SeniorPlaza

Uit (groot)moeders tijd

Ja als, ja als !

(tekst: Stan Haag / muziek: Ger v.Leeuwen / uitvoering: Eddy Christiani en zijn Poptimista)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Mensen zeggen dikwijls "als......"

Maar meer gebeurt er niet !

"Als ik, als ik, als ik......"

Steeds hetzelfde lied:

 

Refrein:

Als ik van jou en jij van mij

Eens houën zou !

Als ik met jou en jij met mij

Eens trouwen zou.....

Als dan jouw moeder mijn schoonmama zou zijn !

Ja als, ja als, ja als,

Ja als dat eens waar mocht zijn !

 

Als ik jou niet had ontmoet,

Was ik nog vrijgezel.....

Als ik jou niet kende,

Dan wist ik het wel:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Ja en toen

(Mart de Kort 1950)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

's Maandags ging de Heer aan 't scheppen

Dinsdags was de aarde aan het steppen

's Woensdags zag men al van verren

Zon, maan en alle sterren

Donderdag heeft God de apen

Samen met de mens geschapen

Vrijdags kwam het kattenras

Zaterdag kwam Eva pas

 

Ja en toen, ja en toen

Schiep de Heer tot slot een zoen

En de eerste dag in Mei

Toen was Eva zo men zei

Als de kippetjes er bij, met  vrijerij

Ja en toen, ja en toen

Schiep de Heer een zoen

En die zoen ligt nog vandaag

Ied're man zwaar op de maag

Daarom zoenen alle meisjes graag

 

Door die zoen kwamen de stroppen

Voor de mannen op de proppen

Door een zoen wordt alle dagen

Mannen aan de haak geslagen

Zoent een vrouw je éénmaal op je wangen

Blijft ze er levenslang aan hangen

Na de aarde, plant en dier

Kwamen de eerste mensen hier

 

Eva zag het eerst de appel

En ze maakte zich te sappel

Eerst wilde Adam er niks van weten

Maar die sufferd heeft toch gebeten

Dat kwam zijn plezier vergruizen

Adam moest meteen verhuizen

Door die zoen, oh sapperloot

Moeten wij nu zweten voor ons brood

 

Terug naar overzicht

Ja, ja, dat zal wel !

(Ned.tekst: Jack Bess  muziek: Gerhard Jussenhoven)

(de grote carnavals-schlager van jaar 1951/52)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Kijk je met verstand, 's avonds in de krant

Is het of je sprookjes leest.

"Spaans in één kwartaal", "Jeugd voor allemaal",

't Leven schijnt gewoon een feest.

Ja men beloofd zowaar, een kale kop weer haar.

Als je nuchter blijft, lacht om wat men schrijft,

Roep je uit:

 

Refrein:

Ja, ja, dat zàl wel,

Kom, maak met ons de kachel nou niet aan !

Want die vlieger gaat niet op,

Wie dat denkt, heeft een strop.

't Is toch ied're keer opnieuw dezelfde mop,

Ja, ja, dat zàl wel,

Kom, maak met ons de kachel nou niet aan !

 

 

Door de woningnood, is de aanvraag groot,

Voor een huisje knus en klein.

En de ambtenaar zegt tot hem en haar:

"Even nog geduldig zijn.

Nog op z'n hoogst een jaar, dan staat Uw woning klaar."

Maar het jonge stel reageert dan snel

Met een lach:

 

Refrein

 

Smit stond wijd en zijd, danig in het krijt,

Daarom gaf hij steeds "Niet thuis !"

Toen een man of tien, eind'lijk geld wou zien,

Deed hij open per abuis.

Hij zei: "Wie morgen komt, die krijgt zijn duiten prompt !"

Maar de hele troep, manend op de stoep

Zong in koor:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jachtvermaak

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

ZIJ:
Als de herfst weer komt in 't land,
Met zijn storm en vlagen,
Grijpt de jager naar zijn buks,
Is 't de tijd van jagen

HIJ:
Overal op bergen en dal,
Hoor je schoten knallen.
't Jachtroer knalt, de hoorn schalt,
Tot de dag gaat vallen.

Refrein:
De jacht de jacht,
Is een edel vermaak,
Voor groot voor jong en voor klein.
Wanneer de jacht op aard niet bestond,
Zou 't leven eentonig zijn

ZIJ:
'n Vrouwtje dat veel dochters heeft,
Geeft zeer veel partijen.
Want ze ziet haar spruiten toch,
O zoo gaarne vrijen

HIJ:
Sophie Nina en Catrien,
Spelen de kokette,
Tot een jonge luitenant,
Vast raakt in hun netten.

ZIJ:
Middernacht wordt met een gil,
Jansen's vrouwtje wakker.
Manlief in m'n beenen beet,
Zoo een rooie rakker.

HIJ:
Jansen stijgt weldra ter jacht,
Kan naar 't beestje fluiten.
Kust hij vrouwlief goeden nacht,
Bijt ze hem in z'n kuiten.

Terug naar overzicht

Jajem

(oorspr. Italiaans lied 1880/It tekst: Peppino Turco/muziek: Luigi Densa)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Jajem, jajem, jajem moet er zijn

Jajem, jajem, jajem moet er zijn.

We nemen er een, we nemen er twee,

We nemen er drie, we nemen er vier.

En als er dan geen jajem is, dan drinken we maar bier !

 

Jammo, jammo, ncoppa jammo, ja
Jammo, jammo, ncoppa jammo, ja
Funiculì, funiculà, funiculì, funiculà,
ncoppa jammo ja, funiculì, funiculà.

 

 (Jajem is Bargoens voor jenever)

 

Terug naar overzicht

Jalousie

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Jalousie doet het hart toch zo lijden

Jalousie maakt mijn leven een hel

Eens leek alles zo mooi voor ons beiden

Maar nu is slechts die ander in tel

 

Het leven met jou leek een sprookje te zijn

We waren gelukkig al woonden we klein

Nu zie je een ander veel liever dan mij

Misschien is mijn droom wel voor altijd voorbij.

 

Refrein

 

Ik hoop maar dat jij straks beseft wat je deed

En dat je die ander voor altijd vergeet

Dan durf ik de toekomst met jou wel weer aan

Omdat onze liefde de storm heeft doorstaan.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jammerklacht van het laatste Amsterdamse trampaard

(dienstdoende op de lijn Nassauplein-Sloterdijk)

(Eduard Jacobs 1868-1914)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Toen ik voor twintig jaar hier kwam

Kreeg ik een baantje bij de tram

Ik liep geregeld van de Dam

Naar 't Leidsepleintje

Men brulde mij toen heus niet af

't Ging altijd op een sukkeldraf

Ik kon het op mijn sloffen af

Ik deed een schijntje

 

Zolang de A.O.M. bestond

Was ik altijd fris en gezond

Ik kreeg mijn keggie altijd prompt

Mijn hooi en klaver

Maar toen de stad ons overnam

Ging alles even beroerd en lam

Het is een zure boterham:

Gemeente-haver

 

Toch hield ik het nog jaren uit

Maar 'k ging er heus niet op vooruit

De knoken staken door mijn huid

Ik werd zo mager

Toen kwam er weer een andere tijd

We kregen elektriciteit

Wij werden langzaam voorbereid

Op de paardenslager

 

Het een na 't and're paard verdween

Naar links en rechts, God weet waarheen

'k Zag in mijn stal nog maar alleen

Twee kameraden

De koning waren wij te rijk

Men zette ons niet aan de dijk

Sinds lopen wij van Sloterdijk

Naar de Nassaukade

 

Maar hoe veranderd is ons lot

Wij worden nu gehoond, bespot

Het ergert me somtijds kapot

Wat 'k moet horen

Men scheldt ons uit voor ouwe sul

Voor hobbelpaard van 't jaar nul

En allerhande flauwekul

Klinkt in mijn oren

 

Al ben ik maar een ouwe knol

Die geintjes doen je toch geen lol

Mijn ogen schieten dikwijls vol

En 'k loop te janken

Dan trek 'k ook niet met plezier

En rans'lend moppert de koetsier:

" 't Wordt tijd, dat afgeleefde dier

Maar af te danken !"

 

Zo gaat 't steeds en overal

Hier in dit aardse tranendal

Zolang je jong bent, sta je pal

En heb je waarde

Maar ben je later eenmaal oud

Dan word je niets als afgesnauwd

En slechts als ballast maar beschouwd

Hier op deez' aarde...

