Uit (groot)moeders tijd
Laat dat koppie achterover
hangen
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Twee vrienden gingen te samen uit,
Zingende luid Hoezee !
Zij namen met hun tweetjes
Een half kannetje mee.
Maar toen ze op weg gekomen waren
En gek van al het nat,
Toen zagen zij een lieve meid,
Waar zij wel zin in had.
Refrein:
Laat je koppie achterover hangen,
Je beenen en je buikie flink vooruit
En je armen dan als twee slangen,
Zie je er dan niet lief en aardig uit.
Drie dametjes, uit de bekendste buurt
Van heel Rotterdam,
Die waren op een avondje
Eens uit met hunnen man,
En toen zij op de Hoogstraat kwamen
Toen riep 't geheele publiek:
Wat zijn dat voor een enge kerels
Van Bet, Jo en Griet ?
Refrein
In 't Circus is laatst gebeurd,
Daar zag men eenen man,
Die met een paar gouden ballen
Op zijn neus balanceren kan.
Maar toen hij daarmee bezig was,
Toen zag men allemaal
Een mannetje met raare benen,
En 't hoofdje o zoo kaal.
Refrein
Terug
naar overzicht
Laat
de deur voor je kinderen open
(tekst:
Joop Korver/muziek: Coen van Orsouw/uitvoering: De Trekvogels)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Als
een kind eenmaal groot is geworden,
Komt
voor d' ouders een moeilijke tijd,
't
Kind wordt ouder en weet alles beter,
Voert
van binnen een hevige strijd:
Refrein:
Laat
de deur voor je kinderen open,
Eenmaal
komt vroeg of laat het berouw.
En
al zijn ze ook kwaad weggelopen,
Ze
blijven toch steeds verlangen naar jou !
Soms
verlaat hij in kwaadheid de woning,
En
zijn houding wordt hard en vaak stug,
Maar
na jaren zoekt hij als een zwerver,
Weer
de weg naar zijn ouders terug:
Refrein
Terug
naar overzicht
Laat
me alleen
(Ned. tekst: Gerrit den Braber/muziek:
Dossena)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Laat me alleen, alleen met al m'n verdriet,
't Is beter dat ik nu geen mensen zie.
Niemand, niemand, niemand die me troosten kan,
Ik verloor m'n toekomst en m'n doel.
Laat me alleen, alleen met al m'n verdriet,
Een glimlach, dat wordt pure parodie.
Iemand, iemand, iemand die gelukkig was,
En verloor, begrijpt wat ik nu voel.
Daar staat z'n laatste glas,
Wat sigaretten, z'n laatste boeket.
En ik voel z'n hand op m'n schouder,
En z'n stem: "alles komt wel weer goed."
Maar dat kan ik niet geloven,
Want dit afscheid was heel anders dan voorheen.
Dit was definitief, ik ben nu alleen,
En hem had ik zo lief.
Refrein
"Ach, 't komt toch wel vaker voor.
Straks komt je glimlach weer,
Ben je 't weer vergeten."
Dat zegt iedereen in mijn omgeving.
Maar ik weet: dat is niet waar,
Deze tranen drogen niet.
Dit gevoel gaat nooit voorbij,
Want verdriet om echte liefde.
Is te zwaar om mee te dragen,
Want hij houdt niet meer van mij.
Laat me alleen, zeur niet tegen mij.
Ik mis 'm, de wond is nog te vers,
Als ik alleen ben voel ik hem dichtbij.
Refrein
Laat me alleen
Terug
naar overzicht
Laat nu de klok maar luiden
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Laat nu de klok maar luiden
Laat nu de klok maar slaan
Want er is geen club in Holland
Die ons nu nog kan verslaan , het zal
niet gaan
Want er is geen club in Holland
Die ons nu nog kan verslaan
Terug
naar overzicht
Lach
dan clown
(muziek: Jack Willard/tekst: Jack Bess & Jack Willard)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Clown,
doe je plicht.
Schmink
jezelf een dwaas gezicht.
Al
trilt je hart van pijn.
Straks
kun je gauw,
Naar
het sterfbed van je vrouw.
Nu
moet je echter vrolijk zijn.
Refrein:
Arme
Clown,
't
Publiek zit te wachten.
Arme
Clown,
Verberg
je gedachten.
Applaus,
zal je tranen belonen.
Kom,
het gordijn wordt gehaald,
Jij
moet je masker vertonen,.
Men
heeft voor jouw grappen betaald,
Arme
Clown, laat weer met je sollen.
Arme
Clown,
Men
lacht om jouw grollen.
Jij
moet de mensen vermaken,
Ondanks
je innerlijk leed.
Lach
dan. Clown, lach dan, Clown,
Het
leven is wreed.
Reeds
is het licht,
Op
het voorgordijn gericht.
Schel
klinkt de marsmuziek,
Smoor
nu je pijn,
Want
een Clown moet grappig zijn.
Dat
wordt verlangd door het publiek.
Refrein
Terug
naar overzicht
Lach
iedere dag
(Lou Bandy 1938)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
'k
Lach van 's morgens vroeg tot laat
'k
Lach in huis en op de straat
'k
Lach om iedereen
'k
Lach het mooie leven aan
'k
Lach net als een pindaman
'k
Lach om wat de wereld zegt
'k
Lach wat krom is recht
Want
ik kan toch van huilen niet leven
En
verlaat U tot duizenden lacht
Lach
iedere dag als je de mooie zon weer ziet
Lach
iedere dag en springt maar vrolijk rond
Lach
iedere dag, dan plaag je ook een ander niet
Lach
iedere dag want lachen is gezond
Wat
geeft het of je loopt te prakkizeren
Want
als je ziek wordt dan ben je nog verder van de wijs
Lach
iedere dag als je de mooie zon weer ziet
Lach
iedere dag want lachen is gezond.
Lach,
wanneer de beurs niet stijgt
Lach
als je de klappen krijgt
Lach
om iedere kale kop
Lach
eens om een mop
Lach
om ieder vals gebit
Lach
omdat gebit niet zit
Lach
omdat je het 's nachts terecht
Op
je nachtkastje legt
Maar
als je niet oud wenst te worden
Hang
je dan als je jong ben maar op
Lach
iedere dag als je de mooie zon weer ziet
Lach
iedere dag want lachen is gezond.
Maar
mijn lachen dat vergaat
Als
ik soms eens 's avonds laat
In
het stille nachtelijk uur
Naar
de hemel tuur
Want
dan voel ik me zo klein
Denk
wat zou daar boven zijn
Maar
dat doe ik niet te lang
Anders
word ik bang
Dan
verlang ik maar weer naar de morgen
Als
de zon me weer vrolijk begroet
Lach
iedere dag als je de mooie zon weer ziet
Lach
iedere dag want lachen is gezond.
Terug
naar overzicht
Lambeth
dans
(August de Laat, Bob
Scholte 1938)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Ik
breng thans de lambeth dans
Ik
ben daarin al heel wat mans
Daar
heb ik mijn zinnen op gezet
Ik
dans hem ook nog 's nachts in 't bed
Ik
dans, dans de lambeth dans
En
die geeft me reuze sjans
U
leert direct hoe of dat moet
Kijk
maar goed.
Refrein:
Haak
je armen in elkaar
Maak
nou die beweging maar
Kijk
je hebt al sjans
Dat
doet de lambeth dans
Die
het éénmaal heeft gedaan
Kan
niet stil meer blijven staan
Dat
gaat probaat
Kijk
eens hoe leuk dat staat
Nu
mag U met Uw voeten
Even
elkaar ontmoeten
Nu
even met je toet zo
't
Moet zo, goed zo
Hand
naar achteren, zo da's mooi
En
nu roept U allemaal hoy
't
Gaat al met glans
Dat
is de lambeth dans.
Als
U in de zorgen zit
Onthou
dan gauw alleen maar dit
Zolang
je danst en zingt een lied
Voelt
elk zich blij en treur je niet
Kop
op vergeet de tijd
Al
je zorgen en narigheid
En
knies je saam, soms man en vrouw
Luister
gauw.
