
O bring my trug na die ou Transvaal
Daar waar my Sarie woon
Daar onder in die mielies by die groen doringboom
Daar woon my Sarie Marais
Daar onder in die mielies by die groen doringboom
Daar woon my Sarie Marais

Ek was so bang
Dat die kakies my sou vang
En ver oor die see wegstuur
Toe vlug ek na die kant
Van die Upington se sand
Daar onder langs die Grootrivier

Verlossing het gekom
En die huis-toe gaan was daar
Trug na die ou Transvaal
My liewelingspersoon
Sal seker ook daar wees
Om my met 'n kus te beloon

 

Versie 2

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

 

Sarie Marais
Die zakte door het ijs
En kwam op de bodem terecht.
Toen kwam er een krokodil
En die beet haar in de bil
En Sarie Marais gaf een gil.

 

 

Terug naar overzicht

Schaatsenrijden

(E.P. de Boer/J.C. Anderson)

In de frisse wintermorgen

Suizen wij langs 't blinkend vlak;

Door de wijd verlaten velden

Met zo hier en daar een dak.

Overweer,

Telken keer

Krachtig met gelijk bewegen;

Hebben wij de wind ook tegen,

't Zal wel gaan;

Haak maar aan !

 

IJz'ren vleugels aan de voeten

Glijden wij van verre aan.

Zwierend als een vlugge vogel

Langs de glinstergladde baan.

Overweer,

Telken keer

Krachtig met gelijk bewegen;

Hebben wij de wind ook tegen,

't Zal wel gaan;

Haak maar aan !

 

Lustig deinen wij maar verder

In een lange, lange rij

Over plassen, langs de vaarten,

Door de witbesneeuwde wei.

Overweer,

Telken keer

Krachtig met gelijk bewegen;

Hebben wij de wind ook tegen,

t Zal wel gaan;

Haak maar aan !

 

Terug naar overzicht

Schumdria (wandellied)

(met dank aan Corry Verhoeven voor het sturen van de tekst)

Komt nu vlug naar buiten, vrolijk en vol moed,

Frisse lucht en zonlicht, doen ons hart zo goed.

Laat de lied'ren schallen, lustig met ons allen,

Heb je stem of niet, zing een vrolijk lied.

 

Refrein:

Schumdri a, Schumdr ia, Schumdri di ri ha ha ha

Schumdri a, Schumdri a, Schumdri di ri ha ha ha ha

Schumdri a, Schumdri a, Schumdri di ri ha ha ha

Zing een vrolijk, vrolijk lied.

 

Zie de korenvelden, geel van 't rijpe graan,

Zie de wakk're landman, aan zijn arbeid gaan.

En de hoge bomen, staan daar stil te dromen,

Maar wij trekken voort, naar een ander oord.

 

Refrein

 

‘n Schip met blanke zeilen, deint er op de zee.

En de wind die draagt ons, op haar vleug’len mee.

Heerlijk is dit leven, ons door God gegeven.

Blij en reine vreugd, geef het aan de jeugd.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Sikkels klinken, sikkels blinken (Oogstlied)

(A.C.W Staring/A. Lijsen)

Sikkels klinken, sikkels blinken

Ruisend valt het graan

Zie de bindsters garen

Zie in lange scharen

Garf bij garven staan

Garf bij garven staan

 

't Heter branden op de landen

Meldt de middagtijd

't Windje moe, van 't zweven

Heeft zich schuil begeven

En nog zwoegt de vlijt

En nog zwoegt de vlijt

 

Blijde maaiers, nijv're zaaiers

Die uw loon ontvingt

Zit nu rustig neder

Galm' het mastbos weder

Als gij juichend zingt

Als gij juichend zingt

 

Slaat uw ogen naar den hogen

Alles kwam vandaar

Zachte regen daalde

Vriend'lijk zonlicht straalde

Mild op halm en aar

Mild op halm en aar

 

Terug naar overzicht

Slaap met open ramen

(met dank aan Jannie van 't Ende voor het sturen van de tekst)

Slaap met open ramen want de frisse lucht 

Jaagt dan allerhande kwaaltjes op de vlucht

In je warme bedje lekker toegedekt

Kan je heerlijk dromen tot de zon je wekt

Kan je heerlijk dromen tot de zon je wekt

 

Terug naar overzicht

Sledevaart

(E.P. de Boer/J.C Anderson)

Rinkel tinkel, rinkel tinkel,

Door de witte winterlaan,

Onder dikbesneeuwde bomen

Glijdt de arreslede aan.

 

Rinkel tinkel, rinkel tinkel,

Zingt het fijntjes door de lucht,

Enkel tinkeltonen klinken,

Anders is er geen gerucht.

 

Nader schuift de ranke slede,

Sneeuw stuift voor de hoeven op.

En het dravend paard schudt hefti

Met zijn roodbepluimde kop.

 

Mollig ploffen paardepoten,

Bellen rink'len onder 't gaan;

Rinkel tinkel, rinkel tinkel,

Door de witte winterlaan.

 

Terug naar overzicht

Sliep scheren de messen

(met dank aan Antoinette Schraven - de Laat voor het sturen van de tekst)

Sliep scheren en messen! Singele, singele bom !

"Jan, sla je vrouw !"

"Dat doe ik niet, dat doe ik niet !"

"Jan sla je vrouw !"

"Dat doe ik niet voor jou !"

 

Terug naar overzicht

Smidje mijn smidje waar werk je zo voor

Versie 1

 

Smidje mijn smidje waar werk je zo voor

Werk je zo eindeloos, eindeloos door
Is soms het smeden je leven je lust

Geef je die hamer geen ogenblik rust
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop

Sla de hamer op z'n kop

Achter de deuren, zeg hoor je me niet

Zingt er zijn vrouwtje haar vrolijkste lied
Dat is zijn leven, dat is zijn lust

Hij geeft de hamer geen ogenblik rust
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop

Sla de hamer op z'n kop  

 

Achter die deuren, zeg hoor je dat wel
Speelt er m’n kindje haar zorgeloos spel
‘k Wed, dat wel spoedig haar stemmetje zweeg
Als het van moeder geen boterham kreeg !

Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop

Sla de hamer op z'n kop  

   

Versie 2

 

Smidje mijn smidje waar werk je zo voor

Werk je zo eindeloos, rusteloos
Is dan het smeden je leven, je lust

Gun je die hamer geen ogenblik rust
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop

Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop


Achter de deuren, zeg hoor je dat niet

Zingt er mijn vrouwtje haar vrolijkste lied
'k Wed dat zij spoedig een traantje wegpinkt

Als er dat vrolijk geklap niet weerklinkt
Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop

Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop

 

Achter die deuren, zeg hoor je dat wel
Spelen mijn kinderen hun vrolijke spel
‘k Wed dat wel spoedig hun mondeke zweeg
Als het van moeder geen boterham kreeg

Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop

Klop, klop, klop, klop, klop, klop, klop

 

Terug naar overzicht

Smidslied

(J.A. van Droogenbroeck/A. Bruin)

De smid, ha de smid is aan 't smeden, aan 't smeden !

Hoe davert zijn hamer beneden, beneden !

Hij slaat, dat de smidse-er van dreun, er van dreunt,

Terwijl hij zijn liedeke deunt:

 

Refrein:

't IJzer is warm,

Staal in de arm !

't IJzer is heet,

Lustige gesmeed !

't IJzer is warm,

Staal in de arm !

't IJzer is heet,

Lustige gesmeed !

 

Hij blaast en daar sprankelen vonken, ja vonken;

In 't vuur ligt het ijzer verzonken, verzonken,

Weldra is het weder in gloed, weer in gloed,

Hij zingt met nog meerdere moed, meerdere moed:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Sneeuw dekt de grond

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

Sneeuw dekt de grond lustig in 't rond

Rinkelen de bellen tingelen de schellen

Paarden en slee alles doet mee

 

Sneeuw dekt de grond lustig in 't rond

Nu gaan wij zwieren winterfeest vieren

Paarden en slee alles doet mee

 

Terug naar overzicht

Sneeuwbui

(E.P. de Boer/Jac. Bonset)

Een zachte val

Van duizendtal

Dier wonderwitte vlokken.

Eén suizeling,

Eén duizeling,

Van wilde wattenbrokken.

 

Eén dolle dans

De wereld thans !

't Is dwar'ling alleerwegen !

Omhoog, omlaag

Het is gestaâg

Eén vluchtige vlokkenregen.

 

Op schuur en huis

De zachte pluis

Op velden en op wegen.

Komt meer en meer

Van donzen veer

Een deken neergezegen.

 

Terug naar overzicht

Sneeuwklokje (1)

(D. Tomkins/Cath. van Rennes)

Aan een steeltje rank, hangt een klokje blank,

Steeltje helder groen, klokje wit,

"Ting-tang, tingelingeling"

Zegt het kleine ding,

"Ting-tang, tingelingeling, wit wit, wit"

Wit ligt op de wei

Nog de wintersprei,

Winters windekind blaast nog dik !

"Tin-tang, tingelingeling"

Zegt het kleine ding,

Ting-tang, tingelingeling"

"Daar ben ik !'

Wie haar buiten vindt, Lentes eerste kind,

Steeltje helder groen,

Klokje blank,

"Tin-tang, tingelingeling"

Groet het kleine ding.

Hoort het Lentelied in haar klank,

Hoort het Lentelied in haar klank !

 

Terug naar overzicht

Sneeuwklokje (2)

(W.G. v.d. Hulst/J.W. van Setten)

Wat is dat daar, jou kleine guit,

Kom je nú al je bedjen uit ?

Blijf warmpjes nog wat in de grond,

Want als de boze wind je vond,

Hij beet je dood !

 

Wij hebben nog ons jasjen aan,

Jij komt daar zó maar buiten staan,

Je groene mutsje los, jou guit;

Je witte kopje kijkt er uit,

Zo bleek en bloot !

 

Ik ben er niets bang voor de boze wind,

'k Vertel van de lente, mijn lieve kind.

Mijn klokje luidt zachtkens over de grond

En wekt er de bloempjes, die slapen in 't rond,

Ten beddeken uit.

Nu weet je wel, wat mijn vroeg luiden beduidt.

 

Terug naar overzicht

Sneeuwliedje

(Willem de Wijk/Albert van Zeilen)

Zie, de sneeuw, zo zacht en zuiver, tintelt als kristal !

En het is zo blank en en vredig, hier en overal !

En hoe klinkt zo wijd en helder, ieder fijn gerucht,

Ergens beiert er een kloksken, in een ver gehucht !

 

Als de grote stille bomen, beuk en eik en els,

Dragen om hun hoge leden, elk een witte pels,

Door de boslaan gaan mijn voeten, o zo blood' en zacht,

Is het niet om voor te knielen, deze stille pracht ?

 

Terug naar overzicht

Soldatenvers

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Daar komen in de verte soldaatjes weer aan,

ik heb ze vanmorgen in de rij zien staan.

Ze liepen, ze liepen, ze liepen in de maat,

toen dacht ik toen dacht ik, ik word ook soldaat.

Geweer op de schouder de sabel opzij,

een vrolijk muziek en tira boem erbij.

Tira boem, tira boem, tira boem boem boem.

 

Terug naar overzicht

Speellied

(J.P. Regeer/Fr. Abt.)

Makkers, komt, makkers, komt !

Het speeluur slaat, naar buiten heengesneld !

Het dartel visje rept zich voort,

De vogel vliegt, waar 't hem bekoort,

Makkers, komt, makkers, komt,

Naar buiten heengesneld !

Tra-la la la la tra-la la la.

Tra-la la la la tra-la la la.

Naar buiten heengesneld !

Naar buiten heengesneld !

 

Makkers, komt, makkers, komt !

Wie lopen kan, die zij nu rap ter been.

Houdt struik en boom een vaste steê,

Wij draaien met de aardbol mee.

Makkers, komt, makkers, komt,

Wij zijn nu rap ter been!

Tra-la la la la tra-la la la.

Tra-la la la la tra-la la la.

Wij zijn nu rap ter been !

Wij zijn nu rap ter been !

 

Makkers, komt, makkers, komt !

Een kring gemaakt en blij in 't rond gezweefd,

Vlug als de vlinder in het gras !

Geen slakkengang komt hier te pas !

Makkers, komt! makkers, komt !

Nu blij in 't rond gezweefd,

Tra-la la la la tra-la la la.

Tra-la la la la tra-la la la.

 Nu blij in 't rond gezweefd !

Nu blij in 't rond gezweefd !

