Jeugdliedjes van toen
Daar
klingelt een klokje (Avondliedje)
(G.W. Lovendaal/Hendrik
C. van Oort)
Daar
klingelt een klokje met zilveren klank
Het
nodigt zo vriend'lijk tot rust en tot dank
En
roept tot ons allen: De taak is volbracht
Goede
nacht, goede nacht
De
zonne ging onder, verbleekt is heur glans
De
maan leidt de reien der sterren ten dans
En
dart'lend belonken ze-in 't water hun pracht
Goede
nacht, goede nacht
een
zuchtje suist fluist'rend in 't ruisende riet
De
kever zoemt gonzend om 't bloembed een lied
De
nachtegaal slaakt aan de woudzoom zijn klacht
Goede
nacht, goede nacht
Schijnt
vriend'lijke sterren en tintelt naar lust
Slaapt
vogels en bloemen, ook wij gaan ter rust
Nacht
armen en droeven en kranken, rust zacht
Goede
nacht, goede nacht
Terug
naar overzicht
Daar kwam
ene boer van Zwitserland
Daar kwam ene
boer van Zwitserland
Kadee, kadulleke kada
En die had een ezel aan zijn hand
Laberdi, laberda, laberdonia
En die had een ezel aan zijn hand
Cecilia
Waarop dat lei
een witte doek
Kadee, kadulleke kada
Hij sprak: wat zal ik daarmee doen
Laberdi, laberda, laberdonia
Hij sprak: wat zal ik daarmee doen
Cecilia
Snijderke, sprak
hij, snijderke fijn
Kadee, kadulleke kada
Wilt gij mij maken een kedelijn
Laberdi, laberda, laberdonia
Wilt gij mij maken een kedelijn
Cecilia
En toen die
kedelijn was gedaan
Kadee, kadulleke kada
Toen ging hij voor zijn vrouwke staan
Laberdi, laberda, laberdonia
Toen ging hij voor zijn vrouwke staan
Cecilia
Vrouwke, sprak
hij, vrouwke fijn
Kadee, kadulleke kada
Zeg mij hoe staat die kedelijn
Laberdi, laberda, laberdonia
Zeg mij hoe staat die kedelijn
Cecilia
Die kedelijn die
staat jou niks goê
Kadee, kadulleke kada
Ge hebt een lijf gelijk een koe
Laberdi, laberda, laberdonia
Ge hebt een lijf gelijk een koe
Cecilia
Heb ik een lijf
gelijk een koe
Kadee, kadulleke kada
Dan ga 'k weer naar die snijder toe
Laberdi, laberda, laberdonia
Dan ga 'k weer naar die snijder toe
Cecilia
Snijderke, sprak
hij, snijderke fijn
Kadee, kadulleke kada
Gij hebt er bedorven mijn kedelijn
Laberdi, laberda, laberdonia
Gij hebt er bedorven mijn kedelijn
Cecilia
Heb ik er
bedorven uw kedelijn
Kadee, kadulleke kada
Ik heb het gesneden in de maneschijn
Laberdi, laberda, laberdonia
Ik heb het gesneden in de maneschijn
Cecilia
Hebt gij het
gesneden in de maneschijn
Kadee, kadulleke kada
Ik zal het betalen in de zonneschijn
Laberdi, laberda, laberdonia
Ik zal het betalen in de zonneschijn
Cecilia
De boer die pakt
zijn stok al gauw
Kadee, kadulleke kada
En waar hij sloeg kwam niet zo nauw
Laberdi, laberda, laberdonia
En waar hij sloeg kwam niet zo nauw
Cecilia
Maar ook die
snijder die hield zich kloek
Kadee, kadulleke kada
Hij stak de boer met zijn naald in de broek
Laberdi, laberda, laberdonia
Hij stak de boer met zijn naald in de broek
Cecilia
Ze zetten de
snijder op een witte geit
Kadee, kadulleke kada
En reden ermee naar de eeuwigheid
Laberdi, laberda, laberdonia
En reden ermee naar de eeuwigheid
Cecilia
Terug
naar overzicht
Daar liep een aardig meisje
(met dank aan Antoinette Schraven -
de Laat voor
het sturen van de tekst)
Daar liep een aardig meisje langs de
waterkant !
Schoentjes aan haar voeten, roosjes in
haar hand.
Sirosa, violette, violette,violette,
Sirosa, violette, haar eerste cadeau.
'k Heb scharen te slijpen, dat kun je
begrijpen.
En hard dat ik liep !
Een, twee, drie, scharensliep
Terug
naar overzicht
Daar liep een oude vrouw op
straat
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Daar liep een oude vrouw op straat,
Judikei, judikei, judikei, sa, sa.
En waar die vrouw ook henen liep,
Ze vergat haar rode mutsje niet,
Judikei, judikei, judikei, sa, sa.
Judikei, sa, sa.
Terug
naar overzicht
Daar
was een wuf die spon
Daar
was een wuf die spon, daar was een wuf die spon
Al op een houten spinnewiel, daar was geen toorteltje aan
Vive la peperbusse, viva la spa
Tralalala gieze gaze goeze romflomfloeze tradradra
Haar mutse stoeg verdraaid, haar mutse stoeg verdraaid
Gelijk een Hollands moleken, die met alle windekens waait
Vive la peperbusse, vive la spa, tra la la la
Gieze gaze goeze romflomfloeze traderadera
Dat
wuf had enen zin, dat wuf had enen zin
Als zij 's morgens buiten kroop,
's Avonds kroop zij erin
Vive la peperbusse, vive la spa, tra la la la
Gieze gaze goeze romflomfloeze traderadera
Dat
wuuf had enen man, dat wuuf had enen man
's zondags heet hij Pieter,
's maandags heet hij Jan
Vive la peperbusse, vive la spa, tra la la la
Gieze gaze goeze romflomfloeze traderadera
Terug
naar overzicht
Daar was eens 'n kind
(Uit: "Geniet van t lied" - R.K.
Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)
(met dank aan Wilma van de laak
voor het sturen van de tekst)
Daar was eens 'n kind en 'n heel klein
kind;
en 'n kindje van jonge jaren,
'n kindje dat door die warandekes
liep,
om wat wild te gaan vergaren.
Het had er een boogske al in z'n hand
en een pijltje om mee te schieten.
Het schoot er de schoonste konijntje
mee dood,
die in deez' warandekes liepen.
En menheer en mevrouw van het bruine
kasteel,
die lieten het kindje vangen;
ze zetten het op ene toren zo hoog
en die zat er vol adders en slangen.
"Och menheer en mevrouw van het bruine
kasteel,
wil m'n zoontje toch laten leven.
Het heeft er nog zeven gebroeders jonk
en teer,
wilde ze hebben, ik zal ze-u geven."
"Zeven gebroeders jonk en teer, needie
willen we niet;
want vier daarvan zijn slaper."
"De andere zijn er de schoonste van 't
land,
want ze dragen koningswapen."
"Och menheer en mevrouw van het bruine
kasteel,
wil m'n zoontje toch laten leven.
Het heeft er nog zeven gezusters jonk
en teer,
wilde ze hebben, ik zal ze-u geven."
"Zeven gezusters jonk en teer, needie
willen we niet;
want vier daarvan zijn nonnen."
"De andere zijn er de schoonste van 't
land
en zijn nog blanker dan de zonne."
"Och menheer en mevrouw van het bruine
kasteel,
wil m'n zoontje toch laten leven.
Ik heb er nog zeven tonnekes met goud,
wilde ze hebben, ik zal ze-u geven."
"Zeven tonnekes met goud, needie
willen we niet;
laat andren die maar erven.
Uw zoontje heeft er de dood verdiend
en het zal er moeten sterven."
Toen het kindje al aan de galleg hing,
vroeg het smekend om wat drinken;
zo menig druppelkes dat het dronk,
zoveel traantje liet het zinken.
Er vlogen drie duifkes al over z'n
hoofd
en het leek of het engeltjes waren;
het waren drie engeltjes uit 's-hemels
woon,
die het kindje z'n zieltje kwamen
halen.
Terug
naar overzicht
Daar was
laatst een meisje loos
(Florimond van Duyse 1903)
Daar was laatst
een meisje loos
Die wou gaan varen, die wou gaan varen
Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen als lichtmatroos
Zij moest
klimmen in de mast
Maken de zeilen, maken de zeilen
Zij moest klimmen in de mast
Maken de zeilen met touwtjes vast
Maar door storm
en tegenweer
Sloegen de zeilen, sloegen de zeilen
Maar door storm en tegenweer
Sloegen de zeilen van boven neer
Och
kap'teintje,
sla me niet
Ik ben uw liefje, ik ben uw liefje
Och kap'teintje, sla me niet
Ik ben uw liefje zoals gij ziet
Zij moest komen
in de kajuit
Kreeg een pak ransel, kreeg een pak ransel
Zij moest komen in de kajuit
Kreeg een pak ransel
En toen was het uit
Terug
naar overzicht
Daar
woonde in een heel ver land (Columbus)
Daar
woonde in een heel ver land
Wiede wiede wiet bom bom
Een man met aak'lig veel verstand
Wiede wiede wiet bom bom
Hij kon, wat niemand kreeg gedaan
Hij kon de eieren laten staan
Refrein:
Gloria
victoria
Wiede wiede wiet bom bom sa sa
Gloria victoria
Wiede wiede wiet bom bom
Die
man, Columbus was zijn naam
Wiede wiede wiet bom bom
Was in de scheepvaart zeer bekwaam
Wiede wiede wiet bom bom
Maar 't ambacht dat hij eigenlijk dee
Was land ontdekken in de zee
't
Was op een zondagmorgen dat
Wiede wiede wiet bom bom
Columbus aan de koffie zat
Wiede wiede wiet bom bom
En Spanje's koning met de tram
Na kerktijd even bij hem kwam
Dag
vriend, zei hij, hoe gaat het hier
Wiede wiede wiet bom bom
Columbus zei: Heel goed menier
Wiede wiede wiet bom bom
O, zei de koning, dat treft nu
Columbus ik heb werk voor u
Het
is ja wijd en zijd bekend
Wiede wiede wiet bom bom
De zee, dat is jouw element
Wiede wiede wiet bom bom
Wil jij Amerika voor mij
Ontdekken, ja, toe zeg het mij
Colurnbus
zei: Is 't anders niet
Wiede wiede wiet bom bom
Zowaar als ik Columbus hiet
Wiede wiede wiet bom bom
Zo'n reisje is me naar de zin
'k Ga met plezier het zeegat... uit
Columbus
was nu binnen 't uur
Wiede wiede wiet bom bom
Al bijna klaar, hij stopte het vuur
Wiede wiede wiet bom bom
Nog even in z'n pijpekop
En trok de klokgewichten op
Nu
kon hij gaan, en hij had geen vreê
Wiede wiede wiet bom bom
Voordat hij dobberde op de zee
Wiede wiede wiet bom bom
Hij ging toen zelf aan 't stuurrad staan
En kwam er met geen stok vandaan
Zo
voer men maanden alsmaar voort
Wiede wiede wiet bom bom
Maar nergens zag men land aan boord
Wiede wiede wiet bom bom
Het scheepsvolk zei: We gaan weerom
Columbus zei: Dat nooit, potdom
Maar
eind'lijk na de laatste week
Wiede wiede wiet bom bom
Daar zagen ze een groene streek
Wiede wiede wiet bom bom
Land, riep Columbus, 'k wist het wel
Elk sprong van blijdschap uit z'n vel
En
na een ogenblikje al
Wiede wiede wiet bom bom
Daar zette men de voet aan wal
Wiede wiede wiet bom bom
Ze keken eerst voorzichtig rond
Let wel! Het was op vreemde grond
Columbus
nam toen pistool en dolk
Wiede wiede wiet bom bom
En riep: Hei daar, is hier ook volk
Wiede wiede wiet bom bom
Toen kwamen hem mensen tegemoet
Maar allemaal zo zwart als roet
Toen
hij dat zwarte volkje zag
Wiede wiede wiet bom bom
Zei hij: Ik wens je goede dag
Wiede wiede wiet bom bom
Is dit misschien Amerika
De wilden krijsten allen: ja
Juist,
zei Columbus, 'k meende't al
Wiede wiede wiet bom bom
Zijn jullie negers bij geval
Wiede wiede wiet bom bom
Ja, riepen ze, mijn lieve man
Ben jij misschien Columbus dan
Juist,
zei Columbus, zo is 't krek
Wiede wiede wiet bom bom
En alle negers werden gek
Wiede wiede wiet bom bom
Och, riepen ze, mijn lieve tijd
Nu zijn we onze vrijheid kwijt
Columbus
seinde toen al gauw
Wiede wiede wiet bom bom
Naar Spanje's koning en diens vrouw
Wiede wiede wiet bom bom
'k Heb land ontdekt en't volk erbij
Het land aan u, de eer aan mij
Terug
naar overzicht
Dame
wilt u met mij dansen
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Dame
wilt U met me dansen (jongens)
Graag
meneer (meisjes)
Of
wilt U nog even rusten ? (jongens)
Dank
U zeer (meisjes)
Oef
wat is het vrees'lijk warm (meisjes)
Kom
juffrouw (jongens)
Kijk
eens maar m'n nieuwe schoentjes (meisjes)
Zijn
wat nauw (meisjes)
Trek
ze uit en wil ik U helpen (jongens)
Zou
dat gaan? (meisjes)
In
dat hoekje niemand ziet het (samen)
Oeps
gedaan (samen)
Zwieren,
zwieren in de rondte (samen)
Licht
en vlug (samen)
Hippen
op de kousenvoetjes (samen)
Heen
en terug (samen)
Dame
kijk eens naar Uw voetjes (jongens)
Was
's dat ????? (samen)
In
de kousenteen een reuze gat !!!! (samen)
Dit
versje werd op school gezongen. Om en om door de hele klas
Terug
naar overzicht
Dansliedje
(W.
