SeniorPlaza

Jeugdliedjes van toen

Naar buiten

(E. Lopez / F. Grothe)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Als je jong en vrolijk bent, is het leven toch zo mooi !
Alles is vol zonneschijn, heel de wereld staat in tooi !
Ergens lokt de horizon, in het Westen, Noord of Zuid !
Als je jong bent, ga er dan een keer op uit !
Naar buiten! Naar buiten !
Waar de vogels vrolijk fluiten !
Naar buiten! Naar buiten !
Laat je zorgen nu maar thuis !

 

Naar de velden, naar het bos, naar het strand en naar de hei !
Met de vogels op hun vlucht, voelen wij ons vrij en blij !
Steeds maar verder gaat je tocht, door de prachtige natuur !
In de lucht daar klinkt een lied vol jeugdig vuur !
Naar buiten ! Naar buiten …

 

Breng de nacht door in het veld; kijk die sterren daar eens staan !
Ga dan slapen in je tent; geef de groeten aan de maan !
Rek je nog een keertje uit ! 't is zo heerlijk moe te zijn !
In de dromen hoor je nog steeds dit refrein.
Naar buiten ! Naar buiten …

 

's Morgens vroeg voor dag en dauw, trekken wij er weer op uit !
Opgefrist en opgewekt; voel die zon eens op je huid !
En zo wand'len wij maar voort, over klei en veen en zand !
Met een lied, dat klinkt door 't ganse, ganse land.
Naar buiten ! Naar buiten …

 

Terug naar overzicht

Naar buiten (Een winterliedje)

(Kath. Leopold/Kor Kuiler)

Hé, lekker in de buitenlucht,

Wat heeft het flink gevroren!

De wangen pimp'len mij van kou,

En tint'len doen mij d'oren.

Lach uit den kleumer bij het vuur,

Zo'n sukkel toch, zo'n stakker,

Ons stroomt het bloed nog dubbel gauw,

Ons maakt de kou juist wakker.

  

Wie rijden kan bindt schaatsen aan

En zwiert langs gladde banen,

Op de-ijsbaan viert men vrolijk feest,

Daar wapp'ren vlag en vanen.

De sneeuw verschaft niet minder vreugd

Gaat ballen, haalt de sleden !

Wie moeizaam dijk of duin beklom,

Glijdt lustig naar beneden.

 

'k Benijd de mensen in het Zuid

Geen ziertje nu de zomer.

Neen, elke dag meer warmte maakt

Ons elke dag weer lomer.

0, wintertje, ik zou je voor

Geen schatten willen missen;

Je sneeuw, je ijs, ze zullen mij

Zo heerlijk weer verfrissen.

 

Terug naar overzicht

Naar de speeltuin

(Ned. tekst: Bob Bleyenberg/componist: Gerhard Froboess/uitvoering: o.a. Heleentje van Capelle en De Karekieten)

Af en toe gaan pa en moe
Met ons naar de speeltuin toe
Dat is voor ons kinderen
Het fijnste wat bestaat
't Is een eind bij ons vandaan
Daarom gaat de karavaan
's Morgens vroeg op weg
Dan zijn wij er niet zo laat


Refrein:
Heeft mama een goede bui
en is papa niet te lui
Nou dan gaan we naar de speeltuin
Ma draagt broodjes in een mand
Pa de trommel met verband
Ja dan gaan we naar de speeltuin
En we wippen en we draaien

En we schommelen zo fijn
tot we mis'lijk van het draaien

En de limonade zijn.
Heel de dag is het dan feest
Tot we er uit zien als een beest
En we heerlijk in de speeltuin zijn geweest

Kleine Jan valt van de wip
Valt z'n tanden door de lip
Hij brult als een wilde

Als papa verbinden wil
Mien draait in de molen rond
Jankend als een jonge hond
Want ze wil eruit

En dat ding dat staat niet stil

Refrein


Komen wij dan 's avonds thuis
Vuil van zand en stof en gruis
Dan zegt Papa boos:

Dat was beslist de laatste keer
Maar we zeuren al weer gauw:
Mama wanneer gaan we nou
Nog es naar de speeltuin?

En spoedig gaan we weer

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Naar het bos

(T. van Buul/J.C. Andreae)

We trekken vrolijk naar het bos,

Naar 't bos in zomertooi.

Daar bloeit zo menig bloementros

Aan 't smalle pad, begroeid met mos.

En door der twijgen bladerdos

Klink vogelzang zo mooi.

 

We laten graag de stad alleen,

De straten, grijs van stof.

Daar waait nooit zuiv're wind doorheen,

Daar is 't zo nauw, zo eng, zo kleen;

Daar zie je niets dan dorre steen

Van muren grauw en dof.

 

Maar hier is lucht in overvloed,

Vol reuken van het hout.

Die dennengeur geeft krachtig bloed,

Zet dus je borst uit, rept de voet.

En zingt bij 't wand'len welgemoed

Een lied ter eer van 't woud !

 

Terug naar overzicht

Natuur ligt in dromen verzonken (Avondliedje)

(Fr. Silchen)

Natuur ligt in dromen verzonken
Het maantje blikt vriendelijk neer.
En honderden sterretjes spieg'len
Zich zacht in het heldere meer.
Het windeke suist in de bomen
En wiegelt de vogels in rust.
Het bloemeke hult zich in 't lover
Door 't koeltje in sluimer gesust.

Daarginds door 't gebladerte scheem'ren
De lichten der rust'loze stad
En werpen een spookachtig schijnsel
Een dwaallicht op 't eenzame pad.
Zij roepen en lokken ons steêwaarts
Te midden van drukt'en gewoel.
Waar vriend'lijke zomernachtsstilte
Verstoord wordt door drukt' en gejoel.

Al lokt gij ook, schitt'ren de lichten
Zo vleiend naar plein en naar gracht.
Wij vlieden de woelige straten
En kiezen de rust van de nacht.
Hier willen wij volop genieten
Van 't zwijgende zomernachtsuur.
Hier willen zij zacht leren staam'len
"Hoe schoon is, o God, de natuur!".