 

Terug naar overzicht

Spreeuwenliedje

(met dank aan Willie Versteegen voor het sturen van de tekst)

Welkom, spreeuwtje ! op het dak,
Waar ge in 't glimmend zwarte pak,
Weêr uw liedje zit te fluiten.
't Eerste zomersche concert,
Dat natuur gegeven werd,
Lokt ons allen reeds naar buiten.
Vrolijk neuriet gij ons toe:
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
 
Vochtig van den morgendaauw,
Is uw borstje, groen en blaauw,
Met gespikkeld paarsche veren.
Gij draagt 't mooist satijnen vest,
't Is van 't fijnst en 't allerbest,
Meer geglansd dan vaders kleeren
En de garnituur van moe.
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
 
Waarom zijt gij weg gegaan ?
Hadt het liever niet gedaan.
Waartoe toch naar warmer plaatsen ?
Waart gebleven, lieve spreeuw !
Want er viel zoo weinig sneeuw.
Niemand zag men op de schaatsen,
En de sloot lei haast niet toe.
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
 
Ja, gij lacht ons, looze guit !
Met uw klepprend snaveltje uit,
Daar wij tent nog ijsbaan zagen;
Maar wij lachen nu om strijd,
Dat gij zulk een koudkleum zijt.
Hebt gij geen bouffant of kragen ?
Spreeuwtje ! knoop uw rokje toe.
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
 
Zie, daar zwermt gij door de lucht,
Zwenkend in gelijke vlucht.
Laat de sperwer u niet vinden.
Zijn zijn nagels in uw rug,
Zoo zal hij ook even vlug,
U met huid en haar verslinden;
Daarom, spreeuwtje! zie wat toe !
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’
 
O, daar haalt gij met uw bek
Uit mijn tuintje plant en stek,
Om 't baldadig weg te slepen !
Wacht, ik zet mijn vogelknip,
En ik vang u in een wip;
Heb ik u maar eens gegrepen,
'k Sluit u op,... en fluit u toe:
‘Kikriri - ri - kikrikoe !’

 

Terug naar overzicht

Tante uit Marokko

'k Heb een tante in Marokko

En die komt hiep hoi

'k Heb een tante in Marokko

En die komt hiep hoi

'k Heb een tante in Marokko

Een tante in Marokko

Een tante in Marokko

En die komt hiep hoi

 

Refrein:

Zing ik a ja jippie jippie jee hiep hoi

Zing ik a ja jippie jippie jee hiep hoi

Zing ik a ja jippie, a ja jippie

A ja jippie jippie jee

 

En ze komt op twee kamelen

Als ze komt hobbel de bobbel

En ze komt op twee kamelen

Als ze komt hobbel de bobbel

En ze komt op twee kamelen

Ze komt op twee kamelen

Ze komt op twee kamelen

Als ze komt hobbel de bobbel

 

Refrein, maar na hiep hoi zing je nu ook hobbel de bobbel

 

En we braden dan een varken

Aan het spit knor knor

En we braden dan een varken

Aan het spit knor knor

En we braden dan een varken

We braden dan een varken

We braden dan een varken

Aan het spit knor knor

 

Refrein, maar nu met na hiep hoi en hobbel de bobbel ook nog eens knor knor

 

 

Terug naar overzicht

Tarara boem-di-ee

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Tarara boem-di-ee

De dikke dominee

Die zakte door plee

Nam al z'n kunsten mee !

 

Tarara boem-di-ee

De dikke dominee

Die had z'n gat verbrand

Al aan de kachelrand.

 

Terug naar overzicht

Te laat

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Kleine Jantje gaat naar school toe,

O heden, wat een schrik !

De deur vindt hij gesloten.

Zijn hartje gaat van tik, tik.

Hij geeft met bevend handje

Een rukje aan de schel.

De deur gaat langzaam open

En meester zegt: "Wel, wel."

 

"Hoe kom jij hier mijn ventje ?

Wat is er aan de hand ?

Waarom sta jij te huilen

En zit je in de brand ?"

"Ik ben te laat, schreit Jantje"

(En kijkt maar naar zijn schoen)

"De klok liep zeker achter

Maar 'k zal het nooit meer doen".

 

De meester laat Jan binnen

Die kijkt verwonderd rond

Geen jas hangt aan de kapstok

Geen pet zwerft op de grond.

Ook in de klas is niemand.

Hij kijkt de meester aan.

O, domme, domme Jantje....

't Moet nog half negen slaan !

 

Terug naar overzicht

Theevisite

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Er zitten vier jufjes

Gezellige, wijze nufjes

Te keuv'len bij de thee

Te keuv'len bij de thee

Wat smaken die colombijntjes

Die flikjes en koekjes fijntjes

Ze eten elk voor twee

Ze eten elk voor twee.

 

Ze wiegen haar liefste popje

Bij 't drinken van 't lekker kopje

Op 't schootje heen en weer

Op 't schootje heen en weer.

Want mocht er soms Toos gaan huilen

Marietjes of Lijs gaan pruilen

Dan slapen zij niet weer

Dan slapen zij niet weer.

 

Mevrouwtje, u nog een kopje ?

Een flikje een lekker mopje ?

Zo gaat het al maar door

Zo gaat het al maar door

En eer de mevrouwtjes 't weten

Is 't trommeltje leeg gegeten

Maar kom, het was er voor

Maar kom, het was er voor.

 

Terug naar overzicht

Thomas van tienen

(met dank aan mevrouw Van Klink voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Thomas van tienen die houd niet van rekenen,

Thomas ven tienen die houd niet van tekenen,

Thomas van tienen blijft twintig keer zitten,

Thomas van tienen zit altijd te pitten,

Thomas van tienen krijgt altijd een één,

Thomas van tienen dat is me er een.

 

La,la,la.

 

Wie zegt, zegt Thomas dat Zandvoort aan zee ligt,

En dat een dal tussen bergen beneê ligt,

Melk van de koe komt en niet van de stier,

Stroomt er geen chocomel in de rivier.

 

Refrein

 

Wie zegt, zegt hij dat een appel geen peer is,

Eerst maar bewijzen dan zien we wel weer is,

Als ik blijf zitten hoef ik niet te staan,

’t Is nu al jaren uitstekend gegaan.

 

Refrein

 

La, la, la.

 

Terug naar overzicht

Tijl Uilenspiegel

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Jongens nu eens flink gezongen,

Uilenspiegel moet vereerd.

Zingen wij uit volle longen,

want de kerel is het weerd.

 

Refrein:

Tjéle tjoelalalala, tjéle tjoelalalala, tjéletjoelalalaa.

 

Pas lag hij nog in de wiege,

of hij was al muzikant.

Ja hij kwéékte zonder liegen,

harder als een olifant.

 

Refrein 

 

In de school was hij een vluggerd,

 toen de meester hem eens zei.

