Jeugdliedjes van toen
Iedere
avond
Iedere
avond trok bij buurman
Een
kwajongen aan de bel
Buurman werd daar o,zo boos om
En
hij dacht ik krijg je wel
Telkens ging hij op de loer staan
Eindelijk wist hij wie het deed
Wacht dacht buurman bij zich zelven
Morgen
dan heb ik de deugniet beet
Wacht
dacht buurman bij zich zelven
Morgen
dan heb ik de deugniet beet
Toen de jongen de andere avond
Weer
de bel te pakken had
Gooide
buurman uit het venster
't
Knaapje lief met water nat
Druipend van het koude water
Is hij op de loop gegaan
En hij heeft het na die avond
Aan
dat huis nooit meer gedaan
En hij heeft het na die avond
Aan
dat huis nooit meer gedaan
Terug
naar overzicht
IJs
(met
dank aan Wim van Rijn voor het sturen van de tekst)
Het
had al wat gevroren, maar 't ijs was nog niet goed.
Toch
staat een aardig ventje, er op met ene voet.
Met
ene voet.
Hij
zei: "Ik wil het wagen, het ijs kan mij wel dragen.
Het
ijs kan mij wel dragen, wel ja, wel ja."
Toen
ging hij aan het stampen, en hij stampt uit alle macht.
De
ijskorst van twee nachtjes, bezwijkt voor zulk een vracht.
Voor
zulk een vracht.
Krak,
krak, het is geen wonder, daar gaat hij kopje onder.
Daar
gaat hij kopje onder, o wee, o wee.
"Help,
help, ik moet verdrinken, wie redt mij uit de nood?
Help,
help, ik voel mij zinken, wie redt mij van de dood?
Mij
van de dood?''
Een
boer, die aan kwam rijden, had met hem medelijden.
Had
met hem medelijden, hoera, hoera.
Hij
pakte hem bij zijn buisje, en redde de kleine guit.
Het
water liep met stromen, zijn mouw en broekspijp uit.
Zijn
broekspijp uit.
En
thuis, in vaders hoekje, ging het voor 't natte broekje.
Ging
het voor 't natte broekje, klits klats, klits klats!
Terug
naar overzicht
Ik ben een ferme, sterke
jongen
(A. Baron / P. Kallenbach)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Ik ben een ferme, sterke jongen,
En ken gelukkig geen verdriet;
Ik heb Goddank twee goede longen,
En zing daarom een vrolijk lied:
Tra-la-la-la, Tra-la-la-la,
Tra-la-la-la, Tra-la-la-la,
Dat zing ik vroeg, dat zing ik laat,
Dat zing ik thuis en op de straat,
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.
Terug
naar overzicht
Ik ben een jong en jolig
meisje
(A. Baron / P. Kallenbach)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Ik ben een jong en jolig meisje,
En ken gelukkig geen verdriet,
Ik hoor zo graag een aardig wijsje,
En zing daarom een vrolijk lied:
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.
Ik ben vooraan bij alle pretjes,
Geen mens, die meer daarvan geniet,
Maar overal hou ik mij netjes,
En steeds fatsoenlijk is mijn lied:
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.
Mocht somtijds iemand op mij kijven,
Dan lach ik niet dat men het ziet.
Maar kan toch ernstig niet goed blijven,
En neurie zachtjes dan mijn lied:
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.
Getrouw en eerlijk wil ik wezen,
En ook aan vlijt ontbreekt het niet
In bei mijn ogen kan je ’t lezen,
En zeker hoor ’t aan mijn lied:
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.
En word ik groot en krijg ik zorgen,
En moog’lijk kommer en verdriet
‘k Zoek steun en troost op elken morgen,
Bij God den Heer en bij mijn lied:
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.
Terug
naar overzicht
Ik ben een kind van Maria
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Refrein:
Ik ben een kind van Maria, mijn moeder is zij
En elke dag zegent zij mij, zegent zij mij
Ik ben een kind van Maria, 'k herhaal het blij gezind
Ik ben Maria's kind, ja, ik ben Maria's kind
Maria heeft mij aangenomen
Maria de hemelvorstin
Ja, ik zal in de hemel wel komen
Indien ik die moeder bemin
Refrein
Waar beter zal ik hulp kunnen vragen
Als ik hier gevaren ontmoet
Ja, uitkomst zal altijd mij dagen
Die moeder is immers zo goed
Refrein
Nog nooit heb gij iemand verstoten
Die hoopvol tot u was gevlucht
Dat blijft mijn vertrouwen vergroten
Zolang ik hier angstvol verzucht.
Refrein
Terug
naar overzicht
Ik ben een kleine muzikant
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Ik ben een kleine muzikant
Tarabom, tarabom dejé
Ik speel m'n liedjes langs de straat
En waar ik ook mij horen laat
Zingt ieder met mij mee
Tralala, tralala, trala, lalala
En wie ik mij ook horen laat
Zingt ieder met me mee.
Heb ik m'n wijsje uitgespeeld
Tarabom, tarabom dejé
Neem ik beleefd m'n hoedje af
En dank 'k een ieder die wat gaf
Er zegt niet eentje nee
Tralala, tralala, trala, lalala
En dank 'k een ieder die wat gaf
Er zegt niet eentje nee.
Dan ga ik naar een and're buurt
Tarabom, tarabom dejé
En overal in ied're straat
Daar dansen kind'ren op de maat
En zingen z'allen mee
Tralala, tralala, trala, lalala
Daar dansen kind'ren op de maat
En zingen z'allen mee.
Zo ga ik dan de hele dag
Tarabom, tarabom dejé
Ik stoor me niet aan weer of wind
Maar 'k ben de vriend van ieder kind
Ze fluiten met me mee
Tralala, tralala, trala, lala
Maar 'k ben de vriend van ieder kind
Ze fluiten met me mee.
Terug
naar overzicht
Ik had zo'n mooie racefiets
(met dank aan Gonny Nedermeyer voor
het sturen van de tekst)
Ik had zo'n mooie racefiets,
Maar die heb ik nu niet meer.
Een agent al in een straatje,
Vroeg aan mij mijn belastingplaatje.
En nu heb ik geen racefiets meer,
Nu heb ik geen racefiets meer.
Terug
naar overzicht
Ik heb een vogeltje gezien
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Versie 1
Ik heb een vogeltje gezien, dat kon
niet kakken,
Omdat een veertje aan z'n poepertje
bleef plakken.
Hij zij van hi, hij zei van bah, zei:
potdomme !
Hoe is dat veertje aan m'n poepertje
gekommen ?
Versie 2
Er was een musje en dat beessie kon
niet kakken,
Want er was een veertje aan zijn
poepertje blijven plakken.
Hij zei geen bie, hij zei geen bah,
hij zei: potdomme
Hoe is dat veertje aan mijn poepertje
gekommen ?
Terug
naar overzicht
Ik heb mijn
wagen volgeladen
Ik heb m'n wagen
volgeladen vol met oude wijven
Toen ze op de markt kwamen begonnen zij te kijven
Nooit neem ik van mijn levensdagen
Meer oude wijven op m'n wagen
Hop paardje hop
Ik heb m'n wagen volgeladen vol met oude mannen
Toen ze op de markt kwamen gingen ze Samenspannen
Nooit neem ik van mijn levensdagen
Meer oude mannen op mijn wagen
Hop paardje hop
Ik heb m'n wagen volgeladen vol met jonge meisjes
Toen ze op de markt kwamen
Zongen ze als
sijsjes
Nu neem ik van mijn levensdagen
Steeds jonge
meisjes op mijn wagen
Hop paardje hop
Terug
naar overzicht
Ik
zag Cecilia komen
Versie
1
Ik
zag Cecilia komen
Langs eenen waterkant,
Ik zag Cecilia komen
Met bloemekens in haar hand.
Zij zag naar haren herder,
Den herder Floriaan,
Die ook zijn schaapkens weidde
Langs dezelfde baan.
Cecilia ging zingen,
Haar hert docht haar 't ontspringen.
Dit hoorde haren herder,
Hij kwam bij haar terstond,
En kuste zijn Cecilia
Aan haren rooden mond.
----------------------------------------------------------------------
Versie
2
Polonaise
(1927) Paul van Ostaijen
Ik
zag Cecilia komen
Op
een zomernacht
Twee
oren om te horen
Twee
ogen om te zien
Twee
handen om te grijpen
En
verre vingers tien
Ik
zag Cecilia komen
Op
een zomernacht
Aan
haar rechterhand is Hansje
Aan
haar linkerhand is Grietje
Hansje
heeft een rozenkransje
Grietje
een vergeet-mij-nietje
De
menseneter heeft ze niet gegeten
Ik
heb ze niet vergeten
Ei
ei ik en gij
De
ezel speelt schalmei
Voor
Hansje en voor Grietje
Hansje
met zijn rozenkransje
Grietje
met haar vergeet-mij-nietje
Zijn
langs de sterren gegaan
Venus
is van koper
De
andere zijn goedkoper
De
andere zijn van blik
En
van saffraan
Is
Janneke -maan
Twee
oren om te horen
Twee
ogen om te zien
Twee
handen in het lege
En
verre vingers tien
Terug
naar overzicht
Ik zal het nooit meer doen
(uitvoering: Janneman)
(met dank aan Jannie van 't Ende
voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Ik zal het nooit meer nooit meer doen
'k Zal altijd braaf zijn
En nooit meer stout zijn
Ja ik beloof dat met een zoen
Ik zal het nooit meer, nooit meer doen
M'n moeder was zo boos op mij
Ja, wat had ik gedaan
Ik had de kraan per ongeluk
Wijd open laten staan
Het water liep de trappen af
En ging door het plafond
De kat zwom door de gangen
Als een goudvis in z'n kom
Refrein
Toen Pa de trap aan 't lakken was
Met kwast en pot vernis
Moest ik toch naar beneden toe
Oei, oei, ik stapte mis
Papa zei niks hij kon ook niet
De pot zat op z'n kop
De kwast die zag ik ook niet meer
Want vader zat er op
Refrein
Ik had m'n doos met rupsen in
De keuken neergezet
Het deksel sloot niet goed meer
Daar had ik niet opgelet
Het eten kwam op tafel
Vader riep toen, wat is dat
De rupsen zwommen in de soep
Zij namen juist een bad
Refrein
We speelden voetbal voor de school
Een aanval deden wij
Vlak achter 't doel bevond zich ook
De dorpsbeenhouwerij
Een strafschop nam ik, hup 't was goal
Ik jubelde me hees
Maar door de ruit vloog ook de bal
Tot in 't gekapte vlees
Refrein
Terug
naar overzicht
In
de smidse
(E.P.
de Boer/Bernard Diamant)
"Wat
is het fijn,
Een
smid te zijn,"
Denkt
Piet en gluurt naar binnen.
Daar
smeedt baas Flink,
Rink-kink,
rink-kink,
De
bouten en de pinnen.
Rink-kink
! rink-kink ! Rink-kink ! rink-kink !
Het
vuurtje rookt,
De
knecht die stookt
En
trekt de blaasbalg stevig.
Al
op en neer
Gaat
't elke keer,
Wat
brandt het vuur nu hevig !
Rink-kink
! rink-kink ! Rink-kink ! rink-kink !
Hoe
lustig gaat
Het
in de maat,
Het
smeden en het ronken.
De
blaasbalg kreunt,
Het
aambeeld dreunt,
En
trilt bij 't felle bonken.
Rink-kink
! rink-kink ! Rink-kink ! rink-kink !
Terug
naar overzicht
In de winkel van Sinkel
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
In de winkel van Sinkel is alles te
koop
Daar kan men krijgen: mandjes met
vijgen,
Doosje pommade, flesjes orgeade,
Hoeden en petten en damescorsetten,
Drop om te snoepen
En pillen om te poepen.