 

Terug naar overzicht

Nu breekt uit alle twijgen

(met dank aan Jannie van 't Ende voor het sturen van de tekst)

Nu breekt uit alle twijgen

Het frisse jonge groen

De leeuweriken stijgen

De hemel tegemoet, de hemel tegemoet

En juichend klinkt op blijde toon

Natuur wat ben je wonderschoon

In Mei~ei~ei~ei~je in Mei~ei~je

In Mei~ei~ei~ei~je in Mei~ei~je

 

En als de knoppen springen

Ontwaakt het gans heelal

De vogels gaan weer zingen

De beek ruist in het dal, de beek ruist in het dal

En klat'rend klinkt op luide toon

Natuur wat ben je wonderschoon

In Mei~ei~ei~ei~je in Mei~ei~je

In Mei~ei~ei~ei~je in Mei~ei~je

 

Terug naar overzicht

Nu vlagt er de lente

(tekst/muziek: C Steenhuizen/J.C/ Andreae)

Nu vlagt er de Lente, kom mee, o kom mee !

Al zou ook de tocht je vermoeien,

Daarginds bij de duinen, niet ver van de zee,

Daar staan nu de bollen te bloeien.

Die velden te zien is een prachtig gezicht,

't  Zou zonde zijn als je 't verzaakte,

Elk bloemetje is op zichzelf een gedicht,

Een hymne aan Hem, die het maakte.

 

Wij naderen reeds, naar ons toe is de wind,

De geur reeds benevelt je zinnen.

Daar zijn de velden, je staat als verblind,

Wat moet je daar plots mee beginnen ?

O ! Zie toch, o zie me die velden eens aan,

Hoe rijk zich schakeren die kleuren.

Wie heeft al die kelkjes wel open gedaan ?

Je zwijgt bij zó wonder gebeuren.

 

Zie ! Rood, wit en blauw, dat's de vlag van je land,

En ginds nog de wimpel Oranje.

Zoek dát nog eens elders met al je verstand,

Al ging je ook zoeken in Spanje.

Geen land hier op aard, dat een schouwspel je biedt,

Als 't onvergelijklijke Bolland;

Dat vin'je in Zweden of Zwitserland niet,

Dat vin'je alleen maar in Holland !

 

Terug naar overzicht

O kijk eens door het glas

(met dank aan Gerry Meeuwsen voor het sturen van de tekst)

O kijk eens door het glas,

De straat is wit als was.

De takken buigen van de vracht,

Wat heeft het ferm gesneeuwd vannacht.

 

De bomen zijn nu net,

Jan Klaassen met zijn pet.

De kinderen hebben dolle pret.

De winter heeft de toon gezet.

 

Terug naar overzicht

O, zomer !

(T. van Buul/J.C. Andraea)

O, zomer, mooie zomer,

Wat geeft g' ons toch veel pret !

'k Speel heel de dag en droom er

Des nachts nog van in bed.

O zomer, o zomer, o zomer !

 

We dwalen langs de paden

Van 't koele schaduwwoud,

Daar glanst door d' eikebladen

Zo warm uw zonnegoud.

O zomer, o zomer, o zomer !

 

Daar zien we 't beekje snellen

Door 't groen langs grint en kei,

Daar zweven de kapellen

Zo kleurig ons voorbij.

O zomer, o zomer, o zomer !

 

Och zomer, 'k wou je vragen

Al blijf je soms eens weg:

Kom met vacantiedagen

Toch even over zeg.

O zomer, o zomer, o zomer !

 

Terug naar overzicht

Onder het dak van ons huis

versie 1

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

 

Onder het dak van ons huis,

Had een hele oude muis,

Een lief nestje gemaakt voor haar jongen,

En daar leefden ze blij,

Met de moeder erbij,

En ze dansten en zongen en sprongen.

 

De oude muis sloop heel zacht,

Naar omlaag iedere nacht,

Om wat brood uit de keuken te stelen,

En dan keerde ze vlug,

Naar de zolder terug,

Om het brood met de kleintjes te delen.

 

Maar eens op een keer,

Kwam de oude muis niet meer,

En de kleintjes die kregen geen eten,

Een ondeugende kat,

Had het muisje gevat,

En het zomaar de kop afgebeten.

 

versie 2

(met dank aan J. Kooiman voor het sturen van de tekst)

 

Onder het dak van ons huis
had een aardig klein muisje
een nestje gebouwd voor haar jongen.
Zij waren er vrij
en gelukkig en blij
en ze speelden en stoeiden en sprongen.

Elke dag, elke nacht
ging de oude heel zacht
naar de kelder om eten te stelen
Dat bracht zij dan vlug
naar de zolder terug
om het daar met de kleintjes te delen.

Maar laatst op een keer
kwam de oude niet weer
en de kleintjes die kregen geen eten.
d' Ondeugende kat
had haar toen beetgepakt
en haar zomaar de kop af gebeten.

 

Terug naar overzicht

Onder turners

(Wijze: een scheepje/J.J. Viota)

Waar turners bij elkander zijn,

Hojo, hojo ! Hojo, hojo !

Daar kun je vast vertrouwen,

Hojo, hojo ! Hojo, hojo ! Hojo, hojo, hojo !

Heerst ook gezonde levenslust,

Waarop je daad'lijk wordt belust,

En die je niet zal rouwen.

Hojo, hojo ! Hojo, hojo ! Hojo, hojo, hojo !

 

Waar turners bij elkander zijn,

Hojo, hojo ! Hojo, hojo !

Behoef je niet te vrezen

Hojo, hojo ! Hojo, hojo ! Hojo, hojo, hojo !

Voor slaap'righeid of kwezelzucht,

Daar die, in strijd met orde en tucht

Nooit onder hen mag wezen.

Hojo, hojo ! Hojo, hojo ! Hojo, hojo !

 

Waar turners bij elkander zijn,

Hojo, hojo ! Hojo, hojo !

Daar wordt ook flink gezongen,

Hojo, hojo ! Hojo, hojo ! Hojo, hojo, hojo !

