SeniorPlaza

Jeugdliedjes van toen

Iedere avond

Iedere avond trok bij buurman

Een kwajongen aan de bel
Buurman werd daar o,zo boos om

En hij dacht ik krijg je wel
Telkens ging hij op de loer staan
Eindelijk wist hij wie het deed
Wacht dacht buurman bij zich zelven

Morgen dan heb ik de deugniet beet

Wacht dacht buurman bij zich zelven

Morgen dan heb ik de deugniet beet

Toen de jongen de andere avond

Weer de bel te pakken had

Gooide buurman uit het venster

't Knaapje lief met water nat
Druipend van het koude water
Is hij op de loop gegaan
En hij heeft het na die avond

Aan dat huis nooit meer gedaan

En hij heeft het na die avond

Aan dat huis nooit meer gedaan

 

Terug naar overzicht

IJs

(met dank aan Wim van Rijn voor het sturen van de tekst)

Het had al wat gevroren, maar 't ijs was nog niet goed.

Toch staat een aardig ventje, er op met ene voet.

Met ene voet.

Hij zei: "Ik wil het wagen, het ijs kan mij wel dragen.

Het ijs kan mij wel dragen, wel ja, wel ja."

 

Toen ging hij aan het stampen, en hij stampt uit alle macht.

De ijskorst van twee nachtjes, bezwijkt voor zulk een vracht.

Voor zulk een vracht.

Krak, krak, het is geen wonder, daar gaat hij kopje onder.

Daar gaat hij kopje onder, o wee, o wee.

 

"Help, help, ik moet verdrinken, wie redt mij uit de nood?

Help, help, ik voel mij zinken, wie redt mij van de dood?

Mij van de dood?''

Een boer, die aan kwam rijden, had met hem medelijden.

Had met hem medelijden, hoera, hoera.

 

Hij pakte hem bij zijn buisje, en redde de kleine guit.

Het water liep met stromen, zijn mouw en broekspijp uit.

Zijn broekspijp uit.

En thuis, in vaders hoekje, ging het voor 't natte broekje.

Ging het voor 't natte broekje, klits klats, klits klats!

 

Terug naar overzicht

Ik ben een ferme, sterke jongen

(A. Baron / P. Kallenbach)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik ben een ferme, sterke jongen,
En ken gelukkig geen verdriet;
Ik heb Goddank twee goede longen,
En zing daarom een vrolijk lied:
Tra-la-la-la, Tra-la-la-la,
Tra-la-la-la, Tra-la-la-la,
Dat zing ik vroeg, dat zing ik laat,
Dat zing ik thuis en op de straat,
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.

 

Terug naar overzicht

Ik ben een jong en jolig meisje

(A. Baron / P. Kallenbach)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik ben een jong en jolig meisje,
En ken gelukkig geen verdriet,
Ik hoor zo graag een aardig wijsje,
En zing daarom een vrolijk lied:
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.

 

 

Ik ben vooraan bij alle pretjes,
Geen mens, die meer daarvan geniet,
Maar overal hou ik mij netjes,
En steeds fatsoenlijk is mijn lied:

Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.

 

 

Mocht somtijds iemand op mij kijven,
Dan lach ik niet dat men het ziet.
Maar kan toch ernstig niet goed blijven,
En neurie zachtjes dan mijn lied:
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.

 

 

Getrouw en eerlijk wil ik wezen,
En ook aan vlijt ontbreekt het niet
In bei mijn ogen kan je ’t lezen,
En zeker hoor ’t aan mijn lied:
Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.

 

 

En word ik groot en krijg ik zorgen,
En moog’lijk kommer en verdriet
‘k Zoek steun en troost op elken morgen,
Bij God den Heer en bij mijn lied:

Tra-la-la-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la-la-la.

 

Terug naar overzicht

Ik ben een kind van Maria

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Refrein:
Ik ben een kind van Maria, mijn moeder is zij
En elke dag zegent zij mij, zegent zij mij
Ik ben een kind van Maria, 'k herhaal het blij gezind
Ik ben Maria's kind, ja, ik ben Maria's kind

 

Maria heeft mij aangenomen
Maria de hemelvorstin
Ja, ik zal in de hemel wel komen
Indien ik die moeder bemin

 

Refrein

 

Waar beter zal ik hulp kunnen vragen
Als ik hier gevaren ontmoet
Ja, uitkomst zal altijd mij dagen
Die moeder is immers zo goed

 

Refrein

 

Nog nooit heb gij iemand verstoten
Die hoopvol tot u was gevlucht
Dat blijft mijn vertrouwen vergroten
Zolang ik hier angstvol verzucht.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Ik ben een kleine muzikant

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik ben een kleine muzikant

Tarabom, tarabom dejé

Ik speel m'n liedjes langs de straat

En waar ik ook mij horen laat

Zingt ieder met mij mee

Tralala, tralala, trala, lalala

En wie ik mij ook horen laat

Zingt ieder met me mee.

 

Heb ik m'n wijsje uitgespeeld

Tarabom, tarabom dejé

Neem ik beleefd m'n hoedje af

En dank 'k een ieder die wat gaf

Er zegt niet eentje nee

Tralala, tralala, trala, lalala

En dank 'k een ieder die wat gaf

Er zegt niet eentje nee.

 

Dan ga ik naar een and're buurt

Tarabom, tarabom dejé

En overal in ied're straat

Daar dansen kind'ren op de maat

En zingen z'allen mee

Tralala, tralala, trala, lalala

Daar dansen kind'ren op de maat

En zingen z'allen mee.

 

Zo ga ik dan de hele dag

Tarabom, tarabom dejé

Ik stoor me niet aan weer of wind

Maar 'k ben de vriend van ieder kind

Ze fluiten met me mee

Tralala, tralala, trala, lala

Maar 'k ben de vriend van ieder kind

Ze fluiten met me mee.

 

Terug naar overzicht

Ik had zo'n mooie racefiets

(met dank aan Gonny Nedermeyer voor het sturen van de tekst)

Ik had zo'n mooie racefiets,

Maar die heb ik nu niet meer.

Een agent al in een straatje,

Vroeg aan mij mijn belastingplaatje.

En nu heb ik geen racefiets meer,

Nu heb ik geen racefiets meer.

 

Terug naar overzicht

Ik heb een vogeltje gezien

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Versie 1

Ik heb een vogeltje gezien, dat kon niet kakken,

Omdat een veertje aan z'n poepertje bleef plakken.

Hij zij van hi, hij zei van bah, zei: potdomme !

Hoe is dat veertje aan m'n poepertje gekommen ?

 

Versie 2

Er was een musje en dat beessie kon niet kakken,

Want er was een veertje aan zijn poepertje blijven plakken.

Hij zei geen bie, hij zei geen bah, hij zei: potdomme

Hoe is dat veertje aan mijn poepertje gekommen ?

 

Terug naar overzicht

Ik heb mijn wagen volgeladen

Ik heb m'n wagen volgeladen vol met oude wijven
Toen ze op de markt kwamen begonnen zij te kijven
Nooit neem ik van mijn levensdagen
Meer oude wijven op m'n wagen
Hop paardje hop

Ik heb m'n wagen volgeladen vol met oude mannen
Toen ze op de markt kwamen gingen ze Samenspannen
Nooit neem ik van mijn levensdagen
Meer oude mannen op mijn wagen
Hop paardje hop

Ik heb m'n wagen volgeladen vol met jonge meisjes
Toen ze op de markt kwamen

Zongen ze als sijsjes
Nu neem ik van mijn levensdagen

Steeds jonge meisjes op mijn wagen
Hop paardje hop

 

Terug naar overzicht

Ik zag Cecilia komen

Versie 1

 

Ik zag Cecilia komen
Langs eenen waterkant,
Ik zag Cecilia komen
Met bloemekens in haar hand.
Zij zag naar haren herder,
Den herder Floriaan,
Die ook zijn schaapkens weidde
Langs dezelfde baan.
Cecilia ging zingen,
Haar hert docht haar 't ontspringen.
Dit hoorde haren herder,
Hij kwam bij haar terstond,
En kuste zijn Cecilia
Aan haren rooden mond.

 

----------------------------------------------------------------------

Versie 2

 

Polonaise  (1927) Paul van Ostaijen

 

Ik zag Cecilia komen

Op een zomernacht

Twee oren om te horen

Twee ogen om te zien

Twee handen om te grijpen

En verre vingers tien

 

Ik zag Cecilia komen

Op een zomernacht

Aan haar rechterhand is Hansje

Aan haar linkerhand is Grietje

Hansje heeft een rozenkransje

Grietje een vergeet-mij-nietje

 

De menseneter heeft ze niet gegeten

Ik heb ze niet vergeten

Ei ei ik en gij

De ezel speelt schalmei

Voor Hansje en voor Grietje

Hansje met zijn rozenkransje

Grietje met haar vergeet-mij-nietje

Zijn langs de sterren gegaan

 

Venus is van koper

De andere zijn goedkoper

De andere zijn van blik

En van saffraan

Is Janneke -maan

 

Twee oren om te horen

Twee ogen om te zien

Twee handen in het lege

En verre vingers tien

 

Terug naar overzicht

Ik zal het nooit meer doen

(uitvoering: Janneman)

(met dank aan Jannie van 't Ende voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Ik zal het nooit meer nooit meer doen

'k Zal altijd braaf zijn

En nooit meer stout zijn

Ja ik beloof dat met een zoen

Ik zal het nooit meer, nooit meer doen

 

M'n moeder was zo boos op mij

Ja, wat had ik gedaan

Ik had de kraan per ongeluk

Wijd open laten staan

Het water liep de trappen af

En ging door het plafond

De kat zwom door de gangen

Als een goudvis in z'n kom

 

Refrein

 

Toen Pa de trap aan 't lakken was

Met kwast en pot vernis

Moest ik toch naar beneden toe

Oei, oei, ik stapte mis

Papa zei niks hij kon ook niet

De pot zat op z'n kop

De kwast die zag ik ook niet meer

Want vader zat er op

 

Refrein

 

Ik had m'n doos met rupsen in

De keuken neergezet

Het deksel sloot niet goed meer

Daar had ik niet opgelet

Het eten kwam op tafel

Vader riep toen, wat is dat

De rupsen zwommen in de soep

Zij namen juist een bad

 

Refrein

 

We speelden voetbal voor de school

Een aanval deden wij

Vlak achter 't doel bevond zich ook

De dorpsbeenhouwerij

Een strafschop nam ik, hup 't was goal

Ik jubelde me hees

Maar door de ruit vloog ook de bal

Tot in 't gekapte vlees

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

In de smidse

(E.P. de Boer/Bernard Diamant)

"Wat is het fijn,

Een smid te zijn,"

Denkt Piet en gluurt naar binnen.

Daar smeedt baas Flink,

Rink-kink, rink-kink,

De bouten en de pinnen.

Rink-kink ! rink-kink ! Rink-kink ! rink-kink !

 

Het vuurtje rookt,

De knecht die stookt

En trekt de blaasbalg stevig.

Al op en neer

Gaat 't elke keer,

Wat brandt het vuur nu hevig !

Rink-kink ! rink-kink ! Rink-kink ! rink-kink !

 

Hoe lustig gaat

Het in de maat,

Het smeden en het ronken.

De blaasbalg kreunt,

Het aambeeld dreunt,

En trilt bij 't felle bonken.

Rink-kink ! rink-kink ! Rink-kink ! rink-kink !

 

Terug naar overzicht

In de winkel van Sinkel

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

In de winkel van Sinkel is alles te koop

Daar kan men krijgen: mandjes met vijgen,

Doosje pommade, flesjes orgeade,

Hoeden en petten en damescorsetten,

Drop om te snoepen

En pillen om te poepen.