Meerwaldt/Bernard Zweers)
Flink
de voeten van de grond !
Danst
in 't rond: 't Is gezond;
Lente
lokt ons naar de wei
Door
het mooie weer van Mei.
Springt
en danst nu,
Hop-sa-sa,
tra-la-la-la-la-la,
La-la-la,
hop-sa-sa,
Met
een liedje, tra-la-la-la !
Schaart
u rapjes tot een rij !
Weest
maar blij, los en vrij !
Dromers
mogen blijven staan,
Als
wij buiten stoeien gaan,
Springend,
dansend
Hop-sa-sa,
tra-la-la-la-la-la,
La-la-la,
hop-sa-sa,
Met
een liedje, tra-la-la-la !
Als
natuur zo vrolijk lacht,
Dan
verwacht ze-ons vol pracht;
Bloemen
in het grastapijt
Bloeien
fleurig wijd en zijd,
Laat
ons springen
Hop-sa-sa,
tra-la-la-la-la-la,
La-la-la,
hop-sa-sa,
Met
een liedje, tra-la-la-la !
Vogels
zingen ook al blij,
Net
als wij, frank en vrij.
Alles
zingt en tiereliert,
Nu
de lente feesttij viert;
Springt
en danst nu,
Hop-sa-sa,
tra-la-la-la-la-la,
La-la-la,
hop-sa-sa,
Met
een liedje, tra-la-la-la,
Tra-la-la-la-la-la,
Tra-la-la-la;
Hop-sa-sa;
tra-la-la !
Terug
naar overzicht
Dat
gaat naar Den Bosch toe
(met dank aan Riet Rademakers voor het
sturen van de tekst)
Dat
gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve Gerritje
Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve meid
Wat zullen wij daar eten ?, zoete
lieve Gerritje,
Wat zullen wij daar eten ?, zoete
lieve meid
Rijstebrij met suiker, zoete lieve
Gerritje,
Rijstebrij met suiker, zoete lieve
meid.
Wie zal dat betalen?, zoete lieve Gerritje
Wie zal dat betalen?, zoete lieve meid
De eerste boer de beste, zoete lieve Gerritje
De eerste boer de beste, zoete lieve meid
Terug
naar overzicht
De
Alpenherder
Ik
leef hoog op de Alpen
Mij 't liefelijkst oord.
Daar vlieden mijn dagen
Genoegelijk voort, genoegelijk voort.
Daar geuren de kruiden
En ruist er de bron.
Daar klinken de klokjes en glimlacht de zon.
Daar geuren de kruiden
En ruist er de bron.
Daar klinken de klokjes en glimlacht de zon.
Daar
klinken de klokjes en glimlacht de zon.
Daar
zie ik de dorpen
Met nevel bedekt.
En adem de berglucht
Die vrolijkheid wekt, die vrolijkheid wekt.
Daar hoor ik van kommer
Noch weet van verdriet
En speel op mijn veldfluit een vreugdevol lied.
Daar hoor ik van kommer
Noch weet van verdriet
En speel op mijn veldfluit een vreugdevol lied.
En
speel op mijn veldfluit een vreugdevol lied.
.
En
drijft mij de winter
Naar lagere sfeer.
Dan troost mij het denkbeeld:
De zomer komt weer, de zomer komt weer.
Hij brengt mij naar boven
Naar d' Alpen weer heen.
Daar vind ik mijn vreugd en genoegen alleen.
Hij brengt mij naar boven
Naar d' Alpen weer heen.
Daar vind ik mijn vreugd en genoegen alleen.
Daar
vind ik mijn vreugd en genoegen alleen.
Terug
naar overzicht
De
avondklok
(canon)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Bim, bam, bim, bam.
Hoor, de avondklokke luidt,
Luister stille, het beduidt
Avondrust !
Terug
naar overzicht
De
bloempjes gingen slapen (De zandman)
Versie 1
De
bloempjes gingen slapen
In zilvren maneschijn
Zij knikken met hun kopjes
Op 't halsje slank en fijn
Hoe zachtkens ruist de lindeboom
En lispelt als in droom
Goeden nacht
Mijn kindje, slaap nu zacht
De vogels zongen vrolijk
Tot zonlief ginds verdween
Toen spoedden zij zich zwijgend
Naar 't nestje in 't lover heen
Slechts 't krieksken in 't veldkruid
Sjirpt zijn avondlied
Goeden nacht
Mijn kindje, slaap nu zacht
Versie 2
(met dank aan Jannie van 't Ende voor
het sturen van de tekst)
(naar Joh. Brahms)
De bloempjes gingen slapen,
Ze waren geurens moe
Zij knikten met hun kopjes
Me 'n welterusten toe
Zacht ritselt gindse lindeboom
En lispelt als in een droom
Goeden nacht, goeden nacht
Mijn kindje, goeden nacht
De vogels zongen vrolijk
Door 't zonnetje gekust
Nu vouwen zij hun vleugels
Begeven zich ter rust
Alleen het krekeltje in 't veld
Zijn zoet geheim vertelt
Goeden nacht, goeden nacht
Mijn kindje, goeden nacht
De Zandman is gekomen
Gluurt door de schemering
Of ergens soms een kindje
Nog niet ter ruste ging
En ziet hij zulk een stoute klant
Hij strooit in d' oogjes zand
Goeden nacht, goeden nacht
Mijn kindje, goeden nacht
Ga Zandman uit de kamer
Reeds slaapt mijn kleine man
Hij sloot de held're kijkers
Zo vast als hij maar kan
En roept mij morgen wel te moe
Een hart'lijk welkom toe
Goeden nacht, goeden nacht
Mijn kindje, goeden nacht
Terug
naar overzicht
De boer had
maar ene schoen
De boer had maar
ene schoen
Weinig genoeg,
genoeg, genoeg
De boer had maar
ene schoen
Weinig genoeg
Een schoen
zonder hak der an
De boer is geen
edelman
Een schoen
zonder hak der an
De boer die is
geen edelman
De boer had maar
ene broek
Weinig genoeg,
genoeg, genoeg
De boer had maar ene broek
Weinig genoeg
Een broek zonder zak er in
De boer is geen
edelman
Een broek zonder zak er in
De boer die is
geen edelman
De boer had maar
ene jas
Weinig genoeg,
genoeg, genoeg
De boer had maar ene jas
Weinig genoeg
Een jas zonder knoop der an
De boer is geen
edelman
Een jas zonder knoop der an
De boer die is
geen edelman
De boer had maar
ene kous
Weinig genoeg,
genoeg, genoeg
De boer had maar ene kous
Weinig genoeg
Een kous met een gat er in
De boer is geen
edelman
Een kous met een gat er in
De boer die is
geen edelman
De boer had maar
ene hemd
Weinig genoeg,
genoeg, genoeg
De boer had maar ene hemd
Weinig genoeg
Een hemd zonder slip er an
De boer is geen
edelman
Een hemd zonder slip er an
De boer die is
geen edelman
De boer had maar
ene pet
Weinig genoeg,
genoeg, genoeg
De boer had maar ene pet
Weinig genoeg
Een pet zonder klep er an
De boer is geen
edelman
Een pet zonder klep er an
De boer die is
geen edelman
De boer had maar
ene vrouw
Meer dan genoeg,
genoeg, genoeg
De boer had maar ene vrouw
Meer dan genoeg
Een vrouw met een kop der op
De boer had een
reuze strop
Een vrouw met een kop der op
De boer die had
een reuze strop
Terug
naar overzicht
De
bonte bloemen slapen ('s Avonds)
(L.Leopold/J. Worp)
De
bonte bloemen slapen
In
zilv'ren maneschijn;
Ze
staan te knikkebollen
Op
steeltjes rank en fijn.
Zacht
ruist de bloeiende-appelboom,
Als
lispt hij in een zoete droom.
De
dart'le vogels zingen
De
zon een goede nacht
En
gingen vredig slapen
In
nestjes warm en zacht.
De
nachtegaal zingt gans alleen,
Zijn
lied klinkt door de blaad'ren heen.
Terug
naar overzicht
De boom stond op de bergen
(Uit “Trekliederen” 1929)
(met dank aan Jan Radstake voor het sturen van de tekst)
De boom stond op de bergen, jongens
wat een boom was dat,
En de boom stond op de bergen en
bloeide o, zoo schoon!
En aan dien boom daar zat een tak, een
lollige tak, een mollige tak,
jongens! Wat een tak was dat. En de
tak aan den boom en:
de boom stond op de bergen….. enz.
(Achtereenvolgens: twijg, blad, poot,
luis, haar, krul, punt toevoegen)
Terug
naar overzicht
De dominee van Zierikzee
(met
dank aan Hanneke Reijerse voor het sturen van de tekst)
De dominee van Zierikzee had zeven
hoge hoeden,
Voor dit voor dat, voor zus voor zo,
Zeven hoeden die dominee had.
Eéntje voor dopen,
Eéntje voor trouwen,
Eéntje om zondags de preek mee te
houen,
Eén bij de lering,
Eén bij bekering,
Eén in de kast, die niet meer past.
De laatste, de grootste kon hij niet
missen,
Daar kroop hij onder als hij ging
vissen !
Terug
naar overzicht
De
drie ruitertjes
(met
dank aan Carola voor het sturen van de tekst)
Toen
ik op Neêrlands bergje stond,
Keek ik er het zeegat in.
Daar zag ik een scheepje zeilen,
Daar zaten drie ruitertjes in.
