Een
jong heertje ging uit jagen op een mooie dag
En schoot op ieder ding dat hij van ver maar zag
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei
Ons
jong heertje schoot op alles wat hij tegenkwam
Maar gene konijn bleef dood
't Liep alles heen en blij
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei
Toen
het al avond werd en hij nog lege weitas had
Daar kwam opeens een hert hem strijklings langs zijn pad
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei
't
Jong heertje schoot poef paf
En schoot hij 't hertbeest overhoop
Ach nee, 't kwam op hem af en hij ging op de loop
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei
Het
hert waar hij op schoot was maar een kloeke Drentse Ram
Die met een forse stoot hem op de horens nam
Ei, ei, ei, ei, hoe prettig is zo'n jagerij
Al op die Drentse hei, al op die Drentse hei
Een
scheepje in de haven landt
Hojo, hojo, hojo, hojo
Gevuld met specerijen
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
En menig flinke, jonge kwant
Met buidels vol tot aan den rand
En harten vol verblijen
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
Een beetje pret na leed en last
Hojo, hojo, hojo, hojo
Wie zou het u misgunnen
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
Maar niet de zeilen volgebrast
Toe leg een reefje waar het past
Het zou eens stormen kunnen,
Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo, hojo
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Jong en blij, gaan we frank en vrij
Er vandaag weer eens fijn vandoor
Zonder lied echter gaat 't niet
Zing dus allemaal mee in koor
Waar we gaan, gaat ons lied met ons mee
Hoor maar, het klinkt over land, over zee
Wij zingen vrolijk en luid, want dat mag
Op zo'n stralende, zonnige dag
En al ras loopt elk in de pas
Op de maat van een flinke mars
En geniet van vergeet-me-niet
Dotter, plomp, lis, langs sloot en plas
Putter, tjiftjaf en wielewaal
Braamsluiper, boomkruiper, nachtegaal
samen met hen zingen wij met een lach
Wat een heerlijke stralende dag
Bij het meer vlijt de stoet zich neer
"Gouden zonne" nog zacht in 't oor
Zonverbrand bij de picknickmand
Met een glimlach van oor tot oor
Pa stookt een kampvuur en ma maakt de soep
Smeert stapels brood voor de hong'rige troep
Kauwend, genietend denkt iedereen: Ach
't Is een heerlijke zonnige dag
Als we straks op de thuisreis zijn
Kijkt de maan ons verwonderd aan
Nooit zag zij toch zo’n vrolijke troep
Nog zo monter naar huis toe gaan
Zij staat paf, want wist niet, dat het kon
Maar in ons hart, kijk, daar schijnt de zon
Wij roepen dankbaar met vrolijke lach
Hè, wat was dat een heerlijke dag !
Er
schommelt een wiegje in 't bloeiende hout
Een wiegje met bloemengordijntjes
Dat hebben twee vogeltjes samen gebouwd
En zie eens hoe keurig en fijntjes
Als het windeke speelt, de loverkes streelt
Dan schommelt het tedere wiegelijn mee
Als scheepje op deinende zee
In 't schommelend wiegje is wonder geschied
Uit de eitjes zijn jonge geboren
Nu zingt in verrukking het Gaaike zijn lied
Een liedeken zoet om te horen
Hoe 't jubelt door 't hout
Hoe 't schatert door 't woud
En 't moederke dekt ze, van 't luisteren niet moe
Met koesterende vleugeltjes toe
Zingend trekken
wij nu naar buiten, faria
Wie niet zingen wil moet maar fluiten, faria
Want zolang je maar vrolijk bent
Ben je rijk ook al heb je geen cent
Faria, faria, faria, faria, faria - ho
Heerlijk is het trekkersleven, faria
