SeniorPlaza

Jeugdliedjes van toen

Echo

(O.S. van der Veen/Hendrik C. van Oort)

Daar lopen drie aardige meisjes

Te zingen in 't heerlijke bos,

Ze kennen de joligste wijsjes

En deunen er dapper op los:

Tralie-e, trala-lee-e, trala-la-la-la-la-la-la-la !

Tralie-e, trala-lee-e, tralala, tralala, lalala !

 

En ginder weerkaatsen hun wijsjes

Op 't bosje aan 't eind van de laan;

't Is net of drie andere meisjes

Daar liedjes te neuriën staan:

Tralie-e, trala-lee-e, trala-la-la-la-la-la-la-la !

Tralie-e, trala-lee-e, tralala, tralala, lalala !

 

Hun liedjes weerkaatsen van voren,

Maar ook tegen 't frisgroene dak,

Want vogeltjes laten zich horen

Daar boven op twijg en op tak:

Tralie-e, trala-lee-e, trala-la-la-la-la-la-la-la !

Tralie-e, trala-lee-e, tralala, tralala, lalala !

 

Terug naar overzicht

Een duifje vloog door 't groene bos

(met dank aan Gerda Vegt voor het sturen van de tekst)

Een duifje vloog door 't groene bos gedurig heen en weer

En lei dan telkens in een nest wat dorre takjes neer,

En vrolijk klonk het af en toe: roekoe, roekoe.

 

En toen de mooie meimaand kwam toen lagen in dat nest

Vier lieve duivenkuikentjes, die hadden 't opperbest,

En vrolijk klonk het af en toe: roekoe, roekoe.

 

Maar wrede Bart dwaald' in het bos en sloop langs struik en heg,

Hij zag het nest, beklom de boom en stal de jongen weg,

Toen klaagden d'ouders droef te moe: roekoe, roekoe.

 

Terug naar overzicht

Een haring beminde een oester

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Een haring beminde een oester

In het diepst van de zee bij de grond,

Zijn hart klopt van liefde zo vurig

Verlangend de kus van haar mond.

 

Zo zwom onze haring naar onder,

Stak zijn kop tussen haar schalen en zei:

"O liefste, o schoonste der oesters,

Kom, lieveling, kozen wij vrij."

 

Maar ach ! Die rampzalige haring,

Zo werd hij door liefde verteerd.

Toen sloot onze oester haar schalen

En werd hij geguillotineerd.

 

Daar dreef nu zijn lijf op de baren,

In zijn doodstrijd riep hij nog: "O wee,

Verkikker je nooit op een oester

Want anders verga je op zee."

 

Leert, vrienden, uit het lied van de haring,

Als liefde van zinnen berooft,

Wees dan bij het vrijen voorzichtig,

Want anders verlies je je hoofd.

 

Terug naar overzicht

Een jong heertje ging op jacht

Een jong heertje ging uit jagen op een mooie dag
En schoot op ieder ding dat hij van ver maar zag
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei

Ons jong heertje schoot op alles wat hij tegenkwam
Maar gene konijn bleef dood
't Liep alles heen en blij
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei

Toen het al avond werd en hij nog lege weitas had
Daar kwam opeens een hert hem strijklings langs zijn pad
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei

't Jong heertje schoot poef paf
En schoot hij 't hertbeest overhoop
Ach nee, 't kwam op hem af en hij ging op de loop
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei

Het hert waar hij op schoot was maar een kloeke Drentse Ram
Die met een forse stoot hem op de horens nam
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei

 

Terug naar overzicht

Een jongen die naar school ging om te leren

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

Een jongen die naar school ging om te leren,

Wou het roken proberen, tralalala.

Hij ging terstond sigaren kopen,

Toen dapper aan 't roken, tralalala.

Maar thuis gekomen,

Was hem iets overkomen,

Hij had al in zijn broek getralalalalalalaat.

Maar thuis gekomen,

Was hem iets overkomen,

Hij had al in zijn broek getralalalalalalaat.

 

Terug naar overzicht

Een jongen hoort op het water thuis

(George Haak/Arnold Spoel)

Een jonge hoort op het water thuis !

Een jongen hoort op zee !

Daar op die grote waterplas,

Daar is een jongen in zijn sas,

En zingt hij spoedig mee

Het stormlied van de zee,

Het stormlied, het stormlied,

Het stormlied van de zee !

 

Een jonge hoort op het water thuis !

Een jongen hoort op zee !

Daar bij het gieren van de wind,

Daar is het waar hij krachten vindt,

Een flinke man te zijn,

Een flinke man  te zijn,

Een flinke man, een flinke man,

Een flinke man te zijn !

 

Een jonge hoort op het water thuis !

Een jongen hoort op zee !

Daar wordt hij door de storm gestaald;

Een man, die nimmer deinst of faalt,

Een vent, een flinke vent,

Een ferme vent op zee,

Een ferme vent, een ferme vent,

Een ferme vent op zee !

 

Terug naar overzicht

Een klein ondeugend ventje

Versie 1

(met dank aan Wim van Ruyven voor het sturen van de tekst)

 

Een klein ondeugend ventje

van amper zeven jaar,

Die wilde wel eens roken,

hij rookte een sigaar.

 

Maar oh, daar kwam een diender,

die pakte het ventje beet

en zei toen bars vertel eens, 

vertel eens hoe jij heet.

 

De guit begon te lachen,

ik mag het van mijn pa,

want ziet u wel agentje,

hij is van chocola! HA HA!

 

Versie 2

(met dank aan Piet Houter voor het sturen van de tekst)

 

Een klein ondeugend  ventje

Die liep, ‘t is heus’lijk waar,

Op straat en in  zijn mondje

Had hij een stuk sigaar

 

Maar  o, daar kwam een diender

Die pakte ‘t ventje beet

En zei met barse stemme:

“Vertel me ‘s hoe je heet

 

Je weet, een kleine jongen

Een peuter zoals jij

Die mag beslist niet roken

Je bent er lelijk bij !”

 

De guit begon te lachen:

“Ik mag het van mijn Pa

Want, ziet U wel agentje

Hij is van chocola  ha ha  !”

 

Versie 3

(met dank aan Ally van Mourik voor het sturen van de tekst)

 

Een heel ondeugend ventje

Die liep ’t is eerlijk waar

Op straat en in zijn mondje

 Had hij een stuk sigaar .

 

Maar o daar kwam een diender

Die pakte het ventje beet

 En zei met grove woorden

Vertel eens hoe jij heet.

 

Je weet wel stoute jongen

 Een bengel zoals jij

Die mag volstrekt niet roken

Je bent er lelijk bij.

 

Het ventje begon te lachen

Ik mag het van mijn pa

Want ziet u maar agentje

Hij is van chocola  ha ha.

 

Terug naar overzicht

Een knaapje zag eens een vogelnest

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

Een knaapje, een knaapje zag eens een vogelnest.

Hij sprak: "Dat wil ik hebben, want klimmen kan ik best."

Al hoger, al hoger klom daar die lage guit,

Om het vogelnest te pakken, maar ach dat kwam slecht uit.

Van krik krak, van krik krak de tak waar hij op stond,

Brak onder zijn voeten en hij viel op de grond.

Daar lag hij, daar lag hij nu in het bos alleen,

Met schrammen op 't gezichtje en een gebroken been.

 

Terug naar overzicht

Een liedje van de zee

(Dr. A.D. Loman/Valeriuis' "Gedenck-Clanck)

Wie gaat mee, gaat mee over zee ?

Houd het roer recht !

Fris blaast de wind langs de reê.

Blijft ge - in 't nest, in 't nest met de rest ?

Houd het roer recht !

Ons lijkt de zee 't allerbest !

Wie wat worden wil,

Wel, die zit niet stil.

Neen, hij trekke 't zeegat uit,

Zie, hem wacht een rijke buit.

 

Bij de hand, bij de hand voor 't land !

Houd het roer recht !

Zo klinkt het luid van alle kant.

Voor u uit het oog en omhoog,

Houd het roer recht !

Dat u geen storm verrassen moog !

Met het oog in 't zeil en voor niemand veil,

Stuurt de zeeman 't zwemmend paard,

Nooit voor iemand vervaard.

 

Een hoezee, hoezee voor de zee !

Houd het roer recht !

Jongens van Holland, roept het mee !

Hier is 't veld, is 't veld voor den held,

Houd het roer recht !

Hier toont de man eerst, wat hij geldt.

Onder 't zeemansbuis, daar is moed nog thuis,

In zijn vuist ligt heel zijn lot,

Niemand vreest hij dan - God.

 

Terug naar overzicht

Een meisje ging eens wandelen

(met dank aan Marina Stokhof voor het sturen van de tekst en Maria van Dorp voor de aanvulling)

Een meisje ging er eens wandelen, zij ging naar grootmoe toe.

En zonder wat te zeggen aan vader of aan moe.

 

Wat zeg je van zo'n meisje toch och och och.

 

Ze liep alvast maar verder, ze dwaalde al meer en meer

haar voetjes die werden moede, haar beentjes deden zeer

 

Wat zeg je van zo'n meisje toch och och och.

 

Daar kwam een beer op sokken, op sokken sloop hij voort.

En van het arme meisje heeft niemand meer wat gehoord.

 

Wat zeg je van zo'n meisje toch och och och.

 

Een hoedje en een schoentje, een schortje en een lint.

Dat vond men onder het zoeken, maar weg was het arme kind.

 

Wat zeg je van zo'n meisje toch och och och.

 

Terug naar overzicht

Een scheepje

(Dr. J.P. Heije/J.J. Viotta)

Een scheepje in de haven landt
Hojo, hojo, hojo, hojo
Gevuld met specerijen
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
En menig flinke, jonge kwant
Met buidels vol tot aan den rand
En harten vol verblijen
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo

Een beetje pret na leed en last
Hojo, hojo, hojo, hojo
Wie zou het u misgunnen
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
Maar niet de zeilen volgebrast
Toe leg een reefje waar het past
Het zou eens stormen kunnen,
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo

 

Terug naar overzicht

Een stralende dag

(A. de Hoog-Nooy / J. de Leur)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Jong en blij, gaan we frank en vrij
Er vandaag weer eens fijn vandoor
Zonder lied echter gaat 't niet
Zing dus allemaal mee in koor
Waar we gaan, gaat ons lied met ons mee
Hoor maar, het klinkt over land, over zee
Wij zingen vrolijk en luid, want dat mag
Op zo'n stralende, zonnige dag

 

 

En al ras loopt elk in de pas
Op de maat van een flinke mars
En geniet van vergeet-me-niet
Dotter, plomp, lis, langs sloot en plas
Putter, tjiftjaf en wielewaal
Braamsluiper, boomkruiper, nachtegaal
samen met hen zingen wij met een lach
Wat een heerlijke stralende dag

 

 

Bij het meer vlijt de stoet zich neer
"Gouden zonne" nog zacht in 't oor
Zonverbrand bij de picknickmand
Met een glimlach van oor tot oor
Pa stookt een kampvuur en ma maakt de soep
Smeert stapels brood voor de hong'rige troep
Kauwend, genietend denkt iedereen: Ach
't Is een heerlijke zonnige dag

 

 

Als we straks op de thuisreis zijn
Kijkt de maan ons verwonderd aan
Nooit zag zij toch zo’n vrolijke troep
Nog zo monter naar huis toe gaan
Zij staat paf, want wist niet, dat het kon
Maar in ons hart, kijk, daar schijnt de zon
Wij roepen dankbaar met vrolijke lach
Hè, wat was dat een heerlijke dag !

 

Terug naar overzicht

En laat ons nu eens rondgaan

En laat ons nu eens rondgaan, rondgaan, rondgaan.

De mensen zouden denken, dat wij slapen gaan!

Niet naar huis toe gaan, niet naar huis toe gaan.