 

Terug naar overzicht

In een blauwgeruite kiel (Een draaiersjongen)

(A.L. de Rop/R.Hol 1918)

In een blauwgeruite kiel
Draaide hij aan 't grote wiel
De ganse dag
Maar Michieltjes jongenshart
Leed ondragelijke smart
A-ach, a-ach, a-ach, a-ach

 

Als matroosje vlug en net
Heeft hij voet aan boord gezet
Dat hoorde zo
Naar Oostinje, naar de West
Jongens, dat gaat opperbest
Hojo, hojo, hojo, hojo

 

Daar staat Hollands admiraal
Nu een man van vuur en staal
De schrik der zee
't Is een Ruiter naar den aard
Glorierijk zit hij te paard
Hoezee, hoezee, hoezee, hoezee

 

Terug naar overzicht

In het land der Chinezen

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst

In het land der Chinezen, nezen

Daar zou ik willen wezen, wezen

Maar dat is toch ook niet alles, alles

Want de taal is lang niet malles, malles:

Tsjing-tsjang tsjing-tsjang

Woetsj kalewitsjkie

Jang kang kielie kielie jang kang kielie kielie

Tsjing-tsjang tsjing-tsjang

Woetsj kalewitsjkie

Jang kang kielie kielie ho

Hoi !

Kielie kielie

Woetsj jang ho woetsj jang ho woets jang ho

Kielie kielie

Woetsj jang ho woetsj jang ho !

 

Terug naar overzicht

In Volendam

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst

Houten klompen, houten klompen

Zijn in Volendam.

Houten klompen, houten klompen

Dragen daar de man.

De ene klomp wat stroo

De and're klomp wat hooi.

Houten klompen, houten klompen

Zijn zo mooi.

Klak, klak, klak, klak....

 

Wijde broeken, wijde broeken

Zijn in Volendam.

Wijde broeken, wijde broeken

Dragen daar de man.

In de ene zak een hand

In de and're zak een want.

Wijde broeken, wijde broeken

Staan parmant.

Klak, klak, klak, klak....

 

Rode baaitjes, rode baaitjes

Zijn in Volendam.

Rode baaitjes, rode baaitjes

Dragen daar de man.

En daarin klopt zo fier

Een hart met veel plezier.

In Volendam, in Volendam

Is zoveel zwier.

Klak, klak, klak, klak....

 

Terug naar overzicht

Ja zuster, nee zuster

Niet met de deuren slaan,

Ja zuster, nee zuster !

Niet op de stoelen staan,

Ja zuster, nee zuster !

Denk aan de buren,

Ja zuster, nee zuster !

't Zijn heel dunne muren,

Ja zuster, nee zuster !

Laten we allemaal doen wat we graag willen

Zonder te schreeuwen of zonder te gillen.

Doe wat je 't liefste doet,

Ja zuster, nee zuster !

Dan is het altijd goed,

Ja zuster, nee zuster !

Ja zuster, nee zuster !

 

Terug naar overzicht

Jamboreelied 1937

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

In negentien-drie-zeven
dan zal je wat beleven
dan komt de Jamboree in Nederland.
Dan staat uit alle landen
van alle rang en standen
de jeugd van blank en bruin hier hand en hand.
Dan zingen scouts uit Labrador, Japan en Alkmaar
op 't Nederlandsche grondgebied heel vroolijk met elkaar !

 

Refrein:

Jamboree, Jamboree, J-A-M-B-O-R-E-E, Jamboree-ree-ree
Jamboree, Jamboree, wij zijn verkenners van B.-P.

 

De Schotten dragen rokken
de Polen wandelstokken
Hongaren hebben pluimen op hun hoed.
Amerika een rijbroek
Britsch Indië een hoofddoek
De Zweden staan die witte mutsjes goed !
Maar allen dragen in hun hart het groote ideaal
dat niet afhanklijk is van ras van land of stand of taal.

 

Refrein

 

Geert Hendrik van Dongen
Een Amsterdamsche jongen
met peenhaar en veel sproeten op 't gelaat
zoekt in dit groote leger
een ras-wasch-echte neger
als trouwe bondgenoot en kameraad.
Geert sprak geen woordje Engelsch, Jim misschien een stuk of vier
Toch ruilden ze van alles en ze hadden dik plezier.

 

Refrein

 

De wereld is vol broodnijd.
Vandaar dat men zich doodstrijdt,
We raken steeds maar dieper in 't moeras.
Een jeugdbond aller volken zal metterdaad vertolken
dat aan de jeugd een betere toekomst was.
De wereldbond van padvinders stuurt daar bewust op aan;
het spreekwoord zegt nog altijd: "jong geleerd is oud gedaan."

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jan als ruiter (twee versies)

Versie 1

 

Jan mijne man zou ruiter wezen

Kon hij geraken aan een peerd

'k Pakke de bezem met zijnen steert

Daarvan heeft Jan mijne man een peerd

Jan mijne man zou ruiter wezen

Kon hij geraken aan een peerd

 

Jan mijne man zou ruiter wezen

Kon hij geraken aan een zaâl

'k Breke een ei en geef hem de schaal

Daarvan heeft Jan mijne man een zaâl

Jan mijne man zou ruiter wezen

Kon hij geraken aan een zaâl

 

Jan mijne man zou ruiter wezen

Kon hij geraken aan een toom

'k Neme zijn hemd en ik scheur de zoom

Daarvan heeft Jan mijne man een toom

Jan mijne man zou ruiter wezen

Kon hij geraken aan een toom

 

Jan mijne man zou ruiter wezen

Kon hij geraken aan een spoor

'k Breek enen pot en geef hem het oor

Daarvan heeft Jan mijne man een spoor

Jan mijne man zou ruiter wezen

Kon hij geraken aan een spoor

 

Versie 2

 

Jan mijne man zou ruiter worden

Jan mijne man die had geen paard

Toen nam hij de kat en trok 'm bij zijn staart

Toen had Jan mijne man een paard

 

Jan mijne man zou ruiter worden

Jan mijne man die had geen zaâl

Toen nam hij een ei en brak de schaal

Toen had Jan mijne man een zaâl

 

Jan mijne man zou ruiter worden

Jan mijne man die had geen toom

Toen nam hij zijn jas en scheurde een zoom

Toen had Jan mijne man een toom

 

Jan mijne man zou ruiter worden

Jan mijne man die had geen spoor

Toen brak hij een pot en nam het oor

Toen had Jan mijne man een spoor

 

Jan mijne man zou ruiter worden

Jan mijne man die had geen zweep

Toen nam hij zijn hemd en scheurde een reep

Toen had Jan mijne man een zweep

 

Terug naar overzicht

Jan Hinnerik

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Jan Hinnerik woont op de Langelangestraat,
op de Langelangestraat.
Hij kan maken wat-ie wil,
hij kan maken wat-ie wil.
Schiet maar jummejummestil,
schiet maar jummejummestil
En hij maakte zich een geiteke, een geiteke pardoes.
Ficolien, Ficolien, zie dat geiteke
Ficolien, Ficolien, zie dat geiteke
Een ficoficolien, een ficoficolien
en z'n deern die heet Katrien.
En z'n deern die heet Katrien,
en z'n deern die heet Katrien.

 

Terug naar overzicht

Jan, mijn man, wou ruiter worden

(Simon Abrahamsz. 1887-1924)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Jan, mijn man, wou ruiter worden,

Janneman had er geen degen;

Toen nam Jan, mijn man, een koek -

Die stak Jan al door zijn broek:

Janneman had er een degen.

Jan, mijn man,

Rij wat an,

Dat je een ruiter worden kan.

 

Terug naar overzicht

Jan, mijne man

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Jan, mijne man, dat is een vent.

Aan 't werken, aan 't werken.

Jan, mijne man, dat is een vent.

Aan het werken niet gewend.

 

Terug naar overzicht

Janneman heeft zich bezeerd (Dom Jantje)

(tekst: Willy Sassen/muziek Jacob Hamel)

(met dank aan Thea Arkesteijn voor het sturen van de tekst)

Janneman heeft zich bezeerd,

Hoor eens hoe hij snikt.

Ach hij heeft zijn vingertje

Aan een speld geprikt,

En nu roept hij au au au !

Moesje moesje kom eens gauw !

 

Moeder bromt een beetje boos,

Stoute, stoute vent,

Jij kwam aan de speldedoos

Domoor die je bent.

Kom maar even op mijn schoot,

Ja je vingertje ziet rood.

 

Nu een kus erbovenop

Nog niet over zeg ?

Dan een lapje eromheen

Zo de pijn is weg,

Nog een snikje, nog een traan

En het verdriet is weer gedaan.

 

Terug naar overzicht

Jeugdmars

(Schoolliedje ca.1928)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen vande tekst)

Ons stroomt nog fris het bloed door de aderen,

Wij zijn nog jong en kennen geen verdriet,

Wij heffen aan om dit te tonen,

Een vrolijk krachtig lied.

Wat om ons wendt of keer,

Geen zorg drukt ons terneer,

Wij zingen luid dat ieder ons kan horen,

Geniet, geniet, van al wat jeugd U biedt.

 

Wij blijven vast aaneen gesloten,

Geen twist of tweedracht rukt ons wreed vanéén,

't Gevoel van één te zijn met 'd and'ren,

Bezielt ons steeds alleen.

Dezelfde eed' le zin,

Neemt onze harten in,

De schone taak die allen wij ons stellen,

Maakt fris, maakt sterk,

Voor 't zwaarste van ons werk.

 

Wanneer dan donk're dagen komen,

Als trager vloeit het niet meer jonge bloed,

Dan zal een enk'le blijde lichtstraal,

Nog koes'tren ons gemoed.

De gulden jongenstijd (of meisjestijd),

Die nu ons hart verblijdt,

Zal immer door zijn schijnsel blijven geven,

Bij 't droevig zwart, van al te bittere smart.

 

Terug naar overzicht

Jij komt vanavond de deur niet meer uit

(met dank aan Jeannette Kuijer voor het sturen van de tekst)

Jantje wou eens klimmen al over een hek,
Hij scheurde zijn broekie en liep glad voor gek.
Ging gauw naar huis toe en riep al bij de deur:
"Ach moeder kom eens kijken in mijn broekie zit een scheur."
"Dekselse jongen wat heb jij gedaan?
Heel je zondagse broek naar de maan.
Jij komt vanavond de deur niet meer uit,
Je broekie is gescheurd en je hempie steekt eruit !"

 

Terug naar overzicht

Joepie Joepie is gekomen

Joepie Joepie is gekomen

Heeft m'n meisje weggehaald
Maar ik zal er niet om treuren

Gauw een ander weer gehaald.
Tralalalalala
Tralalalalala
Tralalalalala
Tralalalalala

Terug naar overzicht

Jokkenaartje

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Jokkenaartje,

Niemand spaart je,

Omdat jokken lelijk staat.

Ieder mijdt je,

En verwijt je,

Altijd weer die leugenpraat.

Ieder zegt om jouw gejok,

"'k Houd niet van een jokkebrok"

Ieder zegt om jouw gejok,

"'k Houd niet van een jokkebrok".

 

Terug naar overzicht

Jongens, meisjes, opgestaan

(A. Bon / T. v.d. Bijl)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Jongens, meisjes, opgestaan,
Wij gaan wand'len, wij gaan wand'len.
Kijkt me niet zo slaap'rig aan,
Ga mee wand'len.
Vlug wat, slapers, uit de veren !
Zijt ge nog niet in de kleren ?
Hoort, de wind bonst op de ruit,
Opstaan ! Opstaan, trekt er uit !

 

 

Wand'len is zo'n heerlijk werk,
Wij gaan wand'len, wij gaan wand'len.
Wand'len maakt je kwiek en sterk !
Ga mee wand'len.
Sterk van binnen, sterk van buiten,
Flinke longen, fikse kuiten,
Krijg je zeker vroeg of laat,
Als je veel uit wand'len gaat.

 

 

Is 't ook koud, het deert ons niet
Wij gaan wand'len, wij gaan wand'len.
Vrolijk zingen wij ons lied,
Onder 't wand'len.
Voelt, hoe snel je bloed gaat vloeien,
En hoe warm je wangen gloeien.
Laat het reeg'nen dat het giet,
Van de regen smelt je niet.

 

Terug naar overzicht

Kampeerlied

(H. Immink/J.A. Brouwer-Van Zanten)

Als de schooldeur wordt gesloten

Na een zware proefwerktijd,

Gaan we allen uit kamperen,

Zijn van alle zorg bevrijd.

Want de zwervers en de trekkers,

De kampeerders dat zijn wij,

Want de zwervers en de trekkers,

De kampeerders dat zijn wij.