Waar wij lopen is ons om 't even, faria
Als de dageraad nauw'lijks gloort
Staan we op en de reis gaat voort
Faria, faria, faria, faria, faria - ho
Nimmer worden we moe te dwalen, faria
Over bergen en door de dalen, faria
Langs de velden en door de wei
Door de bossen en op de hei
Faria, faria, faria, faria, faria - ho
Maar we willen het heus wel weten, faria
Nooit ontbreekt ons de lust tot eten, faria
Als de pot op het kampvuur staat
Vallen we letterlijk van de graat
Faria, faria, faria, faria, faria - ho
Na het eten wat musiceren, faria
En we zingen dan heel wat keren, faria
Samen een vrolijk trekkerslied
Boze mensen die zingen niet
Faria, faria, faria, faria, faria - ho
Ferme jongens,
stoere knapen
Foei! hoe suffend staat gij daar
Zijt ge dan niet wel geschapen
Zijt ge niet van zessen klaar
Schaamt je, jongens, en gaat mee
Naar de zee, naar de zee
Dat 's een leven van plezieren
Dat 's een leven van stavast
Zo de wereld rond te zwieren
In het topje van de mast
Thuis te zijn op ied're ree
Komt ga mee naar de zee
Laat ze pruilen, laat ze druilen
Laat ze schuilen aan het strand
Loopt Jan Salie op zijn muilen
Jan Courage kiest het want
Hola, Bootsman! alles ree
Wij gaan mee naar de zee
Groen is gras,
groen is gras
Onder mijne voeten
'k Heb verloren m'n beste vriend
'k Zal hem zoeken moeten
Hé daar plaatsgemaakt voor de jongedame
En de koekoek op het dak
Zingt z'n lied op zijn gemak
O mijn lieve Augustijn
Deze dame zal het zijn
(tekst: Johan uit den Boogaard/muziek:
Harry de Groot/uitvoering: Max van Praag)
Mijn
Grootvader's klok was een deftige klok
Met haar uurwerk zo goed en secuur
En zij liep zo geregeld, want al negentig jaar
Verkonde haar stem reeds het uur
En op Grootvader's dag, toen zij 't levenslicht zag
Kwam de klok ook het huis in meteen
Maar opeens bleef hij staan, om nooit meer te gaan
Toen 't doodsuur van 'd ouwe verscheen
Refrein:
Sinds negentig jaar ongestoord tik tak
Zijn levenstijd tellend steeds voort tik tak
Maar opeens bleef hij staan, om nooit meer te gaan
Toen 't doodsuur van d'ouwe verscheen
Als knaap reeds had grootvader menige keer
Aan de klok zijn geheimen verteld
En haar slinger steeds volgend, al heen en al weer
Werd 't lief en leed hem verteld
En met vrolijke slag, riep de klok hem "goên-dag "
Toen als man, met zijn bruid, hij verscheen
Maar opeens bleef hij staan, om nooit meer te gaan
Toen d'ouwe van d' aarde verdween
(met dank aan Alida van der Spuij voor het
sturen van de tekst)
'k Heb een mooie rit gemaakt
Door de ganse stad
Wel een goeie drie kwartier
Jongens wat een pret was dat
Met een elektrische tram
Voor een duppie maar!
Of het fijn was ? Nou, en of !
Jongens, reken maar !
Refrein:
Tingelingeling,tingelingeling
tingelingelingeling
tingelingeling, tingelingeling,
tingelingelingelingeling
Was de kleur van 't lichtje groen
Ging de tram vooruit
Brandde 't licht met rode kleur
Moest er iemand uit
Ging de bel van ting, ting, ting,
Mensen van de lijn
Voor de electrische tram
Moet er ruimte zijn !
Refrein
In de tram zat ook een juf
Van het platte land
Op haar schoot een eiermand
Vol, tot aan de rand
Plots gleed bij een scherpe bocht
Wat een ongeluk!
Juf met mand zo van de bank
Al de eiers stuk
Refrein
'k Heb een mooie rit gemaakt
Door de ganse stad
Wel een goede drie kwartier
Wat een eind was dat
Met een elektrische tram
Voor een duppie maar!
Of het fijn was? Nou, en of!