Noem een kruipend dier jij snuggerd,

da's mijn jongste zus zei hij.

 

Refrein

 

Of de slager varkenspootjes,

had moest hij eens kijken gaan.

Kan ik niet zien zei hij verdroten,

want de baas had klompen aan.

 

Refrein

 

Maar nu zijn er weer veel andere,

Uilenspiegels opgestaan.

Jongens kijk niet naar elkander,

maar kijk eerst jezelf eens aan.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Tijltje Uilenspiegel

(Uit: "Geniet van t lied" - R.K. Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)

(met dank aan Wilma van de Laat voor het sturen van de tekst)

Jongens laat ons nu bezingen,

Uilenspiegel, die schavuit,

die door zoveel mooie dingen,

het bij velen heeft verbruid.

 

Refrein:

La-iet-joe-la-la-la-la-la-la-la,

la-iet-joe-la-la-la-la-la-la-la,

la-iet-joe-la-la-la-la-la-la-la,

la-iet-joe-la-la-la-la.

 

Tijltje leek er op een haartje,

op papaatje z'n gezicht,

had 'n aardje naar z'n vaartje: 

echt 'n Uilespiegelwicht.

 

Refrein

 

Pas lag Tijltje in de wiege, 

of ie deed al muzikaal;

want ie kwaakte, zonder liegen, 

als 'n waternachtegaal.

 

Refrein

 

Pas stak hij in 't eerste broekje, 

of hij zat van grappen vol,

stond dan ook in geen goed boekje, 

door zijn daden dwaas en bol.

 

Refrein

 

Dikwijls als hij ging ter schole,

had hij kever, muis of mos,

stilletjes in zijn zak verscholen

en liet daar de beestjes los.

 

Refrein

 

Lezen, schrijven, sommen maken,

brachten Tijl in bittre nood,

want hij had van al die zaken,

minst een tweelingbroertje dood.

 

Refrein

 

Tijl ging Jan de slager vragen:

"Heb je varkenspootjes, Jan?" -

"Zeker jongen, met behagen" -

"Dat is lastig lopen, man!"

 

Refrein

 

Eens liep Tijl een winkel binnen,

vrieg naar dit en vroeg naar dat,

en op 't laatst - uit puur verzinnen -

of de vrouw zeerhoofdjes had.

 

Refrein

 

"Ja, die heb ik ook al, prutske",

antwoordt hem de bakkersvrouw.

"Geef ze dan maar gauw een mutske;

anders krijgen ze nog kou !"

 

Refrein

 

Bij het spoor waar Tijltje woonde,

was een kleine man als chef.

't Klonk als die zijn schuimspaan toonde:

"Hoe groot wordt ons chefke, zeg ?"

 

Refrein

 

De notaris van het stadje,

heette Naadje, klein van stuk.

Ook voor hem was Tijl, dat vat je,

op zijn spotterlusten tuk.

 

Refrein

 

Hij ging recht naar vrouwlief Kaatje,

belde bout en stout daar aan,

en vroeg ijskoud: "Mag uw Naadje,

asjeblief mee spelen gaan ?"

 

Refrein

 

Op het einde van zijn leven,

bracht hem mag're Hein bezoek.

Die wou hem geen uitstel geven.

Tijltje ging er om de hoek.

 

Refrein

 

Op zijn graf daar staat geschreven,

in een opschrift of zo iet:

Hier rust hij die heel zijn leven,

niemand ooit met ruste liet.

 

Refrein

 

Jongens, nu voor 't laatst bezongen.

Ieder zinge lustig mee.

Zingen wij met volle longen:

Uilespiegel ruste-in vree !

 

Refrein

 

 Terug naar overzicht

Tinusman, Tinusman

(tekst/muziek Jaap de Kruyff en Albert Bruggeman)

Toen Tinus nog een jongen was,
Zo omstreeks vijf- of zestien jaar,
Wist iedereen in ons dorp het al,
Die Tinus word huzaar.
Om steeds te werken,
Daar voelde Tiuns heus niet veel voor.
Als hij op straat liep,
Zong heel het dorp in koor:

Refrein:
Tinusman, Tinusman, doe het maar,
Wordt maar huzaar, wordt maar huzaar.
Tinusman, Tinusman, doe het maar,
Wordt maar een flinke huzaar.


Dan krijg jij een mutsje op,
Met 'n heel mooi pluimpje er aan.
Dan krijg jij een mutsje op,
Dat zal vast goed staan.

Refrein

Dan krijg jij een broekje aan,
Met een leren zitvlak er in.
Dan krijg jij een broekje aan,
En heb jij je zin.

Refrein


Dan krijg jij een jasje aan,
Met veel zilv'ren knopen er op.
Dan krijg jij een jasje aan,
En ben jij tip-top !


Refrein

Dan krijg jij ook laarsjes aan,
Met die scherp sporen erbij.
Dan krijg jij ook laarsjes aan,
En dan ben je blij !

Refrein

 

Terug naar overzicht

Toen Damoclesje klein was

(met dank aan Anneke Segaar-Griffioen voor de tekst)

Toen Damoclesje klein was

   Nanoe nanoe nanoe

Toen dacht hij dat het fijn was

   Nanoe nanoe nanoe

Om Koning te wezen

   Boems faldera

Dan heb je niets te vrezen

 Ha ha ha ha ha ha ha

Ha ha ha ha ha

 

Maar toen de Koning 't hoorde

Zei hij: “Kom jij eens hier

Wil jij graag Koning worden

Dat doet me veel plezier.

Probeer het een poosje

  Boems faldera

Je hebt nog heel geen notie”

  Ha ha ha ha ha ha ha

    Ha ha ha ha ha

 

Eer Damacles ’t besefte

Had hij de kroon al op

De Koningsmantel kreeg hij om

Dat was een reuze mop

Hij werd ten troon verheven

   Boems faldera

Men riep: “Lang zal hij leven”

     Ha ha ha ha ha ha ha

Ha ha ha ha ha

 

Er werd toen zwaar gefoven

En Damocles had schik

Opeens keek hij naar boven

En viel haast om van schrik

Aan het plafond met engelen

     Boems faldera

Hing spits een zwaard te bengelen

    Ha ha ha ha ha ha ha

Ha ha ha ha ha

 

Al aan een zijden draadje 

   Nanoe nanoe nanoe

“Heer Koning zeg, dat laat je”

Zei Damoclesje toen

Er zou eens wat gebeuren

   Boems faldera

Het draadje mocht eens scheuren

  Ha ha ha ha ha ha ha

Ha ha ha ha ha

 

Toen sprak de Koning plechtig

   Nanoe nanoe nanoe

"Al ben ik nog zo mechtig

Daar kan ik niets aan doen

Dat slagzwaard moet er zweven

     Boems faldera

Al boven ’s Konings leven"

  Ha ha ha ha ha ha ha

Ha ha ha ha ha

 

“Heer Koning zeg, ik groet je"

Zei Damoclesje toen

"Met zulk gevaarlijk goedje

Heb ik liefst niet te doen

‘k Vind Koning zijn een droef lot

       Boems faldera

‘k Ga weer naar Moeders pappot”

   Ha ha ha ha ha ha ha

Ha ha ha ha ha

 

Terug naar overzicht

Torteltje en Gaaikelief

(met dank aan G.H. Kroese voor het sturen van de tekst)

Torteltje treurt in de linde,

Gaaikelief is er niet meer.