 

 Terug naar overzicht

Jan Boemel

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Zeg heb je wel ooit van Jan Boemel gehoord,
Die drinkt 's morgens vroeg 's avonds laat.
Hij gooit al zijn geld en fatsoen overboord,
En zwiert iederen dag over straat.
Wij zien hem en zeggen het is toch een schand,
Wij hebben aan drinkers en boemelers het land.
Wij jongens van eer en fatsoen,

Wij jongens van eer en fatsoen.

En Jan kreeg al gauw in de herberg veel praats,
En speelde de groote mijnheer.
Zoo was hij 't ventje bij al zijne maats,
Want altijd riep Jan: "Ik trakteer !"
Hij had niet genoeg aan een groot traktement,
Maar wij jongens zijn met veel minder content.

Wij jongens van eer en fatsoen,

Wij jongens van eer en fatsoen.

En weet je hoe Jan is geworden een lap,
Z'n vader bedierf hem al vroeg.
Want mocht Jantje meegaan naar Jennekepap,
En kreeg hij een slok in de kroeg.
"Da's lekker" zei Jan en ras dronk hij er twee,
Maar wij jongens willen met ons vader niet mee.

Wij jongens van eer en fatsoen,

Wij jongens van eer en fatsoen.


Ga voort maar Jan Boemel wij volgen u niet,
Wij willen niet worden als jij.
Het drinken maakt arm en wat bitter verdriet,
Wat is schand en ellende komt er bij.
Wees matig en spaarzaam zoo zingen wij luid,
Dan komen wij verder in 't leven vooruit.

Wij jongens van eer en fatsoen,

Wij jongens van eer en fatsoen.

Terug naar overzicht

Jan en Jackelien

(uitvoering Eddy Christiani)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Het is niet meer te zien

Bij Jan en Jackelien

Wie is nou de hij, en wie is nou de zij

Zet ze naast elkaar, heus het scheelt geen haar

Allebei een trui, een broek, en lang haar

Het is niet meer te zien

Bij Jan en Jackelien

Wie is nou de hij, en wie is nou de zij

Het is niet meer te zien

Alleen van voren nog misschien

Jan heeft niet zoveel als Jackelien

 

Over een jaar of tien

Dan is het Jackelien

Die Jan gaat bezoeken in het ziekenhuis misschien

In die witte gang, loopt Jackelien heel bang

De ooievaar komt bij Jan en niet bij Jackelien

Het is niet meer te zien

Bij Jan en Jackelien

Wie is nou de hij, en wie is nou de zij

Het is niet meer te zien

Alleen van voren dan misschien

Jan heeft niet zoveel als Jackelien

 

Terug naar overzicht

Janmaat houdt van zingen

Janmaat houdt van zingen in een klein café

De herinneringen neemt hij mee naar zee

Van een meisje en een lied peinst hij in zijn kooi

Aan het roer of op den bak

O, wat was ze mooi.

Ahoy, Ahoy, wat was dat meisje mooi !

Ahoy, Ahoy, wat was dat meisje mooi !

Ahoy !

 

Terug naar overzicht

Jans Pommerans (uit Nieuwerschans)

(George Hofmann 1924)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

In Nieuwerschans daar was een meid

Een levend spook van magerheid        

Een lange dunne rariteit

Een paling van een meid

Ze kon wel door een lampeglas

Als je d'r aankeek wist je pas

Wat voor, opzij, of achter was

Een ieder zei: " 't Is kras!"

 

Refrein:

Jans Pommerans uit Nieuwerschans

O wat een spriet, wat een niet, wat een lat

Jans Pommerans uit Nieuwerschans

O wat een plank van een meid is dat

                                                                                   

Wanneer ze langs de wegen liep

Gebeurde het dat iemand riep

Daar gaat een Zuiderzee-poliep

Van 't voorhistorisch typ

De boerenpaarden werden mal

Van schrik en vluchtten naar de stal

De dienders brulden luid "sta pal!"

Daar kruipt een reuzenkwal

 

Refrein

 

En als ze in haar ledikant

Ging rusten, sliep ze veilig want

Heur linkeroog en rechterhand

Bewaakten saam de rand

Heur benen trok ze aan d'r kin

D'r armen lei ze knopen in

En als een opgerolde spin

Sliep ze al blozend in

 

Refrein

 

Die lange dunne rare meid

Die heeft eens voor een korte tijd

Met een Amsterdamse kraai gevrijd

Dat was een stommiteit

De kraai had gauw genoeg van haar

En stuurde toen een ooievaar

Die kwam en zag en zei: Wat raar

Het is bepaald niet waar

 

Refrein

 

In Nieuwerschans daar is een meid

Die eenzaam op haar nagels bijt

En stiekem in d'r eentje schreit

Omdat ze heeft gevrijd

Die kraaienspruit die is nog klein

Doch blijkt reeds muzikaal te zijn

En zingt maar steeds tot haar chagrijn

Dit populair refrein:

 

Refrein

Terug naar overzicht

Jantje aan den telefoon

(met dank aan Jan Corvers voor het sturen van de tekst)

Het is stil in huis

Zonder gedruisch,

Staat Jantje voor het raam.

Met bleek gezicht

Zijn oogjes dicht,

Zijn kleine handjes te zaâm.

Zachtkens staat hij daar te wenen,

Zijn moeder ging van hem henen.

 

Refrein:

Moesje, o lieve moesje,

Waarom zijt gij heen gegaan,

Naar den hemel heen,

Liet ons zoo alleen

Paatje en mij te zaâm.

U laat niets van u weten,

Waarom u ons verliet.

Moe wij kunnen u nooit vergeten,

O, wij hebben zoo'n verdriet.

 

Daar wordt zijn gezicht,

Zonnig verlicht

En met een blijden lach,

Stapt heel gewoon

Naar de telefoon

En vraagt aan de meid heel zacht:

,,Zeg Mientje wil jij mij ook even,

Het nummer van den hemel geven."

 

Refrein:

,,Zie ik wou aan moesje vragen,

Waarom ze ons niet schrijft.

Wij hooren zoo niets,

Van moedertje lief.

'k Wil weten waar of zij blijft."

De meid ziet op hem neder,

Noemt het nummer van pa's kantoor,

,,Hier heb je 't, zegt ze teder,

Gaat het nu maar eens vragen hoor."

 

Op het kantoor van pa,

Klinkt nu aldra,

De schel van het telefoontoestel.

Een zachte stem

Smeekt dan weldra,

,,Spreek ik met moe in den hemel wel.

Moesje ik smeek u zoo teeder,

Kom bij pa en Janneman weder."

 

Refrein:

Pa fluistert met tranen in de oogen,

En antwoordt met droeve stem,

,,Mijn lieve Jan,

Ge weet dat het niet kan,

Daar ik ver in den hemel ben.

Mijn lieve kleine jongen,

Wees altijd braaf en goed,

Dan zal de tijd eens komen,

Dat ik u in den hemel ontmoet !"

 

Terug naar overzicht

 

Jantje's laatste wens

(met dank aan Joke Broersen voor het sturen van de tekst)

Buiten is het vinnig koud,

Binnen brandt geen stukje hout.

Vader zit weer in de kroeg,

Krijgt van drinken nooit genoeg.

Och mammie mag 'k het wagen,

Om pappie thuis te vragen.

't Is immers mijn verjaardag

Dan hoort hij thuis te zijn.

 

Jantje holt de deur al uit,

Hoort geen getoeter en gefluit.

Daarginder komt een auto aan

En overrijdt ons Janneman.

In 't kroegje wordt hij gedragen,

Dan hoort hij smekend vragen:

"Och Jan, ik ben je vader

Of ken je mij niet meer."

 

Jantje slaat zijn ogen op,

Kijkt in vaders dronken kop.

Och pappie mag 'k u vragen

Om mammie niet meer te plagen.

Dit zijn mijn laatste wensen,

Voordat ik heen zal gaan.

 

Terug naar overzicht

Jantje's voetbal

(met dank aan Ria Zorn voor het sturen van de tekst)

Kleine Jan wou voetbal spelen,

Moeder vroeg hij mag ik gaan ?

Met zijn bal in beide handjes,

Bleef hij voor het ziekbed staan.

Even trilden moeders lippen,

Ach hoe piepte moeders borst.

Zachtjes hoorde het ventje staam'len:

Jantje, moeder heeft zo'n dorst.