Jongens, reken maar!
(Met dank aan Jeanne Albers voor het
sturen van de tekst)
Heer Jezus heeft een hofken waar schoon
bloemen staan
Daarin zoo wil ik plukken gaan, 't is wel gedaan
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
De lelikens die ik daar zag zijn
zuiverheid
De zoete violetten zijn ootmoedigheid
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
De schoone purper roze was de
lijdzaamheid
De schoon vergulde goudebloem, gehoorzaamheid
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Nog was er een die boven allen spand'de
kroon
Coron'imperiale, 't was die liefde schoon
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Maar d'allerschoonste, beste bloem al in
dat hof
Dat was de Heere Jezus zoet, dus zij hem lof
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Och Jezus, al mijn goed en al mijn
zaligheid
Maakt van mijn hert uw hoveken, het is bereid
Men hoort er niet dan engelenzang en harpgespel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Trompetten en klaretten en die veêlkens al zoo wel
Hei
molentje, molentje hoog in de wind
Wat sta je weer dapper te draaien
Je doet of je 't eindloos noodzakelijk vindt
Het licht van de zomer te draaien
Je kijkt naar de zon en je denkt : wat een schat
Wat een schat laat ik daad'lijk beginnen
De zon is van goud en het licht is een pracht
Ja, laat ik maar vlug gaan beginnen
Je wieken bewegen en vliegen en vegen
Hun schaduwen over de grond
De stenen die dreunen en draaien en steunen
En komen al komen al kreunende rond
Maal verder, maal verder, maal stevig en straf
Je werken blijft toch onbegonnen
Het licht van de zomer, dat maai je niet af
Het licht van de zomerse zonne
Hela,
gij bloempjes! slaapt gij nu nog
Springt uit uw knoppen, haast u dan toch
't Zonnetje kijkt u al vlak in 't gezicht
Bloempjes, ontwaakt toch! het is al zo licht
Bloempjes, ontwaakt toch! het is al zo licht
Hela, gij vogels, droomt niet te lang
Hoog van de takken klinkt uw gezang
Mei is gekomen en heeft op het veld
Duizenden bloemen tentoongesteld
Duizenden bloemen tentoongesteld
Hela, gij kindje! vlug op de been
't Zonnetje schijnt al door 't vensterken heen
Vogels en bloemen, het wachten haast moe
Roepen het vrolijk goêmorgen u toe
Roepen het vrolijk goêmorgen u toe
Daar
loopt door 't gehucht een wonder gerucht
Het is van een jonge boerinne
Ze dorste haar graan, liet het spinnewiel gaan
En reed zij op Grauw d' ezelinne
Dan lachten de tortels haar na: ha ha ha ha ha !
Dan
lachten de tortels haar na: ha ha ha ha ha !
Dan lachten de tortels haar na: ha ha ha ha; ha ha, ha ha !
Eens wordt er verteld, eens was zij in 't veld
Een koets houdt er stil in de weide
Twee mannen in 't goud, heffen eensklaps haar stout
De koets in, hoe hard zij ook schreide
Nu schreide de tortel haar na: ha ha ha ha ha !
Nu
schreide de tortel haar na: ha ha ha ha ha !
Nu schreide de tortel haar na: ha ha ha ha; ha ha, ha ha !
Zij was geen boerin, maar wel een vorstin
Het staat in een boekje geschreven
Als kind eens verdwaald, werd ze huiswaarts gehaald
Toen d' afkomst heel klaar was bewezen
Wat miste de tortel haar dra: ha ha ha ha ha !
Wat
miste de tortel haar dra: ha ha ha ha ha !
Wat miste de tortel haar dra: ha ha ha ha; ha ha, ha ha !
Nu heeft z' een kasteel en schatten zoveel
Maar z' is nog 't gehucht niet vergeten
En als zij er komt en de klaagtoon verstomt
't Is nog of de tortels het weten:
Ze kirren en lachen haar na: ha ha ha ha ha !