 

Wie ons fleurig troepje gaan ziet,

Bruingebrand door zon en wind,

Zwaar bepakt en vrolijk zingend,

Niemand die vermoeid ons vindt.

Want de zwervers en de trekkers,

De kampeerders dat zijn wij,

Want de zwervers en de trekkers,

De kampeerders dat zijn wij.

 

Zijn we heel de dag druk bezig,

Zijn we vol van levenslust,

's Avonds om het laaiend kampvuur

Komen allen weer tot rust.

Want de zwervers en de trekkers,

De kampeerders dat zijn wij,

Want de zwervers en de trekkers,

De kampeerders dat zijn wij.

 

Terug naar overzicht

Kamperen

(A. Borstlap/Anna Wins)

Is het weer niet altijd zonnig,

Regent het soms dat het giet,

Zijn er niets dan grijze wolken,

Bij 't kamperen geeft dat niet.

Ja, bij het kamperen,

Ja, bij het kamperen,

Hindert zo iets vreeslijks niet !

Hindert zo iets niet !

 

Zijn je kleren niet te netjes,

Zie je 'r uit als een bandiet,

Poets je in geen week je schoenen,

Bij 't kamperen geeft dat niet.

Ja, bij het kamperen,

Ja, bij het kamperen,

Hindert zo iets vreeslijks niet !

Hindert zo iets niet !

 

Ben je nat van top tot teen,

Als je soms de beek in schiet,

Heb je dan geen droge kleren,

Bij 't kamperen geeft dat niet.

Ja, bij het kamperen,

Ja, bij het kamperen,

Hindert zo iets vreeslijks niet !

Hindert zo iets niet !

 

Brand je soms een keer je handen,

Als je aardappels afgiet,

Snij bij 't jassen in je vingers,

Bij 't kamperen geeft dat niet.

Ja, bij het kamperen,

Ja, bij het kamperen,

Hindert zo iets vreeslijks niet !

Hindert zo iets niet !

 

Als het vlees niet bijster gaar is,

En de jus 'r wat vreemd uitziet,

Als je zand eet met spinazie,

Bij 't kamperen geeft dat niet.

Ja, bij het kamperen,

Ja, bij het kamperen,

Hindert zo iets vreeslijks niet !

Hindert zo iets niet !

 

Als de piepers soms verbrand zijn,

En het is toch geen pommes frites,

Als de rijst met krenten koud is,

Bij 't kamperen geeft dat niet.

Ja, bij het kamperen,

Ja, bij het kamperen,

Hindert zo iets vreeslijks niet !

Hindert zo iets niet !

 

Zit je mandolien te spelen,

En je zingt het hoogste lied,

Zo dat alles op de vlucht slaat,

Bij 't kamperen geeft dat niet.

Ja, bij het kamperen,

Ja, bij het kamperen,

Hindert zo iets vreeslijks niet !

Hindert zo iets niet !

 

Als de kamptijd op zijn eind loopt,

En je beurs raakt in de knel,

En je moet dan honger lijden,

Bij 't kamperen geeft dat wél.

Ja, bij het kamperen,

Ja, bij het kamperen,

Hindert zo iets vreeslijks wél !

Hindert zo iets wél !

 

Terug naar overzicht

Kamperen

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Kamperen is de mooiste zomersport
waarvan je steeds maar jonger wordt
je trekt doorheen het mooie Vlaamse land
door bos en hei en strand.

Refrein:
Tralalala lalalalalalala…

Het slapen gaat niet altijd even best
soms lig je in een mierennest
je doet van heel de nacht geen oog meer dicht
tot aan het morgenlicht.
 

Refrein


Het eten is soms wel eens aangebrand
dat vinden wij zo ambetant
de leidsters zijn dan ook niet goed gezind
en drinken vlug een pint.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Kamperen in de duinen

(O.G. Sterkenburg/J. Mackenzie)

Een lied, een lied, een vrolijk lied !

Dat hoort, want kommer en verdriet

Zijn hier in 't duin verbannen.

Als trouwe makkers wonen wij

In onze tent, van zorgen vrij

Tracht elk zich hier te-ontspannen.

Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat

Juicht heel ons troepje in de maat:

"O blonde duinen, weest gegroet !"

Wat kun je meer begeren,

Dan één van zin met blij gemoed

In 't duinland te kamperen.

 

Elk kent zijn taak, ja dat staat vast !

En trouw dient daar wel op gepast,

De zaak is goed besproken:

Wie 't kampvuur stookt, wie water haalt,

't Werd alles juist door ons bepaald,

En wie de pot zal koken.

Al brandt er soms wat aan, nou ja

We smullen toch en zingen dra:

"O blonde duinen, weest gegroet !"

Wat kun je meer begeren,

Dan één van zin met blij gemoed

In 't duinland te kamperen.

 

Aan gindse duinvoet lokt de zee,

En wie doet daaglijks graag niet mee

Aan 't baden, plassen, stoeien.

Tot klimmen, klaut'ren steeds bereid

Gaan wij straks dwalen wijd en zijd,

Wie denkt er aan vermoeien.

Om 't kampvuur 's avonds toeft de rust

En dankbaar zingen we met lust:

"O blonde duinen, weest gegroet !"

Wat kun je meer begeren,

Dan één van zin met blij gemoed

In 't duinland te kamperen.

 

Terug naar overzicht

Kamp-optimisme

(H. Olman Jr./J.A. Brouwer-van Zanten)

Het waait, het waait, hallo ons hindert dat niet,

Het stormt, het stormt, de vreugde vermindert nog niet.

Het plast en het plonst, het klettert maar neer en het giet,

Al razen orkanen, bij ons geen verdriet.

 

Vuurtje stoken,

Potje koken,

Hakken, ham'ren, slaan.

Dekens kloppen,

Sokken stoppen,

't Komt er wel op aan.

 

Vogels fluiten

Fijn daar buiten,

Maar ik mag niet mee.

Lopen, draven,

Werken, slaven:

'k Heb vandaag corvée !

 

Terug naar overzicht

Karretje langs de zandweg

(Twee voerlui)

(Kees Pruis 1926)

Een karretje op een zandweg reed
De maan scheen helder, de weg was breed
Het paardje liep met lusten
'k Wed, dat het zelf zijn weg wel vindt
De voerman lei te rusten
Ik wens je wel thuis, m'n vrind, m'n vrind
Ik wens je wel thuis, m'n vrind

Een karretje reed langs berg en dal
De nacht was donker, de weg was smal
Het paard liep met vleugels
De sneeuw jacht zweept zijn ogen blind
De voerman houdt de teugels
Ik wens je wel thuis, m'n vrind, m'n vrind
Ik wens je wel thuis, m'n vrind

Een karretje keert behouden weer
Het ander heeft er geen voerman meer
Waar mag hij zijn gebleven
'k Wed, dat je 'm op de zandweg vindt
Of moog'lijk wel daar ne-even
Hij komt niet weer thuis, die vrind, die vrind
Hij komt niet weer thuis, die vrind

 

Terug naar overzicht

Kastanjes

(T. van Buul/J.C. Andreae)

Het is een heldere dag in Mei,

De wind waait lustig, de zon schijnt blij

Op bloeiende paarse seringen,

En goudenregens gele tooi

En alles is zo mooi, zo mooi !

En alle vogels zingen !

 

En zie, hoe blauw de hemel blauwt

Boven de weiden geel als goud,

De zonnige, bloeiende landen,

En zie de kastanjrbomen daar staan !

Daar groeien witte kaarsjes aan,

Wat zullen die kaarsjes aardig staan,

Wanneer ze vanavond branden !

Wat zullen die kaarsjes aardig staan,

Wanneer ze vanavond branden !

 

Terug naar overzicht

Kijk jongens kijk daar komt de koning aan

(met dank aan H. Metz-Onstein voor het sturen van de tekst)

Kijk jongens kijk daar komt de koning aan,

Met vol muziek en slaande trom.

Ik zou van vreugd wel aan het dansen willen gaan,

Want zulk een dag komt nooit weerom.

We vieren heden 't vijfentwintig-jarig feest,

Dat Willem Drie van Neerland koning is geweest.

En daarom klinkt van alle kant,

Lang leve Oranje en Nederland. 

 

Terug naar overzicht

Kijk uit !

(Clinge Doorenbos)

Zeg broer en zusje, als je wandelen gaat,

Kijk dan altijd goed uit, 't is druk op de straat

Met auto's en fietsen, met kar en met paard,

Ze rijden en rossen met vliegende vaart !

Dus broer en zusje, als je wandelen gaat,

Kijk dan goed uit, 't is druk op de straat.

 

Zeg broer en zusje, als je wandelen gaat,

Loop aan de rechterkant, dan kan het geen kwaad

Met auto's en fietsen, met kar en met paard,

Ze rijden en rossen met vliegende vaart !

Dus broer en zusje, als je wandelen gaat,

Kijk dan goed uit, 't is druk op de straat.

 

Zeg broer en zusje, als je wandelen gaat,

Let dan altijd goed op, want 't is gauw te laat !

Want auto's en fietsen en karren en paard

Ze rijden en rossen met vliegende vaart !

Dus broer en zusje, als je wandelen gaat,

Kijk dan goed uit, 't is druk op de straat.

 

Terug naar overzicht

Kinderlijk geloof

(met dank aan de Familie Van Zon voor de tekst)

Daar trok weleer een Godsgezant

Door dorp en stad van Engeland

Verkondigde daar Jezus leer

Bracht menigeen ten schaapstal weer

 

Eens sprak hij voor een kinderschaar

Van Jezus die op ’t hoogaltaar

In ’t gouden tabernakel woont

En zich aan elk zo minzaam toont.

 

Strak luisterend zat de lieve jeugd

Op elk gelaat blonk hemelvreugd

In menig oog een held’re traan

Zoo innig waren ze aangedaan

 

De leering eind, men gaat naar huis

Een knaapje blijft bij het missiekruis

En gaat als niemand zich meer toont

De kerk weer in, waar Jezus woont

 

Omzichtig treedt hij in en ziet

Of nergens iemand hem bespiedt

Ja-fluisterd hij-nu maar gegaan

‘k Klop zachtjes daar bij Jezus aan

 

Maar hoe hij de armpjes rekken moog

Het gouden deurtje was te hoog

Wat nu……voor het kind is ’t geen bezwaar

Het klautert boven op ’t altaar

 

’t Is stil…tik tik ’t klopt aan en hoort

Daar binnen klinkt geen enkel woord

Maar Jezus ‘k leerde nog zojuist

Dat Gij in het tabernakel huist.

 

En ’t klopt al harder harder aan

Misschien had Jezus ’t niet verstaan

Spreek lieve Heer ach spreek nu toch

Gij zijt hier waarom zwijgt Gij nog.

 

Och Jezus spreek een enkel woord

Ik ga van hier niet onverhoord

Mijn Jezus ik min U toch zo zeer

Ach luister toch eens lieve Heer

 

O wonder Hij die het schuldloos kind

Zo vaderlijk zo goddelijk mint

Niet langer nee schijnt Jezus doof

Voor ’t kloppen van dat sterk geloof

 

Ja spreekt Hij hier is Jezus woon

Ik rust hier op een gouden troon

En hoor naar elk vol medelij

Spreek kindeke wat wildet gij

 

Och Jezus vader is zo kwaad

Zodat hij vloekt en ons zo slaat

Sterft Vader zo dan moet Gij wel

Hem eeuwig straffen in de hel.

 

Mijn Jezuslief Gij zijt zo zoet

Maak vader ook weer braaf en goed

Opdat hij eens voor eeuwig blij

Bij U en mij en moeder zij

 

En Jezus treft die kinderbee

Ga knaapje zegt Hij ga in vree

Ik zorg dat vader zich bekeer

Ga maar getroost naar moeder weer

 

En ’t kind gelooft dat zoete woord

’t klimt af en spoed zich huiswaarts voort

En huppelt straks aan moeders zij

O als een engeltje zo blij.