Terug
naar overzicht
In een blauwgeruite kiel (Een draaiersjongen)
(A.L. de Rop/R.Hol 1918)
In een
blauwgeruite kiel
Draaide hij aan 't grote wiel
De ganse dag
Maar Michieltjes jongenshart
Leed ondragelijke smart
A-ach, a-ach, a-ach, a-ach
Als matroosje
vlug en net
Heeft hij voet aan boord gezet
Dat hoorde zo
Naar Oostinje, naar de West
Jongens, dat gaat opperbest
Hojo, hojo, hojo, hojo
Daar staat
Hollands admiraal
Nu een man van vuur en staal
De schrik der zee
't Is een Ruiter naar den aard
Glorierijk zit hij te paard
Hoezee, hoezee, hoezee, hoezee
Terug
naar overzicht
In het land der Chinezen
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst
In het land der Chinezen, nezen
Daar zou ik willen wezen, wezen
Maar dat is toch ook niet alles, alles
Want de taal is lang niet malles,
malles:
Tsjing-tsjang tsjing-tsjang
Woetsj kalewitsjkie
Jang kang kielie kielie jang kang kielie
kielie
Tsjing-tsjang tsjing-tsjang
Woetsj kalewitsjkie
Jang kang kielie kielie ho
Hoi !
Kielie kielie
Woetsj jang ho woetsj jang ho woets jang
ho
Kielie kielie
Woetsj jang ho woetsj jang ho !
Terug
naar overzicht
In Volendam
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst
Houten klompen, houten klompen
Zijn in Volendam.
Houten klompen, houten klompen
Dragen daar de man.
De ene klomp wat stroo
De and're klomp wat hooi.
Houten klompen, houten klompen
Zijn zo mooi.
Klak, klak, klak, klak....
Wijde broeken, wijde broeken
Zijn in Volendam.
Wijde broeken, wijde broeken
Dragen daar de man.
In de ene zak een hand
In de and're zak een want.
Wijde broeken, wijde broeken
Staan parmant.
Klak, klak, klak, klak....
Rode baaitjes, rode baaitjes
Zijn in Volendam.
Rode baaitjes, rode baaitjes
Dragen daar de man.
En daarin klopt zo fier
Een hart met veel plezier.
In Volendam, in Volendam
Is zoveel zwier.
Klak, klak, klak, klak....
Terug
naar overzicht
Ja
zuster, nee zuster
Niet
met de deuren slaan,
Ja
zuster, nee zuster !
Niet
op de stoelen staan,
Ja
zuster, nee zuster !
Denk
aan de buren,
Ja
zuster, nee zuster !
't
Zijn heel dunne muren,
Ja
zuster, nee zuster !
Laten
we allemaal doen wat we graag willen
Zonder
te schreeuwen of zonder te gillen.
Doe
wat je 't liefste doet,
Ja
zuster, nee zuster !
Dan
is het altijd goed,
Ja
zuster, nee zuster !
Ja
zuster, nee zuster !
Terug
naar overzicht
Jamboreelied
1937
(met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
In negentien-drie-zeven
dan zal je wat beleven
dan komt de Jamboree in Nederland.
Dan staat uit alle landen
van alle rang en standen
de jeugd van blank en bruin hier hand en hand.
Dan zingen scouts uit Labrador, Japan en Alkmaar
op 't Nederlandsche grondgebied heel vroolijk met elkaar !
Refrein:
Jamboree, Jamboree, J-A-M-B-O-R-E-E,
Jamboree-ree-ree
Jamboree, Jamboree, wij zijn verkenners van B.-P.
De Schotten dragen rokken
de Polen wandelstokken
Hongaren hebben pluimen op hun hoed.
Amerika een rijbroek
Britsch Indië een hoofddoek
De Zweden staan die witte mutsjes goed !
Maar allen dragen in hun hart het groote ideaal
dat niet afhanklijk is van ras van land of stand of taal.
Refrein
Geert Hendrik van Dongen
Een Amsterdamsche jongen
met peenhaar en veel sproeten op 't gelaat
zoekt in dit groote leger
een ras-wasch-echte neger
als trouwe bondgenoot en kameraad.
Geert sprak geen woordje Engelsch, Jim misschien een stuk of vier
Toch ruilden ze van alles en ze hadden dik plezier.
Refrein
De wereld is vol broodnijd.
Vandaar dat men zich doodstrijdt,
We raken steeds maar dieper in 't moeras.
Een jeugdbond aller volken zal metterdaad vertolken
dat aan de jeugd een betere toekomst was.
De wereldbond van padvinders stuurt daar bewust op aan;
het spreekwoord zegt nog altijd: "jong geleerd is oud gedaan."
Refrein
Terug
naar overzicht
Jan
als ruiter (twee versies)
Versie
1
Jan
mijne man zou ruiter wezen
Kon
hij geraken aan een peerd
'k
Pakke de bezem met zijnen steert
Daarvan
heeft Jan mijne man een peerd
Jan
mijne man zou ruiter wezen
Kon
hij geraken aan een peerd
Jan
mijne man zou ruiter wezen
Kon
hij geraken aan een zaâl
'k
Breke een ei en geef hem de schaal
Daarvan
heeft Jan mijne man een zaâl
Jan
mijne man zou ruiter wezen
Kon
hij geraken aan een zaâl
Jan
mijne man zou ruiter wezen
Kon
hij geraken aan een toom
'k
Neme zijn hemd en ik scheur de zoom
Daarvan
heeft Jan mijne man een toom
Jan
mijne man zou ruiter wezen
Kon
hij geraken aan een toom
Jan
mijne man zou ruiter wezen
Kon
hij geraken aan een spoor
'k
Breek enen pot en geef hem het oor
Daarvan
heeft Jan mijne man een spoor
Jan
mijne man zou ruiter wezen
Kon
hij geraken aan een spoor
Versie
2
Jan
mijne man zou ruiter worden
Jan
mijne man die had geen paard
Toen
nam hij de kat en trok 'm bij zijn staart
Toen
had Jan mijne man een paard
Jan
mijne man zou ruiter worden
Jan
mijne man die had geen zaâl
Toen
nam hij een ei en brak de schaal
Toen
had Jan mijne man een zaâl
Jan
mijne man zou ruiter worden
Jan
mijne man die had geen toom
Toen
nam hij zijn jas en scheurde een zoom
Toen
had Jan mijne man een toom
Jan
mijne man zou ruiter worden
Jan
mijne man die had geen spoor
Toen
brak hij een pot en nam het oor
Toen
had Jan mijne man een spoor
Jan
mijne man zou ruiter worden
Jan
mijne man die had geen zweep
Toen
nam hij zijn hemd en scheurde een reep
Toen
had Jan mijne man een zweep
Terug
naar overzicht
Jan
Hinnerik
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Jan Hinnerik woont op de
Langelangestraat,
op de Langelangestraat.
Hij kan maken wat-ie wil,
hij kan maken wat-ie wil.
Schiet maar jummejummestil,
schiet maar jummejummestil
En hij maakte zich een geiteke, een geiteke pardoes.
Ficolien, Ficolien, zie dat geiteke
Ficolien, Ficolien, zie dat geiteke
Een ficoficolien, een ficoficolien
en z'n deern die heet Katrien.
En z'n deern die heet Katrien,
en z'n deern die heet Katrien.
Terug
naar overzicht
Jan, mijn man, wou ruiter
worden
(Simon Abrahamsz. 1887-1924)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Jan, mijn man, wou ruiter worden,
Janneman had er geen degen;
Toen nam Jan, mijn man, een koek -
Die stak Jan al door zijn broek:
Janneman had er een degen.
Jan, mijn man,
Rij wat an,
Dat je een ruiter worden kan.
Terug
naar overzicht
Jan,
mijne man
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Jan, mijne man, dat is een vent.
Aan 't werken, aan 't werken.
Jan, mijne man, dat is een vent.
Aan het werken niet gewend.
Terug
naar overzicht
Janneman heeft zich bezeerd (Dom
Jantje)
(tekst: Willy Sassen/muziek Jacob
Hamel)
(met dank aan Thea Arkesteijn voor
het sturen van de tekst)
Janneman heeft zich bezeerd,
Hoor eens
hoe hij snikt.
Ach hij heeft zijn vingertje
Aan een
speld geprikt,
En nu roept hij au au au !
Moesje
moesje kom eens gauw !
Moeder bromt een beetje boos,
Stoute,
stoute vent,
Jij kwam aan de speldedoos
Domoor die
je bent.
Kom maar even op mijn schoot,
Ja je
vingertje ziet rood.
Nu een kus erbovenop
Nog niet over
zeg ?
Dan een lapje eromheen
Zo de pijn is
weg,
Nog een snikje, nog een traan
En het
verdriet is weer gedaan.
Terug
naar overzicht
Jeugdmars
(Schoolliedje
ca.1928)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen vande tekst)
Ons
stroomt nog fris het bloed door de aderen,
Wij
zijn nog jong en kennen geen verdriet,
Wij
heffen aan om dit te tonen,
Een
vrolijk krachtig lied.
Wat
om ons wendt of keer,
Geen
zorg drukt ons terneer,
Wij
zingen luid dat ieder ons kan horen,
Geniet,
geniet, van al wat jeugd U biedt.
Wij
blijven vast aaneen gesloten,
Geen
twist of tweedracht rukt ons wreed vanéén,
't
Gevoel van één te zijn met 'd and'ren,
Bezielt
ons steeds alleen.
Dezelfde
eed' le zin,
Neemt
onze harten in,
De
schone taak die allen wij ons stellen,
Maakt
fris, maakt sterk,
Voor
't zwaarste van ons werk.
Wanneer
dan donk're dagen komen,
Als
trager vloeit het niet meer jonge bloed,
Dan
zal een enk'le blijde lichtstraal,
Nog
koes'tren ons gemoed.
De
gulden jongenstijd (of meisjestijd),
Die
nu ons hart verblijdt,
Zal
immer door zijn schijnsel blijven geven,
Bij
't droevig zwart, van al te bittere smart.
Terug
naar overzicht
Jij komt vanavond de
deur niet meer uit
(met dank aan Jeannette Kuijer voor
het sturen van de tekst)
Jantje wou eens klimmen al over een hek,
Hij scheurde zijn broekie en liep glad voor gek.
Ging gauw naar huis toe en riep al bij de deur:
"Ach moeder kom eens kijken in mijn broekie zit een scheur."
"Dekselse jongen wat heb jij gedaan?
Heel je zondagse broek naar de maan.
Jij komt vanavond de deur niet meer uit,
Je broekie is gescheurd en je hempie steekt eruit !"
Terug
naar overzicht
Joepie
Joepie is gekomen
Joepie
Joepie is gekomen
Heeft
m'n meisje weggehaald
Maar ik zal er niet om treuren
Gauw
een ander weer gehaald.
Tralalalalala
Tralalalalala
Tralalalalala
Tralalalalala
Terug
naar overzicht
Jokkenaartje
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Jokkenaartje,
Niemand spaart je,
Omdat jokken lelijk staat.
Ieder mijdt je,
En verwijt je,
Altijd weer die leugenpraat.
Ieder zegt om jouw gejok,
"'k Houd niet van een jokkebrok"
Ieder zegt om jouw gejok,
"'k Houd niet van een jokkebrok".
Terug
naar overzicht
Jongens, meisjes, opgestaan
(A. Bon / T. v.d. Bijl)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Jongens, meisjes, opgestaan,
Wij gaan wand'len, wij gaan wand'len.
Kijkt me niet zo slaap'rig aan,
Ga mee wand'len.
Vlug wat, slapers, uit de veren !
Zijt ge nog niet in de kleren ?
Hoort, de wind bonst op de ruit,
Opstaan ! Opstaan, trekt er uit !
Wand'len is zo'n heerlijk werk,
Wij gaan wand'len, wij gaan wand'len.
Wand'len maakt je kwiek en sterk !
Ga mee wand'len.
Sterk van binnen, sterk van buiten,
Flinke longen, fikse kuiten,
Krijg je zeker vroeg of laat,
Als je veel uit wand'len gaat.
Is 't ook koud, het deert ons niet
Wij gaan wand'len, wij gaan wand'len.
Vrolijk zingen wij ons lied,
Onder 't wand'len.
Voelt, hoe snel je bloed gaat vloeien,
En hoe warm je wangen gloeien.
Laat het reeg'nen dat het giet,
Van de regen smelt je niet.
Terug
naar overzicht
Kampeerlied
(H.
Immink/J.A. Brouwer-Van Zanten)
Als
de schooldeur wordt gesloten
Na
een zware proefwerktijd,
Gaan
we allen uit kamperen,
Zijn
van alle zorg bevrijd.
Want
de zwervers en de trekkers,
De
kampeerders dat zijn wij,
Want
de zwervers en de trekkers,
De
kampeerders dat zijn wij.