Niet enkel, dat men de-armen staalt,

Want, wordt er door hen opgehaald,

Daar klinkt 't uit ijz'ren longen:

Hojo, hojo ! Hojo, hojo ! Hojo, hojo, hojo !

 

Waar ware turners samen zijn,

Hojo, hojo ! Hojo, hojo !

Daar zal je trouwe vrinden,

Hojo, hojo ! Hojo, hojo ! Hojo, hojo, hojo !

Met Hollands deugd en Hollands moed,

Met vrijheidsliefde-in merg en bloed,

Daar zal je mannen vinden.

Hojo, hojo ! Hojo, hojo ! Hojo, hojo, hojo !

 

Terug naar overzicht

Ons bootje

Hoe zachtkens glijdt ons bootje
Daar op het spieg'lend meer
De riempjes net en proper
Gaan luchtig op en neer
De golfjes kabb'len spelend
Al tegen 't bootje aan
En ginds zien wij de toren
In groene bosjes staan

Maar wie wil spelevaren
Zij wijs en welbedacht
Want menig voer in 't bootje
Die dood werd thuisgebracht
Het bootje is zo wankel
Het is zo rank en smal
Wie met gevaren spotten
Zijn beter aan de wal

 

Terug naar overzicht

Ons varken is gestorven

(UIt: "Geniet van t lied" - R.K. Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)

(met dank aan Wilma van de Laak voor het sturen van de tekst)

Ons varken is gestorven,

ons varken is gestorven.

En 't beest heeft zo geschreid, faldera,

al om die narigheid, faldera,

en 't beest heeft zo geschreid,

al om die narigheid.

 

Waar ging het van kapores.

waar ging het van kapores?

't Was vetziek beste man, faldera,

daar sterven ze-allen van, faldera,

't was vetziekbeste man,

daar sterven ze-allen van.

 

We hebben het begraven,

we hebben het begraven.

't Ligt in een vat van hout, faldera,

te midden van het zout, faldera,

't Ligt in een vat van hout,

te midden van het zout.

 

Nu komt het in de hemel,

nu komt het in de hemel.

Zijn hemel is de pan, faldera,

waar 't zich wat warmen kan, faldera,

Zijn hemel is de pan,

waar 't zich wat warmen kan.

 

Wat zullen we fijntjes smullen,

wat zullen we fijntjes smullen.

Van ribjes, worst en ham, faldera,

bij onze boterham, faldera,

Van ribjes, worst en ham,

bij onze boterham.

 

Terug naar overzicht

Ontwaak !

(canon)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ontwaak, ontwaak !

De morgen breekt aan.

Een stralende zon

Langs gouden baan.

 

Terug naar overzicht

Onz' Anna/Kleine Anna zat op majesteit/Mooi Anna

Versie 1

(met dank aan Jos de Vet voor de tekst)

 

Passage uit: “Baker- en Kinderrijmen”.

 

Een zangspel van andere aard, nog altijd verbreid in Nederland en Nederlands-talig België is ‘Onz’ Anna’, ook wel ‘Kleine Anna’, ‘Maria zat op enen steen’ of  ‘Maria en de boze jager’ genoemd.

 

Een meisje ligt op haar knieën met de handen voor haar ogen. De andere kinderen staan hand in hand om haar heen.

 

De kring zingt:

 

Onz’Anna zat op majesteit, majesteit, majesteit

Onz’Anna zat op majesteit, majesteit

 

Daar zat zij zo te wenen, wenen, wenen

Daar zat zij zo te wenen, wenen

 

Daar kwam haar lieve moeder aan, moeder aan, moeder aan

Daar kwam haar lieve moeder aan, moeder aan

 

De moeder (één uit de kring):

 

Zeg Anna, waarom ween je zo, ween je zo, ween je zo

Zeg Anna, waarom ween je zo, ween je zo

 

Anna (terwijl zij de handen voor haar ogen wegdoet):

 

Omdat ik morgen sterven moet, sterven moet, sterven moet

Omdat ik morgen sterven moet, sterven moet

 

De moeder (uit de kring op Anna toetredend):

 

Wie heeft dat jou nu wijsgemaakt, wijsgemaakt, wijsgemaakt

Wie heeft dat jou nu wijsgemaakt, wijsgemaakt

 

Anna:

 

Dat heeft de boze Frederik gezegd, Frederik gezegd, Frederik gezegd

Dat heeft de boze Frederik gezegd, Frederik gezegd

 

De kring:

 

Daar kwam de boze Frederik aan, Frederik aan, Frederik aan

Daar kwam de boze Frederik aan, Frederik aan

 

(Frederik, iemand uit de kring, gaat onder het zingen van deze regels op Anna toe)

 

Die sloeg haar toen het kopje af, kopje af, kopje af

(Frederik slaat Anna op de maat op het hoofd)

Die sloeg haar toen het kopje af, kopje af

 

 

Toen werd zij in een kistje gelegd, kistje gelegd, kistje gelegd

Toen werd zij in een kistje gelegd, kistje gelegd

 

(Anna wordt door Frederik en de moeder aan handen en voeten opgetild en neergelegd)

 

Toen werd zij nog een engeltje, engeltje, engeltje

Toen werd zij nog een engeltje, engeltje

 

(Anna loopt snel rond, de armen uitgespreid en daarmee een beweging makend alsof ze vliegt. Ze gaat vervolgens in de rij staan en het spel kan opnieuw beginnen)

-------------------------------------------------------------------------------------------

Versie 2

(met dank aan Gerda Verhagen voor de tekst)

 

Kleine Anna zat op Majesteit, Majesteit, Majesteit,

Kleine Anna zat op Majesteit, Majesteit.

 

Daar kwam haar lieve moeder aan, moeder aan, moeder aan,

Daar kwam haar lieve moeder aan, moeder aan.

 

"Zeg Anna, waarom ween jij zo, ween jij zo, ween jij zo,

Zeg Anna, waarom ween je zo, ween je zo ?"

 

"Omdat ik morgen sterven moet, sterven moet, sterven moet

Omdat ik morgen sterven moet, sterven moet."