Een van de drie was naar m'n zin. } bis
Het
allerliefste ruitertje,
Dat in dat scheepje zat,
Dat bood er mij iets te drinken,
't Was koele wijn uit het vat.
't Was van de beste die hij bezat. } bis.
Ik
zette 't glaasje aan mijn mond,
En dronk het lustig uit.
Ik sprak er mijn allerliefst ruitertje,
Hier hebt gij een trouwring van mij
En die trouwring schenk ik jou. } bis
Wat
zal ik met die trouwring doen,
Wat zal ik daarmee doen.
Gij zijt er een zedeloos dienstmaagd,
En ik een gravenzoon.
En wat zal ik daarmee doen. } bis
't is
goed als gij 'm niet hebben wilt,
't is goed er zijn er nog meer.
Dan ga ik het klooster dienen.
Daar dien ik den lieve Heer.
En dan ziet je mij nooit meer. } bis.
Toen
't nonnetje halverwege was,
Haar vader en moeder was dood.
Er was geen rijker nonnetje,
Op Nederlands berg zo groot.
Ja, haar vader en moeder was dood. } bis.
Toen
't ruitertje dat ter ore kwam,
Was 't knecht, kom zadel mijn paard.
Dan ga ik naar 't klooster rijden,
Dat is mij een kansje waard.
Ja, kom knecht, kom zadel mijn paard. } bis
(intermezzo)
Afijn,
Het ruitertje komt an 't klooster,
Mae het nonnetje wil t'em nie zie.
En ie oor zo donders kwaed
Da't ele klooster in de brand steekt.
En dan...
Komt het nonnetje ni buten,
Ze stroopt der mouwen op
En kiekt'em ieselijk boos an.
(einde intermezzo)
Zij
sprak: mijnheer stout ruitertje,
Wat doet gij mij ten schand.
Want laatst toen ik u die trouwring bood,
Toen weigerde gij mij de hand.
Ga en vertrek maar uit mijn land. } bis
Het
ruitertje keerde zich omme,
En sprak geen enkel woord.
Maar toen hij aan de fonteine kwam
Schoot hij er zichzelve dood.
Hij was verslagen, ja hij was dood } bis
't
Was op een donderdagmorgen,
Toen 't nonnetje halen moest brood.
Maar toen zij aan de fonteine kwam,
Vond zij er haar zoetelief dood.
Zij lag verslagen, ja hij was dood. } bis
Zij sprak: Mijnheer stout ruitertje,
Is dat terwille van mij ?
Dan zal ik u laten begraven,
Hier onder die rozemarijn.
Waar al die stoute ruitertjes zijn. } bis
'k
Zal bloempjes voor u plukken,
En strooien op uw graf.
Dan zal ik tulpjes planten,
Tot aan de jongste dag.
Al waar ik eens mijn zoetelief zag. } bis
Terug
naar overzicht
De
droge haring
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Al van een droge haring willen wij
zingen,
Ter ere van zijn kopje zullen wij
springen.
't Is van zijn kop, springt er maar op:
't Is van de droge haring.
Al van een droge haring willen wij
zingen,
Ter ere van zijn oogje zullen wij
springen.
't Is van zijn oog, springt er maar
hoog:
't Is van de droge haring.
Al van een droge haring willen wij
zingen,
Ter ere van zijn balgje zullen wij
springen.
't Is van zijn balg, springt er maar
half:
't Is van de droge haring.
Al van een droge haring willen wij
zingen,
Ter ere van zijn steertje zullen wij
springen.
't Is van zijn steert, springt er met
hert:
't Is van de droge haring.
Terug
naar overzicht
De ezel
(Tekst: T. van Buul / muziek: J.G.van
Herwaarden)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Een ezel trok een zware vracht,
Maar vorderde slechts traag,
“Wacht, wacht,” zei z’n baas,
“Trek jij niet vlug,
Dan zal je ’t voelen op je rug,
Wie lui is, die krijgt slaag.”
Maar ’t hielp den voerman niemendal,
Dat woeste, wreede slaan,
Want d’ezel dacht:
“Trek zelf maar vriend,
Ik heb die slagen niet verdiend.”
En stokstijf bleef hij staan.
Terug
naar overzicht
De
haaienbruiloft
(Uit “Trekliederen” 1929)
(met dank aan Jan Radstake voor
het sturen van de tekst)
Een haai, die wou eens bruiloft vier’n
En noodigd’alle waterdier’n
Fiederallala Fiederallala
Fiederallalalala.
Hij zocht een achternichtje uit
En maakte die toen tot zijn bruid.
Ze zijn toen naar de kerk gegaan
En moesten voor de preekstoel staan.
Een snoek die hield een reuzenpreek
En maakte het paar geheel van streek.
Een dikke paling in gelei
Die wrong zich op de voorste rij.
Toen zei een dikke waterbaars
Die preek die lap ik aan mij laars.
Na de bruiloft zou er een feestmaal
zijn.
Aan tafel dronk men fijne wijn.
Het diner bestond uit gemberbier
En daarna at men lekker wier.
De biefstuk die was reuzefijn
Van een verdronken zeekaptein.
Een garnaal die wou eens aardig zijn
En trok aan de bel in de maneschijn.
De gasten waren zeer verschrikt,
De snoek heeft zich in ’t vleesch
verslikt.
Toen werd de haai verschrik’lijk kwaad
En stormde naar buiten in nachtgewaad.
De bruiloft had een reuzestrop
Want de haai at alle gasten op.
Alleen de garnaal die bleef gespaard,
Die was de moeite toch niet waard.
Fiederallala Fiederallala
Fiederallalalala.
Terug
naar overzicht
De
ijsman
O
kijk! daar komt de ijsman aan,
De ijsman van de buurt,
Die ied'ren dag geregeld komt,
Zoolang de zomer duurt.
Zeg, hij heeft lekk're wafels,
Van drie, van vijf, van tien,
En verder groote bekers,
Met slagroom bovendien.
Heel langzaam komt hij nader,
Hij trekt eens aan de bel,
En roept dan: "IJS MET SLAGROOM"
Die(n) roep, die(n) ken je wel !
De ijsman blijft in onze straat,
Heel vaak een tijdje staan.
Hij weet wel waar z'n klanten zijn,
Ziet heusch z'n menschen aan.
Z'n wafels moet je proeven,
Die groote… die van tien?
Met zóó dik ijs ertusschen
Een pond wel haast misschien.
Hij blijft op 't hoekje wachten,
Hij trekt eens aan de bel,
En roept dan: "IJS MET SLAGROOM"
Die(n) roep, die(n) ken je wel !
O kijk! daar gaat de ijsman weer,
Een and're straat nu in.
Wij allen hebben ijs gehad,
En dat was naar ons zin!
In d'and're straat zijn kind'ren,
Die nu aan 't smullen gaan,
Want 't heerlijk ijs met slagroom,
Trekt alle kind'ren aan.
Heel langzaam gaat hij verder,
Hij trekt eens aan de bel,
En roept dan: "IJS MET SLAGROOM"
Die(n) roep, die(n) ken je wel !
Terug
naar overzicht
De jagers
(canon)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Tra-ra, zo blazen de jagers,
Tra-ra, tr-ra !
Als zij in het groene bos jagen gaan.
Tra-ra, tra-ra !
Terug
naar overzicht
De
kabels los (Matrozenlied)
(Dr. J.P. Heije/J.J. Viotta)
De
kabels los, de zeilen op, dat gaat er op een varen;
Al
waren wij sinjeurs aanwal, ons hart lei in de baren.
een
Hollands kind, dat is bekend, die vindt in zee zijn element,
Jo
ho, jo ho, jo ho, jo ho !
Die
vindt in zee zijn element.
En
zijn wij zo geen banjers meer als in verleden dagen,
Toen
ieder voor Jan Companie een flikker had geslagen,
Toch
zeilen wij op ied're zee zo goed nog als de beste meê,
Jo
ho, jo ho, jo ho, jo ho !
Zo
goed nog als de beste meê !
Hoezee
dan, jongens, in het want ! de handen uit de mouwen,
Laat
Duitser, Noor of Engelsman niet klimmen in je touwen.
Dan
kan je varen zonder peil, al blies de Nikker in het zeil,
Jo
ho, jo ho, jo ho, jo ho !
Al
blies de Nikker in het zeil !
(Nikker
= een boosaardige watergeest)
Terug
naar overzicht
De
kadulletjes
Refrein:
Wij
zijn al bijeen
Al
goe kadulletjes, al goe kadullen
Wij
zijn al bijeen
Al
goe kadulletjes groot en kleen
Zou
me nie meugen een pintje drinken
Zonder
daarom een dronkaard te zijn ?
Zou
me nie meugen een pintje drinken
Zonder
daarom een dronkaard te zijn ?
Zou
me nie meugen een visje eten
Zonder
daarom een snoeper te zijn ?
Zou
me nie meugen een visje eten
Zonder
daarom een snoeper te zijn ?
Refrein
Zou
me nie meugen een kusje nemen
Zonder
daarom een dief te zijn ?
Zou
me nie meugen een kusje nemen
Zonder
daarom een dief te zijn ?
Refrein
Zou
me nie meugen eens vrolijk wezen
Zou
me nie meugen eens vrolijk zijn ?
Zou
me nie meugen eens vrolijk wezen
Zou
me nie meugen eens vrolijk zijn ?
Refrein
Kadulletjes
= eigenlijk zoete kinderen; hier goede vrienden onder elkaar
Terug
naar overzicht
De
kastanjeboom
(Tony de Ridder/S. Struik-Dijk)
(met dank aan Ineke Bochane voor
het sturen van de tekst)
Fier en stil te bloeien,
Ongerept in wind,
En in zonnegloeien,
Arg'loos als een kind.
Hoog je kaars te dragen,
Als het duis'tren gaat,
Dat, als dag komt dagen,
Jouw kaars rechtop staat.
Anders niet te weten,
Dan van sterke moed,
Nimmer te vergeten
Dat je bloeien moet;
Dat je licht moet dragen
Aan de donk're boom
Van je levensdagen,
Wijdend daad en droom.
Terug
naar overzicht
De
kerk in 't bos
(A.
Winkler Prins/Richard Hol.)
Kling
klang ! Kling klang !
Over
het woud galmen de klokken als Eng'len gezang,
Vleiend
met tonen van zilver en goud:
Kling
klang, kling klang, kling klang, klang !
Kling
klang ! Kling klang !
Statig
van stem roepen de klokken met strelende drang:
Nadert,
o nadert, o nadert tot Hem !
Kling
klang, kling klang, kling klang, klang !
Terug
naar overzicht
De
keukenkast van Pierlala
(met dank aan
Ben Close voor het sturen van de tekst)
Al
in de keukenkast,
Wiede
- wadde - wom, van hop - sa - sa.
De
keukenkast van Pierlala,
Daar
sprong een muizenman,
Het
spek zat in de pan.
En
de muizenman had schik:
Het
spek dat was zo lekker dik,
Het
spek van Pierlala.
Wiede
- wadde - wom, piep - piep,
Wiede
- wadde - wom, van hop - sa - sa,
Wiede
- wadde - wom, piep - piep,
Wiede
- wadde - wom, van hop - sa, hop - sa - sa.
Terug
naar overzicht
De kleine chauffeur
(met dank aan
Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Och mensen ga toch vlug opzij
En laat me eventjes voorbij
Ik wilde graag passeren
Ik wilde graag passeren
U ziet, ik rijd nog niet goed recht
Mijn bochten neem ik ook wat slecht
Maar 'k leerde pas chaufferen
Maar 'k leerde pas chaufferen.
Wie rijdt met mij een eindje mee ?