 

Refrein:

En buiten riepen zijn makkertjes:

Zeg Janneman kom je nu haast,

Dan gaan we dat prettige spel weer spelen,

Dat balspel van laatst.

 

Moeder ik zal u drinken geven,

Jantje lei zijn voetbal neer,

Haastig liep hij naar de keuken,

Kwam met een glas water weer.

Moeder sloot bedroefd haar ogen,

Schudde zwakjes met haar hoofd,

Vader zei ze heeft vanmorgen,

Sinasappelen beloofd.

 

Refrein

 

Jantje schrok wat kon dat wezen,

Vader was een jaar reeds dood

En nu leefde ze tesamen

In de aller grootste nood.

Jaren was er al geen geld meer,

Sinasappelen kosten duur

En die goedkope van beneden,

Waren slecht en naar en zuur.

 

Refrein

 

Sinasappelen zou hij halen,

Jantje nam zijn voetbal op,

Teun een buurjongen van boven,

Wou hem kopen voor een pop.

Als hij zoveel geld bijeen had,

Honderd centen welk een schat,

Kon hij de mooiste appelen kopen,

Die de groenten winkel had.

 

Refrein

 

Op zijn tenen sloop toen Jantje,

Heel zachtjes de kamer uit.

Toen hij terug kwam had hij bij zich,

Een mandje vol met fruit.

Moeder riep hij, o zo zachtjes

Moeder  kijk nu toch eens aan,

Maar het bleef stil en moeder keek niet,

Zachtjes was ze heengegaan.

 

Refrein

 

In de kamer van klein Jantje,

Hingen de gordijnen neer.

Zwarte mannen naar en somber,

Liepen haastig heen en weer.

En er kwam een zwarte wagen

En er kwam een zwarte kist.

Eindelijk kwam ook kleine Jantje,

Van wiens offer niemand wist.

 

Refrein: 

En buiten stonden zijn makkertjes,

Heel ernstig en droef naast elkaar.

Ze namen eerbiedig hun petjes af,

Voor Jannemans moedertjes baar.

 

Terug naar overzicht

Jantje's vuile vingertjes

(Truce Speyk)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Onder de wol, 't hartje zo vol

Ligt snikkend kleine Jantje,

Moesje is boos, en rusteloos

Woelt hij in 't ledikantje.

Handjes zijn vuil, hij groef een kuil in de tuin,

Maatje heeft hem beknord,

Dat mocht Jantje niet doen,

En zij gaf hem geen zoen,

Nu ziet hij als hij slaperig wordt;

 

Tien kleine vuile vingers

Aan twee handen zwart als roet,

Tien kleine vuile vingers

Waarmee hij veel ondeugends doet,

Twee grote dikke tranen

Biggelen langs zijn wangen neer,

En hij fluistert zachtkens half in slaap:

,,Mammie, Jantje doet 't nooit weer."

 

Ook moeder droomt, zij ziet beschroomd

Aan 's hemelspoort klein Jantje,

Stil blijft-ie staan, dan klopt hij aan,

Met 't kleine vuile handje.

De engel die 't hoort, opent de poort

En zegt: ,,Jantje kom binnen mijn kind.

Zijn je handjes ook zwart, wit als sneeuw is je hart,

Dan, ontwaakt moeder plotseling en vindt;

 

Tien kleine vuile vingers

Die haar strelen in 't gelaat.

Tien kleine vuile vingers

Vergeving vragend voor het kwaad.

Zij wil ze niet meer missen

En vol liefde drukt z' aan 't hart,

Die tien kleine vieze vingertjes

Aan twee handjes vuil en zwart.

 

Terug naar overzicht

Janus heb jij je hoedje op

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ik ben een nette jongen

Ik kleed me ook graag goed,

Op feestelijke dagen

Draag ik een hoogen hoed.

Die kan de buurt niet velen,

Als ik Zondags wand'len ga

Dan roepen alle jongens

Uit onze buurt ons na.

'k Doe net of ik 't niet hoor.

 

Refrein:

Janus heb jij je hoedje op,

Janus wat doe jij met zoo'n dop,

Janus heeft op z'n kanus,

Zijn hooge zij, nou is ie blij

Janus wat heb je op jekop.

Janus is nou de zuurkool op,

Janus heeft op zijn kanus,

Zijn hooge hoed, 't staat hem goed,

Die apen snoet.

 

Ik ging laatst op visite

Bij kennis en patroon

'k Dronk hier en daar een borrel,

En was niet meer brandschoon.

De kou had mij bevangen,

Voor 't eerst zoolang ik leef

Viel bijna van 't stoepje

Mijn hooge hoed stond scheef.

Toen riepen me weldra, de jongens achterna:

 

Refrein

 

Ik ben onlangs gaan trouwen,

En ik reed met mijn bruid,

Heel netjes naar 't stadhuis toe

En stapte deftig uit.

De buurt stond daar te wachten

En riep daar is ie nou

Daar heb je onze Janus

En daar heb je zijn vrouw.

Zoo deftig is ie weer, 't is net een mijnheer.

 

Refrein

 

En ga ik met mijn vrouwtje,

Soms naar de Entos heen

Zet ik mijn hoogen hoed op,

Dat is deftig naar ik meen.

En of ze dan al schreeuwen

Ik maak me heusch niet dik,

Ik blijf heel kalm van buiten

En 'k denk krijg maar de hik.

Ik loop maar deftig door, al zingt het heele koor:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Japaneesje

(met dank aan Franciska Stam voor het sturen van de tekst

Kom kom kom kom

Is er dan niet eentje

Die een Japaneesje hebben wil.

 

Kom kom kom kom

Kijk eens naar mijn beentjes

Nooit van zijn leven staan zij stil.

 

Ik zal je beminnen

Met al mijn zinnen

Met plezier

Kiele kiele kiele zo moet je het doen

En als je het kan

Mag je mee naar Japan.

 

Terug naar overzicht

Japie de portier

(tekst/muziek: Jaap Valkhoff/uitvoering: Jacky van Dam)

Goedenavond, goedenavond met mekaar

Aan de tafeltjes en aan de bar

Neem me niet kwalijk dat ik u allen nog niet ken

Maar mag ik eventjes vertellen wie ik ben

 

Ik ben Japie de portier

Ik heb zo'n jofel baantje hier

Ik zeg altijd keer op keer

Dag mevrouw en dag meneer

Hoe vindt u hier bij ons de sfeer

Bij een lied en een glas wijn

Kan het zo gezellig zijn

Maak vanavond veel plezier

Geef uw hoed en jas maar hier

Want ik ben Japie de portier

 

Ik vind het fijn dat u zich hier zo amuseert

Want een vrolijk mens is nooit verkeerd

Haak er eens in en zing gezellig met me mee

Want ik ben Japie de portier, holadijee

 

Ik ben Japie de portier

Ik heb zo'n jofel baantje hier

Ik zeg altijd keer op keer

Dag mevrouw en dag meneer

Hoe vindt u hier bij ons de sfeer

Bij een lied en een glas wijn

Kan het zo gezellig zijn

Maak vanavond veel plezier

Maar geef uw hoed en jas maar hier

Want ik ben Japie de portier

 

Het orkestje speelt een vrolijk stuk muziek

Want de stemming in weer magnefiek

Leve de pret, we zetten de zorgen weer opzij

Maar als u weg gaat denk dan eventjes aan mij

 

Ik ben Japie de portier

Ik heb zo'n jofel baantje hier

Ik zeg altijd keer op keer

Dag mevrouw en dag meneer

Hoe vindt u hier bij ons de sfeer

Bij een lied en een glas wijn

Kan het zo gezellig zijn

Maak vanavond veel plezier

Maar geef uw hoed en uw jas maar hier

Want ik ben Japie de portier

 

Terug naar overzicht

Japie is getrouwd

(Maurice en Duifje Dumas, 1907)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Vroeger kende Jaapje,

Zorgen noch verdriet.

Vrolijk als een knaapje,

Zong hij 't hoogste lied.

Thans komt men hem tegen,

Min of meer gekromd,

Somber en verlegen,

Weet ge hoe dat komt.

 

Refrein:

O, Japie is getrouwd,

Hij zit in de misère,

Hij zit in de misère.

O, Japie is getrouwd,

Hij zit in de misère,

't Is z'n eigen fout.

 

Japie moet nu leven,

Naar zijn vrouwtjes gril.

Hij moet zoentjes geven,

Net zoveel zij wil.

Roken ondertussen,

Mag niet, daar zij sprak ,

Lieve man, je kussen,

Smaken naar tabak.

