Uit (groot)moeders tijd
Kaatje kom aan
Kaatje kom aan kom op de baan,
Lacht u het ijs op het IJ dan niet aan
?
Kaatje kom aan, kom op de baan,
Lacht u het ijs op het IJ dan niet aan
?
Ouden bij 't vuur en op schaatsen de
blonden,
Zo wordt des winters de lente
gevonden.
Kaatje kom aan, kom op de baan,
Lacht u het ijs op het IJ dan niet aan
?
Willem wees wijs,
Ik op het ijs,
Ach ik won nimmer op schaatsen een
prijs.
Willem wees wijs,
Ik op het ijs,
Ach ik won nimmer op schaatsen een
prijs.
Daarbij geloof mij, ik kan er niet
tegen,
Steek ik van wal af dan raak ik
verlegen.
Willem wees wijs,
Ik op het ijs,
Ach ik won nimmer op schaatsen een
prijs.
Kaatje kom aan,
Kom op de baan,
Bravo, ik wist wel dat 't heerlijk zou
gaan.
Kaatje kom aan,
Kom op de baan,
Bravo, ik wist wel dat 't heerlijk zou
gaan.
Knelt u de schaats, ik verbind u de
banden,
Moogt gij soms vallen,
Gij valt in mijn handen.
Kaatje kom aan,
Kom op de baan,
Bravo, ik wist wel dat 't heerlijk zou
gaan.
Terug
naar overzicht
Karel en Roza
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Karel beminde Roza teeder,
Als 't vuur des jongelings eigen.
Roza beminde Karel weder,
Maar hun plicht gebood het te zwijgen.
Beider stand was ongelijk,
Karel was arm, en Roza was rijk.
Slechts in het veld kon Karel klagen,
En aan de echo zijn Roza vragen.
En die klaagde hem ook immer na,
Roza, Roza.
Blonk haar soms in het oog een traan,
Zag zij die arme Karel werken,
En als zijn arbeid was gedaan,
Dwaalde hij langs bosch en perken,
Tot hij 't lievelingplekje vond
Waar zoo vaak zijn Roza stond.
Ja, dan knielde Karel neder,
,,Dierbare Roza" riep hij teder,
En dan klaagde hem de echo na,
Roza, Roza.
Menig traan zijn oog ontvlood,
Heeft het nachtuur weggedragen.
Maar de eenzaamheid dat rust hem bood,
Vond de jongeling troost in 't klagen.
,,Dierbare Roza" riep hij uit,
,,Roza wordt gij een anders bruid,
Hebt gij een minnaar, bemin hem
hartelijk",
,,Dierbare Roza" riep hij smartelijk,
En dan klaagde hem de echo na,
Roza, Roza.
Maar opeens kwam Karels harte,
Een blijde troost verwarmen.
Het einde was van zijn smarten.
Roza klemde zich in zijn armen,
Wie kon Karels vreugde melden,
Roza's naam klinkt langs de velden.
En nu juicht de echo na,
Roza, Roza.
Terug
naar overzicht
Karlijntje
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Zij kwamen van den Bosch gereden,
Al waar het groote kermis was.
De pachter en de pachteresse,
Karlijntje blond als vlas.
De pacheresse zij bekommerd,
Daar flikkert als een star.
Intusschen zat Karlijntje stil te droomen,
Van achter op de kar
Een knaap trad uit het hooge koren,
En wipte naderbij.
Het was een stoute vlugge kerel,
Dra zat hij aan haar zij.
De boer sprak van de kermisfeesten,
Was lollig als een nar,
Terwijl de handjes naar elkander tasten,
Van achter op de kar
Een logge wolk kwam aangewenteld,
Zoo donker als een muur.
Zij scheurde plidder plettend open,
En spoog de lucht vol vuur.
Het ging te vierklauw door de bosschen,
Al heel voorbij een spar,
Terwijl de lipjes naar elkander zochten,
Van achter op de kar.
De minnaar zei audieu Karlijntje,
En sprong weer op de baan.
Karlijntje had in heel haar leven,
Geen mooier reis gedaan.
Nog nooit voelde zij haar zinnen,
Zoo lekker in de war.
Ik wensch u allen zulk een leutig tochtje,
Van achter op de kar
Terug
naar overzicht
Katinka
(Stokkerman/Hamhuis/Post)
Elke
morgen om half negen
Komen
wij Katinka tegen
Rode
muts, een blonde lok
Helgeel
truitje, blauwe rok
Maar
ze trippelt zwijgend naast haar ma
Daarom
zingen alle jongens haar verlangend na
Refrein:
Kleine
kokette Katinka
Kijk
nou eens één keertje om
Stiekempjes
over je schouder
Je
ma ziet het toch niet dus kom
Kleine
kokette Katinka
Ben
je verlegen misschien
We
willen zo graag nog heel even
Een
glimp van je wipneusje zien
Elke
morgen zon of regen
Komen
wij Katinka tegen
Hakjes
tik-tak op de stoep
Korte
rok met nauwe coup
Maar
haar blik verraad geen nee of ja
Daarom
zingen alle jongens haar verlangend na
Refrein
(2x)
La
la la lala la lala
La
la la lala la lala
La
la la lala la lala
La
la la lala la lala
La
la la lala la lala
Terug
naar overzicht
Keetje
(August de Laat)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Dames
heren 'k min een meisje ze heet KEE
Zo
een tweede vind je niet oh nee
Een
prachtig ogenpaar, altijd van zessen klaar
Pas
op het is een meid als een huzaar
Ze
is pas één en veertig jaren oud
Daarbij
oh zo vriendelijk gebouwd
Ik
zing van vroeg tot laat, in huis en op de straat
Met
de grootste gein dit leuk refrein:
Refrein:
Keetje
mollige Keetje
Keetje,
Keetje ja ik heb je toch zo lief
Wordt
mijn vrouwtje, schatteboutje
Keetje,
Keetje want je bent mijn hartedief
Keetje
heeft een neusje gloeiend rood
Daarbij
heeft ze nog een houten poot
Haar
ogen kijken scheel, een rug als een kameel
Haar
armen zijn zo lang als een bezemsteel
Buste
heeft ze ja 't is wonderbaar
't
Zijn wat oude zakken bij elkaar
Als
ik met haar wandelen ga,kijk iedereen haar na
En
vol vreugde zing ik dan weldra:
Refrein
Keetjes
haren zijn rood van kleur
Haar
stem klinkt als een verroeste kelderdeur
Haar
éne been is krom, maar daar maal ik niet om
Zij
is als een ezelin zo dom
Eerdaags
ga ik trouwen met mijn Kee
Heel
de familie die gaat dan met ons mee
En
zitten wij dan 's avonds aan de brandewijn
Zing
ik weer vol vreugde dit refrein:
Refrein:
Keetje,
mollige Keetje
Keetje,
Keetje oh ik heb je toch zo lief
Nu
ben je mijn vrouwtje, schatteboutje
Voor
altijd ben je toch mijn hartedief
Terug
naar overzicht
Keetje
(met
dank aan A. Kersten voor het sturen van de tekst)
Refrein:
O lieve Keetje, o Keetje ik heb je
toch zo lief.
Keetje, dat weet je je bent mijn
hartedief.
Keetje, o Keetje dit is geen flauwe
mop,
Maar als ik jou niet krijg dan hang ik
me op.
Keetje is de mooiste meid die er
bestaat op aard,
Al is ze ook wat tanden kwijt en heeft
ze 'n beetje baard.
Haar ene been dat is van hout, het
andere een beetje krom,
Maar daar maal ik niet om,
Wie daar op let is dom,
Ik min haar tot mijn dood,
Al heeft ze een houten poot.
Refrein
Als ik met Keetje trouwen ga, dat zal
me een bruiloft zijn,
Ik huur de hele opera, de zaal is nog
te klein.
Want de familie is zo groot van Keetje
en van mij,
En daar komt dan nog bij,
Wat ik u nog niet zei,
Dat zij als jonkvrouw leeft,
Maar toch zes kinderen heeft.
Refrein
Terug
naar overzicht
Keetje
Tippel
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Zij woonde in de sloppen van ’t oude Amsterdam,
Waar nooit een zonnestraaltje haar venster binnenkwam.
Gedreven door de armoe werd zij prostituee,
En voor een handvol centjes ging zij met ieder mee.
Refrein:
Haar
naam was Keetje Tippel,
Omdat zij op de straat,
Haar lichaam moest verkopen,
In ’t donker, ’s avonds laat.
Zij leefde van de zonde,
Maar toch was zij niet slecht.
Daarom kwam Keetje Tippel,
Aan ’t eind nog goed terecht.
Maar
toen kwam in haar leven ’n jonge blonde held.
Hij hield wel veel van Keetje, maar meer hield hij van geld.
Zij gaf hem al haar liefde, maar hij bleef haar niet trouw,
Want hij zei tegen Keetje: Ik neem een rijke vrouw !
Refrein
Toen
moest zij weer de straat op, ’t was daar dat zij hem zag,
Tijdens de revolutie, gewond als hij daar lag.
Het was een man van adel, hij stierf al na een jaar.
Z’n huis en al zijn rijkdom vermaakte hij aan haar.
Refrein
Terug
naar overzicht
Kijk
eens in de poppetjes van mijn ogen
(tekst/muziek:
Nick
Holwerda/Paul Roda/uitvoering: Annie de Reuver en The Skymasters)
Mijn
meisje is een lieve schat
Maar
overal gebeurt wel wat
Want
al is ze aardig
Ze
doet wat eigenaardig
Wanneer
ik op het hoekje wacht
Daar
's avonds om een uur of acht
Komt
ze dan te laat
Dan
kijk ik reuze kwaad
Maar
dan zegt zij tot hem
Met
haar allerliefste stem
Refrein:
Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen
Kijk eens naar het kuiltje in mijn kin
Zeg doe toch niet zo flauw
En lach nu maar eens gauw
Heus je kijkt zo nijdig als een spin
Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen
Kijk eens naar het kuiltje in mijn kin
Ja zie je wel, zo gaat het al wat beter
Kom slik je boze bui nu even in
Wanneer
we samen dansen gaan
Dan
trek ik steeds wat aardigs aan
En
hij is opgetogen
Dat
ziet ze aan mijn ogen
Maar
flirt ik met een andere man
Wat
ik niet goed verdragen kan
En
kom ik dan terug
Dan
doet hij oh zo stug
Maar
dan zegt zij tot hem
Met
haar allerliefste stem
Wanneer
je ooit een man ontmoet
Die
soms wat al te bazig doet
Wees
dan niet bescheiden
Want
heus, je moet hem leiden
Al
heeft hij ook een hart van goud
En
zegt hij dat hij van je houdt
Je
weet wel hoe dat gaat
Een
man is heel gauw kwaad
Maar
zeg dan steeds tot hem
Met
je allerliefste stem
Terug
naar overzicht
Kijk
je nog eens om ?
(F. Delil)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
De Theater-directeuren
Klagen alle steen en been,
Er zit geen geld onder de menschen,
Waar moet dat dan toch heen.
Schouwburg en opera
Worden haast niet meer bezocht,
Maar komen er vreemde artisten,
Dan is alles uitverkocht.
Refrein:
Dan zingen ze ringel rangen rijen heen
en weer,
Een dag te voren is geen plaatsje te
krijgen meer.
Dan is alles uitverkocht en alles vol
als mut
Dan zeggen ze nog dat er geen geld
onder de menschen zit,
Dan zeggen ze nog dat er geen geld
onder de menschen zit.
Als men 's avonds eens gaat loopen,
Over plein en vlamingstraat,
Ziet men dames heele hopen,
Roode blosjes op 't gelaat.
Loopen dan de exerceeren,
Tot in 't hartje van den nacht,
Totdat ze een der heeren,
Stevig hebben in hun macht.
Refrein:
Ze dansen ringel rangel rijen dag en
nacht,
Of dat ze 't plein en vlamingstraat
hebben gepacht.
Ze kijken o zoo vriendelijk tegen
ieder man,
Maar als je gesjochten bent kijken ze
je niet an,
Maar als je gesjochten bent kijken ze
je niet an.
Dikwijls zegt een man van zaken,
Vrouwtjelief ik vind je lam.
Doch ik moet een reisje maken,
Zakelijk naar Amsterdam.
Liever was ik thuis gebleven,
Want het reizen vind ik naar,
Maar des avonds zie je 'm zweven,
Op de nes die huichelaar.
Refrein:
Daar danst ie ringel rangel rijen heen
en weer,
De lieve nachtchanteuze zoent ie en
nog meer.
Trakteert champagne, stelt zich aan
gelijk 'n graaf,
En telegrafeert zij vrouwtje je ventje
is zoo braaf,
En telegrafeert zij vrouwtje je ventje
is zoo braaf.
Wat ze al niet prakkiceeren
Voor de mode van de vrouw,
Elke maand is er wat anders,
Want de mode verandert gauw.
En haar hoeden potverdikki,
Nimmer zag ik ze zoo groot,
Als je een dame ziet dan schrik je,
Op mijn woord, je half dood.
Refrein:
Ze dansen ringel rangel rijen heen en
weer,
Met hoeden van een halve meter en nog
meer.