De prijs die stemt u vast te vreê
Hier valt te concurreren
Hier valt te concurreren
Want mijn benzine raakt nooit op
Mijn remmen slijten niet als 'k stop
Wie wil een rit proberen ?
Wie wil een rit proberen ?
Al rijd ik zonder rijbewijs
'k Verzeker u een goede reis
Geen onheil zal u deren
Geen onheil zal u deren
En zijn mijn beentjes 't trappen moe
Dan keer ik maar weer huiswaarts toe
En kruip vlug in de veren
En kruip vlug in de veren.
Terug
naar overzicht
De
kleine schipper
(met dank aan Jan Corvers voor het
sturen van de tekst)
De kleine Karel is matroos
Een ton dat is zijn schuit
Caro de hond dat is zijn paard
Die trekt het schip vooruit
En Karel lacht en roept: "Hoezee!
Nu vaar ik prettig rond.
Vooruit Caro kom doe je best
Dan ben j'een goede hond."
Maar eensklaps krak, daar breekt het
touw
En 't scheepje van de guit
Dat schudt en schommelt heen en weer
En Karel valt eruit.
De schipper spartelt in het nat
En zinkt tot aan de grond.
Ach niemand die hem helpen kan.
Alleen Caro de hond.
Die ziet gauw wat er is gebeurd
De hond zwemt wat hij kan!
Hij grijpt de schipper bij de kraag,
En redt de kleine man.
Daar staat hij bibb'rend aan de kant
Te huilen van verdriet.
Zou hij nog weer zo varen gaan.
Nu dat geloof ik niet.
Terug
naar overzicht
De klokken van Haarlem
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
De klokken van Haarlem,
Die klinken zoet van toon,
Van tingelingeling, van tingelingeling,
Van tingelingeling , zo schoon !
Soms klinkt er door hun feest'lijk
koor,
Een zwaarder galm plechtstatig door,
Bim, bam, bim, bam bim, bam, in 't
oor.
En over de velden
Sterft d'echo van 't geluid,
Langzaam, langzaam, langzaam uit......
!
Terug
naar overzicht
De
kluizenaar
(Uit: "Geniet van t lied" - R.K.
Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)
(met
dank aan Wilma van de Laak voor het sturen van de tekst)
Een kluizenaar in z'n nauwe cel,
die ving 'n vogeltje vlug en hel
en leerde het dingdke praten.
het beestje babbelde-'m aardig na:
"Ave Maria, a-a-a"
en kon er dat praten niet laten.
Eens kreeg dat vogeltje 't in de zin:
het wou de weide wereld in
en ging er een kijkje wagen.
Het snaterde almaar voor en na:
"Ave Maria, a-a-a"
tot ieders groot behagen.
Daar kreeg een sperwer 't ding in 't
oog.
Hij schoot er pijlsnel van omhoog
en greep het in zijn klauwen.
O schrik, het ding riep om genâ:
"Ave Maria, a-a-a!"
Dat spel viel niet te vertrouwen!
De sperwer liet zijn klauwen los
en vloog er bang tot diep in 't bos
en 't dwaze ding bleef leven.
't Kwam angstig terug, zong weer
weldra:
"Ave Maria, a-a-a"
en... is sinds thuis gebleven !
Terug
naar overzicht
De
knaapsoldaten
(met
dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Wij zijn even als soldaten
En marsjeren dus in rang
De armen moet men zwieren laten
En men let op tred en gang
Pen en griffel is ons wapen
Flink in de afgerichte hand
Wij zijn de afgerichte knapen
En wij dienen 't vaderland
In de school is 't regiment
Bataljons zijn al de klassen
Zorg en deugd zijn ons bekend
Iedereen dient dus op te passen
Refrein
Terug
naar overzicht
De
koekoek op de toren zat
De
koekoek op de toren zat
De
koekoek op de toren zat
De
koekoek op de toren zat dideldat
Het
regent en sneeuwt en het wordt niet nat
De
koekoek spreidt zijn veren uit
De
koekoek spreidt zijn veren uit
De
koekoek spreidt zijn veren uit didelduit
Toen
vloog hij op een goudsmidshuis
Smeed
mij een gouden rozenkrans
Smeed
mij een gouden rozenkrans
Smeed
mij een gouden rozenkrans dideldans
Waar
ik met mijn zoete liefje om dans
Geef
mij mijn lief, dat ik haar gun
Geef
mij mijn lief, dat ik haar gun
Geef
mij mijn lief, dat ik haar gun dideldun
Het
eerste jaar een boerenzeun
En
't tweede jaar een dochter fijn
En
't tweede jaar een dochter fijn
En
't tweede jaar een dochter fijn dideldijn
Totdat
er vijf en twintig zijn
Ja
vijf en twintig aan de dis
Ja
vijf en twintig aan de dis
Ja
vijf en twintig aan de dis dideldis
Dan
weet een vrouw wat huishouden is
Wie
ons dit liedje heeft gedicht
Wie
ons dit liedje heeft gedicht
Wie
ons dit liedje heeft gedicht dideldicht
Het
was een soldaatje, zijn hartje was licht
Terug
naar overzicht
De
koets van de koning
(met
dank aan Ann Maex voor de tekst)
Als
de koets van de koning vuil ziet
Dan
roept hij een lakei
Die
moet die koets dan wassen
En
iedereen zingt blij
Refrein:
Water,
lekker helder water
Zonder
water gaat het allemaal mis
Water,
lekker helder water
Fijn
dat er water is
Als
de vrouw van de koning dorst heeft
Dan
roept zij een lakei
Die
brengt een glaasje water
En
iedereen zingt blij
Refrein
Wij
zijn van geen allen koning
En
hebben geen lakei
Maar
wel een kraan vol water
Dus
iedereen zingt blij
Refrein
Terug
naar overzicht
De
koning van Siam
De
koning van Siam
Die
had het zo koud
Toen heeft ie z'n hoofd
In
de kachel gedouwd
Toen
heeft ie z'n hoofd
In
de kachel gedouwd
Hij
moest voor zijn vrouw
Nog
wat boodschappen doen
Een pak lucifers
En
een lapje katoen
Een
pak lucifers
En
een lapje katoen
Hij
kocht nog wat zout
En
een flesje azijn
Dat smaakt bij de pudding
Zo
pittig en fijn
Dat
smaakt bij de pudding
Zo
pittig en fijn
Hij
nam de azijn mee
Al
in een vergiet
Dat was wel niet slim
Maar
dat hinderde niet
Dat
was wel niet slim
Maar
dat hinderde niet
Hij
was maar net thuis
Of
daar buldert zijn vrouw
Ben jij nou een koning
Wat
heb ik aan jou
Ben
jij nou een koning
Wat
heb ik aan jou
Toen
kreeg-ie 't zo warm
En
toen kreeg-ie 't zo koud
Toen heeft-ie z'n hoofd
In
de kachel gedouwd
Toen
heeft-ie z'n hoofd
In
de kachel gedouwd
De
koning van Siam
Die
ging toen kapoet
Dat heb je ervan
Als
je boodschappen doet
Dat
heb je ervan
Als
je boodschappen doet
Terug
naar overzicht
De
Leliën
(Ic. Bikkers/F. Silcher)
Zie
de leliën op het veld,
Zie,
hoe schoon zij bloeien !
Wie
doet haar, van zorgen vrij,
Daar
zo heerlijk groeien ?
Wie
gaf haar die stille pracht,
Wie
dat kleed, zo rein en zacht,
Zonder
zijns gelijke ?
Zonder
zijns gelijke ?
God,
de Heer, riep u uit d' aard,
Doet
zo blij u tieren,
Hij
gaf u dat schone kleed,
Dat
gij d' aard zoudt sieren;
Dat
gij ons bij zorg en smart,
Met
een stil gelovig hart,
Leert
op Hem vertrouwen,
Leert
op Hem vertrouwen.
O,
verblijd u dan, mijn hart !
Werp
op Hem uw zorgen,
Die
na droeve winternacht
Roept
de lentemorgen;
O,
vertrouw in lief en leed,
Die
de bloemen niet vergeet,
Is
ook mij een Vader,
Is
ook mij een Vader.
Terug
naar overzicht
De
macht van 't kleine
(Cath.
van Rennes)
Kleine
waterdrop'len
Kleine
korr'len zand,
Vormen
saam de trotse zee
En
het schone land.
Kleine
liefdedaden,
Woordjes,
teer en zacht,
Hebben
vaak in 't kleinste huis
'T
Grootst geluk gebracht.
Terug
naar overzicht
De
meisjes van Duinkerk
Te
Duinkerk gaat het al verkeerd,
Te
Duinkerk gaat het al verkeerd;
De
meisjes zijn in 't Frans geleerd,
Par-le-re-lom,
La-re-lom, joep, joep, joep,
De
meisjes zijn van 't Frans geleerd, Van Iviva !
De
meisjes dragen al zijden roks,
De
meisjes dragen al zijden roks;
De
knechten dragen maar leren broeks,
Par-le-re-lom,
La-re-lom, joep, joep, joep,
De
knechten dragen maar leren broeks, Van Iviva !
De
meisjes dragen markijnen schoens
De
meisjes dragen markijnen schoens
De
knechten dragen maar houten schoens,
Par-le-re-lom,
La-re-lom, joep, joep, joep,
De
knechten dragen maar houten schoens, Van Iviva !
(knechten
= jongens, markijnen = van marokijn leer, houten schoens = klompen)
Terug
naar overzicht
De
meisjes van Kieldrecht
Te
Kieldrecht, te Kieldrecht,
Daar
zijn de meisjes koene.
Zij
vrijen tot de middernacht,
En
slapen tot de noene.
Ik
maai, is dat niet fraai ?
En
slapen tot de noene.
Als
z' opstaan, als z' opstaan,
Zij
kijken in de wolken;
Zij
zeggen: "Wel, hoe laat is 't al ?
Mijn
koe staat ongemolken".
Ik
maai, is dat niet fraai ?
Mijn
koe staat ongemolken.
Als
z' uitgaan, als z' uitgaan,
Komt
haar de koster tegen;
"Wel
koster, zeg, hoe laat is 't al ?
Wat
uur is 't daar geslegen ?
Ik
maai, is dat niet fraai ?
Wat
uur is 't daar geslegen ?
"Het
uur, dat daar geslegen is,
Dat
kunt gij wel bemerken;
De
hoogmis is al lang gedaan
En
't volk komt van der kerken !"
Ik
maai, is dat niet fraai ?
En
't volk komt van der kerken !
En
als zij komen in de wei,
Zij
zeggen: "Koeken blare,
Ik
ben hier met mijn lieveken,
En
zal u dat niet varen?"
Ik
maai, is dat niet fraai ?
En
zal u dat niet varen ?
(koeiken
blare = koe met een bles op de kop,
varen
= verschrikken)
Terug
naar overzicht
De
melkmeisjes
(tekst:
P.Louwerse/muziek: J.Worp)
(met
dank aan Kees Veltman voor het sturen van de tekst)
’s
Morgens vroeg als ’t haantje kraait,
Gaan de boerenmeiden,
Met hun kannen blank gepoetst,
Naar de stille weiden.
Hopsa,
hopsa, dideldom !
’t
Koetje roept al: kom, o kom,
Spoedig naar de weiden.
Spoedig
naar de weiden.
Vroolijk
reppen zij zich voort,
Langs den groenen akker,
En
zij zingen menigmaal
Zelf den leeuw’rik wakker.
Hopsa,
hopsa, fideldijn !
Wie
van ons zal d’ eerste zijn.
Leeuw’rik,
ben j’al wakker ?
Leeuw’rik,
ben j’al wakker ?
Driemaal
heeft de haan gekraaid,
En
de boerenmeiden,
Keeren nu met kannen vol,
Uit de groene weiden.