 

Maar s’avonds kwam bij ’t schemerlicht

De vader van het lieve wicht

Half schuchter naar het kerkgebouw

Het hart vermorzeld door berouw

 

Daar knielt hij voor Gods priester neer

Gods priester geeft hem de onschuld weer

Dan snelt hij naar zijn gade en kind

Waar hij nu ware vreugde vindt

 

Terug naar overzicht

Kind'ren, naar buiten, het zonnetje lacht (Zomerochtendliedje)

(S. Abramz. / L. Adr. van Tetterode)

Kind'ren, naar buiten, het zonnetje lacht !

Ziet toch eens rond, wat de morgen u bracht:

't Vrolijke, zonnige leven !

't Schittert daar buiten van blauw en van goud;

Vogeltjes schaat'ren in 't bloeiende hout,

Vriendelijk lachen de dreven !

Geur stijgt ten hemel van bloesem en blad,

Mee op het pad ! Mee op het pad !

 

Kind'ren naar buiten, het veld is nog nat !

Dauw ligt te flonk'ren op bloesem en blad,

Schitter u vriendelijk tegen.

't Zonlicht maakt plassen tot spiegels van goud;

Tovert een tint'lende sluier voor 't woud,

Sprenkelt zijn goud op de wegen.

Kind'ren naar buiten, ontvlucht nu de stad,

Mee op het pad ! Mee op het pad !

 

Kind'ren naar buiten, natuur is zo mooi !

Ziet toch haar rijke, haar feest'lijke tooi,

Feesttooi in 't zomergetijde !

Paart er uw liedjen aan 't vogelgezang,

Kort is de zomer, maar winter duurt lang,

Zingt er uw liedeke blijde !

Kind'ren naar buiten, ontvlucht nu de stad,

Mee op het pad ! Mee op het pad !

 

Terug naar overzicht

Klaar-overs uit de Jordaan

(met dank aan Louise Kotten voor het sturen van de tekst)

Wij zijn de klaar-overs uit de Jordaan,

Klaar over, klaar over.

Met ons kun je veilig de weg over gaan,

Klaar over, klaar over.

En is er dan een heer

Geen heer in het verkeer,

Dan zeggen wij meneer

Uwes is geen heer.

Wij zijn de klaar-overs uit de Jordaan,

Klaar over, klaar over.

 

Terug naar overzicht

Klaas Vaak

(Anna Fles/Cath. van Rennes)

Daar kom ik in het schemeruur

De trappen op geslopen,

En doe de deur van 't slaapvertrek

Voorzichtig open,

Goede nacht ! Goede nacht !

Roepen zacht kleine kind'ren.

Goede nacht ! Goede nacht !

Roepen zacht kleine kind'ren.

 

Je kunt niet horen dat ik kom,

Zo zacht zet ik mijn voetjes;

Ik treed dan op hun bedjes toe,

Heel stil, heel zoetjes.

Goede nacht ! Sluimert zacht,

Sluimert zacht, klinkt het teder.

Goede nacht ! Sluimert zacht,

Sluimert zacht, klinkt het teder.

 

Ik heb een zakje vol met zand,

Dat strooi ik hun in d' ogen,

Opdat ze zich door zoete slaap

Verkwikken mogen.

Goede nacht. Rust nu zacht !

Rust nu zacht, lieve kleinen.

Goede nacht. Rust nu zacht !

Rust nu zacht, lieve kleinen.

 

Terug naar overzicht

Klein Jantje

(met dank aan Gerard van der Scheer voor de tekst)

Ik ken een aardig ventje

Klein Jantje van oom Koos

Zijn mond stond altijd lachend

Niet een zag hem ooit boos

 

Wanneer wij met hem speelden

Och, och, wat was hij blij

Maar niemand van ons allen

Had zoveel pret als hij

 

Maar ziek werd toen klein Jantje

Heel erg dat dokter zei

Geen poeiers, pillen, drankjes

Niets hielp - zo ziek was hij

 

Klein Jantje is gestorven

En oom is nu alleen

Hij zegt: "Het is zo aak'lig

Zo eenzaam, zo alleen."

 

In 't hoekje van de kamer

Verborgen door 't gordijn

Staat nu klein Jantje's stoeltje

Waar zou klein Jantje zijn?

 

Terug naar overzicht

Klein Keesje gaat voor 't eerst naar school

(met dank aan Nicoline Gast voor het sturen van de tekst)

Klein Keesje gaat voor 't eerst naar school dat is geen kleinigheidje.
Hij draagt een schooltas op zijn rug met griffels en een leitje.
Druk pratende en heel parmant, stapt Keesje aan zijn vaders hand,
Stapt Keesje aan zijn vaders hand.

Zijn mond staat geen minuutje stil, want alles wil hij weten,
Of lezen moeilijk is en hoe de juffrouw wel zal heten.
En rekenen kan hij al goed, van een tot tien wel als het moet,
Van een tot tien wel als het moet.

Maar als ze bij de schooldeur zijn, wordt kleine Kees verlegen.
De kind'ren kijken hem zo aan, daar kan hij heel niet tegen.
Hij huilt zijn hoofd in vaders jas, 'k wou dat ik thuis bij moeder was.
'k Wou dat ik thuis bij moeder was.

 

Terug naar overzicht

Klein vogelijn op groene tak

(Dr. J.P. Heije/Wilh. Smits)

Klein vogelijn op groene tak
Wat zingt g'een rustig lied
Wij hebben in ons hele boek
Zo'n vrolijk wijsje niet
O, zeg, o zeg ons aardig beest
Wie toch uw meester is geweest

O, zeg, o zeg ons aardig beest
Wie toch uw meester is geweest

Zo zuiver zingt gij en zoo hoog
Zo keurig in de maat
En 't hart, dat popelt ons van vreugd
Wanneer uw keeltje gaat
O. zeg, o zeg ons aardig beest
Wie toch uw schepper is geweest
O. zeg, o zeg ons aardig beest
Wie toch uw schepper is geweest


Voorzeker, 't is de goede God
Die 't u heeft toevertrouwd
Opdat gij aan der blinden oor
Zijn goedheid melden zoudt
O ja wij weten aardig beest
Dat God uw meester is geweest

O ja wij weten aardig beest
Dat God uw meester is geweest

 

Terug naar overzicht

Kleine Co'tje

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Kleine Co'tje kreeg van oma

Een piano in een doos.

's Morgens zat z'in haar bedje

En sloeg zij een hele poos

Op de toetsjes en zij zong

Ping, pang, pong

Ping, pang, ping, pong

Ping, pang, pong

Ping, pang, ping, pong.

 

Paps en moeder werden wakker

En ook kleine broertje Piet

"Speel zoveel je wilt"zei vader

"Maar zo vroeg des morgens niet

Overdag ga dan je gang".

Ping, pong, pang

Ping, pong, ping pang

Ping, pong, pang

Ping, pong, ping, pang.

 

Kleine Co'tje was ondeugend

En zij speelde 's morgens weer

Pap kwam heel boos naar de stouterd

En zei "Dat 's de laatste keer

In de kast dat tingelding".

Pang, pong, ping

Pang, pong, pang, ping

Pang, pong, ping

Pang, pong, pang, ping.

 

Terug naar overzicht

Kleine Dikkie Dikkie

(met dank aan Hannek Peters voor het sturen van de tekst)

Kleine Dikkie Dikkie die was toch zo dik
Zijn beide beentje waren als een bolle bakkersmik
Dikkie noemden hem zijn Pa en Ma
En op straat daar riepen hem de jongens na:

Kijk daar heb je nou die Dikkie, Dikkie van de hoek
Wat heeft 'ie dikke benen in zijn ouwe broek

Kleine Dikkie Dikkie schaamde zich haast dood
Sprong toen op een goeie dag in een moddersloot
Klappen kreeg hij van zijn Pa en Ma
En op straat daar riepen hem de jongens na:

Kijk daar heb je nou die Dikkie, Dikkie van de hoek
Wat heeft'ie dikke benen in zijn vieze modderbroek

Kleine Dikkie Dikkie kreeg nog meer het land
Stak toen op een mooie dag zijn hele broek in brand
Nog meer klappen kreeg hij van zijn Pa en Ma
En op straat daar riepen hem de jongens na:

Kijk daar heb je nou die Dikkie, Dikkie van de hoek
Wat heeft'ie dikke benen in zijn afgebrande broek

Kleine Dikkie Dikkie kreeg een nieuwe broek
Z'n ouwe afgebrande gooit zijn moeder in een hoek
Laat ze schelden zeiden Pa en Ma
En op straat daar riepen hem de jongens na:

Kijk daar heb je nou die Dikkie, Dikkie van de hoek
Wat heeft'ie dikke benen in zijn mooie nieuwe broek.

 

Terug naar overzicht

Klepperlied
Hoor je wel mijn kleppers gaan
'k Heb het pas geleerd
'k Kreeg het bijna niet gedaan
Maar alsmaar geprobeerd

Refrein:
Klepperde,klepperde,klep,klep,klep

Klepperde,klepperde,klep,klep,klep
'k Ben zo blij dat ik

'k Ben zo blij dat ik

'k Ben zo blij dat ik ze he-eb

Klepperde,klepperde,klep,klep,klep

Klepperde,klepperde,klep,klep,klep
'k Ben zo blij dat ik

'k Ben zo blij dat ik

'k Ben zo blij dat ik ze heb

 

Moeder vind het toch zo'n kruis
't Maakt zo veel kabaal
Al dat leven hier in huis
't Is toch een schandaal

Daarom ga ik maar op straat
Met mijn vriendje Piet
Heerlijk klepp'ren op de maat
Dat geeft noot verdriet

 

Terug naar overzicht

Klepperliedje

(R.W. Hudig)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Klepperdeklep ! Klepperdeklep ! Klepperdeklep !
We lopen in de zon en in de regen
We klepperen fleurig in de maat
We zijn bij geen buitje verlegen
En blijven ’t liefst op de straat
En zijn onze schoenen of klompen wat lek
Klepperdeklep, klepperdeklep, klepperdeklep, klep, klep !
En loopt ons ’t water wat kil langs de nek
Klepperdeklep, klep, klep, klep, klep, klep, klep, klep !
We drogen wel weer en ’t doet ons geen kwaad
We klepp’ren zo graag langs de straat
We drogen wel weer en ’t doet ons geen kwaad
We klepp’ren zo graag langs de straat !

 

Klepperdeklep! Klepperdeklep! Klepperdeklep !
En vallen in ’t najaar de blâ’ren
We blijven klepp’ren bij ‘t lied
Al stuift ons de sneeuw in de haren
Voor winterkou wijken we niet
Bij kachels ons broeien ? We leken wel gek !
Klepperdeklep, klepperdeklep, klepperdeklep, klep, klep
We rusten wel uit bij een stoep of een hek
Klepperdeklep, klep, klep, klep, klep, klep, klep, klep !
Laat dansen de hagel, hij doet ons geen kwaad
We klepp’ren en blijven op straat
Laat dansen de hagel, hij doet ons geen kwaad
We klepp’ren en blijven op straat !

Terug naar overzicht

Klets klats

(met dank aan Kees Veltman voor het sturen van de tekst)

Het had wel wat gevroren,
Maar ’t ijs was nog niet goed.

Toch stapt een aardig ventje

Er op met eenen voet, met eenen voet
Hij zegt, ik wil het wagen,

Het ijs kan mij wel dragen,
Het ijs kan mij wel dragen, wel ja, wel ja.

Hij gaat nu aan het trappen,

En stampt uit alle macht,
Maar d’ ijskorst van twee  nachtjes

Bezwijkt voor zulk een vracht, voor zulk een vracht
Krak, krak… en is het wonder,

Daar gaat hij kopje onder,
Daar gaat hij kopje onder, o wee, o wee.

Help ! help ! ik moet verdrinken,

Ik vind hier nog de dood.

Help ! help ! ik voel me zinken, o red mij uit de nood.

Een boer, die aan kwam rijden,

Had met hem medelijden,
Had met hem medelijden, ach, ach,.. ach, ach.


Hij pakt hem bij zijn buisje

En redt den kleinen guit.
Het water vliet bij stroomen zijn mouw en broekspijp uit,

Zijn broekspijp uit.
Maar thuis in vader's hoekje,

Daar ging 't op 't natte broekje,
Daar ging 't op 't natte broekje, klets klats, klets klats.