Refrein
Terug
naar overzicht
Lang
zal die leven (dat stond er op die taart)
(Max
van Praag 1951)
Er
was er eentje jarig
En
de buurt die toog daar heen
Ze
wilden feliciteren
Maar
ze kwamen niet alleen
Ze
torsten met elkander
Zo
een taart van negen pond
Maar
's avonds was er ruzie
En
die taart vloog in het rond
Refrein:
Lang
zal die leven
Dat
stond er op die taart
Lang
zal die leven
Al
werd die kort bewaard
Lang
zal die leven
Die
taart was weer 's best
De
room zat aan 't plafond
En
op de jarige zat de rest
De
bakker van die taart
Werd
namelijk moe van het gevit
Want
iedereen die zei
Wat
of er in dat ding wel zit
En
riep toen als je even wacht
Dan
zal ik het laten zien
Toen
liet ie het in zijn woede
Ook
nog voelen bovendien
Refrein
Eeen
man van in de zestig
Zei
ik knijp een oogje dicht
Ik
doe niet aan die veldslag mee
Ik
krijg op m'n gezicht
Hij
had het nog maar net gezegd
Of
het bleek dat hij niet loog
Er
vloog een roomklont door de lucht
En
boven op z'n oog
Refrein
De
gastheer had een grote mond
Hij
riep 't is een schandaal
Hoe
durf je met zo'n taart
Vooruit
naar buiten allemaal
Maar
het middenmootje taart
Waarop
een brandend kaarsje stond
Dat
schoven ze naar binnen
En
hij hield meteen zijn mond
Refrein
Ze
gingne weer naar huis toe
Toen
de taart er was geweest
Bedankten
eerst de jarige
Voor
het mooi geslaagde feest
Geen
mens had van die taart geproefd
En
dat was juist de lol
Toch
had de buurt er dagenlang
De
mond nog steeds van vol
Refrein
Terug
naar overzicht
Langs
de Zuidzee-stranden
(Tekst:
Haag-Buysman-Hewezee/uitvoering Kilima Hawaiians)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
'k Ben weer terug na lang vervlogen jaren,
In
't Paradijs de stille Oceaan,
Het
palmenstrand waar jij en ik eens waren,
Verliefd
te zamen bij het licht der maan.
Refrein:
Langs
de Zuidzee-stranden,
Waar
de scheepjes landen,
Daar
loop ik te dwalen;
'k
Denk alleen aan jou,
'k
Weet nog hoe wij beiden,
In
die mooie tijden, tot elkander zeiden:
"
'k Zweer je eeuwig trouw."
d'
Avond was romantisch,
Vol
van zoete woorden.
Bij
Gitaar-accoorden, zong ik haar mijn lied.
'k
Hoop dat eens mijn droomen,
Tot
waarheid zullen komen,
En
jij mij hoort zeggen:
"Liev'ling
wordt mijn vrouw."
Terug
naar overzicht
Lapper
Krispijn
(met
dank aan Bei Cok voor het sturen van de tekst)
De
schoentjes gaan er met paren
En jammer, de mensen ook
Verstand komt niet voor de jaren
De liefde? Wat vuur en wat rook
Ach, wisten 't de vliegen en gaaien
Zij werden 't vrij leven niet moe
Ik zitte mijn schoentje te naaien
En trekke mijn draadje toe
Hoe groeide uit dat lustige Grietje
Die knorrige dolle katijf
Een lief als een hemelbietje
En nu zo een duivelig wijf
Vandaag al de winden aan 't waaien
En morgen nog bà, noch boe
Ik zitte mijn schoentje te naaien
En trekke mijn draadje toe
Wat heb je aan die pinten, die pijpen
Neem liever een druppel, een dop
Ei moet je dat elsen weer slijpen
Jees-Christus wat een eeuwig geklop
Ik mag me noch roeren, noch draaien
't Is al verkeerd wat ik doe
Ik zitte mijn schoentje te naaien
En trekke mijn draadje toe
Nu zit ze de passie te preken
Bij Anneken van den gebuur
En lapper, geen woordje te spreken
Is 't eten te zout of te zuur
Straks komt ze me kozen en aaien
Of zoeken naar bezem of roe
Ik zitte mijn schoentje te naaien
En trekke mijn draadje toe
Weet iemand, daar valt mij al weder
Dat schoenmakers-raadselken in
't Verschil tussen wijven en leder
Voor mij is het klaar gelijk tin
De wijven zijn vellen van haaien
En leder is 't vel van de koe
Ik zitte mijn schoentje te naaien
En trekke mijn draadje toe
Terug
naar overzicht
Lassie
(met
dank aan Fons Appermans voor het sturen van de tekst)
Klein
Jantje was een eenzaam jochie,
Zijn
moeder was al jaren heen,
Zijn
vader was een luie dronkaard,
Die
liet klein Jantje heel alleen.
Maar
't ventje had een aardig hondje,
Waarvan
hij hield met heel zijn hart.
Dat
hondje was zijn trouwe makker,
Die
deelde mee in vreugd' en smart.
Refrein
1:
Lassie
kleine trouwe Lassie,
Jij
was Jantjes grootste schat,
Jij
was Jantjes beste vriendje,
't
Mooiste dat hij ooit bezat.
Op
zek're dag nam Jantjes vader,
De
kleine Lassie met zich mee.
En
om aan geld voor drank te komen,
Verkocht hij
hem in een café.
Klein
Jantje werd toen ziek van heimwee,
Lag
weldra koortsig in zijn bed,
Waarbij
de schuldbewuste vader,
Zich
wenende had neergezet.
Refrein
1:
Het
ventje werd altijd maar zieker,
Riep
ijlend steeds maar Lassies naam.
Toen
klonk op zek're mooie avond,
Een
zacht gejank bij Jantjes raam.
De
vader opende het venster,
Waardoor
hij Lassie binnen liet.
Hij
bracht het hondje bij klein Jantje,
En
zei toen, snikkend van verdriet:
Refrein
2:
Lassie,
kleine trouwe Lassie,
Jij
kwam net te laat hier aan.
Want
je baasje is zo even,
Naar
de hemel toe gegaan.
Terug
naar overzicht
Later
dan zul je aan me denken
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ze
wist al van ’t leven, al was ze achttien jaar,
En
’s nachts, dan dronk ze whiskey in de één of d’and’re bar.
Een
avondje bij moeder, dat was er nooit meer bij.
Ze
schold dat mens geregeld uit, als die verdrietig zei:
Refrein
Later,
dan zul je aan me denken,
Om
alles wat je mij verwijt.
Van
al je woorden die me krenken,
Krijg
je later heel veel spijt.
Later,
dan zul je aan me denken,
Als
je alleen door ’t leven gaat.
Dan
zul je ’t weten en nooit vergeten.
Maar
later is het te laat.
Refrein
Terug
naar overzicht
Leentje
heet ze (Maurice Dumas)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ik
maakte, voor een korte tijd,
Eens
kennis met een lieve meid.
Ze
was in 't vrijen heel bekwaam,
Ik
weet niet eens haar achternaam,
Want
al die namen, ik vergeet ze,
Leentje
heet ze.
Ze
was zo lief, ze was zo raar,
En
vurig bloed doorstroomde haar,
Als
ze me pakte, ja hoe gek,
Had
'k overal een blauwe plek.
Als
zij me kustte zelfs, dan beet ze,
Leentje
heet ze.
Zij
had een kamer, heel alleen,
Daar
ging ik dikwijls met haar heen,
Gemeubileerd
was het charmant,
Een
canapé en 'n ledikant,
Als
z' goed aan 't vrijen is, dan zweet ze,
Leentje
heet ze.
Wanneer
ik met haar wand'len ging,
Hoe
stijf ze aan mijn arm dan hing,
En
zaten w' in een restaurant,
Was
ze beslist de beste klant.
Het
krachtigst en 't pikantste eet ze,
Leentje
heet ze.
Vier
spiegeleieren en daarna,
Een
grote portie kreeftesla,
Een
fles champagne en zowaar,
Een
reuzenportie kaviaar.
En
ik dacht: "Hereje, wat vreet ze !"
Leentje
heet ze.
En
na dat krachtige souper,
Moest
ik per auto met haar mee,
Haar
liefdevuur was zonder grens,
Ze
was precies een slangemens.
De
grootste nonsens, alles deed ze,
Leentje
heet ze.
Dan
was ze krachtig als een os,
En
wat ze greep liet ze niet los,
Het
gaslicht werd door haar, heel knap,
Getemperd
door een rooie kap.
Want
veel verlichting dat vermeed ze,
Leentje
heet ze.