Mijn vrouw die heeft een hoed, dat zeg
je nu niet gauw,
Want thans zegt iedere man mijn hoed
die heeft een vrouw,
Want thans zegt iedere man mijn hoed
die heeft een vrouw.
Terug
naar overzicht
Kinderkleertjes
(1927 Duo Hofmann)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Eens
was hij een losbol die altijd maar dronk
En
dieper en dieper den afgrond inzonk
Toen
nam hij een meisje zo lief en zo rein
Dat
wou zijn beschermengel zijn
Ze
trouwden en minden elkander zo teer
Naar
het lokkende voor als nog keek hij niet meer
Hij
bleef 's avonds thuis en zat knus bij zijn vrouw
En
zij maakte kleertjes de snoezigste kleertjes
Voor
het kindje dat komen zou
Wat
hemdjes, wat jurkjes, wat sokjes van zij
Een
manteltje klein en een mutsje erbij
Die
kleertjes zo snoezig zo mooi en zo lief
Bestemd
voor hun kindje hun hartedief
Maar
het kindje dat kwam was zo zwakjes en klein
De
dokter die zei ’t zou geen blijvertje zijn
Ze
zagen hoe langzaam het leven ontvlood
En
eens op een nacht kwam de dood
Toen
kwamen er sombere mannen in ’t zwart
Die
droegen in ’t kistje een stuk van hun hart
Hij
zat toch te peinzen zich zelve tot last
Zij
legde de kleertjes de snoezige kleertjes
Droef
huilend weer in de kast
Wat
hemdjes, wat jurkjes, wat sokjes van zij
Een
manteltje klein en een mutsje erbij
Die
kleertjes zo snoezig zo mooi en zo lief
Bestemd
voor hun kindje hun hartedief
Terug
naar overzicht
Kindersmart
(tekst: Ferry/muziek: Michel de Cock/zang: Annie Foort)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor de tekst)
Zij
was moeders lief'ling en werd schier verwend,
Geliefkoosd
gekust en vertroeteld,
Berisping
of straf was haar onbekend,
Geen
leed had haar jeugd ooit bezoedeld.
En
weende moe dan om den man
Die
zij nog zoo kort had verloren,
Dan
kwam z' aan haar zij, en vol medelij
Zong
ze haar zachtkens in d' ooren:
Refrein:
Moesje,
lieve kleine Moesje,
Wat
blijft U voor mij stil en koud ?
Moesje,
lieve kleine Moesje,
't
Is of je niet meer van mij houdt.
Ach
laat mij Uw lijden verzachten,
Kus
me en speel als voorheen.
Moesje
laat mij niet langer wachten,
O
'k voel me zoo verdrietig en alleen.
Zij
vlijde haar kopje aan moederkens borst,
En
droogde haar tranen met kussen.
En
als nieuw verdriet een aanval weer deed,
Was
zij 't, die 't leed zacht kwam sussen;
Zorgen
en druk van 'levensjuk
Moesten
voor haar liefde verdwijnen.
En
zalig van vreugd zong zij verheugd
Zachtkens
met haar lieve kleine:
Refrein
't
Gemis van haar liefde en geluk van weleer,
Had
al hare krachten verzogen;
En
stervend lag zij op het ziekbed terneêr.
De
dood ziet zij reeds voor haar oogen.
't
Kind aan den spond' ziet bang in 't rond,
De
levensgeest was reeds geweken !
En
met angstig hart lag zij vol smart
Op
't lijk van haar moeder te smeeken:
Refrein
In
nijpende koude ! door sneeuwvlaag en wind,
Wordt
't kerkhof door Liesje betreden ..
En
bibberend van koû richt het lief kleine kind
Naar
't graf van haar moeder heur schreden !
Zij
doet op 't graf 't manteltje af ..
Opdat
moesje geen koû zal lijden ..
Bedekt
zij den steen en dan meteen ..
Vraagt
zij vol snikken en schreien:
Refrein
Terug
naar overzicht
Kindervoeten
(Kees Pruis/muziek: Louis van Noiret)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor de tekst)
't
Is een lief schilderij
Als
een vrouw innig blij
Met
haar kindje, de pootjes ontbloot,
Stil
terneer zit en kijkt,
Wat
haar leven verrijkt,
Moeder
weelde genietend, naar 't kind op haar schoot !
Refrein:
Kind'ren
trappen als ze klein zijn
Vaak
in Moeders schoot !
En
in zalig denken ziet z' haar
Lieveling
al groot;
De
Moederziel voelt heel apart
En
later lijdt ze dikwijls smart !
Want
kind'ren trappen als ze groot zijn
Vaak
op Moeders hart !
Ied're
Moeder verwacht
Voor
haar liefde zo zacht,
Dat
haar kind, als het groot is, begrijpt
Al
haar zorgen en leed !
Maar
een kind vaak vergeet
Alle
offers waardoor 't is in 't leven gerijpt !
Refrein
Al
is 't kind nog zoo slecht,
Moederliefd'
is oprecht,
Ook
die slechte lag eens in haar schoot !
Die
leeft steeds in haar geest,
Voor
die bidt zij het meest !
Moederliefde
is Godd'lijk, oneindig en groot !
Refrein
Die
z'n moeder aanbidt
Als
een heilig bezit,
Heeft
daardoor 't eigen leven vermooid !
Het
vergoedt haar heel veel,
Maar
toch is 't maar een deel !
Want
vergelden wat Moeder deed kan een kind nooit !
Terug
naar overzicht
Kindervragen
(tekst/muziek: Clinge Doorenbos/uitvoering: Jetty Paerl)
Waarom
is de aarde rond pa
Waarom
is ie niet vierkant
Waarom
gaat de zee niet verder
Dan
precies tot aan het strand
Waarom
bent u een mijnheer, pa
En
waarom is moe mevrouw
Waarom
ziet klein broertje wit pa
Waarom
is de melk blauw
Waarom
is het brood zo zwart, pa
Maken
ze dat van kolengruis
Hadden
we daarom van de winter
Zo
weinig steenkolen in huis
Waarom
bent u boos op buurman
Waarom
groet u hem niet meer
Waarom
heeft het een W.A.-man
Is
zo iemand dan geen heer
Waarom
steekt hij toch zijn hand op
Als
hij iemand anders groet
Net
als ik in onze klas doe
Op
de school wanneer ik moet
Waarom
draagt hij een driehoekje
Op
zijn jasje en wat raar
Waarom
dragen zoveel anderen
Twee
driehoekjes door elkaar
Waarom
dragen die twee jongens
Van
hiernaast zo'n raar zwarts buis
Zou
dat voor een begrafenis wezen
Of
is daar geen zeep in huis
Als
u vroeger zat te lezen
Mocht
u niet worden gestoord
Waarom
als u nu de krant leest
Zegt
u nu zo'n lelijk woord
Waarom
komt oom Willem nooit meer
Eventjes
naar Amsterdam
Waarom
mocht ik dat laatst niet vragen
Toen
moe de kamer binnenkwam
Waarom
hangt er in de straten zo'n vreemd en nare vlag
Waarom
draag ik geen oranje meer op koninginnedag
Waarom
draagt u dat mooi duppie nou toch nooit meer op uw pak
Waarom
speelde de radio zachtjes
Toen
de koningin laatst sprak
Waarom
zat moe toen te huilen
Was
de koningin dan stout
En
u hebt toch zelf verteld pa
Dat
u zoveel van haar houdt
Terug
naar overzicht
Kindje
met je mooie oogen
(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Lieveling
als ik jou aankijk, Jou van 't leven onbewust,
Maak
ik, in m'n groote liefde, mij voor jou al ongerust.
Er
is in dit moeilijk leven, zooveel valsche schijn en kwaad,
Niemand
kan tevoren weten, wat voor 'm geschreven staat.
Refrein
:
Kindje
met je mooie oogen, zoo onschuldig lief en rein,
'k
Vraag me met doodsangst om 't harte:
"Wat
zal wel jou toekomst zijn ?"
Naast
geluk was angst en vreeze,
Toen
ik biddend om je vroeg,
't
Noodlot vraagt soms zware offers,
Ben
je daarvoor sterk genoeg ?
Zul
je 't levensraadsel peilen, vragen naar waarom en hoe,
Zal
je je verheffen kunnen, boven valsch en slecht gedoe.
Zul
je wel bestand zijn schatje, tegen laster en venijn,
Zul
je wel eens aan me denken, als ik er niet meer zal zijn ?
Hoeveel
duizenden gaan onder, in de groote levenszee,
Een
klein foutje is vaak oorzaak, dat beslist vaak wel en wee
.
Al
die duizenden in cellen, meisjes die de straat op gaan,
Hadden
Vaders (of Moeders) die als ik schat,
Hebben
aan hun wieg gestaan.
Terug
naar overzicht
Kindjes
laatste wens (Kees Pruis)
(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Je
zult verwonderd zijn als j' in dit schrijven
Het
handschrift van je vroeg're vrouw herkent
't
Is nu zes jaar na d'uitgesproken scheiding
Je
bent natuurlijk aan mijn schrift ontwend
Ik
schrijf niet voor mijzelve
Ik
doe een plicht als moeder en als mens
Als
'k je nog eens aan mijn bestaan herinner
Vervul
'k ons beider kind zijn laatste wens
Zo
is 't gebeurd: hij is uit school gekomen
En
klaagde: "Ma, 'k heb hoofdpijn, 'k ben zo moe!"
'k
Was ongerust, hij was nooit sterk, dat weet je
En
'k bracht hem daad'lijk naar z'n bedje toe
'k
Heb wekenlang de dood z'n prooi bestreden
En
handenwringend voor mijn kind gestaan
'k
Heb meer dan ik verdragen kon geleden
Helaas!
Hij is toch van mij heengegaan
Hij
kon zo dikwijls droevig zitten peinzen
Wanneer
de jongens uit dezelfde klas
Hem
zoveel liefs vertelden van hun vaders
Hij
vroeg mij dan waar of zijn vader was
'k
Heb jouwentwil dan altijd maar gelogen
Hem
zeggen dat jij slecht was vond ik wreed
Ik
schaamde mij dan voor mijn eigen jongen
En
zei hem dat jij verre reizen deed
Als
ik hem van z'n vader moest vertellen
Heb
ik, al deed ik dan mijzelf geweld
Om
niet te doden 't kind z'n mooi' illusies
Jou
als een brave vader voorgesteld
Zo
hield ie dus z'n mooi' herinneringen
En
op z'n sterfbed vroeg mijn kleine schat
Of
ik je in een lange brief wou schrijven
Dat
hij je altijd zo heeft liefgehad
Hij
zei me nog dat hij voor jou zou bidden
Wanneer
hij kwam bij Onze Lieve Heer
Toen
heeft ie zacht je naam nog uitgesproken
Toen
nog een kus, en 't kindje was niet meer
Ik
stuur je hierbij nog z'n laatste portretje
En
nog een lokje van z'n blonde haar
Ik
deed m'n plicht en heb 'k je leed berokkend
't
Was toch ons kind, vergeef het mij dan maar
Terug
naar overzicht
Klaaglied
van een Belgisch knaapje
(met dank aan Inez voor
het sturen van de tekst)
Ach moesjelief waar gaan wij henen
?
Ik ben zoo moe ik kan niet meer.
Komt laat ons hier maar even rusten
En zet u op dien grashoop neer.
Ach zeg mij toch waar blijft mijn paatje,
Of heeft hij u soms leed gedaan ?
De moeder voelde toen de smart,
En drukte het stevig aan haar hart.
Refrein:
Ziedaar ginds die brand,
Het is ons Belgenland.
Moge God ons sparen,
Uw paatje te bewaren.
Wij hadden toch niets misdaan,
Wij leefden daar tezaam.
Ik ben niet meer moe,
Wij gaan naar paatje toe.
De nacht was koud de stormwind loeide,
Op straat zag men geen menschen meer.
Zie slechts een arm knaapje loopen,
Die lucifers aanbood mijnheer.
Daar komt een heer in pels gedoken,
De stoep af van de sociteit.
Z'n handen in zijn zak gestoken,
De kleine fluisterd in tranen uit.
Refrein
O zwijg nu stil mijn liefste kleine,
Ach hoe kom ik aan de huur.
Ik kan niet vragen ook niet bedelen,
Ik heb geen eten en ook geen vuur.
Zou er voor ons geen uitkomst komen ?
Waar blijft dan nu het Hollandsch hart ?
En ach de moeder voelde smart,
En ook de kleine weende zacht.