 

Refrein

 

Japie mag niet proesten,

Want dat staat niet fijn.

Japie mag niet hoesten,

Of verkouden zijn.

Japie mag niet snuiten,

Zoals iedereen.

Japie mag niet fluiten,

Want dat staat gemeen.

 

Refrein

 

Japie mag niet vitten,

Of de lucht ingaan.

Japie mag niet zitten,

Japie mag niet staan.

Japie mag niet tuffen,

Niet meer op de fiets.

Japie moet versuffen,

Japie die mag niets.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jaren, jaren ze gaan voorbij

(tekst: Stan Haag/muziek: Lex Vervuurt/uitvoering: Max van Praag)

Dagen en maanden die vliegen voorbij

Iedere dag is er een op de lei

Na zoveel kruisjes dan wordt je wat kaal

Zing en bekijk het globaal

 

Refrein:

Jaren, jaren ze gaan voorbij

Gaan voorbij, gaan voorbij

Maar met jou blijf ik jong en blij

Al gaan de jaren voorbij

 

Elke minuut gaat voorbij, komt niet terug

Maar ook al gaat de tijd nog zo vlug

Wees toch verstandig het leven duurt kort

Zing als je haar grijzer wordt

 

Refrein

 

Maak je geen zorgen het komt wel terecht

Lach wat een ander misschien van je zegt

Zing en heb maling compleet aan de rest

De oudjes die doen het nog best

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jas-lied (soldatenliedje)

(wijs: Hulda !)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Blaast de tamboer 't leuke "jas-jas-jas !"

Dan neemt de hele troep zijn mes alras,

En men treedt gezwind naar buiten aan,

Om samen naar de piepers toe te gaan.

En elk soldaatje krijgt dan een karwei,

De een savoye kool en de andere prei.

Een derde is van uienschillen bang,

De tranen rollen langs zijn wang.

 

 

Refrein:

Kom, laat ons jassen, jassen, jassen,

Kom, laat ons jassen, jassen, jassen,

Kom jongens, jas nu maar,

Morgen is de rats weer klaar !

Kom jongens, jas nu maar,

Morgen is de rats weer klaar !

 

 

De menagemeester surveilleert,

Maar de piepers raken nooit verkeerd;

Menig pijpje vliegt uit iemands mond,

En valt gebroken neer op den grond.

Weer een ander stuift verwoed omhoog,

Want een pieper trof hem in het oog;

En toch onder al dat woest getier,

Hebben wij het allergrootst plezier !

 

Terug naar overzicht

Je bent met goud niet te betalen

(Willy Derby 1935)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Er komt voor ieder in 't leven,

Eenmaal het wondere uur,

Dat je je hart weg moet geven,

Dat is eenmaal zo de natuur.

Alles verdwijnt om je henen,

Alles op aarde verbleekt,

En je leeft slechts voor die ene,

Als je verliefd tot haar spreekt:

 

Refrein:

Je bent met goud, met goud niet te betalen,

Geen diamant kan zoveel licht uitstralen,

Jou te bezitten en jou te beschermen,

Zal voortaan slechts mijn levensinhoud zijn.

 

En als je eenmaal getrouwd bent,

't Stormachtige is er vanaf,

Dan als je het leven dichtbij kent,

Is huisarrest soms een straf.

Ga je een keertje met vrienden,

Zo zonder vrouw eens op stap,

Zing je wanneer je naar huis komt,

Tot 't boze vrouwtje als grap:

 

Refrein

En nog wat ouder geworden,

Blijf je weer liever in huis,

Zing je bij 't wassen der borden:

"Vrouwtje bij jou voel 'k me thuis."

Vrienden zijn dan overbodig,

Langzaam kom dan de oude dag,

Heb je elkaar het meeste nodig,

Zeg je met weemoedige lach:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Je hebt je schitterend gehouden

(Lou Bandy 1938)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Wie op 't standpunt stond in 't korte leven,

Als optimist, die ergerde zich niet.

Die is tot aan z'n eind nog jong gebleven,

Zo'n levenskunstenaar vermeed verdriet.

Daarom: "Zeg lui, wees altijd blij en lustig,

Want levensvreugd, dat maakt de mensen rustig.

En als je tachtig bent met eer en deugd,

Zingt iedereen dit lied verheugd."

 

Je hebt je werk'lijk schit'rend gehouden,

't Is wonderlijk als ik je zo zie staan.

Jij hebt geen rimpeltjes, je bleef de oude,

Kom, zegt me toch: "Hoe heb je dat gedaan ?"

Je hebt geen rimpeltjes, je bleef de oude,

Kom, zegt me toch: "Hoe heb je dat gedaan ?"

 

Paardje, paardje, hop hop hop,

Zet de zorgen uit de kop.

 

Als onze koningin straks veertig jaren,

Haar dierbaar volk met wijs beleid regeert.

Dan laat heel Nederland de zorgen varen,

En 't even zien hoe men een vrouw vereerd.

Zij heeft getoond hoe men wel moet regeren,

Daar kan nog menig staatshoofd iets van leren.

We danken hem, die ons zo'n landsvrouw gaf,

Die neemt geen sterveling ons af.

 

Zij heeft zich werk'lijk schit'rend gehouden,

De helpster in den strijd om 't bestaan.

Zij is ons leidster, ze slaagt cum laude,

Wij danken haar voor wat ze heeft gedaan.

Zij is ons leidster, ze slaagt cum laude,

Wij danken haar voor wat ze heeft gedaan.

 

Zij is ons leidster, ze slaagt cum laude,

Wij danken haar voor wat ze heeft gedaan.

 

Terug naar overzicht

Je hebt toch van die mooie blauwe ogen

(Eddy Christiani met Frans Poptie en ensemble)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Je hebt toch van die mooie blauwe ogen

Daar kijk ik steeds mijn ogen weer op uit

Nooit zag ik van die mooie blauwe ogen

Nu zie ik ze zelfs als ik mijn ogen sluit

Door zulke ogen wordt je nooit bedrogen

Ik weet zeker dat zoiets niet kan bestaan

Geholpen door jouw blauwe ogen

Durf ik het leven met jou aan.

 

 

Groen is voor ons allen de kleur van de hoop

Wit tekent de onschuld, die is niet te koop

Geel is de moderne kleur voor volmaakte trouw

Maar sinds ik jouw ogen zag, hou ik het op blauw

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Je jonge jaren

(melodie: Schön ist die Jugendzeit/Annie de Reuver 1959)

Je jonge jaren

Zijn snel vervlogen

Je jonge jaren

Gaan snel voorbij

De grijze haren

Gaan weldra komen

Dat is het einde

Van 's levensmei

 

Refrein:

Je jeugd gaat snel voorbij

Gaat toch zo snel voorbij

Jeugd gaat zo snel voorbij

Ze komt niet weer

Ze komt ze komt niet weer

Nee nee ze komt niet weer

Mooi is je jonge tijd

Ze komt niet weer

 

Het mooiste bloempje

Langs 's herenwegen

Moet eens verwelken

En valt dan af

Zo is het ook met

Een mensenleven

Het is alleen maar

Een stap naar 't graf

 

Refrein

 

Ze komt ze komt niet weer

Nee nee ze komt niet weer

Mooi is je jonge tijd

Ze komt niet weer

 

Terug naar overzicht

Je moeder vergeet je toch nooit

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Zit je druk in den wirwar van 't leven,

Vind je liefde bij velen of haat,

Word je glorie of schande gegeven,

Klim je hoger in stand of in staat

Of heb je ternauwernood eten,

In al wat je kwelt of verstrooit,

Zal je 't meeste van vroeger vergeten;

Maar je moeder vergeet je toch noot !

 

Als je rijker wordt, dan kun je denken

Of arm als de schamelste rat,

Moog je 't slijk der aarde verzenken

Of blijf je steeds op 't rechte pad;

Of je lompen moet dragen of zakken

Of met zij en juweelen je tooit,

Menig beeld uit je jeugd gaat verzwakken,

Maar je moeder vergeet je toch nooit !

 

En in huis moog je blijven, of reizen,

Je moogt naaister zijn, of Koningin

En in eenzaamheid moog je vergrijzen,

Of gelukkig zijn in je gezin;

Je moogt slecht worden en je bekeeren,

Wijs, dom zijn, attent of verstrooid;

Zelfs je moedertaal mag je verleeren,

Maar je moeder vergeet je toch nooit !