Ze
ligt begraven nu een tijd
,
Ze
vree zich dood, die arme meid
,
En
toen ze daalde in haar graf,
Ik
haar een prachtig bloemstuk gaf
.
En
'k liet toen beit'len in een steentje,
Ze
heette Leentje.
Terug
naar overzicht
Leer
me vergeten
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ik
heb nimmer te voren geweten, wat liefde zeggen wou.
Die
heerlijke tijd is vergeten, vergeten alleen slechts door jou.
Ik
had nooit de verleiding, van Amor’s stem gehoord.
Je
gaf mij liefdesvreugd, later smart.
Je
zwoer mij liefde en brak toen je woord.
Nou
vraag ik je met bloedend hart:
Refrein:
Je
hebt mij leeren minnen, me trouweloos misleid.
Leer
mij nu ook vergeten, vergeten voor altijd.
Ik
kan het maar niet gelooven, ofschoon ik het zeker weet,
Je
werd me ontrouw dus leer me ook nou,
Dat
ik je weer vergeet.
De
liefde zoo valsch en nukkig, o had ik je nooit gekend.
Dan
leefde ik nu nog gelukkig en kende geen smart en ellend.
Dan
scheen nog de zon op mijn blijde levenspad,
Genoot
nog mijn vreugd wonderwel,
Was
het leven voor mij nog een hemelsche schat,
En
de aarde voor mij nu geen hel.
Refrein
Terug
naar overzicht
Lege beurs
(met
dank aan Anneke Nolles voor het sturen van de tekst)
Mijn beurs is leeg, de centen op,
Voorbij de vrolijke uren.
Ik krijg vooreerst geen tractement,
Hoe zal ik dat verduren ?
Terug
naar overzicht
Lena mijn
schone
(met dank aan Staaf Baetens voor het
sturen van de tekst)
Op een stille avond de wind ruiste zacht
alles scheen zo ingetogen
Een jongeling zat in 't midden van de
nacht bedrukt met het hoofd neergebogen
Maar in een struikgewas hoorde hij een
stem 't was Lena zij komt nog tot hem
z' Omhelzen elkaar zo vurig tegaar en
wenend smeekt hij nog tot haar:
Refrein:
Lena mijn schone waarom laat jij mij
alleen onder die bomen 'k smeek ik u gaat toch niet heen
Zij kwam stil nader mijn vriend vergeet
ik toch niet 't is de wil van mijn vader en zijnen wil die geschied
Van jongsaf o Lena heb ik u bemind toen
waren we nog maar zo kleine
Ik speelde met u ik was uwen vriend ik
denk nog aan die mooie tijden
Maar gij die zijt rijk en ik die ben arm
daarom bestaat er geen huwelijk
't Is daarom dat gij mij laat zo alleen
en 't einde zo'n droevig geween
Van jongsaf o Lena heb ik u bemind toen
waren we nog maar zo kleine
Ik speelde met u ik was uwen vriend ik
denk nog aan die schone tijden
Maar jij die bent rijk en ik die ben arm
daarom bestaat er geen huwelijk
't Is daarom dat jij mij laat zo alleen
en 't einde zo 'n droevig geween
Vaarwel lieve vriend hier is nog een
ring aanschouw hem bij tussenpozen
Want vader die heeft een andere vriend
al voor zijne dochter gekozen
Een laatste kus hun afscheid was wreed
hun hart gans gebroken door 't leed
Zij keert zich weerom verdwijnt even rap
terug weer in het struikgewas
Des anderendaags 'smorgens alles was in
feest otomobiels en voituren
Reden heen en weer men was blij van
geest wat gaat er vandaag toch gebeuren
De klokken die luiden den trouw die kwam
aan, maar op eens geschrikt
Te laat riep men dan ze reden daar over
een man
SLOT REFREIN:
Bloed zag men stromen Lena stapt uit de
voituur
Viel op den dode 't was nu ook haar
laatste uur
Daar lag nu Lena samen met haren minnaar
Nooit verenigd op aarde maar in de hemel
tegaar
Terug
naar overzicht
Lenie (ja pa !)
(tekst/muziek: Henk Scholten)
(met dank aan Marc Blokland
(†) voor het
sturen van de tekst)
De dochter van de buren, 'n knappe meid
van achttien jaar,
Met mooie blauwe ogen en een massa
krullend haar,
Die heeft de lente in haar bol,
En menig man brengt zij het hoofd op
hol.
En tegenwoordig staat zij dikwijls laat
nog in de gang,
Dan neemt zij innig afscheid van de één
of and're man.
Haar pa en ma zijn al in bed,
En de buren zijn getuige van het
nachtelijk duet:
Lenie, ja pa !
Kom nu naar boven !
Lenie, ja ma !
Kom nu naar bed.
Wij liggen uren wakker, dat gevrij daar
in de gang
Dat duurt nu, vind je zelf ook niet, wel
wat al te lang.
Lenie, ja pa ! 'k kom zo naar boven
Lenie, ja ma ! 'k kom zo naar bed
Wat zijn jullie vervelend, ga toch
slapen, 'k ben geen kind,
Dat risico loopt ieder als zijn dochter
wordt bemind !
Dit nachtelijke drama duurt dan soms tot
vier uur toe,
Want dan pas, 't is een schande, zijn ze
't afscheid nemen moe.
Dan keert de rust weer in de straat,
Tot dat het morgen dan weer verder gaat.
Dus luister jonggehuwden, heus vraag aan
de ooievaar,
Och breng me toch een zoon, en houd
gerust je dochters maar.
Dan slaap je altijd urenlang,
Want je zoon die vrijt gewoonlijk bij
een ander in de gang.
Terug
naar overzicht
Lentekind
(tekst: Ludo
Verbies/muziek:Arne Paasche Aasen/uitvoering: Orkest Zonder Naam/Karekieten/Drie
Musketiers)
Het
is een herinnering zoals zo velen
Maar
deze ene laat mij niet los
Wanneer
in het voorjaar de vlinders spelen
Dan
denk ik weer aan die dag in het bos
Daar
bij een huis als van hans en grietje
Zag
ik een kind zitten heel alleen
Haar
kleine stem zong een lenteliedje
Voor
duizend vlindertjes om haar heen
En
duizend vogels zijn toen gekomen
En
zongen vrolijk hun liedje voort
Het
schalde juichend door duizend bomen
En
heel de wereld heeft dat gehoord
En
overal is men blijven luisteren
Een
moment was het rumoer verstomd
Want
zelfs de mensheid moet even fluisteren
Als
voor het eerst iets van het voorjaar komt
Maar
ik alleen heb dat kind zien zingen
Daar
in dat woud op die zonnedag
Ik
zag haar aan en mijn ogen vingen
Uit
blijde ogen een lichte lach
En
dat is al wat mij is gebleven
Die
lichte lach als een snelle groet
Maar
ik heb nog nooit van mijn hele leven
De
lente zo van dichtbij ontmoet
Terug
naar overzicht
Let
op het jaartal
'Rein
is je Madchen beim Rheinischen Wein'
Zal
men nog jaren bezingen
't
Is ook geen kunst om begeesterd te zijn
Val
zulke prettige dingen
Maar
als je ooit voor het feit komt te staan
Dat
je toevallig de Rijn af moet gaan
Luister
dan wat mijn ervaring daar was
't
Komt je eens van pas
Refrein:
Drink
je een Rijnse wijn
Let
dan op het jaartal
Bemin
je een vrouw am Rhein
Let
dan op het jaartal
Bij
wijn en vrouwen
Moet
je onthouwen
De
wijn moet oud zijn, maar het meisje niet
Over
het onderwerp vrouwen en wijn
Heb
ik veel boeken gelezen
't
Schijnt aan de Amstel, de Vecht en het Gein
Net
als in het Rijnland te wezen
Noemt
men de wijn in ons Hollandje niet
Schoon
is een vrouw ook bij ranja met riet
Maar
voor de stemming en amusement
Staat
de Rijn bekend
R efrein
Heb
je geen tijd voor een reis langs de Rijn
Kun
je geen wijn laten vloeien
Dan
kan het soms een attractie ook zijn
Om
in Aalsmeer te gaan roeien
Neem
dan je vrouw en je kroost ook maar mee
Deel
saam je brood en je fles kouwe thee
Roei
in een slootje en denk: 't Is de Rijn
En
zing dit refrein
Refrein
Terug
naar overzicht
Leve
de stafmuziek !