 

Terug naar overzicht

Kling, klang (De kerk in 't Bosch)

(A. Winkler Prins/R. Hol)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Kling, klang, kling, klang.

Over 't woud galmen de klokken

Als eng'lengezang.

Vleiend met tonen van zilver en goud,

Kling, klang, kling, klang

Kling, klang, klang.

 

Kling, klang, kling, klang.

Statig van stem roepen de klokken.

Met strelende drang

Nadert, oh nadert, oh nadert tot Hem

Kling, klang, kling, klang

Kling, klang, klang.

 

Terug naar overzicht

Kling, klang, klokkebei !

(D. Tomkins/Cath. van Rennes)

Langs de lange leie

Klept de klokkebeie

In het grote bos.

Al haar kleine belletjes

Wit met rode velletjes

Luiden er op los;

Kling, klang, klokkebei,

Morgen is het Mei !

Kling, klang, klokkebei,

Morgen is het Mei !

 

In de hoge hagen

Hoor je al sinds dagen

Hoe de merel fluit,

Merelvrouw en mannetje

Maakten saâm een plannetje

En voerden 't uit:

Kling, klang, klokkebei,

'k Zie het eerste ei.

Kling, klang, klokkebei,

'k Zie het eerste ei.

 

In de wijde sloten

Wriemelen de poten

Van het kleine goed.

Ronde, rode spinnetjes

Zwemmen als met vinnetjes

't Zonlicht tegemoet.

Kling, klang, klokkebei,

Zonlicht maakt je blij !

Kling, klang, klokkebei,

Zonlicht maakt je blij !

 

Langs de lange leie

Klept de klokkebeie

In het grote bos.

Als je maar wilt luisteren

Hoor je zachtjes fluisteren

Tussen 't sterremos:

Kling, klang, klokkebei,

Morgen is het Mei !

Kling, klang, klokkebei,

Morgen is het Mei !

 

Leie = beek

Klokkebeie = volksnaam voor bosbes

 

Terug naar overzicht

Klip-klap-klop

(E.P. de Boer/J.A. Zagwijn)

Het boertje bindt zijn schoven los

En spreidt de deel vol halmen.

Dan grijpt hij ferm z'n vlegel vast

En gaat het zonder talmen:

 

De vlegel hoog en met een boog,

Ploft hij op d' aren neder !

Een wijde zwaai, een korte draai,

Klip, klop ! daar valt hij weder.

 

Op halmen grof klinkt 't dof: plof ! plof !

Het stof stuift door de slagen

Wel meters hoog, om met een boog

De schuurdeur uit te jagen.

 

Het graan dat wipt en hupt en hipt

Voort onder slagenregen.

Ons boertje zweet, dat werk maakt heet,

Geen nood, hij kan er tegen !

 

Terug naar overzicht

Klokken-klanken

(F. v.d. Elst-Boonzajer)

Hoort de zuiv're klokken klinken

Van de hoge torentrans.

Hoort het liedje dat ze zingen

In een frank en vrije dans.

Tonen door het luchtruim zweven

Als een twinkelend geluid.

Klokken die hun liedjes geven,

Klokken die hun leidjes geven,

Brengen leven, brengen leven,

Dragen 't in de verte uit.

 

Als de zuiv're klokken zingen

En de avond is zo stil,

Is het of mij haar gebeier

Telkenmaal iets zeggen wil.

In mijn ziele rijst een bede,

Rijst een bede en een dank.

Over mij komt rust en vrede,

Over mij komt rust en vrede,

't Hart zingt mede, 't hart zing mede,

Met der klokken schoon geklank.

 

Terug naar overzicht

Koeltjes suiz'len (De Wind) (C.G.J. Geerlings)

Koeltjes suiz'len, doen rits'len het lover

Brengen de geuren der bloemen ons over

Winden lenen hun diensten de mensen

Voeren den zeeman naar 't land zijner wensen

Drijven de schepen vlug voor zich henen

Draaien gedienstig de molenstenen

Maar plots'ling breekt de stormwind los

En vliegt vernielende door het bos

En rukt daar de takken van krachtige eiken

Vernielt grote schepen en beukt hoge dijken

En altijd blijkt zijn vernielende aard

Zo doet de storm in zijn teug'loze vaart

En altijd blijkt zijn vernielende aard

Zo doet de storm in zijn teug'loze vaart

Terug naar overzicht

Kom mee naar buiten (De wielewaal)

Kom mee naar buiten allemaal
Dan zoeken wij de wielewaal
En horen wij die muzikant
Dan is zomer weer in 't land
Dudeldjo klinkt zijn lied
Dudeldjo klinkt zijn lied
Dudeldjo en anders niet

 

Hij woont in 't dichte eikenbos
Gekleed in gouden vederdos
Daar jodelt hij op zijn schalmei
Tovert onze harten blij
Dudeldjo klinkt zijn lied
Dudeldjo klinkt zijn lied
Dudeldjo en anders niet

 

Terug naar overzicht

Kom zing met mij een vrolijk lied

(Annie de hoog-Nooij/Aug. Weiss)

Kom zing met mij een vrolijk lied,

Een lied van 't blijde leven !

Een lied voor kind, voor vrouw en man,

Een lied, dat elk begrijpen kan,

Een lied, dat kracht zal geven !

Een lied, dat kracht zal geven !

Een lied, dat elk begrijpen kan,

Een lied, dat kracht zal geven !

 

Kom zing met mij een lustig lied,

Een lied voor alle kringen.

Een lied, dat spreekt van blijde zin,

Van levensmoed en naastenmin,

Een lied, dat elk elk moet zingen !

Een lied, dat elk elk moet zingen !

Een lied, dat spreekt van blijde zin,

Een lied, dat elk elk moet zingen !

 

Kom zing met mij een vreugdelied,

Zingt allen dapper mede !

Een lied, dat uit het harte klinkt,

Totdat het heel de wereld zingt,

Een lied, een lied van vrede !

Een lied, een lied van vrede !

Een lied, dat uit het harte klinkt,

Een lied, een lied van vrede !

 

Terug naar overzicht

Komt een vogel gevlogen

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Komt een vogel gevlogen

Zet zich neer op mijn voet

Heeft een brief in z´n snavel,

Van mijn moeder een groet.

 

Lieve vogel, vlieg verder

Neem een zoen mee en een groet,

Ik kan niet met je mee,

Omdat ik hier blijven moet.

 

Terug naar overzicht

Komt, laat ons zingen

(Cherubini)

(Canon)

Komt, laat ons zingen !

Zingen in koor.

Dat fris en blij ons lied weerklink' !

Wij stemmen allen in.

Begin !

 

Terug naar overzicht

Komt vrienden in het ronde

Komt vrienden in het ronde
Minnaars van enen stiel
Ik zal u gaan verkonden
Hoe ik door 't slijperswiel
De kost verdien voor vrouw en kind
Schoon blootgesteld aan weer en wind

 

Refrein:

Terlierelom terla
Van linksom rechtsom draait mijne steen
Door het roeren van mijn been
Ju ju ju ju ju ju ju ju

 

De smid die moet hard werken
Gestadig voor het vier
Hij durft hem niet versterken
Met ene kan goed bier
Terwijl ik ga op mijn gemak
Soms ook wel met een lege zak

 

De schoenpik stijf gezeten
Op enen pikkelstoel
Moet kaas en droog brood eten
Maar als ik nood gevoel
Dan slijp ik tot den avond toe
En zo heb ik nooit arremoe

 

De kleerfrik maakt ons kleren
Voor acht stuivers per dag
Wil hij zijn loon vermeren
Hij snijdt meer dan hij mag
Maar ik met mijne slijpersteen
Ik win meer in een uur alleen

 

De maalder moet graan malen
Tot in het fijnste meel
Hij doet dubbel betalen
Voor zijne droge keel
Maar ik door ijver en door vlijt
Ik win mijn brood in eerlijkheid

 

Mijn vrouw die roept victoria
Over den slijpersstiel
Zij vindt de grootste gloria
In't draaien van mijn wiel
Mijn kinders hebben geen ongemak
Zij lopen met de bedelzak

 

Sa vrienden voor het leste
All' ambachten zijn goed
Maar 't mijn is toch het beste
Schoon ik soms slapen moet
Op hooi en strooi in ene stal
Ik heb de kost voor niemendal

 

Terug naar overzicht

Komt vrinden, op naar buiten

(J. Worp )

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Komt vrinden, op naar buiten,
Tot wand'len aangetreên;
Daar, waar de vogels fluiten,
Klink' onze zang meteen !
Een lied uit blij gemoed,
Doet ieders harte goed;
Niets klinkt zo fris, niets klinkt zo zoet,
Als 't lied uit blij gemoed.
Niets klinkt zo fris, niets klinkt zo zoet,
Als 't lied uit blij gemoed.

 

Komt, vrolijk nu naar buiten:
't Was vroeger koud en guur;
Maar nu de vogels fluiten,
Vernieuwd is heel natuur;
De lucht is warm en zacht,
De lieve lente lacht,
Zacht is de lucht, de lente lacht.
't blinkt al in volle pracht.
Zacht is de lucht, de lente lacht.
't blinkt al in volle pracht.

 

Terug naar overzicht

Koosje Koosje

(met dank aan Karel van de Pol voor het sturen van de tekst)

Koosje,Koosje, zo is mijn naam

ik heb het in mijn broek gedaan.

Ik ben de helft ervan verloren,

en de helft zit vastgevroren.

 

Als ik sterf, dan ben ik dood.

Dan lig ik in mijn kistje bloot.

Dan komen de engeltjes bij me zingen,

dan zal ik uit mijn kistje springen.

Als ik spring dan spring ik snel.

Naar de hemel of naar de hel.

O die olie van de druiven,

laat de droefheid maar verschuiven,

laat de droefheid maar vergaan.

Zet de fles maar aan je lippen,

dan kan het zo naar binnen wippen.

O, dat voel ik aan mijn hartje.

Juffrouw, geef me toch een kwartje!

 

Ik heb gezongen en niks gehad.

Snij dan een stuk van het verreken z’n gat.

Snij maar diep, snij maar diep.

Snij maar in oewe vinger niet!

 

(Voor de niet-Tilburgse lezers eerst even iets over dat Koosje-Koosje. Dat was een bedel-liedje waarmee in de kerstvakantie, op 28 december, het feest van Onnozele Kinderen, kinderen langs de huizen trokken. Sommigen nog met een rommelpot – een conservenblik waarover een gedroogde varkensblaas gespannen was, met een houtje daar van tevoren met een elastiekje erom ingestoken. Dat werd op en neer gewreven met je vingers en gaf dan een brommend geluid.

Dat rondtrekken om iets te krijgen was iets dat vooral voor arme kinderen bedoeld was, maar ook anderen vonden het dikwijls leuk om te doen.

Als het mocht van je ouders tenminste, want die vonden het wel eens te onbehoorlijk of wilden niet graag zelf een beetje minvermogend lijken.)

 

Terug naar overzicht

Krekeltje, krekeltje in het gras (De krekel en het meisje)

(E.P. de Boer/Bernard Diamant)

Krekeltje, krekeltje in het gras

'k Wou dat ik wist waar je was, waar je was

'k Hor je nu hier, dan weer hoor ik je daar

Waar je zit, word ik nimmer gewaar

Altijd gaat je viooltje: kriek, kriek

Heel de dag maak je vrolijk muziek

Heel de dag maak je vrolijk muziek

La, la, la, la, la, la, la, la, la, la, kriek, kriek

 

Meisjelief, meisjelief, ik ben hier

'k Zie je wel zoeken en 'k heb zo'n plezier

'k Roep maar gedurig van kriekerde kriek

Jij weer aan 't zoeken en ik lach me ziek

Maar als j' al te dicht bij me komt

Dan opeens is 't gefiedel verstomd

Dan opeens is 't gefiedel verstomd

La, la, la, la, la, la, la, la, la, la, kriek, kriek

 

Krekeltje, krekeltje, kleine guit

Lach jij gerust mij maar uit, mij maar uit

'k Wilde alleen toch zo heel graag es zien

Of het wel waar is, wat onze zus Lien

Mij vertelt van je krekelmuziek

Maak je die echt met je poot, kleine kriek ?