Zolang wij de zonne aan de hemel zien staan!

 

En laat ons nu eens rondgaan, rondgaan, rondgaan.

De mensen zouden denken, dat wij slapen gaan!

Niet naar huis toe gaan, niet naar huis toe gaan.

Voor-aleer wij 't maantje aan den hemel zien staan!

 

En laat ons nu eens rondgaan, rondgaan, rondgaan.

De mensen zouden denken, dat wij slapen gaan!

Niet naar huis toe gaan, niet naar huis toe gaan.

Zolang wij het haantje op de toren zien staan!

 

En laat ons nu eens rondgaan, rondgaan, rondgaan.

De mensen zouden denken, dat wij slapen gaan!

Niet naar huis toe gaan, niet naar huis toe gaan.

Voor-aleer de sterren aan den hemel staan!

 

En laat ons nu eens rondgaan, rondgaan, rondgaan.

De mensen zouden denken, dat wij slapen gaan!

Nu naar huis toe gaan, nu naar huis toe gaan.

Zoals brave kind'ren die nu slapen gaan

 

Terug naar overzicht

En 's avonds

En 's avonds en 's avonds en 's avonds is het goed

En 's avonds en 's avonds en 's avonds is het goed

En 's avonds hebben wij geld bij hopen

En 's morgens geen duit om brood te kopen

En 's avonds en 's avonds en 's avonds is het goed

 

En 's avonds en 's avonds en 's avonds is het goed

En 's avonds en 's avonds en 's avonds is het goed

's Avonds zouden wij geerne trouwen

En 's morgens zouden wij 't al berouwen

En 's avonds en 's avonds en 's avonds is het goed

 

En 's avonds en 's avonds en 's avonds is het goed

En 's avonds en 's avonds en 's avonds is het goed

En 's avonds zullen wij koeken bakken

En 's morgens tegen uw oren plakken

En 's avonds en 's avonds en 's avonds is het goed

 

Terug naar overzicht

En we gaan er met z'n allen naar De Zaan

En we gaan er met z'n allen naar De Zaan

Waar de wieken van de molen rustig gaan

 

En we gaan er met z'n allen naar De Zaan

Waar de wieken van de molen rustig gaan

 

Terug naar overzicht

Engelenwacht

(Catharina van Rennes)

Als goede kinderen slapen zacht,

Dan houden de Engelen trouw de wacht.

Staan aan hun bedje

  En hoeden hen teer,

Zien op de kinderen in liefde neer.

 

  Maar zijn de kinderen opgestaan,

Dan mogen de Engelen slapen gaan.

Nu reikt niet langer Engelen uw macht,

  God onze Vader houdt zelf de wacht.

 

Terug naar overzicht

Er is een vrouw vermoord

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Er is een vrouw vermoord

Met een gordijnenkoord

Ik heb het zelf gezien

Het was op nummer tien

Het bloed liep langs de trap

Het leek tomatensap

Ik werd er misselijk van

Haar hoofd lag in een pan

Haar naam was: Ea Dea,

Rikketakke Thea,

Ollebolleknolle, elastiek.

 

Terug naar overzicht

Er schommelt een wiegje in 't bloeiende hout

Er schommelt een wiegje in 't bloeiende hout
Een wiegje met bloemengordijntjes
Dat hebben twee vogeltjes samen gebouwd
En zie eens hoe keurig en fijntjes
Als het windeke speelt, de loverkes streelt
Dan schommelt het tedere wiegelijn mee
Als scheepje op deinende zee

In 't schommelend wiegje is wonder geschied
Uit de eitjes zijn jonge geboren
Nu zingt in verrukking het Gaaike zijn lied
Een liedeken zoet om te horen
Hoe 't jubelt door 't hout
Hoe 't schatert door 't woud
En 't moederke dekt ze, van 't luisteren niet moe
Met koesterende vleugeltjes toe

 

Terug naar overzicht

Er was een oorlogsschip

(met dank aan Carola,Marc Blokland (†),Kees Veltman, Rob Vissers voor de tekst) 

Er was een oorlogsschip,

Er was een oorlogsschip,

Dat was al op een duimpje na,

Gezonken op een klip,

Gezonken op een klip.

 

En er was een oude vrouw,

En er was een oude vrouw.

Die nam het hele oorlogsschip

En stak het in haar mouw,

En stak het in haar mouw.

 

En het vlees was daar goedkoop,

En het vlees was daar goedkoop.

Men kocht er vijfentwintig pond,

Voor een glad houten knoop,

Voor een glad houten knoop,

 

En dan nog vrij tehuis,

En dan nog vrij tehuis

Van dragers die niet groter zijn

Dan een verdroogde luis,

Dan een verdroogde luis.

 

En die dragers waren zo,

En die dragers waren zo.

Ze hadden een porseleinen hoofd

En ook een been van stro

En ook een been van stro

 

Het overige was van glas

Het overige was van glas

Nu vraag ik aan een iedereen

Of dat geen wonder was,

Of dat geen wonder was.

 

Terug naar overzicht

Er was eens een boertje uit Wilsveen

(met dank aan Mary Moret voor het sturen van de tekst) 

Er was eens een boertje uit Wilsveen

En een boertje uit Hazerswou.

Die hadden een kalfje ziek staan,

Ze dachten dat 't sterven zou.

Boertje, boertje schrei maar niet,

't Kalfje is ziek, maar het sterft niet.

Maar 't kalfje in zijn bonte rok,

Lag 's morgens dood in 't hok.

 

Terug naar overzicht

Faria

Zingend trekken wij nu naar buiten, faria
Wie niet zingen wil moet maar fluiten, faria
Want zolang je maar vrolijk bent
Ben je rijk ook al heb je geen cent
Faria, faria, faria, faria, faria - ho

Heerlijk is het trekkersleven, faria
Waar wij lopen is ons om 't even, faria
Als de dageraad nauw'lijks gloort
Staan we op en de reis gaat voort
Faria, faria, faria, faria, faria - ho

Nimmer worden we moe te dwalen, faria
Over bergen en door de dalen, faria
Langs de velden en door de wei
Door de bossen en op de hei
Faria, faria, faria, faria, faria - ho

Maar we willen het heus wel weten, faria
Nooit ontbreekt ons de lust tot eten, faria
Als de pot op het kampvuur staat
Vallen we letterlijk van de graat
Faria, faria, faria, faria, faria - ho

Na het eten wat musiceren, faria
En we zingen dan heel wat keren, faria
Samen een vrolijk trekkerslied
Boze mensen die zingen niet
Faria, faria, faria, faria, faria - ho

 

Terug naar overzicht

Ferme jongens (Naar zee)

(Dr. J.P. Heije/J.J. Viotta)

Ferme jongens, stoere knapen
Foei! hoe suffend staat gij daar
Zijt ge dan niet wel geschapen
Zijt ge niet van zessen klaar
Schaamt je, jongens, en gaat mee
Naar de zee, naar de zee

Dat 's een leven van plezieren
Dat 's een leven van stavast
Zo de wereld rond te zwieren
In het topje van de mast
Thuis te zijn op ied're ree
Komt ga mee naar de zee

Laat ze pruilen, laat ze druilen
Laat ze schuilen aan het strand
Loopt Jan Salie op zijn muilen
Jan Courage kiest het want
Hola, Bootsman! alles ree
Wij gaan mee naar de zee

 

Terug naar overzicht

Fietslied

(J. Dijkstra/B. J. Douwes)

Uit G. C, Weeren. Liederkeur. J. B. Wolters.

Laat vrij langs de wegen de wielen nu draaien,

Wijd is de wereld en vliegt ons voorbij !

Laat 't windje langs wangen en haren u waaien,

Zoet van de lucht overgeurende wei.

Het stuur in vaste hand, op verend lichte band,

Glijdend door schaduw of zonnebrand,

Zoeken we 't mooie van Nederland !

Glijdend door schaduw of zonnebrand,

Zoeken we 't mooie van Nederland !

 

Laat 't stijgen of dalen in bossen en heien,

Sterk als het staal toch op 't zaál van ons ros !

Laat vonkend om 't nikkel het zonnelicht glijen,

Straks komt de rust op het donzige mos.

Het stuur in vaste hand, op verend lichte band,

Glijdend door schaduw of zonnebrand,

Zoeken we 't mooie van Nederland !

Glijdend door schaduw of zonnebrand,

Zoeken we 't mooie van Nederland !

 

Terug naar overzicht

Ga je mee, ga je mee naar de gladde baan (Winterliedje)

(Beata/Nelly van der Linden van Snelrewaard-Boudewijns)

Ga je mee, ga je mee naar de gladde baan

Daar blijft haast geen een op zijn benen staan

Wie niet oppast, die ligt pardoes op zijn rug

En het opstaan dat gaat lang niet vlug

 

Refrein:

Ga je mee, ga je mee naar de gladde baan

Ga je mee naar de gladde baan

Ga je mee, ga je mee naar de gladde baan

Ga je mee naar de gladde baan

 

Ga je mee, ga je mee een sneeuwman maken

De sneeuw pakt nu goed, hoor ze maar eens kraken

Een sneeuwman met een stok in de hand

En een oude hoed op 't hoofd zonder rand

 

Refrein

 

Ga je mee, elkaar met sneeuw inwrijven

Wie bang is, moet bij de kachel blijven

O, o 't is zo prettig en pijn doet het nooit

Al wordt er ook soms een in de sneeuw gegooid

 

Refrein

 

Ga je mee, ga je mee. We gaan baantje glijden

In de bossen daar gaan we sleetje rijden

En we juichen en zingen hand in hand:

"Lang blijve de winter nog in 't land !"

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Geertemeu daar ligt mijn schip

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Geertemeu daar ligt mijn schip

Al die strengen en die touwen

Je kunt er haast geen oog op houwen

'k Kan ze je noemen in een wip

En in 't topje van de ra

Klimt me nog geen ander na

En in 't topje van de ra

Klimt me nog geen ander na.

 

't Is mijn leven en mijn lust

Zo maar altijd rond te zwerven

Als ik nu een komt te sterven

Kom ik nooit meer aan de kust

Nou adieu wees weltemoe

Wij gaan naar Oost Indië toe

Nou adieu wees weltemoe

Wij gaan naar Oost Indië toe.

 

Terug naar overzicht

Gerrit-Jan

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Gerrit-Jan de groenteboer

Die heeft zo'n mooie wagen.

Als je van hem nodig hebt

Dan hoef je 't maar te vragen.

Gerrit-Jan, Gerrit-Jan,

Rode kool, daar hou ik van.

Wil je 't even halen ?

Gerrit-Jan, Gerrit-Jan,

'k Zal je goed betalen.