 

"Wie heeft jou dat nou wijsgemaakt, wijsgemaakt, wijsgemaakt,

Wie heeft jou dat nou wijsgemaakt, wijsgemaakt ?"

 

"Dat deed die boze Frederik, Frederik, Frederik,

Dat deed die boze Frederik, Frederik gezegd." 

 

Daar kwam die boze Freed'rik aan, Freed'rik aan, Freed'rik aan,

Daar kwam de boze Frederik aan, Frederik aan.

 

Die heeft haar zomaar dood gedaan, dood gedaan, dood gedaan,

Die heeft haar zomaar dood gedaan, dood gedaan.

 

  Nu wordt zij in een kistje gelegd, kistje gelegd, kistje gelegd,

Nu wordt zij in een kistje gelegd, kistje gelegd.

 

Zo wordt zij nu een engeltje, engeltje, engeltje,

Zo wordt zij nu een engeltje, engeltje.

 

Een engeltje met een B ervoor, B ervoor, B ervoor,

Een engeltje met een B ervoor, B ervoor.

 

Waarschijnlijk betekent "zat op Majesteit", zij schond de Majesteit

 

Terug naar overzicht

Onze kraai

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Moeder onze kraai is dood

Hij is van zijn stokje gevallen

En hij brak daar bij zijn poot

Moeder onze kraai is dood.

 

Terug naar overzicht

Onze schoolreis

(O.G. Sterkenburg/Jac. Bonset)

Hoezee ! wij gaan naar buiten,

Nu brak de feestdag aan;

Maar wat wij vast besluiten,

Wanneer w' op reis thans gaan;

Vandaag mag niemand klagen,

Geen twist, geen zuur gezicht,

Wie ons daarmee wil plagen,

Vergeven wij 't niet licht,

Vergeven wij 't niet licht.

Vooruit, vooruit ! de pas er in,

Dat gaat eerst recht naar onze zin,

En iedereen juicht vrolijk mee:

,,Naar buiten nu, Hoezee !, Hoezee !"

 

't Was almaar sparen, sparen !

Dat ging zo week op week.

(1) Mijnheer zou 't goed bewaren,

Wat ons wel 't veiligst leek.

Wij willen recht genieten,

Of 't gaat met boot of trein,

Dat kan ons niet verdrieten,

Als wij op reis maar zijn,

Als wij op reis maar zijn.

Vooruit, vooruit ! de pas er in,

Dat gaat eerst recht naar onze zin,

En iedereen juicht vrolijk mee:

,,Naar buiten nu, Hoezee !, Hoezee !"

 

Of w' ons in 't bos begeven,

Naar heide, duin of strand,

't Is alles ons om 't even,

Want schoon is Nederland !

En keren wij bij 't vallen

Van d' avond, zwervens moe,

Dan roepen wij nog allen,

Elkander toe,

Elkander toe:

Vooruit, vooruit ! de pas er in,

Dat gaat eerst recht naar onze zin,

En iedereen juicht vrolijk mee:

,,Naar buiten nu, Hoezee !, Hoezee !"

 

(1) of: De Meester zou 't bewaren

 

Terug naar overzicht

Op de Albert Cuypstraat

(met dank aan Frank voor het sturen van de tekst)

Op de Albert Cuypstraat, staat een vrouw met vis.

Ze weet niet eens wat, een schellevis is.

 

Toen kwam er een diender, die zei mevrouw...

Dat is geen schellevis, maar kabeljauw.

 

Waarschijnlijk een lied bij het touwtje springen van rond 1900

 

Terug naar overzicht

Op de autoped

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik heb een nieuwe autoped

En daar kan ik tussenbeiden

Nog sneller dan de snelste fiets

Mee door de eerste straten

En aan het stuur, daar zit een bel

Die maakt een vrees'lijk leven

Maar gaan de mensen niet op zij

Dan wacht ik altijd even.

Want moeder zegt altijd tot ons:

"Als jullie spelen kind'ren

Maak dan maar pret zoveel je kunt

Maar nooit een ander hind'ren."

 

Terug naar overzicht

Op de schaatsenbaan

S. Maathuis-Heken / M. Hespe / B. Diamant

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Zie ze zwieren, zie ze zwaaien

Op de spiegelgladde baan.

Piet en Jetje, Mien en Betje

En daar ginder ouwe Jaan.

"Ouwe Jaantje wil je baantje

Met mij rijen ?" vraagt haar Piet.

"Leg maar op hoor,

'k Ben er goed voor

En je voelt de wind zo niet."

Zie ze zwieren, zie ze zwaaien,

't Oude mensje lacht van pret.

Stevig staat ze,

Heerlijk gaat ze,

Ja zo'n trekker past haar net !

 

 

Zie ze glijden, zie ze rijden,
Rode wangen van plezier.
Henk en Koosje, Jan en Toosje,
Rijden aan een lange slier.
Even staan ze, en dan gaan ze,
Naar de tent van ouwe Daan.
Die roept aldoor: “Koek en melk
Voor Koude Jan ! Kom leg eens aan !”
Na dat smullen, weer aan ’t sullen,
Beentje over als je kan.
Want probeer je ‘t, zeker leer je ‘t,
Wordt je ’n flinke rijder, man !

 

 

Hoor ze schreeuwen! "Nu ’t gaat sneeuwen",
Stijgt de vreugde wel ten top.
Stien en Hansje, Wim en Jansje,
Maken saâm van sneeuw een pop.
Na een uurtje, thuis bij ’t vuurtje,
Met een bord vol boerenkool,
Gaan ze gapen, bijna slapen
En een eind is aan de jool.
Neen ! Geen Frans zeg, berg dat boek weg,
IJsvakantie past ons goed.
En we rijden, en we glijden,
Morgen weer met frisse moed !

 

 

Terug naar overzicht

Op de weg naar Rome

(met dank aan Kees Veltman voor het sturen van de tekst)

Op de weg naar Rome
Daar zat een wallevisch

Al in de boomen.

Een groote roode kool,
Die speelde mooi viool.

En twee mandjes spinazie,

Die dansten hand in hand

Al in de plantazie.

 

Twee ouwe schoenen
Die zaten op een tak
Mekaar te zoenen.