Maak je die echt met je poot, kleine kriek ?

La, la, la, la, la, la, la, la, la, la, kriek, kriek

 

Terug naar overzicht

Kuipersliedje

(tekst: J. Dautzenberg/muziek: W. de Lattin)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst

Kloppe kloppe klop

Klop de hoepels op

Tonnen moeten vaardig zijn

Voor den lekkeren Vlaamsen wijn

Ja dan schenkt de bottelier

Ons zijn besten gerstenbier

Kloppe kloppe klop  2x

 

Slijpen wij het beste lemmer

Smeren wij ons zagentuig

Vormen wij voor vat en emmer

Bodem repenhout en duig

Blaast maar toe, de spaanders roken

Ziet het vuur is al ontstoken

Kloppe kloppe klop  2x

 

Ras de duigen in hun banden

Kijk de vlammen draait ze krom

Hamert nu met vlugge handen

Loopt de tonnen om en dom

Dat zij eens met ronde buiken

In de kelder nederduiken

Kloppe kloppe klop  2x

 

Terug naar overzicht

Kwajongen

(De Hoog-Nij/Moolenaar)

Je bent een kwajongen

Zo is er niet een

Zegt dikwijls mijn moeder

Waar moet het toch heen

Je kousen vol gaten

Je broek nu weer stuk

Dat vader niet thuis is

Dat is je geluk

 

Je moest je wat schamen

Je handen roetzwart

Je pet in je broekzak

Je haren verward

In plaats van een veter

Een touw in je schoen

Heb 'k ooit van m'n leven

Jij kent geen fatsoen

 

Kom moeder niet mopp'ren

Een Hollandse guit

Die lacht al die netheid

Zo hartelijk uit

Mijn goed zit vol scheuren

Mijn knieën zijn zwart

'k Heb alles aan flarden

Maar héél blijft mijn hart

 

Terug naar overzicht

Lang zal hij leven

(Uit: "Geniet van t lied" - R.K. Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)

(met dank aan Wilma van de Laak voor het sturen van de tekst)

Lang zal hij leven in gloria, gloria,

lang zal hij leven in gloria.

 

Zalig zal hij sterven in gloria, gloria,

zalig zal hij sterven in gloria.

 

De hemel zal hij erven in gloria, gloria,

de hemel zal hij erven in gloria.

 

Wij zullen er bij zijn in gloria, gloria,

wij zullen er bij zijn in gloria.

 

Terug naar overzicht

Langoor op reis (Van Buul/Andreae)

(met dank aan Marchien Braam voor het vierde couplet)

(met dank aan Johan Koning voor het plaatje)

Heer Langoor zou op reis gaan

Op reis gaan voor plezier

't Ging rechtuit op Parijs aan

Wel twintig uur van hier

Hij droeg een vuurrood jasje

Zijn vest was blauw geruit

En achter uit zijn broekje

Daar stak zijn staartje uit

 

Hij zei: "'k Loop langs de wegen

Nu als een deftig heer

'k Ben voor geen mens verlegen

Ik vrees geen jager meer."

Hij zag een veld met kolen

Toen heeft hij niet getoefd

Maar zich in 't groen verscholen

En van de kool geproefd

 

Daar liet de boer zich horen

Wat was dat voor gerucht?

Heer Langoor spitste d' oren

En zette 't op de vlucht

't Ging recht door moddersloten

Och, och wat een ongeluk!

Heer Langoor brak twee poten

En 't broekje scheurde stuk

 

Gelukkig had z 'n vrouwtje

In huis nog wel een naald

En heeft toen met een touwtje

De scheur weer toegehaald.

De dokter heeft zijn pootjes

Weer netjes opgelapt.

Hij is toen in zijn eentje

Weer naar Parijs gestapt.

 

Terug naar overzicht

Langs berg en dal

Langs berg en dal, klinkt hoorngeschal
Met volle zuivere toon
En fors en stout, weerklinkt door 't woud
Die galm zoo schoon, zoo schoon

't Geeft schoner kleur en frisser geur
Aan alles, wat me omringd,
En 't beekje spat zijn paarlend nat
Alsof 't een liedje zingt

Genot en rust en levenslust
Daalt bij die melodij
Verdriet en smart wijkt uit het hart
En vlucht en vlucht van mij

 

Terug naar overzicht

Lente

(David Tomkins/J. Mackenzie)

Lang, lang, dreigend en bang,

Moge de winterkou zijn,

Straks luidt Lente de bruid,

Klokjes van wit porcelein.

 

Zacht, zacht, drijft ze de nacht

Weg van het slapende land,

Teer buigt ze zich neer,

Wekt ze de bloem in de plant.

 

Breed, breed, spreidt ze haar kleed,

Zoekend ter zonne gericht,

Dus vangt ze de kus,

Van het belevende licht.

 

Blij, blij, hoog en ter zij,

Tussen het akkermaalshout,

Fluit luid rondom de bruid,

Wildzang de lof van het woud.

 

Terug naar overzicht

Lente

(J.N. van Hall/Hendrika v. Tussenbroek)

Weer zwelt de knop, weer groent het kruid,

O laat 'm er uit, o laat 'm er uit,

Reeds tint'len mij de wangen.

Mij kwelt een onverwindb're zucht

Naar bos en beemd, naar frisse lucht,

Naar zonnestraal en lentezangen,

Naar zonnestraal en lentezangen.

 

Daar buiten zingt het voog'lenkoor,

Mij 't loflied voor, mij 't loflied voor,

Vol kunsteloos verlangen.

Is 't wonder, zo met bloem en kruid

Ook 't jonge hart zich open sluit

Voor zonnestraal en lentezangen ?

Voor zonnestraal en lentezangen ?

 

Terug naar overzicht

Lentemorgen

(Dr. J.P. Heije/J. Worp)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De lucht is blauw en groen het dal,

Viooltjes bloeien overal en lelietjes van dalen;

't Is alles geur en fleur en kleur

En glans en gloed en stralen.

't Is alles geur en fleur en kleur

En glans en gloed en stralen.

 

Wees blijde nu, gij treurend hart,

Al heeft de lente lang gemard,

z' Is dubbel schoon verschenen;

Geef God den Heer nu dank en eer,

Uw winter ook vlood henen.

Geef God den Heer nu dank en eer,

Uw winter ook vlood henen.

 

Terug naar overzicht

't Lentezonnetje

(tekst/muziek: T. Kruithof/Dina Appeldoorn)

't Lentezonnetje is gekomen,

Tovert groen aan alle bomen,

Strooit in tuin, in veld, langs wegen,

Mild een bonte bloemenregen,

Geeft natuur weer wond're pracht,

Schoonheid, weelde, jeugd en kracht.

't Lentezonnetje spreidt zijn schoon,

Spreidt zijn schoon alom ten toon.

 

't Lentezonnetje speelt door 't lover,

Sprankt door 't bos zijn lichtgetover,

Dartelt over blad en bloemen,

Streelt de bijen, die zacht zoemen,

Zet natuur in kleur en pracht,

Schenkt de wereld kleur en pracht.

't Lentezonnetje spreidt zijn schoon,

Spreidt zijn schoon alom ten toon.

 

't Lentezonnetje zendt zijn stralen,

Over heuv'len en door dalen,

Gluurt verlokkend door de ruiten,

Noodt zo vriend'lijk: "Kom, naar buiten",

Schouw natuur in wond're pracht,

Loof haar schoonheid, wond're pracht.

't Lentezonnetje spreidt zijn schoon,

Spreidt zijn schoon alom ten toon.

 

Terug naar overzicht

Letst zag ik eens een zwarte kat

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Lest zag ik eens een zwarte kat

Pst, kat, fst, kat, pst ka, a- a- at,

Die nergens un wit plekske had

As flik flak vur dur gat.

Van alderie en alderie tjoeke tjoeke tjoek,

As flik flak vur dur gat.

 

Terug naar overzicht

Lieve lente

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Lieve lente, schenk uw zegen
Vriend'lijk voorjaar, kom o kom !
Strooi uw bloemen allerwegen
Breng ons gras en kruid weerom

In de bossen mocht ik dwalen
Springen door 't bebloemde land
Bij de glans der zonnestralen
Spelen langs de waterrand

'k Mocht de veldfluit horen spelen
Van de herder in 't verschiet
Luisteren mocht ik naar het kwelen
Van het lustig vogellied

 

Terug naar overzicht

Lolliepop

(vrij vertaald naar het liedje van kindsterretje Shirley Temple)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

'k Laat al mijn speelgoed staan

Poppen kan ik niet meer zien

Iets beters staat mij aan

Een echte vliegmaschien

Als ik het vliegen goed kan

Ben 'k een vliegenierster fijn

Wil jullie dan, als het kan

Mijn bemanning zijn.

 

In mijn luchtschip lolliepop

Vlieg ik in een wip suikerbergen op

Waar pepermunt en bonbons

Je zo maar oppakken kunt

Limonade staat gereed

Ook sukade bij de vleet

En voor je 't weet

Land je veilig op een chocolade reep

Kijk een nogabol gaat aan de rol

En een hart van fijn marsepein

Niet te gulzig zijn, oh, oh

Anders krijg je buikjepijn

In mijn luchtschip lolliepop

Voor een nachttrip, maak je bedje op

Zoet slapen want?

We gaan naar luilekkerland.

 

Terug naar overzicht

Luilekkerland

(tekst: Bob Bleyenberg / muziek:Fred Rauch /  uitvoering: o.a. Damrakkertjes)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Meester:

     Kind'ren opgelet, uit is nu de pret

     Luister netjes naar mij...

Kinderen: NEEE !

     In Luilekkerland,  aan de overkant

     Is de school er niet bij

M: Kind'ren allemaal, wees niet zo brutaal

     Want de les vangt nu aan...

K: NEEE !

    In Luilekkerland, aan de overkant 

    Hoeven we niet meer naar school te gaan

Samen:

    Samen eten wij, door de rijstebrij

    En dan zijn we fijn van alles af

    Geen gemopper meer, geen gecommandeer

    En we krijgen nooit straf, pats ! Au !

M: Dat is ongehoord, ik ben zeer verstoord

    Wees niet zo eigenwijs...

K: NEEE !

    Naar Luilekkerland, aan de overkant 

    Want daar is het kinderparadijs !

K: Weg met schoolrapport en het zwarte bord

    Weg met griffel en lei...NEEE !

    In Luiklekkerland, aan de overkant

    Is de school er niet bij

    Weg met de boekentas en die nare klas

    Die daarginds niet bestaan...NEEE !

    In Luiklekkerland, aan de overkant

    Hoeven we niet naar school te gaan.

Samen: (als boven)

K: Weg met rekenboek, nooit meer in de hoek

    Wij gaan samen op reis...JAAA !

    Naar Luilekkerland, aan de overkant

    Want daar is het kinderparadijs !

 

Terug naar overzicht

Maartse buien (W.G. van de Hulst/J.W. van Setten)

Hoor je ze jagen, de Maartse vlagen,

In woeste vlucht ?

Zie je ze kruien, die donkere buien,

Hoog in de lucht ?

 

Hoor je het luiden, wat wil het beduiden ?

Van klokjes fijn ?

Zie je ze dansen, die blijde glansen,

Van zonneschijn ?

 

Zie, 't is de grimmige winter,

Die wacht, maar verdwijnt.

Zie, 't is de schuchtere lente,

Die lacht, en verschijnt !

 

Terug naar overzicht

Madeliefje (S. Abramsz./L. Adr. van Tetterode)

Mooi kransje van zilveren straaltjes,

Met hartje van glinsterend goud,

Wat staat ge daar lieflijk te pralen,

Met fonkelende drupjes bedauwd.

Wit sterretje in fris groene weide,

Wat schittert ge lieflijk en rein;

Hoe blinkt er in 't vriendelijke zonlicht

Uw kroontje zo teder en fijn !

 

Lief bloemetje, schoonste van alle,

Zacht wieg'lend, als 't windje u kust,

O, maak met uw stralende schoonheid

Mijn venster tot plekje van lust.

En stillekens zal ik aanschouwen

Uw smetteloos wit en uw goud;

Eerbiedig bewond'rend genieten

De pracht, die gij need'rig ontvouwt.

