(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Als je jong en vrolijk bent, is het
leven toch zo mooi !
Alles is vol zonneschijn, heel de wereld staat in tooi !
Ergens lokt de horizon, in het Westen, Noord of Zuid !
Als je jong bent, ga er dan een keer op uit !
Naar buiten! Naar buiten !
Waar de vogels vrolijk fluiten !
Naar buiten! Naar buiten !
Laat je zorgen nu maar thuis !
Naar de velden, naar het bos, naar het
strand en naar de hei !
Met de vogels op hun vlucht, voelen wij ons vrij en blij !
Steeds maar verder gaat je tocht, door de prachtige natuur !
In de lucht daar klinkt een lied vol jeugdig vuur !
Naar buiten ! Naar buiten …
Breng de nacht door in het veld; kijk
die sterren daar eens staan !
Ga dan slapen in je tent; geef de groeten aan de maan !
Rek je nog een keertje uit ! 't is zo heerlijk moe te zijn !
In de dromen hoor je nog steeds dit refrein.
Naar buiten ! Naar buiten …
's Morgens vroeg voor dag en dauw,
trekken wij er weer op uit !
Opgefrist en opgewekt; voel die zon eens op je huid !
En zo wand'len wij maar voort, over klei en veen en zand !
Met een lied, dat klinkt door 't ganse, ganse land.
Naar buiten ! Naar buiten …
(Ned.
tekst: Bob Bleyenberg/componist: Gerhard Froboess/uitvoering:
o.a. Heleentje van Capelle en De Karekieten)
Af en toe gaan
pa en moe
Met ons naar de speeltuin toe
Dat is voor ons kinderen
Het fijnste wat bestaat
't Is een eind bij ons vandaan
Daarom gaat de karavaan
's Morgens vroeg op weg
Dan zijn wij er niet zo laat
Refrein:
Heeft mama een goede bui
en is papa niet te lui
Nou dan gaan we naar de speeltuin
Ma draagt broodjes in een mand
Pa de trommel met verband
Ja dan gaan we naar de speeltuin
En we wippen en we draaien
En we
schommelen zo fijn
tot we mis'lijk van het draaien
En de
limonade zijn.
Heel de dag is het dan feest
Tot we er uit zien als een beest
En we heerlijk in de speeltuin zijn geweest
Kleine Jan valt van de wip
Valt z'n tanden door de lip
Hij brult als een wilde
Als papa
verbinden wil
Mien draait in de molen rond
Jankend als een jonge hond
Want ze wil eruit
En dat ding dat
staat niet stil
Refrein
Komen wij dan 's avonds thuis
Vuil van zand en stof en gruis
Dan zegt Papa boos:
Dat was beslist
de laatste keer
Maar we zeuren al weer gauw:
Mama wanneer gaan we nou
Nog es naar de speeltuin?
Natuur
ligt in dromen verzonken
Het maantje blikt vriendelijk neer.
En honderden sterretjes spieg'len
Zich zacht in het heldere meer.
Het windeke suist in de bomen
En wiegelt de vogels in rust.
Het bloemeke hult zich in 't lover
Door 't koeltje in sluimer gesust.
Daarginds
door 't gebladerte scheem'ren
De lichten der rust'loze stad
En werpen een spookachtig schijnsel
Een dwaallicht op 't eenzame pad.
Zij roepen en lokken ons steêwaarts
Te midden van drukt'en gewoel.
Waar vriend'lijke zomernachtsstilte
Verstoord wordt door drukt' en gejoel.
Al
lokt gij ook, schitt'ren de lichten
Zo vleiend naar plein en naar gracht.
Wij vlieden de woelige straten
En kiezen de rust van de nacht.
Hier willen wij volop genieten
Van 't zwijgende zomernachtsuur.
Hier willen zij zacht leren staam'len
"Hoe schoon is, o God, de natuur!".
(met
dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)
Onder
het dak van ons huis,
Had
een hele oude muis,
Een
lief nestje gemaakt voor haar jongen,
En
daar leefden ze blij,
Met
de moeder erbij,
En
ze dansten en zongen en sprongen.