 

Terug naar overzicht

Je ouwe tante houdt er ook wel van (Maurice Dumas)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Mijn lieve nicht, ik zou wel kunnen grienen,

Van vreugde, want ik hoor het gaat je goed.

Ze zeggen dat je niet meer hoeft te dienen,

Je leeft nou zellef op je grote voet.

In plaats van Jaantje heet je nou Jeannette ,

Ik snap het niet, hoe kom je daar zo an ?

Daar zou 'k nou ook m'n zin op kunnen zetten,

Je ouwe tante houdt er ook wel van.

 

Je handen zijn niet ruw meer van het werkenm

Ze binne nou zoo zacht als zij fleweel,

J' had altijd van die rooie harde vlerken,

Maar door het niksdoen zijn ze zacht en heel.

Ze zeggen je houdt nu zelf een masse booien,

Woont in een prachtig huis, nou kijk es an.

As jij me nou is bij je thuis wou nooien,

Je ouwe tante houdt er ook wel van.

 

Ik hoor je zit gezaaid met diamanten,

Onder de dames val jij 't meeste op.

Je draagt de duurste kleren, zij en kanten,

De mooiste pleures boven op je kop.

Je hebt een kamer vol met dooieletten,

Drie maal per dag trek ie wat anders an.

As jij voor mijn nou wat opzij kan zetten,

Je ouwe tante houdt er ook wel van.

 

Met eigen auto of met ekepazie,

Rij j' alle dagen deftig door de stad.

Dan leun je in de kussens achterover,

Alsof ie zeggen wil: wie doet me wat ?

Je drinkt sepanje en rookt zuigeretjes,

Op bals en opera's ben je stees vooran.

Ze zeggen wat je uitvoert is niet netjes,

Maar j' ouwe tante houdt er ook wel van.

 

Ze zien je tellekens met and're heren,

En 's avonds ga je nooit alleen naar bed.

Ze zeggen dat je je laat marioneren,

Dat hebben ze van jou zo opgelet.

Kan jij van al die vreemde heren houen ?

Ik hield, toen 'k meisje was, van ene man,

Maar as je 'r nou somwijlen een kan missen.

Je ouwe tante houdt er ook wel van.

 

Terug naar overzicht

Jennemieke gé moet nor huis toe gaon

(Brabants dialect uit de omgeving van Tilburg)

(met dank aan Riet Rademakers voor het sturen van de tekst)

Jennemieke, Jennemieke gé moet nor huis toe gaon,

want ons moeder die is ziek.

is ze ziek lot ze ziek,

't zal wel komen van de rimmetiek

mer nor huis toen gaon doek nie.

 

Jennemieke, Jennemieke gé moet nor huis toe gaon,

want ons moeder die is dood,

is ze dood lot ze dood

't zal wel komen van ut roggebrood

mer nor huis toe gaon doek nie.

 

Jennemieke, Jennemieke gé moet nor huis toe gaon,

want ons moeder is in de kist.

is ze in de kist lot ze in de kist,

as ze mer goed gespijkerd is

mer nor huis toe gaon doek nie.

 

Jennemieke, Jennemieke gé moet nor huis toe gaon,

want ons moeder is in de kerk

is ze in de kerk lot ze in de kerk

dan heej de pestoor en de kuster zun werk

mer nor huis toe gaon doek nie.

 

Jennemieke, Jennemieke gemoet nor huis toe gaon,

want ons moeder is in 't graf

is ze in 't graf lot ze in 't graf,

dan is ze van de wereld af

mer nor huis toe gaon doek nie.

 

Jennemieke, Jennemieke gé moet nor huis toe gaon,

want ons moeder is in de hel

is ze in de hel lot ze in de hel,

dan vat dun duvel mee dur vel

mer nor huis toe gaon doek wel.

 

Terug naar overzicht

Jenny

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ik heb van zoovele vrouwen,

Die ik er zoo heb ontmoet,

Een klein beetje maar van gehouwen,

Maar dan toch nimmer voor goed.

Maar nou heb ik het te pakken,

Ik ben van mijn zinnen beroofd,

Mijn eten kan haast niet meer zakken,

Want Jenny speelt steeds mijn hoofd.

 

Refrein:

Jenny, Jenny,

Geef me het jawoord nou.

'k Zie je 's nachts in mijn droomen staan,

Met een rose pyama aan.

Jenny, Jenny,

't Zal zonder jou niet gaan.

Ik ben stapel verliefd op jou,

Dus Jenny, och, wordt toch mijn vrouw.

 

Lig ik des nachts in mijn mandje,

Ik ben dan verstrooid en wat loom,

In 'n eenpersoons ledikantje,

Dan zie ik jou in mijn droom.

Ik wil een noodsprong dan maken,

Stoot ik mijn groote teen,

Ik hoor de veren dan kraken,

En 't schoone droombeeld is heen.

 

Refrein

 

'k Loop in mijn hemd en op muilen,

Zoomaar op 't koude zeil,

Soms heel den nacht maar te huilen,

Gewond door de liefdespijl.

'k Wil dan het leven verlaten,

Want ik heb zooveel verdriet,

Eenmaal wil ik met je praten,

Daarom weerklinkt dus mijn lied .

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jetje (Kind geef mij een sigaretje)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Jetje is door Moeder Natuur slecht bedeeld,

Haar armen en benen zijn staken;

Haar toet is in bulten en deuken verdeeld,

Er is geen portret van te maken.

Ze heeft veel valse tanden en weinig echt haar,

En schoenen maat veertig met pijn;

Toch heeft ze veel minnaars en dat is niet raar,

De reden blijkt uit het refrein.

 

Refrein:

 Jetje,  Jetje, kind,  geef me  een  sigaretje.

Zeg me gerust wat ik daarvoor moet doen;

Ik geef je desnoods wel een stevige zoen,

Jetje, Jetje, geef me  een sigaret.

 

Jetje  heeft  jarenlang "Saffies" vergaard,

Het schijnt, dat ze heeft kunnen ruiken;

Dat  die  sigaretjes zorgvuldig  bewaard,

Nu goed door haar zijn te gebruiken.

Men vecht om haar gunst en men dingt naar haar.

Maar Jet weet wel waar hét om gaat;

Die vurige liefde staat nauw in verband,

Met haar voorraad pakjes piraat.

 

Refrein

         

Jet heeft aan Piet van haar voorraad verteld,

Toen was hij gewoon niet meer te houen;

Hij is in één ruk naar 't stadhuis toegesneld,

Om daar zijn Mis-Blanche te gaan trouwen.

Door de sigaret is hij nu de sigaar,

Zijn vrijheid vervliegt nu in rook;

En zit ie des avonds op 't schootje bij haar,

Dan moet ie nog soebatten ook.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jij bent een meisje

(tekst en muziek: A. Meurs, E. Chrisitani, Fr. Poptie)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst

Ik weet niet goed, hoe of ik jou moet zeggen,

Dat jij voor mij het liefst op aarde bent,

Ik zal proberen jou dat uit te leggen,

Door  middel van het grootste compliment.

 

Refrein:

Jij bent een meisje

Zoals m'n moeder dat geweest moet zijn,

Zo lief en charmant.

Jij bent een meisje

Zoals m'n moeder dat geweest moet zijn,

Bezorgd en bijdehand.

Jij bent net eender,

Want toen jij daar zo buiten voorbij ons r aam liep,

Begon papa te fluiten (fl. fl.).

Jij bent een meisje

Zoals m'n moeder dat geweest moet zijn,

Zo aardig als jij bent,

Een reuze compliment, als jij m'n moeder kent !

 

Als ik zo in die albums zit te kijken,

Waarin m'n moeders jeugdportretten staan,

Dan zie ik dat je echt op haar moet lijken

Papa's verhalen sluiten daarbij aan.

 

Refrein:( als boven, uitgezonderd laatste regel)

Laatste regel:

Gelukkig, dat je niet m'n moeder bent !

 

Terug naar overzicht

Jij bent mijn schat

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Schat, die ogen zijn van jou,

Toch zo rein en hemelsblauw.

Ik put me aldoor uit in liefdessmart ,

Nooit had mijn arm gemarteld hart zoo’n leed .

Ik zie je in gedachte blij,

Als mijn bruidje aan mijn zij.

Nog nooit mijn lieve kind,

Heb ‘k een als jou bemind.

 

Refrein:

 Jij bent mijn schat, zeg weet je dat,

‘k Van jou kan houwen, ‘k zeg ’t in vertrouwen

Oh, liefste mijn !