 

Terug naar overzicht

Makkers op (wandelllied)

Met dank aan Marchiem Braam voor het sturen van de tekst)

Makkers op de rugzak om de schouder

Stemt een lied op lust en heerlijkheid

Door de nevel straalt de zon als gouden

Vink en lijster orgelen om strijd

Blaast de fluiten slaat de luiten

Overstemt het zorgen koor

Wij marcheren wij marcheren wij marcheren

Heel de wijde wereld door

Wij marcheren wij marcheren

Wij marcheren de wijde wereld door

 

Van de zon geblonde heuveltoppen

Waait het lachen over wijde land

Wees gegroet gij steden en gij sloppen

Plicht en arbeid springen uit de band

Blaast de fluiten slaat de luiten

Overstemt het zorgen koor

Wij marcheren wij marcheren

Wij marcheren heel de wijde wereld door

Wij marcheren wij marcheren

Wij marcheren de wijde wereld door

  

Ons is 't heilig donker van de wouden

Ons der heide rood scharlaken kleed

Ons het gouden golven van het koren

Heel de aarde licht voor ons gereed

Blaast de fluiten slaat de luiten

Overstemt het zorgen koor

Wij marcheren wij marcheren

Wij marcheren heel de wijde wereld door

Wij marcheren wij marcheren

Wij marcheren de weide wereld door

 

Terug naar overzicht

Mama 'k wil een man hè

Mama 'k wil een man hè
Wat voor man, mijn lieve kind
Wil jij dan een Duitse man

Nee mama nee
Een Duitse man, die wil ik nie
Want zwijnevlees, dat lust ik nie
Dit is mijn plezier, met een boerjong kerel hier

Mama 'k wil een man hè
Wat voor man, mijn lieve kind
Wil jij dan een Franse man

Nee mama nee
Een Franse man, die wil ik nie
Want parlez voux versta ik nie
Dit is mijn plezier, met een boerjong kerel hier

Mama 'k wil een man hè
Wat voor man, mijn lieve kind
Wil jij dan die boerjong hè
Ja mama ja

Ene boerjong wil ik hè
In zijn armen wil ik le
Dit is mijn plezier, met een boerjong kerel hier

 

Terug naar overzicht

Marie, mara

(oogstdans uit 1850)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Als hier een pot met bonen staat

En daar een pot met brie

Dan laat ik brie en bonen staan

En dans met mijn Marie.

Marie, mara, maroeskaka

Marie, mara, mara.

Marie, mara, maroeskaka

Marie, mara, mara.

 

Terug naar overzicht

Marschlied (uit "Volkszang"-Feest 1872-1912)

(J.G. Nijk/H.J. den Hartog)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Op Marsch, op marsch naar bosch en wei,

Naar strand en blonde duinen,

Bij dans en spel vol jokkernij

Daar boven op de kruinen

Weerklinkt ons lied vol jonge vreugd,

Het lied van Neêrlands blijde jeugd,

Ho - jo, ho - jo, ho - jo, ho - jo,

Uit kelen als bazuinen,

Ho - jo, ho - jo, ho - jo, ho - jo,

Uit kelen als bazuinen.

 

En kijken wij omlaag in zee,

Daar zien wij scheepjes varen ...

Een schipper maakt de zeilen reê,

De wind waait in zijn haren ...

Och, lieve schipper, neem ons mee,

Ons Hollandsch hart, verhoor zijn beê,

Ho - jo, ho - jo, ho - jo, ho - jo,

Ons hart trekt naar de baren,

Ho - jo, ho - jo, ho - jo, ho - jo,

Ons hart trekt naar de baren.

 

Terug naar overzicht

Meeuwen

(E.P. de Boer/J.T. Schaddelee)

Hangend in de lage luchten,

Waaien witte meeuwenvluchten,

Met de winden mee.

Krijsend fel uit rauwe kelen,

Is 't of al die vogels spelen

Met de wind, de zee.

 

Gierend, zwierend, dan weer kerend,

Raaklings langs een golftop scherend,

Wijd de wieken uit.

Plots'ling plonzend in de golven,

Onder bruisend schuim bedolven,

Vinden zij hun buit.

 

Hangend in de grauwe luchten,

Waaien witte meeuwenvluchten,

Langs de wijde zee.

Zwierend langs de lage kusten,

Al maar verder, zonder rusten,

Met de winden mee.

 

Terug naar overzicht

Mei

(J.C. Andreae)

De Mei is gekomen,

De Mei is in 't land,

Ze toeft in de bossen en zweeft over 't strand.

De mensen, zij zingen en voelen zich blij,

De jeugdigen springen,

Want 't is immers Mei.

 

We gaan thans het woud in,

Naar strand of naar zee,

En voeren de lieflijke Mei met ons mee.

De tred wordt veerkrachtig, we voelen ons vrij,

En 't hart gloeit van vregude,

In heerlijke Mei !

 

Terug naar overzicht

Meilied

(S. Abramsz./L. Adr. van Tetterode)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

April is voorbij,

Hoezee voor de Mei !

Nu kunnen we bloemekens garen !

Nu henen gesneld

Naar 't zonnige veld.

Waar 't koeltje ons speelt door de haren.

De velden zijn vol van den kleurigsten schat.

Wij vlechten er kransen van bloesems en blad,

Wij vlechten er kransen van bloesems en blad.

 

April is voorbij,

Hoezee voor de Mei !

Nu kunnen de vogels niet zwijgen.

En 't lief'lijk gekweel

Uit zang'rige keel

Schalt vroolijk van takken en twijgen.

Ze jub'len en schat'ren verrukt door elkaar:

"We hebben ons donzige nestje al klaar !"

"We hebben ons donzige nestje al klaar !"

 

April is voorbij,

Hoezee voor de Mei !

Nu valt er weer honing te puren,

De bloemekens fijn,

Ze geven festijn

En spreiden haar geuren en kleuren.

Nu klingelt weer het vroolijke bijen gezoem

En fladd'ren de vlinders van bloempjes tot bloem,

En fladd'ren de vlinders van bloempjes tot bloem,

 

April is voorbij,

Hoezee voor de Mei !

Nu samen een liedje geheven !

Een liedeke zoet

Uit dankbaar gemoed

Een liedje van 't vroolijke leven !

Een lustig en vriendelijk liedje van kleur,

Van bloemen en vogels, van geur en van fleur !

Van bloemen en vogels, van geur en van fleur !

 

Terug naar overzicht

Meiliedje

(Catharina v. Rennes)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Het sijsje:
De meimaand is in 't land, lief kind,
Kom bij me, kom naar buiten,
Dan zal ik vroolijk, U ter eer, een aardig deuntje fluiten.
Tjoek ! tjoek ! tjoek ! tjoeke tjoek ! fuït fuït,
Zoo klinkt er mijn lied, kom buiten, kom buiten, lief kindje !
Tjoeke tjoek ! fuït fuït, 
Zoo klinkt er mijn lied, tjoeke tjoek ! kom buiten, lief kindje !

 

Het kind:
De zon heeft mij reeds lang gewekt,
Ik kom al aan gesprongen, wat dunkt je, sijsjen,
Als wij eens te zaâm een liedje zongen ?
Tjoek! tjoek ! tjoek ! tjoeke tjoek ! fuït fuït,
Zoo klinkt ook mijn lied, daar ben ik, daar ben ik, lief sijsje !
Tjoeke tjoek fuït fuït, 
Zoo klinkt ook mijn lied, tjoeke tjoek ! Daar ben ik lief sijsje !

 

Terug naar overzicht

Meimorgen

(Uit Het boek voor de jeugd 1937/ tekst: P.A. Begeer (1890-1975)/muziek: J.Mackensie/Marschtempo)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Gouden Meizon straalt over d'aarde,

Morgen is 't en vinken fluiten,

De lucht is zo zuiver, het groen is zo fris,

Nu is 't heerlijk wand'len buiten.

De lovers paarlen van den dauw.

Sering en meidoorn geuren,

De hemel is zo wijd, zo blauw,

En hoor, de merel slaat,

Zonder zorgen is de morgen,

Als de landman naar den akker gaat.

 

Kalvers dansen over de weide,

Duiven kirren, hanen kraaien;

Het ritselt, het ruist, uit het Oosten komt fris

Het morgenwindje waaien.

Heel d'aarde is een zuiver feest,

Vol zang en geur en kleuren,

De Meimaand is voor mens en beest,

Een zegen boven maat.

Zonder zorgen is de morgen,

Als de hemel stralend open gaat.

 

Terug naar overzicht

Mejuffrouw kip

(Springtouwliedje)

(met dank aan Simone Davis voor het sturen van de tekst)

Versie 1

 

Heden overleden Mejuffrouw kip

Twee schele ogen en een hazelip

Vijfentwintig kind'ren, twaluf getrouwd

Dertien gestikt in de havermout

Drie verdronken in de oceaan, 

(of: man verdronken in de oceaan)
Jij mag nu wel hene gaan.

 

 

Van 14 kinderen keek niemand echt op hoor, we hadden kinderen in de klas die wel uit een gezin van 16 of 18 kwamen. De goede katholieke tijd nietwaar.Bij kip en bij lip moest je hoog springen zodat het touw twee keer onderdoor ging het tweede couplet was hetzelfde behalve dat je dan 2 x kip en 2 x lip had. Als iemand dan heel goed sprong en er wel vier keer kip achter elkaar klonk, nou dan kwam er een hele kring omheen staan op het schoolplein om zo'n goeie te volgen, al moest je ook wel goede draaiers hebben, want als ze je niet zo mochten dan lieten ze je afspringen

 

Versie 2

 

Heden overleden Mejuffrouw kip

Twee schele ogen en een hazelip

Een droevig lied,z oals u ziet

Maar juffrouw kip werd mooi begraven

Op een dag in de winter,'t was hardstikke koud

Maar er was gelukkig nog wat havermout

Dat hebben de kind'ren toen opgegeten

 

De rest van 't verhaal ? Dat wilt u niet weten.....

 

Versie 3

 

Heden overleden Mejuffrouw kip

Twee schele ogen en een hazelip

18 dochters 6 getrouwd
De rest gestikt in de havermoud

Het laatste wat juffrouw kip deed
Was een knetterende scheet
Die over het tafelkleed gleed
Tegen de tafelpoot bonsde
En zo in de pispot plonste

 

Terug naar overzicht

Mijn grootvaders fiets

(met dank aan J. van Maanen voor het sturen van de tekst)

Mijn Grootvaders fiets is een deftige fiets,

Zonder stuur, zonder zadel, zonder bel.

Hij piepte en kraakte, het was geen gehoor,

Maar mijn Grootvader fietste maar door.

Met een slinger in het wiel,

En een kurk in het ventiel,

Dat was Grootvaders fietsenmobiel !

En toen, toen..... knapte de band,

En mijn Grootvader viel in het zand !

 

Terug naar overzicht

Mijn hobbelpaard

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ridder heet mijn hobbelpaard

Het is een dapper dier.

Duizend gulden is het waard

Wakker is 't en fier !

't Loopt en draaft in ferme pas

Of het een circuspaardje was.

 

'k Ben een ruiter onversaagd

Vast in 't zadel hoor !

Zit ik op m'n hobbelpaard

'k Vlieg er flink van door.

Maar hoe Ridder draaft of holt

'k Ben toch nooit in 't zand gerold.

 

Toe mijn klepper dapper aan

Reizen is plezant.

'k Wil met jou even gaan

Naar Kabouterland.

Naar dat landje lief en fijn

Waar zoveel kabouters zijn.

 

Al dat klein kaboutergoed

Zal dan staan te zien.

Kleine koning Edelmoed

Biedt mij geld misschien.

Licht dat hij honderd gulden gaf

'k Geef voor geen duizend  m'n Ridder af.

 

Terug naar overzicht

Mijn kano

(E.P. de Boer/J.P. Bekkers)

Mijn kano schiet

Langs 't jonge riet.

Door 't wind bewogen water.

Het klakt en spat

De steven nat

Met opgewekt geklater.

 

Mijn kano glijdt,

Mijn kano snijdt

Door 't vrolijk golven dansen,

Langs 't lage land,

Waar aan de kant

Al gele dotters glansen.