Refrein
Terug
naar overzicht
Klaaglied van een
pantoffelheld
(Kees Pruis - 1889-1957)
(met dank aan
Hubert van den Heuvel voor
het sturen van de tekst)
Een keer komt het in je leven
Dan trouw je netjes voor de
burgerlijke stand
Dan denk je dat je krijgt de hemel
Maar je merkt gauw dat j'in de hel
bent aangeland
In je scharrelperiode dan denk je nou
Ik krijg een schatje van een vrouw
Na een jaartje van je trouwen
Dan heb je voor je leven lang berouw
Refrein:
Nu ik getrouwd ben heb ik niets meer
te vertellen
Maar vroeger kon ik doen en laten wat
ik wou
'k Ben vreselijk jaloers op alle
vrijgezellen
Nu doe ik alles op commando van mijn
vrouw
Als ik vroeger van kantoor kwam
Dan deed ik met m'n centen steeds mijn
eigen zin
Nou mag ik ze wel bewaren
Totdat ik thuis ben want dan pikt mijn
vrouw ze in
Geef het kind een schone luier
Loop niet te fluiten want daar wordt
ik akelig van
Ik moet op de baby passen
Want 's avonds gaat ze heerlijk
Naar een soiree dansant
Refrein
Terug
naar overzicht
Klacht
van een klassiaan
(met dank aan Inez voor
het sturen van de tekst)
Versie 1
(met dank aan Inez voor
het sturen van de tekst)
Lieve
moeder wilt niet wenen,
Want
uw zoon is klassiaan.
Aan
de krijgstucht onderworpen,
Is
hij naar Vlissingen gegaan.
Dagelijks
moet hij exerceren,
In
die duinen op en neer.
Presenteren
de geweren,
Schildwacht
lopen en nog meer.
Presenteren
de geweren,
Schildwacht
lopen en nog meer.
Thuis
gekomen van exerceren,
Moest
hij dadelijk naar bureau.
"Soldaat
daar is 'n brief gekomen,
Breek
hem open en lees hem voor."
"Ach
mijn Moeder ligt op sterven,
Mag
ik haar nog éénmaal zien ?"
Want
al zijn wij klassianen,
Daarom
zijn wij zo slecht nog niet.
Want
al zijn wij klassianen,
Daarom
zijn wij zo slecht nog niet."
"Neen
verlof kan ik U niet geven,
Want gij zijt een klassiaan.
Aan de krijgstucht onderworpen,
Ruk maar in, gij moogt niet gaan !"
„Moet ik als klassiaan dat dulden,
Terwijl mijne Moeder op sterven ligt . .
Neen dan ga ik deserteren,
Met
mijn ransel op mijn rug.
Neen
dan ga ik deserteren,
Met
mijn ransel op mijn rug.
In
de Javaanstraat aangekomen ,
Grote
God, wat zag ik daar? ....
't
Was mijn innigste geliefde,
Met
de handen in elkaar . . .
Ik
behoefde haar niets te vragen ,
Want
mijn Moeder was reeds dood . . .
Maar
... al zijn wij klassianen
De
ouders die vergeten we nooit !
Maar
... al zijn wij klassianen
De
ouders die vergeten we nooit !
(Een
klassiaan was iemand die in de strafklasse geplaatst was. Dat was geen
speciale marinetuchtmaatregel. Doch bij de marine liepen de klassianen
meer in de gaten, omdat ze niet zoals bij het leger naar Vlissingen (later
naar Hoorn, doch sedert de eerste wereldoorlog opgeheven) werden gezonden,
doch aan boord hun straftijd uitdienden. Vóór 1907 gingen ook mariniers
als klassiaan (met minimum straftijd van 7 maanden) naar Vlissingen. Toen
in 1907 de mariniers de scheepsdienst, ook bij plaatsing aan de wal mee
liepen, werd de toepassing van deze straf voor de mariniers met die van de
matrozen gelijk gesteld. )
Versie 2
(met dank aan
Frans Pennings voor
het sturen van de tekst)
Lieve moeder wil niet weenen
Want uw zoon is klassiaan
Aan de krijgsmacht onderworpen
En naar Vlissingen gegaan
Dagelijks moet hij exerceren
In de duinen op en neer
Presenteren de geweeren
Schildwacht spelen en nog meer
Presenteren de geweeren
Schildwacht spelen en nog meer
Van den dienst weer thuis gekomen
Moest ik komen op ‘t bureau
Soldaat er is een brief gekomen
Lees hem aar eens even voor
Ach mijn moeder ligt op sterven
Mocht ik haar maar even zien.
Ja al zijn wij klassianen
Zijn wij daarom zo slecht nog niet
Ja al zijn wij klassianen
Zijn wij daarom zo slecht nog niet
Soldaat verlof mag ik u niet geven
Want je bent een klassiaan
Aan de krijgsmacht onderworpen
En voor straf naar hier gegaan
Moet ik als klassiaan dan dulden
Daar mijn moeder op sterven ligt
Ja dan ga ik deserteren
Met de ransel op de rug
Ja dan ga ik deserteren
Met de ransel op de rug
In de Braamstraat aangekomen
Groote God wat zag hij daar
Stond mijn eenigste geliefde
Met de hand in elkaar
‘K behoefde haar niets meer te vragen
Want mijn moeder was reeds dood
Ja al zijn wij klassianen
Den ouder die vergeet men nooit
Ja al zijn wij klassianen
Den ouder die vergeet men nooit
Terug
naar overzicht
Klacht
van een wees
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ik
ben een wees door iedereen verlaten,
Door
iedereen verstooten en verdrukt.
In
dezen toestand dwaal ik langs de straten,
Terwijl
't juk van de armoe mij thans drukt.
Van
huis tot huis moet ik mijn brood gaan vragen,
Met
harteleed omdat mij de honger kwelt,
Dat
is mijn lot, dat moet alle dagen,
Tot
dat de Heer een eind aan mijn leven stelt,
Dat
is mijn lot, dat moet alle dagen,
Tot
dat de Heer een eind aan mijn leven stelt.
Ik
was zeven jaar, toen stierf mijn lieve Moeder,
Mijn
Vader volgde haar weldra in het graf,
Twee
jaar nadien stierf ook mijn lieven broeder,
Hetwelk
de doodsteek aan mijn lieve Zuster gaf.
Geheel
alleen ben ik op aard gebleven,
Van
zucht tot zucht slaap ik noch dag nog nacht,
Waarom
o God moet ik nu nog blijven leven,
Neem
mij tot U en maak mij 't lijden zacht,
Waarom
o God moet ik nu nog blijven leven,
Neem
mij tot U en maak mij 't lijden zacht.
Gij
rijke snoodaard, gij spot met mijn ellende,
Gij
lacht gij spot met mijn rampzalig lot,
Maar
aan Uw snoodheid komt ook eens een einde,
Dat
gij voor die misdaad boeten zult bij God.
De
Heer heeft mij een bedelbrood gegeven,
Spreidt
gij Uw schatten eindelijk tot den troon,
O
neen, o neen, o, gij rampzalig leven,
Een
beter lot verwacht ik tot mijn loon,
O
neen, o neen, o, gij rampzalig leven,
Een
beter lot verwacht ik tot mijn loon.
Zoo
sprak een wees eens onder smart en lijden,
Ontrolt
een traan al langs al haar bleke wang,
De
schijn der troost is reeds allang verdwenen,
Alleen
het zuchten maakt mij 't lijden zacht.
De
dood zal mij mijn einde niet doen vreezen,
Daar
ik wensch te zijn bij Onzen Lieven Heer.
Ja
als ik in de Hemelglorie zal wezen,
Zie
ik mijn Ouders, Broers en Zusters weer,
Ja
als ik in de Hemelglorie zal wezen,
Zie
ik mijn Ouders, Broers en Zusters weer,
Terug
naar overzicht
Klachtlied
op het graf van Napoleon door 's Keizers zoon
(wijs
van "De nieuwe vondeling")
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Het
edel kind van Napoleon de Groote,
Sprak
zijn moeder eens in vriendschap aan,
Gij
zult mijn eenige smeeking niet verstooten,
Want
ik zal van verdriet het graf ingaan.
Ik
wil gaan zien naar 't lichaam van mijn vader,
Ach,
moederlief, geef mij toch dat consent,
Want
al mijn bloed verstijft ader voor ader,
Want
al mijn bloed verstijft ader voor ader,
'k
Zal eerder niet gerust zijn of content,
'k
Zal eerder niet gerust zijn of content.
De
edele keizerin sprak met zoete woorden:
"Kind
spreek daar eerst uw grootvader van,
Gij
weet een kind moet onderdanig wezen
Aan
zijn ouders gelijk ik heb gedaan."
Het
edel kind ging aan 't verlangen,
Viel
zijne moeder als een kind te voet,
Hij
openbaart, ik zal niet veel verlangen,
Als
uw hart aan mijne wil voldoet,
Hij
openbaart, ik zal niet veel verlangen,
Als
uw hart aan mijne wil voldoet.
's
Keizerskroon begint te voyageeren,
Tot
St. Helena heeft hij hem bereid,
Hij
kwam hem aan het graf zich presenteeren,
Onder
eenen boom met veel droefheid.
Daar
heeft hij met luide stem geroepen:
"Verschuift
den steen en laat mij niet alleen,
'k
Ben Keizerszoon en doet de kist maar open,
'k
Wil bij mijn waren vader zijn,
'k
Ben Keizerszoon en doet de kist maar open,
'k
Wil bij mijn waren vader zijn."
"Napoleon,
hoe ligt gij hier verslonden",
Sprak
zijn zoon met oogen vol getraan,
"Gij
hebt zoovel landen overwonnen,
Waarom
zijt gij de wereld afgegaan ?"
Want
heel Europa moest voor u beven,
Doorhalen,
ja van het groot kanon,
Kont
gij het menschdom doen in veugde leven,
Vader
staat op, men roept u hier weerom,
Kont
gij het menschdom doen in veugde leven,
Vader
staat op, men roept u hier weerom.
Maar
al zijn klachten konden niet baten,
Verliet
St. Helena met droef getraan,
Men
zag de tranen vloeien der soldaten,
"Vaarwel",
riep hij, "eer ik van hier wegga."
"Vaarwel",
riep hij, "ware vader geprezen",
Dan
stelde hij den eerste voet aan boord,
Dit
groot verlies zal kosten mijn jong leven,
Want
al het volk is op mij verstoord,
Dit
groot verlies zal kosten mijn jong leven,
Want
al het volk is op mij verstoord.
Terug
naar overzicht
Klap
in je handen
(tekst en muziek: Jack Bess en Frans
Poptie)
(met
dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)
Al wonen we niet in de bergen,
We houden van stemming en jool,
En daarom gaan wij ons vermaken,
Zoals ze dat doen in Tirool.
Refrein:
Klap in je handen van hoe-la-di-é !
Van je hoe-la-di, hoe-la-di-o !
Even proberen, dan ken je het zo
Van je hoe-la-di, hoe-la-di-o !
Je stampt met je voeten van een, twee,
drie,
En slaat met een vrolijk Juché op je
knie,
Klap in je handen van hoe-la-di-é
Van je hoe-la-di, hoe-la-di-o !
Al heb je geen hoed met een veertje,
Je kunt het ook zónder wel doen,
De stemming alleen amuseert je,
Dus geef 'm een keer van katoen !
Refrein
Je hebt hier geen kans om te vallen,
En 't is hier ook lang niet zo koel,
Geen storm zal je vreugde vergallen,
Je zakt op z'n hoogst door je stoel.
Refrein
Terug
naar overzicht
Klappermelk met suiker
(tekst en muziek: Pierre Wijnnobel)
(uitvoering: Joyce Aubrey met
Amboina Serenaders v. Rudi Wairata)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Op Ambon woont een meisje
Waar iedereen van zingt
Omdat ze heel erg mooi is
En ook om wat ze drinkt
Reeds toen ze nog geen drie was
En mama vroeg aan haar
Wat wil je nu eens drinken
Had zij haar antwoord klaar:
Refrein:
Ik wil klapper klappermelk met suiker
Want iets anders lust ik niet
Ik wil klapper klappermelk met suiker
Want iets anders lust ik niet
Ik wil geen appelsap of limonade
Thee en koffie laat ik staan
En chocolademelk of orangeade
Smaken mij als levertraan
Ik wil klapper klappermelk met suiker
Want iets anders lust ik niet.
En dat is zo gebleven
Ze is nu achttien jaar
Een jongen is gekomen
En hij houdt van haar
Doch als hij met haar uitgaat
Is hij niet erg content
Steeds als hij om een kus vraagt
Zegt zij op dat moment:
Refrein
Terug
naar overzicht
Klein
Jantje
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Moesje
zat in 't schemeruurtje
Met
klein Jantje op haar schoot
Kleine
Jan is nu nog klein hè, maar eens wordt klein Jantje groot.
Dan
hoeft U niet meer te werken in die nare wasserij.
Ied're
zaterdag krijgt moesje zo'n hoop guldens dan van mij.
Refrein:
Als
Jantje groot is gaat hij geld verdienen
En
weet U wat ik met die centjes doe
Ik
leg ze allemaal voor U op tafel
Want
al dat geld is voor mijn lieve moe.
Jantje
kreeg vaak pracht rapportjes
Meester
zei, wat leert hij goed.
Maar
hoe zwaar of moesjes strijd was heeft ons Jantje nooit vermoed.
En
als zij vermoeid te bed lag, putte zij weer nieuwe kracht.
Uit
de liefde voor haar jongen, in haar droom hoorde zij zacht.
Refrein
Bij
de ontvangst van 't eerste maandgeld
Was
zijn vreugde oh zo groot.
Tot
er plots een telegram kwam, Jan je moedertje is dood.