Je oogenpaar, je golvend haar ,

Heeft mij betooverd, mijn hart veroverd.

Het moet zo zijn,

Ben je bij mij, heb ik geluk slechts in mijn leven,

Dat heeft geen mensch mij nog op aarde kunnen geven.

Jij bent mijn schat, zeg weet je dat,

‘k Van jou kan houwen,

Met jou wil ik trouwen,

Oh, liefste mijn.

 

Terug naar overzicht

Jij bracht de zon in m'n leven

(tekst: J.Hoes / muziek: Jean Lahey / uitvoering: de "Olympia"-zusjes

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

'k Voelde mij alleen, als nooit tevoren,

Alles had, 't scheen, z'n glans tevoren.

Maar sinds 'k jou voor de eerste maal heb ontmoet,

Lijkt op eens heel 't leven weer blij en goed.

Weg is mijn verdriet,

Weg zijn mijn zorgen.

'k Zing 'n vrolijk lied

'k Denk niet aan morgen.

Want de rest van de wereld die laat me koud,

Nu ik weet dat je werkelijk van me houdt.

 

Refrein:

Jij bracht de zon in m'n leven,

Jij hebt me liefde gegeven.

'k Voel me zo blij als 'n kind,

Nu ik door jou wordt bemind.

Jij bracht 'n hemel op aarde,

Jij gaf m'n leven weer waarde.

Al dat geluk dank ik slechts één,

Dat ben jij, lieveling, jij alleen.

 

Terug naar overzicht

Jij en ik in een bootje

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Jij en ik in een bootje

Jij en ik in een bootje

In een gezellig slootje

Niemand anders die er is

Heel alleen, alleen, alleen.

 

Ik roeide laatst op een slootje bij de plas

Toen daar een heel aardig meisje was

Zij keek, ik keek, we lachten allebei

Ik riep vaar eens mee met mij

En zij zei:

 

Refrein

      

En een poosje later ontmoette ik ze weer

En geloof het niet, en daar ging ik weer

Zij keek, ik keek, we lachten allebei

En ze kwam terug bij mij

We zongen:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jij was altijd zo lief voor mij

(uitvoering: Annie de Reuver)

Vroeger was jij altijd zo lief voor mij,
Zo lief voor mij, zo lief voor mij.
Vroeger was je altijd zo dicht aan mijn zij,
Nu is dat alles voorbij.

Want toen kwam de tijd,
Van ruzie en spijt,
De tijd die een ander je riep.
Je bent weggegaan,
Met nauwelijks een traan,
De kloof tussen ons was te diep.

 

En toch leeft die liefde nog steeds in mij,
Nog steeds in mij, nog steeds in mij.
Ik schik me naar jou als het moet,
Mijn liefste kom maak het weer goed,
Weer goed, weer goed,
Mijn liefste, kom maak het weer goed.

Terug naar overzicht

Jodenbreestraat

(tekst en muziek: Hans Waag/uitvoering: Leo Fuld)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik ben op de Breestraat geboren
En ik bracht er mijn kindertijd door.
'k Heb gespeeld aan de voet van de toren,
Wiens stem ik in gedachten nu nog hoor.
Ik speelde toen mijn kinderspelen,
Daar tussen de karren met fruit.
En 'k bracht dikwijls een bezoek,
Aan de 'Tip Top' op de hoek.
En ik vond daar veel later ook mijn bruid.

 

Refrein:
Maar de Breestraat uit mijn jeugd
Die 'k zo goed nog heb gekend,
Die behoort nu al lang tot 't verleden.
Met zijn Vissteeg en zijn markt
Op zondagmorgen vroeg,
Is voorgoed uit ons leven gesneden.
Want die Breestraat uit mijn jeugd,
Die komt nooit meer terug,
Ook al was zij een stuk van ons eigen.
En al bouwt men weer een straat,
Zo mooi als 't even kan,
Een Jodenbreestraat zullen wij toch nooit meer krijgen.

 

Ik zie nog mijn moedertje lopen
Met haar stampvolle boodschappentas,
Om voor vrijdag van alles te kopen
Ook de vetste kip die er maar was.
Ik hoor nog 't geschreeuw van de kooplui
Vol kwinkslag en met joodse gein,
Al dat leven en vertier,
Och, wat deed mij dat plezier,
'k Vond het heerlijk een Breestrater te zijn.

 

Refrein

 

Maar was dan de sabbat gevallen
Dan was 't rustig, daar rondom ons heen,
Want de winkels, zij sloten dan allen
En de tram reed zachter, zo het scheen.
En vele vrome mannen gingen
Met Taliszak dan naar de sjoel,
Ach, die joodse atmosfeer,
Nee, die vind je er niet meer,
Dat te missen geeft vaak zo'n leeg gevoel.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

't Jodensoldaatje

(met dank aan Wil van der Meij voor het sturen van de tekst)

In het stille straatje,

Staat een klein soldaatje,

’n Joodje zwak en bleek.

Dat hij opgeroepen,

Mee moet met de troepen ,

Maakt hem gans van streek,

Maakt hem gans van streek.

En als de trommel van rombom slaat,

Pinkt hij een traan weg, de Jodensoldaat.

 

Daar komt om een hoekje,

Tot een laatst bezoekje,

’t Jodenmeisje aan.

Zedig, ingetogen,

Met verlegen ogen,

Blijft zij even staan,

Blijft zij even staan.

En als de trommel van rombom slaat,

Kust zij tot afscheid de Jodensoldaat.

 

Ruwe hoornsignalen,

Storen idealen,

Van hun jong gedoe.

In ’t gelid nu staat hij,

Met de troepen gaat hij,

Naar de grenzen toe.

Naar de grenzen toe.

En als de trommel van rombom slaat,

Staat hij te beven de Jodensoldaat.

 

In het duister slopje,

Leunt een donker kopje,

Tegen de deurpost-rand.

In verlangen wachtend,

Glijden haar gedachten,

Naar dat vreemde land.

Naar dat vreemde land.

En als de trommel van rombom slaat,

Valt op het slagveld de Jodensoldaat.

 

Terug naar overzicht

Johanna

De noodlottige geschiedenis van een maagd en een boze schoenlapper

(tekst en muziek: Alex de Haas)

(met dank aan Corry Verhoeven en ook Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

Johanna telde zeventien lentes, zij was een aardig ding.

Zij had op het gebied van de liefde, totaal geen ervaring.

Het was een aardig meisje, bedrijvig als een hen.

En diende bij gegoede familie , als meisje voor halve dagèn.

 

Refrein:

Johanna, Johanna, als meisje voor halve dagèn

Johanna, Johanna , als meisje voor halve dagèn.

 

Toen is in haar leven de liefde gekomen, van heinde en van ver.

Het was een arreme schoenlappers jongen , en stonk naar genever.

Hij had zijn laatste centen, aan borreltjes neergeteld.

En eiste om de rest te betalen van ‘t meisje al haar spaargeld.

 

Refrein:

Johanna, Johanna, van ‘t meisje al haar spaargeld

Johanna, Johanna, van ‘t meisje al haar spaargeld.

 

Toen zij het hem niet wilde geven, bedreigd hij haar met z’n els.

En stal uit de kast der gegoede familie, zes zilveren eetlepèls.

Maar toe de misdaad uitkwam, verdacht men het arreme wicht ...

Met schande beladen werd zij ontslagen, toch was zij onschuldig.

 

Refrein:

Johanna, Johanna, toch was zij onschuldig

Johanna, Johanna, toch was zij onschuldig.

 

Zij kon de schande niet langer verdragen, zette ’t scheermes in haar vel.

En sneed zich compleet in halleve delen, het bloed spoot ten hemèl.

Daar lagen nu twee delen, tezamen slechts één lijk.

De vrijer die naar het lichaam kwam kijken, die bibberde vreselijk.

 

Refrein:

Johanna, Johanna, die bibberde vreselijk

Johanna, Johanna, die bibberde vreselijk

 

Hij kon z’n misdaad niet langer verhelen, men sloot hem op in een hok.

En daar de galleg toevallig bezet was, stierf hij op het hakblok.

En wat nu de moraal is al van dit schone vers,

Ga braaf en deugdzaam steeds door het leven, maar hoedt u voor schoenlappèrs.

 

Refrein:

Johanna, Johanna, maar hoedt u voor schoenlappèrs

Johanna, Johanna, maar hoedt u voor schoenlappèrs.