 

Terug naar overzicht

Gij leeuw'rik en gij nachtegaal (Zingen)

(Dr. J.P. Heije/W.F.G. Nicolaï)

Gij Leeuw'rik en gij nachtegaal

Al zingt gij heel verscheiden

Toch hou ik van u beiden

En hoor graag naar uw zoete taal

Wanneer ik dwaal

Door bos en veld en weiden

En naar uw juichen en geklag

Mocht ik wel luist'ren nacht en dag

 

Gij leeuw'rik stort in mijn gemoed

Een lust en kracht tot leven

Tot werken en tot streven

Wanneer gij juichend d' eerste gloed

Des morgens groet

Al juub'lend voort blijft zweven

En gij de vreê m' in 't harte giet

Zacht kwelend nachtegalenlied

 

Gij beiden leerdet m'overlang

Al wat de borst doet jagen

Of zuchtend doet vertragen

Dat uit het best zich in de drang

Van zoet gezang

Met juichen en met klagen

En ied're toon van vreugd en smart

Vindt bron en weerklank in het hart

 

Terug naar overzicht

Gildebroeders

Gildebroeders, maak plezieren

Met muziek vroeg ende laat

Laat ons nu de jaarfeest vieren

Van de maagd Cecilia

Zing, speel ter ere van dees maged:

La-sol-fa-mi-re-ut

Fa-sol-la, Cecilia

 

Span nu bas, keel en violen

Speel op citer, harp en fluit

Maak van vreugde capriolen

't Ere van dees weerde bruid

Zing, speel ter ere van dees maged:

La-sol-fa-mi-re-ut

Fa-sol-la, Cecilia

 

Komt de liefde te vermind'ren

Laat ons maar standvastig staan

Gene nijd en kan ons hind'ren

Onze gild zal nooit vergaan

Zing, speel ter ere van dees maged:

La-sol-fa-mi-re-ut

Fa-sol-la, Cecilia

 

Want deez' maged naar Gods harte

Hierin zulk behagen vond

Dat zij in haar meeste smarte

Naar haar harp zo liep terstond

Zing, speel ter ere van dees maged:

La-sol-fa-mi-re-ut

Fa-sol-la, Cecilia

 

Laat ons deze bruid maar eren

Wijl wij hier vergaderd zijn

Zij zal bij de Heer der Heren

Bidden dat het zo mag zijn

Zing, speel ter ere van dees maged:

La-sol-fa-mi-re-ut

Fa-sol-la, Cecilia

 

Terug naar overzicht

Glijbaantje

Antoon Bon/J.W. van Setten)

Glijen, glijen, glijen,

Rrrrt ! in lange rijen !

Jongens, komt, daar gaat ie weer;

Maar wie valt, die doet zich zeer !

Glijen, glijen, glijen,

Rrrt ! in lange rijen.

Maak dus, dat je stevig staat

Als je met ons glijen gaat.

 

Glijen, glijen, glijen,

Rrrrt ! in lange rijen !

Glijen langs de. gladde baan;

Uit de weg, daar komen w'aan !

Glijen, glijen, glijen,

Rrrt ! in lange rijen.

Jongens, ha, wat gaat dat fijn,

Haast nog sneller dan de trein.

 

Glijen, glijen, glijen,

Rrrrt ! in lange rijen !

Kijk, wie loopt daar achteran ?

't Is warémpel kleine Jan !

Glijen, glijen, glijen,

Rrrt ! in lange rijen !

Jantje struikelt, draait in 't rond...

Pats ! daar ligt ie op de grond.

 

Terug naar overzicht

Goe morgen

(Dr. J.P. Heije/J. Worp)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Goe morgen ! Goe morgen ! Goe morgen !

Goe morgen ! Goe morgen ! Goe morgen !

De dag ontsluit zijn gouden poort;

Daar komt de zon met al haar stralen

En dringt tot in de diepste dalen

En roept tot elk met vriend'lijk woord:

Goe morgen, goe morgen, goe morgen !

En roept tot elk met vriend'lijk woord;

En roept tot elk met vriend'lijk woord:

Goe morgen, goe morgen, goe morgen !

Goe morgen, goe morgen, goe morgen !

 

Goe morgen ! Goe morgen ! Goe morgen !

Goe morgen ! Goe morgen ! Goe morgen !

En nauw'lijks hebben zij 't gehoord,

Of bloem en vogels worden wakker

En 't klinkt langs bosch en beemd

En akker in duizend-voud herhalen voort:

Goe morgen, goe morgen, goe morgen !

In duizend-voud herhalen voort;

In duizend-voud herhalen voort:

Goe morgen, goe morgen, goe morgen !

Goe morgen, goe morgen, goe morgen !

 

Terug naar overzicht

Goe-nacht

(G.W. Lovendaal/J.C. Andreae)

De vogelkens alle zijn slapen gegaan,

Su, suja, su !

Ze waren zo moe van het fluiten en slaan,

Wat doen er de vogelkens nu ?

Ze zitten nu zoet in hun nestjes en dromen

Van bloemkens, die bloeien aan struiken en bomen.

Slaap, kindeke, zacht, heia douwdijne,

Goe-nacht, mijn kleine, goe-nacht.

 

De bloemekens alle zij slapen gegaan,

Su, suja, su !

Ze waren zo moe van het open staan,

Wat doen er de bloemekens nu ?

Ze houen de blinkende blaadjes gevouwen

En drinken de drupkens, die neer komen dauwen.

Slaap, kindeke, zacht, heia douwdijne,

Goe-nacht, mijn kleine, goe-nacht.

 

De bijekens alle zijn slapen gegaan,

Su, suja, su !

Ze waren zo zwaar van de honing belaân,

Wat doen er de bijekens nu ?

Ze dromen van bloemen, die suiker beloven,

Ze dromen van vogels, van muizen, die roven.

Slaap, kindeke, zacht, heia douwdijne,

Goe-nacht, mijn kleine, goe-nacht.

 

Nu zijn er de sterrekens opgestaan,

Su, suja, su !

Ze staken hun kleine lantarentjes aan,

Wat doen er de sterrekens nu ?

Ze zijn met hun lichtjes naar boven geklommen,

Bewaken de vogels, de bijkens, de blommen.

Slaap, kindeke, zacht, heia douwdijne,

Goe-nacht, mijn kleine, goe-nacht.

 

Terug naar overzicht

Groene dal (De Kleinste)

(Dr. J.P. Heije/Jos Beltjens/uitvoering o.a. Kees Pruis 1926)

In 't groene dal, in 't stille dal

Waar kleine bloempjes groeien
Daar ruist een blanke waterval

En druppels spatten overal
Om ieder bloempje te besproeien

Ook 't kleinste
Om ieder bloempje te besproeien

Ook 't kleinste

 

En boven op der heuv'len spits

Waar forse bomen groeien
Daar zweept de stormvlaag fel en bits

Daar treft de rosse bliksemflits
En splijt, bij 't daav'rend onweerloeien

De grootste,
En splijt, bij 't daav'rend onweerloeien

De grootste

 

Omhoog, omlaag, op berg en dal

Ben 'k in de hand des Heeren
Toch kies ik, als ik kiezen zal

Mijn stille plek, mijn waterval
Toch blijf ik steeds naar mijn begeren

De kleinste
Toch blijf ik steeds naar mijn begeren

De kleinste

 

Terug naar overzicht

Groen is gras

Groen is gras, groen is gras
Onder mijne voeten
'k Heb verloren m'n beste vriend
'k Zal hem zoeken moeten
Hé daar plaatsgemaakt voor de jongedame
En de koekoek op het dak
Zingt z'n lied op zijn gemak
O mijn lieve Augustijn
Deze dame zal het zijn

 

Terug naar overzicht

Grootmoe wat zal je me geven

(met dank aan Suze Mulder en M.Tolenaar-Tijssen voor het sturen van de tekst)

Grootmoe wat zult U me geven

Wanneer ik naar school toe zal gaan?

Ik geef je een vlieger, daar vlieg je mee kind

Hoog boven de mensen in regen en wind

Een vlieger, dat is er zo'n kostelijk gerief

Die zal ik je geven m'n prinseke lief.

 

Grootmoe wat zult U me geven

Wanneer ik mijn communie zal doen?

Ik heb je een slot met een sleutel beloofd

Zodat men je kindervertrouwen niet rooft

Want kind om je zieltje sluipt menige dief

Die moet je versluiten m'n prinseke lief

 

Grootmoe wat zult U me geven

Wanneer ik eens trouwen zal gaan?

Ik geef je een gordel met zijde omwoeld

Zodat je de druk van de ketens niet voelt

Die schakels eerst luchtig, ze worden massief

Die mag jij niet voelen m'n prinseke lief

 

Grootmoe wat zult U me geven

Wanneer ik eens vader zal zijn?

Ik geef je een boekje waar 'k alles in schreef

Van dat wat jijzelf in je jonkheid misdreef

En heb je dan tegen je kleuters een grief

Lees dan in dat boekje m'n prinseke lief.

 

Grootmoe wat zult U me geven

Wanneer ik eens grootvader zal zijn?

Dan is er mijn jongen zo moe en zo oud

En zo met het werk'lijke leven vertrouwd

Kom dan op 't kerkhof en denk bij mijn graf

Aan alles wat grootmoe haar prinseke gaf.

 

Terug naar overzicht

Grootvaders klok

(tekst: Johan uit den Boogaard/muziek: Harry de Groot/uitvoering: Max van Praag)

Mijn Grootvader's klok was een deftige klok
Met haar uurwerk zo goed en secuur
En zij liep zo geregeld, want al negentig jaar
Verkonde haar stem reeds het uur
En op Grootvader's dag, toen zij 't levenslicht zag
Kwam de klok ook het huis in meteen
Maar opeens bleef hij staan, om nooit meer te gaan
Toen 't doodsuur van 'd ouwe verscheen

Refrein:
Sinds negentig jaar ongestoord tik tak
Zijn levenstijd tellend steeds voort tik tak
Maar opeens bleef hij staan, om nooit meer te gaan
Toen 't doodsuur van d'ouwe verscheen

Als knaap reeds had grootvader menige keer
Aan de klok zijn geheimen verteld
En haar slinger steeds volgend, al heen en al weer
Werd 't lief en leed hem verteld
En met vrolijke slag, riep de klok hem "goên-dag "
Toen als man, met zijn bruid, hij verscheen
Maar opeens bleef hij staan, om nooit meer te gaan
Toen d'ouwe van d' aarde verdween

 

Terug naar overzicht

't Gymnastenlied

(H.A. Woelders/Joh. M. Coenen)

Geen zang klinkt zo schoon en geen toon wordt gehoord,

Die meer ons begeestert, die meer ons bekoort;

Geen lied klinkt zo krachtvol, zo innig gemeend,

Als 't lied van gymnasten, als broeders vereend.

Dan worden eendracht en vriendschap gestaald,

Dan wordt de juichtoon vol geestdrift herhaald.

En daverend rolt dan langs velden en vloed:

Het Vrank en het Vrij en het Vroom en het Vroed !

Dan worden eendracht en vriendschap gestaald,

Dan wordt de juichtoon vol geestdrift herhaald.

En daverend rolt dan langs velden en vloed:

Het Vrank en het Vrij en het Vroom en het Vroed !

 

Dan drukken we elkander als broeders de hand;

Dan is er geen sprake van rang of van stand;

Van ouden of jongen, van arm of van rijk,

In 't kleed van den turner zijn we-allen gelijk:

Eén in ons streven en één in gedacht,

Eén in ons doelwit: „door oefening kracht !"

Ook één in de leuze en één in de groet,

Bij 't Vrank en het Vrij en het Vroom en het Vroed !

Eén in ons streven en één in gedacht,

Eén in ons doelwit: „door oefening kracht !"

Ook één in de leuze en één in de groet,

Bij 't Vrank en het Vrij en het Vroom en het Vroed !

 

Op, broeders, dan tegen vooroordeel ten strijd,

Ons onvermoeid pogen is zegen bereid.

De tijd toch zal komen, dat ieder begrijpt:

„De geest in het krachtige lichaam slechts rijpt"

Dan als de duisternis wijkt voor het licht,

Lauwheid voor moed en ontwikkeling zwicht,

Dan davert als juichtoon vol vuur en vol gloed,

Ons Vrank, en ons Vrij en ons Vroom en ons Vroed!

Dan als de duisternis wijkt voor het licht,

Lauwheid voor moed en ontwikkeling zwicht,

Dan davert als juichtoon vol vuur en vol gloed,

Ons Vrank, en ons Vrij en ons Vroom en ons Vroed!

 

Met moed en volharding dan voort op het pad

Dat vóór ons zo menige strijder betrad;

Wat wijke of wank'le, de turner staat pal,

In 't hart overtuigd, dat hij stand houden zal.

Voor geen vooroordeel of domheid beducht

Heft hij zijn vaandel tot hoog in de lucht,

En kondigt de volken als heilbôo en groet::

Zijn Vrank en zijn Vrij en zijn Vroom en zijn Vroed !