Ze
kirren en lachen haar na: ha ha ha ha ha !
Ze kirren en lachen haar na: ha ha ha ha; ha ha, ha ha !
Het
mezennestje is uitgebroken
Dat in de wilgentronk gedoken
Met vijftien eikens blonk
Ze zitten in de boom te spelen
Tak op, tak af, tak uit, tak in, tak om met velen
En 'k lach mij, 'k lach mij, 'k lach mij bijkans krom
Het mezenmoertje komt getrouwig
Komt op de lauwen noen al blauwig
En geluwachtig groen
Het brengt hun dit en dat om te azen
Tak om, tak op, tak af, tak uit, tak in ze razen
Ze razen en kruipen, kruipen vlug het mezennestje in
Het mezenvaartje zit
De loov'ren verduikent voor 't gestraal
Te toov'ren al in de mezentaal
Daar vliegen ze al met een te zamen
Het mezennestje is weer om eyle en uit
(met
dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)
Ik
heb een aardig vinkje,
't Zit buiten in een kooi,
Fluit allerhande deuntjes,
Oh jongens klinkt zo mooi.
Ik wou dat ik ook zo fluiten konm
Ik wed dat ik er best de kost mee won.
'k
Zal op mijn vinkje passen,
Zo goed als ik maar kan;
Zijn bakje wil ik vullen,
Met zaad, daar houdt het van.
Met helder water vul ik 't glas,.
'k Wou, dat ik ook zo'n vinkje was.
Maar
altijd zo gevangen,
Te zitten in een val,
'k Denk niet dat mij zo'n leven,
Heel goed bevallen zal.
Niets gaat er boven vrij en blij,
Dat zeg ik en daar blijf ik bij.
En
daarom, aardig vinkje,
Gaat straks uw kooitje los;
Uw liedje klinkt toch mooier,
Daar ginder in het bos !
Kom in de winter maar eens weer,
Dan strooi ik kruimpjes voor u neer.
Tussen het jonge groen verscholen
Bouwde een aardig vogelpaar,
Heel de dag maar werkend, zwoegend,
Een keurig nestje in elkaar.
Dat was werken, maar met lusten,
Dat was zwoegen, zonder rusten,
Maar zo kwam al vroeg in ’t jaar,
’n Keurig nestje in elkaar.
Eitjes klein met heldere kleuren,
Volgden dra en op ’t lest,
Toen de lieve mei in ’t land was,
Kwam er leven in ’t nest.
Nu was ’t werken, zwoegen zorgen,
’s Avonds laat, vroeg in de morgen,
Maar voor ’t levendig vogelpaar,
Scheen die arbeid niet te zwaar.
Doch een tweebeens rover maakte,
’t Vredig nest met jongen buit
En voor de arme vogelouders
Was nu het vrolijk leven uit.
Treurig zaten zij toen neder
En zij keken telkens weder,
Klagend over hun vogelkruis,
Naar hun leeg geplunderd huis
Hoort
vrienden, hoort een lied,
Dat duid'lijk zal verklaren,
Wat eenmaal is geschied,
Voor meer dan duizend jaren.
Toen 't oud en grijs Stavoren,
Nog bloeid' op Frieslands grond;
En van zijn macht deed horen,
De hele wereld rond.
Daar in die rijke stad,
Die jaarlijks duizend schepen
Belaân met 's werelds schat,
Haar haven in zag slepen.
Daar leefd' in roem en ere,
Een rijke weduwvrouw,
Wier voorbeeld ons zal leren,
Hoe hoogmoed komt in rouw.
"Geen ijzer, neen, maar goud",
Zo sprak zij, "sier' mijn woning".
En 't huis, voor haar gebouwd,
Scheen 't woonhuis van een koning.
't Was al wat d' ogen zagen,
Vol vorstelijke praal;
En hoeft men meer te vragen ?
De stoep was van metaal.