Schielijk
ging hij naar haar woning met zijn hart vol droefenis,
Legde
ie het eerste geld op tafel, 't was voor haar begrafenis.
Refrein
(droevig gezongen)
Terug
naar overzicht
Kleine
blonde Mariandel
(Chef van Dijk/Max Tak 1934/uitvoering
o.a. Bob Scholte en ook Jetty Cantor)
Refrein:
Kleine,
blonde Mariandel
Wanneer
gaan wij eens aan de wandel
Want
steeds alleen te lopen
Is
heus niets gedaan
Als
ik jou voorbij zie komen
Zo
langs de gracht onder de bomen
Dan
zou ik zo wel aan je zijde willen gaan
Zeg
mij, waarom keek je me aan
Want
daardoor is mijn hart opeens van slag gegaan
Kleine,
blonde Mariandel
Toe,
ga met mij nu aan de wandel
Dan
zullen wij het verd're leven samen gaan
Elke
morgen tegen negen uur
Raakt
mijn hart vol van vuur
Dan
kom jij aan mijn kantoor voorbij
En
je lacht tegen mij
Kleine,
blonde vrouw
Hoe
ik van je hou
Zegt
dit lied aan jou
Refrein
Dan
zullen wij het verd're leven samen gaan
Terug
naar overzicht
Kleine
Elisabeth (Kees Pruis)
(met
dank aan Inez voor de het sturen van de tekst)
Kleine
Elisabeth was in haar buurtje
Bekend
als knappe meid
Maar
't was jammer, zij had voor haar leeftijd
Al
veel te veel gevrijd
Reeds
met zestien jaar was zij van alle markten thuis
En
haar moeder sprak: "Dit kind, dat is voor ons een kruis!"
Een
pianist had een lied haar vereerd
En
voor haar gecomponeerd
Refrein:
Wat
ik van je weet, kleine Elisabeth, kleine Elisabeth, nou, nou
Dat
doet mij zo'n leed, kleine Elisabeth, kleine Elisabeth, nou, nou
Gisteravond
om half tien
Heb
ik je in 't plantsoen gezien
En
toen was je niet alleen
't
Is meer menselijk dan gemeen
Wat
ik van je weet, kleine Elisabeth, kleine Elisabeth, nou, nou
Eerst
was 't een slager, een bakker, een melkboer
Daar
ging ze dan mee uit
Nou
wil z'n excelsior, bemoeit zich met heertjes
Want
Betje wil vooruit
Zij
zegt: "Weet je waar ik in dit leven maar op loer
Ik
word nog een tweede Markiezin de Pompadour!"
En
ondertussen liet zij zich maar kussen
En
sprak: "Ik leer mijn vak!"
Refrein
Zij
heeft een tante, die weet ook van wante
Die
legt haar vaak de kaart
Werkt
met het ei, en die zegt haar dan: "Jij
Bent
een rijke kerel waard!"
Ach,
zeg mij, mijn schat, als je une grande dame bent
Zorg
dat jij de grote waarde van reclame kent
Dat
leuke lied, dat lief melodietje
Maakt
jou, beroemde vrouw
Refrein
Terug
naar overzicht
Kleine
gouden ster
(tekst: Stan Haag / muziek Jos Cleber /
uitvoering: De Zaaiers)
(met
dank aan Gerard Engelbertink voor de het sturen van de tekst)
Zwart als fluweel is de nacht
Van zilver de eenzame maan,
Een ster schittert als 'n smaragd
En ik blijf vol bewondering staan.
Refrein:
Kleine gouden ster, je bent oneindig
ver.
Wat staat er toch in jou geschreven ?
Als ik jou zie staan, zo schuin onder de
maan,
Denk ik: kon jij maar, antwoord geven.
Als jij er bent schittert alles om je
heen
En wat gaat gebeuren, dat weet jij
alleen !
Kleine gouden ster, al ben je nog zo
ver,
In jou staat mijn geluk beschreven.
Terug
naar overzicht
Kleine
Greetje uit de polder
(tekst: Anton Beuving/muziek: Tom Erich/uitvoering: Eddy Christiani en Harmonette)
Ik
weet in de polder een huisje te staan,
Verborgen door bloemen en struiken
Een slootje ervoor met een stoepje eraan
En vensters met roodwitte luiken
Daar ga 'k ieder jaar met vakantie naartoe
Ik voer daar de kippen en melk er de koe
Ik maai en ik zaai er zo'n beetje
En zoen in het klompenhok Greetje
Refrein:
Kleine
Greetje uit de polder
Kind van 't lage land
Blond van haar en blauw van ogen
Geef mij toch je hand
Kleine Greetje uit de polder
Zeg me nu eens gauw
Als het koren rijp is
Word je dan mijn vrouw
Want Greetje heeft mij al haar hartje beloofd
Maar eerst moest de tarwe gemaaid zijn
Toen vroeg ik haar weer maar ze schudde haar hoofd
Nu moest eerst de rogge gezaaid zijn
Toen had ze geen tijd want toen werd er gehooid
Toen moesten de piepers zo nodig gerooid
Een koe werd mama, dus had Greetje
Geen tijd om te trouwen, dat weet je
Ik werd boos, kwaad en nijdig en ging naar haar toe
En zou haar eens duidelijk bevelen
Dat hooien noch rooien noch lot van de koe
mij langer een ziertje kon schelen
Ik kwam bij het slootje met 't stoepje eraan
En bleef op de brug vol verbijstering staan
Ik mocht er niet binnen, want weet je
Er was mond- en klauwzeer bij Greetje
Terug
naar overzicht
Kleine
harmonicaspeler
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
In
het plantsoentje onder de bomen,
Daar
speelt ’n jongen harmonica
.
En
vele mensen die langs hem komen.
Vergeten
alles en luisteren dra.
’n
Onbekende vrouw maakt soms ’n praatje met hem,
En
vraagt met zachte stem:
Kleine
harmonica-speler, speel me nog één keer dat lied,
Van
dat de rozen verwelken en ware liefde toch niet.
Kleine
harmonica-speler, jij maakt me melancholiek,
Tranen,
verlangen en weemoed, is er in jouw muziek.
Laat
mij hier eventjes dromen bij je harmonica,
Onder
de groene bomen voor ik verder ga.
Kleine
harmonica-speler, speel me nog één keer dat lied,
Van
dat de rozen verwelken en ware liefde toch niet.
Hij
staat al spelend te fantaseren,
Wie
kan zij wezen, hij weet het niet.
Hij
kijkt naar allen die daar passeren,
En
stil verlangen klinkt in zijn lied.
Hij
gaat nooit naar een andere plek hoe stil het soms is,
Anders
loopt ze hem mis.
Gesproken
(Parlando):
Kleine
harmonica-speler, speel me nog één keer dat lied,
van
dat de rozen verwelken en ware liefde toch niet.
Laat
mij hier eventjes dromen bij je harmonica,
Onder
de groene bomen voor ik verder ga.
Kleine
harmonica-speler, speel me nog één keer dat lied,
Van
dat de rozen verwelken en ware liefde toch niet.
Terug
naar overzicht
Kleine
Klaas
(met
dank aan Carola voor het sturen van de tekst)
Kleine
Klaas stond peinzend aan de slootkant,
Achter
het hek van vaders boerderij.
Kijk
daar streek een grote witte vogel,
Statig
wiekend recht neer op de wei.
Kleine
Klaas achter een heg verscholen,
Voelde
hoe of hij van kleur verschoot,
En
met twee gebalde kindervuistjes,
Keek
hij naar de vogel bij de sloot.
Refrein:
Maar
wij ouderen beseffen haast nimmer,
Wat
er omgaat in een kindergemoed,
En
waarom een kind in zijn eenvoud,
In
ons oog zo vreemd dikwijls doet.
't
was toen Klaasje naar de vogel staarde,
Alsof
hij hem met z'n blik verslond.
En
behoedzaam het witte dier bespiedend,
Nam
het kind een steen op van de grond.
Snel
een worp - de ooievaar verhief zich,
Ofschoon
hij moeizaam van de grond af kwam.
Langzaam
klepperde een grote vleugel,
Doch
de anderen vleugel......die was lam.
Refrein
Plots
een hand op Klaasjes kleine schouder,
En
de veldwachter ziet streng hem aan.
Hij
zegt: "Klaas wat ben jij een stoute rakker !
Bengel,
waarom heb jij dat gedaan ?"
Er
viel een traan van Klaasjes grote wimpers
En
hij sprak, terwijl zijn moed herleefd':
"Dat
is de ooievaar die kortgeleden,
Mijn
lief moesje dood gebeten heeft."
Refrein
Terug
naar overzicht
Kleine
Lucienne
(uitvoering: Conny Froboess)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Paris, voila, daar heb ik nu een kleine
vriend
Oh, hij is altijd zo vrolijk en blij
En vaak zegt hij tegen mij:
Kleine Lucienne droog je tranen
Kijk naar het mooie Parijs
Want met zijn bloeiende lanen
Lijkt het een droomparadijs
Kleine Lucienne je moet lachen
Dan zijn je zorgen er niet
Denk: "c'est la vie en vergeet je verdriet
Want je bent in Paris, oui, oui"
Ik ging al jong naar een school in Parijs
En ik leer daar mijn Frans heel goed
Maar brengt de leraar me soms van de wijs
Dan verlies ik wel eens de moed
Maar ik ben blij met Robert aan mijn zij
Want hij staat me voortdurend bij
Ben ik verdrietig dan lacht hij me toe
En fluistert tegen mij:
Kleine Lucienne droog je tranen
Kijk naar het mooie Parijs
Want met zijn bloeiende lanen
Lijkt het een droomparadijs
Kleine Lucienne je moet lachen
Dan zijn je zorgen er niet
Denk: "c'est la vie en vergeet je verdriet
Want je bent in Paris, oui, oui"
Terug
naar overzicht
Kleine meisjes moeten slapen
gaan
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Hoe zorgeloos en prettig is de
kindertijd,
Wanner wij daar aan denken zijn wij
verblijd.
Het huiselijk verkeer was prettig, ja
Ik zat bij Mama, en bij Papa,
Wanneer het klokje van twaalf sloeg
Dan zei zus: het is nog veel te vroeg,
Maar moeder zei alras,
Dat het bedtijd was.
En vader commandeerde marsch,
Ik moest het eerst naar bed dan toe
En moeder zong dan blij te moe:
Refrein:
Kleine meisjes moeten slapen gaan,
Als vader en moeder aan 't dollen gaan.
In een droom wiegt haar engel zacht
Slaap zacht mijn kind, goeden nacht.
Kleine meisjes moeten slapen gaan,
Als vader en moeder aan 't dollen gaan.
In een droom wiegt haar engel zacht
Slaap zacht mijn kind, goeden nacht.
Marietje was een dochter van vaders
vrind,
Werd trots haar zestiende jaar teer
bemind.
Wanneer ze uit kon gaan, dan vond ze
fijn,
Bij maneschijn alleen te zijn.
Wanneer het avond werd gong zij tevreên
Met haar beminde naar het park heen.
Op een bank vallen ze neer,
Kussen zich keer op keer
En verders hoort men niets meer.
Wanneer zij rustend tegen zijn borst aan
lag,
Zong zij met een blijde lach:
Refrein
Het duurde met Marietje een tijd of wat,
Op eenmaal had het lieve kind kou gevat.
Bij onderzoek merkte de dokter ras,
Die zei 't is kras,
Dat 't een kinderziekte was.
En vader riep, heb jij nu geen fatsoen,
Zoo iets had die kerel mij eens moeten
doen.
Marie zei lief en teer,
Ik zweer het op mijn eer,
Zoo iets gebeurt mij nooit meer.
De moeder schreide dag en nacht,
Terwijl Marietje aan 't liedje dacht:
Refrein
Het meisje is nu met haar Jan getrouwd,
Het heeft haar in dien tijd nog niet
berouwd.
Zij is nu in de wolken met haar lief
kind,
Wat ze teer bemint,
Van haar geliefde vrind.
De geheele dag speelt ze met die kleine
dot,
Ze is op 't kind en op haar man verzot.
Komt naar huis haar lieve Jan,
Pakt ze hem stevig dan,
En men weet er dan alles van.
Eerst de kleine meid in bed gelegd,
Dan zingt ze wat haar vader denkt en
zegt:
Refrein
Terug
naar overzicht
Kleine
nachtegaal
(tekst: Van Aleda/muziek: Gerhard
Winkler en Walter Rothenburg/uitv.: De Marketensters en Orkest Zonder Naam)
Kleine
nachtegaal
Zing me nog eenmaal
Zing me nog eenmaal dat lied
Kleine nachtegaal
Weet je nog, in mei
Jij was er toch bij
Toen m'n schat me heeft gekust
Voor de laatste maal
Vaak denk ik nog aan die uren
Samen, zij aan zij
Maar, helaas, het mocht niet duren
Alles is voorbij
Kleine nachtegaal
Zing me nog eenmaal
Zing me nog eenmaal dat lied
Kleine nachtegaal
Ieder
jaar en ied're mei denk ik weer aan die dag
En aan 't groot geluk, dat ik toen in z'n ogen zag
Dan zoek ik 't bos weer op en wacht daar urenlang
Tot ik in de schemering weer droom bij jouw gezang
Vaak
denk ik nog aan die uren
Samen, zij aan zij
Maar, helaas, het mocht niet duren
Alles is voorbij
Kleine nachtegaal
Zing me nog eenmaal
Zing me nog eenmaal dat lied
Kleine nachtegaal
Terug
naar overzicht
Kleine
schooier
(tekst: Dico van de
Meer en Stan Haag/muziek:Dorothy Wright, Tonny van Maurik/uitvoering: De Trekvogels)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Kleine
schooier, met die scheur in je broekie,
Huil
je zo om je konijn ?