 't Zit er zo droevig te turen,

Gaaikelief minde haar teer.

 

Blij vloog het paar in de morgen,

Hoog door de zoelige lucht.

Over de groene landouwen,

Klapwiekend, dartel en vlug.

 

't Speeld' in het lommer der linde,

Bouwde zijn nestje in Mei.

 't Was er zo blij en gelukkig,

 't Had er al spoedig een ...ei.

 

Daar kwam een jager getreden,

Hagel was op zijn geweer.

Ach, hoe de vederen stoven,

 Gaaikelief tuimelde neer.

 

Bloed vloeit en gutst uit zijn borstje,

 't Ademde nog eens voor lest.

 Trok toen nog eens met zijn wiekjes,

 d' Oogjes gericht op het nest.

 

Torteltje treurt in de linde,

 't Zit er zo roerloos en stom

Nu op haar eitjes te turen,

Jager, ach jager.....waarom ?

 

Terug naar overzicht

Treesje was een oude dame

(met dank aan Helena Claes en Leopold Verbraekel en Henk Derksen en Peter Meijer voor het aanvullen van de tekst)

Treesje (i.p.v. Treesje ook wel Tante Gré) was een oude dame
Met een katje en een hond
En ze vond het zo vervelend
Ook omdat ze 't eenzaam vond
Daarom nam ze zich enige diertjes
Erg gezellig om haar heen (i.p.v. deze zin ook wel
Heel gezellig bij haar in)
En ze noemde die verzameling
Haar geliefkoosd huisgezin ("zing : huisgezeen")

Vroeg er soms ook iemand ernaar,

Dadelijk was haar antwoord klaar.

 

Refrein:
'k Heb zeven kippen (i.p.v. kippen kan ook hennen) en een haan
En een tamme pelikaan
En een hondje een een katje en een bokkie
En een lieve koekeroe
En een bonte kaketoe
En een konijntje in een pasgeverfd hokkie
En een vinkie en een kraai
En een schele papagaai
Die op 't ogenblik geplaagd wordt door de luisjes
En een merel (i.p.v. merel kan ook kneutje) en een spreeuw
En een opgezette leeuw
En een sigarenkistje met vier witte muisjes

 

Heel de buurt ging aan het razen

Vonden het een groot schandaal

Konden haast des nachts niet slapen

Van het vreselijk kabaal

Er waren er zelfs die zeiden

Dat ze wilde dieren had

Maar toen oude Trees (i.p.v. oude Trees kan ook Tante Gré) dat hoorde

Riep ze "Benne jullie mal"

'k Heb geeneen verscheurend dier

Luister maar eens even hier:

 

Refrein

 

Op een dag moest tante Greta

Voor de belasting naar het stadhuis

Wat ze daar niet allemaal vroegen

Mensenlief, dat was een kruis

Op een biljet, daar stond geschreven

Woont er iemand bij u in

Zouden zij dan nog niet weten

Dat ik heb zo’n groot gezin

En ze heeft gepakt ’t biljet

En ze heeft er op gezet:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Trek er op uit

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Trek uit de sleur van je daag'lijkse leven
Weg uit de sfeer van de woelige stad
Trek er op uit in d'oneindige verte
Wolken en zon zijn de gids op je pad
 

Refrein:

Storm of regen, wat deert het ons
Daar kan elke trekker tegen
Makkers ! Neem een kloek besluit
Pak vlug je spullen bij elkaar en trek, trek er op uit !

 

Trek met je vrienden de weg op naar buiten
Trek er op uit naar het bos en de hei
Hoor naar de stem van de ruisende bomen
Doe er de vreugd' van je liederen bij
 

Refrein

 

Pluk er de dag tot de laatste minuten
Wees zonder zorg voor de vallende nacht
Omdat je weet dat aan 't eind van je zwerven,
'n Veilig tehuis op je tochten je wacht
 

Refrein

 

Daar zit je 's avonds vereend bij elkander
Daar spreekt je lied van het schoons dat je vond
Daar is een ieder de vriend van de ander
Samen vereend in een trekkersverbond
 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Trekkerslied

(P. de Boer/Dina Appeldoorn)

Ons lokt het verre geruis van de zee,

En de glinst'rende zon op de golven,

Dan deint onze zang met de branding mee,

Langs het blinkende strand van de bruisende zee,

Met de dansende zon op de golven.

Trekt op, kameraden, de wereld zij wacht

In heel haar wondere schoonheid.

Trekt op naar de heerlijke, glinst'rende pracht,

Die de zee en de duinen ten toon spreidt.

 

Ons lokt de wijde, de paarsrode hei,

Waar de brommende hommels zoemen.

De roep van de vogels, die volgen wij

Langs de rossige gloeiing der bloeiende hei,

Waar de gonzende hommels zoemen.

Trekt op, kameraden, de wereld zij wacht

In heel haar wonder schoonheid.

Trekt op naar de heerlijke, pralende pracht,

Die de bloeiende wereld ten toon spreidt.

 

Terug naar overzicht

Trekkerslied

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Zo trekken wij de velden in,
Wij jongens, wij meisjes,
Zo trekken wij de velden in
Wij met elkaar.
De wind waait door der bomen kruin.
De zon brandt onze wangen bruin,
Zo trekken wij de velden in,
Wij met elkaar.

 

Zo zingen w'onze liederen,
Wij jongens, wij meisjes,
Zo zingen w'onze liederen,
Wij met elkaar.
Zo'n dag vol held're zonneschijn,
Wie zou er dan niet vrolijk zijn?
Zo zingen w'onze liederen,
Wij met elkaar.