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Zoodra de zomer komt in 't land,
Het zonnetje weer verschijnt,
En koud' en sneeuw verdwijnt,
Neemt pret en jool de overhand,
Voelt je weer frank en vrij,
Gezond en blij !
Je springt vol pret vroeg uit je bed,
Vlug in de rij, want straks komt de
muziek voorbij.
Hoort de trommels slaan,
Dat pakt een ieder aan;
Alles loopt twee aan twee
Met de soldaatjes mee.
Refrein:
Leve de stafmuziek !
Dat klinkt zoo magnefiek.
Flink maar gemarcheerd,
En mee gedefileerd;
Hoera ! de muziek electriceert.
De schooljeugd is van vreugde vol,
De bakker, de boterboer,
Marcheeren nast den tamboer !
De dienstmeisjes zijn stapeldol,
Die laten den bezem staan
Om mee te gaan.
Na een korte poos komt uit de soos
Een jong studentje met z'n vriend, een
leuke vent;
's Nachts gestudeerd, gefilosofeerd.
Zoo zwaaien ze met z'n twee
En brullen luidkeels mee:
Refrein
De bakker zoent zijn keukenmeid,
Die gilt: ,,Jan houdt je fatsoen.
Straks gaan ze de Cake-Walk doen."
De slager schreeuwt: ,,Wat een
aardigheid
Jou leelijke meelhuzaar,
'k Trap j' in elkaar !"
De bakkersvrouw gaat aan de sjouw,
Die kiest niet slecht, een krommen
kleerenmakersknecht.
Hij gaat aan den rol
Met zijn krentenbol.
En telkens roept ie heel fiks:
,,Daar gaat ie weer voor niks !"
Refrein
Terug
naar overzicht
Levenslang
(tekst: J.
Hoes/muziek: Rogier/uitvoering: Jerry Bey)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Wie
eenmaal uit 't schaffie heeft gegeten
Die
kan z'n leven lang geen goed meer doen.
't
Wordt nooit vergeven,'t wordt nooit vergeten
Door
hen die prat gaan op hun fatsoen.
Ik
ga gebrandmerkt door het leven,
Omdat
ik in de bajes zat
De
rechter had me 'n jaar gegeven,
Toen
ik uit nood gestolen had.
Maar
buiten, ver van het gevang
Werd
ik gestraft met levenslang !
Refrein
Vaak
denk ik bitter aan de velen
Die
zorgloos door het leven gaan.
Die
in hun jeugd niet moesten stelen,
Nooit
voor een rechter moesten staan.
En
zij, zij wijzen mij nu na.
En
maken mij tot: ''Paria !!''
't
Wordt nooit vergeven, 't wordt nooit vergeten
Door
hen die prat gaan op hun fatsoen !
Terug
naar overzicht
Levenslang
(Willy Derby 1930)
In deze cel omringd door hoge muren
Waarin geen straal der zon ooit valt
op mij
Waarin de dagen lang als maanden duren
Waaruit ik nimmer meer zal komen vrij
Waarvoor die straf, ik zal het u
verklaren
Ik trouwde een schone jonge lieve
vrouw
Niet meer dan zij en ik verliefd nog
waren
Maar zoals 't gaat, zij werd mij toen
ontrouw
En in mijn drift van jalouzie begon ik
te koken
In woede greep ik naar het stompe mes
En toen ik zo al op haar toe kwam
lopen
Sprong allenig God nog voor haar in de
bres
Die ene was mijn goeie lieve moeder
Zij kreeg de steek in plaats die valse
slang
Ik doodde haar met opzet, zij dat
loeder
Voor moeders moord zucht ik mijn leven
lang
Een straal van hoop komt er in mijn
gedachten
Wanneer de bliksem flikkert door de
lucht
Daarbij alleen kan ik nog redding
verwachten
Ofschoon ik als kind daar reeds was
voor beducht
Dan zit ik door de traliën te gluren
En smeek het licht ach kom toch
naderbij
Verlos mij uit deez' donker grauwe
muren
Tref toch mijn hart en maak mij weder
vrij
Want voor levenslang zit ik hier
opgesloten
Reeds die gedachte maakt mij 't hart
zo bang
Voorgoed ben ik uit de maatschappij
verstoten
Voor moeders moord zucht ik mijn leven
lang
Terug
naar overzicht
(uitvoering: Teddy Scholten)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
In m'n vakantie is mij iets heerlijks
overkomen
Ik hoorde op Capri een zanger in een
klein café
Nu, maanden later, lig ik er dikwijls
van te dromen
En dan maak ik opnieuw dat mooie
avontuur weer mee
Hij heeft die avond m'n hart toen in
beslag genomen
Die zanger van Capri, z'n charme en
z'n li per li
Hij zong fantastisch en al begreep ik
de woorden niet van z'n verhaal
Liefde spreek overal toch in dezelfde
taal.
Li per li, tikketak, tikketi
Zong een zanger voor mij op Capri
Li per li, tikketak, tikketi
Nooit zal ik dat lied vergeten !
Li per li, tikketak, tikketi
Als ik droom van die nacht op Capri
Zie ik hem weer in mijn fantasie,
Toen hij zong: li per li
Li per li, tikketak, tikketie
Li per li, tikketak, tikketie
Zie ik hem weer in mijn fantasie
Toen hij zong: Li per li, li per li,
li per li.
Terug
naar overzicht
Lied bij het dorsen
(J.J. Cremer (1827-1880))
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk
voor het sturen van de tekst)
Lange vlêgel,
wonderklop,
Sloa d'r helder
lochtig op.
Vief en twintig
duzend slag,
Ielken korten
wienterdag,
Met vedrag.
Vlêgel ! klap 'em,
klep 'em, klop,
Die 't niet
gleuft, op stuggen kop.
Lange vlêgel,
klap en klop
't Blanke groan
uut vollen dop.
't Groan da'j
klopt is minsen brood,
En den dorser,
klein of groot,
Kriegt geen
nood.
Vlêgel ! Klap 'em,
klep ém, klop,
Die niet warkt,
op luien kop.
Lange vlêgel,
klap en klop,
't Zwarte zoad
uut spitsen dop;
't Zoad houdt
licht veur duustre nacht
Altied warkzaam
is Gods macht.
Toe met kracht,
Vlêgel, rep
moar, klep moar, klop;
't Wark, doar
kumt Gods zêgen op.
Terug
naar overzicht
Lied op het
verongelukken van een schip
(Voorgevallen voor de stad Enkhuizen)
(Harme Bevoort 1801-1874)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Komt vrienden, luister naar dit lied,
En wilt dit droevig stuk aanhooren,
Wat bij Enkhuizen is geschied,
't Hart moet den mensch van droefheid smoren.
Ja vrienden, 't is een treurtooneel,
Een schipper, meisje en knecht verdronken,
En slaat u oogen op dit tafreel,
Die bij Enkhuizen zijn gezonken. (bis.)
Des schippers naam was Anne Pot,
't Schip was met gietzand afgeladen,
En daar hij overwinterd had,
Was 't zand bestemd voor Friesland paden.
Uit Amsterdam zeilt hij vandaan,
Steeds wel te moe waren zij allen;
Maar wind en stroom die nemen aan,
De schipper laat het anker vallen. (bis.)
Daar ligt het schip in 't Krabbergat,
Maar o, wat ramp moest hier hen treffen,
Toen elk de rust gekozen had,
Begon de stormwind te verheffen.
Door 't bonzend schip wordt elk ontwaakt,
De schipper steekt zich in de kleeren.
Daar 't bijna aan den grond geraakt,
Hij wil de woeste zee trotseeren. (bis.)
Daar liggen zij te middernacht
Te dobberen tegen wind en stroomen,
De schipper stort zijn jammerklacht,
Aan 't volk, 't schip had een lek bekomen,
En ijlings zijn zij op de plecht,
Het schip begint aan grond te stompen,
En staan de schipper en de knecht
Den ganschen nacht met moed te pompen. (bis.)
Die duistere nacht was nu ten end,
De dageraad werd reeds vernomen,
Nu zien zij eerst hun groote ellend,
Die wilden zee en woeste stroomen !
Zij waren moede en afgemat,
Van al die doorgewerkte uren,
En baden vuriglijk tot God,
Of die verlossing wilde sturen. (bis.)