Wie
ons fleurig troepje gaan ziet,
Bruingebrand
door zon en wind,
Zwaar
bepakt en vrolijk zingend,
Niemand
die vermoeid ons vindt.
Want
de zwervers en de trekkers,
De
kampeerders dat zijn wij,
Want
de zwervers en de trekkers,
De
kampeerders dat zijn wij.
Zijn
we heel de dag druk bezig,
Zijn
we vol van levenslust,
's
Avonds om het laaiend kampvuur
Komen
allen weer tot rust.
Want
de zwervers en de trekkers,
De
kampeerders dat zijn wij,
Want
de zwervers en de trekkers,
De
kampeerders dat zijn wij.
Terug
naar overzicht
Kamperen
(A.
Borstlap/Anna Wins)
Is
het weer niet altijd zonnig,
Regent
het soms dat het giet,
Zijn
er niets dan grijze wolken,
Bij
't kamperen geeft dat niet.
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen,
Hindert
zo iets vreeslijks niet !
Hindert
zo iets niet !
Zijn
je kleren niet te netjes,
Zie
je 'r uit als een bandiet,
Poets
je in geen week je schoenen,
Bij
't kamperen geeft dat niet.
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen,
Hindert
zo iets vreeslijks niet !
Hindert
zo iets niet !
Ben
je nat van top tot teen,
Als
je soms de beek in schiet,
Heb
je dan geen droge kleren,
Bij
't kamperen geeft dat niet.
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen,
Hindert
zo iets vreeslijks niet !
Hindert
zo iets niet !
Brand
je soms een keer je handen,
Als
je aardappels afgiet,
Snij
bij 't jassen in je vingers,
Bij
't kamperen geeft dat niet.
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen,
Hindert
zo iets vreeslijks niet !
Hindert
zo iets niet !
Als
het vlees niet bijster gaar is,
En
de jus 'r wat vreemd uitziet,
Als
je zand eet met spinazie,
Bij
't kamperen geeft dat niet.
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen,
Hindert
zo iets vreeslijks niet !
Hindert
zo iets niet !
Als
de piepers soms verbrand zijn,
En
het is toch geen pommes frites,
Als
de rijst met krenten koud is,
Bij
't kamperen geeft dat niet.
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen,
Hindert
zo iets vreeslijks niet !
Hindert
zo iets niet !
Zit
je mandolien te spelen,
En
je zingt het hoogste lied,
Zo
dat alles op de vlucht slaat,
Bij
't kamperen geeft dat niet.
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen,
Hindert
zo iets vreeslijks niet !
Hindert
zo iets niet !
Als
de kamptijd op zijn eind loopt,
En
je beurs raakt in de knel,
En
je moet dan honger lijden,
Bij
't kamperen geeft dat wél.
Ja,
bij het kamperen,
Ja,
bij het kamperen,
Hindert
zo iets vreeslijks wél !
Hindert
zo iets wél !
Terug
naar overzicht
Kamperen
(met dank aan Hanneke Peters voor
het sturen van de tekst)
Kamperen is de mooiste zomersport
waarvan je steeds maar jonger wordt
je trekt doorheen het mooie Vlaamse land
door bos en hei en strand.
Refrein:
Tralalala lalalalalalala…
Het slapen gaat niet altijd even best
soms lig je in een mierennest
je doet van heel de nacht geen oog meer dicht
tot aan het morgenlicht.
Refrein
Het eten is soms wel eens aangebrand
dat vinden wij zo ambetant
de leidsters zijn dan ook niet goed gezind
en drinken vlug een pint.
Refrein
Terug
naar overzicht
Kamperen
in de duinen
(O.G.
Sterkenburg/J. Mackenzie)
Een
lied, een lied, een vrolijk lied !
Dat
hoort, want kommer en verdriet
Zijn
hier in 't duin verbannen.
Als
trouwe makkers wonen wij
In
onze tent, van zorgen vrij
Tracht
elk zich hier te-ontspannen.
Van
's morgens vroeg tot 's avonds laat
Juicht
heel ons troepje in de maat:
"O
blonde duinen, weest gegroet !"
Wat
kun je meer begeren,
Dan
één van zin met blij gemoed
In
't duinland te kamperen.
Elk
kent zijn taak, ja dat staat vast !
En
trouw dient daar wel op gepast,
De
zaak is goed besproken:
Wie
't kampvuur stookt, wie water haalt,
't
Werd alles juist door ons bepaald,
En
wie de pot zal koken.
Al
brandt er soms wat aan, nou ja
We
smullen toch en zingen dra:
"O
blonde duinen, weest gegroet !"
Wat
kun je meer begeren,
Dan
één van zin met blij gemoed
In
't duinland te kamperen.
Aan
gindse duinvoet lokt de zee,
En
wie doet daaglijks graag niet mee
Aan
't baden, plassen, stoeien.
Tot
klimmen, klaut'ren steeds bereid
Gaan
wij straks dwalen wijd en zijd,
Wie
denkt er aan vermoeien.
Om
't kampvuur 's avonds toeft de rust
En
dankbaar zingen we met lust:
"O
blonde duinen, weest gegroet !"
Wat
kun je meer begeren,
Dan
één van zin met blij gemoed
In
't duinland te kamperen.
Terug
naar overzicht
Kamp-optimisme
(H.
Olman Jr./J.A. Brouwer-van Zanten)
Het
waait, het waait, hallo ons hindert dat niet,
Het
stormt, het stormt, de vreugde vermindert nog niet.
Het
plast en het plonst, het klettert maar neer en het giet,
Al
razen orkanen, bij ons geen verdriet.
Vuurtje
stoken,
Potje
koken,
Hakken,
ham'ren, slaan.
Dekens
kloppen,
Sokken
stoppen,
't
Komt er wel op aan.
Vogels
fluiten
Fijn
daar buiten,
Maar
ik mag niet mee.
Lopen,
draven,
Werken,
slaven:
'k
Heb vandaag corvée !
Terug
naar overzicht
Karretje
langs de zandweg
(Twee voerlui)
(Kees Pruis 1926)
Een karretje op
een zandweg reed
De maan scheen helder, de weg was breed
Het paardje liep met lusten
'k Wed, dat het zelf zijn weg wel vindt
De voerman lei te rusten
Ik wens je wel thuis, m'n vrind, m'n vrind
Ik wens je wel thuis, m'n vrind
Een karretje reed langs berg en dal
De nacht was donker, de weg was smal
Het paard liep met vleugels
De sneeuw jacht zweept zijn ogen blind
De voerman houdt de teugels
Ik wens je wel thuis, m'n vrind, m'n vrind
Ik wens je wel thuis, m'n vrind
Een karretje keert behouden weer
Het ander heeft er geen voerman meer
Waar mag hij zijn gebleven
'k Wed, dat je 'm op de zandweg vindt
Of moog'lijk wel daar ne-even
Hij komt niet weer thuis, die vrind, die vrind
Hij komt niet weer thuis, die vrind
Terug
naar overzicht
Kastanjes
(T. van Buul/J.C. Andreae)
Het
is een heldere dag in Mei,
De
wind waait lustig, de zon schijnt blij
Op
bloeiende paarse seringen,
En
goudenregens gele tooi
En
alles is zo mooi, zo mooi !
En
alle vogels zingen !
En
zie, hoe blauw de hemel blauwt
Boven
de weiden geel als goud,
De
zonnige, bloeiende landen,
En
zie de kastanjrbomen daar staan !
Daar
groeien witte kaarsjes aan,
Wat
zullen die kaarsjes aardig staan,
Wanneer
ze vanavond branden !
Wat
zullen die kaarsjes aardig staan,
Wanneer
ze vanavond branden !
Terug
naar overzicht
Kijk jongens kijk
daar komt de koning aan
(met dank aan H. Metz-Onstein voor het
sturen van de tekst)
Kijk jongens kijk daar komt de koning
aan,
Met vol muziek en slaande trom.
Ik zou van vreugd wel aan het dansen
willen gaan,
Want zulk een dag komt nooit weerom.
We vieren heden 't vijfentwintig-jarig
feest,
Dat Willem Drie van Neerland koning is
geweest.
En daarom klinkt van alle kant,
Lang leve Oranje en Nederland.
Terug
naar overzicht
Kijk
uit !
(Clinge Doorenbos)
Zeg
broer en zusje, als je wandelen gaat,
Kijk
dan altijd goed uit, 't is druk op de straat
Met
auto's en fietsen, met kar en met paard,
Ze
rijden en rossen met vliegende vaart !
Dus
broer en zusje, als je wandelen gaat,
Kijk
dan goed uit, 't is druk op de straat.
Zeg
broer en zusje, als je wandelen gaat,
Loop
aan de rechterkant, dan kan het geen kwaad
Met
auto's en fietsen, met kar en met paard,
Ze
rijden en rossen met vliegende vaart !
Dus
broer en zusje, als je wandelen gaat,
Kijk
dan goed uit, 't is druk op de straat.
Zeg
broer en zusje, als je wandelen gaat,
Let
dan altijd goed op, want 't is gauw te laat !
Want
auto's en fietsen en karren en paard
Ze
rijden en rossen met vliegende vaart !
Dus
broer en zusje, als je wandelen gaat,
Kijk
dan goed uit, 't is druk op de straat.
Terug
naar overzicht
Kinderlijk
geloof
(met
dank aan de Familie Van Zon voor de tekst)
Daar
trok weleer een Godsgezant
Door
dorp en stad van Engeland
Verkondigde
daar Jezus leer
Bracht
menigeen ten schaapstal weer
Eens
sprak hij voor een kinderschaar
Van
Jezus die op ’t hoogaltaar
In
’t gouden tabernakel woont
En
zich aan elk zo minzaam toont.
Strak
luisterend zat de lieve jeugd
Op
elk gelaat blonk hemelvreugd
In
menig oog een held’re traan
Zoo
innig waren ze aangedaan
De
leering eind, men gaat naar huis
Een
knaapje blijft bij het missiekruis
En
gaat als niemand zich meer toont
De
kerk weer in, waar Jezus woont
Omzichtig
treedt hij in en ziet
Of
nergens iemand hem bespiedt
Ja-fluisterd
hij-nu maar gegaan
‘k
Klop zachtjes daar bij Jezus aan
Maar
hoe hij de armpjes rekken moog
Het
gouden deurtje was te hoog
Wat
nu……voor het kind is ’t geen bezwaar
Het
klautert boven op ’t altaar
’t
Is stil…tik tik ’t klopt aan en hoort
Daar
binnen klinkt geen enkel woord
Maar
Jezus ‘k leerde nog zojuist
Dat
Gij in het tabernakel huist.
En
’t klopt al harder harder aan
Misschien
had Jezus ’t niet verstaan
Spreek
lieve Heer ach spreek nu toch
Gij
zijt hier waarom zwijgt Gij nog.
Och
Jezus spreek een enkel woord
Ik
ga van hier niet onverhoord
Mijn
Jezus ik min U toch zo zeer
Ach
luister toch eens lieve Heer
O
wonder Hij die het schuldloos kind
Zo
vaderlijk zo goddelijk mint
Niet
langer nee schijnt Jezus doof
Voor
’t kloppen van dat sterk geloof
Ja
spreekt Hij hier is Jezus woon
Ik
rust hier op een gouden troon
En
hoor naar elk vol medelij
Spreek
kindeke wat wildet gij
Och
Jezus vader is zo kwaad
Zodat
hij vloekt en ons zo slaat
Sterft
Vader zo dan moet Gij wel
Hem
eeuwig straffen in de hel.
Mijn
Jezuslief Gij zijt zo zoet
Maak
vader ook weer braaf en goed
Opdat
hij eens voor eeuwig blij
Bij
U en mij en moeder zij
En
Jezus treft die kinderbee
Ga
knaapje zegt Hij ga in vree
Ik
zorg dat vader zich bekeer
Ga
maar getroost naar moeder weer
En
’t kind gelooft dat zoete woord
’t
klimt af en spoed zich huiswaarts voort
En
huppelt straks aan moeders zij
O
als een engeltje zo blij.
Maar
s’avonds kwam bij ’t schemerlicht
De
vader van het lieve wicht
Half
schuchter naar het kerkgebouw
Het
hart vermorzeld door berouw
Daar
knielt hij voor Gods priester neer
Gods
priester geeft hem de onschuld weer
Dan
snelt hij naar zijn gade en kind
Waar
hij nu ware vreugde vindt
Terug
naar overzicht
Kind'ren,
naar buiten, het zonnetje lacht (Zomerochtendliedje)
(S. Abramz. / L. Adr.
van Tetterode)
Kind'ren,
naar buiten, het zonnetje lacht !