En een bokkinkie en een schar,
Maakten ruzie in de bazar,
En ’t bokkinkie wou niet vechten,

Toen kreeg hij op zijn nek

Van al de knechten.

 

Twee kromme garnalen

Die sprongen op de fiets
Om de politie te halen.

En als ik me niet bedrieg,
Dan zat er een paardenvlieg
Al in de boom te slapen,
En toen ik hem wakker riep
Begon hij te gapen.

 

Een hondje met een mank pootje
Voer als commandant
Op ’t Delftsche bootje.

En een dikke witte mier
Voer mee als passagier
En toen de boot begon te draaien
Begon hij met een rode doek
Te zwaaien.

 

Twee ouwe kraaien
Die zaten op een tak

Mekaar te aaien.

En een kikker die het zag
Schoot in een luide lach.

En twee halve gekken
Die liepen op de straat
Te belletje trekken.

 

Terug naar overzicht

Op, makkers, op, de velden in (Marslied)

(T. Kruithof/Dina Appeldoorn)

Op, makkers op, de velden in,

Gedwaald door veld en dreven,

Vooruit op pad met blijde zin,

Op, de velden in, velden in.

Vooruit op pad met blij gemoed,

Voorwaarts, voorwaarts, langer niet gedraald,

Een lustig lied als morgengroet

Krachtig uitgehaald.

Hoe zingt het vrolijk vogelkijn

Zijn jub'lend lied van twijg en tak,

Zijn zang van liefd' en zonneschijn,

Doortrilt het loverdak.

Op, makkers op,

Op, makkers op !

Voorwaarts mars !

 

Waar men ook kijkt, waarheen men wijkt,

't Is fleur en kleur en leven,

In bos en hei, in veld en wei, veld en wei,

Lacht nu alles blij, alles blij.

Ja, lacht van vreugd en vrolijkheid,

Lacht van leven, lieven en jolijt,

Van weelde, schoonheid, wond're pracht.

Levenslust en kracht.

Natuur lokt nu de velden in,

Vooruit op pad met blijde zin,

Uw lustig lied weerklink', joechei,

Weerklink' door bos en hei.

Op, makkers op,

Op, makkers op !

Voorwaarts mars !

 

Terug naar overzicht

Op mars

(E.P. de Boer/J.C. Andreae)

Komt makkers op van alle kant,

Wij trekken door het zomers land.

De bongerd bloeit, de weide kleurt

En heel de wereld glanst en geurt.

De vlinders dansen door de lucht

In vrolijk vrije dwarrelvlucht.

Het is zo heerlijk, 't is zo fijn,

Bij zomerweer op 't pad te zijn.

 

Wij wand'len voort langs bos en hei

En fluiten er een deuntje bij.

Het onbekende trekt ons aan,

Wij willen al maar verder gaan.

De zon is warm, de weg is lang,

Maar daarvoor zijn we heus niet bang.

Wij zijn nog jong en vlug ter been,

Komt, trekt met ons naar buiten heen.

 

En als de late avond komt,

En enk'le bij nog zachtjes bromt

En hoog omhoog, aan 't eind der laan,

De eerste stille sterren staan,

Dan wordt het eind'lijk slapenstijd

En weten we ons een bed gespreid.

We slapen in met blijde lach,

Want morgen komt er weer een dag.

 

Terug naar overzicht

Op meisjes in de rondedans (Dansliedje)

(Marie Koenen/ Jos. Reckers)

Op, meisjes, in de rondedans,

Nu weeft een bonte bleomenkrans

En slingert in de rijen.

Wij zijn zo jong, ons hart is blij,

Dat is zo groot verblijen.

Wij zijn zo jong, ons hart is blij,

Dat is zo groot verblijen.

 

Op, meisjes, zingt een blijde wijs,

De wereld is een paradijs,

Wij dansen en wij zweven.

Wij zijn zo jong, ons hart is blij,

Dat is een vrolijk leven.

Wij zijn zo jong, ons hart is blij,

Dat is een vrolijk leven.

 

Op, mensen, zingt en danst als wij,

Komt, sluit u in de bonte rij

En zingt langs alle wegen.

Wij zijn zo jong, ons hart is blij,

Dat is een grote zegen.

Wij zijn zo jong, ons hart is blij,

Dat is een grote zegen.

 

Terug naar overzicht

Op nu, makkers (Naar buiten)

(I. Bikker/J.H. Stunz)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Op nu, makkers ! laat ons dwalen !
Op, naar buiten heengesneld !
Naar der eiken groene zalen, naar het open vrije veld,
Naar der eiken groene zalen, naar het open vrije veld.
Daar eens woonden de Bataven,
Zo eenvoudig maar zo vrij.
't Nakroost dier gespierde braven,
Vol van moed en trouw zijn wij !
't Nakroost dier gespierde braven,
Vol van moed en trouw zijn wij !

 

Komt naar buiten, laat ons dwalen !
Zingen daar naar hartelust !
Vrijer, frisser ademhalen, tot weer d'avond roept tot rust,
Vrijer, frisser ademhalen, tot weer d'avond roept tot rust.
Ja, wij zijn Batavenzonen,
Onvermoeid en onvervaard;
Laat ons dat bij 't spel reeds tonen,
Later eens voor land en haard.
Laat ons dat bij 't spel reeds tonen,
Later eens voor land en haard.

 

Terug naar overzicht

Op rolschaatsen

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Als er geen ijs is, toch treuren wij niet

Wij gaan op de schaatsen zoals jullie ziet

Je moet eens proberen hoe lekker het gaat

Zo lustig te zwieren langs plein en langs straat

 

Refrein:

Op de rolschaatsen ga je zo vlug

Je bent in een wip weer terug

Je voelt je bij 't rijden zo licht als een veer

Buiten rolschaatsen kunnen we niet meer.

 

En zijn we wat stijf van 't zitten op school

Dan gaan wij op schaatsen en maken wat jool

Wie wil 'm eens wezen we rijden gezwind

Je moet dan goed racen, totdat je 'r een vindt.