Hij heeft zijn smeekgebed gedaan,
En doet zijn oog naar wal toe staren,
Het hart met zorg en druk belaân,
Staan zij in wind en woeste baren.
't Schip zoekt den grond, dan weer de lucht,
Eerbiedig buigen zijn de knieën
En elk voor zich slaakt zucht op zucht,
Zoo staan zij jamm'rend met hun drieën (bis.)
Een noodsein maakt hij schierlijk
klaar,
Een vlag wordt in den mast geheven,
Terwijl hij denkt, 't is een barbaar,
Die ons niet redden wil bij 't leven.
Daar staat het sein, 't waait droevig uit,
Hoog in de mast omringd door stroomen,
Zij staren, maar geen schip of schuit,
Die zij naar 't vaartuig zagen komen. (bis.)
De wind neemt toe, de zee staat boos,
Wat lot roept hij, is ons beschoren ?
De schipper wordt nu moedeloos,
En zegt zijn knecht wij zijn verloren !
Hij zet zich achter het masthout neer,
Hij heeft daar alleen een uur gezeten,
En voelt nog wind nog golven meer,
O mensch wie kan zoo iets vergeten. (bis.)
Hij gaat weer wagg'lend overend,
Hij ziet naar achteren te komen,
Wie schetst nu hun groote ellend,
Wat aan wal hier werd vernomen.
Het schip werd nu op en neer geklotst,
En lek geslagen van de baren,
Hij hees zijn knecht toen in de mast,
Een knaapje van slechts vijftien jaren. (bis.)
Het was des morgens om half tien,
Toen heeft hij het laatste sein gegeven,
En zoo elk aan den wal kon zien,
Was er te vreezen voor hun leven.
Maar niemand ging de haven uit,
Hoe of de schipper ook mogt sjouwen,
Ja, zelfs de beste visschersschuit,
Bleef in de haven aan zijn touwen. (bis.)
Al hooger werd de nood op 't lest,
Nu werden plannen voorgenomen,
De stormwind werd toen zuid zuid west,
Geen schuit wilde uit de haven komen.
Drie schippers namen toen 't besluit
Hier hulp en bijstand te verstrekken,
Opdat die menschen niet ten buit
Der zee moedwillig zouden strekken. (bis.)
Zij zijn de stad toen doorgegaan,
En wenden zich tot de Regeering,
Deez' nam terstond hun voorslag aan
En sprak: toon hier nu uw verweering,
Die schippers waren toen verblijd
En elk van hen zou gelden geven,
Wanneer men slechts in korten tijd
Die menschen redden bij het leven (bis.)
Die schippers kwamen blij aan 't
hoofd,
"Haalt uit !" riep elk, 't zij schuit of schepen,
"Hun leven wordt hun haast ontroofd,"
Ras ziet men het schip den grond inslepen.
"Het steekt den kop al in de zee,"
Nu gingen twee in het vooronder,
En stammelde elk in zijn beê,
Heer zegen hun met kracht bijzonder ? (bis.)
Daar slaat de zee in 't lekke schip,
Zinkt weg in weinig oogen blikken,
En men zag duidelijk op dat stip,
De schipper in zijn laatste snikken.
Elk bad: "Och mogten zij bereid,
"O God ! zich voor uw troon vertoonen,
"Om in uw heerlijke eeuwigheid,
"In rust en vreê bij U te wonen." (bis.)
Terug
naar overzicht
Lied
van de mijnwerker (Jerry Bey)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Voor
een mijnwerkersvrouw
Komt
de vraag ied're dag
Of
ze hem die ze liefheeft
Voor
't laatst in de ogen zag
Voor
een mijnwerkersvrouw
Komt
de vraag ied're dag
Of
ze hem die ze liefheeft
Voor
het laatst in de ogen zag.
De
vrouw van hen
Die
't daag'lijks brood in duisternis verdient
Diep
in de aarde in de kolenmijn
Moet
ied're dag voor hem haar angst verbergen
Of
hij na de arbeid weer bij haar zal zijn
Refrein
Ze
hoopt in stilte dat,
Hij
voor 't lot wordt gespaard
Van
hem die in een schacht was afgedaald
En
nimmer meer het daglicht kon aanschouwen
't
Zwarte goud met z'n leven heeft betaald
Refrein
Ze
weet vooruit, dat ook haar kind
dat
sluimert in de wieg
Eens
voor het werk van vader komt te staan
Want
ook al kent het daarvan de gevaren
't
Bloed kruipt toch, daar waar 't niet kan gaan.
Refrein
Terug
naar overzicht
Lied
van de week
(met
dank aan André Geudens voor het sturen van de tekst)
En de zondag dat is ne rustendag.
(bis)
Ik wou dat ‘t altijd zondag rustdag
was.
Dan zou ik vrolijk wezen, dan zou ik
vrolijk zijn.
En de maandag dat is ne bommeldag.
(bis)
Ik wou dat ‘t altijd maandag
bommeldag, zondag rustdag was
Dan zou ik vrolijk wezen, dan zou ik
vrolijk zijn.
En de dinsdag dat is ne
scharreldag.(bis)
Ik sou dat ‘t altijd dinsdag
scharreldag, maandag….
Dan zou ik …
En de woensdag dat is ne werkendag.
enz.
En den donderdag dat is ne liefkensdag.
enz.
En de vrijdag dat is ne mageren dag.
enz.
En de zaterdag dat is ne centendag.
enz.
Terug
naar overzicht
Liedje
van Marietje (August de Laat)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Marietje
was een beeldje van een meid, bijdehand en charmant
Iedereen
zei Marietje was een schat,'t allermooiste meisje ja van heel de stad
Voor
soldaten had Marie een zwakke zij, daar was zij altijd bij
Bij
de hele compagnie zat Marietje op de knie
En
ied're avond liep ze op straat met een soldaat
Refrein:
's
Maandags ging ze met een grenadiertje
En
dinsdags met een kanonniertje
En
's woensdags had Marietje veel plezier
Met
een fiere marinier
Donderdags
met 't reserve luitenantje
En
vrijdags met een gewoon sergeantje
's
Zaterdags ging ze met een korporaaltje er vandoor
En
zondags met de sergeant majoor
Op
alle militairen was Marie dol verliefd, alsjeblieft
Elke
morgen om zowat een uur of tien
Kon
men haar alreeds bij de kazerne zien
Iedereen
die ons Marietje dwalen zag zei: "lieve pop, pas toch op"
Maar
voor een glaasje limonaad of voor een reep Kwatta chocolaad
Stapte
Marietje heel gedwee met ieder mee
Refrein
In
de pruimentijd was dat gegaan, potverdrie met Marie
Maar
tenslotte raakte zij een beetje bleek
Was
Marie verkouden en geheel van streek
Moeder
zei: "Marietjelief wat komt er nou, je zit nou in de kou"
En
toen er een baby kwam schrok Marietje zich haast lam
Want
die leuke kleine beer had op mijn eer,,,,,,,,
Beide
oogjes van het grenadiertje, en een mondje als het kanonniertje
Dezelfde
beentjes als de marinier, Marie zei "ach", toen ze 't zag
Net
zo'n mopneus als het luitenantje en de hals van een gewoon sergeantje
Van
't korporaaltje het linker en het rechteroor
En
de rest van de sergeant majoor
Terug
naar overzicht
Liedje
van verlangen (uit revue Rooie Sien)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Liefste
als ik wakker wordt, dan zie ik jouw portret
En
ik kniel dan voor de tafel neer, waar ik jou op heb gezet
En
als ik me dan was, en met het water plas
En
't heerlijke zonnetje schijnt door het glas
Dan
tril ik van hoop, en dan fluit ik zo blij
En
dan denk ik nog even, dan komt ie bij mij.
Liefste
als ik eten ga, dan denk ik straks komt hij
Dan
luister ik of er geen belletje gaat
En
dan dek ik nog gauw voor je bij
Maar
als de bel dan niet gaat en het eten daar staat
Dan
denk ik tenslotte misschien komt ie laat
En
ik eet van jouw bordje, en ik drink uit jouw glas
En
ik doe net als of er geen eenzaamheid was.
Liefste
als ik slapen ga, dan zoen ik jouw portret
En
ik kijk dan met een huivering, naar 't kille lege bed
En
ik wacht, en ik wacht in die eenzame nacht
Stil,
klapt daar niet even het hekje heel zacht
En
ik staar in het donker, en ik ril van de kou
En
ik denk, liever dood dan bestaan zonder jou.