Ziet
toch eens rond, wat de morgen u bracht:
't
Vrolijke, zonnige leven !
't
Schittert daar buiten van blauw en van goud;
Vogeltjes
schaat'ren in 't bloeiende hout,
Vriendelijk
lachen de dreven !
Geur
stijgt ten hemel van bloesem en blad,
Mee
op het pad ! Mee op het pad !
Kind'ren
naar buiten, het veld is nog nat !
Dauw
ligt te flonk'ren op bloesem en blad,
Schitter
u vriendelijk tegen.
't
Zonlicht maakt plassen tot spiegels van goud;
Tovert
een tint'lende sluier voor 't woud,
Sprenkelt
zijn goud op de wegen.
Kind'ren
naar buiten, ontvlucht nu de stad,
Mee
op het pad ! Mee op het pad !
Kind'ren
naar buiten, natuur is zo mooi !
Ziet
toch haar rijke, haar feest'lijke tooi,
Feesttooi
in 't zomergetijde !
Paart
er uw liedjen aan 't vogelgezang,
Kort
is de zomer, maar winter duurt lang,
Zingt
er uw liedeke blijde !
Kind'ren
naar buiten, ontvlucht nu de stad,
Mee
op het pad ! Mee op het pad !
Terug
naar overzicht
Klaar-overs uit de Jordaan
(met dank aan Louise Kotten voor het
sturen van de tekst)
Wij zijn de klaar-overs uit de
Jordaan,
Klaar over, klaar over.
Met ons kun je veilig de weg over
gaan,
Klaar over, klaar over.
En is er dan een heer
Geen heer in het verkeer,
Dan zeggen wij meneer
Uwes is geen heer.
Wij zijn de klaar-overs uit de
Jordaan,
Klaar over, klaar over.
Terug
naar overzicht
Klaas
Vaak
(Anna
Fles/Cath. van Rennes)
Daar
kom ik in het schemeruur
De
trappen op geslopen,
En
doe de deur van 't slaapvertrek
Voorzichtig
open,
Goede
nacht ! Goede nacht !
Roepen
zacht kleine kind'ren.
Goede
nacht ! Goede nacht !
Roepen
zacht kleine kind'ren.
Je
kunt niet horen dat ik kom,
Zo
zacht zet ik mijn voetjes;
Ik
treed dan op hun bedjes toe,
Heel
stil, heel zoetjes.
Goede
nacht ! Sluimert zacht,
Sluimert
zacht, klinkt het teder.
Goede
nacht ! Sluimert zacht,
Sluimert
zacht, klinkt het teder.
Ik
heb een zakje vol met zand,
Dat
strooi ik hun in d' ogen,
Opdat
ze zich door zoete slaap
Verkwikken
mogen.
Goede
nacht. Rust nu zacht !
Rust
nu zacht, lieve kleinen.
Goede
nacht. Rust nu zacht !
Rust
nu zacht, lieve kleinen.
Terug
naar overzicht
Klein
Jantje
(met
dank aan Gerard van der Scheer voor de tekst)
Ik
ken een aardig ventje
Klein
Jantje van oom Koos
Zijn
mond stond altijd lachend
Niet
een zag hem ooit boos
Wanneer
wij met hem speelden
Och,
och, wat was hij blij
Maar
niemand van ons allen
Had
zoveel pret als hij
Maar
ziek werd toen klein Jantje
Heel
erg dat dokter zei
Geen
poeiers, pillen, drankjes
Niets
hielp - zo ziek was hij
Klein
Jantje is gestorven
En
oom is nu alleen
Hij
zegt: "Het is zo aak'lig
Zo
eenzaam, zo alleen."
In
't hoekje van de kamer
Verborgen
door 't gordijn
Staat
nu klein Jantje's stoeltje
Waar
zou klein Jantje zijn?
Terug
naar overzicht
Klein
Keesje gaat voor 't eerst naar school
(met
dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)
Klein
Keesje gaat voor 't eerst naar school dat is geen kleinigheidje.
Hij draagt een schooltas op zijn rug met griffels en een leitje.
Druk pratende en heel parmant, stapt Keesje aan zijn vaders hand,
Stapt Keesje aan zijn vaders hand.
Zijn mond staat geen minuutje stil, want alles wil hij weten,
Of lezen moeilijk is en hoe de juffrouw wel zal heten.
En rekenen kan hij al goed, van een tot tien wel als het moet,
Van een tot tien wel als het moet.
Maar als ze bij de schooldeur zijn, wordt kleine Kees verlegen.
De kind'ren kijken hem zo aan, daar kan hij heel niet tegen.
Hij huilt zijn hoofd in vaders jas, 'k wou dat ik thuis bij moeder was.
'k Wou dat ik thuis bij moeder was.
Terug
naar overzicht
Klein
vogelijn op groene tak
(Dr. J.P. Heije/Wilh. Smits)
Klein
vogelijn op groene tak
Wat zingt g'een rustig lied
Wij hebben in ons hele boek
Zo'n vrolijk wijsje niet
O, zeg, o zeg ons aardig beest
Wie toch uw meester is geweest
O, zeg, o zeg ons aardig beest
Wie toch uw meester is geweest
Zo zuiver zingt gij en zoo hoog
Zo keurig in de maat
En 't hart, dat popelt ons van vreugd
Wanneer uw keeltje gaat
O. zeg, o zeg ons aardig beest
Wie toch uw schepper is geweest
O. zeg, o zeg ons aardig beest
Wie toch uw schepper is geweest
Voorzeker, 't is de goede God
Die 't u heeft toevertrouwd
Opdat gij aan der blinden oor
Zijn goedheid melden zoudt
O ja wij weten aardig beest
Dat God uw meester is geweest
O ja wij weten aardig beest
Dat God uw meester is geweest
Terug
naar overzicht
Kleine
Co'tje
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Kleine Co'tje kreeg van oma
Een piano in een doos.
's Morgens zat z'in haar bedje
En sloeg zij een hele poos
Op de toetsjes en zij zong
Ping, pang, pong
Ping, pang, ping, pong
Ping, pang, pong
Ping, pang, ping, pong.
Paps en moeder werden wakker
En ook kleine broertje Piet
"Speel zoveel je wilt"zei vader
"Maar zo vroeg des morgens niet
Overdag ga dan je gang".
Ping, pong, pang
Ping, pong, ping pang
Ping, pong, pang
Ping, pong, ping, pang.
Kleine Co'tje was ondeugend
En zij speelde 's morgens weer
Pap kwam heel boos naar de stouterd
En zei "Dat 's de laatste keer
In de kast dat tingelding".
Pang, pong, ping
Pang, pong, pang, ping
Pang, pong, ping
Pang, pong, pang, ping.
Terug
naar overzicht
Kleine Dikkie Dikkie
(met dank aan Hannek Peters voor
het sturen van de tekst)
Kleine Dikkie Dikkie die was toch zo
dik
Zijn beide beentje waren als een bolle bakkersmik
Dikkie noemden hem zijn Pa en Ma
En op straat daar riepen hem de jongens na:
Kijk daar heb je nou die Dikkie, Dikkie van de hoek
Wat heeft 'ie dikke benen in zijn ouwe broek
Kleine Dikkie Dikkie schaamde zich haast dood
Sprong toen op een goeie dag in een moddersloot
Klappen kreeg hij van zijn Pa en Ma
En op straat daar riepen hem de jongens na:
Kijk daar heb je nou die Dikkie, Dikkie van de hoek
Wat heeft'ie dikke benen in zijn vieze modderbroek
Kleine Dikkie Dikkie kreeg nog meer het land
Stak toen op een mooie dag zijn hele broek in brand
Nog meer klappen kreeg hij van zijn Pa en Ma
En op straat daar riepen hem de jongens na:
Kijk daar heb je nou die Dikkie, Dikkie van de hoek
Wat heeft'ie dikke benen in zijn afgebrande broek
Kleine Dikkie Dikkie kreeg een nieuwe broek
Z'n ouwe afgebrande gooit zijn moeder in een hoek
Laat ze schelden zeiden Pa en Ma
En op straat daar riepen hem de jongens na:
Kijk daar heb je nou die Dikkie, Dikkie van de hoek
Wat heeft'ie dikke benen in zijn mooie nieuwe broek.
Terug
naar overzicht
Klepperlied
Hoor
je wel mijn kleppers gaan
'k Heb het pas geleerd
'k Kreeg het bijna niet gedaan
Maar alsmaar geprobeerd
Refrein:
Klepperde,klepperde,klep,klep,klep
Klepperde,klepperde,klep,klep,klep
'k Ben zo blij dat ik
'k
Ben zo blij dat ik
'k
Ben zo blij dat ik ze he-eb
Klepperde,klepperde,klep,klep,klep
Klepperde,klepperde,klep,klep,klep
'k Ben zo blij dat ik
'k
Ben zo blij dat ik
'k
Ben zo blij dat ik ze heb
Moeder
vind het toch zo'n kruis
't Maakt zo veel kabaal
Al dat leven hier in huis
't Is toch een schandaal
Daarom ga ik maar op straat
Met mijn vriendje Piet
Heerlijk klepp'ren op de maat
Dat geeft noot verdriet
Terug
naar overzicht
Klepperliedje
(R.W. Hudig)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Klepperdeklep ! Klepperdeklep !
Klepperdeklep !
We lopen in de zon en in de regen
We klepperen fleurig in de maat
We zijn bij geen buitje verlegen
En blijven ’t liefst op de straat
En zijn onze schoenen of klompen wat lek
Klepperdeklep, klepperdeklep, klepperdeklep, klep, klep !
En loopt ons ’t water wat kil langs de nek
Klepperdeklep, klep, klep, klep, klep, klep, klep, klep !
We drogen wel weer en ’t doet ons geen kwaad
We klepp’ren zo graag langs de straat
We drogen wel weer en ’t doet ons geen kwaad
We klepp’ren zo graag langs de straat !
Klepperdeklep! Klepperdeklep!
Klepperdeklep !
En vallen in ’t najaar de blâ’ren
We blijven klepp’ren bij ‘t lied
Al stuift ons de sneeuw in de haren
Voor winterkou wijken we niet
Bij kachels ons broeien ? We leken wel gek !
Klepperdeklep, klepperdeklep, klepperdeklep, klep, klep
We rusten wel uit bij een stoep of een hek
Klepperdeklep, klep, klep, klep, klep, klep, klep, klep !
Laat dansen de hagel, hij doet ons geen kwaad
We klepp’ren en blijven op straat
Laat dansen de hagel, hij doet ons geen kwaad
We klepp’ren en blijven op straat !
Terug
naar overzicht
Klets klats
(met dank aan Kees Veltman voor
het sturen van de tekst)
Het had wel wat gevroren,
Maar ’t ijs was nog niet goed.
Toch stapt een aardig ventje
Er op met eenen voet, met eenen voet
Hij zegt, ik wil het wagen,
Het ijs kan mij wel dragen,
Het ijs kan mij wel dragen, wel ja, wel ja.
Hij gaat nu aan het trappen,
En stampt uit alle macht,
Maar d’ ijskorst van twee nachtjes
Bezwijkt voor zulk een vracht, voor
zulk een vracht
Krak, krak… en is het wonder,
Daar gaat hij kopje onder,
Daar gaat hij kopje onder, o wee, o wee.
Help ! help ! ik moet verdrinken,
Ik vind hier nog de dood.
Help ! help ! ik voel me zinken, o red
mij uit de nood.
Een boer, die aan kwam rijden,
Had met hem medelijden,
Had met hem medelijden, ach, ach,.. ach, ach.
Hij pakt hem bij zijn buisje
En redt den kleinen guit.
Het water vliet bij stroomen zijn mouw en broekspijp uit,
Zijn broekspijp uit.
Maar thuis in vader's hoekje,
Daar ging 't op 't natte broekje,
Daar ging 't op 't natte broekje, klets klats, klets klats.
Terug naar overzicht
Kling, klang
(De kerk in 't Bosch)
(A. Winkler Prins/R. Hol)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Kling, klang, kling, klang.
Over 't woud galmen de klokken
Als eng'lengezang.