Kleine
schooier, met die scheur in je broekie,
Nooit
zal ie meer bij je zijn.
Jij
hield hem vaak in je armen,
Jij
streelde over z’n kop,
Nu
is z’n hokkie verlaten en leeg,
En
je zit weer alleen in ’t slop.
Kleine
schooier, met die scheur in je broekie,
Jij
mist zoveel zonneschijn.
Kleine
schooier, met die scheur in je broekie,
Nooit
zal ie meer bij je zijn.
Kleine
schooier, met die scheur in je broekie,
Wie
geeft jou een ander konijn.
Terug
naar overzicht
Kleine Suze
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Kleine Suze ging eens wandelen,
Met haar mandje aan haar hand,
Mooie bloemen ging zij plukken,
Mooie bloemen in haar mand,
Maar dïe allerkleinste bloemen
Riepen telkens: pluk- ons niet.
Refrein:
Laat ons bloeien,
Zoo riepen al die bloemen,
Laat ons bloeien,
Pluk ons niet.
Kleine Suze stond verlegen,
En zij sprak op zachte toon,
Ik wil ze aan mijn moeder geven
Want gij zijt ons lief en schoon,
Ik wil ze aan mijn moeder schenken,
Op haar verjaardag morgen vroeg.
Refrein:
Pluk dan Suze,
Zoo riepen al die bloemen,
Want voor je moeder
Pluk je nooit genoeg
.
Suze's moeder sprak bewogen:
Edel schoon en aardig kind,
Hier een kus, mijn hand en zegen,.
U, die ik zoo teer bemin,
Deze bloemen zijn ons leven,
Door den Hemel ons gegeven.
Refrein:
Pluk dan Suze,
Zoo riepen al die bloemen,
Want voor je moeder
Pluk je nooit genoeg.
Terug
naar overzicht
Kleine
verschoppeling (Rotterdamse Riet)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Kleine
verschoppeling in lompen gekleed,
Groot
is jouw eenzaamheid, groot is je leed.
Jouw
blauwe kijkers vragen zo trouw,
Kleine
verschoppeling om liefde voor jou.
Een
gezin met vele kinderen
Werd
met armoede bedacht.
Daar
werd plotseling kleine Jantje
Door
de ooievaar gebracht.
Jantje
bleek al gauw niet welkom,
Want
er waren er al zoveel.
Hij
kreeg van zijn ouderliefde
Maar
een bitter karig deel.
En
hij leerde vroeg de smart,
Van
een eenzaam moederhart.
Refrein
Op
de dag dat kleine Jantje
Koortsig
in zijn bedje kroop,
Gaf
de oude grijze dokter
Aan
de ouders niet veel hoop.
En
toen moeder nachten wakend,
Stil
voor Jantjes leven bad,
Ging
ze plotseling beseffen
Wat
ze hem onthouden had.
En
ze fluisterde heel zacht,
In
het duister van de nacht:
Refrein
Terug
naar overzicht
Kleine zigeunerjongen
(tekst en muziek: Bart Ekkers /
uitvoering: Helma en Selma)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Ik zag laatst in het kamp van de
zigeuners
Een kleine jongen, die maar stil te
staren zat,
Hij was ver, heel ver met zijn
gedachten,
En hij droomde, maar ik weet niet,
wat,
Waarvan zit jij te dromen,
Is het van je verre vaderland
Zou je die weer graag eens zien,
Maar in je ogen is verdriet,
Waarvan zit jij te dromen
Van 't verleden misschien,
Wat geweest is, zal nooit meer komen
Waarvan droom je, mijn jongen
Terug
naar overzicht
Klop, klop,
klop
(tekst: L v.Dijck en Jack Bess /
muziek: Lou v. Dijck)
(uitvoering: orkest The Flying
Dutchman olv Maths. Niëns)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
Nimmer zal ik vergeten hoe op zekere dag
Jij opeens wat zon bracht in mijn leven
Ik kon toen nog niet weten dat jouw
heerlijke lach
Aan mijn hart zo'n zware dag zou geven.
Refrein:
Klop, klop, klop, doet m'n hartje,
telkens als ik je zie
Klop, klop, klop, doet m'n hartje, dat
is geen fantasie
Klop, klop, klop, doet m'n hartje, 't
slaat van liefde voor jou
Klop, klop, klop, doet m'n hartje, omdat
ik van je hou.
En waar ik ga of sta daar zing ik
tra-la-la-la,
Maar zeg jij eind'lijk: "Ja", dan juich
ik tra-la-la-la.
Klop, klop, klop, doet m'n hartje, 't
slaat van liefde voor jou,
Klop, klop, klop, doet m'n hartje, omdat
ik van je hou.
Terug
naar overzicht
Kluchtlied
(met dank aan Staaf Baetensk voor
het sturen van de tekst)
'k Moest laatst in Brussel zijn
'k Ging er al met de trein
Gekleed gelijk nen heer
't Was voor den eersten keer
Ik stapte in ne koupé
Ja blijgezind voor twee
Maar wat ik tegenkwam
Al met een oude dikke dame
Zij bezag me vies op zij
Ik had nog niet gesproken
Eensklaps zei ze tegen mij
Ge moogt hier niet roken
Wel madam geneert u niet
Vreest voor geen gevaren
Maar zij antwoordde subiet
Ik ben voor geen sigaren
Ik sprak beleefd tot haar
Madam mijne sigaar
Heeft zulke goede geur
Dus vreest voor geen malheur
Maar zij antwoordde mij snel
Mijnheer versta mij wel
Of ik die zal seffens trekken aan de bel
Ach madam dat doet mij spijt
Wil u toch bedaren
Maar zij riep met veel lawijt
Weg met uw sigaren
O dat was een vieze vrouw
Zij verstond geen reden
'k Ben daar spoedig en algauw
Uit de koupé getreden
In een compartiment
Daar neffens gans content
Daar zat een lief kind
Ik vroeg haar dan gezwind
Zeg meisje zeg het maar
Geneert u mijn sigaar
O neen sprak zij mijnheer
Kom zet u neven mij wat neer
Wij praten van dit en dat
Ja van alle dingen
Zij had mij iets gezegd
'k Kon haar niet weerstaan
'k Ken kost haar niet bedwingen
'k Gaf haar een kusje met plezier
'k Schonk het in 't verdoken
Maar zij riep pas op 't is hier
Verboden van te roken
Wij reden verder voort
Door niemand meer gestoord
'k Zat dicht bij hare zij
Zo, ging den tijd voorbij
Wij stapten uit den trein
'k Zag naar haar liefst fijn
'k Zag overal rond
Of ik dat meisje niet en vond
Maar zag ik tot mijn spijt
Dat ik was bedrogen
'k Was al mijn centen kwijt
Zij was weggevlogen
'k Zei thuis tegen mijn vrouw
Ik heb ze misgestoken
Maar 'k en zal van mijn leven meer
Zulke sigaren roken
Terug
naar overzicht
Koeiers Jan
(met dank aan Staaf Baetensk voor
het sturen van de tekst)
Hoorde gij nooit van mij niet spreken
Vrienden ik ben koeiers Jan.
Al de mensen komen zeggen
Dat ik zo schone zingen kan. (bis)
En ik heb er van mijn leven noch muziek
noch bas geleerd
En ik kan ook maar één deuntje
En 't en heeft noch kop noch steerd.
Refrein:
Tierleliet dat is mijn lied tierleliet
en anders niet (bis )
Hoor de vogels in de velden,
Hoor eens wat een geestig lied
En ze zingen allemaal 't zelfde
Tu tu tu tu tu trewiet. ( bis )
Mezen, vinken nachtegalen zingen
allemaal even blij
En zij kunnen ook maar één kleintje,
Kan ik niet zoveel als zij. ( bis )
En dat katje dat zo slim is en zo rap
met hare klauw,
't Beeste kan ook maar één deuntje
't Is altijd miauw miauw. (bis)
Zou ik mij niet moeten schamen
Dat ik maar één deuntje kan,
Als alzo ne slimme kater, ach toe toe ik
zwijg ervan.
En den haan dat pertig beestje,
Die den boere wakker kraait,
Hij 'n kan ook maar één deuntje
Of het regent sneeuwt of waait. (bis )
Wijd spreidt hij zijn vleugels open
En hij doet zijn oogskens toe,
Zijne staart staat als ne zwaaier
En hij roept koekelekoe. (bis)
En den ezel den eersten tenor,
Met zijn excellente taal,
Als ge zo ne kadee hoort roepen
Zegde gij niet 't is muziekaal. (bis)
Hij en kan ook maar twee noten,
Maar hij kan zo goed ha ha,
Hoort hem maar eens peper geven,
't Is altijd inka inka.
Al die gasten die 'k daar noeme,
Zijn geen meesters gepasseerd,
Zij 'n hebben geen viole
Of geen conterbas geleerd. (bis)
En dat ieder nu zijn liedje kende
En dan zonge met effect,
Zou het zijn zoals het mijne
En dan ware 't allemaal perfect.
Terug
naar overzicht
Koekoekswals
(tekst & muziek: E. Jonasson/Derby/J. Hoes
1939)
Koekoek,
koekoek, herinner je nog die tijd,
Koekoek, koekoek, van liefde en zaligheid.
Jij zong zo blij, heel hoog in die eikenboom,
Voor jou en mij, 't leven dat leek een droom.
Refrein:
Ik las in jouw donkere ogen,
Vreugde, door liefde bewogen.
Nu is die tijd lang vervlogen,
Al m'n geluk is voorbij.
Koekoek, koekoek, m'n trouwdag die brak toen aan.
'k Zie mij als bruid betoverend nog naast je staan.
De aarde leek een hemeltje voor ons bei',
Toen jij zo teer: "M'n lieveling" tot me zei.
Refrein (2x)
Terug
naar overzicht
Koel
helder water
(Nederlandse tekst: Simon Sint / muziek: Nolan / uitvoering: o.a. De Chico's en de Swinging Nightingales)
Gebarsten
is de droge grond
Want
er is geen water
Koel
helder water
Vergeefs
gaan de paarden
Naar
de droge bron
Voor
een druppel water
Koel
helder water
Lustloos
zitten de cowboys op het hek
En
lijden onder het hevig gebrek aan water
Ze
denken aan die droogte plaag
In
ieders blik is een stille vraag
Naar
water
Koel
helder water
De
ruiter en het paard, de weg en het gras
Alles
vraagt om water
Koel
helder water
De
hitte trilt boven rots en struik
Weken
lang geen water
Koel
helder water
Als
's avonds de zon dan onder gaat
En
een eenzame cowboy zijn kamp op slaat
Zoekt
hij water
Maar
het gras is geel en droog is de bron
Doch
een donkere wolk aan de horizon
Draagt
water
Koel
helder water
Na
weken van droogte komt eindelijk dan
Het
felbegeerde water
Koel
helder water
En
ieders blik is omhoog gericht
Als
dank voor dat water
Koel
helder water
Koel
fris water
Koel
koel water
Terug
naar overzicht
Koetje boe
(tekst/muziek: J. Dante/ uitvoering
Bobbejaan Schoepen)
Aan de kant van de sloot, daar stond
eens een koe
Aan de and're kant een paard
Ze sloegen zo en stampten hoor, naar
een vliegje met hun staart
Maar die koe was verliefd op dat mooie
paard
Ze bloosde als hij keek
Een rilling liep haar langs de rug,
zij was geheel van streek
Toen die koe haar kop verloor
Zongen de kikkertjes in koor
Refrein:
Koetje boe, koetje boe, koetje boe
boeboe
Vergeet het maar gerust
Wist jij niet dat je buurman paard
nooit bonte koeien kust
Koetje boe, koetje boe, koetje boe
boeboe
Vergeet 't asjeblieft
Jouw liev'ling, met die lange staart,
wordt nooit op jou verliefd
Al zou je willen
Al stond je te gillen
Hij kijkt je met z'n rug niet aan
Z'n merrie laat hem vast niet gaan
Koetje boe, koetje boe, koetje boe
boeboe
Vergeet 't asjeblieft
Jouw liev'ling, met z'n lange staart,
wordt nooit op jou verliefd
Maar geen tien meter verder, daar
stond een heer
Z'n achternaam was Stier
Hij stikte haast van jaloezie, en
riep: "Wat is dat hier
Denk je dat je me zomaar bedriegen
kunt
Met onze buurman Paard
Voor straf leg ik jou, domme koe, drie
knopen in je staart"
En 't paard keek er eens naar
Ze zongen daarna met elkaar
Refrein
Terug
naar overzicht
Koffie,
koffie, lekker bakkie koffie
(uitvoering: Rita Corita)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Koffie,
koffie, lekker bakkie koffie,
Jongens,
wie lust er een kop ?
