(tekst/muziek: Beart/H. Bordon/uitvoering: De Selvera's)
(met dank aan Michele Molendijk voor
het sturen van de aanvulling)
Weet
je dat er sprookjes zijn
Die nooit zijn opgeschreven
Sprookjes, die voor groot en klein
Voor altijd blijven leven
Altijd, altijd schijnt een zon of een maan
Altijd, altijd blijven de sprookjes bestaan
Want
zolang er bankjes zijn
Die onze liefde dragen
Zal men in de maneschijn
Steeds aan z'n liefste vragen
Altijd, altijd, hou je voor altijd van mij
Altijd, altijd, dat sprookje gaat nooit meer voorbij
En zolang de wind bestaat
Zullen de bomen ruisen
En zolang de zee bestaat
Zullen de golven bruisen
Altijd, altijd, is er een lied van de wind,
Altijd, altijd, of er een sprookje begint
Steeds weer zal het lente zijn
Met duizend bonte geuren
Bloemen bloeien groot en klein
Met duizend zoete geuren
Altijd, altijd zingt er een vogel zijn lied
Altijd, altijd is dat een sprookje of niet.
Maan
en sterren kijken neer
Op tien miljoenen mensen
Die alleen en altijd meer
Beter en groter wensen
Altijd, altijd doen ze elkander verdriet
Daarom, daarom zien zij de sprookjes nog niet
Refrein
Mijn vissersmeisje, kom wacht een reisje
Zing bij dit wijsje, een blij refrein
Het vissersleven, zal vreugde geven
Want wendt de steven, 't zal heerlijk zijn
Stap in niet langer dralen
Want we steken van wal
In 't licht der manestralen
Wat de vangst wezen mag
Trek stevig aan de touwtjes
Haal weer de neten in
Dra ben je 'n vissersvrouwtje
Is dat wel naar je zin
O, hoor, de golfjes kabb'len
Tegen slagzijde aan
Zo gaat ook door jouw babb'len
Vol gloed mijn harte slaan
Stuur naar de oever henen
Zit naast mij in het zand
Zing ik als een sirene
Voor jou alleen aan 't strand
Aan boord zijn nu de netten
Zie de vissen vol glans
Die spart'lend zich verzetten
Met hun zilveren dans
Kijk eens daar in de hoge
Sterren in lichte nacht
Blauw als je mooie ogen
Waar steeds mijn hart naar smacht
(Het
lied 'An einem Fluss der rauschend schoss' verscheen anoniem in 1781. De
oudste Nederlandse versie dateert uit het begin van de 19e eeuw. Zowel van
de Nederlandse tekst als van de melodie zijn enkele varianten in omloop.)
Aan
de oever van een snelle vliet
Een treurig meisje zat,
Zij weent, zij schreide van verdriet
Het gras van tranen nat
Zij werpt de bloempjes die zij zag,
Mistroostig in de stroom,
En riep: Ach, lieve vader ach!
Ach, lieve broeder kom
Een rijke wandelt langs de vliet,
Bespeurt haar bitt're smert,
En daar het meisje treurig ziet,
Breekt zijn meedogend hert
En sprak tot haar: Mijn lieve meid,
Ach, spreek en wees niet schuw,
Zeg mij waarom gij weent en schreit
Zo ik kan, zo help ik u.
Zij kijkt, zij kijkt hem troostloos aan
En sprak: Ach, brave man,
Een arme wees gij hier ziet staan
Die God wel helpen kan.
Ziet gij dat groene bergje niet
Daar is mijn moeders graf
En aan de oever van de vliet
Daar glee mijn vader af.
De
felle storm verwon weldra
Hij worstelde, ach, hij zonk!
Mijn broeder sprong hem achterna,
Eilaas, maar die verdronk.
Nu vlucht ik ras het weeshuis uit,
Zodra het wastijd is,
Ik zoek de lucht door klagen uit,
Mijn hart vol droefenis.
Gij moet niet klagen, lieve meid,
Uw hert verdient geen pijn
Ik wil uw broeder en uw vriend,
Ik wil uw vader zijn.
Hij vat haar minzaam bij de hand,
Om naar zijn hand te gaan,
En deed haar kleren naar zijn stand,
Haar wezenkleders uit.
Zij eet, zij drinkt zijn spijs zijn drank,
Gestadig dag aan dag,
Goed-rijke man, gij hebt veel dank,
Voor zo een braaf gedrag.