 

Refrein

 

En is 't wat koud en 't hindert ons niet

Wij gaan op schaatsen zoals jullie ziet

Wij knopen de jassen wat steviger dicht

En rijden weer verder met vrolijk gezicht.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Oude jaar

(Jacoba van Mossel/Cath. van Rennes)

Oude jaar ! o, laat ons rusten,

Omzien, eer wij verder gaan;

't Nieuwe jaar word' niet begonnen,

Eer we hebben stilgestaan.

Eer we-in ernst ons zelven vroegen:

Deed ik waarlijk, wat ik kon ?

Ben ik wijzer, beter, vromer,

Dan toen 't jaar zijn loop begon ?

 

God gaf ons Zijn zon en regen,

Gaf ons vreugde, gaf ons smart;

Maakten wij genot en lijden

Tot een zegen voor ons hart ?

Oude jaar ! de jaren vlieden,

En zij keren nimmer weer;

Ieder jaar dan vind' ons verder,

Vind' ons beter, meer en meer !

 

Terug naar overzicht

Oude spreuk

(Canon)

Eer wij wat weten, wat weten,

Zijn wij versleten, versleten, versleten.

Eer wij wat weten, zijn wij versleten.

 

Terug naar overzicht

Pak al je zorgen

(met dank aan Andreas Jaquet voor het tweede couplet)

Pak al je zorgen in je plunjezak

En fluit, fluit, fluit
Aan alle moeilijkheden heb je lak

Fluit man en 't is uit
Waarom zou je treuren

Het helpt je niet vooruit
Dus: pak al je zorgen in je plunjezak

En fluit, fluit, fluit

 

Bak eens een poets jandorie tap een mop

En fluit fluit fluit

Dat blaast de muizenissen uit je kop

Fluit man fluit z'er uit

Waarom prakizeren

Dat helpt je niets vooruit...dus

Bak eens een poets jandorie tap een mop

En fluit fluit fluit

 

Terug naar overzicht

Paling is gezond

(met dank aan L.J. van Bodegom voor het sturen van de tekst)

Als je paling eet dan wordt je weer gezond,

Als je ze proeft loopt het water uit je mond,

En ik verkoop ze reuzefijn,

'k Verkoop ze aan Nolens en Colijn,

Hinke pinke paling fijn.

 

Terug naar overzicht

Palm-pasen (G. van Vladeracken)

Palm-pasen, palm-pasen,

Versier je groene tak

Met vlaggen, koek en suikertejs,

Met linten en met ruikertjes;

Kom mee, kom mee op 't pad,

We trekken door de stad !

 

Palm-pasen, palm-pasen,

Steek bloemen op je hoed.

De klokken bim-bam-beieren,

De kipjes leggen eieren

Van chocolade zoet;

Die eitjes smaken goed !

 

Palm-pasen, palm-pasen,

Daar buiten op 't land,

Daar slepen ze de takken aan,

Daar steken ze de vuren aan,

En dansen hand in hand

Om 't paasvuur op het land !

 

Terug naar overzicht

Pastoor zijn koe

Een oud pastoor die had een koe, had een koe,

Maar zij wierd krank, ik weet niet hoe,

De pastoor zijn koe ja !

Tjoelala, tjoelala

De pastoor zijn koe, ja, ja,

Tjoelala, tjoelala

De pastoor zijn koe.

 

Zij had, zo 't schijnt de pips aan 't hart;

Zij kermde dag en nacht van smart.

Enz.

 

En Betje Kwezel, d' oude meid,

Heeft immer toe om haar geschreid.

Enz.

 

Daar werd dan eind'lijk met veel rouw,

Beslist dat men haar slachten zou.

Enz.

 

Des morgens stond zij in de stal,

Des avonds hing z' al aan de hal.

Enz.

 

Mijnheer pastoor at niet van 't beest;

Zij was hem steeds te lief geweest.

Enz.

 

De burgemeester kreeg de kop;

Hij at hem met zijn Eva op.

Enz.

 

De sekretaris kreeg de long

En zijn Madam die kreeg de tong.

Enz.

 

De koster die kwam ook al gauw,

Hij kreeg een voorpoot met de klauw.

Enz.

 

En wat er toen nog overbleef,

Kreeg ik, mijnheer pastoor zijn neef.

Enz.

 

Zo gij soms nog wat weet, mijnheer,

Dan zing maar vort, ik weet niet meer.

Enz.

 

Terug naar overzicht

Plantlied

(A. Baan)

Hoezee! vandaag is 't feest der jeugd,

Wij trekken blij naar buiten,

Waar alles tintelt nu van vreugd

En blij de vogels fluiten !

Wij nemen vork en spa ter hand,

Bewerken flink de aarde,

En fluks is menig boom geplant,

Het wordt een hele gaarde !

 

Wij planten bomen, elk doet mee,

Tot sieraad onzer wegen.

En uit ons harte stijgt de bee:

 „Zij groeien door Gods zegen."

Hun kruinen worden breed en hoog

Met schaduwrijke bladen.

Wij houden zelf een wakend oog,

Als ruwheid ze wil schaden.

 

Groei voort dan, fiere bomenrij,

Bot uit in tak en twijgen !

Laat uit uw loverdak steeds blij

Der voog'len danklied stijgen.

En zoeken wij, van dagtaak moe,

Uw lommerrijke dreven,

Wuift gij dan, bomen, koelt' ons toe,

Wilt rust en vrede ons geven.

 

Terug naar overzicht

Plantlied

O.G. Sterkenburg/J.C. Andreae)

Zeg jongens en meisjes, de feestdag is daar,

Zo lang door ons allen verwacht,

Wij trekken er vrolijk op uit met elkaar,

Want schoon is de taak, die ons wacht.

Wij denken vandaag aan geen schrift en geen boek,

Wij zetten het leren aan kant,

Want wij zijn vandaag in het bos op bezoek:

Door ons worden bomen geplant.

 

Wij nemen de vork en de spade ter hand.

Bewerken vol ijver de grond,

En spoedig is menig boompje geplant

Verrijst er een bos in het rond.

En wand'len we later dan hier nog eens heen.