Terug
naar overzicht
Liefde en
tranen
(tekst: Madamme Ellegiers)
(met dank aan Inez voor het sturen van
de tekst)
Refrein:
Ik heb voor U getreurd,
Gezucht geweend, ja zooveel nachten,
Wijl g'uw ziel hebt verbeurd
En gij mijn hart snoode verscheurt.
Al vergaan ik van leed,
Toch blijf ik U mijn liefste verwachten.
Nooit verbreek ik den eed,
Die ik U weenend deed.
O aangebedene,
Aanhoor mijn stemme zoo teer,
Stel mij tevrede.
Kom schenk mij Uw liefde weer,
Ik wil U beminnen.
Ja kozen vol vurige gloed,
Ach ja, met hart en zinnen.
Klopt voor U mijn boezem zoo zoet.
Refrein
Ach ! mijn vriendinne,
Kom zeg dat ik U weerom vind.
Stelt uit uw zinnen,
Voor dat gij ook eens ondervindt
Die liefde en smarte,
Waarvan dar mijne ziele breekt.
Aanhoort toch mijn kloppende harte
Dat om uwe wedermin smeekt.
Refrein
Ziet mij hier knielen,
Ja 'k lig voor Uw voeten hier neer.
Mijne arme ziele
Lijdt door al Uw haten zoo zeer.
Mijn gansche leven,
Mij bloed, mijn hart hebt g'als pand.
Ja 'k wil U ook alles geven,
Doch breekt nooit onze liefdeband.
Refrein
Terug
naar overzicht
Lieske’s laatste kus aan
moeder
(Vervolg op “Moeder ik kan je niet
missen)
(met dank aan Corry Verhoeven en Maria
van de Ven voor het
sturen van de teksten)
Op
teentjes loopt klein Lieske rond, door het grote stille huis.
Waar
heel geen leven wordt gehoord, zelfs niet het minste gedruis.
Begrijpen kan ze niets ervan, die stilte vond ze naar.
Ze
mocht niet spelen en ze droeg een zwarte strik in het haar.
Refrein:
Moedertje ging van haar henen, Lieske besefte dat niet.
Voor
altijd is moeder verdwenen, vergeten dat doet ze haar niet.
Moeder
ik tooi U met bloemen, U bent zo bleek en o zo koud.
Ik zie
niet Uw ogen, zo lieflijk en zacht.
Ach
moesje, is Lieske soms stout, en elk plekje dat Lieske wist
Daar
ging ze heen, ze had moeder sinds twee daagjes gemist
Een
kamer was ze al geweest, maar de andere nog niet.
En
even kijkt Liesje achter zich, of juf haar toch niet ziet.
Refrein
Dan
reikt haar mollig handje hoog, en grijpt de grote knop.
De
deur gaat open piept heel zacht, wat ziet die kamer er zwart uit.
Zus
kijkt verwonderd op, hoe vreemd hoe vreemd dat kaarsenlicht.
En
daar in ‘t midden staat een kist, ligt moe haar ogen dicht.
Refrein
En wat
een een bloemen heeft moe daar, ontsnapt haar kindermond.
Voorzichtig klimt ze ’t bankje op, dat bij de lijkbaar stond.
Haar
poezel handje raakte even het lijk het koude voorhoofd aan.
Moe
slaapt denkt Liesje en keerde zich om, en wil weer henen gaan
Refrein
Maar
toch zo graag had ze voor moe, zo’n grote witte roos.
Een
pakken nee dat mocht ze niet, dan werd haar moesje boos.
Maar
angstig komt ze dichterbij, bang klinkt het ‘moesje’ moe.
Mag ik
ook een bloempje hebben…Ja zo’n mooie witte toe.
Refrein
Maar
ach geen antwoord krijgt ze terug, hoe of ze vraagt of vleit.
Stil
zakt het blonde kopje neer, een snik….klein Liesje schreit.
Wat
heeft ze dan voor stouts gedaan, is moesje boos op haar.
O, dat
ze toch niets zeggen wil, dat is zo erg, zo naar.
Refrein
Wil
moe de bloempjes houden soms, dat mag ze wel van Zus.
En
Liesje geeft aan moederlief, haar laatste….laatste kus.
En
snikkend gaat de kleine meid, de donkere kamer uit.
En
vraagt zich dan vergeefs toch, wat dit alles wel beduid.
Refrein
Versie 2
Klein Liesje
Op teentjes loopt klein Liesje rond
Door het grote stille huis
Waar heel geen leven werd gehoord
Zelfs niet het minst geruis
Begrijpen kon ze er niets van
Die stilte nu zo naar
Ze mocht niet spelen en ze droeg
Een zwarte strik in het haar
Ze ging eens uit op onderzoek
Elk plekje dat Lies wist werd nagegaan
Ze had haar moe twee dagen al gemist
In het slaap vertrek was ze al geweest
Doch in de zaal nog niet
Nog even kijkt ze angstig om
Als juf haar maar niet ziet
Dan grijpt het mollig handje hoog
Er grijpt de grote knop
Piep open gaat de deur heel zacht
Zus kijkt verwonderd op
Wat is het donker hier zo zwart
Wat wringt dat kaarsen licht
In het midden staat een kist
Daarin ligt moe haar ogen dicht
o/ wat een bloemen/ o wat een boel
ontsnapt opeens haar mond
doch even komt ze dichter bij
dan klinkt het moe moesje
mag ik ook zo,n bloempje hebben
ja zo,n mooie witte
maar neen geen antwoord krijgt het kind
hoe lief ze vraagt en vleit
dan zakt het blonde kopje neer
een snik klein Liesje schreit
wat heeft ze dan voor stouts gedaan
is moesje boos op haar
o/ dat ze het nou niet zeggen wil
dat vind zus toch zo naar
wil moe de bloemen soms
dat mag ze wel van zus
Lies buigt zich en geeft haar
Moeder lief haar laatste laatste kus
Terug
naar overzicht
Lieve
Frans, ik schrijf je hier
(tekst: Henk
Jan van Galen/muziek: Kruger-Hanschman)
Gister
bracht de post een brief
Met
een groet van Lientje-lief
Lientje
is een schattig kind
Dat
me teer bemint
Zij
is heus de mooiste niet
Als
je haar bij daglicht ziet
'k
Houd van haar zolang ik leef
Weet
U wat zij schreef
Refrein:
Lieve
Frans ik schrijf je hier
Op
mijn paarse postpapier
'k
Zit hier in m n eentje en ik denk aan jou
Laat
me toch niet wachten en kom alsjeblieft maar gauw
Honderd
kusjes druk ik hier
Op
mijn paarse postpapier
Breng
me nou die kusjes vlug
Lieve
Frans, lieve Frans
Als
je kunt vandaag terug
Lieve
Frans
't
Is vanavond volle maan
'k
Heb een leuk nieuw jurkje aan
'k
Zit alleen met Pa en Moe
Kom
toch naar me toe
Vader
heeft nog bier in huis
Moeder
bakt op het fornuis
Pannekoek
met spek erin
Da'
s toch naar je zin
Refrein
Terug
naar overzicht
Lieve
jongen
(met dank aan Ivar Schippers voor
het sturen van de tekst)
Lieve jongen hier een briefje
‘k Wet niet of je ere wat om geeft
Let niet op mijn slechte schrijven
Ik ben oud mijn hand dat beeft
Ik hoop maar dat je hem zult lezen
Leg hem niet terzijde neer
‘k Voel me slecht de laatste dagen
Wellicht schrijf ik nummer meer
Toen ji met dat meisje trouwde
Stond ik er mijn huisje af
Ik was oud kon niet meer werken
Leefde van hetgeen jij mij gaf
Eerst had ik een mooie kamer
Maar daar moest ik snel vandaan
En moest toen als arme stumper
Naar de zolderkamer gaan
Ik zat hier dikwijls te verkleumen
Op de zolder van de kou
Maar ik durfde niet te klagen
Bang voor het schelden van je vrouw
Wou ik met je kindje spelen
Werd het van mij weggesleurd
Of als ik was ’n oude moordenaar
God wat heb ik vaak getreurd
Maar het grootste leed kwam later
’t Werd voor mij een foltering
Jij stond met jou vrouws verlangen
Dat ik naar het oudenhuis ging
Maar als moeder laat ik weten
Wat jullie mij hebben aangedaan
Maar ach jullie moeten weten
’n Moederhart blijft voor jullie slaan
Terug
naar overzicht
Lieve schipper vaar mij over
(met dank aan Jeanne Albers voor
het sturen van de tekst)
Lieve schipper vaar mij over
Naar dat gindse dorpje heen
Ik wil u een halssnoer geven
Met een kostelijke steen
Liefje ik vaar u niet over
Voor geen halssnoer voor geen steen
Nee voor zulke kleinigheden
Vaar ik u naar ginds niet heen
Ach lieve schipper toe vaar mij over
Ik zal u geven een gouden ring
En daarbij een aardig liedje
Dat ik onder het varen zing
Liefje ik vaar u niet over
Voor geen ring noch voor geen lied
Want voor zulke kleinigheden
Laat ik u in mijn bootje niet
Lieve schipper vaar mij over
'k Zal u geven wat u behaagt
'k Zal u ter beloning geven
Wat uw goedheid van mij vraagt
Mocht ik u een kusje geven
Op uw rozerode mond
Want voor een kus mijn lieve schone
Vaar ik u heel de wereld rond
't Arme meisje stond verlegen
Ze sloeg haar ogen blozend neer
Zachtjes zonk zij in zijn armen
En hij kuste haar keer op keer
Zachtjes woei de wind de zeilen
Langs de baren van de zee
En dat schalkse cupidootje
Bracht haar naar een veilige ree
En dat schalkse cupidootje
Bracht haar naar een veilige ree
Terug
naar overzicht
Lieveling ik hou alleen van
jou
(Bob Scholte)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Refrein:
Lieveling, ik hou alleen van jou
Ik zie in jou nog steeds mijn kleine
vrouw
Lieveling, al deed je mij verdriet
Ik verwacht je iedere dag, vergeet het
niet
Eenmaal zal er een weerzien zijn
Dan straalt voor jou en mij weer
zonneschijn
Wat ook gebeuren zal, ik blijf je
trouw
Daarom mijn lieveling, ik hou alleen
van jou
Het noodlot greep ons aan, kwam ons
geluk verstoren
Het sprookje is gedaan, toch blijf je
mij bekoren
Maar het valt me zwaar van jou te zijn
gescheiden
Wij vormden beiden toch een gelukkig
paar
Refrein
Wat ook gebeuren zal, ik blijf je
trouw
Daarom mijn lieveling, ik hou alleen
van jou.