Voor geen vooroordeel of domheid beducht

Heft hij zijn vaandel tot hoog in de lucht,

En kondigt de volken als heilbôo en groet::

Zijn Vrank en zijn Vrij en zijn Vroom en zijn Vroed !

 

Terug naar overzicht

't Haesken

(met dank aan Joop Zwieneberg voor de tekst)

Willen wij, willen wij

't Haesken jagen door de hei?

Ja, het haesken jij en ikke,

Deur den dinne, deur den dikke,

't Haesken willen wij jagen gaen.

Deur haesken, dodelik haesken

Deur haesken, door de hei.

Willen wij, willen wij

't Haesken jagen door de hei?

 

't Haesken blij, 't haesken blij

Kwam geloopen door de hei:

Onder 't groen geboomt' gezeten

Waren zij geheel vergeten,

Wat ze wilden jagen gaen.

Deur haesken, dodelik haesken

Deur haesken, door de hei.

Willen wij, willen wij

't Haesken jagen door de hei?

 

Haesken blij, haesken blij

Wil maar spelen door de hei !

't Jagerken dat is gevangen

Door heur schoone roode wangen;

't Meisken wilde hem jagen gaan.

Deur haesken, dodelik haesken

Deur haesken, door de hei.

Haesken blij, haesken vrij,

Wil maar spelen door de hei.

 

Terug naar overzicht

Hagel en sneeuw

Hagel en sneeuw, onweer, wind en regen
Deren ons niet, wij kunnen er wel tegen
Lach er maar om, en stap er flink doorheen
't Is pech, maar zeg

Als straks de zon eens scheen
La la la

 

'n Gat in je zool, 't water sopt naar binnen
'n Lek in je jas, wat nu wel te beginnen
En van je kraag

Drupt 't water langs je rug
't Is pech, maar zeg

De zon komt wel weer t'rug
La la la

 

Eén ding staat vast

Knorren helpt geen steek
Want als de zon

Eens door de wolken keek
En jou dan zag

Met zo een boos gezicht,
't Is pech, maar zeg

Dan bleef het niet lang licht
La la la

 

Terug naar overzicht

Hali en halo (Het Boertje)

(Uit: "Geniet van t lied" - R.K. Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)

(met dank aan Wilma van de Laak voor het sturen van de tekst)

Een boertje had 'n petje op,

'n petje met twee klepjes op.

Het petje dat was van zij

en de klepjes die waren van mij.

Toen kwamen zij naar elkandere,

toen klepte den ene den andere.

 

Refrein:

Hali en halo, hali en halo,

bij ons gaat alles zo, ja zo,

hali en halo, hali en halo,

bij ons gaat alles zo.

 

Het boertje had 'n jasje aan,

'n jasje met twee slipjes er aan.

Het jasje dat was er van zij

en de slipjes die waren van mij.

Toen kwamen zij naar elkandere,

toen slipte den ene den andere.

 

Refrein

 

Het boertje had een vestje aan,

een vestje met twee rijen knoopjes er aan.

Het vestje dat was van zij

en de knoopjes waren van mij.

Toen kwamen zij naar elkandere,

toen knoopte den ene den andere.

 

Refrein

 

Het boertje had een broekje aan,

een broekje met twee pijpjes er aan.

Het broekje dat was van zij

en de pijpjes die waren van mij.

Toen kwamen zij naar elkandere,

toen pijpte den ene den andere.

 

Refrein

 

Het boertje had een paar klompjes aan,

een paar klompjes met een teutje er aan.

De klompjes die waren van zij

en de teutjes die waren van mij.

Toen kwamen zij naar elkandere,

toen teutte den ene den andere.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

'k Heb een mooie rit gemaakt

(met dank aan Alida van der Spuij voor het sturen van de tekst)

'k Heb een mooie rit gemaakt
Door de ganse stad
Wel een goeie drie kwartier
Jongens wat een pret was dat

Met een elektrische tram
Voor een duppie maar!
Of het fijn was ? Nou, en of !
Jongens, reken maar !


Refrein:

 Tingelingeling,tingelingeling

tingelingelingeling

tingelingeling, tingelingeling,

tingelingelingelingeling

 

Was de kleur van 't lichtje groen
Ging de tram vooruit
Brandde 't licht met rode kleur
Moest er iemand uit
Ging de bel van ting, ting, ting,
Mensen van de lijn
Voor de electrische tram
Moet er ruimte zijn !
 

Refrein


In de tram zat ook een juf
Van het platte land
Op haar schoot een eiermand
Vol, tot aan de rand
Plots gleed bij een scherpe bocht
Wat een ongeluk!
Juf met mand zo van de bank
Al de eiers stuk
 

Refrein


'k Heb een mooie rit gemaakt
Door de ganse stad
Wel een goede drie kwartier
Wat een eind was dat
Met een elektrische tram
Voor een duppie maar!
Of het fijn was? Nou, en of!
Jongens, reken maar!
 

Refrein

 

Terug naar overzicht

'k Heb een rood, rood, spiegeltje gevonden

(met dank aan Wilma de Laak voor het sturen van de tekst)

'k Heb een rood, rood, spiegeltje gevonden.

'k Heb het op mijn hartje gebonden,

Keer omme, keer omme,

Mooi meisje keer eens omme.

Mooi meisje heeft zich omgekeerd,

Dat heeft ze van haar broertje geleerd,

Keer omme, keer omme,

Mooi meisje keer je eens omme.

 

Terug naar overzicht

Hedde nie gezien baas Schipper

(Met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Hedde nie gezien baas Schipper met z'n peerd,

hij heei unne witte kop en unne zwarte steerd.

't Beesje kon geen havertje meer eten,

D'r was un strooitje in z'n keeltje blijven steken.

Hedde nie gezien baas Schipper met z'n peerd,

Hij heei unne witte kop en unne zwarte steerd.

 

Variant hierop:

 

Hedde nie gezien ons ouw Mieke Trien,

Hedde nie gezien ons Beike.

Ze schudde mee dur gat,

Dé dur muts afviel

En ze heei geslaope op ut heike.

 

Terug naar overzicht

Heer Jezus heeft een hofken

(Met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Heer Jezus heeft een hofken waar schoon bloemen staan
Daarin zoo wil ik plukken gaan, 't is wel gedaan
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel

 

De lelikens die ik daar zag zijn zuiverheid
De zoete violetten zijn ootmoedigheid
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel

 

De schoone purper roze was de lijdzaamheid
De schoon vergulde goudebloem, gehoorzaamheid
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel

 

Nog was er een die boven allen spand'de kroon
Coron'imperiale, 't was die liefde schoon
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel

 

Maar d'allerschoonste, beste bloem al in dat hof
Dat was de Heere Jezus zoet, dus zij hem lof
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel

 

Och Jezus, al mijn goed en al mijn zaligheid
Maakt van mijn hert uw hoveken, het is bereid
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel

 

Terug naar overzicht

Hei molentje

(met dank aan mevr. Bouwknegt voor de aanvulling)

Hei molentje, molentje hoog in de wind
Wat sta je weer dapper te draaien
Je doet of je 't eindloos noodzakelijk vindt
Het licht van de zomer te draaien

Je kijkt naar de zon en je denkt : wat een schat
Wat een schat laat ik daad'lijk beginnen
De zon is van goud en het licht is een pracht
Ja, laat ik maar vlug gaan beginnen

Je wieken bewegen en vliegen en vegen
Hun schaduwen over de grond
De stenen die dreunen en draaien en steunen

En komen al komen al kreunende rond


Maal verder, maal verder, maal stevig en straf
Je werken blijft toch onbegonnen
Het licht van de zomer, dat maai je niet af
Het licht van de zomerse zonne

 

Terug naar overzicht

Hela gij bloempje (Meimorgen)

Hela, gij bloempjes! slaapt gij nu nog
Springt uit uw knoppen, haast u dan toch
't Zonnetje kijkt u al vlak in 't gezicht
Bloempjes, ontwaakt toch! het is al zo licht
Bloempjes, ontwaakt toch! het is al zo licht

Hela, gij vogels, droomt niet te lang
Hoog van de takken klinkt uw gezang
Mei is gekomen en heeft op het veld
Duizenden bloemen tentoongesteld
Duizenden bloemen tentoongesteld

Hela, gij kindje! vlug op de been
't Zonnetje schijnt al door 't vensterken heen
Vogels en bloemen, het wachten haast moe
Roepen het vrolijk goêmorgen u toe
Roepen het vrolijk goêmorgen u toe

 

Terug naar overzicht

Herdersliedje

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Daar kwam een herdersmeisje

Geloopen langs de hei

Die zong een simpel wijsje

Een wijsje van de Mei.

 

Toen kwam een herdersknaapje

Van verre lang de hei

Die zei mijn aardig schaapje

‘k Zing net zoo mooi als jij.

 

Toen zongen ze te samen

Al in het gras zo malsch

Ze snoepten zoete bramen

En zongen daardoor valsch.

 

Ze hielden van elkander

Al in het malsche gras

Ze namen nooit een ander

Omdat er geen ander was.

 

Toen, toen, toen kwam de fiedel en de fluit,

Die maakte, die maakte, die maakte ’t liedje uit.

 

Terug naar overzicht

Herfst (1)

(tekst/muziek: David Tomkins/Rosine de Cocq)

Rood en goud, rood en goud,

Zijn de kleuren van het woud,

Rode beuken, gouden berken,

Delen 't bos in bonte perken.

 

Rood en goud, rood en goud,

Zijn de kleuren van het woud,

Goud en rood, goud en rood,

Dwarrelt neer in greb en sloot.

 

Rode wingerd, gulden linde,

Netelblad en heggewinde,

Goud en rood, goud en rood,

Voeren 't bos ten najaarsdood.

 

Terug naar overzicht

Herfst (2)

(J.D.C. van Dokkum/Hendrika van Tussenbroek)

Nu bloeien in 't jonge gras niet meer

Meizoentjes wit en geel;

Nu hoor je niet meer in het dichte groen

Gejubel en vogelgekweel.

Het krekeltje zwijgt en het Noorden blaast koud

Door 't zwijgende, hijgende woud.

 

Nu zie je-in 't gewelf der beukenlaan

't Wazige blauw door 't bruin,

Nu wordt het park, dat zo klaaglijk ruist,

Een wondere tovertuin.

Het zonnetje schuilt, en al vroeger verwacht

Wordt de duistere, fluist'rende nacht.

 

Terug naar overzicht

Herfstliedje

(V. Loveling/J. Worp)

De vogels zijn heen en de velden zijn naakt,

De wei vol waterplassen;

De blaad'ren liggen in het slijk,

Die in de lente wassen.

 

Het lichte zaad der distels waait

In pluimkens langs de wegen;

De wind waait door de naakte boom,

De hemel dreigt met regen.

 

Terug naar overzicht

Herfstliedje

(J.A. Böhringer/C.M. von Weber)

Een vriend'lijk, aardig vogelijn

Zong in de held're zonneschijn

Op zachte toon zijn afscheidslied:

„Vergeet de kleine vogel niet !

Vaarwel, vaarwel, vaarwel,

Vaarwel, de tijd vliedt snel,

Vaarwel, vaarwel."

 

Ik keek de vogel droevig aan,

En zei: „Ge moogt niet henen gaan,

Ge blijft toch waarlijk al te kort,

Ik zorg voor u als 't winter wordt;

Blijf hier, blijf hier, blijf hier,

Blijf hier mijn aardig dier,

Blijf hier, blijf hier !"

 

 

De vogel zong: „'t Wordt mij te koud,

Te dor in 't veld, te kaal in 't woud;

In 't voorjaar zien we-elkander weer,

Voor mij zorgt onze Lieve Heer.