Hopsa,
hopsa tralala,
Lekk're melk komt er, ja, ja,
Uit de groene weiden.
Uit
de groene weiden.
Terug
naar overzicht
De
mosselman
(Uit: "Geniet van t lied" - R.K.
Jongensweeshuis - Tilburg - 3de Leerjaar uit 1956)
Met dank aan Wilma van de Laat voor het
sturen van de tekst)
Versie 1
Daar vaart 'n man op zee,
daar vaart 'n man op de mosselzee.
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Daar vaart 'n man op zee,
daar vaart 'n man op zee.
Wat doet die man op zee,
wat doet die man op de mosselzee?
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Wat doet die man op zee,
wat doet die man op zee ?
Daar vangt hij ene vis,
daar vangt hij ene mosselvis.
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
daar vangt hij ene vis,
daar vangt hij ene vis.
Wat doet hij met die vis,
wat doet hij met die mosselvis?
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
wat doet hij met die vis,
wat doet hij met die vis?
Daarvoor hij hij z'n geld,
daarvoor krijgt hij z'n mosselgeld.
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Daarvoor krijgt hij z'n geld,
daarvoor krijgt hij z'n geld.
Wat doet hij met dat geld,
wat doet hij met dat mosselgeld ?
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Wat doet hij met dat geld,
wat doet hij met dat geld ?
Daarvoor koopt hij hij een kind,
daarvoor koopt hij een mosselkind.
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Daarvoor koopt hij een kind,
daarvoor koopt hij een kind.
Wat doet hij met dat kind,
wat doet hij met dat mosselkind ?
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Wat doet hij met dat kind,
wat doet hij met dat kind ?
Hij stuurt dat kind naar school,
hij stuurt dat kind naar de
mosselschool.
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Hij stuurt dat kind naar school,
hij stuurt dat kind naar school.
Wat doet dat kind op school,
wat doet dat kind op de mosselschool ?
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Wat doet dat kind op school,
wat doet dat kind op school ?
Het leert het a b c,
het leert het mossel-a b c.
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Het leert het a b c,
het leert het a b c.
Dan vaart het mee op zee,
dan vaart het mee op de mosselzee.
Van je ran-plan-plan, van je mosselman.
Dan vaart het mee op zee,
dan vaart het mee op zee
Versie 2
Daar
vaart een man op zee
Daar vaart een man op de mosselzee
Van je ranplanplan, van je mosselzee
Daar vaart een man op zee
Daar
vaart een man op zee
Wat
doet die man op zee
Wat doet die man op de mosselzee
Van je ranplanplan, van je mosselzee
Wat doet die man op zee
Wat
doet die man op zee
Hij
vangt daar ene vis
Hij vangt daar ene mosselvis
Van je ranplanplan, van je mosselvis
Hij vangt daar ene vis
Hij
vangt daar enen vis
Wat
doet hij met die vis
Wat doet hij met die mosselvis
Van je ranplanplan, van je mosselvis
Wat doet hij met die vis
Wat
doet hij met die vis
Hij
stroopt hem uit zijn vel
Hij stroopt hem uit zijn mosselvel
Van je ranplanplan, van je mosselvel
Hij stroopt hem uit zijn vel
Hij
stroopt hem uit zijn vel
Wat
doet hij met dat vel
Wat doet hij met dat mosselvel
Van je ranplanplan, van je mosselvel
Wat doet hij met dat vel
Wat
doet hij met dat vel
Hij
maakt daarvan een beurs
Hij maakt daarvan een mosselbeurs
Van je ranplanplan, van je mosselbeurs
Hij maakt daarvan een beurs
Hij
maakt daarvan een beurs
Wat
doet hij met die beurs
Wat doet hij met die mosselbeurs
Van je ranplanplan, van je mosselbeurs
Wat doet hij met die beurs
Wat
doet hij met die beurs
Hij
stopt daarin zijn geld
Hij stopt daarin zijn mosselgeld
Van je ranplanplan, van je mosselgeld
Hij stopt daarin zijn geld
Hij
stopt daarin zijn geld
Wat
doet hij met dat geld
Wat doet hij met dat mosselgeld
Van je ranplanplan, van je mosselgeld
Wat doet hij met dat geld
Wat
doet hij met dat geld
Hij
koopt daarmee een kind
Hij koopt daarmee een mosselkind
Van je ranplanplan, van je mosselkind
Hij koopt daarmee een kind
Hij
koopt daarmee een kind
Wat
doet hij met dat kind
Wat doet hij met dat mosselkind
Van je ranplanplan, van je mosselkind
Wat doet hij met dat kind
Wat
doet hij met dat kind
Hij
stuurt dat kind naar school
Hij stuurt dat kind naar de mosselschool
Van je ranplanplan, van je mosselschool
Hij stuurt dat kind naar school
Hij
stuurt dat kind naar school
Wat
leert dat kind op school
Wat leert dat kind op de mosselschool
Van je ranplanplan, van je mosselschool
Wat leert dat kind op school
Wat
leert dat kind op school
Het
leert het A B C
Het leert het A B mossel-C
Van je ranplanplan, van je mossel-C
Het leert het A B C
Het
leert het A B C
Terug
naar overzicht
De
mulder (G.W. Lovendaal/J.A. Maassen)
Het
windje waait,
De
molen draait,
Dat
is den mulder zijn leven.
Het
windje waait,
De
molen draait,
Dat
is den mulder zijn leven.
Hij
ligt het hoge venster uit,
Tewijl
hij lustig een deuntje fluit.
Hij
ligt het hoge venster uit,
Terwijl
hij lustig een deuntje fluit.
Het
windje waait,
De
molen draait,
Dat
is den mulder zijn leven.
Het
windje waait,
De
molen draait,
Dat
is den mulder zijn leven.
De
wind, de wind,
Is
mulders vrind.
Zijn
molen moet er van draaien.
De
wind, de wind,
Is
mulders vrind,
Zijn
molen moet er van draaien.
Hij
zingt altijd, de witte man:
"Daar
rookt bij ons de schoorsteen van."
Hij
zingt altijd, de witte man:
"Daar
rookt bij ons de schoorsteen van."
De
wind, de wind,
Is
mulders vrind,
Zijn
molen moet er van draaien.
De
wind, de wind,
Is
mulders vrind,
Zijn
molen moet er van draaien.
Terug
naar overzicht
De
Nacht
(J.P.Regeer/Fr.
Abt)
Door
heel de omtrek melden
De
klokken 't uur der rust;
De
herder drijft zijn schapen
Ter
kooi in zoete rust.
Welk
een plechtstatig zwijgen
Heerst
in de dichte twijgen !
Zij
komt in al heur pracht
Zij
komt in al heur pracht
De
stille Nacht !
De
stille Nacht !
Miljoenen
starren pralen
In
diamanten gloed;
En
't maanlicht schenkt de aarde
Zijn
vriendelijkste groet.
Waarheen
'k mij moog' begeven,
Ik
voel u om mij zweven,
En
buig mij voor uw macht,
En
buig mij voor uw macht,
O
stille Nacht !
O
stille Nacht !
Terug
naar overzicht
De
nieuwe broek
(tekst: W.F. Kools / muziek: David
Tomkins)
(met dank aan Jan Radstake voor het
sturen van de tekst)
Jantje had een broek gekregen
Met aan elken kant een zak,
Die hij reeds den eerste middag
Vol met mooie dingen stak:
Knikkers, dropjes, krijt, een bal,
Slakkenhuisjes, wat niet al !
In die huisjes zaten slakken,
Daar had Jan niet om gedacht!
En toen moeder hem des avonds
Naar zijn bedje had gebracht,
Deed ze ook een onderzoek,
Naar de zakken van de broek.
Hu ! Daar greep ze glibber, glabber,
Koud en week opeens een slak.
Weet je wat er toen gebeurd is,
’s Avonds laat met elken zak ?
Moeder heeft met draad en naald,
Een voor een ze toegehaald.
Terug
naar overzicht
De paden op
de lanen in (Marschliedje)
(Ant. L. de Rop/Richard Hol)
De
paden op, de lanen in
Vooruit met flinken pas
Met stralend oog en blijden zin
En goedgevulde tas
De zonne lacht ons vrolijk toe
Ons groet der vooglen zang
En wij, we worden vast niet moe
Al wand'len w'uren lang
Tra ta ta ta bom, bom, tra ta ta ta bom, bom
Al wand'len w'uren lang
Marcheren is gezond voor 't bloed
Verruimd wordt d'enge bors,
't Versterkt de spier van been en voet
't Wekt eetlust op en dorst
Daarom vooruit en in de maat
Zoo netjes als 't maar kan
Nu 't eensgezind en ord'lijk gaat
Heeft elk plezier ervan
Tra ta ta ta bom, bom, tra ta ta ta bom, bom
Heeft elk plezier er van
Terug
naar overzicht
De peuk
(met
dank aan Ria Touw voor het sturen van de tekst)
Pietje kon het maar niet verkroppen
Dat hij niet, net als zijn Pa
Zich een lekkere pijp kon stoppen
Want nog gisteren zei zijn Ma
Zie ik jou met een sigaret
Zonder eten naar je bed
Ziet een diender je, geloof maar vast
Hij stopt jou dan in de kast
Daar een peukie, dat is boffen
Nu nog vuur dan ben ik klaar
En al gauw liep Piet te sloffen
Als een echte grote Vaar
En al beet het op zijn tong
En al jeukte het op zijn long
Lachte iedereen hem uit
Kon niet schelen, maar vooruit
Het werd hem eindelijk toch te machtig
Menslief wat een naar gevoel
En mijn hoofd, ik geloof waarachtig
Dat ik het helemaal niet meer voel
En mijn buik doet ook zo raar
Jasses wat is dat voor een sigaar
Weg, dat akelig misselijk ding
Nu pas ruik ik dat hij stinkt
Vlug naar huis liep het arme ventje
En naar bed, zo wit als krijt
Ziek en misselijk was het ventje
Van zijn ongehoorzaamheid
Naar zijn moeder ging ons Piet
En hij sprak met groot verdriet
Lieve moeder op mijn eer
Nooit rook ik een peukie meer
Terug
naar overzicht
De
scharensliep
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Mijn
vader was een scharensliep
Een
scharensliep ben ik
En
net zo als mijn vader riep
Scharensliep,
scharensliep roep ik
Scharensliep,
scharensliep, scha-a-a-arensliep.
'k
Slijp scharen grof en scharen fijn
Nog
botter als een pook
En
scharen die niet deeg'lijk zijn
Die
scharen slijp ik ook
Scharensliep,
scharensliep, scha-a-a-arensliep.
Terug
naar overzicht
De
scharenslijper
(P.E.
de Boer/J.P.Bekkers)
Op
een hoekje van het plein,
Ginder
naast de kerk,
Is
de scharensliep Jan Vlijm
IJv'rig
aan het werk.
En
terwijl het wieltje gaat,
Klinkt
z'n roepen langs de straat:
Scharensliep
! Scharensliep !
Scharen-,
Scharensliep !
Steeds
maar drukt z'n éne been
Onder
op de lat,
Razend
rolt de ronde steen,
Gonzend
draait het rad.
En
terwijl het wieltje gaat,
Klinkt
z'n roepen langs de straat:
Scharensliep
! Scharensliep !
Scharen-,
Scharensliep !
Door
een glissend mes ontstaat
Sissend
schuurgeluid.
Gele
vonkenregen slaat
Van
de slijpsteen uit.
En
terwijl het wieltje gaat,
Klinkt
z'n roepen langs de straat:
Scharensliep
! Scharensliep !
Scharen-,
Scharensliep !