Vleiend met tonen van zilver en goud,
Kling, klang, kling, klang
Kling, klang, klang.
Kling, klang, kling, klang.
Statig van stem roepen de klokken.
Met strelende drang
Nadert, oh nadert, oh nadert tot Hem
Kling, klang, kling, klang
Kling, klang, klang.
Terug naar overzicht
Kling,
klang, klokkebei !
(D.
Tomkins/Cath. van Rennes)
Langs
de lange leie
Klept
de klokkebeie
In
het grote bos.
Al
haar kleine belletjes
Wit
met rode velletjes
Luiden
er op los;
Kling,
klang, klokkebei,
Morgen
is het Mei !
Kling,
klang, klokkebei,
Morgen
is het Mei !
In
de hoge hagen
Hoor
je al sinds dagen
Hoe
de merel fluit,
Merelvrouw
en mannetje
Maakten
saâm een plannetje
En
voerden 't uit:
Kling,
klang, klokkebei,
'k
Zie het eerste ei.
Kling,
klang, klokkebei,
'k
Zie het eerste ei.
In
de wijde sloten
Wriemelen
de poten
Van
het kleine goed.
Ronde,
rode spinnetjes
Zwemmen
als met vinnetjes
't
Zonlicht tegemoet.
Kling,
klang, klokkebei,
Zonlicht
maakt je blij !
Kling,
klang, klokkebei,
Zonlicht
maakt je blij !
Langs
de lange leie
Klept
de klokkebeie
In
het grote bos.
Als
je maar wilt luisteren
Hoor
je zachtjes fluisteren
Tussen
't sterremos:
Kling,
klang, klokkebei,
Morgen
is het Mei !
Kling,
klang, klokkebei,
Morgen
is het Mei !
Leie
= beek
Klokkebeie
= volksnaam voor bosbes
Terug
naar overzicht
Klip-klap-klop
(E.P.
de Boer/J.A. Zagwijn)
Het
boertje bindt zijn schoven los
En
spreidt de deel vol halmen.
Dan
grijpt hij ferm z'n vlegel vast
En
gaat het zonder talmen:
De
vlegel hoog en met een boog,
Ploft
hij op d' aren neder !
Een
wijde zwaai, een korte draai,
Klip,
klop ! daar valt hij weder.
Op
halmen grof klinkt 't dof: plof ! plof !
Het
stof stuift door de slagen
Wel
meters hoog, om met een boog
De
schuurdeur uit te jagen.
Het
graan dat wipt en hupt en hipt
Voort
onder slagenregen.
Ons
boertje zweet, dat werk maakt heet,
Geen
nood, hij kan er tegen !
Terug
naar overzicht
Klokken-klanken
(F. v.d. Elst-Boonzajer)
Hoort
de zuiv're klokken klinken
Van
de hoge torentrans.
Hoort
het liedje dat ze zingen
In
een frank en vrije dans.
Tonen
door het luchtruim zweven
Als
een twinkelend geluid.
Klokken
die hun liedjes geven,
Klokken
die hun leidjes geven,
Brengen
leven, brengen leven,
Dragen
't in de verte uit.
Als
de zuiv're klokken zingen
En
de avond is zo stil,
Is
het of mij haar gebeier
Telkenmaal
iets zeggen wil.
In
mijn ziele rijst een bede,
Rijst
een bede en een dank.
Over
mij komt rust en vrede,
Over
mij komt rust en vrede,
't
Hart zingt mede, 't hart zing mede,
Met
der klokken schoon geklank.
Terug
naar overzicht
Koeltjes
suiz'len (De Wind) (C.G.J. Geerlings)
Koeltjes
suiz'len, doen rits'len het lover
Brengen
de geuren der bloemen ons over
Winden
lenen hun diensten de mensen
Voeren
den zeeman naar 't land zijner wensen
Drijven
de schepen vlug voor zich henen
Draaien
gedienstig de molenstenen
Maar
plots'ling breekt de stormwind los
En
vliegt vernielende door het bos
En
rukt daar de takken van krachtige eiken
Vernielt
grote schepen en beukt hoge dijken
En
altijd blijkt zijn vernielende aard
Zo
doet de storm in zijn teug'loze vaart
En
altijd blijkt zijn vernielende aard
Zo
doet de storm in zijn teug'loze vaart
Terug
naar overzicht
Kom
mee naar buiten (De wielewaal)
Kom
mee naar buiten allemaal
Dan zoeken wij de wielewaal
En horen wij die muzikant
Dan is zomer weer in 't land
Dudeldjo klinkt zijn lied
Dudeldjo klinkt zijn lied
Dudeldjo en anders niet
Hij
woont in 't dichte eikenbos
Gekleed in gouden vederdos
Daar jodelt hij op zijn schalmei
Tovert onze harten blij
Dudeldjo klinkt zijn lied
Dudeldjo klinkt zijn lied
Dudeldjo en anders niet
Terug
naar overzicht
Kom
zing met mij een vrolijk lied
(Annie
de hoog-Nooij/Aug. Weiss)
Kom
zing met mij een vrolijk lied,
Een
lied van 't blijde leven !
Een
lied voor kind, voor vrouw en man,
Een
lied, dat elk begrijpen kan,
Een
lied, dat kracht zal geven !
Een
lied, dat kracht zal geven !
Een
lied, dat elk begrijpen kan,
Een
lied, dat kracht zal geven !
Kom
zing met mij een lustig lied,
Een
lied voor alle kringen.
Een
lied, dat spreekt van blijde zin,
Van
levensmoed en naastenmin,
Een
lied, dat elk elk moet zingen !
Een
lied, dat elk elk moet zingen !
Een
lied, dat spreekt van blijde zin,
Een
lied, dat elk elk moet zingen !
Kom
zing met mij een vreugdelied,
Zingt
allen dapper mede !
Een
lied, dat uit het harte klinkt,
Totdat
het heel de wereld zingt,
Een
lied, een lied van vrede !
Een
lied, een lied van vrede !
Een
lied, dat uit het harte klinkt,
Een
lied, een lied van vrede !
Terug
naar overzicht
Komt een vogel gevlogen
(met dank aan Hanneke Peters voor het
sturen van de tekst)
Komt een vogel gevlogen
Zet zich neer op mijn voet
Heeft een brief in z´n snavel,
Van mijn moeder een groet.
Lieve vogel, vlieg verder
Neem een zoen mee en een groet,
Ik kan niet met je mee,
Omdat ik hier blijven moet.
Terug
naar overzicht
Komt, laat ons zingen
(Cherubini)
(Canon)
Komt, laat ons zingen !
Zingen in koor.
Dat fris en blij ons lied weerklink' !
Wij stemmen allen in.
Begin !
Terug
naar overzicht
Komt
vrienden in het ronde
Komt vrienden in
het ronde
Minnaars van enen stiel
Ik zal u gaan verkonden
Hoe ik door 't slijperswiel
De kost verdien voor vrouw en kind
Schoon blootgesteld aan weer en wind
Refrein:
Terlierelom
terla
Van linksom rechtsom draait mijne steen
Door het roeren van mijn been
Ju ju ju ju ju ju ju ju
De smid die moet
hard werken
Gestadig voor het vier
Hij durft hem niet versterken
Met ene kan goed bier
Terwijl ik ga op mijn gemak
Soms ook wel met een lege zak
De schoenpik
stijf gezeten
Op enen pikkelstoel
Moet kaas en droog brood eten
Maar als ik nood gevoel
Dan slijp ik tot den avond toe
En zo heb ik nooit arremoe
De kleerfrik
maakt ons kleren
Voor acht stuivers per dag
Wil hij zijn loon vermeren
Hij snijdt meer dan hij mag
Maar ik met mijne slijpersteen
Ik win meer in een uur alleen
De maalder moet
graan malen
Tot in het fijnste meel
Hij doet dubbel betalen
Voor zijne droge keel
Maar ik door ijver en door vlijt
Ik win mijn brood in eerlijkheid
Mijn vrouw die
roept victoria
Over den slijpersstiel
Zij vindt de grootste gloria
In't draaien van mijn wiel
Mijn kinders hebben geen ongemak
Zij lopen met de bedelzak
Sa vrienden voor
het leste
All' ambachten zijn goed
Maar 't mijn is toch het beste
Schoon ik soms slapen moet
Op hooi en strooi in ene stal
Ik heb de kost voor niemendal
Terug
naar overzicht
Komt vrinden, op naar buiten
(J. Worp )
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Komt vrinden, op naar buiten,
Tot wand'len aangetreên;
Daar, waar de vogels fluiten,
Klink' onze zang meteen !
Een lied uit blij gemoed,
Doet ieders harte goed;
Niets klinkt zo fris, niets klinkt zo zoet,
Als 't lied uit blij gemoed.
Niets klinkt zo fris, niets klinkt zo zoet,
Als 't lied uit blij gemoed.
Komt, vrolijk nu naar buiten:
't Was vroeger koud en guur;
Maar nu de vogels fluiten,
Vernieuwd is heel natuur;
De lucht is warm en zacht,
De lieve lente lacht,
Zacht is de lucht, de lente lacht.
't blinkt al in volle pracht.
Zacht is de lucht, de lente lacht.
't blinkt al in volle pracht.
Terug
naar overzicht
Koosje
Koosje
(met
dank aan Karel van de Pol voor het sturen van de tekst)
Koosje,Koosje,
zo is mijn naam
ik
heb het in mijn broek gedaan.
Ik
ben de helft ervan verloren,
en
de helft zit vastgevroren.
Als
ik sterf, dan ben ik dood.
Dan
lig ik in mijn kistje bloot.
Dan
komen de engeltjes bij me zingen,
dan
zal ik uit mijn kistje springen.
Als
ik spring dan spring ik snel.
Naar
de hemel of naar de hel.
O
die olie van de druiven,
laat
de droefheid maar verschuiven,
laat
de droefheid maar vergaan.
Zet
de fles maar aan je lippen,
dan
kan het zo naar binnen wippen.
O,
dat voel ik aan mijn hartje.
Juffrouw,
geef me toch een kwartje!
Ik
heb gezongen en niks gehad.
Snij
dan een stuk van het verreken z’n gat.
Snij
maar diep, snij maar diep.
Snij
maar in oewe vinger niet!
(Voor
de niet-Tilburgse lezers eerst even iets over dat Koosje-Koosje. Dat was
een bedel-liedje waarmee in de kerstvakantie, op 28 december, het feest
van Onnozele Kinderen, kinderen langs de huizen trokken. Sommigen nog met
een rommelpot – een conservenblik waarover een gedroogde varkensblaas
gespannen was, met een houtje daar van tevoren met een elastiekje erom
ingestoken. Dat werd op en neer gewreven met je vingers en gaf dan een
brommend geluid.
Dat
rondtrekken om iets te krijgen was iets dat vooral voor arme kinderen
bedoeld was, maar ook anderen vonden het dikwijls leuk om te doen.
Als
het mocht van je ouders tenminste, want die vonden het wel eens te
onbehoorlijk of wilden niet graag zelf een beetje minvermogend lijken.)
Terug
naar overzicht
Krekeltje,
krekeltje in het gras (De krekel en het meisje)
(E.P. de Boer/Bernard
Diamant)
Krekeltje,
krekeltje in het gras
'k
Wou dat ik wist waar je was, waar je was
'k
Hor je nu hier, dan weer hoor ik je daar
Waar
je zit, word ik nimmer gewaar
Altijd
gaat je viooltje: kriek, kriek
Heel
de dag maak je vrolijk muziek
Heel
de dag maak je vrolijk muziek
La,
la, la, la, la, la, la, la, la, la, kriek, kriek
Meisjelief,
meisjelief, ik ben hier
'k
Zie je wel zoeken en 'k heb zo'n plezier
'k
Roep maar gedurig van kriekerde kriek
Jij
weer aan 't zoeken en ik lach me ziek
Maar
als j' al te dicht bij me komt
Dan
opeens is 't gefiedel verstomd
Dan
opeens is 't gefiedel verstomd
La,
la, la, la, la, la, la, la, la, la, kriek, kriek
Krekeltje,
krekeltje, kleine guit
Lach
jij gerust mij maar uit, mij maar uit
'k
Wilde alleen toch zo heel graag es zien
Of
het wel waar is, wat onze zus Lien
Mij
vertelt van je krekelmuziek
Maak
je die echt met je poot, kleine kriek ?