Dan zeggen we dankbaar en blij:

 „Wat is het toch heerlijk dit bos in te treên,

Dit bos, meegeplant ook door mij."

 

En als dan de schaduw verkwikking ons biedt,

Van schoonheid en vreê alles spreekt,

Als klinkt in 't geboomte het vogelenlied.

Dat lieflijk de stilte verbreekt,

Dan vindt in dit lustoord de grijsheid en jeugd

Genot, dat de zorgen verbant.

En wij, ja ook wij delen mee in de vreugd

Van 't bos, door ons samen geplant.

 

Terug naar overzicht

Pluk de dag

(D. van der Meer / P. Lustenhouwer)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Pluk de dag en sluit de deur,
Span de spieren van je kuiten.
Snuif de frisse bloemengeur,
Hoor de vogels fluiten.
Holdri-jéhé! holdri-joho !
Zet je zorgen aan de kant.
Holdri- jéhé! holdri-joho !

 


Zwerf door zonnig Nederland !

Wees geen modepop, die thuis bij moessie plakt
Met 'n boord tot aan je kin;
Zoek de vrijheid op, je rugzak ingepakt en de wijde wereld in.
Als bloemen geuren in duizend kleuren,
Dan heeft ’t leven in de stad geen zin !

 

 

Pluk de dag ...

 

 

Haal ’n frisse snuit, gebruind door zon en wind
Op je tocht langs duin en strand;
Kijk je ogen uit, op alles wat je vindt in je eigen vaderland;
Ga zelf ontdekken de mooie plekken,
Die niet te vinden zijn in boek of krant.

 

Pluk de dag ...

 

Terug naar overzicht

Pollie

(Zuid-Afrikaans)

(met dank aan Henk Best voor het sturen van de tekst)

Pollie Pollie Pollie  ons gaan Perrel toe, Perrel toe,

Pollie Pollie Pollie ons gaan Perrel toe, Perrel toe,

Pollie, Pollie, Pollie, Pollie, Pollie ons gaan Perrel toe.

 

Pollie gaan ons Perrel toe, Wat gaan zij daar maak ?

Zij gaan naar haar kerrel toe, son dat iemand raak.

En wat sal die wereld sè, Pollie gaan alleen,

Zij sal aan die wereld sè, skeer vir mij part heen !

 

Terug naar overzicht

Potje met vet

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik heb een potje met vet,

Al op de tafel gezet.

Ik heb een potje, potje, potje, potje vèèèèt

Al op de tafel gezet.

 

Tè rè rè

 

Dit is het tweede couplet, 

Ik heb een potje met vet,

Ik heb een potje, potje, potje, potje vèèèèt

Al op de tafel gezet.

 

Tè rè rè....

 

 ....en zo kan je eindeloos doorgaan.

 

 

Terug naar overzicht

Potjeslatijn (Het zigeunermeisje)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor de tekst, liedje uit de jaren 1920 à 1925)

Ik zou laatst met mijn kleine zus eens om een boodschap gaan,

Toen we ergens in een drukke straat een meisje zagen staan.

Dat meisje zong zo lief en vol een vrolijk aardig lied,

Maar wat zij nu wel eig'lijk zong, ach dat verstond ik niet.

Zij....zij....zij....zong van:

Ei die loek hier en dan Dzjoemela die roedeldiedelda

Ei die loek hier en dan Dzjoemela die roedeldiedelda

Tsa tsa tsa roedeldiedelda, ja ja ja roedeldiedelda

Dzjoemeladieroedeldiedelda ha ha ha ha

Roedeldieda roedeldieda, dzjoemeladieroedeldiedelda ha ha ha ha.

 

Ik zag haar nog een keer of wat en hoorde 't deuntje aan,

Maar ach hoe scherp ik luist'ren mocht ik kon 't maar niet verstaan. 

Misschien was zij geen Hollands kind en sprak ze een vreemde taal, 

Ik dacht, 'k zal 't wel nooit verstaan al hoor ik het duizend maal.

Zij....zij....zij....zong van:

Ei die loek hier en dan Dzjoemela die roedeldiedelda

Ei die loek hier en dan Dzjoemela die roedeldiedelda

Tsa tsa tsa roedeldiedelda, ja ja ja roedeldiedelda

Dzjoemeladieroedeldiedelda ha ha ha ha

Roedeldieda roedeldieda, dzjoemeladieroedeldiedelda ha ha ha ha.

 

Dat deuntje wil niet uit mijn hoofd, ik zong 't mijn zusje voor

En ' t kleine ding dat zingt al mee en heus heel aardig hoor.

Waar ik ook ga of waar ik sta ik hoor maar steeds dit lied,

Ik heb het altijd in mijn oor vergeten kan ik het niet.

Ik....hoor....maar:

Ei die loek hier en dan Dzjoemela die roedeldiedelda

Ei die loek hier en dan Dzjoemela die roedeldiedelda

Tsa tsa tsa roedeldiedelda, ja ja ja roedeldiedelda

Dzjoemeladieroedeldiedelda ha ha ha ha

Roedeldieda roedeldieda, dzjoemeladieroedeldiedelda ha ha ha ha.

 

Moet ik  voor moe een boodschap doen dan zing ik onder 't gaan

En als ík 't uitgezongen heb begin 'k van voren af aan.

Ja somstijds hoor 'k in mijn droom een stem zo lief en zacht,

En die zingt dan dat deuntje ook in 't midden van de nacht.

Het....gaat....dan....van:

Ei die loek hier en dan Dzjoemela die roedeldiedelda

Ei die loek hier en dan Dzjoemela die roedeldiedelda

Tsa tsa tsa roedeldiedelda, ja ja ja roedeldiedelda

Dzjoemeladieroedeldiedelda ha ha ha ha

Roedeldieda roedeldieda, dzjoemeladieroedeldiedelda ha ha ha ha. 

 

Terug naar overzicht

Prins Robbert

(Uit: "Geniet van t lied" - R.K. Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)

(met dank aan Wilma van de Laak voor het sturen van de tekst)

Prins Robbert was een zjentelman,

een zjentelman was hij.