 

Zo spelen wij in duin of bos,
Wij jongens, wij meisjes,
Zo spelen wij in duin of bos,
Wij met elkaar.
En niemand vallen d’uren lang
Bij spel en dans en blijde zang,
Zo spelen wij in duin of bos,
Wij met elkaar.

 

Zo gaan wij weer naar huis terug,
Wij jongens, wij meisjes.
Zo gaan wij weer naar huis terug,
Wij met elkaar.
Wij scheiden met een blijde lach,
Recht dankbaar voor zo’n fijne dag.
Zo gaan wij weer naar huis terug,
Wij met elkaar.

 

Terug naar overzicht

Turnmars

(G. Leenheer/J.C. Andreae)

Als makkers (1) zijn wij saam vereend

Door onverbreekb're banden;

De vriendschap, die ons kracht verleent,

Doet heilig vuur ontbranden.

Ontwikk'ling onzer kracht is 't doel,

Waarnaar wij rustloos streven,

Verwekt in ons een warm gevoel

En doet ons blijde leven.

Hoera, hoera, klinkt ons gezang,

De gymnastiek, zij leve lang !

 

Als turners (1) zijn wij toegewijd

Aan onze club verbonden,

En zullen daarom 't allertijd

Haar roem en lof verkonden.

Zij leert ons in saamhorigheid

Naar 't zelfde einddoel streven,

Bevordert door verscheidenheid

De frisheid van ons leven.

Hoera, hoera, klinkt ons gezang

 De gymnastiek, zij leve lang!

 

Ons werken geeft ons lust en moed

Voor d' arbeid in ons leven,

En zal in voor en tegenspoed

Ons heilzaam sterkte geven.

Kom aan, dan volgen wij de plicht

Uit innig zielsbegeren,

Blijmoedig onze taak verricht

Doet levensvreugd vermeren.

Hoera, hoera, klinkt ons gezang

 De gymnastiek, zij leve lang!

 

 

(1) eventueel: Zusters. Turnsters.

 

Terug naar overzicht

Twee kameraden

(tekst: Corn.A, Galesloot / muziek: O.S. van der Veen

(met dank aan Jan Radstake voor het sturen van de tekst)

Ons doesje Fidèl En poes Pieternel,

Dat zijn er twee dikke vrinden;

Soms kan je ze saam in de mand of voor ’t raam,

Gezelligjes spelende vinden.

 

Het joligste spel van Nel en Fidèl

Is, als zij aan ’t buitelen raken,

Om dat onze poes zich met ’t staartje van Does

Een oogenblik dacht te vermaken.

 

Zij eten tevreê uit één bak met z’n twee

En gunnen mekaar wel een stukje.

Als ’t kacheltje gloeit of het zonnetje broeit,

Dan doen ze tezamen een tukje.

 

Terug naar overzicht

Twee kleine poesjes (De twee bengels)

(H. Kriebel)

Wij hebben twee kleine poesjes
Met pootjes zo zacht als fluweel
De kleinste die noemen we Bobby
En de andere dikzak heet Neel
En de andere dikzak heet Neel

Laatst waren we ze nergens te vinden
Toen zijn we aan 't zoeken gegaan
We keken in alle hoeken
Waar kwamen ze denk je vandaan
Waar kwamen ze denk je vandaan

Wit Neeltje lag in de turfmand
En Bob lag bij popje in bed
Wij namen ze gauw mee naar binnen
En rolden haast om van de pret
En rolden haast om van de pret

 

Terug naar overzicht

Uit varen

(Hendrika van Tussenbroek)

Mijn vader's klomp is mijn scheepje

Het slootje is de zee

De wind blaast over de baren

Nu moet mijn scheepje varen

Och kon ik ook maar mee

 

Als ik erin kon zitten

En zelf de stuurman was

'k Zou flink het roer hanteren

En zeilen en laveren

En drijven op de plas

 

Terug naar overzicht

Vakantie

(met dank aan Bob van de Sande voor het sturen van de tekst)

Leve de vakantie

Zwaai met hoed en pet.

Veertien dagen rusten

O, jongens, wat een pret.

Jongens wat een pret.

 

Bokken voor de wagen,

Ezels voor de kar,

Scheuren in de kielen,

En haren in de war.

Haren in de war.

 

Was die tijd maar henen,

Zuchten Moe en Pa.

Maar ik roep van vreugde:

Hiep, hiep, hiep hoera !

Hiep, hiep, hiep hoera !!

 

Terug naar overzicht

Vakantie, vakantie, o heerlijke tijd

(met dank aan Bibi Gijswijt voor het sturen van de tekst)

Vakantie, vakantie, o heerlijke tijd,

Geen school en geen lei en geen boeken. 

Nu kunnen we trekken naar bos en naar hei,

Om bessen en bramen te zoeken.

 

Nu kunnen we opstaan voor dag en voor dauw,

Ook anders zo slaperige bengel.

En vroeg in de morgen bij het opgaan der zon,

Staan wij aan de plas met een hengel.

 

Nu spelen we voetbal op veld en op straat,

En alles wat rond is moet rollen.

Het gras in de wei is zo sappig en mals,

Daar kunnen we stoeien en dollen.

 

Maar als het na weken van pret en van jool, 

Weer tijd is om schoolwaarts te keren. 

Dan zijn we gebruind door de heerlijke zon,

En fris trekken wij aan het leren.

 

Terug naar overzicht

Van een oud-vrijertje

(J.P. Heije 1809-1876)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Jaapje, ben-je wel begoud,
Ben-je wel bezilverd, ventje ?
’t Is maar jammer, ieder kent-je
Lang, voor 60 jaren oud !
’t Hoedje schijnt-je wel te staan,
Of ge woudt uit vrijen gaan.

Wou-je ’t weeuwtje van hier naast,
’t Olijk weeuwtje licht behagen ?
Maar ze is veel te jonk van dagen,
Baasje, ’t is uw dochter haast !
Grijs en bruin, wáár dat ge ’t vindt,
Dat is zout en peper, Vrind !

Zet die krullen uit uw hoofd ! -
Lang zijt gij voor wijs gehouen;
‘k Vrees, dat, zo ge weer gaat trouwen,
Elk u stapelgek gelooft:
En je weet, het oude mal
Is nog wel het ergst van al.

 

Terug naar overzicht

Veel, meer, meest

(Leo Mens)

Wie gaarne van zijn overvloed

Den arme schenkt een matig deel,

En dat doet met een need'rig hart,

Zo een doet zeker veel.