Maak
je die echt met je poot, kleine kriek ?
La,
la, la, la, la, la, la, la, la, la, kriek, kriek
Terug
naar overzicht
Kuipersliedje
(tekst: J. Dautzenberg/muziek: W. de
Lattin)
(met dank aan Andreas Jaquet voor het
sturen van de tekst
Kloppe kloppe klop
Klop de hoepels op
Tonnen moeten vaardig zijn
Voor den lekkeren Vlaamsen wijn
Ja dan schenkt de bottelier
Ons zijn besten gerstenbier
Kloppe kloppe klop 2x
Slijpen wij het beste lemmer
Smeren wij ons zagentuig
Vormen wij voor vat en emmer
Bodem repenhout en duig
Blaast maar toe, de spaanders roken
Ziet het vuur is al ontstoken
Kloppe kloppe klop 2x
Ras de duigen in hun banden
Kijk de vlammen draait ze krom
Hamert nu met vlugge handen
Loopt de tonnen om en dom
Dat zij eens met ronde buiken
In de kelder nederduiken
Kloppe kloppe klop 2x
Terug
naar overzicht
Kwajongen
(De Hoog-Nij/Moolenaar)
Je
bent een kwajongen
Zo
is er niet een
Zegt
dikwijls mijn moeder
Waar
moet het toch heen
Je
kousen vol gaten
Je
broek nu weer stuk
Dat
vader niet thuis is
Dat
is je geluk
Je
moest je wat schamen
Je
handen roetzwart
Je
pet in je broekzak
Je
haren verward
In
plaats van een veter
Een
touw in je schoen
Heb
'k ooit van m'n leven
Jij
kent geen fatsoen
Kom
moeder niet mopp'ren
Een
Hollandse guit
Die
lacht al die netheid
Zo
hartelijk uit
Mijn
goed zit vol scheuren
Mijn
knieën zijn zwart
'k
Heb alles aan flarden
Maar
héél blijft mijn hart
Terug
naar overzicht
Lang
zal hij leven
(Uit: "Geniet van t lied" - R.K.
Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)
(met dank aan Wilma van de Laak voor
het sturen van de tekst)
Lang zal hij leven in gloria, gloria,
lang zal hij leven in gloria.
Zalig zal hij sterven in gloria, gloria,
zalig zal hij sterven in gloria.
De hemel zal hij erven in gloria,
gloria,
de hemel zal hij erven in gloria.
Wij zullen er bij zijn in gloria,
gloria,
wij zullen er bij zijn in gloria.
Terug
naar overzicht
Langoor
op reis (Van Buul/Andreae)
(met dank aan Marchien Braam voor het
vierde couplet)
(met dank aan Johan Koning voor het
plaatje)
Heer
Langoor zou op reis gaan
Op
reis gaan voor plezier
't
Ging rechtuit op Parijs aan
Wel
twintig uur van hier
Hij
droeg een vuurrood jasje
Zijn
vest was blauw geruit
En
achter uit zijn broekje
Daar
stak zijn staartje uit
Hij
zei: "'k Loop langs de wegen
Nu
als een deftig heer
'k
Ben voor geen mens verlegen
Ik
vrees geen jager meer."
Hij
zag een veld met kolen
Toen
heeft hij niet getoefd
Maar
zich in 't groen verscholen
En
van de kool geproefd
Daar
liet de boer zich horen
Wat
was dat voor gerucht?
Heer
Langoor spitste d' oren
En
zette 't op de vlucht
't
Ging recht door moddersloten
Och,
och wat een ongeluk!
Heer
Langoor brak twee poten
En
't broekje scheurde stuk
Gelukkig had z 'n vrouwtje
In huis nog wel een naald
En heeft toen met een touwtje
De scheur weer toegehaald.
De dokter heeft zijn pootjes
Weer netjes opgelapt.
Hij is toen in zijn eentje
Weer naar Parijs gestapt.
Terug
naar overzicht
Langs
berg en dal
Langs
berg en dal, klinkt hoorngeschal
Met volle zuivere toon
En fors en stout, weerklinkt door 't woud
Die galm zoo schoon, zoo schoon
't Geeft schoner kleur en frisser geur
Aan alles, wat me omringd,
En 't beekje spat zijn paarlend nat
Alsof 't een liedje zingt
Genot en rust en levenslust
Daalt bij die melodij
Verdriet en smart wijkt uit het hart
En vlucht en vlucht van mij
Terug
naar overzicht
Lente
(David Tomkins/J. Mackenzie)
Lang,
lang, dreigend en bang,
Moge
de winterkou zijn,
Straks
luidt Lente de bruid,
Klokjes
van wit porcelein.
Zacht,
zacht, drijft ze de nacht
Weg
van het slapende land,
Teer
buigt ze zich neer,
Wekt
ze de bloem in de plant.
Breed,
breed, spreidt ze haar kleed,
Zoekend
ter zonne gericht,
Dus
vangt ze de kus,
Van
het belevende licht.
Blij,
blij, hoog en ter zij,
Tussen
het akkermaalshout,
Fluit
luid rondom de bruid,
Wildzang
de lof van het woud.
Terug
naar overzicht
Lente
(J.N.
van Hall/Hendrika v. Tussenbroek)
Weer
zwelt de knop, weer groent het kruid,
O
laat 'm er uit, o laat 'm er uit,
Reeds
tint'len mij de wangen.
Mij
kwelt een onverwindb're zucht
Naar
bos en beemd, naar frisse lucht,
Naar
zonnestraal en lentezangen,
Naar
zonnestraal en lentezangen.
Daar
buiten zingt het voog'lenkoor,
Mij
't loflied voor, mij 't loflied voor,
Vol
kunsteloos verlangen.
Is
't wonder, zo met bloem en kruid
Ook
't jonge hart zich open sluit
Voor
zonnestraal en lentezangen ?
Voor
zonnestraal en lentezangen ?
Terug
naar overzicht
Lentemorgen
(Dr. J.P. Heije/J. Worp)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
De lucht is blauw en groen het dal,
Viooltjes bloeien overal en lelietjes
van dalen;
't Is alles geur en fleur en kleur
En glans en gloed en stralen.
't Is alles geur en fleur en kleur
En glans en gloed en stralen.
Wees blijde nu, gij treurend hart,
Al heeft de lente lang gemard,
z' Is dubbel schoon verschenen;
Geef God den Heer nu dank en eer,
Uw winter ook vlood henen.
Geef God den Heer nu dank en eer,
Uw winter ook vlood henen.
Terug
naar overzicht
't
Lentezonnetje
(tekst/muziek:
T. Kruithof/Dina Appeldoorn)
't
Lentezonnetje is gekomen,
Tovert
groen aan alle bomen,
Strooit
in tuin, in veld, langs wegen,
Mild
een bonte bloemenregen,
Geeft
natuur weer wond're pracht,
Schoonheid,
weelde, jeugd en kracht.
't
Lentezonnetje spreidt zijn schoon,
Spreidt
zijn schoon alom ten toon.
't
Lentezonnetje speelt door 't lover,
Sprankt
door 't bos zijn lichtgetover,
Dartelt
over blad en bloemen,
Streelt
de bijen, die zacht zoemen,
Zet
natuur in kleur en pracht,
Schenkt
de wereld kleur en pracht.
't
Lentezonnetje spreidt zijn schoon,
Spreidt
zijn schoon alom ten toon.
't
Lentezonnetje zendt zijn stralen,
Over
heuv'len en door dalen,
Gluurt
verlokkend door de ruiten,
Noodt
zo vriend'lijk: "Kom, naar buiten",
Schouw
natuur in wond're pracht,
Loof
haar schoonheid, wond're pracht.
't
Lentezonnetje spreidt zijn schoon,
Spreidt
zijn schoon alom ten toon.
Terug
naar overzicht
Letst zag ik eens een
zwarte kat
(met dank aan Riet Rademakers voor
het sturen van de tekst)
Lest zag ik eens een zwarte kat
Pst, kat, fst, kat, pst ka, a- a- at,
Die nergens un wit plekske had
As flik flak vur dur gat.
Van alderie en alderie tjoeke tjoeke
tjoek,
As flik flak vur dur gat.
Terug
naar overzicht
Lieve
lente
(met dank aan Liesbeth de Nijs voor
het sturen van de tekst)
Lieve lente, schenk uw zegen
Vriend'lijk voorjaar, kom o kom !
Strooi uw bloemen allerwegen
Breng ons gras en kruid weerom
In de bossen mocht ik dwalen
Springen door 't bebloemde land
Bij de glans der zonnestralen
Spelen langs de waterrand
'k Mocht de veldfluit horen spelen
Van de herder in 't verschiet
Luisteren mocht ik naar het kwelen
Van het lustig vogellied
Terug
naar overzicht
Lolliepop
(vrij
vertaald naar het liedje van kindsterretje Shirley Temple)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
'k
Laat al mijn speelgoed staan
Poppen
kan ik niet meer zien
Iets
beters staat mij aan
Een
echte vliegmaschien
Als
ik het vliegen goed kan
Ben
'k een vliegenierster fijn
Wil
jullie dan, als het kan
Mijn
bemanning zijn.
In
mijn luchtschip lolliepop
Vlieg
ik in een wip suikerbergen op
Waar
pepermunt en bonbons
Je
zo maar oppakken kunt
Limonade
staat gereed
Ook
sukade bij de vleet
En
voor je 't weet
Land
je veilig op een chocolade reep
Kijk
een nogabol gaat aan de rol
En
een hart van fijn marsepein
Niet
te gulzig zijn, oh, oh
Anders
krijg je buikjepijn
In
mijn luchtschip lolliepop
Voor
een nachttrip, maak je bedje op
Zoet
slapen want?
We
gaan naar luilekkerland.
Terug
naar overzicht
Luilekkerland
(tekst: Bob Bleyenberg / muziek:Fred
Rauch / uitvoering: o.a. Damrakkertjes)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Kind'ren opgelet, uit is nu de
pret
Luister netjes naar mij...
In Luilekkerland, aan de
overkant
M: Kind'ren allemaal, wees niet zo
brutaal
Want de les vangt nu aan...
In Luilekkerland, aan de overkant
Hoeven we niet meer naar school te
gaan
Samen eten wij, door de rijstebrij
En dan zijn we fijn van alles af
Geen gemopper meer, geen
gecommandeer
En we krijgen nooit straf, pats !
Au !
M: Dat is ongehoord, ik ben zeer
verstoord
Wees niet zo eigenwijs...
Naar Luilekkerland, aan de
overkant
Want daar is het kinderparadijs !
K: Weg met schoolrapport en het zwarte
bord
Weg met griffel en lei...NEEE !
In Luiklekkerland, aan de overkant
Weg met de boekentas en die nare
klas
Die daarginds niet bestaan...NEEE
!
In Luiklekkerland, aan de overkant
Hoeven we niet naar school te
gaan.
K: Weg met rekenboek, nooit meer in de
hoek
Wij gaan samen op reis...JAAA !
Naar Luilekkerland, aan de
overkant
Want daar is het kinderparadijs !
Terug
naar overzicht
Maartse
buien (W.G. van de Hulst/J.W. van Setten)
Hoor
je ze jagen, de Maartse vlagen,
In
woeste vlucht ?
Zie
je ze kruien, die donkere buien,
Hoog
in de lucht ?
Hoor
je het luiden, wat wil het beduiden ?
Van
klokjes fijn ?
Zie
je ze dansen, die blijde glansen,
Van
zonneschijn ?
Zie,
't is de grimmige winter,
Die
wacht, maar verdwijnt.
Zie,
't is de schuchtere lente,
Die
lacht, en verschijnt !
Terug
naar overzicht
Madeliefje
(S. Abramsz./L. Adr. van Tetterode)
Mooi
kransje van zilveren straaltjes,
Met
hartje van glinsterend goud,
Wat
staat ge daar lieflijk te pralen,
Met
fonkelende drupjes bedauwd.
Wit
sterretje in fris groene weide,
Wat
schittert ge lieflijk en rein;
Hoe
blinkt er in 't vriendelijke zonlicht
Uw
kroontje zo teder en fijn !
Lief
bloemetje, schoonste van alle,
Zacht
wieg'lend, als 't windje u kust,
O,
maak met uw stralende schoonheid
Mijn
venster tot plekje van lust.