De leuning was zeer schoon,
Uit louter goud gedreven;
De deurknop scheen een kroon,
Met paarlen als omgeven,
En brede zilv'ren platen,
Geklonken aan den grond,
Bedekten al de straten,
Zo ver haar woning stond.
Daar treedt een zeekapitein
Haar bij de haven tegen.
"Wat", sprak zij, "zal het zijn ?
Wat schoons hebt gij verkregen,
Wat heerlijks brengt gij mede
Uit overzees gebied?
Uw schip ligt op de rede,
Maar hoe, gij antwoordt niet !"
"'k Heb immers u gelast,
Het kostelijkst in te laden,
Wat rondom de Oostzee wast,
En 't oog hier kon verzaden.
Wie zich aan prijs moog' storen,
'k Vraag nimmer wat het geldt;
Hoe ?
de Weduw van Stavoren,
Zij niet teleurgesteld."
"'k Bracht tarwe naar uw zin,
Als edelst' wat wij vonden;
Aan stuurboord kwam het in,
Zoveel wij laden konden."
"Hoe ?", gilt zij, dol van zinnen,
"Hoe, tarwe, lage guit !
Bracht gij ze aan stuurboord binnen,
Zo werp ze aan bakboord uit."
Helaas, het heerlijk graan,
Werd in den vloed geworpen.
Een grijsaard zag het aan,
Uit een der naaste dorpen,
"Beef", zei hij, "beef, o Vrouwe,
Misschien lijdt ge eens gebrek",
"Dat nooit dit stuk u rouwe."
"Zwijg", sprak zij, "grijze gek."
Zij lachte en greep een ring
En wierp met luid geschater,
Terwijl zij henen ging,
Hem weg in 't woelend water.
"Kijk", riep zij, "dwaze kerel,
Eer geeft de zee weerom
Deez' schone ring met paarlen,
Eer ik tot armoe kom."
Het duurde een dag of acht,
Toen werd op haar verlangen
Een grote vis gebracht,
Zo pas uit zee gevangen.
Maar sidd'rend zonk zij neder,
Want reeds bij de eerste snee;
Vond zij haar ring nu weder,
Geworpen in de zee.
Daar treedt een dienstknecht in:
"Uw schepen zijn verloren,
De zee zwolg alles in
God's wraak rust op Stavoren".
Een and're knecht stuift binnen
En biedt een brief haar aan:
"God !" gilt ze, dol van zinnen,
"Mijn glorie is vergaan".
Beroofd van goed en geld,
Veracht van wie haar kende;
Was ze, als 't geschiedboek meldt,
Ten prooi aan alle ellende.
Nog doet de nazaat horen,
Der hovaardij tot les;
Het Vrouwtje van Stavoren,
Stierf als een bed'lares.
Nog ziet men aan het strand,
Zo rijk in vroeger dagen;
De haven gans verzand,
Een zee van halmen dragen.
Maar ledig zijn die aren,
Geen korrel lacht u aan;
Als blijk, wat hier voor jaren,
God's almacht heeft gedaan.
Ja, hoogmoed wordt verneêrd,
Is wisse val beschoren.
Wij hebben 't hier geleerd,
Door 't Vrouwtje van Stavoren.
Wilt, vrienden, er aan denken,
Wat ook het lot u bied':
't Is God, die 't u wil schenken,
En hoogmoed past ons niet.
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Al huilen stormen nog zo fel,
Wij gaan vooruit en zingen.
Vooruit zo roept ons jeugdig bloed,
Vooruit met onversaagde moed,
Het zonlicht tegemoet,
Het zonlicht tegemoet !
Geen kracht, geen macht stuit onze gang,
Wij kennen grens noch palen.
De toekomst brengt geluk en vreugd,
De toekomst, makker, aan de jeugd,
En 't zonlicht tegemoet !
En 't zonlicht tegemoet !
Een nieuwe wereld dragen wij,
Op onze jonge schouders:
Het land van licht en zonneschijn,
Dit land, het zal het onze zijn,
Nu 't zonlicht tegemoet !