 

Terug naar overzicht

Johnny (uitvoering Annie de Reuver)

Johnny wilde mij steeds kussen,
Tommy bood zijn hart aan mij,
Maar ik denk toch alleen aan Johnny,
Johnny was niet zo spontaan.

Jimmy sprak mij over liefde,
Tommy vond mij zo apart,
Maar ik denk toch alleen aan Johnny,
Johnny stal voorgoed mijn hart.

Dikwijls dacht ik blij,
Johnny komt voorbij,
Straks dan belt hij bij mij aan.
Ik heb hem vaak ontmoet,
Dan bracht hij een groet,
Om daarna vlug weer door te gaan.
Jimmy zond me soms geschenken,
Tommy kreeg ik bloemen van,
Maar ik denk toch alleen aan Johnny,
Johnny die ik koos als man.

 

Terug naar overzicht

Jolie Jacqueline

(Ned. bewerking: Henk Langerak/muziek: J. Warfield)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Jolie Jacqueline was een schatje

En het leukste kind van het stadje.

Jolie Jacqueline hield van zingen:

Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie Jacqueline 

Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie Jacqueline

 

Jolie Jacqueline hield van 't leven,

Wilde iedereen vreugde geven

Jolie Jacqueline hield van dansen

Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie Jacqueline

Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie Jacqueline

 

Op een dag kwam daar een vreemde

En zij gingen samen heen

Zij is nooit weer terug gekomen

Maar nog altijd zingt iedereen:

 

Jolie Jacqueline was een schatje

En het leukste kind van het stadje

Jolie Jacqueline hield van zingen:

Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie Jacqueline

Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie, Jolie Jacqueline.

 

Terug naar overzicht

Jongen, kom naar huis toe

(Origineel: Junge komm bald wieder)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Waar ook ter wereld, mij 't lot soms dreef,

Ik weet nog altijd wat m'n moeder schreef:

In ied're haven, lag 'n brief van thuis,

En altijd schreef ze:

"Kom toch gauw weer naar huis !"

 

Refrein:

Jongen, kom naar huis toe,

Kom gauw weer naar huis !

Jongen, vaar dan nooit meer,

Vaar nooit meer van huis !

Ik maak me zorgen, zorgen om jou,

Denk aan je moeder, kom toch weer gauw.

Jongen, kom naar huis toe,

Kom gauw weer naar huis !

Jongen, vaar dan nooit meer,

Vaar nooit meer van huis !

 

Ik weet nog hoe m'n eerste reis verliep;

Ik sloop 't huis uit, toen m'n moeder sliep.

Bij haar ontwaken, was ik op zee,

Haar eerste briefje, draag ik nog altijd mee !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jongens, jongens, jongens, zet 'm even op !

(tekst en muziek: Harry de Groot / uitvoering The Skymasters

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Er heerste in het dorp een grote consternatie,

Want het fanfarecorps lag zo maar uit de gratie.

Men liep er met een lang gezicht niets was er naar de zin.

Een ieder was 't er over ééns er zat geen stemming in.

Van ri-del-di  da-del-di dom

Voorop de grote trom, hé !

 

Refrein:

Jongens, jongens, jongens, jongens zet 'm even op !

Jongens, jongens, jongens zet de boel maar op z'n kop.

En van je he-la-ho-la  he-la-ho-la houdt er de moed maar in

Kom wees een beetje vrolijk je liedje blij van zin, hoi !

Jongens, jongens, jongens, jongens zet 'm even op !

Want ons fanfarecorps gaat nooit verloren !

 

 

Toen kreeg de dirigent, de zoon van tante Keetje,

Zo op een goede dag, een pracht van een ideetje.

Niet enkel meer een saxofoon, een fluit of schuiftrompet

Nee, daarnaast werden ook dit keer harmonica's gezet !

Van ri-del-di  da-del-di dom

Voorop de grote trom, hé !

 

Refrein

 

De vreugde in het dorp, is nu ten top gestegen.

Op een muziekconcours, behaalde 't corps de zege.

Verdwenen was de sjaggerijn, een ieder lachte weer.

En heel het volk van jong tot oud, dat zong maar keer op keer.

Van ri-del-di  da-del-di dom

Voorop de grote trom, hé !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jongens van achttien jaar (lied uit de Eerste Wereldoorlog)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

't Is nacht een donk're nacht zonder gedruis

Hier in de eenzaamheid, zo ver van huis

Opeens weerklinkt bevel, de vijand nadert snel

Mannen houdt u gereed, de strijd wordt heet

Opeens weerklinkt bevel, de vijand nadert snel

Mannen houdt u gereed, de strijd wordt heet

 

Jongens van achttien jaar staan in de rij

Mannen met grijzend haar trouw aan hun zij

Zij allen moesten toch, onder de wapens nog

Scheiden van vrouw en kind, verloofd' en vrind

Zij allen moesten toch, onder de wapens nog

Scheiden van vrouw en kind, verloofd' en vrind

 

Zie je die grijsaard daar gebroken staan

Hij vouwt vol bitt're smart zijn handen saam

Ginds in een droge sloot vond hij zijn jongen dood

Naast hem lag zijn geweer, geen kogels meer

Ginds in een droge sloot, vond hij zijn jongen dood

Naast hem lag zijn geweer, geen kogels meer

 

Ach waarom moet er steeds weer oorlog zijn

Vernieling en terreur, verdriet en pijn

Het is een hel op aard, die zelfs geen kind'ren spaart,

Leg dus de wapens neer, geen oorlog meer

Het is een hel op aard, die zelfs geen kind'ren spaart

Leg dus de wapens neer, geen oorlog meer.

 

Terug naar overzicht

Josefien

(tekst en muziek: Willy Langestraat)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

Josefientje was een meisje van slechts even achttien jaar.

Als zij trouwen zou in Spanje wachtte heel veel geld op haar.

„Kom maar vlug." schreef haar een oom, „en vraag bij aankomst maar meteen,

Naar de stierenvechter Carlos, want die kent hier iedereen !"

En Josefientje dacht niet lang, kocht vlug een tambourijn

En daarna voor haar laatste geld een kaartje voor de trein:

 

Refrein:_

O Josefien, O Josefien, zeg heb jij Carlos al gezien ?

Wees voorzichtig beste kind, misschien is hij een echte held,

Trouwen doet hij niet uit liefde, doch slechts om je geld.

O Josefien, O Josefien, trouw nooit een man voordat je 'm hebt gezien.

 

 

Zij kwam aan in Barcelona met haar koffer in haar hand,

Riep de kruier „Buenas Noches, ik kom net uit Nederland,

Ik ga trouwen hier in Spanje met Don Carlos, beste man.

't Moet een stierenvechter wezen, kijk of jij hem vinden kan."

„Si Señorita, tot Uw dienst," sprak toen de kruier fier,

„Ik ga hem zoeken nu direct en breng hem voor U hier !"

 

Refrein

 

Na een klein kwartiertje wachten kwam de kruier weer teru

En daarachter reed Don Carlos op een grote stier zijn rug.

Doch zodra het beest de rode mantel van onz' Fientje zag,

Kon het zich niet meer beheersen, sprong vooruit met volle kracht.

En voordat Josefien besefte wat haar overkwam,

Was zij reeds in de trein gesmeten richting Amsterdam.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Joseph, Joseph

(Johnny en Jones, twee joodse jongens die zijn omgekomen in het concentratiekamp)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Oh Joseph hoort mij aan

Als dit zo door moet gaan

Dan ga ik voor mijn liefde in de rouw

Begrijp mijn groot verdriet

Waarom trouw jij me niet

Mijn trouwring is versleten voor ik trouw

 

Refrein:

Oh Joseph Joseph wanneer gaan we trouwen

Wij zijn al meer dan twintig jaar verloofd

Als ik jouw uitstel nuchter ga beschouwen

Geloof ik dat je mij een kooltje stooft

Oh Joseph Joseph 'k wil niet langer wachten

Mijn haar vergrijst, mijn tanden vallen uit

Mijn moeder heeft gesnauwd

Dat je mij beslist niet trouwt

Joseph Joseph maak van mij een bruid

Wanneer ik met je trouw

Wil ik geen flatgebouw

Ik kan het met een zolderkamer doen

Maar...Joseph wat ik smeek

Trouw mij nog deze week

Of wacht je op mijn ouderdomspensioen

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jouw handen

  (tekst: Stan Haag/muziek: Schutte-De Raaff/uitvoering De Limbra Zusjes)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Jij draagt geen hemd met een dasje,

Men noemt je geen „chique” meneer…

Je hebt ook geen split in je jasje,

Je voelt je onwennig als „heer”.