En
stillekens zal ik aanschouwen
Uw
smetteloos wit en uw goud;
Eerbiedig
bewond'rend genieten
De
pracht, die gij need'rig ontvouwt.
Terug
naar overzicht
Makkers op
(wandelllied)
Met dank aan Marchiem Braam voor het
sturen van de tekst)
Makkers op de rugzak om de schouder
Stemt een lied op lust en heerlijkheid
Door de nevel straalt de zon als gouden
Vink en lijster orgelen om strijd
Blaast de fluiten slaat de luiten
Overstemt het zorgen koor
Wij marcheren wij marcheren wij
marcheren
Heel de wijde wereld door
Wij marcheren wij marcheren
Wij marcheren de wijde wereld door
Van de zon geblonde heuveltoppen
Waait het lachen over wijde land
Wees gegroet gij steden en gij sloppen
Plicht en arbeid springen uit de band
Blaast de fluiten slaat de luiten
Overstemt het zorgen koor
Wij marcheren wij marcheren
Wij marcheren heel de wijde wereld door
Wij marcheren wij marcheren
Wij marcheren de wijde wereld door
Ons is 't heilig donker van de wouden
Ons der heide rood scharlaken kleed
Ons het gouden golven van het koren
Heel de aarde licht voor ons gereed
Blaast de fluiten slaat de luiten
Overstemt het zorgen koor
Wij marcheren wij marcheren
Wij marcheren heel de wijde wereld door
Wij marcheren wij marcheren
Wij marcheren de weide wereld door
Terug
naar overzicht
Mama
'k wil een man hè
Mama
'k wil een man hè
Wat voor man, mijn lieve kind
Wil jij dan een Duitse man
Nee
mama nee
Een Duitse man, die wil ik nie
Want zwijnevlees, dat lust ik nie
Dit is mijn plezier, met een boerjong kerel hier
Mama 'k wil een man hè
Wat voor man, mijn lieve kind
Wil jij dan een Franse man
Nee
mama nee
Een Franse man, die wil ik nie
Want parlez voux versta ik nie
Dit is mijn plezier, met een boerjong kerel hier
Mama 'k wil een man hè
Wat voor man, mijn lieve kind
Wil jij dan die boerjong hè
Ja mama ja
Ene
boerjong wil ik hè
In zijn armen wil ik le
Dit is mijn plezier, met een boerjong kerel hier
Terug
naar overzicht
Marie,
mara
(oogstdans uit 1850)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Als hier een pot met bonen staat
En daar een pot met brie
Dan laat ik brie en bonen staan
En dans met mijn Marie.
Marie, mara, maroeskaka
Marie, mara, mara.
Marie, mara, maroeskaka
Marie, mara, mara.
Terug
naar overzicht
Marschlied
(uit "Volkszang"-Feest 1872-1912)
(J.G. Nijk/H.J. den Hartog)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Op Marsch, op marsch naar bosch en
wei,
Naar strand en blonde duinen,
Bij dans en spel vol jokkernij
Daar boven op de kruinen
Weerklinkt ons lied vol jonge vreugd,
Het lied van Neêrlands blijde jeugd,
Ho - jo, ho - jo, ho - jo, ho - jo,
Uit kelen als bazuinen,
Ho - jo, ho - jo, ho - jo, ho - jo,
Uit kelen als bazuinen.
En kijken wij omlaag in zee,
Daar zien wij scheepjes varen ...
Een schipper maakt de zeilen reê,
De wind waait in zijn haren ...
Och, lieve schipper, neem ons mee,
Ons Hollandsch hart, verhoor zijn beê,
Ho - jo, ho - jo, ho - jo, ho - jo,
Ons hart trekt naar de baren,
Ho - jo, ho - jo, ho - jo, ho - jo,
Ons hart trekt naar de baren.
Terug
naar overzicht
Meeuwen
(E.P.
de Boer/J.T. Schaddelee)
Hangend
in de lage luchten,
Waaien
witte meeuwenvluchten,
Met
de winden mee.
Krijsend
fel uit rauwe kelen,
Is
't of al die vogels spelen
Met
de wind, de zee.
Gierend,
zwierend, dan weer kerend,
Raaklings
langs een golftop scherend,
Wijd
de wieken uit.
Plots'ling
plonzend in de golven,
Onder
bruisend schuim bedolven,
Vinden
zij hun buit.
Hangend
in de grauwe luchten,
Waaien
witte meeuwenvluchten,
Langs
de wijde zee.
Zwierend
langs de lage kusten,
Al
maar verder, zonder rusten,
Met
de winden mee.
Terug
naar overzicht
Mei
(J.C.
Andreae)
De
Mei is gekomen,
De
Mei is in 't land,
Ze
toeft in de bossen en zweeft over 't strand.
De
mensen, zij zingen en voelen zich blij,
De
jeugdigen springen,
Want
't is immers Mei.
We
gaan thans het woud in,
Naar
strand of naar zee,
En
voeren de lieflijke Mei met ons mee.
De
tred wordt veerkrachtig, we voelen ons vrij,
En
't hart gloeit van vregude,
In
heerlijke Mei !
Terug
naar overzicht
Meilied
(S. Abramsz./L. Adr. van Tetterode)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
April is voorbij,
Hoezee voor de Mei !
Nu kunnen we bloemekens garen !
Nu henen gesneld
Naar 't zonnige veld.
Waar 't koeltje ons speelt door de
haren.
De velden zijn vol van den kleurigsten
schat.
Wij vlechten er kransen van bloesems
en blad,
Wij vlechten er kransen van bloesems
en blad.
April is voorbij,
Hoezee voor de Mei !
Nu kunnen de vogels niet zwijgen.
En 't lief'lijk gekweel
Uit zang'rige keel
Schalt vroolijk van takken en twijgen.
Ze jub'len en schat'ren verrukt door
elkaar:
"We hebben ons donzige nestje al klaar
!"
"We hebben ons donzige nestje al klaar
!"
April is voorbij,
Hoezee voor de Mei !
Nu valt er weer honing te puren,
De bloemekens fijn,
Ze geven festijn
En spreiden haar geuren en kleuren.
Nu klingelt weer het vroolijke bijen
gezoem
En fladd'ren de vlinders van bloempjes
tot bloem,
En fladd'ren de vlinders van bloempjes
tot bloem,
April is voorbij,
Hoezee voor de Mei !
Nu samen een liedje geheven !
Een liedeke zoet
Uit dankbaar gemoed
Een liedje van 't vroolijke leven !
Een lustig en vriendelijk liedje van
kleur,
Van bloemen en vogels, van geur en van
fleur !
Van bloemen en vogels, van geur en van
fleur !
Terug
naar overzicht
Meiliedje
(Catharina v. Rennes)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Het
sijsje:
De meimaand is in 't land, lief kind,
Kom bij me, kom naar buiten,
Dan zal ik vroolijk, U ter eer, een aardig deuntje fluiten.
Tjoek ! tjoek ! tjoek ! tjoeke tjoek ! fuït fuït,
Zoo klinkt er mijn lied, kom buiten, kom buiten, lief kindje !
Tjoeke tjoek ! fuït fuït,
Zoo klinkt er mijn lied, tjoeke tjoek ! kom buiten, lief kindje !
Het
kind:
De zon heeft mij reeds lang gewekt,
Ik kom al aan gesprongen, wat dunkt je, sijsjen,
Als wij eens te zaâm een liedje zongen ?
Tjoek! tjoek ! tjoek ! tjoeke tjoek ! fuït fuït,
Zoo klinkt ook mijn lied, daar ben ik, daar ben ik, lief sijsje !
Tjoeke tjoek fuït fuït,
Zoo klinkt ook mijn lied, tjoeke tjoek ! Daar ben ik lief sijsje !
Terug
naar overzicht
Meimorgen
(Uit Het boek voor de jeugd 1937/
tekst: P.A. Begeer (1890-1975)/muziek: J.Mackensie/Marschtempo)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Gouden Meizon straalt over d'aarde,
Morgen is 't en vinken fluiten,
De lucht is zo zuiver, het groen is zo
fris,
Nu is 't heerlijk wand'len buiten.
De lovers paarlen van den dauw.
Sering en meidoorn geuren,
De hemel is zo wijd, zo blauw,
En hoor, de merel slaat,
Zonder zorgen is de morgen,
Als de landman naar den akker gaat.
Kalvers dansen over de weide,
Duiven kirren, hanen kraaien;
Het ritselt, het ruist, uit het Oosten
komt fris
Het morgenwindje waaien.
Heel d'aarde is een zuiver feest,
Vol zang en geur en kleuren,
De Meimaand is voor mens en beest,
Een zegen boven maat.
Zonder zorgen is de morgen,
Als de hemel stralend open gaat.
Terug
naar overzicht
Mejuffrouw kip
(Springtouwliedje)
(met
dank aan Simone Davis voor het sturen van de tekst)
Versie 1
Heden overleden Mejuffrouw kip
Twee schele ogen en een hazelip
Vijfentwintig kind'ren, twaluf
getrouwd
Dertien gestikt in de havermout
Drie verdronken in de oceaan,
(of: man verdronken in de oceaan)
Jij mag nu wel hene gaan.
Van 14 kinderen keek niemand echt op
hoor, we hadden kinderen in de klas die wel uit een gezin van 16 of 18
kwamen. De goede katholieke tijd nietwaar.Bij kip en bij lip moest je hoog
springen zodat het touw twee keer onderdoor ging het tweede couplet was
hetzelfde behalve dat je dan 2 x kip en 2 x lip had. Als iemand dan heel
goed sprong en er wel vier keer kip achter elkaar klonk, nou dan kwam er
een hele kring omheen staan op het schoolplein om zo'n goeie te volgen, al
moest je ook wel goede draaiers hebben, want als ze je niet zo mochten dan
lieten ze je afspringen
Versie 2
Heden overleden Mejuffrouw kip
Twee schele ogen en een hazelip
Een droevig lied,z oals u ziet
Maar juffrouw kip werd mooi begraven
Op een dag in de winter,'t was
hardstikke koud
Maar er was gelukkig nog wat
havermout
Dat hebben de kind'ren toen
opgegeten
De rest van 't verhaal ? Dat wilt u
niet weten.....
Versie 3
Heden overleden Mejuffrouw kip
Twee schele ogen en een hazelip
18 dochters 6 getrouwd
De rest gestikt in de havermoud
Het laatste wat juffrouw kip deed
Was een knetterende scheet
Die over het tafelkleed gleed
Tegen de tafelpoot bonsde
En zo in de pispot plonste
Terug
naar overzicht
Mijn
grootvaders fiets
(met
dank aan J. van Maanen voor het sturen van de tekst)
Mijn
Grootvaders fiets is een deftige fiets,
Zonder
stuur, zonder zadel, zonder bel.
Hij
piepte en kraakte, het was geen gehoor,
Maar
mijn Grootvader fietste maar door.
Met
een slinger in het wiel,
En
een kurk in het ventiel,
Dat
was Grootvaders fietsenmobiel !
En
toen, toen..... knapte de band,
En
mijn Grootvader viel in het zand !
Terug
naar overzicht
Mijn
hobbelpaard
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Ridder heet mijn hobbelpaard
Het is een dapper dier.
Duizend gulden is het waard
Wakker is 't en fier !
't Loopt en draaft in ferme pas
Of het een circuspaardje was.
'k Ben een ruiter onversaagd
Vast in 't zadel hoor !
Zit ik op m'n hobbelpaard
'k Vlieg er flink van door.
Maar hoe Ridder draaft of holt
'k Ben toch nooit in 't zand gerold.
Toe mijn klepper dapper aan
Reizen is plezant.
'k Wil met jou even gaan
Naar Kabouterland.
Naar dat landje lief en fijn
Waar zoveel kabouters zijn.
Al dat klein kaboutergoed
Zal dan staan te zien.
Kleine koning Edelmoed
Biedt mij geld misschien.
Licht dat hij honderd gulden gaf
'k Geef voor geen duizend m'n Ridder
af.
Terug
naar overzicht
Mijn kano
(E.P. de Boer/J.P. Bekkers)
Mijn kano schiet
Langs 't jonge riet.
Door 't wind bewogen water.
Het klakt en spat
De steven nat
Met opgewekt geklater.
Mijn kano glijdt,
Mijn kano snijdt
Door 't vrolijk golven dansen,
Langs 't lage land,
Waar aan de kant
Al gele dotters glansen.