Ik kom, ik kom, ik kom,

Ik kom heel gauw weerom,

Ik kom weerom!"

 

Terug naar overzicht

Het aapje

Een aapje liep door bos en struiken (2x)

Helaas het liep, liep, liep al in een strik. (2x)

 

Daar kwam een man door ’t bos gereden (2x)

Die ’t aapje mee, mee, mee naar huis toe nam. (2x)

 

Daar moest het met de kinderen spelen (2x)

En ’t meende dat, dat, dat ’t zijn broerkens zag. (2x)

 

Het ging somtijds ook mee ter schole (2x)

En allen, aap, aap, aapten ’t aapje na. (2x)

 

Doch als de kinderen groter werden (2x)

Toen moest het schei, schei, scheiden van zijn broers. (2x)

 

Toen moest het ganse dagen slaven (2x)

En ook al ka, ka, kamerknechtje zijn. (2x)

 

Het moest daar wassen, plassen, schuren (2x)

En ook de pot, pot, pot doen en zo voorts. (2x)

 

Op zekeren nacht toen allen sliepen (2x)

Sloop ’t aapje weg, weg, weg en nam de vlucht. (2x)

 

Toen liep het weer door bos en struiken (2x)

Helaas het liep, liep, liep al in een strik. (2x)

 

Terug naar overzicht

Het Angelus klept in de verte

(De La Montagne/Van Rennes)

Het Angelus klept in de verte

In tonen, zo zuiver en hel

De grootmoeder knielt op de drempel

De kind'ren zij staken hun spel

Grootmoeder bidt: "Onze Vader"

De kind'ren zeggen 't haar na

Een zonnestraal glijdt door het lover

Een glimlach, een glimlach van 's Heren genâ

 

Zij bidt: "O God, schenk Uw zegen

Ook over deez' kindekens klein

En wees hun nabij met Uw liefde

Als ik niet meer bij hen kan zijn"

Grootmoeder bidt: "Onze vader"

De kind'ren zeggen 't haar na

Een zonnestraal glijdt door het lover

Een glimlach, een glimlach van 's Heren genâ

 

Terug naar overzicht

Het boerinnetje

Daar loopt door 't gehucht een wonder gerucht
Het is van een jonge boerinne
Ze dorste haar graan, liet het spinnewiel gaan
En reed zij op Grauw d' ezelinne
Dan lachten de tortels haar na: ha ha ha ha ha !

Dan lachten de tortels haar na: ha ha ha ha ha !
Dan lachten de tortels haar na: ha ha ha ha; ha ha, ha ha !

Eens wordt er verteld, eens was zij in 't veld
Een koets houdt er stil in de weide
Twee mannen in 't goud, heffen eensklaps haar stout
De koets in, hoe hard zij ook schreide
Nu schreide de tortel haar na: ha ha ha ha ha !

Nu schreide de tortel haar na: ha ha ha ha ha !
Nu schreide de tortel haar na: ha ha ha ha; ha ha, ha ha !

Zij was geen boerin, maar wel een vorstin
Het staat in een boekje geschreven
Als kind eens verdwaald, werd ze huiswaarts gehaald
Toen d' afkomst heel klaar was bewezen
Wat miste de tortel haar dra: ha ha ha ha ha !

Wat miste de tortel haar dra: ha ha ha ha ha !
Wat miste de tortel haar dra: ha ha ha ha; ha ha, ha ha !

Nu heeft z' een kasteel en schatten zoveel
Maar z' is nog 't gehucht niet vergeten
En als zij er komt en de klaagtoon verstomt
't Is nog of de tortels het weten:
Ze kirren en lachen haar na: ha ha ha ha ha !

Ze kirren en lachen haar na: ha ha ha ha ha !
Ze kirren en lachen haar na: ha ha ha ha; ha ha, ha ha !

 

Terug naar overzicht

Het dansende boerinneke

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Daar ging een boerinnik' al door de wei

Tierelier, juchei, tierelier, juchei

Het regende wat en de klei was nat

Tierelier, de klei was glad.

Ze droeg een mand met eieren aan haar hand

En zong en sprong van plezier

Tierelier, tierelier.

 

Ze zwaaide de mand met een zwaai van haar hand

Terelier, juchei, tierelier, juchei

En struikelde over haar kousenband

Tierelier, haar kousenband

En daar zwom ei en ei als struif in de wei

En daar zwom ei en ei als struif in de wei

Juchei, juchei

't Boerinneke zat bij haar schat in de klei

Het dansje was uit en het liedje erbij !

 

 

Terug naar overzicht

Het kleine ventje

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

D'r was er eens een heel klein ventje (2 x)
Dat nooit op zee-zee-zee gevaren had (2 x)
O, wat een pech was dat !

Toen hij ging verre reizen maken (2 x)
Al over de gro-gro-grote oceaan (2 x)
Dat kwam hem duur te staan !

Want na verloop van vijf, zes dagen, (2 x)
Was er geen voe-voe-voedsel meer aan boord, (2 x)
Dat was toch ongehoord !

Toen moest men aan het strootje trekken, (2 x)
En wie het kor-kor-kortste eindje trok, (2 x)
Die peuzelde men op.

Het lot viel op ons kleine ventje, (2 x)
Dat nooit op zee-zee-zee gevaren had, (2 x)
O, wat een pech was dat !

Toen viel hij op z'n blote knietjes (2 x)
En bad, o lie-lie-lieve heer (2 x)
O, kom toch, help mij gauw !

Toen kwamen er wel duizend visjes (2 x)
Over 't ran-ran-randje van de boot (2 x)
En was het schip uit nood.

 

Terug naar overzicht

Het klokje van Kafarnaom

(Uit: "Geniet van t lied" - R.K. Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)

(met dank aan Wilma van de Laak voor het sturen van de tekst)

Het klokje van Kafarnaom,

blijft doorgaans stil en stom,

tot plotsling klinkt, wie weet waarom,

z'n bim-bam-bom.

 

En recht en krom van ver rondom,

trekt af op 't klokgebrom

en staat verwonderd stil en stom,

bij 't bim-bam-bom.

 

Houdt 't klokje van Kafarnaom

zich weerom stil en stom,

dan scheldt al 't volk voor stom en dom,

zijn bim-bam-bom.

 

Terug naar overzicht

Het krabbetje

(met dank aan Hein Voorsluis voor het sturen van de tekst)

Een krabbetje krabbelde krabbelde langs het strand,

't was korzelig en kribbig en had het land,

had erg het land aan zee en strand.

 

"Bah, bah, die eentonig klotsende zee,

je moet met de vloed en de eb steeds mee;

'k heb zelf een wil, 'k duld geen bedil !

Op 't land, ja daar schijnt het me wel zo goed;

wie zegt dat een krab in zee blijven moet ?

Zoo steeds in het nat: dat ben ik zat !

 

Wel krabbetje, wel, wat spreek je daar dwaas,

al ben je in zee er vele de baas !

Je hebt van het land geen zier verstand:

't is zeker dat je geen voedsel daar vindt.

Kom luister naar mij: je oudere vrind;

nu is die raad nog niet te laat !

 

Maar 't krabbetje hoorde de zee zelfs niet aan,

is scharrelend  en sukkelend het land opgegaan

en voerde uit zijn dwaas besluit.

 

Veel heeft het gezien, veel heeft het gehoord

en 't krabbehart heeft dat alles bekoord:

gans ongehoord, gans ongewoon,

dat nieuwe schoon, dat nieuwe schoon !

 

Al was 't op het land dus goed naar zijn zin

toch sloop er een zorg het krabbehart in:

de maag was leeg - en wel terdeeg !

 

Want 't krabbetje vond geen voedsel op 't land

en wist ook de weg niet naar zee en strand,

en golvenlied vernam het niet.

 

Nu voelde het niets dan zorg en verdriet;

maar spijt en gejammer hielpen hem niet:

hij teerde dood door hongersnood.

 

Terug naar overzicht

Het lied van de wind

(A. van Droogenbroeck/Lieven Duvosel)

Hoort gij hem bezig de woelende wind ?

Ei, die maakt ons zo vrolijk gezind !

Daar in de schoorsteen bromt hij de bas

Oe, oe

Of vedelt aan 't venster met grappig gekras

Oe, Oe

In het bos is hij los

Hoe hij ruist, hoe hij bruist

Door het hout, door het hout !

Oe, oe, oe, oe

Dat is zijn leven, daar is hij stout !

De bomen zijn vrienden, waarvan hij houdt !

Dat is zijn leven, daar is hij stout !

De bomen zijn vrienden, waarvan hij houdt !

De bomen zijn vrienden, waarvan hij houdt !

 

Kijkt in de lucht, daar vermaakt zich de wind

Al de wolken die verjaagt hij gezwind !

Ga op het strand eens, zijt gij niet bang ?

Oe, oe

Ge ziet hem alweder voor goed aan de gang

Ziet gij dat schip ?

Oe, oe

't Is een spel, hoe het snel

Daar maar zwiert en maar giert

Door de zee, door de zee

Oe, oe, oe, oe

Kom, naar de Oost, de zeilen zijn ree !

Wij zingen hoezee en de wind is ons mee !

Kom, naar de Oost, de zeilen zijn ree !

Wij zingen hoezee en de wind is ons mee !

Wij zingen hoezee en de wind is ons mee !

 

Soms is hij boos en dan maakt hij veel stof

Oef ! Wij moeten gelijk uit de hof !

En onze weerhaan draait op zijn spil

Oe, oe

De wind laat den sukkel geen ogenblikstil

Hoort gij de wind ?

Oe, oe

Hoe hij bromt, hoe hij gromt

Hoe hij blaast, hoe hij raast

Hoe hij fluit, hoe hij fluit !

Oe, oe, oe, oe

Ga maar uw gangen, olijke guit

Wij zitten in huis en lachen u uit !

Ga maar uw gangen, olijke guit

Wij zitten in huis en lachen u uit !

Wij zitten in huis en lachen u uit !

 

Terug naar overzicht

Het lied van den boer

(Joh. M.P. Broeder)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Te zwoegen en te streven

Met al de krachten mans,

Dàt is het zout van 't leven,

Dat vlecht den boer een krans !

Heil, die zijn brood mag eten,

Door eerlijk zweet gewijd,

En heeft slechts dank te weten

Aan God en eigen vlijt !

En heeft slechts dank te weten

Aan God en eigen vlijt !

 

Een rijkdom is verborgen

In 't eerlijk boeren-werk,

En knellen soms de zorgen,

Des Heeren troost maakt sterk !

Wil Hij Zijn zegen geven,

Het arbeidszweet gedijt;

Het boeren-werk blijft leven

Door God en eigen vlijt !

Het boeren-werk blijft leven

Door God en eigen vlijt !

 

Laat blij uw lied'ren loven

Den Schepper van omhoog,

Zing uit in veld en hoven,

Wat uwe borst bewoog !

Bij 't oogsten en het bouwen,

In ieder jaargetijd',

Blijv' ongeschokt 't vertrouwen

Op God en eigen vlijt !

Blijv' ongeschokt 't vertrouwen

Op God en eigen vlijt !

 

Terug naar overzicht

Het liedje van de zee

(G.W. Lovendaal/Henrik C. van Oort)

Daar lei een scheepjen al leize,

Hollo, hallé !

Daar lei een scheepjen al leize

En zeilree voor de reize

Te dobberen aan de ree.

Het scheepje rees, het scheepje viel,

Het watertje kauwerde

Onder de kiel;

Hallo, hallé, hallo, hallé !

Het liedje van de zee. Hallé !

 

Daar zat een schipper inne

Hallo, hallé !

Daar zat een schipper inne,

Die was zo blij van zinne,

En neuriede lustig mee.

Het windje blies het zeiltje vol

En spande het klappend

Blond zeiltje bol;

Hallo, hallé, hallo, hallé !