Kind'ren
doen zijn roepstem na,
Eerst
een bettje zacht;
Maar
al luider wordt het dra,
Als
Jan goedig lacht.
En
terwijl het wieltje gaat,
Klinkt
z'n roepen langs de straat:
Scharensliep
! Scharensliep !
Scharen-,
Scharensliep !
Terug
naar overzicht
De
schutters
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Tara bom, tara bom, tara bom,
Ik hoor de trommels slaan.
Hei mensen ga nu wat opzij,
Daar komen de schutters aan.
Hei mensen ga nu wat opzij,
Daar komen de schutters aan.
Kleine Frans loopt voorop met de vlag
En Jan is officier.
Hij draagt een mooie witte hoed,
Met pluimen van goud papier.
Hij draagt een mooie witte hoed,
Met pluimen van goud papier.
Op de maat van de trom en de fluit,
Zo gaan de schutters voort.
Zij lopen allen in de pas
En spreken geen enkel woord.
Zij lopen allen in de pas
En spreken geen enkel woord.
d' Officier commandeert "schutters
halt",
Daar blijven ze allen staan.
Zij rusten nu een poosje uit,
Tot straks weer de trommels slaan.
Zij rusten nu een poosje uit,
Tot straks weer de trommels slaan.
Terug
naar overzicht
De smid (W.H.
de Groot Wzn.)
(met
dank aan Kees Veltman voor het sturen van de tekst)
Smidje,
wat hamer je er lustig op toe !
Smidje,
vertel me eens, word je niet moe ?
Word
je niet doof van dat kloppen en slaan ?
Moet
je voor ’t aanbeeld zoo’n heelen dag staan ?
Moet
je voor ’t aanbeeld zoo’n heelen dag staan ?
Treken
en blazen bij ’t gloeiende vuur,
Smidje,
verdien je je bootram niet zuur ?
Hamer
op, hamer neer, een, twee, drie vier !
Vonken
en vlammen, het scheelt u geen zier !
Vonken
en vlammen, het scheelt u geen zier!
Neen,
kameraadje, mijn armen zijn sterk;
‘k
Zing vaak een liedje bij ’t moeilijke werk.
‘k
Denk er ook bij, en ’t is goed dat je ’t weet,
IJzer,
wil ’t goed zijn, moet gloeiend gesmeed.
IJzer,
wil ’t goed zijn, moet gloeiend gesmeed.
Terug
naar overzicht
De
tortelduif
Uit: "Geniet van t lied" - R.K. Jongensweeshuis - Tilburg - 3de
Leerjaar uit 1956)
(met
dank aan Sarah de Boer voor het sturen van de tekst)
Hoor hoe er de kirrende tortelduif
doet.
Ze brengt mij al buigend en zingend
haar groet:
Roekoe, roekoe, roekoe, roekoe,
roekoe, roekoe, roekoe, roekoe.
Ik wou wel z'n duifje bij mij in de
kooi;
dan zongen we samen heel zacht en heel
mooi:
Roekoe, roekoe, roekoe, roekoe,
roekoe, roekoe, roekoe, roekoe.
Maar duifje, je vliegt liever vrij
door het bos;
daar zing je veel mooier, zo licht en
zo los:
Roekoe, roekoe, roekoe, roekoe,
roekoe, roekoe, roekoe, roekoe.
Terug
naar overzicht
De
toverfluit
(met
dank aan Gerard van der Scheer voor het sturen van de tekst)
Jan
kreeg een mooie toverfluit
Met
wonderzoet geluid.
De
tonen van dat instrument
Die
werkten heel was uit.
Want
speelde hij van wied...wied...wied,
Dan
had geen enkel mens verdriet.
Men
danste vrolijk in het rond,
De
benen van de grond.
Refrein:
Van
tu, tem,tiereleire, wied… wied…wied,
Weg
waren zorgen en verdriet.
Men
moest wel dansen een- twee- drie,
Wat
wond're melodie.
Eens
dat Jan heel geen werklust had,
Nam
hij de toverfluit.
Zijn
baas had juist een kwaaie bui,
En
riep: "Wat voer jij uit?"
Doch
nauw'lijks klonk het wied…wied...wied,
Of
kijk de baas weerstond het niet.
Hij
tilde vlug zijn benen op
En
danste in galop.
Refrein
"Maar
beste man" zo riep zijn vrouw,
"Hoe
kan je dat nou doen?"
"Moet
jij op straat aan 't dansen gaan,
Kom
houd toch je fatsoen."
Maar
nauwelijks hoorde zij de fluit,
Of
huppelde de kamer uit.
Ze
nam haar rokjes bij elkaar
En
sprong en danste maar.
Refrein
De
kat liep zoekend door het huis
En
riep: "miauw, miauw."
Ze
keek door het openstaande raam,
En
zag opeens de vrouw.
En
voor zij wist hoe zij het had,
Daar
danste ook de dikke kat.
Haar
achterpootjes op de grond
Heel
vrolijk in het rond.
Refrein
De
hond kroop snuffelend uit het hok.
En
onder luid geblaf,
Komt
hij al kwispelend met zijn staart,
Op
't vrolijk troepje af.
Maar
ook de oude poedelhond
De
blijde tonen niet weerstond.
En
met zijn pootjes stijf en stram,
De
malste sprongen nam
Refrein
Een
dikke visvrouw kwam voorbij
En
zei: "Wat is dat hier?"
Maar
nauwelijks hoorde zei wied…wied…wied,
Of
danste met plezier.
En
bij het tonen van de fluit,
Kroop
ook de vis het mandje uit.
De
paling draaide op zijn staart
In
wonder snelle vaart.
Refrein
Daar
kwam ook een bode aan,
Die
schudde het wijze hoofd
En
dacht: "Zijn al die mensen dol?
Of
van het verstand beroofd?"
Maar
aanstonds hoorde hij de fluit,
Of
schaterde en proeste het uit.
Hij
sprong al op, een twee - een twee,
En
draaide vrolijk mee.
Refrein
De
meester kwam er met de klas,
In
't vrije speelkwartier.
De
kind'ren dansten vrolijk mee
En
juichten van plezier.
En
bij die wond're muziek,
Werd
ook de meester vlug en kwiek.
Vlug
tilde hij de benen op,
En
danste hop-hop-hop.
Refrein
Zo
ging het heel de dag maar door.
Wie
kijken kwam, o wee,
Werd
vrolijk bij de eerste toon
En
draaide dad'lijk mee.
Een
linnennaaister keurig net,
Die
danste en gierde van de pret.
Een
bakkersjongen met een taart
Ging
mee in dolle vaart.
Refrein
Een
dame met een parasol,
Gesierd
met lint en strik,
Die
draaide als een tol in 't rond,
En
had de grootste schik.
Een
schoorsteenveger zwart als roet,
Een
heertje met een hoge hoed,
Ze
lachten vrolijk en tevreê,
En
draaiden alles mee.
Refrein
En
's avonds danste heel de buurt.
De
schemering viel ras
En
Jan dacht, toen het donker werd,
Dat
komt mij goed van pas.
Want
midden in een woest galop,
Daar
hield de deugniet plots'ling op,
Verdween
er met de toverfluit
En
was 't met dansen uit.
Refrein
Men
keek versuft naar alle kant,
De
kind'ren geeuwden luid.
De
mensen vielen hijgend neer,
En
zuchten...O die fluit.
Ze
lagen tot de morgenstond,
Met
stijve benen op de grond.
En
't duurde een hele tijd voordat,
Men
lust in werken had.
Refrein
Terug
naar overzicht
De
uil zat in de olmen
De
uil zat in de olmen
Bij 't vallen van de nacht
En op de gindse heuvel
Antwoordt de koekoek zacht:
Koekoek koekoek koekoek koekoek koekoek
Koekoek koekoek koekoek koekoek koekoek
Terug
naar overzicht
De
veldmuis
(tekst: Bernard Diamant / muziek:
David Tomkins)
Een
veldmuis vond in 't beukenbos
Een
lege notendop
Hij poetste hem met vochtig mos
En
zand een beetje op
Hij maakte er twee wieltjes aan en zei
Mijn
fiets is klaar
Nu rijd ik van de heuvel af
Zonder
het minst bezwaar
Nu rijd ik van de heuvel af
Zonder
het minst bezwaar
Hij
deed zoals hij had gezegd
En
ging bij volle maan
Met fiets en al op 't topje
Van
een hoge heuvel staan
Hij trok z'n pootjes op en hup
Daar
ging het naar omlaag
Da's - voor een muis in elk geval
Toch
wel een hele waag
Da's - voor een muis in elk geval
Toch
wel een hele waag.
Maar
halverwege, au
Daar
kwam z'n staartje tussen 't wiel
De notedop sloeg om en om
Zodat
de veldmuis viel
Beneden sprong hij hinkend rond
Maar
't allerergste was
De fiets bleef aan zijn staart geklemd
Zo
kwam de muis te pas
De fiets bleef aan zijn staart geklemd
Zo
kwam de muis te pas
Terug
naar overzicht
De
vogelverschrikker
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Boven in de kerselaar
Staat een pop van zessen klaar.
Om zijn lijf een lange jas,
Om zijn hals een lange das.
Wijd zijn armen uitgestrekt,
Staat hij daar, z'n hoofd gedekt
Met een hoge vilten hoed.
Weet je wat die man er doet ?
Al de dieven uit de heg,
Mussen, spreeuwen, jaagt hij weg.
Als een boeman staat hij daar
Boven in de kerselaar.
Maar de spreeuwen, hoe gemeen,
Gieg'len spottend om hem heen.
En wat stout gebroed
't Nestelt in de hoge hoed.
Terug
naar overzicht
De
wandelknaap
(met dank aan Andreas Jaquet voor
het sturen van de tekst)
Hier staat nu fris in Vlaanderland de
wandelknaap gereed
Een zak ter rugge staf in de hand de
kleren los en breed
Hij is zo vro zo welgezind zo fier op 't
wereldpad
Zijn vlagge wappert in de wind zijn
vlagge wappert in de wind
Zijn jeugd zijn jeugd zijn jeugd dat is
zijn schat
Zijn jeugd zijn jeugd zijn jeugd dat is
zijn schat
Flink stapt hij op verkenning uit tot
aan het Vlaamse strand
Hij leert begrijpen wat beduidt te
kennen goed zijn land
Te kennen goed zijn eigen volk zijn
grootheid zijne taal
Zijn nood zo dreigend als een wolk zijn
nood zo dreigend als een wolk
Hij leert hij leert hij leert het al te
maal
Hij leert hij leert hij leert het al te
maal
Terug
naar overzicht
De
watermolen
(E.P. de Boer/Corn. A. Galesloot)
Als
de morgen kriekt,
Blij
de molen wiekt
In
de wind die uit 't Westen komt waaien,
Fleurig,
fris gezicht,
Als
't morgenlicht
Blanke
wieken zo ijverig draaien.
Heel
de lange dag
Is
hij aan de slag
Om
het water, dat wast, te bedwingen.
Hoe
het bruist en spat
Uit
het molengat
Kolkend,
wielend in went'lende kringen.
Tot
de schemering
Wiekt
het rappe ding;
't
Laatste rood van de zon in de zeilen.
Als
de avond valt
Zie
'k z'n rank gestalt'
Zoetjes
aan in de dampen verijlen.
Terug
naar overzicht
De
waterwagen
(tekst: Henriette Dietz/muziek: Kor
Kuiler)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Spetter de sputter de spat
De straten krijgen een bad
De nufjes schrikken, wip ! Opzij !
Mijn schoen word nat mijn kleedj'
erbij
Oh foei wat een last is dat,
Zoo'n waterwagen door de stad.
Spetter de sputter de spat
De straten krijgen een bad
De jongens nee, die schrikken niet.