Met brede zwaai
Duikt mijn pagaai
In 't zonnig golfbewegen.
Ik peddel voort,
Van boord tot boord,
De wijde verten tegen.
Terug
naar overzicht
Mijn
kindertijd
(T. Peters/Piet Struijk/Poes/Necven)
Mijn
kinderjaren, vervlogen tijden
Mijn kinderjaren, die zijn voorbij
Al vele jaren door vreugd en lijden
Dat maakt je eenzaam en minder blij
Refrein:
Dus zeg ik nog éénmaal, mooi was de kindertijd
mooi was de kindertijd, die komt niet meer
Die komt, die komt niet weer
Nooit komt die tijd er weer
Mooi was de kindertijd, die komt niet meer
Er bloeien bloemen in bos en heide
Zij geuren allen bij morgendauw
Dat doet me denken aan vroeger tijden
Die jaren die vergeet ik niet zo gauw
Refrein
Terug
naar overzicht
Mijn schat
(Gijsbertus Wilhelmus Lovendaal
1847-1939)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Des avonds als het klokje klept
Dan zing ik mijn gebed.
Dan brengt me van het spelen moe
Mijn moedertje naar bed.
Zij dekt mij lekker warmpjes toe
En vraagt dan "ligt je zacht"?
Dan geven wij elkaar een zoen
En zeggen goede nacht,
En zeggen goede nacht.
Ik wil niet daad'lijk slapen gaan
Maar wacht dan nog een poos
Opeens gaan toch mijn ogen toe
En slaap ik als een roos.
En als mijn moelief 's morgens wekt
En m' in haar armen vat,
Dan denk ik heerlijk moedertje
Wat ben je toch een schat,
Wat ben je toch een schat.
Terug
naar overzicht
Mijn
vlieger
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Mijn vlieger is klaar en ik wacht op
de wind.
Dan gaat'ie de lucht in, de lucht in,
hoezee !
Oh, was ik zo licht, zo licht als een
veer.
Dan deed ik de reis mee, de reis met
hem mee.
Dan deed ik de reis mee, de reis met
hem mee.
Dan riep ik: "Kom, jongens, laat
vieren het touw".
En, hoepla, ik sprong op zijn staart,
op zijn staart !
De lucht rees ik in en de wolken dwars
door.
En 'k leek wel ruiter, een ruiter te
paard.
En 'k leek wel ruiter, een ruiter te
paard.
Terug
naar overzicht
Mitsmats
(met
dank aan Kees Veltman voor het sturen van de tekst)
Te
Hasselt langs de straat
Weet ik een pannenhuisje staan,
Waar ieder vroeg en laat
Vrij in en uit mag gaan.
Daar
wordt een blijde mats gespeeld volop, volop
Daar wordt een blijde mats gespeeld volop, volop
En
als 't maar zondagavond wordt,
Is alle vreugd ten top.
Zie,
nu ontbreekt een man:
Drie
spelers is geen kaartpartij,
Wie
mitsmats draaien kan,
Die voege zich maar bij.
Nu
schiet de kaart; twee knapjes in den pot ! den pot.
Nu
schiet de kaart; twee knapjes in den pot ! den pot
En
foetel maar in “t spelen niet,
Want
dan is ’t ding verbrod.
Ik
pas voor d’eersten keer:
Ik
heb een spel dat niets beduidt.
Hebt
gij hier wat, mijnheer?
Speel
dan maar vrij toe uit.
Wijl
de eene vraagt, zegt de andre boos: geen spier, geen spier!
Wijl
de eene vraagt, zegt de andre boos: geen spier, geen spier!
Vijf
hoog en daar dat aaske bij;
Lief
potje, kom maar hier.
Vier
trekken is geen spel,
Maar
vijf…hoe komen wij er door!
Verduld!
’t Ging mij niet wel,
Indien ik nu verloor.
‘k
Heb toch gespeeld, maar kreeg er van, een buis, een buis!
‘k
Heb toch gespeeld, maar kreeg er van, een buis, een buis!
Al
wie geen solospelen kan,
Die
blijve liever thuis.
Vandaag
is ’t recht plezier:
’t Geluk zit heden in mijn kaart.
De
voorhand is weer hier;
Dat
is me een troefje waard.
Kom,
spoed u wat; smijt troeven bij ! nog een, nog een !
Kom,
spoed u wat; smijt troeven bij ! nog een, nog een !
Had
ik nu slechts dat mitske nog,
Was
’t al voor mij alleen.
Terug
naar overzicht
Mitte
Confitte
Mitte
Confitte komt t' avond thuis
't
Is kermis in mijn streetje
Mitte
Confitte komt t' avond thuis
't
Is kermis in mijn huis
De
één die drinkt een potje thee
De
ander drinkt een potje kaffee
Mitte
Confitte komt t' avond thuis
't
Is kermis in mijn streetje
Mitte
Confitte komt t' avond thuis
't
Is kermis in mijn huis
Terug
naar overzicht
Moeder
(met dank aan mevrouw Van Klink voor
het sturen van de tekst)
Zou ik niet mijn moeder eren,
Ach wat doet zij niet voor mij,
Wat zij doet dat mag ik leren,
Ben ik vroom haar hart is blij,
Ben ik ziek dan hoor ik haar klagen,
En wanneer zij bij mij zit,
Met het oog omhoog geslagen,
Weet ik zeker dat zij bid,
Ja dan bid zij dat ik spoedig,
Mag bevrijd zijn van mijn pijn,
Goede God ach laat haar leven,
Zij is mijn voorbeelden mijn vreugd,
Wat zou ik zonder moeder wezen,
Als ik haar moest missen in mijn jeugd.
Terug
naar overzicht
Moederliefde
(met dank aan Tjits van der Sloot voor
het sturen van de tekst en Jeanine Fierens voor de aanvulling)
Zou ik niet mij moeder eren
Ach, wat deed ze niet voor mij,
Wat mijn lust is mag ik leren
Ben ik vrolijk zij is blij.
Ben ik ziek ik hoor haar klagen
En wanneer ze bij mij zit,
Met haar arm om mij geslagen
Ja, dan weet ik dat ze bid.
Ik zal haar altijd beminnen
Altijd doen wat haar behaagt,
Nimmer wil ik iets beginnen
Waar mijn moeder over klaagt.
Ja, dan bidt zij dat ik spoedig
Mag bevrijd zijn van mijn smart.
Word ik beter hoe blijmoedig
En hoe dankbaar is haar hart.
Ik zal haar naam met eerbied noemen,
Als ze neerdaalt in haar graf
En Gods goedheid altijd roemen,
Die mij zulk een moeder gaf.
Terug
naar overzicht
Moeders
verjaardag (Antoinette van Dijk)
'k
Wilde u iets zeggen moeder
Daarom
doe 'k het maar vandaag
Want,
het is thans uw verjaardag
Dus
u hoort 't misschien wel graag
Weet
u, wat ik zeggen wou
Dat
'k zo heel veel van u hou
Weet
u, wat ik zeggen wou
Dat
'k zo heel veel van u hou
't
Is niet te geloven, moeder
Want
dan deed 'k u nooit verdriet
Doe
'k soms net wat u niet goed vindt
Heus,
ik meen het dan zo niet
'k
Heb in stilte vaak berouw
Omdat
'k zoveel van u hou
'k
Heb in stilte vaak berouw
Omdat
'k zoveel van u hou
En
op uw verjaardag, moeder
Als
'k u wens geluk en vreugd
Zie
'k u dankbaar in de ogen
En
mijn hart voelt zich verheugd
't
Is om al uw zorg en trouw
Dat
ik zoveel van u hou
't
Is om al uw zorg en trouw
Dat
ik zoveel van u hou
Terug
naar overzicht
Moedertje
mijn
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst versie 1)
(met
dank aan Josina Deurloo voor het sturen van detekst versie 2)
Versie
1
Moeder
zit te driegen aan een mantelzoom
Zusje
moet nu wiegen, broedertje slaap en droom
Broedertje,
broedertje, broedertje mijn
Laat
mij, laat mij uw moedertje zijn
Dekken
zal uw zusje, ligt gij bloot gewoeld
Kussen
met een kusje, dat ge bijna niet voelt
Broedertje,
broedertje, broedertje mijn
Laat
mij, laat mij uw moedertje zijn.
Gaat
ge weer naar schoole, dwars door weer en wind
Komt
dan stil geschoole, onder dee'z mantel kind
Broedertje,
broedertje. broedertje mijn
Laat
mij, laat mij uw hoedertje zijn
Versie
2
Moeder
zit te driegen aan een mantelzoom
Zusje
moet nu wiegen, zoeteke slaap en droom
Zoeteke,
zoeteke, zoeteke mijn
Laat
mij, laat mij jouw moedertje zijn
Dekken
zal uw zusje, ligt gij bloot gewoeld
Kussen
met een kusje, dat ge bijna niet voelt
Zoeteke,
zoeteke, zoeteke mijn
Laat
mij, laat mij jouw moedertje zijn
Gaat
ge straks naar schoole, dwars door weer en wind
Komt
dan stil geschoole, onder mijn mantel kind
Zoeteke,
zoeteke, zoeteke mijn
Laat
mij, laat mij jouw moedertje zijn
Terug
naar overzicht
Molenaartjes
wind
Molenaartjes
wind is zuidenwind
Van
hupsaldera faldera
En
de molen draait en de wind was zuid
En
op heden is de Rosemiemarijn de bruid
Van
lierom larom hupsasa
Molenaartjes
wind in noordenwind
Van
hupsaldera faldera
En
de molen draait en de wind was noord
En
op heden heeft de molenaar een ander soort
Van
lierom larom hupsasa
Molenaartjes
wind in oostenwind
Van
hupsaldera faldera
En
de molen draait en de wind was oost
En
op heden zoekt de molenaar een ander troost
Van
lierom larom hupsasa
Molenaartjes
wind in westenwind
Van
hupsaldera faldera
En
de molen draait en de wind was west
En
op heden zegt de loze de molenaar "lest best"
Van
lierom larom hupsasa
Mooi Ietje-fietje
Mooi Iietje-fietje
trek je baljurk aan
Dan zullen we samen naar het bal toe gaan
Nee meneer ik dank u zeer
De polka is geen mode meer
Bovendien heb ik een man,
Die me de polka leren kan
Terug
naar overzicht
Morgenliedje
(G.W. Lovendaal)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Sta op en kom, de nacht is om,
De morgen is gekomen,
De velden zijn vol zonneglans,
Vol lichtjes zijn de boomen
En 't vinkje groet met luiden slag
Den morgen van den nieuwen dag.
Naar buiten, kom ! daar buiten ligt
Een gouden schat verborgen;
Je vindt hem heel den dag niet meer,
Verslaap je een mooien morgen,
En wie hem 's morgens vinden mag,
Die heeft geluk den heelen dag.
Terug
naar overzicht
Morgenwandeling
De
morgen breekt aan, de morgen breekt aan.
Komt, makkers naar buiten, en stemmen we een lied,
Tot welkom van bossen en velden en vliet.
De vogeltjes groeten u allen gelijk.
Dat vroolijke volkje, gelukkig en rijk,
Dat vroolijke volkje, gelukkig en rijk.
Hoe schoon is het bosch, hoe schoon is het bosch.
Wij aêmen er geuren, verkwikkend en zoet,
De morgenlucht sterkt en verfrischt ons het bloed.
De stad is nu verre met al haar gewoel.
Maar dicht bij de hemel en 't lentegevoel,
Maar dicht bij de hemel en 't lentegevoel.
Terug
naar overzicht
Muizendrama
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Onder
het dak van ons huis,
Had
een aardige muis,
Een
lief nestje gebouwd voor haar jongen.
En
ze speelden er blij,
Met
hun moeder er bij,
Ze
speelden en zongen en sprongen.
Iedere
dag ging de muis,
Naar
omlaag in het huis,
Om
wat rijst uit de kelder te stelen.
En
dan keerde zij vlug,
Naar
de zolder terug,
Om
de rijst met haar kleintjes te delen.
Maar
op zekere keer,
Kwam
de oude muis niet meer,
En
de jongen die kregen geen eten.
Want
een ondeugende kat,
Had
het muisje gevat,
En
haar zomaar de kop af gebeten.
Erg
hè ????
Terug
naar overzicht