Bij 't liedje van de zee. Hallé !

 

Maar schip en schipper zijn jaren

Hallo, hallé !

Maar schip en schipper zijn jaren

Begraven in de baren

En rusten er saam in vree.

En zingt de zee in stille nacht,

Dan klinkt van de rede

Zo treurig zacht:

Hallo, hallé, hallo, hallé !

Het liedje van de zee,

Het liedje van de zee. Hallé !

 

Terug naar overzicht

Het matroosje

(met dank aan Jan Corvers voor het sturen van de tekst)

Een vroolijk, klein matroosje,

Een ventje van stavast

Dat klom eens voor een pretje

In 't topje van den mast.

Zijn voetjes en zijn handjes,

Die zag je aldoor hooger gaan;

Maar boven aan het puntje

Daar bleef het ventje staan,

Daar bleef het ventje staan.

 

Toen zwaaide hij zijn mutsje

En riep: "Hiep, hiep, hoera!

Wat is het hier toch heerlijk,

Zo hoog als ik hier sta."

Nu haalde hij voorzichtig

Een verrekijker voor den dag,

En tuurde, of hij ergens

Zijn moeders huisje zag,

Zijn moeders huisje zag.

 

Hij tuurde en hij tuurde

Naar alle kanten toe,

En eindlijk riep hij vroolijk:

"Daar heb je 't huis van Moe!"

Hij groette met zijn handje,

Maar neen, zijn moesje zag hem niet...

Wat jammer voor 't matroosje:

Het ventje had verdriet,

Het ventje had verdriet.

 

Maar na een oogenblikje

Was dat alweer voorbij !

Hij zwaaide met zijn handje

En keek weer even blij.

Toen stopte hij weer lachend

Zijn verrekijker in den zak,

En klom nu vlug en vroolijk

Omlaag weer met gemak,

Omlaag weer met gemak.

 

Terug naar overzicht

Het meisje en de schipper

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Lieve schipper vaar mij over,

Naar dat gindse dorpje heen.

Ik zal U een halssnoer geven

En deez' kostelijken steen.

 

Lieve meisje 'k vaar U niet over,

Voor geen halssnoer, voor geen steen.

Nee voor zulke kleinigheden,

Vaar ik U daar ginds niet heen.

 

Lieve schipper vaar mij toch over,

 'k Zal U geven wat U behaagt.

Ja ik zal U alles geven,

Wat Uw goedheid van mij vraagt.

 

Mocht ik U een kusje geven,

Voor Uw roderozemond,

Dan vaar ik daarginds U henen,

Zelfs de hele wereld rond.

 

't Arme meisje stond verlegen,

Sloeg haar oogjes blozend neer.

Zachtkens zonk zij in zijn armen,

En hij kuste haar keer op keer.

 

Zachtkens zijn zij heen gevaren,

Langs de baren van de zee.

En het zalige kapiteintje,

Bracht haar naar de veil'ge ree.

 

Terug naar overzicht

Het meisje van Scheveningen

Een meisje dan van Scheveningen kwam, sangejo !

Een meisje dan van Scheveningen kwam, sangejo !

Die was voorwaar met haar visjes belaân.

Met de rikken en de klikkenen de loto, singe sange joto !

Mie verkoopt de handelwaar, sing sange jo !

 

Zij riep gewis: "Wie koopt er mijn vis? " sangejo !

Zij riep gewis: "Wie koopt er mijn vis? " sangejo !

"'k Heb rog en vloot, die nog levendig is !"

Met de rikken en de klikkenen de loto, singe sange joto !

Mie verkoopt de handelwaar, sing sange jo !

 

Een heer die door zijn venster zag, sangejo !

Een heer die door zijn venster zag, sangejo !

Die knikte het meisje goeden dag.

Met de rikken en de klikkenen de loto, singe sange joto !

Mie verkoopt de handelwaar, sing sange jo !

 

Zo werd zij rijk in korten tijd, sangejo !

Zo werd zij rijk in korten tijd, sangejo !

Zodat ze nu in een koetsken rijdt !

Met de rikken en de klikkenen de loto, singe sange joto !

Mie verkoopt de handelwaar, sing sange jo !

 

(vloot = is een platvis, een soort rog)

 

Terug naar overzicht

Het mezennestje

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Het mezennestje is uitgebroken
Dat in de wilgentronk gedoken
Met vijftien eikens blonk
Ze zitten in de boom te spelen
Tak op, tak af, tak uit, tak in, tak om met velen
En  'k lach mij, 'k lach mij, 'k lach mij bijkans krom

Het mezenmoertje komt getrouwig
Komt op de lauwen noen al blauwig
En geluwachtig groen
Het brengt hun dit en dat om te azen
Tak om, tak op, tak af, tak uit, tak in ze razen
Ze razen en kruipen, kruipen vlug het mezennestje in
 
Het mezenvaartje zit
De loov'ren verduikent voor 't gestraal
Te toov'ren al in de mezentaal
Daar vliegen ze al met een te zamen
Het mezennestje is weer om eyle en uit

 

Terug naar overzicht

Het nestje

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik weet een vogel wonen,

Pi-pi kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

'k Zal u zijn nestje tonen

Pi-pi-kwie, 't san-san-ra-bi-bie

Hij woont daarginder langs de straat,

Het is mijn kameraad.

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

 

Daar zag ik hem vergaren,

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

De strooikens en de blaren

Pi-pi-kwie, 't san-san-ra-bi-bie

Met ted're zorgen tot op 't lest

Volbouwd was het liefdesnest.

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

 

Nu zie 'k een tweede vogel,

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

Een blondgepluimde vogel,

Pi-pi-kwie, 't san-san-ra-bi-bie

Zij springt en wipt er in en uit 

Het is de lieve bruid

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

 

En 'k luister van verlangen,

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

Naar 't schoonste der gezangen

Pi-pi-kwie, 't san-san-ra-bi-bie

Dat rond het nest ten hemel stijgt

De nacht'gaal zelve zwijgt.

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

 

Met ingehouden schreden,

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

Ben ik voorbij getreden

Pi-pi-kwie, 't san-san-ra-bi-bie

Want vogelkens zo pas gehuwd,

Zijn toch zo gauw verschuwd.

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

Pi-pi-kwie, pi-pi-kwie, pi-pi-kwie

't San-san-ra-bi-bie, ra-bi-bie-'t san-san !

 

Terug naar overzicht

Het oorlogsschip

Er was een oorlogsschip

Er was een oorlogsschip

Dat was al op een duimpje na

Gezonken op een klip

Dat was al op een duimpje na

Gezonken op een klip

 

En er was een oude vrouw

En er was een oude vrouw

Die nam het hele oorlogsschip

En stak het in haar mouw

 

De volgende coupletten worden door de aanwezigen bij toerbeurt geïmproviseerd, totdat het lied besluit met:

 

Al het ov'rige was van glas

Al het ov'rige was van glas

Nu vraag ik aan een iedereen

Of dat geen wonder was

Nu vraag ik aan een iedereen

Of dat geen wonder was

 

Wie zijn beurt verzuimt, of te lang nadenkt, geeft een pand.

 

Terug naar overzicht

Het regent

(met dank aan Irene Cock voor het sturen van de tekst)

Het regent, het regent

De daken worden nat,

Ik wou dat ik mijn parapluutje

Maar niet vergeten had.

Wat moet ik nu beginnen,

Ik weet al goeden raad,

We stappen op de tram

Op het hoekje van de straat.

Ringting ringting

Daar komt de tram al aan,

Chauffeurtje laat je wagentje even staan.

Ringting ringting

Kom stap maar in.

Ringtingtingting

Kom stap maar in.

 

Terug naar overzicht

Het regent

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Het regent, Oh ! wat regent het !

Het regent dat het giet.

Er liggen plassen op de straat

Er door loopt kleine Piet.

Hij is niet bang voor al dat nat

Al stroomt de regen neer.

Want met zijn regenjasje aan

Verdraagt hij 't slechte weer.

Stap, stap, stap

Gaat onze Piet

Stapt onze Piet.

 

En natte voeten ? Wees niet bang !

Ook daar is aan gedacht.

Want laatst heeft vader van zijn reis

Kaplaarsjes meegebracht.

En met die jas en laarsjes aan

Gaat Pieter nu naar school.

Van regen heeft hij heel geen last

Maar juist de grootste jool.

Stap, stap, stap

Gaat onze Piet

Stapt onze Piet.

 

Terug naar overzicht

Het schoenmakertje

(E.P. de Boer/J.C. Anderson)

Baas Klopstra zat in zijn schoenmakerij

En floot er zijn liedeke lustig en blij,

Hij was een vrolijke klant,

Had aan treuren het land.

Hij stikte en tikte,

Hij lapte en klapte,

En zo was het werk gauw aan kant, gauw aan kant !

En zo was het werk gauw aan kant, gauw aan kant !

 

Vrouw Klopstra was achter in 't kamerke klein

En zong voor haar kindje van dieredondijn.

Zij was een vrolijke klant,

Had aan treuren het land.

Zij waste en plaste,

Zij klopte en stopte.

En zo was het werk gauw aan kant, gauw aan kant !

En zo was het werk gauw aan kant, gauw aan kant !

 

Het kindje, dat lag in zijn wiegeke rein

En luisterde stil naar 't gedieredondein.

En Vader en Moe,

Die werkten maar toe.

Hij lapte en klapte,

Zij waste en plaste,

En 't kindje deed d' oogjes maar toe,

En 't kindje deed d' oogjes maar toe !

 

Terug naar overzicht

Het schoolplein

(met dank aan Roy Elzinga voor de tekst)

Ik zou zo graag eens willen kijken

Op het schoolplein als het donker is.
Blaadjes ritselen van de bomen
En die dag vol mooie dromen
En ik zing heel zacht

Refrein:

Als de school straks gaat beginnen

En we zijn nog net niet binnen
Hoor je kinderen schreeuwen gillen

Zie je kinderen touwtjespringen
Hollebollen, rolletollen,

Ballen stuiten, knikkers rollen,
Heel hard vallen, volleyballen,

Of elkaar wat lastig vallen.
Heksenketel van geluid,

Na de fluit dan is het uit!

 

Terug naar overzicht

Het snoepwinkeltje (Manna de Wijs-Moutton)

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

In de donkere straat

Als het belletje gaat

Kletst het deurtje al rinkelend open

Komen in t kamertje klein

Bij het lampegeschijn

De kleutertjes binnengeslopen

En een dappere vent

In zijn knuistje een cent

Stapt naar voor en blijft grinnikend zwijgen

Tot de koopvrouw geleerd

Zijn fortuin inspecteert

En vertelt wat hij daarvoor kan krijgen

 

't Is een reep zwarte drop

Koek met suiker er op

Een kleurbal een zuurbal een wafel

Een zoethouten stok

Of een kleurige brok

't Ligt alles bijeen op de tafel

Als de kapitalist

Zich wat dikwijls vergist

De koek en de suiker beduimelt

Scheldt de juffrouw verwoed

Dat hij 't kost'lijk goed

Met zijn smerige vingers verkruimelt

 

De kleuter verbaasd

Dat de juffrouw zo raast

Smoest stiekem wat met zijn kornuiten

De keus wordt bepaald

En de kleurbal betaald

Dan schooien zij slent'rend naar buiten

In de donkere straat

Waar het troepje nu gaat

Wordt hevig gewikt en gewogen

Dan ruilen z' om beurt

Tot de bal is verkleurd

En hun rijkdomillusie vervlogen

 

Terug naar overzicht

Het vacantie-kinderfeest

(O.S. van der Veen/H.J. den Hertog)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hij was nog nooit met spoor of boot

Naar zee of bosch geweest;

Nu mocht ie voor den eersten keer

Mee met 't Vacantie-feest.