Koffie,
koffie, 'n lekker bakkie koffie,
Wat
knapt 'n mens daarvan op !
Je
kan heel lang leven en blijft ook gezond,
Als
je maar nooit op de koffie komt !
Koffie,
koffie, lekker bakkie koffie,
Wat
knapt 'n mens daarvan op !
Mijn
man had voor 'n bakkie troost,
Al
'z'n vrienden meegenomen.
Op
'n uur, dat 'n fatsoenlijk mens,
Allang
in z'n bed ligt te dromen.
Ik
hoorde in de keuken wel,
Ze
zaten moppen te tappen.
Maar
toen ik met koffie naar binnenkwam,
Begonnen
ze te klappen.
Refrein
De
koffie ging er in als koek,
En
ik kreeg 'n complimentje.
Toen
zei m'n man: "Wat zou ons nog,
'n
Tweede bakkie goed smaken.”
Ze
riepen: "Hé ja !” en toen moest ik wel,
Opnieuw
weer koffie maken.
Refrein
Terug
naar overzicht
Koffielied
(Frans De Cort 1834 - 1878)
(met dank aan Thieu Coppen voor het
sturen van de tekst)
Het Gersten heb ik steeds geprezen,
Het Leuvensch valt in mijnen smaak,
Den Bruinen drink ik met vermaak,
En de Uitzet mag er stellig wezen;
Met Faro, Beiersch, Porter, Ale,
Verfrisch ik gaarne mij de keel,
En, zit mijn buidel vol vijffranken,
Zoo vul ik zingend mijnen nap
Met rood of gulden druivensap,
Mij smaken allerhande dranken:
Maar boven allen spant de kroon
De zoete drank der mokkaboon !
De koffie laat ik voor de vrouwen,
Zoo roept een jonge brouwer fier;
Ons mannen past het sterke bier,
Dat wij niet voor de ganzen brouwen !
Een dokter vat me bij den kraag:
De koffie deugt niet voor de maag ...
Een gifdrank is 't, die traag, maar zeker,
Al wie hem lust ten grave leidt ...
Zoo doe veel liever mij bescheid
Met helder water in den beker !
Ik echter roem op blijden toon
Den zoeten drank der mokkaboon !
Want medicus en brouwer slagen
Den spijker vast niet op den kop;
U roep ik tot getuigen op,
Wier schedels lauwerkronen dragen,
Voltaire, Goethe, Walter Scott,
Die op de koffie waart ...verzot !
Ja gij, wier naam de wereld huldigt,
Gij zijt, daar twijfelt niemand aan,
Niet slechts uw langgerekt bestaan,
Maar uwe scheppingskracht verschuldigd
En dankt dus uwen glorietroon
Den zoeten drank der mokkaboon !
't Is in het land der Arabieren,
Volop gekoesterd door de zon,
Dat, eene weelde- en wellustbron,
De koffieboom vooreerst zou tieren;
't Is daar, dat hij, als pyramied,
De flinke kruin naar boven schiet...
Men kweekt hem wel in andre streken
En brengt er zelfs op Java voort,
Die vruchten geeft van beste soort,
Maar wie van koffie mee mag spreken,
Verkiest, aan goeds en fijns gewoon,
Den zoeten drank der mokkaboon !
Den edelen nectar zelf bereiden
Is vast mijne allergrootste vreugd.
Het malen doet mij zulke deugd,
Dat ik er nooit mee uit kan scheiden;
En als de moor zijn liedje zingt,
Dan zing ik mede, dat het klinkt !
Ik laat het water dapper stoomen,
En vul dan langzaam mijne kruik,
Die juist bevat in haren buik
Wat ik behoef, om toe te komen...
De geur is fijn, de kleur is schoon
Des zoeten dranks der mokkaboon !
'k Beklaag ze diep, die melk en suiker
Er tussen mengen op zijn Fransch !
Ik laat hem zijnen maagdom gansch:
De drank is - puur - oneindig puiker !
Ik krijg hem daags twee keeren dus
In puris naturalibus,
Des morgens bij de warme weggen,
En bij de pijp na 't middagmaal...
O machteloos is menschentaal,
Om klaar en duidelijk uit te leggen,
Wat heil u dankt mijns vaders zoon,
O zoete drank der mokkaboon !
(moor = koffie of theeketel)
(wegge= aan beide zijden spits toelopend
broodje, vaak van fijn tarwemeel met krenten en sukade)
Terug
naar overzicht
Kok en
keukenmeid
(met dank aan Thieu Coppen voor het
sturen van de tekst)
Versie 1
(met dank aan Thieu Coppen voor het
sturen van de tekst)
Als de kok en het keukenmeisje
Vrijen onder hetzelfde dak,
Is dat niet verduveld aardig
Is dat niet een groot gemak ?
Krijgt de ene soms een standje,
’t Is de andere dan die troost.
’t Is de kok die het meisje innig
Aan zijn minnend hartje koost.
Beter zullen wij het niet begeren,
Beter zal het nimmer wezen.
O, het is zo'n heerlijkheid,
Vrijen kok en keukenmeid.
Heeft mevrouw soms iets te kijven,
’t Keukenmeisje leent haar oor.
Dan vertelt ze mij haar grieven,
Pak ik haar eens flink daarvoor.
Prijst mijnheer soms de talenten
Van zijn chef de quisinje ?
Ja dan delen wij die eerlijk,
Want deze hulde geldt voor twee.
Zo doen wij in alle dingen,
Samen treuren samen zingen.
O, het is zo’n heerlijkheid,
Vrijen kok en keukenmeid.
Zo rolt immer steeds ons leven
Maar of ’t altijd zo zal zijn,
Altijd door maar koek met krenten
Zie je daaraan twijfelt Hein.
Maar mocht het al verkeren,
Onze liefde blijft bestaan.
En als het werkelijk eens moest wezen,
Trek ik met jou naar de maan.
Ja daar zullen wij ons ook wel schikken,
Hebben wij soms niet veel te bikken.
Liefde van kok en keukenmeid,
Duurt tot in de eeuwigheid.
Versie 2
(met dank aan Annemie vd Heuvel voor het
sturen van de tekst)
Als de kok en het keukenmeisje
Vrijen onder hetzelfde dak,
Is dat niet geweldig aardig
Is dat niet een groot gemak ?
Krijgt de ene soms een standje
’t Is de andere dan die troost,
’t Is de kok die dan zijn liefje
In het donker minnekoost.
Refrein:
Zo doen wij in alle dingen,
Samen treuren samen zingen,
Oh het is zo’n heerlijkheid,
Vrijen als kok en als keukenmeid.
Heeft mevrouw soms iets te kijven,
’t Keukenmeisje leent haar oor,
Dan vertelt ze mij haar grieven,
Pak ik haar eens flink daarvoor.
Prijst mijnheer soms de talenten
Van zijn chef de quisinje,
Ja dan delen wij die eerlijk
Want deze hulde geldt voor twee.
Refrein als boven
Gaat de heer op zomeravond
Met zijn vrouw naar bos of zee,
Dan neem ik mijn lieve Lientje
’s Avonds voor een wandeling mee.
Ik vertel haar dan vol liefde,
Hoeveel ik van haar hou.
En zweer dan bij het maanlicht,
Mijn geliefde eeuwig trouw.
Refrein als boven
Zo rolt immer steeds ons leven,
Maar of ’t altijd zo zal gaan ?
Altijd door maar koek met krenten,
Daar zal enige twijfel aan bestaan.
Maar mocht het al verkeren,
Onze liefde blijft bestand.
En als het werkelijk eens moest wezen,
Trek ik met jou naar een ander land.
Refrein:
Ja daar zullen wij ons ook wel schikken,
Hebben wij soms niet veel te bikken,
Liefde van kok en keukenmeid,
Duurt tot in de eeuwigheid.
Terug
naar overzicht
Kokkie had haar hele leven
(met dank aan Jan van der Zee voor het
sturen van de tekst)
Kokkie had haar hele leven,
In de dapur doorgebracht.
Waar ze niets dan aan eten koken,
Kentang, sajur en sambal dacht.
In het begin was Kokkie pienter,
En de njonja heel tevree,
Maar toen Kokkie oud ging worden,
Wist ze niet meer wat ze dee.
In de soep vond men haar haren,
In de sajur een kakkerlak,
In de sambal, gossie mijne,
Eens de staart van een titjak,
En de njonja, heel verbolgen,
Sprak: " 't Oude mens wordt wel wat
vies",
En ze viste uit de souskom,
Kokkie's laatste holle kies.
En toen Kokkie oud ging worden,
Kreeg Kokkie haar lepas,
Omdat ze voor haar makkelijk baantje,
Toch al niet meer laku was.
Eenzaam stierf zij in de kampong,
Niemand had meer kassian,
En nu ligt doe oude nene,
Begraven op de kuburan.
(dapur = keuken, kentang = aardappelen,
njonja = mevrouw, sajur = groente,titjak = soort hagedisje)
(lepas = ontslag, laku = niet goed meer,
kassian = medelijden, nene = oude vrouw, kuburan = kerkhof)
Terug
naar overzicht
Kole kole
(Kilima Hawaiians)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Refrein:
Kole kolekole
Tanah Ambon sudah djauh
Arombai kole
Manis manis manise
Sama santen dengan gula
Su terlalu manise
Manise manise
Su terlalu manise
Je kunt nemen, je kunt geven
Su terlalu manise
Kole kole
Arombai kole
Zo varen we door het leven
Arombai kole
Wees maar dankbaar en blijf hopen
Want geluk kun je niet kopen
Lijkt de oplossing nog verre
Pas in de nacht zie je de sterren
Refrein
Wees tevree met kleine dingen
Rijkdom kun je niet afdwingen
Blijf op geluk niet te lang wachten
Echt geluk zit in je gedachten
Refrein
Terug
naar overzicht
Kom
aan mijn hart, Marietje
Jan
was verliefd op Marietje,
'n Meisje bij mij in de straat.
Trouw elke keer, kwam hij er weer,
't Was wat je noemt: een heer!
Maar ik geloof, die Marietje,
Had niet zoveel met hem op
Toch zei hij ied're avond,
Wanneer hij haar zag:
"Hoor eens pop !"
Refrein:
Kom aan mijn hart, Marietje,
Hoor het van rikketik gaan,
Schat van een vrouw ik bied je,
Mij en mijn spaarboekje aan.
Kom aan mijn hart, Marietje ,
Kindje, ik vind je zo mooi,
Zelfs mijn kanariepietje
Roept om jou in zijn kooi !
Maar
reeds na enkele dagen,
Kwam er een liefhebber bij.
En op een dag, ´k schoot in de lach,
O,o wat ik daar toen zag.
Tien net geklede mijnheren,
Stonden op wacht op een rij.
En in koor riepen zij:
"O Marietje, kom,
Vrij toch met mij !"
Refrein
Maar op een dag kwam een trouwkoets
En daarin stapte Marie.
De minnaarschaar dacht, dat is raar
En hield het niet voor waar.
Toen z' op het stadhuis informeerden,
Kregen ze het plots'ling benauwd,
Want daar was hun Marietje,
Zojuist met de handschoen getrouwd !
Refrein
Terug
naar overzicht
Kom
d'r in, zet je hoed af
(Tekst en muziek: Pisano/Dunk/Koopmans/uitvoering:
Swinging Nightingales)
De
baas van een kroegje in Mokum,
Die
kwam op een aardig idee.
Hij
zingt als de deur wordt geopend,
En
iedereen zingt met hem mee
Refrein:
Kom
d'r in, zet je hoed af,
Kom
d'r in, zet je stoel maar bij.
Doe
maar net of je thuis bent,
Vooruit
zet je zorgen opzij.
Een
tramconducteur die het hoorde,
Was
dadelijk weg van dit lied.
Hij
zingt het bij iedere halte,
Of
er nu plaats is of niet.
Refrein
Laatst
belde een vriendelijk heertje,
Zoals
je er zelden een ziet.
Ik
zei hem: "Kom binnen, maar dat ie
De
deurwaarder was wist ik niet !"
Refrein
Ik
ging van de zomer uit vissen.
't
Was smoorheet daar tussen het riet,
Een
snoek stak zijn kop boven 't water,
En
zong gemeen grijnzend dit lied.
Refrein
M'n
buurman gaat iedere week kaarten
En
maakt het dan tamelijk laat.
Z'n
vrouw wacht hem op bij de voordeur,
En
slaat met een pook in de maat.
Refrein
Kom
d'r in.
Kom
d'r in.
Kom
d'r in.
Vooruit
zet je zorgen opzij.
Terug
naar overzicht
Kom laten
wij
(Oud soldatenliedje)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst
Kom laten wij, een batterij op slaan
Van zes en dertig dappere mannen.
Dat gaat er ja zo vrolijk en dat gaat
er ja zo blij !
In zes en dertig uren staat de ganse
batterij.
Dat gaat er ja zo vrolijk en dat gaat
er ja zo blij !
In zes en dertig uren staat de ganse
batterij.