 

Refrein:

Al zijn jouw handen,

Ook ruw en rood,

Dat is geen schande,

Daarmee verdien jij ons brood !

 

Jij wilt geen crème na het scheren,

Je doet in je haren geen vet,…

Je geeft maar heel weinig om kleren,

Gelukkig ben jij met je pet !

 

Refrein

 

Jij bent geboren voor werken,

Dag in en dag uit, zonder end…

Aan jou is het nimmer te merken,

Dat jij ontevreden ooit bent.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jouw laatste brief (De Limbra Zusjes)

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Jouw laatste brief, jouw laatste brief,

Waarin je schreef: "Ik heb je lief."

Jouw laatste brief, jouw laatste brief,

Waarin je schreef: "Ik heb je lief."

 

Jouw laatste brief,

vergeeld door al die jaren,

Lees ik zo vaak,

En denk daarbij aan jou.

Jouw laatste brief,

Zal ik steeds goed bewaren,

Omdat ik nu,

Nog heel veel van je hou.

 

Refrein

 

Ik kan die  tijd,

Met jou maar niet vergeten.

Ik zie je beeld,

Nog altijd voor m'n geest.

Jouw laatste brief,

Je mag het heus wel weten.

Die brengt de tijd,

Van vroeger voor m'n geest.

 

Refrein

 

Jouw laatste brief, jouw laatste brief,

Waarin je schreef: Ik heb je lief.

 

Terug naar overzicht

Jouw souvenir

(tekst: Bep Tap / muziek: Jean Lahey)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

'k Heb je destijds in het Zuiden ontmoet,

En we gingen samen uit, 'k weet het nog goed !

Jij kocht voor mij en dat deed me plezier,

In een heel klein winkeltje toen een souvenir.

 

Refrein:

Jouw souvenir, aan mij gegeven

Met de woorden: „Ik hou van jou !"

Is al wat over is gebleven

Van het sprookje van liefde en trouw.

Maar 't souvenir, dat mij deed dromen

Van 't geluk dat voor ons komen zou,

Dat je misschien al bent vergeten

Dat herinnert me steeds nog aan jou !

 

Steeds heb ik aan je belofte gedacht,

En zoals je had gevraagd, op je gewacht.

Van het geluk dat in dromen verging

Bleef me slechts jouw souvenir als herinnering !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Juf pas op je pitje, of in het donker zit je

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Holland met je vleesch en groenten,

Land van boter en van kaas,

Met je uitvoer en consenten,

Langs de Rijn of door de Maas,

Kon men heel veel geld vergaren,

Smokkelde haast iedereen,

Thans moet men het licht besparen,

Daarom zing nu iedereen:

 

Refrein:

Juf pas op je pitje,

Want in Holland zit je,

Met een kaars of olielamp

Jongens wat een ramp.

Door dat vroege sluiten,

Sta je om twaalf uur buiten.

Iedereen die huilt zich dood

Om de kolennood.

 

Kaarsen en wat olielampen,

In deez' hel verlichte eeuw.

En tot overmaat van rampen

Geen kolen voor je kachel meer.

Zelfs de duivel kan niet stoken,

,,Loopt naar de hel", zegt niemand meer.

In de hel brandt ook geen vuurtje,

Want er is geen brandstof meer.

 

Refrein

 

Op straat kan men heerlijk vrijen,

Daar je in duister dan geniet,

Loopt men innig met z'n beien,

Niemand die er wat van ziet.

De hartjes zijn snel ontsloten,

Als de trouwdag voor u wacht.

Trouw nog heden vast besloten,

't Is de langste huw'lijksnacht.

 

Refrein

 

Jantje had te veel gedronken,

Een onthouder sprak hem aan,

Vroeg: ,,waarom ben jij beschonken,

Deert verdriet of smart je man ?"

,,Als je dat beslist wil weten",

Sprak de ander, o wat gijn,

,,Waarom zou ik niet als Holland,

Lekker in de olie zijn."

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Juffrouw Donselaar

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

In mijn buurt daar woont een zek're juffrouw Donselaar,

Die bezit een ongelooflijk lelijk benenpaar.

Zij loopt danig in de gaten,

Als zij wandelt door de straten,

En de jeugd zingt bij het zien van haar:

 

Refrein:

Oh juffrouw Donselaar wat staan je benen raar, o, o, o.

Het is geen hom of kuit, och mens wat zie j' eruit o, o, o.

't Zijn een paar kromme dunne latjes,

En daarbij zit dat brandhout vol met spatjes.

Oh juffrouw Donselaar wat staan jouw benen raar,

Geen hom of kuit wat zie j' eruit !

 

Eindelijk kreeg ze een vrijer die erg bijziende was.

Die had nergens erg in, en dat kwam haar goed van pas.

Maar hij ging recht op zijn doel af,

Tastend ging hij op de voel af,

En toen brulde hij, maar dat is kras:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Juffrouw Krakepit

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Iedereen kent juffrouw Krakepit

Een wasvrouw oud van jaren

Die ging al wassen voor d'r brood

Toen wij nog ukkies waren

Oh juffrouw Krakepit

Wat zien jouw kleertjes wit

Jij bleekt met WENNEX

Mens ik zie het aan je goed

Ik neem ook strakkies

Die blauwe pakkies

Alleen met WENNEX bleek je zo je bleeken moet'

 

Een reclameliedjes van de Sunlightzeep fabriek uit de jaren 1925/1930. Het gaat over  WENNEX bleekpoeder. Ze kwamen dan met een auto bij de deur van een winkelier staan om gelijk te bevoorraden en gebruikten een megafoon om ons een liedje te leren. En wij zeuren bij onze moeders dat ze een pakje WENNEX kocht. Daar zat dan een bonnetje op en kreeg je gelijk bij diezelfde auto daar een lolly voor van 1 cent. Daar profiteerde dan ook het snoepwinkeltje van want b.v. mijn moeder had 5 kinderen dus die vier moesten ook een lolly bij de snoepvrouw kopen want ja het was niet anders. Maar ook de andere moeders hadden dit probleem, maar we waren met een lolly wel tevreden.

 

Terug naar overzicht

Juffrouw pas op je hondje

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Ja, in zoo menig stad,

Daar vindt men altijd wat,

Daar heeft men uitgevonden,

De belasting op de honden.

Drie gulden is de prijs,

Dan krijgt men een bewijs,

Maar als men niet betaald

Wordt 't hondje  weggehaald.

Juffrouw pas op je hondje,

Geef maar het beest een klontje.   

De hondenkar is daar,

Pas op je hondje maar.

Juffrouw pas op je hondje,

Geef maar het beest een klontje.   

De hondenkar is daar,

Pas op je hondje maar.

 

Terug naar overzicht

Juffrouw van Dalen

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Juffrouw van Dalen is graag chique,

En droeg een hoedje in 't publiek.

Een soortement Chinese blom,

Met ijzerdraad erom.

De conducteur der tram werd bleek,

En sprak toen hij naar 't hoedje keek:

"Met zo'n Hortus Botanicus,

Mag u niet aan de lus !"

 

Refrein:

Juffrouw van Dalen heeft een hoedje gekocht,

Drie holdrio wat een hoed.

Een rooie veer op de bol, een rand met een bocht,

Drie holdrio wat een hoed.

En iedereen roept haar na in de stad,

Of zij een klap op haar hoofd heeft gehad.

Juffrouw van Dalen heef een hoedje gekocht,

Drie holdrio wat een hoed.

 

Zij kwam langs een caféterras,

Dat volgezet met palmen was.

Een kelner riep verwonderd: "Zeg,

Die éne palm loopt weg !"

Een argeloze sleepersknol,

Sloeg angstig voor die hoed op hol.

't Verkeersagentje schrok zich dood,

En sloeg het stoplicht rood !

 

Refrein

 

Zo'n nieuwe hoed, wat geeft dat nou ?

Gun die aan de moderne vrouw,.

Dat is het doel waarvoor zij leeft,

't Is alles wat zij heeft.

Als zij zo'n doddig hoedje draagt ,

Dat alle mensen schrik aanjaagt,

Dan toont haar hoofd van buiten iets,

Want binnenin zit niets !!!!

 

Refrein

 

Terug naar overzicht