Den dag te voren zei z'n Moe:

"Om zeven uur naar bed !"

En Jantje kneep zijn oogen toe

En neuride van pret:

Dat wordt de fijnste dag van 't heele jaar,

Naar buiten gaan we morgen met elkaar.

Waar koetjes loeien

En bloempjes bloeien.

Waar alles lijkt zoo helder en zoo frisch, 

Of heel de wereld pas gewasschen is.

 

En in den morgen, zonne-vroeg,

Schoot Jan zijn kleeren aan,

Al zei z'n Moeder: "tijd genoeg !"

"Nee", was 't, "ik móet er staan."

Daar ging het, met muziek er bij.

Den weg op naar 't station,

En Jantje in de lange rij,

Begon zoo hard'ie kon:

Het is de fijnste dag van 't heele jaar,

Naar buiten gaan we strakjes met elkaar.

De treinen tuffen,

De boten puffen.

Van ongeduld en willen maar vooruit.

En 't zenuwachtig fluitje gilt het uit.

 

En toen ie zag het wij-e strand,

De blonde duinenrij,

Net als een trouwe wacht voor 't land,

Zée aan de andre zij.

Toen klonk een liedje hem in 't oor

Van wind en zon en zee,

En Jantje zong uit volle borst,

Met wind en golven mee:

Het is de fijnste dag van 't heele jaar,

Hier buiten speelt een koeltje door je haar,

En lichtjes dansen

Met hele glansen

Op 't lustig deinend water van den plas.

Of heel de zee van vloeiend zilver is.

 

Daar stond gereed aan 't strand-hotel

Een tafel wel bereid,

Nu was het even: zee, vaarwel,

Kort na den middag-tijd.

Het pootjes-baaien en 't spel in 't zand

Bracht honger met zich mee,

Dus Jantje keek de tafel rond

En neuride tevreê:

Het is de fijnste dag van 't heele jaar,

Hier binnen staat een potje voor ons klaar,

Dat goed zal smaken;

We gaan 'm raken.

Die reuze bal gehakt is lang niet mis,

Het lijkt wel of ie vraagt: "zeg, hap ereis !"

 

En na een dag van spel en lach

Kwam Jantje, hoogst voldaan,

Des avonds om een uur of acht

In Amsterdan weer aan.

De kind'ren wuifden naar den wal

Met zakdoek en met pet

En toen klonk voor den laatsten keer,

Als einde van de pret:

Het was de fijnste dag van 't heele jaar,

En vroolijk gaan we strakjes uit elkaar,

Maar zou'n niet treuren,

Moest 't nòg gebeuren.

Helaas, dat fijne dagje is geweest !

Hoera voor het Vacantie Kinder........feest !

 

Terug naar overzicht

Het vacantie-kinderfeest

(tekst en muziek: J.Duin)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hoezee, de dag is aangebroken.

Reeds weken lang door ons verwacht !

Soms heb ik 's nachts geen oog geloken,

Als 'k aan dit feest maar dacht,

Als 'k aan dit feest maar dacht.

 

Refrein:

't Is feest,  ja 't is feest!

't Is feest,  ja 't is feest!

't Vacantie-kinderfeest !

't Is feest, 't Is feest !

't Vacantie-kinderfeest!

 

Vandaag geen taal, geen kaart, geen sommen.

Maar jool en spel naar hartelust.

Straks vlug het mulle duin beklommen,

In 't koele bos gerust !

In 't koele bos gerust !

 

Refrein

 

Hoezee, hoezee, we gaan naar buiten,

Naar duinen en strand, naar bos en hei !

'k Hoor spoor en boot van ver al fluiten,

Vooruit in bonte rij !

Vooruit in bonte rij !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Het vinkje

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

Ik heb een aardig vinkje,
't Zit buiten in een kooi,
Fluit allerhande deuntjes,
Oh jongens klinkt zo mooi.
Ik wou dat ik ook zo fluiten konm
Ik wed dat ik er best de kost mee won.

 

'k Zal op mijn vinkje passen,
Zo goed als ik maar kan;
Zijn bakje wil ik vullen,
Met zaad, daar houdt het van.
Met helder water vul ik 't glas,.
'k Wou, dat ik ook zo'n vinkje was.

 

Maar altijd zo gevangen,
Te zitten in een val,
'k Denk niet dat mij zo'n leven,
Heel goed bevallen zal.
Niets gaat er boven vrij en blij,
Dat zeg ik en daar blijf ik bij.

En daarom, aardig vinkje,
Gaat straks uw kooitje los;
Uw liedje klinkt toch mooier,
Daar ginder in het bos !
Kom in de winter maar eens weer,
Dan strooi ik kruimpjes voor u neer.

 

Terug naar overzicht

 

Het vogelnestje

Tussen het jonge groen verscholen
Bouwde een aardig vogelpaar,
Heel de dag maar werkend, zwoegend,
Een keurig nestje in elkaar.
Dat was werken, maar met lusten,
Dat was zwoegen, zonder rusten,
Maar zo kwam al vroeg in ’t jaar,
’n Keurig nestje in elkaar.

 

Eitjes klein met heldere kleuren,
Volgden dra en op ’t lest,
Toen de lieve mei in ’t land was,
Kwam er leven in ’t nest.
Nu was ’t werken, zwoegen zorgen,
’s Avonds laat, vroeg in de morgen,
Maar voor ’t levendig vogelpaar,
Scheen die arbeid niet te zwaar.

 

Doch een tweebeens rover maakte,
’t Vredig nest met jongen buit
En voor de arme vogelouders
Was nu het vrolijk leven uit.
Treurig zaten zij toen neder
En zij keken telkens weder,
Klagend over hun vogelkruis,
Naar hun leeg geplunderd huis

 

Terug naar overzicht

Het vrouwtje van Stavoren

(met dank aan Th. Mud voor de aanvulling)

Hoort vrienden, hoort een lied,
Dat duid'lijk zal verklaren,
Wat eenmaal is geschied,
Voor meer dan duizend jaren.
Toen 't oud en grijs Stavoren,
Nog bloeid' op Frieslands grond;
En van zijn macht deed horen,
De hele wereld rond.

Daar in die rijke stad,
Die jaarlijks duizend schepen
Belaân met 's werelds schat,
Haar haven in zag slepen.
Daar leefd' in roem en ere,
Een rijke weduwvrouw,
Wier voorbeeld ons zal leren,
Hoe hoogmoed komt in rouw.

"Geen ijzer, neen, maar goud",
Zo sprak zij, "sier' mijn woning".
En 't huis, voor haar gebouwd,
Scheen 't woonhuis van een koning.
't Was al wat d' ogen zagen,
Vol vorstelijke praal;
En  hoeft men meer te vragen ?
De stoep was van metaal.

De leuning was zeer schoon,
Uit louter goud gedreven;
De deurknop scheen een kroon,
Met paarlen als omgeven,
En brede zilv'ren platen,
Geklonken aan den grond,
Bedekten al de straten,
Zo ver haar woning stond.

Daar treedt een zeekapitein
Haar bij de haven tegen.
"Wat", sprak zij, "zal het zijn ?
Wat schoons hebt gij verkregen,
Wat heerlijks brengt gij mede
Uit overzees gebied?
Uw schip ligt op de rede,
Maar hoe, gij antwoordt niet !"

"'k Heb immers u gelast,
Het kostelijkst in te laden,
Wat rondom de Oostzee wast,
En 't oog hier kon verzaden.
Wie zich aan prijs moog' storen,
'k Vraag nimmer wat het geldt;
Hoe ? de Weduw van Stavoren,
Zij niet teleurgesteld."

"'k Bracht tarwe naar uw zin,
Als edelst' wat wij vonden;
Aan stuurboord kwam het in,
Zoveel wij laden konden."
"Hoe ?", gilt zij, dol van zinnen,
"Hoe, tarwe, lage guit !
Bracht gij ze aan stuurboord binnen,
Zo werp ze aan bakboord uit."

Helaas, het heerlijk graan,
Werd in den vloed geworpen.
Een grijsaard zag het aan,
Uit een der naaste dorpen,
"Beef", zei hij, "beef, o Vrouwe,
Misschien lijdt ge eens gebrek",
"Dat nooit dit stuk u rouwe."
"Zwijg", sprak zij, "grijze gek."

Zij lachte en greep een ring
En wierp met luid geschater,
Terwijl zij henen ging,
Hem weg in 't woelend water.
"Kijk", riep zij, "dwaze kerel,
Eer geeft de zee weerom
Deez' schone ring met paarlen,
Eer ik tot armoe kom."

Het duurde een dag of acht,
Toen werd op haar verlangen
Een grote vis gebracht,
Zo pas uit zee gevangen.
Maar sidd'rend zonk zij neder,
Want reeds bij de eerste snee;
Vond zij haar ring nu weder,
Geworpen in de zee.

Daar treedt een dienstknecht in:
"Uw schepen zijn verloren,
De zee zwolg alles in
God's wraak rust op Stavoren".
Een and're knecht stuift binnen
En biedt een brief haar aan:
"God !" gilt ze, dol van zinnen,
"Mijn glorie is vergaan".

Beroofd van goed en geld,
Veracht van wie haar kende;
Was ze, als 't geschiedboek meldt,
Ten prooi aan alle ellende.
Nog doet de nazaat horen,
Der hovaardij tot les;
Het Vrouwtje van Stavoren,
Stierf als een bed'lares.

Nog ziet men aan het strand,
Zo rijk in vroeger dagen;
De haven gans verzand,
Een zee van halmen dragen.
Maar ledig zijn die aren,
Geen korrel lacht u aan;
Als blijk, wat hier voor jaren,
God's almacht heeft gedaan.

Ja, hoogmoed wordt verneêrd,
Is wisse val beschoren.
Wij hebben 't hier geleerd,
Door 't Vrouwtje van Stavoren.
Wilt, vrienden, er aan denken,
Wat ook het lot u bied':
't Is God, die 't u wil schenken,
En hoogmoed past ons niet.

 

Zij ziet een schipper aan het strand

En vraagt met klagen en met zuchten:

"Och, neem mij mee naar een ander land";

"Kom" sprak hij "dwaze vrouw,

Uw last zal hier de bodem drukken,

Toon gij uw echt en waar berouw,

Mijn schip mocht eens verongelukken."

 

Terug naar overzicht

Het vuur

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hoog laait het vuur,
Hoog laait het vuur,
Hoog laait het vuu-uu-uu-uur,
Hoog laait het vuur.

 

Terug naar overzicht

Het weer is guur

(Anton L. de Rop/Bernard Zweers)

Het weer is guur, de winter nadert,

Het zonnetje gaat al vroeg ter rust;

Geen vogeltje heeft in zingen lust,

Want alle bomen zijn ontbladerd,

Want alle bomen zijn ontbladerd.

En 't Laatste bloemken in de hof

Verwelkte-en boog ter neer in 't stof.

 

Terug naar overzicht

Het weerhuisje

(met dank aan H.M. Vellekoop en Marianne Vos voor het sturen van de tekst)

Er hangt bij grootmoe in de gang

een leuk en aardig huisje

Een oude dame en een heer

bewonen saam dat kluisje

Een mooie wandelstok heeft hij,

een mooie paraplu draagt zij

 

Als 't regent is de juffrouw blij,

dan wandelt zij naar buiten

en ondertussen kijkt mijnheer

al door de vensterruiten

En als de lieve zon dan schijnt,

komt hij naar buiten en zij verdwijnt.

 

Versie 2
Mijn oma zong het zo:

 

Er hangt bij grootmoe in de gang

een klein maar snoep'rig huisje.

Een aardig heertje en zijn vrouw

bewonen saam dat huisje.

Een mooie wandelstok draagt hij

een mooie paraplu draagt zij.

 

Als 't regent is de juffrouw blij

dan wandelt zij een buitje.