De
oude muis sloop heel zacht,
Naar
omlaag iedere nacht,
Om
wat brood uit de keuken te stelen,
En
dan keerde ze vlug,
Naar
de zolder terug,
Om
het brood met de kleintjes te delen.
Maar
eens op een keer,
Kwam
de oude muis niet meer,
En
de kleintjes die kregen geen eten,
Een
ondeugende kat,
Had
het muisje gevat,
En
het zomaar de kop afgebeten.
versie 2
(met
dank aan J. Kooiman voor het sturen van de tekst)
Onder het dak van ons huis
had een aardig klein muisje
een nestje gebouwd voor haar jongen.
Zij waren er vrij
en gelukkig en blij
en ze speelden en stoeiden en sprongen.
Elke dag, elke nacht
ging de oude heel zacht
naar de kelder om eten te stelen
Dat bracht zij dan vlug
naar de zolder terug
om het daar met de kleintjes te delen.
Maar laatst op een keer
kwam de oude niet weer
en de kleintjes die kregen geen eten.
d' Ondeugende kat
had haar toen beetgepakt
en haar zomaar de kop af gebeten.
Hoe
zachtkens glijdt ons bootje
Daar op het spieg'lend meer
De riempjes net en proper
Gaan luchtig op en neer
De golfjes kabb'len spelend
Al tegen 't bootje aan
En ginds zien wij de toren
In groene bosjes staan
Maar wie wil spelevaren
Zij wijs en welbedacht
Want menig voer in 't bootje
Die dood werd thuisgebracht
Het bootje is zo wankel
Het is zo rank en smal
Wie met gevaren spotten
Zijn beter aan de wal
Een
zangspel van andere aard, nog altijd verbreid in Nederland en
Nederlands-talig België is ‘Onz’ Anna’, ook wel ‘Kleine Anna’,
‘Maria zat op enen steen’ of ‘Maria en de boze jager’
genoemd.
Een
meisje ligt op haar knieën met de handen voor haar ogen. De andere
kinderen staan hand in hand om haar heen.
De
kring zingt:
Onz’Anna
zat op majesteit, majesteit, majesteit
Onz’Anna
zat op majesteit, majesteit
Daar
zat zij zo te wenen, wenen, wenen
Daar
zat zij zo te wenen, wenen
Daar
kwam haar lieve moeder aan, moeder aan, moeder aan
Daar
kwam haar lieve moeder aan, moeder aan
De
moeder (één uit de kring):
Zeg
Anna, waarom ween je zo, ween je zo, ween je zo
Zeg
Anna, waarom ween je zo, ween je zo
Anna
(terwijl zij de handen voor haar ogen wegdoet):
Omdat
ik morgen sterven moet, sterven moet, sterven moet
Omdat
ik morgen sterven moet, sterven moet
De
moeder (uit de kring op Anna toetredend):
Wie
heeft dat jou nu wijsgemaakt, wijsgemaakt, wijsgemaakt
Wie
heeft dat jou nu wijsgemaakt, wijsgemaakt
Anna:
Dat
heeft de boze Frederik gezegd, Frederik gezegd, Frederik gezegd
Dat
heeft de boze Frederik gezegd, Frederik gezegd
De
kring:
Daar
kwam de boze Frederik aan, Frederik aan, Frederik aan
Daar
kwam de boze Frederik aan, Frederik aan
(Frederik,
iemand uit de kring, gaat onder het zingen van deze regels op Anna toe)
Die
sloeg haar toen het kopje af, kopje af, kopje af
(Frederik
slaat Anna op de maat op het hoofd)
Die
sloeg haar toen het kopje af, kopje af
Toen
werd zij in een kistje gelegd, kistje gelegd, kistje gelegd
Toen
werd zij in een kistje gelegd, kistje gelegd
(Anna
wordt door Frederik en de moeder aan handen en voeten opgetild en
neergelegd)
Toen
werd zij nog een engeltje, engeltje, engeltje
Toen
werd zij nog een engeltje, engeltje
(Anna
loopt snel rond, de armen uitgespreid en daarmee een beweging makend alsof
ze vliegt. Ze gaat vervolgens in de rij staan en het spel kan opnieuw
beginnen)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Zie ze zwieren, zie ze zwaaien
Op de spiegelgladde baan.