 

En wie van 't zuur verdiende loon

Den arme graag iets af wil staan,

En dat doet met een goedig hart,

Die heeft nog meer gedaan.

 

Maar ... wie zelf het kleed der armoe draagt,

En een, die armer is dan hij

Nog bij wil staan met raad en daad,

Die doet het meest, geloof dat vrij,

Die doet het meest, geloof dat vrij.

 

Terug naar overzicht

Veertje

(met dank aan Angélique Houtman voor het sturen van de tekst)

Er was een beessie en dat beessie kon niet kakken,

Er was een veertje aan zijn poepertje blijven plakken.

Hij zei geen boe hij zei geen bah en zei geen bomen,

Hoe is dat veertje aan mijn poepertje gekomen ?

 

Toen kwam zijn moeder en zijn moeder kwam van boven,

Die heeft het veertje van zijn poepertje afgekloven.

Hij zei geen boe hij zei geen bah hij zei geen bomen,

Nu is dat veertje van mijn poepertje gekomen !

 

Terug naar overzicht

't Verdwaalde lam

Lammetje, loop je zo eenzaam te blaten
Over de hei? Over de hei?
Hoe kom je hier, zo van allen verlaten,
Bleef je niet liever daar ginds op de wei?
Lammetje, hier groeien bloemen noch gras,
Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten.
Hier is geen schaduw om onder te rusten;
En als je dan nog zo klein maar niet was!
En als je dan nog zo klein maar niet was! 

Kind'ren, ik had al zoo lang lopen spelen
Ginds op de wei! Ginds op de wei!
Altijd dat grazen begon te vervelen
'k Wou eens zien, hoe het hier was op de hei!
Ach, nu verdwaald' ik al verder en meer,
'k Zoek er mijn moedertje, 'k zoek er mijn vrinden,
'k Zoek om wat gras en wat water te vinden,
Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!
Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr! 

Schaapje, wij zullen de weg u wel leren,
Over de hei! Over de hei!
Ga maar met ons en geen leed zal je deren,
Zeker, wij brengen je weer op de wei!
Maar maak dan voort, of we laten je staan,
Moeder ziet zeker al uit, waar we toeven;
Waarlijk, ik zou haar niet graag zo bedroeven,
Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!
Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!

 

Terug naar overzicht

Vier weverkens

Vier weverkens zag men ter botermarkt gaan
En de boter die was er zo diere
Zij hadden geen duit haast meer in hunne tas
En ze kochten een pond sa vieren
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza!
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
En ze kochten een pond sa vieren

 

En als zij dat boterke hadden gekocht
Zij hadden er vier platelen
Zij spraken dat vrouwke zo vriendelijk aan
Sa, vrouwke, en wilt het ons delen
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
Sa, vrouwke, en wilt het ons delen

 

Het vrouwke dat sprak: Ja dat zal ik wel doen
Ja, zo wel als een vrouwke vol eren
Want ik wete wel wat er de weverkens zijn
En de weverkens zijn er geen heren
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
En de weverkens zijn er geen heren

 

Wat zouden de weverkens heren zijn
Zij en hebben er huize noch erven
En kruipt er een muiske in hunne schapraai
Van honger zo moet het er sterven
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
Van honger zo moet het er sterven

 

En als dan dat muiske gestorven zal zijn
Waar zullen zij het begraven
Al onder de weverkens hunne getouw
En het grafke zal rooskens dragen
Schietspoele, sjerrebekke, spoelza
Djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets
En het grafke zal rooskens dragen

 

Terug naar overzicht

Vierdaagse lied

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Wij lopen de vierdaagse mee,

Vol levens lust en moed.
Als goede lopers blijven wi,j
Altijd op goede voet.
Want wij zijn één voor allen
En allen zijn wij één.
Zo willen wij door Neerland,
En door het leven heen.

En door het leven heen.

Tiralala, Tiralala, Tiralala, Tiralala,
Tiiiraa la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la,

Tiiiraa la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la.

Natuur gaf ons een motor mee,

Van het allerbeste merk.
Gaf ons een hart en longen paar,
Gezond, gaaf, goed en sterk.
En één paar flinke benen,
Een groot geluk op aard.
Wie die niet wil gebruiken,
Is niet zo motor waard.

Is niet zo motor waard.

Tiralala, Tiralala, Tiralala, Tiralala,

Tiiiraa la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la,

Tiiiraa la, la, la, la, la, la, la, la, la, la, la.

 

Terug naar overzicht

Viooltje zacht van kleuren

(Dr. J.P. Heije/H.J. Stomp)

Viooltje, zacht van kleuren

Gij siert mijn kleine hof

Viooltje, zoet van geuren

Ik zing 'reis tot uw lof

Als alle bloempjes rusten

En sluim'ren in hun knop

Dan snuif ik nog met lusten

Uw lekk're geurtjes op

Dan snuif ik nog met lusten

Uw lekk're geurtjes op

 

En daarom steek uw kopje

Gerust maar uit het gras

Zo goed alsof je-een knopje

Van roos of lelie was

Ei, waarom weg te schuilen

Mijn kleine hartedief

Zeg, waarom zou je pruilen

Ik heb u net zo lief

Zeg, waarom zou je pruilen

Ik heb u net zo lief

 

Wie lieflijk is van wezen

En need'rig van gemoed

Dat heb ik laatst gelezen

Is dubbel schoon en goed

En daarom, zedig bloempje

Zing ik 'reis tot uw lof

En prijs u als het roempje

Het roempje van mijn hof

 

Terug naar overzicht

Vleug'len

(Dr. J.P. Heije/J.J. Viotta)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een lied .. een lied, uw leven lang !

Och mocht gij 't weten, lieve vrienden,

Dat (zij uw hart blij of bang!)

Gij beter weerklank niet kunt vinden,

Dan in Gezang,

Dan in Gezang !

 

Van wat er aâmt in veld en vloed,

Heeft niets een schooner, zaal'ger leven,

Dan 't voog'lijn, dat met frisschen moed,

In duizend lied'ren, onder 't zweven,

De Schepping groet,

De Schepping groet !

 

Of zoo het diertje u vroolijk schijn'

Omdat het Vleug'len heeft ontvangen ..

Gij vliegt zoo goed als 't Vogelijn !

Laat maar de dankbaar blijde zangen

Uw Vleug'len zijn,

Uw Vleug'len zijn !