Hoor Frits en Bob en Hein en Piet
"De waterwagen komt er aan
Toe, zullen wij er achter gaan ?"
Spetter de sputter de spat
De jongens nemen een bad
Een stortbad op hun hoofd en nek
't Gaat langs hun rug van lek lek lek
!
Hoera, hoera wat pret is dat
Zoo'n waterwagen door de stad.
Terug
naar overzicht
De wilgen
(C.S.Adema van Scheltema)
(met dank aan Fred de Haan voor het
sturen van de tekst)
Daar waren eens zeven wilgen
In ene boerenwei,
Die droegen grote pruiken op
Hun oude harde houtenkop,
En stonden in een rij.
En hunne pruik met haren
Die kwam nooit tot bedaren
Ze knikten al maar: 'Ja en neen',
Wat dat wou zeggen wist er geen.
Toen kwamen er heel veel vogeltjes-
Die bouwden daar hun nest,
Die woonden allen paar aan paar,
En leefden leutig met elkaar,
En vonden 't opperbest.
En ieder zong een liedje_
Van wiede-wiede-wiedje,-
Maar al de wilgen riepen: 'Och,
Wat schreeuwen daar die vogels toch !'
Toen kwam de wilde wervelwind-
Die ziet ze daar zo staan,
En draait zich driemaal om en zeit:
'Wat 's dat nou voor parmantigheid !'
En waait zó op ze aan-
Eerst deden ze nog deftig,
Maar 't werd hun gauw te heftig-
Toen riepen ze allen door mekaar:
'O jeminee wat is dat naar !'
Toen kwam een grote regenbui-
Die keek heel boos en zei:
'Die pruiken vind ik veel te hoog,
Dat 's geen fatsoen, die zijn te
droog-
Daar moet wat water bij !'-
De wilgen snikten en steenden:
'Wat is dat nat'- ze weenden !
'O !'riepen ze met 'n lang gezicht
Nee dat vergeten wij niet licht !'
Toen kwam een dikke bonte koe-
Die snoof zo 's en zei: 'wel
Zo`n wilgeblaadje mag ik graag,
Dat 's juist goed voor een volle maag
En voor een zwak gestel !
'k Mag zeker van uw pruiken
Wel 'n kleinigheid gebruiken ?'-
De wilgen zuchtten elkander toe:
'Wat zeg je nou van zó een koe !'
Toen werd op 't laatst hun pruiken bol
Zo alleraakligst lang,
Dat iedereen van schrik wegliep-
De vogels riepen: 'piep piep piep !'
En werden ook wat bang.
En ieder zei: 'wat vreeslijk !
Dat 's zeker ongeneeslijk !'
De wilgen dachten: 'Dat 's juist fijn,
't Bewijst dat wij van adel zijn !'
Toen kwam de boerenkapper aan,
Die had een lange schaar-
En knipte met een grote hap
Zo maar op éénmaal: knip-knip-knap,
Door al dat wilgenhaar !-
Zij schrokken zelf verbazend,
Maar de and'ren lachten razend,
En riepen allemaal brutaal:
'Wat bennen jullie nou weer kaal !'
Terug
naar overzicht
De
winter is voorbij
(melodie
Die Winter is vergangen)
De
winter is verdwenen
Thans
lacht de lieve mei
De
bloempjes zijn verschenen
Dat
stemt ons hart weer blij
De
winter met zijn vlagen
Zijn
koude, scherpe wind
Zal
ons niet langer plagen
De
mei is onze vrind
De
leeuw'rik stijgt naar boven
En
jubelt hoog zijn lied
Wij
willen met hem loven
Wat
gul de mei ons biedt
Luid
klinken onze zangen
De
schone mei ter eer
Hij
stilde ons verlangen
Naar
zachter, mooier weer
Wij
willen meifeest vieren
Al
in het groene gras
Met
bloemen ons versieren
Alsof
het bruiloft was
Wij
dansen en wij springen
En
dart'len door de wei
Terwijl
we rustig zingen
Een
loflied op de mei
Terug
naar overzicht
De wip
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Jet, Marie en Fien,
Pieter, Jan en Flip,
Hebt je 't al gezien ?
Zitten op de wip.
Wip hoog, wip bom !
Gaan ze aldoor om en om.
Wip hoog, wip bom !
Gaan ze om en om.
Fientje houd je vast,
Pieter zit toch recht.
Straks val je d'r af,
Dat bekomt je slecht.
Wip hoog, wip bom !
Gaan ze aldoor om en om.
Wip hoog, wip bom !
Gaan ze om en om.
O, wat gaat dat fijn !
Fientje geeft een gil...
Zou ze duiz'lig zijn,
Houd de wip maar stil.
Wip laag, wip stil,
Niemand die meer wippen wil.
Wip laag, wip stil,
Niemand die meer wil.
Terug
naar overzicht
De
witte wereld
(met dank aan Kees Veltman en voor
het sturen van de tekst)
’t Is vandaag de witte wereld
Straat en veld en boom en dak
Alles heeft zich weggedoken
In het witte winterpak.
Ik alleen loop blauw en bont
Van de koude hier in ’t rond
Langs den witbesneeuwden grond
Langs den witbesneeuwden grond.
Wacht eens, ik ga ballen maken
Of een sneeuwpop van stavast
Jongens komt, dan is de koude
Geen van allen ons tot last.
Zoo je graag ontdooien wou
Steekt de handen uit de mouw.
Dat ’s uitmuntend voor de kou.
Dat ’s uitmuntend voor de kou.
Wilt ge een vesting bombarderen
Of een grenadier verslaan
‘k ben je man bij alle spelen,
’t komt er niemendal op aan.
Flink zoo, makkers trekt van leer
Witte vogels, daal ter neer.
Dat is prachtig winterweer.
Dat is prachtig winterweer.
Terug
naar overzicht
De zak
op de rug
(L. Koops / J.D. van Ramshorst)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
De zak op de rug en de stok in de hand,
Heila, hi Ho !
Zingende dwalen en zwerven door 't land, Heila, hi ho !
Over de velden en over de wei,
Over de stralende, jub'lende hei,
Waar in de wolken de leeuwerik zingt,
En waar de lucht je tot jub'len dwingt,
Heilo, hi ho ! Heilo, hi ho! Heilo, hi ho !
Over de sloten met biezen en blom, Heila,
hi ho !
Juichende, zingende vogels rondom, Heila, hi ho !
Ver van de mensen, door struik en door bos,
Rollen en buit'len op 't mollige mos,
Waar zacht de wind door de bladeren suist,
En door de boomtoppen ritselt en ruist,
Heila, hi ho ! Heilo, hi ho! Heilo, hi ho !
Over de duinen, langs 't woelige nat,
Heila, hi ho !
Waar 't water in vlokken om d'oren ons spat, Heila,hi ho !
Woelige, schuimende golven der zee,
Dwingen tot jub'len en zingen ons mee.
Klim dan het duin op en schreeuw er eens luid,
Jub'lend en juichend je levenslust uit !
Heila hi ho! Heilo, hi ho! Heilo, hi ho !
Terug
naar overzicht
De zieke
hond
(S. Franke/J. Mackenzie)
Onze hond die was ziek,
't Is bepaald rimmetiek,
Zei de kat, zei de kat
En de poes, op een hol,
Haald'een heel flesje vol
Medicijn, medicijn
Als 't u blieft, sprak de poes,
Drink nu op, lieve Does,
't Is zo goed, 't is zo goed.
En de hond nam een slok,
Dat het klonk als een klok,
't Flesje leeg, 't flesje leeg
Eén, twee, drie ging de pijn,
Voor ons poesjes medicijn
Op de vlucht, op de vlucht.
En zo werd onze hond,
In een wip weer gezond,
Door de poes, door de poes,
Schoon genezen door een kat,
Zeg geloven jullie dat ?
Ikke niet, ikke niet, ikke niet,
Ikke niet !
Terug
naar overzicht
De
zigeunerstam
(op de melodie van "Daar was laatst
een meisje loos”)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Wij zijn een zigeunerstam,
Die graag zwerven,
Die graag zwerven.
Wij zijn een Zigeunerstam,
Die graag zwerven, kom sluit bij ons
aan.
Met een kar met paard ervoor,
Gaan wij zwerven,
Gaan wij zwerven.
Met een kar met paard ervoor,
Gaan wij zwerven, zwerven maar door.
Koken ons potje op houtvuur,
Moe van het zwerven,
Moe van het zwerven.
Koken ons potje op houtvuur,
Moe van het zwerven in de natuur.
En als de maan de kar verlicht,
Doen wij zwervers,
Doen wij zwervers.
A1s de maan de kar ver1icht,
Doen wij zwervers ons ogen dicht.
Terug
naar overzicht
Den
uil
Den
uil die op den peerboom zat,
Den
uil die op den peerboom zat,
En
bovenzijn hoofd daar zat er een kat,
Van
sim-me-don-dei-ne van fa-ri-lon-la,
En
bovenzijn hoofd daar zat er een kat,
Den
uil vivat, den uil vivat !
Den
uil die schoot in enen droom,
Den
uil die schoot in enen droom,
En
viel van boven neer den boom,
Van
sim-me-don-dei-ne van fa-ri-lon-la,
En
bovenzijn hoofd daar zat er een kat,
Den
uil vivat, den uil vivat !
't
Was daar dat hij zijn pootje brak,
't
Was daar dat hij zijn pootje brak,
Men
prommelde hem al in enen zak,
Van
sim-me-don-dei-ne van fa-ri-lon-la,
En
bovenzijn hoofd daar zat er een kat,
Den
uil vivat, den uil vivat !
Men
droeg hem dan naar den doktoor,
Men
droeg hem dan naar den doktoor,
De
juffrouw die kwam zelve voor,
Van
sim-me-don-dei-ne van fa-ri-lon-la,
En
bovenzijn hoofd daar zat er een kat,
Den
uil vivat, den uil vivat !
Men
trok hem wel zes onsen bloed,
Men
trok hem wel zes onsen bloed,
't
Is jammer dat hij sterven moet,
Van
sim-me-don-dei-ne van fa-ri-lon-la,
En
bovenzijn hoofd daar zat er een kat,
Den
uil vivat, den uil vivat !
(prommelen
= frommelend instoppen)
Terug
naar overzicht
Des
winters als het regent
Des
winters als het regent
Dan
zijn de paadjes diep, ja diep
Dan
komt dat loze vissertje
Vissen
al in dat riet
Met
zijne rijfstok, met zijne strijkstok
Met
zijne lapzak, met zijne knapzak
Met
zijne leren van dere domdere
Met
zijne leren leersjes an
Dat
loze molenarinnetje
Ging
in haar deurtje staan, ja staan
Omdat
het aardig vissertje
Voorbij
haar henen zou gaan
Met
zijne rijfstok, met zijne strijkstok
Met
zijne lapzak, met zijne knapzak
Met
zijne leren van dere domdere
Met
zijne leren leersjes an
Wat
heb ik u misdreven
Wat
heb ik u misdaan, ja daan
Omdat
ik niet met vreden
Voorbij
uw deurtje mag gaan
Met
mijne rijfstok, met mijne strijkstok
Met
mijne lapzak, met mijne knapzak
Met
mijne leren van dere domdere
Met
mijne leren leersjes an
Gij
hebt mij niets misdreven
Gij
hebt mij niets misdaan, ja daan
Maar
ge moet mij driemaal zoenen
Eer
gij van hier moogt gaan
Met
uwe rijfstok, met uwe strijkstok
Met
uwe lapzak, met uwe knapzak
Met
uwe leren van dere domdere
Met
uwe leren leersjes an
Terug
naar overzicht
Dichter
bij de bossen (Marslied)
(David
Tomkins/M. Overman-Zöllner)
Dichter
bij de bossen,
Dichter
bij de velden,
Dichter
bij de bloemen in de wei,
Al
de kleine sprookjes,
Die
ze ons vertelden,
Blijven
ons in later leven bij !