En ondertussen kijkt meneer

door het kleine vensterruitje.

Maar als de lieve zon weer schijnt,

komt hij eruit en zij verdwijnt.

 

Soms staan ze samen aan de deur

die juffrouw en dat heertje.

En kijken met een blij gezicht

naar buiten naar het weertje.

Dan zegt zij hem wat zal het zijn?

Een regenbui of zonneschijn.

 

Terug naar overzicht

Het zigeunerleven

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Spannend is het zigeunerleven.

Varia.

Ja, wij zijn altijd zigeuners gebleven.

Varia.

Zwerven jullie met ons saam ?

Bedenk je dan een zigeunernaam ?

En kan je een echte zigeuner zijn,

Sluit je dan bij ons aan.

 

Terug naar overzicht

Het zonlicht tegemoet

(Y. de Man )

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Al huilen stormen nog zo fel,
Wij gaan vooruit en zingen.
Vooruit zo roept ons jeugdig bloed,
Vooruit met onversaagde moed,
Het zonlicht tegemoet,
Het zonlicht tegemoet !

 

Geen kracht, geen macht stuit onze gang,
Wij kennen grens noch palen.
De toekomst brengt geluk en vreugd,
De toekomst, makker, aan de jeugd,
En 't zonlicht tegemoet !
En 't zonlicht tegemoet !

 

Een nieuwe wereld dragen wij,
Op onze jonge schouders:
Het land van licht en zonneschijn,
Dit land, het zal het onze zijn,
Nu 't zonlicht tegemoet !
Nu 't zonlicht tegemoet !

 

Terug naar overzicht

Hier is onze fiere pinksterblom

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hier is onze fiere pinksterblom
En ik zou hem zo graag eens wezen,
Met zijn mooie kransen op het hoofd
En met zijn klinkende belle.
Recht is recht, krom is krom,
Gelief je ook wat te geven voor de fiere pinksterblom,
Want de fiere pinksterblom moet voort !

 

 

Boer, ik vraag je voor de laatste maal:
Heb je soms nog takkebossen ?
In het donker stoken wij ons vuur,
Dat fikt en vlamt en knettert.
Vuur en vlam, rook en smook,
Zeg, danst misschien jouw mooie Trieneke deze avond ook
Met de fiere pinksterblom in ’t rond?

 

Terug naar overzicht

Hoe heerlijke dreven van hei en van bos

Hoe heerlijke dreven van hei en van bos
Hoe lief'lijk van geuren, hoe zacht is uw mos
Te wandelen te stoeien in het frisse plantsoen
In schaduw der bossen, in het lieflijke groen
Hallo, hallo, hallo, hallo

Hallo, hallo, hallo, hallo

Hier wonen en leven, bij beuk en bij eik
Dat maakt ons gelukkig, gelukkig en rijk
Te wandelen te stoeien in het frisse plantsoen
In schaduw der bossen, in het lieflijken groen
Hallo, hallo, hallo, hallo

Hallo, hallo, hallo, hallo

Terug naar overzicht

Hoe zacht glijdt ons bootje

(W.H. de Groot Wz. / C.M. von Weber )

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hoe zacht glijdt ons bootje op 't spiegelend meer,
Hoe dansen de golfjes bij 't boord op en neer !
Het windje, zo dartel, het suist er zo blij;
Het noodt ons tot zingen, ja komt, zingen wij !

 

 

Bij windgesuis strelend als 't vogelenlied,
Zo drijven wij voorwaarts; 't zingt toe ons: "Geniet !"
Geen stormen, geen vlagen, geen dreigende zee,
Niets stoort onze vreugde, of spelt er ons wee.

 

 

Maar nimmer was vreugde bestendig van duur,
Reeds donkert des hemels rein glanzend azuur !
De wind gaart zijn krachten, wijl 't bruisende nat,
Aangroeiend tot baren, de zeilen bespat.

 

 

Gereefd nu de zeilen, de steven gewend !
Naar d'oever, daar wacht ons de gastvrije tent;
Daar rusten we veilig, hoe 't onweer ook woedt,
Daarheen nu gekeerd, en ter ruste gespoed !

 

Terug naar overzicht

Holrijé

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Als de hemel stralend blauw is,
En de wereld weer van jou is
Neem dan snel een kloek besluit,
Trek er ’s ochtends vroeg op uit,
Doe je zorgen in je rugzak voor ’n keer.
Als de zon je eeuwig trouw is,
En je boordje wat te nauw is,
Maak ’t dan los, ga naar ’t bos
En geniet eens van ’t mooie weer.

 

 

Holrijé we gaan naar buiten
En we zingen opgewekt een vrolijk lied.
Holrijé, de vogels fluiten,
Waar we nu precies naar toe gaan hindert niet.
De natuur is onze gastvrouw en we voelen ons er thuis:
Ook al loop je kilometers, ben je nog zo ver van huis
Holrijé, holrijo, we gaan naar buiten,
Wees verstandig, loop ’n eindje mee !

 

Terug naar overzicht

Honger

(Dr. J.P. Heije/Joh. J.H. Verhulst)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Honger is de beste saus !

Draven, slaven, zwoegen, zweeten

Geeft den rechten trek tot eten;

Wie gewerkt heeft flink en goed,

Smaken rauwe boonen zoet.

 

Honger is de beste saus !

Had je taarten en pasteien,

Had je 's werelds lekkernijen,

Och wat hielp het u, mijn schat !

Als ge toch geen honger had ?

 

Honger is de beste saus !

Loopt het somtijds op een schraaltje,

Denk wàt baat het beste maaltje

Aan een luien lekkerbek ...

Groote schotels, kleine trek !

 

Terug naar overzicht

Hoog op de gele wagen

(met dank aan Miny ten Hove voor de laatste twee coupletten)

Hoog op de gele wagen
Rijd ik langs berg en dal
Lustig de kleppers draven
Blij klinkt het hoorngeschal
Water en en wouden en weiden
Stromen zo krachtig en vrij
Ik kan van uw schoon haast niet scheiden
Maar 't gaat voorbij, voorbij
Ik kan van uw schoon haast niet scheiden
Maar 't gaat voorbij, voorbij

 

 

Bassen, violen en fluiten
Zingen door dorpen blond
Vrolijke frisse kornuiten
Springen om de linde in 't rond
Mee danst het blad in de winden
Zwierend en zwaaiend joechei
Hoe graag bleef ik daar bij de linde
Maar 't gaat voorbij, voorbij
Hoe graag bleef ik daar bij de linde
Maar 't gaat voorbij, voorbij

 

 

Postiljon in de taveerne,

Voedert de rossen in vlucht.

Lachende waard komt zich weren,

Reikt mij een glas in de lucht.

Blond kopje achter de rozen,

Schuift het gordijntje opzij.

Mijn hart zou zo graag daar verpozen,

Maar ‘t gaat voorbij , voorbij.

Mijn hart zou zo graag daar verpozen,

Maar ‘t gaat voorbij, voorbij.

 

 

Eens snelt voorbij mijn wagen,

Duistere schim leidt mijn reis.

Klinkende horens versagen,

Neven de zweep staat de zeis.

Vrienden van liefde en leven,

Vangt er mijn laatste groet.

Hoe graag was ik bij U gebleven,

Maar ‘t gaat voorbij, voorgoed.

Hoe graag was ik bij U gebleven,

Maar ‘t gaat voorbij, voorgoed.

 

 

Terug naar overzicht

Hoor de muzikanten

(Tekst en muziek: Gré van Leur/Herman Stenz/uitvoering: Ensemble Vrij en Blij)

(met dank aan mevr. Th. de Groot voor de tekst)

Hoor, de muzikanten spelen in de straat

Kijk hoe vlug ieder naar een raam toe gaat

Vrolijke gezichten plots, door wond're kracht

Wie zo-even zuchtte, heeft nu pret en lacht

 

Refrein:

Tsjieng-boem, tsjieng-boem, tsjieng-boem, tral-la-la-la

Muziek trekt allen aan, doet blij door 't leven gaan

Houdt 't hart jong en lustig, kwiek

Hoera! voor de muziek

 

Hoor, de muzikanten komen nu voorbij

Hier en daar een clubje, lachend wachten zij

Moeders met haar kleintjes, jongens op de fiets

Voor zo'n vrolijk wijsje geeft graag ieder iets

 

Refrein

 

Hoor, de muzikanten ver nu hier vandaan

Steeds hetzelfde wijsje, tot ze huis toe gaan

Zachtjes zingen allen 't deuntje dat verdween

Lichtjes in de ogen, gaan nu allen heen

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Hoort, zegt het voort (Padvindersmars)

(M. de Wijs-Mouton/Paul A. Rubens)

Hoort, zegt het voort

Dat nu jong Nederland

Niet meer teert op de kracht

Van een roemrijk geslacht

Maar aan 't werk gaat met eigen hand

Werk maakt ons sterk

Helpt ons in 't leven voort

Wij rusten niet uit

Want wij willen vooruit

Daar de toekomst aan ons behoort

 

Refrein:

Naar de duinen, naar de bossen

't Volle leven tegemoet

Want de frisse zin

Brengt de buitenlucht er in

En een waakzaam oor

Houdt ons op het rechte spoor

Hij, die eens de vlag wil hijsen

Op het werk van onze tijd

Houde vol zijn keus

Blijve trouw aan onze leus:

"Wij zijn bereid"

 

Nogmaals het refrein

 

Terug naar overzicht

Houw en trouw

(Dr. J.P. Heije/Richard Hol)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een man ... een Man, een woord ... een Woord !

O fiksche leus van vroeger dagen:

Nog klopt het hart met sneller slagen.

Wanneer mijn oor u klinken hoort:

Een man ... een Man, een woord ... een Woord !

 

Dat was een zegel zonder breuk !

Een handschrift, nooit nog valsch bevonden,

Een vaste borgtocht, nooit geschonden.

Een perkament in goeden reuk,

Dat nooit een barst had of een kreuk !

 

In Oost en West, in Zuid en Noord,

Werd Holland om die leus geprezen ...

Och 'k bid je, laat het nog zoo wezen:

't Zij steeds, als men van Neêrland hoort:

Een man ... een Man, een woord ... een Woord !

 

Terug naar overzicht

Hup mien mooder

(Spaanse wals)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Hup, mien mooder kan voetballen

Hup, mien mooder kan zwem'n

Dree maal zwemt ze de Deenkel in 't roond,

De vearde kear zit ze met 'n boek op de groond.

Hup, mien mooder kan voetballen

Hup mien mooder kan zwem'n

Ze slut met de armen en benen een kear

En hup, doar geet mooder wear

 

Mien mooder zee ikke ik word toch zoa dikke

de klearen dee  spant mie um't lief

Ik wil  noe es vlot doon, ik goa es an sport doon

Ik bin toch zoa akelig stief

Zee koch zich nen voetbal en 't geet oarig good al

Ze schöpt 'm precies in 't net

En ok in ' water doar slöt ze gin flater

Want mooder dee drif op ear vet

 

Refrein

 

Spreenk ze van het hekke bie oons in de bekke

Dan koomp er kompleet watersnood

De stroaten loopt onder dat is ok gen wonder

Want mooder dee is ok zoa groot

De buren de moppert moar mooder dee dobbert

Zee trek zich doar niks van an

Ze slut met de benen en is wear verdwenen

Wie snapt toch mer nig hoe ze ’t kan.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Huppelt en springt

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Huppelt en springt,

Zolang gij nog kind'ren zijt.

Geniet het leven in deze tijd.

De lam'ren in het groene veld,

Die zijn ook wel op pret gesteld.

Zij springen hier en springen daar

En dar'tlen met elkaar.

Huppelt en springt,

Zolang gij nog kind' ren zijt.

Geniet het leven in dezen tijd.

 

Terug naar overzicht