Onze officieren, die zijn voorwaar
niet kwaad !
Daarover hebben wij geen klagen !
Zij geven en zij nemen, en zij reiken
ons de hand,
't Zijn brave officieren van ons
dierbaar Vaderland.
Zij geven en zij nemen, en zij reiken
ons de hand,
't Zijn brave officieren van ons
dierbaar Vaderland.
Ons traktementje, dat is voorwaar niet
groot !
Daarover hebben wij wel klagen !
Al bij dien kastelein al bij dien
herbergier,
Daar drinken wij de gezondheid van een
braven officier !
Al bij dien kastelein al bij dien
herbergier,
Daar drinken wij de gezondheid van een
braven officier !
Terug
naar overzicht
Kom lieve kleine meid
(uitvoering: Max en Marga van Praag en
ookTeddy Scholten)
Kom lieve kleine meid, kom dans met
mij
Geef me je kleine handjes allebei
Ik ben zo trots op mijn kleine vrouw
Wanneer ik jou in mijn armen hou
Een twee drie, een twee drie, hoplala
Een twee drie, een twee drie, hopsasa
Geloof me ik dans het liefst met jou
Omdat ik zo veel, ja zo veel van je hou
Hmmmmmm hmmmmmm hm hm hm
Hmmmmmm Hmmmmmm hm hm hm
Hmmmmmm Hmmmmmm hmmmmmm
Hmmmmmm Hmmmmmm hmmmmmm
Een twee drie, een twee drie, hoplala
Een twee drie, een twee drie, hopsasa
Geloof me ik dans het liefst met jou
Omdat ik zo veel, ja zo veel van je hou
Kom lieve kleine meid, kom dans met mij
Geef me je kleine handjes allebei
Ik ben zo trots op mijn kleine vrouw
Wanneer ik jou in mijn armen hou
Een twee drie, een twee drie, hoplala
Een twee drie, een twee drie, hopsasa
Geloof me ik dans het liefst met jou
Omdat ik zo veel, ja zo veel van je hou
Terug
naar overzicht
Kom
naar de brand
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ik
ging onlangs door de Kalverstraat,
Toen
juist de brandweer langs mij gaat,
De
lucht werd zoo akelig rood,
Men
drukte elkander haast half dood.
Toen
ik op een hoekje van een steeg,
Vier
meisjes in 't gezicht al kreeg,
Ze
trokken elkaar hand aan hand,
Om
te gaan zien naar de brand.
Refrein:
De
eerste moest met twee gedraaide beenen,
Schreeuwende
naar het onheil henen.
De
tweede met een knaapje op den rug,
Huppelde
en riep: "Kom vlug, kom vlug, kom vlug."
De
derde met een stok ter hand,
Die
riep: "Het brand !, het brand !"
De
vierde riep: "Kijk er eens aan,
Wat
laaie, wat laaie, wat laaie,
Het
is gedaan, het is gedaan."
Ik
liep maar de meisjes na,
Ik
kreeg een rammeling beet bijna.
Omdat
ik dacht dat een der dames zag,
Hoe
ik bijna omviel van de lach.
't
Is koddig om te zien,
Hoe
Truitje, Mie en Katrien,
Onze
oude manke Kee,
Maar
altijd trokken met zich mee.
Refrein
Zoo
kwam men bij het onheil aan,
Dat
min of meer reeds was gedaan.
Dat
was niet naar de meisjes zin,
En
zij gingen een Koffiehuis in.
Zij
dronken als een grenadier,
Geen
limonade, thee of bier,
Maar
klare, bitter en cognac
En
werden zoo dronken als een lap.
Refrein
In
minder dan een half uur,
Had
Mie de hik en Kee het zuur.
Katrijn
was als een zwijn zoo vet,
Truitje
riep: "We gaan zoo naar bed."
Er
kwamen drie vier dienders aan,
Die
daar die meisjes wilden slaan.
Toe
werden zij door die sterke macht,
Heel
netjes naar het bureau gebracht.
Refrein
Terug
naar overzicht
Kom
terug van de zee (uitvoering Annie de Reuver)
Bij
de haven staat een eenzaam meisje,
Haar geluk nam een schip met zich mee.
En nu fluistert ze zacht,
In de duistere nacht:
"Kom terug, kom terug van de zee."
Hier stond ze met hem vele uren,
In het licht van de sterren en maan.
Nu staat zij er droevig te turen,
Omdat hij van haar heen is gegaan.
Zal hij ooit weer de haven bereiken ?
Komt zijn schip weer terug van de zee ?
Als het morgenlicht daagt,
Klinkt haar stem nog die vraagt:
"Kom terug, kom terug van de zee !"
Terug
naar overzicht
Kom
uit de bedstee mijn liefste
(Tekst/muziek:
P. Koelewijn/E. Andersen/uitvoering: Egbert Douwe = Rob Out)
Ooh,
kom uit de bedstee mijn liefste
Weet je niet je bent al veel te laat
Het hele dorp is al komen kijken
Naar de bruidegom die in zijn hemdje staat
Ooh, kom uit de bedstee mijn liefste
’t is vandaag toch onze huwelijksdag
De koster luidt al uren lang de klokken
Hij zweet zich rot en de kippen zijn van slag
De kerk zit al een tijdje vol familie
De organist die speelt zijn vingers blauw
De kachel van de kerk is ook bezweken
En ieder zit te barsten van de kou
De misdienaartjes worden zo balorig
Ik zag er eentje met een pijl en boog
Ze speelden indiaantje op de kansel
En je moeder kreeg een pijltje in d'r oog
Ooh, kom uit de bedstee mijn liefste
De hele zaak loopt verschrikkelijk uit de hand
Voor een tientje gaven de getuigen
Een interviewtje aan een ochtendkrant
De
taxi-jongens wilden geld van vader
Ze gingen want de bruid kwam niet in zicht
Uiteindelijk is alles nog geregeld
Alleen zit vaders rechteroog wel dicht
De koster zei me hijgend onder het luiden
"Waar blijft ze nou zo gaat toch alles mis
De zaak moet rond zijn over tien minuten
Want buiten wacht weer een begrafenis"
Ooh, kom uit de bedstee mijn liefste
We hebben nu al lang genoeg gewacht
Er komt nog tijd genoeg om uit te slapen
Want na vandaag komt er een lange nacht
Ooh, kom uit de bedstee mijn liefste
Kom
uit de bedstee mijn liefste
Kom
uit de bedstee mijn liefste
Kom
uit de bedstee mijn liefste
Terug
naar overzicht
Kom
weer naar huis
(tekst en muziek: Eddy Cristiani en
Jacqes van Tol)
Kom
weer naar huis, als je verandert van gedachten
Kom
weer naar huis, ons eigen nestje van weleer
Kom
weer naar huis, want ik blijf altijd op je wachten
Kom
weer naar huis, daar zet ik rozen voor je neer
Je
oude stoel staat klaar, hier bij het raam
Steeds
denk ik 'Kwam je maar' en fluister even zacht je naam
Kom
weer naar huis, als je verandert van gedachten
Kom
weer naar huis, en 't zal voorgoed vergeten zijn
O,
kom naar huis; laat mij niet langer wachten
O,
keer terug, en breng weer zonneschijn
Kom
weer naar huis, je was misschien wat onbezonnen
Kom
weer naar huis, want ondanks alles blijf ik trouw
Kom
weer naar huis, we zijn toch eens zo goed begonnen
Kom
weer naar huis, het is zo eenzaam zonder jou
De
hond heeft ook verdriet, die arme hond
En
eten wil hij niet, hij loopt maar steeds onrustig rond
Kom
weer naar huis, als je verandert van gedachten
Kom
weer naar huis, dan zal de rest vergeten zijn
O,
kom naar huis, laat mij niet langer wachten
O,
keer terug, en breng weer zonneschijn
Terug
naar overzicht
't Komt wel weer in orde
(Jan de Vries en het orkest Dick
Willebrandts)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst/ 1942)
Laten we maar blij zijn, er is weer
een jaar voorbij
En in mei dan leggen alle vogels weer een ei
't Komt wel weer in orde, doe als mij en trek je nergens iets van aan
Laten we niet mopperen, aan alles komt een end
Zit niet bij de pakken neer, gedraag je als een vent
Want 't komt wel weer in orde, doe als mij en trek je nergens iets van aan
Zanik niet, zing een lied, achter de wolken schijnt de zon
Schaterlach elke dag, al heb je 'n tientje of een halve ton
Als er geen Tom Poes was dan had iedereen 't land
Het is voorlopig afgelopen met 't stille strand
Maar 't komt wel weer in orde, doe als mij en trek je nergens iets van aan
Laat 't licht niet branden en wees
zuinig met 't gas
Lameteer niet langer "Weet je hoe 't vroeger was"
Want 't komt wel weer in orde, doe als mij en trek je nergens iets van aan
Vraag niet aan je buurman, moet 't zus of moet 't zo
Geef 'm liever af en toe een borreltje kado
Want 't komt wel weer in orde, doe als mij en trek je nergens iets van aan
Weer een strop, borrels op, de kelner bekijkt je en hij lacht
Deze keer niets meneer, u wordt niet in de olie thuisgebracht
Als er iets verkeerd gaat, vraag niet "Wie heeft dat gedaan"
Laat alle narigheden langs je kouwe kleren gaan
Want 't komt wel weer in orde, doe als ik en trek je nergens iets van aan
Nergens iets van aan
Terug
naar overzicht
Koningskinderen
Versie 1
(met
dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)
Er waren eens twee koningskinderen
Die hadden elkaar zoo lief.
Zij konden van elkaar niet scheiden,
Zij schreven elkaar een brief.
Het was 's nachts twaalf uren,
Het meisje zag in een droom,
Haar zoetlief was verdronken,
Al in een waterstroom.
Het meisje sprak tegen haar moeder:
Wat doet mijn hoofdje zeer,
Mag ik er een klein half uurtje
Gaan wandelen lang het meer ?
De moeder sprak tegen het meisje:
Alleenig kunt gij er niet gaan,
Neem dan er uw jongste broertje,
Dan kunt gij er heenen gaan.
Het meisje sprak tegen haar moeder:
Mijn broertje is veel te klein,
Hij verjaagt mij alle vogeltjes,
Die aan de meekant zijn.
De moeder was naar de kerk,
Het meisje dat ging haar gang,
Zij wandelde, o ja zij wandelde
Tot zij aan een visscher kwam.
Het meisje sprak tegen het visschertje:
Wilt gij verdienen hoog loon,
Werpt dan uw net in het water
En visch naar een Koningskroon.
Maar het eerste wat hij vond,
Dat was de Koningszoon,
Zij kuste zijn doodelijke lippen,
Zij kust zijn doodelijke mond.
Versie 2
(met
dank aan Frans Pennings voor het sturen van de tekst)
Er waren eens twee koningskinderen
Zij hadden elkaar zo lief
Ze zouden te samen gaan trouwen
Ze schreven elkaar een brief
Des nachts om twaalf uren
Kreeg ’t meisje eenen droom
Dat haar zoetelief was verdronken
In den oever van de stroom
De dochter sprak tegen haar moeder
Ik heb zo’n pijn in ’t hoofd
Mag ik er een half uurtje
Gaan wandelen langs de stroom
De moeder sprak tegen haar dochter
Gij kunt alleen niet gaan
Maar neemt er uw jongste broertje mee
Die zal er wel met u gaan
Het meisje sprak tegen haar moeder
Die kan met mij niet gaan
Hij plukt er al die bloempjes af
Die daar te wassen staan
Toen is er dat lieve meisje
Maar heel alleen heen gegaan
Zij liep er en zij liep er
Tot ze bij een visser kwam
Wel goede morgen visser
Vangt gij voor mij een vis
Ik zal hem u duur betalen
Hoe kostbaar hij ook is
De visser wierp zijn net uit
In den oever van de stroom
Hij haalde zijn netje naar boven
En vond een Koningszoon
Zij nam in haar armen
En draaide hem nog eens rond
Ach liefje mocht gij er nog leven
Ik trouwde met u ter stond
’t Is er de wil des Heeren
Dat ’t meisje zich verdronk
Zij riep ach vader en moeder
Nooit ziet gij mij weerom
De klokken begonnen te luien
Met groote en met klein
Voor deze twee koningskinderen
Die in de stroom verdronken zijn
Terug
naar overzicht
Koperen
ploert (Kilima Hawaiians)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)
Koperen
ploert, ik heb je dikwijls verwenst
Maar
nu heb ik heimwee naar jou
Koperen
ploert, in dat land onbegrensd
Waar
ik altijd nog van hou
Ik
heb nooit gedacht eens verlangend te zijn
Naar
jouw verschroeiende schijn
Koperen
ploert, ik zie je nu als vriend
Waar
herinnering mij altijd aanbidt
Toen
ik nog daar was heb ik je vaak gekweld
Heb
ik de kinderen van sneeuw en ijs verteld
Het
is nu voorbij, het is afgelopen
Ik
droom van zon en van de tropen
Koperen
ploert, ik zie je nu als een vriend
Waar
herinnering mij altijd aanbidt
Terug
naar overzicht
Korenbloemblauw
(tekst:
Chef van Dijk/muziek Max Tak/uitvoering: Bob Scholte/Albert Booy, 1939)
Meisjelief,
luister eens even
Wat ik je zeggen moet
Je bent 't schoonst' in mijn leven
't Doet toch mijn hart zo goed
Je figuurtje zo slank en zo prachtig
Reusachtig je lijn
Maar van alles bij jou
't Meeste ik hou
Dat zing ik in dit refrein
Refrein:
Korenbloemblauw
Zijn je ogen, die mij aan jou binden
Korenbloemblauw
Is de hemel, waar wij ons bevinden
Daarom mijn liefste, zweer ik je trouw
't Komt door die kijkers van jou
Korenbloemblauw
Ik wil je mijn liefde schenken
Met jou steeds gelukkig zijn
Bij alles wil ik aan je denken
Regen, 't zij zonneschijn
En gebeurt het somwijl, dat er nare
Gevaren ons dreigen
Dan kijk ik in je toet
't Wordt dan weer goed
Als mijn blik de jouwe krijgt
Refrein
Daarom,
m'n liefste, zweer ik je trouw
't Komt door die kijkers van jou, Korenbloemblauw
Terug
naar overzicht
Kraai
en papegaai
(Tekst: Jhonny Steggerda/Muziek:
Mascheroni)
(met dank aan Gerard Engelbertink
voor het sturen van de tekst)
Daar zat in een boom aan een zonnige
baai,
Een jong papagaai met z'n veren zo
fraai.