Nu 't zonlicht tegemoet !
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Hier is onze fiere pinksterblom
En ik zou hem zo graag eens wezen,
Met zijn mooie kransen op het hoofd
En met zijn klinkende belle.
Recht is recht, krom is krom,
Gelief je ook wat te geven voor de fiere pinksterblom,
Want de fiere pinksterblom moet voort !
Boer, ik vraag je voor de laatste maal:
Heb je soms nog takkebossen ?
In het donker stoken wij ons vuur,
Dat fikt en vlamt en knettert.
Vuur en vlam, rook en smook,
Zeg, danst misschien jouw mooie Trieneke deze avond ook
Met de fiere pinksterblom in ’t rond?
Hoe
heerlijke dreven van hei en van bos
Hoe lief'lijk van geuren, hoe zacht is uw mos
Te wandelen te stoeien in het frisse plantsoen
In schaduw der bossen, in het lieflijke groen
Hallo, hallo, hallo, hallo
Hallo,
hallo, hallo, hallo
Hier wonen en leven, bij beuk en bij eik
Dat maakt ons gelukkig, gelukkig en rijk
Te wandelen te stoeien in het frisse plantsoen
In schaduw der bossen, in het lieflijken groen
Hallo, hallo, hallo, hallo
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Hoe zacht glijdt ons bootje op 't
spiegelend meer,
Hoe dansen de golfjes bij 't boord op en neer !
Het windje, zo dartel, het suist er zo blij;
Het noodt ons tot zingen, ja komt, zingen wij !
Bij windgesuis strelend als 't
vogelenlied,
Zo drijven wij voorwaarts; 't zingt toe ons: "Geniet !"
Geen stormen, geen vlagen, geen dreigende zee,
Niets stoort onze vreugde, of spelt er ons wee.
Maar nimmer was vreugde bestendig van
duur,
Reeds donkert des hemels rein glanzend azuur !
De wind gaart zijn krachten, wijl 't bruisende nat,
Aangroeiend tot baren, de zeilen bespat.
Gereefd nu de zeilen, de steven gewend !
Naar d'oever, daar wacht ons de gastvrije tent;
Daar rusten we veilig, hoe 't onweer ook woedt,
Daarheen nu gekeerd, en ter ruste gespoed !
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Als de hemel stralend blauw is,
En de wereld weer van jou is
Neem dan snel een kloek besluit,
Trek er ’s ochtends vroeg op uit,
Doe je zorgen in je rugzak voor ’n keer.
Als de zon je eeuwig trouw is,
En je boordje wat te nauw is,
Maak ’t dan los, ga naar ’t bos
En geniet eens van ’t mooie weer.
Holrijé we gaan naar buiten
En we zingen opgewekt een vrolijk lied.
Holrijé, de vogels fluiten,
Waar we nu precies naar toe gaan hindert niet.
De natuur is onze gastvrouw en we voelen ons er thuis:
Ook al loop je kilometers, ben je nog zo ver van huis
Holrijé, holrijo, we gaan naar buiten,
Wees verstandig, loop ’n eindje mee !
(met dank aan Miny ten Hove voor de
laatste twee coupletten)
Hoog
op de gele wagen
Rijd ik langs berg en dal
Lustig de kleppers draven
Blij klinkt het hoorngeschal
Water en en wouden en weiden
Stromen zo krachtig en vrij
Ik kan van uw schoon haast niet scheiden
Maar 't gaat voorbij, voorbij
Ik kan van uw schoon haast niet scheiden
Maar 't gaat voorbij, voorbij
Bassen,
violen en fluiten
Zingen door dorpen blond
Vrolijke frisse kornuiten
Springen om de linde in 't rond
Mee danst het blad in de winden
Zwierend en zwaaiend joechei
Hoe graag bleef ik daar bij de linde
Maar 't gaat voorbij, voorbij
Hoe graag bleef ik daar bij de linde
Maar 't gaat voorbij, voorbij