Piet en Jetje, Mien en Betje
En daar ginder ouwe Jaan.
"Ouwe Jaantje wil je baantje
Met mij rijen ?" vraagt haar Piet.
"Leg maar op hoor,
'k Ben er goed voor
En je voelt de wind zo niet."
Zie ze zwieren, zie ze zwaaien,
't Oude mensje lacht van pret.
Stevig staat ze,
Heerlijk gaat ze,
Ja zo'n trekker past haar net !
Zie ze glijden, zie ze rijden,
Rode wangen van plezier.
Henk en Koosje, Jan en Toosje,
Rijden aan een lange slier.
Even staan ze, en dan gaan ze,
Naar de tent van ouwe Daan.
Die roept aldoor: “Koek en melk
Voor Koude Jan ! Kom leg eens aan !”
Na dat smullen, weer aan ’t sullen,
Beentje over als je kan.
Want probeer je ‘t, zeker leer je ‘t,
Wordt je ’n flinke rijder, man !
Hoor ze schreeuwen! "Nu ’t gaat
sneeuwen",
Stijgt de vreugde wel ten top.
Stien en Hansje, Wim en Jansje,
Maken saâm van sneeuw een pop.
Na een uurtje, thuis bij ’t vuurtje,
Met een bord vol boerenkool,
Gaan ze gapen, bijna slapen
En een eind is aan de jool.
Neen ! Geen Frans zeg, berg dat boek weg,
IJsvakantie past ons goed.
En we rijden, en we glijden,
Morgen weer met frisse moed !
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Op nu, makkers ! laat ons dwalen !
Op, naar buiten heengesneld !
Naar der eiken groene zalen, naar het open vrije veld,
Naar der eiken groene zalen, naar het open vrije veld.
Daar eens woonden de Bataven,
Zo eenvoudig maar zo vrij.
't Nakroost dier gespierde braven,
Vol van moed en trouw zijn wij !
't Nakroost dier gespierde braven,
Vol van moed en trouw zijn wij !
Komt naar buiten, laat ons dwalen !
Zingen daar naar hartelust !
Vrijer, frisser ademhalen, tot weer d'avond roept tot rust,
Vrijer, frisser ademhalen, tot weer d'avond roept tot rust.
Ja, wij zijn Batavenzonen,
Onvermoeid en onvervaard;
Laat ons dat bij 't spel reeds tonen,
Later eens voor land en haard.
Laat ons dat bij 't spel reeds tonen,
Later eens voor land en haard.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Pluk de dag en sluit de deur,
Span de spieren van je kuiten.
Snuif de frisse bloemengeur,
Hoor de vogels fluiten.
Holdri-jéhé! holdri-joho !
Zet je zorgen aan de kant.
Holdri- jéhé! holdri-joho !
Zwerf door zonnig Nederland !
Wees geen modepop, die thuis bij
moessie plakt
Met 'n boord tot aan je kin;
Zoek de vrijheid op, je rugzak ingepakt en de wijde wereld in.
Als bloemen geuren in duizend kleuren,
Dan heeft ’t leven in de stad geen zin !
Pluk de dag ...
Haal ’n frisse snuit, gebruind door
zon en wind
Op je tocht langs duin en strand;
Kijk je ogen uit, op alles wat je vindt in je eigen vaderland;
Ga zelf ontdekken de mooie plekken,
Die niet te vinden zijn in boek of krant.
't Knaapje zag
een roosje staan,
't Roosje op de heide,
' t Had zo'n kleurig kleedjen aan,
Snel is hij er heen gegaan,
't Was of het hem beidde.
Roosje, roosje, roosje, rood,
Roosjen op de heide !
't Knaapje zei:
"Ik pluk u af,
Roosjen op de heide !"
't Roosje zei: "Ik weer u af
En ik prik u voor uw straf;
Wilt gij dat ik lijde ?"
Roosje, roosje, roosje, rood,
Roosje op de heide !
En het wilde knaapje brak
't Roosjen op de heide !
't Roosje weerde zich en stak;
Maar de knaap rukt van de tak
't Roosjen op de heide.
Roosje, roosje, roosje, rood,
Roosje op de heide !