Lilly
Marleen
(Ned. tekst: Herre de Vos/muziek:
Norbet Schultze 1940)
(met
dank aan Marc Blokland
(†) voor het sturen van de tekst)
Onder
de lantaren bij de grote poort
Vrijen
vele paren bij avond ongestoord
Als
ik van boord kom, ga 'k meteen
Terstond
naar die lantaren heen
Met
jou Lilly Marleen, Met jou Lilly Marleen
Onder
de lantaren heel dicht bij elkaar
Dat
verliefd wij waren, zag wel ieder daar
En
elk die glimlacht naar ik meen
Gaat
hij langs die lantaren heen
Om
ons, Lilly Marleen, om ons Lilly Marleen
Onder
de lantaren werd een sein gehoord
Dat
kwam van de baren, en riep mij weer aan boord
Ik
zei vaarwel, en ging toen heen
Bij
de lantaren stond alleen
Mijn
schat, Lilly Marleen, mijn schat Lilly Marleen
Onder
de lantaren loop jij nu mijn kind
Ik
ben weer gaan varen en zwalk door weer en wind
Soms
is mijn hart zo zwaar als steen
En
dan gaan mijn gedachten heen
Naar
jou, Lilly Marleen, naar jou Lilly Marleen
Terug
naar overzicht
Loeënde klokke
(Frits Rademacher)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Doa bove in den toren
Doa hange ze bieein
De zo vertroede klokke
De groote en de klein
De klein brink ummer bliedsjap
De groote soms aug leid
De wind zörg dat gebeier
Wiet uver velt geit
Loeënde klokke
Van Limburg mien landj
Loeënde klokke versjterke de bandj
Loat os ens hören
Wat steat te gebeuren
Loeënde klokke
Van Limburg mien landj
Bim bam bim bam
Klokke van Limburg mien landj
Bim bam bim bam
Klokke versjterke de bandj
Die sjoon klinkende klanken
Veer hören ze zo gear
Ze willen os begleide
Dor gans os leive hear
En wen de klokke swiege
Dan is ut stil en kaal
Veer wachte dan verlangend
Weer op die klokketaal
Loeënde klokke
Van Limburg mien landj
Loeënde klokke versjterke de bandj
Loat os ens hören
Wat steat te gebeuren
Loeënde klokke
Van Limburg mien landj
Bim bam bim bam
Klokke van Limburg mien landj
Bim bam bim bam
Klokke versjterke de bandj
Terug
naar overzicht
Lonneke
(met
dank aan Trix Wansink voor het sturen van de tekst)
Op het weggetje bij de seringen,
Loopt Lonneke zoetjes te zingen,
Te zingen in de zon.
Haar haartje wuift in het windje,
Ze wiegt haar kleine kindje.
Doe dijne dijne dom,
Toe slaap mijn kindje kom.
Zeg wil jij je ogen eens sluiten,
Want anders dan blijf ik niet buiten.
Mamaatje wordt ook moe.
Nou ik zal je wel eventjes dragen,
Maar dan moet je weer in de wagen,
Doe dijne dijne dijne dom.
Terug
naar overzicht
't
Loon van den arbeid (Tekst: Chef van Dijk/Muziek: George Hofmann)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)
Hij
zwoegde dag in en dag uit op fabriek,
Zijn
geest was versuft en zijn lichaam was ziek,
Maar
thuis wachtte moeder de vrouw, het gezin,
Want
buiten den vader bracht niemand wat in.
Toen
eens op een dag hem de werkbaas ontbood;
Met
tientallen and'ren ontslagen uit nood !
Geen
smeekbeden hielpen, de noodzaak was wreed,
Maar
thuis bracht die boodschap een wereld van leed.
Refrein:
Moeder
niet huilen, 't wordt beter misschien,
Moeder
ik kan er je tranen niet zien.
'k
Heb nooit geweten, het doet zoo een pijn,
't
Loon van den arbeid zoo bitter kan zijn !
De
weken verliepen en hoog steeg de nood,
Thuis
vroegen de kind'ren wanhopig om brood,
En
vader niet langer tot denken in staat,
Rent
als een waanzinnige weg naar de straat.
Ze
hebben hem toen bij zijn misdaad betrapt,
Hij
had uit een winkel twee brooden gegapt.
Toen
moeder de vrouw hem bezocht in z'n cel,
Toen
zei-die, "Wees sterk wijf, de tijd gaat zoo snel !"
Refrein
Maar
ach, toen hij thuis kwam, vond hij haar niet meer,
De
dood nam dat lichaam, zoo zwak en zoo teer.
Een
kruis op haar graf, was de plaats waar zij lag,
En
snikkende zei hij voor 't laatst haar gedag.
Een
eenzame zwerver, gebroken door 't leed,
Waarvoor
was zijn ploeterend leven besteed ?
Aan
't sjofele graf zonk hij biddend neer,
M'n
schat, in den hemel daar zie ik je weer.
Refrein
Nu
leeft hij op kosten van 't Armenbestuur,
Daar
wacht hij gelaten op zijn stervensuur.
Zijn
kinderen kijken niet meer naar hem om,
En
uren zit hij daar verslagen en stom,
Dan
denkt hij met bittere wrok in het hart,
Aan
't leven vol armoe, ellende en smart.
Dan
smeekt hij, o God, breng me weer bij m'n vrouw,
M'n
lieveling, o, hoe verlang ik naar jou.
Refrein:
Moeder,
niet huilen, heel kort nog misschien,
Moeder
daarboven, zal 'k jou wederzien !
Dan
is 't gedaan met m'n leed en m'n pijn.
't
Loon van den arbeid, zal de Eeuwigheid zijn.
Terug
naar overzicht
Loop
nooit je moeders deur voorbij (Willy Derby)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Weet
je nog hoe moeder vroeger,
Toen
j' een kleine dreumes was ,
In
je ogen placht te kijken,
Net
of zij er iets in las.
Weet
je nog hoe ze dan teder,
Lieve
engel tot je zei,
En
hoe ze dan vroeg m'n jongen,
Hoeveel
hou je nu van mij ?