Hij zat maar alleen, dus het leven dat
leek hem wat saai,
En min of meer taai.
Geen vijf meter verder klonk heel veel
lawaai,
van Pa en Mama en hun dochtertje kraai.
Want dochterlief kraai was verliefd op
mijnheer papagaai.
Papa zei streng:,,Die man mag jij niet
kussen",
En Moeder kraai beweerde ondertussen:
Refrein:
Een kraai mag geen liefde bij een
papagaai gaan zaaien,
Dan ga je naar de haaien, dan ga je naar
de haaien !
Een kraai mag geen liefde bij een
papagaai gaan zaaien,
Dan ga je naar de haaien, dat is nu
eenmaal zo !
Maar 't jeugdige hartje van zoon
papagaai,
Dat klopte meteen voor het dochtertje
kraai.
Hij vloog naar het nest in de boom aan
de zonnige baai,
Naar pa papagaai.
,,Papa ik wil trouwen, een kraai is mijn
keus"
Maar pa zei:,,Ben je gek,dat meen je
niet heus !
Mijn zoon papagaai geef ik nooit aan
zo`n krassende kraai !
Al staat je hart nog zo in lichtelaaie,
laat jij die juffrouw kraai maar rustig
waaien !"
Refrein
Al werden die twee door hun ouders
bewaakt,
Toch werd juffrouw kraai door haar
vrijer geschaakt.
Zo was dat bijzondere paar aan elkander
geraakt,
't Was bijna volmaakt !
Want toen kwam er een jager op zoek naar
een prooi,
Ook hij vond die papagaai toch wel zo
mooi,
Hij ving hem en nam onze bruidegom mee
in een kooi.
En zo moest juffrouw kraai tenslotte
leren,
Daar zat ze nu met de gebakken peren.
Refrein
Terug
naar overzicht
Kreupel
been(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Wanneer ik mij op straat vertoon
Roept ieder zoo gauw hij kan,
Een ieder roept verwonderd uit:
,,Kijk zoo een knappe man,
Een taille als een luitenant
Hoe fier loopt hij daar heen,
Het is jammer jammer jammer
Hij is kreupel aan een been."
O was ik maar zoo kreupel niet
Ik ging dadelijk aan 't tooneel,
Van zangeressen en actrices houd ik zoo
veel.
Ik weet zeker als ik een aanzoek deed
Ik liep geen blauwe scheen,
Maar jammer jammer jammer
Ik ben kreupel aan mijn been.
Toen ik moest loten kwam ik eens
Voor de militieraad,
Ik dacht het zal niet helpen
Want ik word toch geen soldaat.
't Eerste wat zij tot mij zeiden was:
,,Vriend keer jij maar om,
Het leger heeft aan jou niet veel
Want jij bent veel te krom."
O was ik toch maar een zoo kreupel niet
Ik werd dan een soldaat,
En waagde gaarne goed en bloed
Voor Koningin en staat.
Ik weet zeker als ik een aanzoek deed
Ik liep geen blauwe scheen,
Maar jammer jammer jammer
Ik ben kreupel aan mijn been.
Ik was eens in een paardenspel
Zag ik een dame extra vlug,
De zweefde onophoudelijk
Als een vogel door de lucht.
Zij danste superieur
Welzes maal op een plank,
In zoo iets had ik ook wel zin
Maar ik ben veel te mank.
O was ik maar zoo kreupel niet
Ik ging dadelijk naar Carré,
Waar hij met zijn gezelschap ging,
Ging ik ook met hem mee.
Ik weet zeker als ik een aanzoek deed
Ik liep geen blauwe scheen,
Maar jammer jammer jammer
Ik ben kreupel aan mijn been.
Ga ik dan eens een wandeling doen
Dan moet ik langzaam gaan,
En als er dan een oploop is
Dan moet ik blijven staan.
Want anders gooit men mij omver
Of trapt over mij heen,
Want zoo hard loopen kan ik niet
Ik heb een kreupel been.
O was ik maar zoo kruepel niet
Ik werd bode aan de post,
Al gaf dat ook niet extra vel
Ik had dan toch de kost.
Ik weet zeker als ik een aanzoek deed
Ik liep geen blauwe scheen,
Maar jammer jammer jammer
Ik ben kreupel aan mijn been.
Ik werd eens op een bal masqué
Als gast geïnviteerd,
Maar toch moest ik bekennen
Ik heb mij niet geamuseerd.
Wat baatte mij de dansmuziek
Wat gaf ik om spijs en drank,
Niet een wou met mij dansen
Want ik was veel te mank.
Was ik toch maar zoo kreupel niet
Ik ging dagelijksch naar een bal,
Al zou ik toch niet dansen
Want ik trof meisjes overal.
Ik weet zeker als ik een aanzoek deed
Ik liep geen blauwe scheen,
Maar jammer jammer jammer
Ik ben kreupel aan mijn been.
Bis-Couplet:
Ge ziet dus waar ik ga of sta
'k Word overal bespot,
Nu heb ik een verzoek aan u
Troost u mij in mijn lot.
Bij u ben ik op mijn gemak
Ontvangt daarvoor mijn dank,
Ik zou mij ook niet geneeren
Al loop ik nog zoo mank.
Want juist wijl ik zoo kreupel ben
Kom ik aan geen tooneel,
Al houd ik zangeressen
En actrices nog zoo veel.
Ik weet zeker als ik nu een aanzoek deed
Ik liep geen blauwe scheen,
Maar jammer jammer jammer
Ik ben kreupel aan mijn been.
Terug
naar overzicht
Kringloop
(Dirk Witte 1885-1932)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
O, wat was ik toch verkouen, 'k heb
geniesd, ik heb geproest
's Nachts was 't haast niet uit te houen,
'k kon niet slapen van de hoest
Dokters kan ik niet betalen; dat gaat
boven onze stand
Maar m'n vrouw die wist een middel, dat
ze knipte uit de krant
En ik vond dan ook genezing bij een fles
Abdijsiroop
Driemaal daags een flinke lepel, 't
hielp me goed, en 't was goedkoop
In dit veelgeprezen stroopje zat helaas
wat veel kaneel
En m'n... h'm, m'n spijsvertering liep
niet goed meer in 't gareel
Dokters kan ik niet betalen; dat gaat
boven onze stand
Maar m'n vrouw die wist een middel, dat
ze knipte uit de krant
'Califag' was thans m'n redding;
driemaal daags een flinke slok
En m'n spijsvertering ging weer - zo te
zeggen - op de klok
Maar dit Californisch middel voedde
blijkbaar al te zwaar
Want ik groeide in twee weken meer dan
anders in een jaar
Dokters kan ik niet betalen; dat gaat
boven onze stand
Maar m'n vrouw die wist een middel, dat
ze knipte uit de krant
'English Breakfast Tea' zou 't wezen, 't
beste middel, dat ik ken
't Was goedkoop en 't hielp uitstekend:
'k Werd weer 'slank gelijk een den !'
Maar, die Breakfast Tea, al hielp ze,
bleek geen al te goeie keus
'k Had m'n slankheid gauw herwonnen,
maar 'k werd schrikkelijk nerveus
Dokters kan ik niet betalen; dat gaat
boven onze stand
Maar m'n vrouwtje, nooit verlegen, deed
een Kneippkuur aan de hand
En ik kroop in 't koue water, 't natte
gras hielp me patent
'k Werd m'n zenuwen weer meester - en
het middel kost geen cent
Maar door al dat koue water, waar 'k mee
genezen moest
Werd ik schrikkelijk verkouen; 'k kan
niet slapen van de hoest
Dokters laat ik toch niet halen! Aan
zo'n vent heb ik het land
Maar daarom geen moed verloren - 'k heb
een vrouw - en 'k heb een krant
'k Neem weer stroop, en thee, en baden,
Califig, en dan weer stroop
Dokters kan ik niet betalen, maar zo'n
krant - die is goedkoop...
Terug
naar overzicht
Kristalwals
(Tina Rosita)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Jou
ogen zijn als sterren aan 't heelal,
Flonkerend
als kristal, flonkerend als kristal.
Als
jij nog ver van mij bent zie ik ze al,
Flonkerend
als kristal, flonkerend als kristal.
Toen
jij me eenmaal aankeek was het met mij gedaan,
Al
wist ik niet hoe je heette,
'k
kon jou niet vergeten.
Toen
je me eenmaal aankeek voelde ik mijn hart al slaan,
Jij
met je lachende kijkers trok mij zo aan.
Refrein
Als
ik in jou lieve trouwe ogen kijk,
Dan
gaat de zon weer schijnen,
De
wolken verdwijnen.
Als
ik in jou lieve trouwe ogen kijk,
Voel
ik me zonder rijkdom gelukkig en rijk.
Refrein
Als
ik in jou lieve trouwe ogen kijk,
Dan
gaat de zon weer schijnen,
De
wolken verdwijnen.
Als
ik in jou lieve trouwe ogen kijk,
Voel
ik me zonder rijkdom gelukkig en rijk.
Refrein
Terug
naar overzicht
Kus me Hannie Pannie
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Kus me Hannie Pannie kus me
Kus me Hannie Pannie kus me
Wil je 't nog een keertje overdoen
Toen je mij het eerste kusje gaf
Stond ik werkelijk Paf, Paf, Paf !
Kus me Hannie Pannie kus me
Kus me Hannie Pannie kus me
Wil je 't nog een keertje overdoen
Oh, Hannie, Hannie, een zoen.
Terug
naar overzicht
Kus
me voor de laatste keer
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Kus
me voor de laatste keer,
Voor
dat ik je ga verlaten.
Kus
me voor de laatste keer,
Ik
wil nog even met je praten.
Kus
me voor de laatste keer,
Al
bedroog je mij steeds weer,
Een
kus nog voor de laatste keer,
Want
daarna zie ik jou niet meer.
Weet
je nog wat jij mij hebt geschreven,
Jij
zou wachten op mij, tot dat ik weer bij jou zou zijn.
Maar
ik weet dat is niet zo gebleken,
Daarom
heb ik verdriet,
Waarom
deed je mijn hart toch zo'n pijn ?
Refrein
Ver
van jou bleef ik steeds aan jou denken,
Draag
jouw foto bij mij,
Die
jij bij ons afscheid me gaf.
Kocht
voor jou daar prachtige geschenken,
Die
ik jou geven zou,
Ook
al brak je het geluk van ons af.
Refrein
La
la la la la la la la
La
la la la la la la la
La
la la la la la la la
La
la la la la la la la
Kus
me voor de laatste keer,
Al
bedroog je mij steeds weer.
Een
kus nog voor de laatste keer,
Want
daarna zie ik jou niet meer.
Terug
naar overzicht
Kussen onder regenbogen
(Küssen untern Regenbogen)
(uitvoering: Ann Christie)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Kussen onder regenbogen brengen geluk
En doen je hart sneller slaan
Kussen onder regenbogen doen stuk voor stuk
Oprechte liefde ontstaan
Als wij de zon zien zijn wij verblijd
Maar als het regent tezelfdertijd
Zijn wij nog eens zo blij en zien omhoog
Want wij verlangen een regenboog
Kussen onder regenbogen brengen geluk
En doen je hart sneller slaan
Kussen onder regenbogen doen stuk voor stuk
Oprechte liefde ontstaan
't Is net een sprookje voor jou en mij
Nooit krijgt een ander ons hart nog vrij
Ik heb ervan gedroomd en heb gewacht
Totdat de regenboog mij antwoord bracht
Kussen onder regenbogen brengen geluk
En doen je hart sneller slaan
Kussen onder regenbogen doen stuk voor stuk
Oprechte liefde ontstaan
Oprechte liefde ontstaan.
Terug
naar overzicht