 

Terug naar overzicht

Vliegeren

(E.P. de Boer/J.C. Anderson)

Daar gaan ze,

Daar staan ze

In held're zonneschijn,

Ze zwieren en gieren,

Elk aan een lange lijn.

 

Al hoger en hoger,

Windt af de lijn met spoed !

Pas op nou !

Da's mijn touw

Gelukkig, 't gaat nog goed !

 

De mijne, die fijne

Met sterren en een maan,

Die draait niet

En zwaait niet,

Blijft onbeweeg'lijk staan.

 

Al trek je en strek je

De lijn ook nog zo strak,

Neen, vlieger,

Mijn vlieger,

Ik houd je met gemak !

 

Terug naar overzicht

Voetballied

(M. J. Kempen-Sterkenburg/J. C, Andreae)

Hoera, het is weer Zaterdag,

Dus fijn vanmiddag vrij !

Zeg jongens, maak nu toch wat voort,

Komt vlug naar gindse wei.

Daar staat reeds 't dappere elftal klaar,

We komen al, nog even maar.

 

Zeg, jongens, 't wordt een reuze match,

Die club van d'and're school,

Die is gewis niet voor de poes,

Maar, denkt aan ons parool:

Wie beentje wipt of zooal meer,

Die gaat er uit, die speelt niet weer.

 

Daar klinkt de fluit, midvóór trapt af.

De kieper staat paraat,

Nou zeg, dat was een flinke kei,

Die recht op 't doel afgaat.

Mooi, kranig kerel, voorwaarts hup,

Die zit: één nul voor onze club.

 

Nog nimmer werd er zó gespeeld,

Nu staan wij al drie-één.

't Gaat om de eer van onze school.

Wat? weer een punt? 0 neen,

De tijd is om, de strijd voorbij,

En d' overwinnaars, dat zijn wij !

 

Terug naar overzicht

Vogelnestje

Er schommelt een wiegje in 't bloeiende hout
Een wiegje met bloemengordijntjes
Dat hebben twee vogeltjes samen gebouwd
En zie eens hoe keurig en fijntjes
Als 't windeke speelt
De loverkens streelt
Dan schommelt het tedere wiegelijn mee
Als 't scheepje op deinende zee

 

In't schommelend wiegje is 't wonder geschied
Uit d'eitjes zijn jongen geboren
Nu zingt in verrukking het gaaiken zijn lied
Een ledeke zoet om te horen
Hoe 't jubelt door 't hout
Hoe schatert door 't woud
En moedertje dekt ze van 't luisteren niet moe
Met koest'rende vleugeltjes toe

 

Terug naar overzicht

't Vogelnestje (S. Abramsz/L. Adr. van teterode))

(met dank aan Kees Veltman voor het sturen van de tekst)

Tussen witte perebloempjes,

Hangt een nestje, fijn en teêr.

En een vriend'lijk vogelvrouwtje,

Lei daarin haar eitjes neer.

Wat was nu haar vriendje blij !

Vrolijk zat hij aan haar zij:

"Tiereliere sjiet sjiet sjiet,

Tiereliere sjiet,"

Zo, zo klonk z'n lied.

 

Nu is 't feest in 't mooie nestje !

Hoor, wat lief en zacht geluid;

Kleine, tere vogelkind'ren,

Kwamen gist'ren d' eitjes uit !

Moedertje - is zo wonderblij !

Vadertje schik naderbij:

"Tiereliere sjiet sjiet sjiet,

Tiereliere sjiet,"

Zo, zo klonk z'n lied.

 

Terug naar overzicht

Vogeltje, wat zingt gij vroeg (Vroeg op)

(W. Reinkingh/J. Worp)

Vogeltje, wat zingt gij vroeg

Wat zingt gij vroeg

Wat zingt gij vroeg

Pas ontwaak ik uit mijn dromen

Of ik hoor u in de bomen

Is de dag niet lang genoeg?

Is de dag niet lang genoeg?

 

Knaap, als ik mijn morgenzang

Mijn morgenzang

Mijn morgenzang

Reeds een tijdlang heb gezongen

Komt gij uit uw bed gesprongen

Is de dag u dan te lang?

Is de dag u dan te lang?

 

Terug naar overzicht

Voor de school

(tekst: J. de Wijs / muziek: Manna de Wijs-Mouton)

(met dank aan Kees Veltman voor het sturen van de tekst)

Als in ‘t dorp de kerkklok ’t uur van vieren slaat,
gaan de kleine kloppers klakkerend door de straat.

Fladderen op  ’t schoolplein boezelaartjes bont
wirrelwarrig  dansen kindertjes blij in ’t rond.

Tra-la-la la-la-la la-la, tra la-la-la la-la-la,

tral la-la-la, tra la-la-la , tra la-la la la.

 

Meester met zijn pijpje en gepande jas
denkt aan vroeger dagen, toen hij jongen was..

En zijn karreletje slaat bezield de maat,
tot hij bij dat wijsje zelf aan ’t schuif’len gaat.

Tra-la-la la-la-la la-la, tra la-la-la la-la-la,

tral la-la-la, tra la-la-la , tra la-la la la.

 

Kareltje, de manke trekbeent moedig mee,

stolpert op zijn kloppers, heeft een pret voor twee.

En zijn klamme handje  pakt een rokje vast,
als hij ademhijgend aldoor maar hinkelpast.

Tra-la-la la-la-la la-la, tra la-la-la la-la-la,

tral la-la-la, tra la-la-la , tra la-la la la.

 

Als in ‘t dorp de kerkklok ’t uur van negen luidt,
gaan daarginds de lichten van de hoeve uit.

Staan de witte kloppers proper aan de wand,
dansen kleine kleuters saâm door ’t dromenland

Tra-la-la la-la-la la-la, tra la-la-la la-la-la,

tral la-la-la, tra la-la-la , tra la-la la la.

 

Terug naar overzicht

Voorjaar

(Annie de Hoog-Nooij/K. Hamm)

Te voorschijn nu, o Lentezon !

Verkwik ons met je stralen,

We snakken naar je warme gloed,

Verlos ons met bekwame spoed,

Van onze winterkwalen.

 

Te voorschijn nu, o Lentezon !

We zijn zo moe van 't niezen;

Gans uitgehoest en uitgekucht,

Verlangen we naar voorjaarslucht,

Laat ons niet langer kniezen.

 

Te voorschijn nu, o Lentezon !

Laat "Vader Winter" schieten,

Doe nu je dure voorjaarsplicht,

En laat ons van je gloed en licht,

Weer dankbaar eens genieten.

 

Terug naar overzicht