Refrein:
Nu
zit ze oud ,gebogen door de jaren,
In
't huisje waar je wiegje eenmaal stond.
Ze
is alleen met haar herinneringen,
Haar
oude ogen turen in 't rond.
Och
weet je ook nog hoe ze vroeger,
Toen
je nog klein was dikwijls zei:
"Als
je eens groot bent lieve jongen,
Loop
dan je Moeders deur toch nooit voorbij."
Eens was zij je goede Engel,
Die
je angstig heeft bewaard.
Vaak
heeft ze je iets gegeven,
Uit
haar eigen mond gespaard !
Zij
heeft je het meest gezegend,
En
je niets dan goeds gedaan.
Alles
deed ze, alles liet ze,
Op
dat het je goed zal gaan.
Refrein
Toe
ga dikwijls naar je moeder,
Met
een handdruk en een zoen.
Tracht
haar in de laatste jaren,
Nog
maar veel plezier te doen.
Wellicht
heb je haar ook vroeger,
Wel
eens wat verdriet gedaan.
't
Zou je later kunnen spijten,
Als
zij eens is heengegaan.
Refrein
Terug
naar overzicht
Loop
nooit voorbij dat huisje
Refrein:
Loop
nooit voorbij dat huisje waar eens je wiegje stond
Waar
je als kleine jongen toch altijd liefde vond
Loop
nooit voorbij dat huisje waar je eens kind kon zijn
Kom
weer bij mij en waarom doe jij je moeder zoveel pijn
't
Ging jou voorspoedig in zaken en jij werd een hele meneer
Jou
vrienden uit vroegere jaren, daar keek je gewoonweg op neer
En
dat moet je zelf ook maar weten, maar wat je met moeder nu doet
Dat
kan ik toch heus niet vergeten, nee jongen dat is echt niet goed
Refrein
Maar
eenmaal dan zul je het leren, wanneer eens je hart spreken gaat
Je
moeder die moet je waarderen, al is het dan dikwijls te laat
Wat
wij vroeger allemaal deden, dat werd toch voor jou steeds gedaan
Denk
even terug aan 't verleden, als jij langs ons huisje mocht gaan
Refrein
Loop
nooit voorbij dat huisje waar je eens kind kon zijn
Kom
weer bij mij en waarom doe jij je moeder zoveel pijn
Terug
naar overzicht
Lou
Lou
(uitvoering: Eddy Christiani)
Refrein:
Lou
Lou, Lou Lou, waarom heb je mij m'n nachtrust toch ontnomen
Lou
Lou, Lou Lou, ik loop zelfs nog overdag van jou te dromen
Lou
Lou, Lou Lou, jij bent wat je noemt een engel van een vrouw
Lou
Lou, Lou Lou, lieve schat, ik ben zo stapeldol op jou
Van
de morgen tot de avond zie ik haar
Waar
ik ga of sta, het is steeds Lou Lou
En
m'n zenuwstelsel loopt een groot gevaar
Als
't zo doorgaat moet ik naar een rustoord toe
Zie
ik een damesrok dan is 't al weer mis
Want
dan denk ik dat 't de rok van Lou Lou is
Refrein
Als
verzamelaar word ik een maniak
'k
Heb d'r poederdons en een nagelschaar
'k
Heb een stukje schoenzool en een gummi hak
Een
kimono en een lokje van d'r haar
Ik
heb 't vaak gekust maar gisteren hoorde ik pas
Dat
't lokje haar van Lou Lou's hondje was
Refrein
Lou
Lou
Terug
naar overzicht
Louise,
zit niet op je nagels te bijten
(Tekst/muziek en uitvoering: Lou Bandy)
Louise,
was een leuke meid
Van
nauw'lijks twintig jaar
Zij
was een petit peu nerveus
Maar
dat was geen bezwaar
Maar
zij beet op haar nageltjes
Dat
vond haar Moe een straf
En
telkens als zij weer begon
Riep
mamma: blijf toch af
Refrein:
Louise,
zit niet op je nagels te bijten
Bah,
wat vies Louise
Je
zult met dat bijten je nagels verslijten
Bah,
wat vies Louise
Hou
met dat bijten op anders heb je een strop
Je
kleine vingertjes zijn toch geen lollies lieve pop
Louise,
zit niet op je nagels te bijten
Bah,
wat vies Louise
Men
heeft haar kleine nageltjes
Met
mosterd vol gesmeerd
Maar
zij heeft trots die mosterdkuur
Het
nog niet afgeleerd
Zij
likt er nu de mosterd af
En
smult nog eens zo fijn
Alsof
haar kleine vingertjes
Van
vleescroquetjes zijn
Refrein
Men
heeft het toen met nagellak
Een
keertje geprobeerd
Maar
zij had lak aan 't lak
En
't lak toen opgeconsumeerd
Men
doopte haar vingers in de azijn
Toen
schreeuwde zij vol vuur:
Het
smaakt me net zo lekker
Als
augurkjes in het zuur
Refrein
Haar
moeder sprak: dat bijten schat
Heeft
m'n gemoed bezwaard
Een
meisje zonder nageltjes
Is
voor een man niets waard
Want
als jij later trouwen gaat
En
manlief valt je aan
Hoe
moet jij dan dat monster
Zonder
nageltjes verslaan?
Refrein
Louise
kreeg verkering
Met
een leuke jongeman
Haar
nageltjes zijn aangegroeid
Je
ziet er niets meer van
En
als je vraagt: hoe komt dat nu
Dan
antwoordt zij vol pret
Mijn
jongen houdt mijn handen vast
En
steeds mijn mond bezet
Refrein
Terug
naar overzicht
Louiza
(met dank aan Frans Pennings voor het sturen van de tekst)
Waar zijt gij heen o liefelijke dagen
zoo mild bestraald door liefde en
zonneschijn,
toen ik voor ‘t eerst uw liefde kwam
te vragen.
Het schoonste beeld en beste
maagdelijn,
helaas ik zie u voor mijn ogen zweven.
Den teederen blik toen gij mij ’t
jawoord gaf.
Waar zijt gij heen, o liefde van mijn
leven,
zoo bid en ween ik op Louiza’s graf.
Waar zijt gij heen o liefelijke
woorden,
getuigen van ons beide middernacht.
Toen hoorde ik die zoete lieve woorden
in ’t wind gedruisch en in die
bloempjes zacht.
In elke bloem zie ik die schoonheid
blinken,
dat perst mijn hart, mijn ziel, mijn
lichaam af.
Terwijl ik hier zou stervend neder
zinkend,
zoo bid en ween ik op Louiza’s graf.
Waar zijt gij heen al voor den troon
des Heeren,
omringd gewis U eeuwig ’t blijde lied.
Terwijl ik hier in rouwe moed verkeren
en eenzaam zwerf op het vaderlands
gebied.
Smeek dan aan God dat Hij mij ook laat
sterven,
Louiza neemt mij van ’t aardrijk af.
Dan zal mijn hart U liefde zoet
verwerven,
dan rust ik zacht bij U in ’t duister
graf.
Terug
naar overzicht
Love letters in het zand
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Aan 't zonnige strand zaten wij hand
in hand
En jij schreef letters in het zand
Ik lachte blij toen ik las
Dat ik jouw liefste was
Want jij schreef letters in het zand.
De vloed kwam op, de zee kwam steeds
dichterbij
Hij spoelde weg wat jij daar
neerschreef voor mij
Nu is het uit maar ik weet dat jij mij
niet vergeef
Want je schreef letters in het zand.
Terug
naar overzicht
Luister
even
(tekst:
René Berg/muziek: Robert Allen/Een Ned. tekst op "Everybody Loves a
Lover")
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Luister
even, naar mijn liedje,
't
Is een heel nieuw liefdesmelodietje.
Luister
even, 't is voor jou,
Omdat
ik, omdat 'k wil bekennen,
Alle
dagen, alle nachten,
Zal
ik op je wachten, blijf je trouw.
Want
kijk ik in je ogen,
Weet
ik, dat ik van je hou !
'k
Ben verliefd, wat moet ik daar nu toch aan doen ?
't
Is misschien gekomen door die eerste zoen.
Voel
me zo gelukkig en ik zing,
'k
Dans en ik spring,
'k
Ben zo verliefd en 'k wil het weten !
Refrein
Terug
naar overzicht