Zijn beentjes waren hoendertjes,

zijn kuiten waren bout,

zijn pruikje van amandeltjes,

zijn steekje van zoethout.

 

Hij had een broek van krenten an,

een rok van rijstebrij.

Zijn beentjes waren hoendertjes,

zijn kuiten waren bout,

zijn pruikje van amandeltjes,

zijn steekje van zoethout.

 

Versie 2

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk)

 

Prins Robert was een sjentelman,

Een sjentelman was hij;

Hij had een broek van krenten aan

En een rokje van rijstebrij.

Zijn beentjes waren hoendertjes,

Zijn billetjes waren bout,

Zijn handjes waren kapoendertjes

En zijn neusje was van zoethout.

Prins Robbert was een sjentelman,

Een sjentelman van zoethout.

 

 

Terug naar overzicht

Rechtop !

(Dr. J.P. Heije/J.J. Viotta)

Rechtop van lijf, rechtop van ziel,

Dat is een stand naar mijn behagen !

't Zij, dat ge-een staatsierok moogt dragen,

't Zij, dat ge-een buis draagt of een kiel;

Rechtop van lijf, rechtop van ziel.

 

En buig' men ooit zijn hoofd of knie,

't Zij dan alleen voor God den Here,

Voor elk, dien men als braver ere,

Voor ieder, dien men wijzer zie,

Voor dien slechts buig' men hoofd of knie.

 

Maar anders, recht van lijf en ziel,

In vreugd of leed door heel ons leven !

Niet links, niet rechts, maar 't hoofd geheven,

Wàt of er buig', wàt of er kniel',

Dàt 's Nederlands naar lijf en naar ziel.

 

Terug naar overzicht

Reinaard de Vos

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Reintje de Vos ging er dapper op los

Om een haan of een kipje op te sporen,

Hij had reeds zo lang gegaan, hij klaagde en hij morde

Toen er eensklaps een haan in de verte zijn kraaien liet horen.

 

Refrein:

Dat is ons vosje, dat is een slimme vos

Wanneer hij vast ligt, breekt hij gewoonweg los,

Dat is die slimme klant, ontvluchtend met verstand

Dat is het wonder van ons vaderland.

 

En Reintje de Vos op een draf erop af

Maar wat viel het hem tegen,

Daar zat nu de haan, boven in een boom wat verdriet

Want klauteren kon vosje toch helemaal niet

Maar met listen was hij niet verlegen.

 

Refrein

 

En haantje begon hij zo zacht, en

Hoe kunt ge bij nacht toch zo lieflijk zingen,

Ik kondig zei het haantje, den dag erdoor aan

Den dag riep de slimmerd hoe kan het bestaan,

Daar de nevelen ons nog omringen

Gij zijt thans een vogel van hogere rang, door uw gezang.

 

Refrein

 

Kom naar beneden dat ik u bekijken kan

Prijzen en loven,

Hij vloog naar beneden en werd gepakt

Dat de vederen stoven,

Die gevleid had die had het voor waarheid genomen

En de haan was door het vosje bedrogen.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Reuzelied

Als de grote klokke luidt

De klokke luidt

De reuze komt uit

 

Refrein:

Kere weerom, reuze reuze

Kere weerom reuzegom

 

Moeder hangt de pot op 't vier

De pot op 't vier

De reuze komt hier

 

Refrein

 

Moeder snijdt een boterham

Een boterham

De reuze is gram

 

Refrein

 

Moeder tapt het beste bier

Het beste bier

De reuze is gier

 

Refrein

 

Moeder stopt alras het vat

Alras het vat

De reuze is zat

 

Refrein

 

Moeder geeft maar kaas en brood

Maar kaas en brood

De reuze is dood

 

Refrein

 

Die daar zegt: "De reus die kom

De reus die kom"

Die liegen er om

 

Refrein

 

(vier = vuur, gram = boos, gier = begerig)

 

Terug naar overzicht

Rijp

(E.P. de Boer/J.A. Zagwijn)

De winterkaboutertjes hebben vannacht

De wereld met zilver behangen.

De tuin lijkt een sprookje in 't witte gewaad,

Gereed om een fee te ontvangen !

 

De takken der bomen, gist'ren nog kaal,

Ze zijn nu omkranst en bepereld.

De paden zijn wit en alles lijkt wel

Eén wond're sprookjeswereld.

 

Daar komt nog de zon en laat er haar licht

Blij blinken naar alle kanten.

Het glinstert en schittert alom en 't is nu

Eén wereld van diamanten !

 

Terug naar overzicht

Roken

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Er was een kleine jongen
Van nog pas zeven jaar
Die wilde wel eens roken
Eens roken een sigaar

Refrein:
Roken, roken, roken maar
Roken ja wel zo'n sigaar

Hij blies de witte wolken
Zo dapper naar omhoog
Tot het begon te draaien
Te draaien voor zijn oog

Refrein

Hij kreeg een wit gezichtje
En oh zo'n raar gevoel
Tot hij begon te tuimelen
Te tuimelen van zijn stoel

Refrein

Zijn pa vond hem daar liggen
Bij het stoeltje in de hoek
Hij zei: "Die zal wat krijgen
Wat krijgen voor zijn broek"

Refrein
 

Terug naar overzicht

Roosje op de heide

(H. Werner)

't Knaapje zag een roosje staan,
't Roosje op de heide,
' t Had zo'n kleurig kleedjen aan,
Snel is hij er heen gegaan,
't Was of het hem beidde.

Roosje, roosje, roosje, rood,
Roosjen op de heide !

 

't Knaapje zei: "Ik pluk u af,
Roosjen op de heide !"
't Roosje zei: "Ik weer u af
En ik prik u voor uw straf;
Wilt gij dat ik lijde ?"
Roosje, roosje, roosje, rood,
Roosje op de heide !

En het wilde knaapje brak
't Roosjen op de heide !
't Roosje weerde zich en stak;
Maar de knaap rukt van de tak
't Roosjen op de heide.
Roosje, roosje, roosje, rood,
Roosje op de heide !

 

Terug naar overzicht