We
laten de stad
Voor
wat ze is.
Het
is er wel mooi,
Maar
nooit zo fris,
Nooit
zo fris als daar,
Waar
de bonte vlinders stoeien,
Om
de perelaar.
Dichter
bij de velden,
Dichter
bij de wolken,
Dichter
bij het leeuwerikenlied,
Wij
gaan met z'n allen
Bos
en hei bevolken,
Beter
soort ontspanning is er niet.
We
zijn al op mars
Gezond
en fris,
En
niemand zit dwars,
Hoe
ver het is.
Ver
is het alleen
Voor
Jan Salie's achterneven,
Nou,
dat is er geen.
Terug
naar overzicht
Die
gevaarlijke straat
(O.G. Sterkenburg/K. Hamm)
Wanneer
ik mij des morgens vlug naar school denk te begeven,
Roept
moeder mij nog vaak terug en zegt: "Neen, luister even !
Loop
op 't trottoir nooit aan de rand,
Moet
gij soms over steken,
Dan
eerst goed naar de linkerkant,
Daarop
naar rechts gekeken !
Dan
eerst goed naar de linkerkant,
Daarop
naar rechts gekeken !"
"Loop
toch op 't midden van de weg vooral niet rond te staren,
En
speel er niet, mijn kind, ik zeg: Je leeft steeds in gevaren !
En
bij een kruispunt, denk daar bij:
Wie
schuins loopt kan licht falen.
Neen,
'k loop eerst recht naar d' overzij,
En
moet dat straks herhalen.
Neen,
'k loop eerst recht naar d' overzij,
En
moet dat straks herhalen."
Dat
zijn de lessen van mijn moe, ook vader kan niet zwijgen,
Maar
spreekt mij dikwijls ernstig toe, als ik mijn fiets wil krijgen:
"Houd
altijd rechts zoveel je kunt,
Laat
alles links passeren;
Wie
al die haasters voorrang gunt,
Zal
menig onheil weren.
Wie
al die haasters voorrang gunt,
Zal
menig onheil weren."
"Moet
gij naar rechts soms op uw tocht, de bocht moet klein genomen;
Ligt
links de straat, neem wijd de bocht, om zo daarin te komen.
Wijs
goed de richting aan, die raad,
Wil
'k u op 't hart nog drukken;
Wie
kalm, voorzichtig is op straat,
Voorkomt
veel ongelukken !
Wie
kalm, voorzichtig is op straat,
Voorkomt
veel ongelukken !
Terug
naar overzicht
Die
kat komt weer
(Zuid-Afrikaans)
(met dank aan Henk Best voor het
sturen van de tekst)
Ou Jan Wilson had 'n kat wat die ou niet
wou verlaat:
Hij 't alles geprobeer om die kat daar
weg te keer;
selfs na die predikant om raad van hom
te krij.
Die predikant die het gesê: "Die kat
moet daar bly".
Refrein:
Maar die kat kom weer, want hy wil nie
langer wag.
Die kat kom weer, net die volgende dag;
Die kat kom weer. Glo vir my dis waar
Die ander dag môre was die kat weer
daar.
Hullie sit hom op 'n skip en hul stuur
hom na Ceylon,
Die skip die was gelaai met 'n twaalf
duisend ton.
Nie ver nie van die land daar het die
skip gesink,
En al die matrose op die skip het
verdrink.
Refrein
Hullie sit hom in 'n ballon en die man
die neemt dit aan;
Die katje te gaan gee vir die man in die
maan.
Die ballon het gebars met 'n enorme
skoot,
Tien myl van die plek lê die man
morsdood.
Refrein
Terug
naar overzicht
Die
stoute mussen
(H.J. v.d. Kraan)
Hoor,
stoute mussen groot en klein,
Ik
wou j' eens even spreken.
Je
weet, dat ik je lijden mag,
Je
moogt een potje breken.
Al
neem je soms in 't hoendehok
Een
deel van 't kostelijk eten,
Ik
laat je altijd stil begaan
En
heb 't je nooit verweten.
Maar
sinds het graan op 't stoppelveld
In
schoven staat te drogen,
Maak
jullie 't mij wat al te grof
Dát
kan ik niet gedogen.
Ik
gun je graag een voedzaam maal,
En
zie niet op wat koren,
Maar
dat je zoveel graan vermorst,
Dat
is niet naar behoren.
Je
pikt maar met je snavel wild
In
al die kostlijk' aren,
En
of je duizend korrels strooit,
Je
weet van geen bedaren.
De
bodem ligt bezaait met graan,
Zo'n
spilzucht kan me deren,
Ik
koop m' een splinternieuw pistool
En
zal je mores leren.
Terug
naar overzicht
Die
winter is vergangen
Die
winter is vergangen
Ik zie des meien schijn
Ik zie die bloempkens hangen
Dies is mijn hart verblijd
Zo ver aan gene dale
Daar is 't genoegelijk zijn
Daar zingt die nachtegale
En zo menig woudvogelkijn
Ik
wil de mei gaan houen
Al in dat groene gras
En schenken mijn boel die trouwe
Die mij de liefste was
En bidden dat zij wil komen
Al voor haar vensterken staan
Ontvang de mei met bloemen
Hij is zo wel gedaan
Een
variant hierop is:
Die
winter is vergangen
Ik
zie des meis virtuut
Ik
zie de loverkens hangen
Die
bloemkens spruten in 't kruud
In
genen groenen dale
Daar
is 't genoeglijk zijn
Daar
zingt die nachtegale
En
zo menig vogelkijn
Ik
wil de mei gaan houwen
Voor
mijn liefs vesterkijn
En
schenken mijn lief en trouwe
Die
alderliefse mijn
En
zeggen: "lief wil komen
Voor
uw klein vensterken staan
Ontvangt
de mei met bloemen
Hij
is zo schone gedaan"
Het
viel eens hemels dauwe
Voor
mijn liefs vensterkijn
Ik
weet geen schoonder vrouwe
Zij
staat in 't herte mijn
Zij
houdt mijn hert bevangen
't
welk is zo zeer doorwond
Mocht
ik haar troost ontvangen
Zo
waar ik gans gezond
Terug
naar overzicht
Do, do
kindje
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Do, do, kindje van de minne,
Slaap en doe je oogjes toe !
Heb je gene vaak, je moet niet slapen,
Heb je gene honger, je moet niet gapen.
Do, do, kindje van de minne,
Slaap en doe je oogjes toe !
Terug
naar overzicht
Door
de bossen, door de heide
Door
de bossen door de heide
Door het zomerdronken land
Over heuvels en rivieren
Windgekust en zonverbrand
Trekken wij, licht en vrij
Uit de aldagsgeest
Naar het levensfeest
Luit en lach, merelslag
Konden ons vakantiedag!
Frisse jeugd zal vrijheid zingen
Met de vogels van het woud
Jonge harten, vol verlangen
Jagen dromen eeuwenoud
In vallei, veld en wei
Waar de bijen zijn
Ook de blijen zijn
Zon en wind zijn onz' vrind
En het gouden uur ons mint.
Laat het stromen, laat het stormen
Onze voet wordt niet vermoeid
Want wij weten dat ons morgen
Nieuwe schoonheid openbloeit
Hij die kniest, moed verliest
Vindt de bronnen niet
Naar 't geluksgebied
Maar wie lacht, werpt de vracht
Van zijn zorgen in de nacht
Laat de zilv'ren fluiten klinken
Laat de zang de ronde gaan
Al de zwervers van de wegen
Zullen onze roep verstaan
Makkers op, in galop!
Komt met pak en zak
Spant de snaren strak
Groen en dons, goud en brons
Heel de wijde aard' zij ons
Terug
naar overzicht
Drie
schuintamboers
Drie
schuintamboers, die kwamen uit het Oosten
Drie schuintamboers, die kwamen uit het Oosten
Van je rombom, wat maal ik er om
Die kwamen uit het Oosten, rombom
Een van de drie
zag daar een knappe deren
Zeg meisje lief, mag ik met jou verkeren?
Van je rombom, wat maal ik erom
Mag ik met jou verkeren? rombom
Zeg jongeman,
dat moet je vader vragen
Zegt die van ja, dan kun je mij behagen
Van je rombom, wat maal ik erom
Dan kun je mij behagen, rombom
Zeg ouwe heer,
mag ik je dochter trouwen
Zij is voorwaar, de schoonste aller vrouwen
Van je rombom, wat maal ik erom
De schoonste aller vrouwen, rombom
Zeg jongeman,
zeg mij wat is je rijkdom
Zeg jongeman, zeg mij wat is je rijkdom
Van rombom, wat maal ik erom
Zeg mij wat is je rijkdom, rombom
Mijn rijkdom is,
daar wil ik niet om jokken,
Mijn rijkdom is, een trommel en twee stokken
Van rombom, wat maal ik erom
Een trommel met twee stokken, rombom
Zeg jongeman,
dan mag je haar niet trouwen
Zeg jongeman, ik wil mijn dochter houwen
Van je rombom, wat maal ik erom
Ik wil mijn dochter houwen, rombom
Zeg ouwe heer,
ik heb nog iets vergeten
Zeg ouwe heer, dit dien je nog te weten.
Van je rombom, wat maal ik erom
Dit dien je nog te weten, rombom
Mijn vader is
Groothertog van Brittanje,
Mijn moeder is de Koningin van Spanje
Van je rombom, wat maal ik erom
De Koningin van Spanje, rombom
Zeg jongeman,
dan kun je haar wel trouwen
Nee ouwe heer, je kunt je dochter houwen
Van je rombom, wat maal ik erom
Je kunt je dochter houwen, rombom
Terug
naar overzicht
Droom,
kindeke, droom
(Annie de Hoog-Nooij/Bart Verhallen)
Droom,
kindeke, droom,
Dat
't leven is een paradijs,
Je
bed een betoverend goudpaleis,
En
al je poppen prinsjes zijn.
Droom,
kindeke klein !
Droom,
kindeke, droom,
Dat
vreugde komt voor droefenis,
Dat
's levens leed geleden is,
De
mensen steeds verdraagzaam zijn !
Droom,
kindeke klein !
Droom,
kindeke, droom,
Want
als je strakjes wakker bent,
In
'n wereld komt, die jij niet kent,
Dan
zal 't zo moeilijk voor je zijn.
Droom,
kindeke klein !
Terug
naar overzicht
Duifje met uw blanke veren
(met dank aan Wilma van de Laar voor
het sturen van de tekst)
Duifje met uw blanke veren, vlieg je
niet door alle weer,
kan geen regenbui u deren, als gij
rond dwaalt heind' en veer ?
Altijd proper in uw kuif, zijn uw
pluimpjes blanke duif,
altijd proper in uw kuif, zijn uw
pluimpjes blanke duif.
Waait het al te hard daar buiten, ik
kan thuis zijn als je wil,
'k vind er al mijn kornuiten, in de
warme duiventil.
Maar ter vlucht of op het slag, 't
net mijn veertjes alle dag,
maar ter vlucht of op het slag, 't
net mijn veertjes alle dag.
Opgewekt en glad gestreken, met wat
water uit mijn pot,
ben ik waard te zijn bekeken, in de
lucht en in het kot.
Kinders nu ge-'t kunstje weet, 'k bid
dat ge het nooit vergeet,
kinders nu ge-'t kunstje weet, 'k bid
dat ge het nooit vergeet.
Terug
naar overzicht