 

Met brede zwaai

Duikt mijn pagaai

In 't zonnig golfbewegen.

Ik peddel voort,

Van boord tot boord,

De wijde verten tegen.

 

Terug naar overzicht

Mijn kindertijd

(T. Peters/Piet Struijk/Poes/Necven)

Mijn kinderjaren, vervlogen tijden
Mijn kinderjaren, die zijn voorbij
Al vele jaren door vreugd en lijden
Dat maakt je eenzaam en minder blij

Refrein:
Dus zeg ik nog éénmaal, mooi was de kindertijd
mooi was de kindertijd, die komt niet meer
Die komt, die komt niet weer
Nooit komt die tijd er weer
Mooi was de kindertijd, die komt niet meer

Er bloeien bloemen in bos en heide
Zij geuren allen bij morgendauw
Dat doet me denken aan vroeger tijden
Die jaren die vergeet ik niet zo gauw

Refrein  

 

Terug naar overzicht

Mijn schat

(Gijsbertus Wilhelmus Lovendaal 1847-1939)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Des avonds als het klokje klept

Dan zing ik mijn gebed.

Dan brengt me van het spelen moe

Mijn moedertje naar bed.

Zij dekt mij lekker warmpjes toe

En vraagt dan "ligt je zacht"?

Dan geven wij elkaar een zoen

En zeggen goede nacht,

En zeggen goede nacht.

 

Ik wil niet daad'lijk slapen gaan

Maar wacht dan nog een poos

Opeens gaan toch mijn ogen toe

En slaap ik als een roos.

En als mijn moelief 's morgens wekt

En m' in haar armen vat,

Dan denk ik heerlijk moedertje

Wat ben je toch een schat,

Wat ben je toch een schat.

 

Terug naar overzicht

Mijn vlieger

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Mijn vlieger is klaar en ik wacht op de wind.

Dan gaat'ie de lucht in, de lucht in, hoezee !

Oh, was ik zo licht, zo licht als een veer.

Dan deed ik de reis mee, de reis met hem mee.

Dan deed ik de reis mee, de reis met hem mee.

 

Dan riep ik: "Kom, jongens, laat vieren het touw".

En, hoepla, ik sprong op zijn staart, op zijn staart !

De lucht rees ik in en de wolken dwars door.

En 'k leek wel ruiter, een ruiter te paard.

En 'k leek wel ruiter, een ruiter te paard.

 

Terug naar overzicht

Mitsmats

(met dank aan Kees Veltman voor het sturen van de tekst)

Te Hasselt langs de straat
Weet ik een pannenhuisje staan,
Waar ieder vroeg en laat
Vrij in en uit mag gaan.

Daar wordt een blijde mats gespeeld volop, volop
Daar wordt een blijde mats gespeeld volop, volop

En als 't maar zondagavond wordt,
Is alle vreugd ten top.

 

Zie, nu ontbreekt een man:

Drie spelers is geen kaartpartij,

Wie mitsmats draaien kan,
Die voege zich maar bij.

Nu schiet de kaart; twee knapjes in den pot ! den pot.

Nu schiet de kaart; twee knapjes in den pot ! den pot

En foetel maar in “t spelen niet,

Want dan is ’t ding verbrod.

 

Ik pas voor d’eersten keer:

Ik heb een spel dat niets beduidt.

Hebt gij hier wat, mijnheer?

Speel dan maar vrij toe uit.

Wijl de eene vraagt, zegt de andre boos: geen spier, geen spier!

Wijl de eene vraagt, zegt de andre boos: geen spier, geen spier!

Vijf hoog en daar dat aaske bij;

Lief potje, kom maar hier.

 

Vier trekken is geen spel,

Maar vijf…hoe komen wij er door!

Verduld! ’t Ging mij niet wel,
Indien ik nu verloor.

‘k Heb toch gespeeld, maar kreeg er van, een buis, een buis!

‘k Heb toch gespeeld, maar kreeg er van, een buis, een buis!

Al wie geen solospelen kan,

Die blijve liever thuis.

 

Vandaag is ’t recht plezier:
’t Geluk zit heden in mijn kaart.

De voorhand is weer hier;

Dat is me een troefje waard.

Kom, spoed u wat; smijt troeven bij ! nog een, nog een !

Kom, spoed u wat; smijt troeven bij ! nog een, nog een !

Had ik nu slechts dat mitske nog,

Was ’t al voor mij alleen.

 

Terug naar overzicht

Mitte Confitte

Mitte Confitte komt t' avond thuis

't Is kermis in mijn streetje

Mitte Confitte komt t' avond thuis

't Is kermis in mijn huis

De één die drinkt een potje thee

De ander drinkt een potje kaffee

Mitte Confitte komt t' avond thuis

't Is kermis in mijn streetje

Mitte Confitte komt t' avond thuis

't Is kermis in mijn huis

 

Terug naar overzicht

Moeder

(met dank aan mevrouw Van Klink voor het sturen van de tekst)

Zou ik niet mijn moeder eren,

Ach wat doet zij niet voor mij,

Wat zij doet dat mag ik leren,

Ben ik vroom haar hart is blij,

Ben ik ziek dan hoor ik haar klagen,

En wanneer zij bij mij zit,

Met het oog omhoog geslagen,

Weet ik zeker dat zij bid,

Ja dan bid zij dat ik spoedig,

Mag bevrijd zijn van mijn pijn,

Goede God ach laat haar leven,

Zij is mijn voorbeelden mijn vreugd,

Wat zou ik zonder moeder wezen,

Als ik haar moest missen in mijn jeugd.

 

Terug naar overzicht

Moederliefde

(met dank aan Tjits van der Sloot voor het sturen van de tekst en Jeanine Fierens voor de aanvulling)

Zou ik niet mij moeder eren

Ach, wat deed ze niet voor mij,

Wat mijn lust is mag ik leren

Ben ik vrolijk zij is blij.

 

Ben ik ziek ik hoor haar klagen

En wanneer ze bij mij zit,

Met haar arm om mij geslagen

Ja, dan weet ik dat ze bid.

 

Ik zal haar altijd beminnen

Altijd doen wat haar behaagt,
Nimmer wil ik iets beginnen
Waar mijn moeder over klaagt.

 

Ja, dan bidt zij dat ik spoedig

Mag bevrijd zijn van mijn smart.

Word ik beter hoe blijmoedig

En hoe dankbaar is haar hart.

 

Ik zal haar naam met eerbied noemen,

Als ze neerdaalt in haar graf

En Gods goedheid altijd roemen,

Die mij zulk een moeder gaf.

 

Terug naar overzicht

Moeders verjaardag (Antoinette van Dijk)

'k Wilde u iets zeggen moeder

Daarom doe 'k het maar vandaag

Want, het is thans uw verjaardag

Dus u hoort 't misschien wel graag

Weet u, wat ik zeggen wou

Dat 'k zo heel veel van u hou

Weet u, wat ik zeggen wou

Dat 'k zo heel veel van u hou

 

't Is niet te geloven, moeder

Want dan deed 'k u nooit verdriet

Doe 'k soms net wat u niet goed vindt

Heus, ik meen het dan zo niet

'k Heb in stilte vaak berouw

Omdat 'k zoveel van u hou

'k Heb in stilte vaak berouw

Omdat 'k zoveel van u hou

 

En op uw verjaardag, moeder

Als 'k u wens geluk en vreugd

Zie 'k u dankbaar in de ogen

En mijn hart voelt zich verheugd

't Is om al uw zorg en trouw

Dat ik zoveel van u hou

't Is om al uw zorg en trouw

Dat ik zoveel van u hou

 

Terug naar overzicht

Moedertje mijn

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst versie 1)

(met dank aan Josina Deurloo voor het sturen van detekst versie 2)

Versie 1

 

Moeder zit te driegen aan een mantelzoom

Zusje moet nu wiegen, broedertje slaap en droom

Broedertje, broedertje, broedertje mijn

Laat mij, laat mij uw moedertje zijn

 

Dekken zal uw zusje, ligt gij bloot gewoeld

Kussen met een kusje, dat ge bijna niet voelt

Broedertje, broedertje, broedertje mijn

Laat mij, laat mij uw moedertje zijn.

 

Gaat ge weer naar schoole, dwars door weer en wind

Komt dan stil geschoole, onder dee'z mantel kind

Broedertje, broedertje. broedertje mijn

Laat mij, laat mij uw hoedertje zijn

 

Versie 2

 

Moeder zit te driegen aan een mantelzoom

Zusje moet nu wiegen, zoeteke slaap en droom

Zoeteke, zoeteke, zoeteke mijn

Laat mij, laat mij jouw moedertje zijn

 

Dekken zal uw zusje, ligt gij bloot gewoeld

Kussen met een kusje, dat ge bijna niet voelt

Zoeteke, zoeteke, zoeteke mijn

Laat mij, laat mij jouw moedertje zijn

 

Gaat ge straks naar schoole, dwars door weer en wind

Komt dan stil geschoole, onder mijn mantel kind

Zoeteke, zoeteke, zoeteke mijn

Laat mij, laat mij jouw moedertje zijn

 

Terug naar overzicht

Molenaartjes wind

Molenaartjes wind is zuidenwind

Van hupsaldera faldera

En de molen draait en de wind was zuid

En op heden is de Rosemiemarijn de bruid

Van lierom larom hupsasa

 

Molenaartjes wind in noordenwind

Van hupsaldera faldera

En de molen draait en de wind was noord

En op heden heeft de molenaar een ander soort

Van lierom larom hupsasa

 

Molenaartjes wind in oostenwind

Van hupsaldera faldera

En de molen draait en de wind was oost

En op heden zoekt de molenaar een ander troost

Van lierom larom hupsasa

 

Molenaartjes wind in westenwind

Van hupsaldera faldera

En de molen draait en de wind was west

En op heden zegt de loze de molenaar "lest best"

Van lierom larom hupsasa

 

Mooi Ietje-fietje

Mooi Iietje-fietje trek je baljurk aan
Dan zullen we samen naar het bal toe gaan
Nee meneer ik dank u zeer
De polka is geen mode meer
Bovendien heb ik een man,
Die me de polka leren kan

 

Terug naar overzicht

Morgenliedje

(G.W. Lovendaal)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Sta op en kom, de nacht is om,

De morgen is gekomen,

De velden zijn vol zonneglans,

Vol lichtjes zijn de boomen

En 't vinkje groet met luiden slag

Den morgen van den nieuwen dag.

 

Naar buiten, kom ! daar buiten ligt

Een gouden schat verborgen;

Je vindt hem heel den dag niet meer,

Verslaap je een mooien morgen,

En wie hem 's morgens vinden mag,

Die heeft geluk den heelen dag.

 

Terug naar overzicht

Morgenwandeling

De morgen breekt aan, de morgen breekt aan.
Komt, makkers naar buiten, en stemmen we een lied,
Tot welkom van bossen en velden en vliet.
De vogeltjes groeten u allen gelijk.
Dat vroolijke volkje, gelukkig en rijk,
Dat vroolijke volkje, gelukkig en rijk.

Hoe schoon is het bosch, hoe schoon is het bosch.
Wij aêmen er geuren, verkwikkend en zoet,
De morgenlucht sterkt en verfrischt ons het bloed.
De stad is nu verre met al haar gewoel.
Maar dicht bij de hemel en 't lentegevoel,
Maar dicht bij de hemel en 't lentegevoel.

Terug naar overzicht

Muizendrama

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Onder het dak van ons huis,

Had een aardige muis,

Een lief nestje gebouwd voor haar jongen.

En ze speelden er blij,

Met hun moeder er bij,

Ze speelden en zongen en sprongen.

 

Iedere dag ging de muis,

Naar omlaag in het huis,

Om wat rijst uit de kelder te stelen.

En dan keerde zij vlug,

Naar de zolder terug,

Om de rijst met haar kleintjes te delen.

 

Maar op zekere keer,

Kwam de oude muis niet meer,

En de jongen die kregen geen eten.

Want een ondeugende kat,

Had het muisje gevat,

En haar zomaar de kop af gebeten.

 

Erg hè ???? 

 

Terug naar overzicht