Je ging de wijde wereld in, de zon
tegemoet
En bent in de vreemde gebleven
Maar nu je weer naar huis verlangt, ontbreekt je de moed
Je hebt ook zo lang niet geschreven
Al denkt ze dat je haar vergat in 't verre vreemde verre land
Zij heeft alleen aan jou haar hart verpand
Het zwerven maakt een mens zo moe, neem dus een besluit
Bij haar rust je werkelijk uit
Vaak kijkt ze stil naar jouw foto
Jouw lege stoel bij de haard
Jij zocht geluk in de vreemde
Was dat de eenzaamheid waard
Al denkt ze dat je haar vergat in 't verre vreemde verre land
Zij heeft alleen aan jou haar hart verpand
Het zwerven maakt een mens zo moe, neem dus een besluit
Bij haar rust je werkelijk uit
(met dank aan Carola voor het sturen
van de tekst)
Refrein:
Hey, hey, hey, hey, meisje lief je bent
van mij
Hey, hey, hey, hey, meisje lief je bent van mij
Hey, hey, hey, hey, meisje lief je bent van mij
Hey, hey, hey, hey, meisje lief je bent van mij
Sina, de bloem van Java
Die zag haar leven te Sujabara
Vreemde rovers wilde haar schaken
Haar mama, die riep haar na:
Refrein
Sina, de bloem van Java
Op twintig jaar kwam te Madera
Zonder weerga verloor ze haar hartje
Want haar liefde kwam weldra
Refrein
Sina, de bloem van Java
Is niet gebleven te madera
Want de ridder van Suracara
Sloot haar op in zijn paleis
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Hier's ek weer, hier's ek weer
Met my rooirok voor jou deur,
En ek wil jou hê, en ek sal jou kry.
Hier's ek weer, hier's ek weer
Met my rooirok voor jou deur,
En ek wil jou hê, en ek sal jou kry.
Al slaan jou ma my driemaal oor my
kop,
Dan staan ek op en kom ek weer.
Al slaan jou ma my driemaal oor my
kop,
Dan staan ek op en kom ek weer.
Hier's ek weer, hier's ek weer,
Met my khakiebroek geskeur,
Ek wil jou hè, ek sal jou kry.
Hier's ek weer, hier's ek weer,
met my khakiebroek geskeur,
Ek wil jou hè, ek sal jou kry.
En al slaan my ma my nog zo pimpelblau,
Ek wil jou he, ek hou van jou.
En al slaan my ma my nog zo pimpelblau,
Ek wil jou he, ek hou van jou.
Refrein:
Hij speelt zo mooi accordeon
Van tralalalala en tralalalala
Ik wou dat ik het ook zo kon
Van tralalalalala
Er is geen stuk dat hij niet kent
Uit opera of operette
Hij speelt de shlagers van 't moment
Maar 't liefst een walsmuzette
Hij speelt zo mooi accordeon
Van tralalalala en tralalalala
Ik wou dat ik het ook zo kon
Van tralalalalala
Dagelijks gaat een muzikant op pad
En trekt, liedjes spelend, door de stad
De kind'ren dansen in de straat
En zingen, waar hij gaat
Refrein
Buurvrouw luisterde met open mond
En vergat wat op 't gasstel stond
Haar biefstuk zwart, zij wit van schrik
En zacht klonk, met een snik
Hittepetit is van alle meisjes,
Zeker de liefste die ik ken.
Maar op mijn woord, ik kan niet vertellen,
Waarom ik zoo verkikkerd ben.
Hittepetit is wispelturig,
Je weet nooit wat je hebt aan haar.
Hittepetit is ongedurig,
Nu zit ze hier en dan weer daar.
Refrein:
Hittepetit, Hittepetit,
Wist ik maar wat er in je kopje zit.
Hittepetit, Hittepetit,
Wist ik maar wat er in je kopje zit.
Hittepetit heeft wel twintig vrijers,
Maar houdt ze allen voor den gek.
Zij proest het uit als ik zit te treuren,
Zij is een echt lachebek.
Hittepetit zit soms te pruilen,
En daarna lacht ze zich weer krom.
Hittepetit kan lachen huilen,
Maar ze weet meestal niet waarom.
Refrein
Hittepetit is een wand'lend raadsel,
Haar kleine hersens staan nooit stil.
Hittepetit is niet te doorgronden,
Maar ze weet heel goed wat ze wil.
Hittepetit kan 't weinig schelen,
Of men haar slecht vind of wel goed.
Maar zij laat heusch niet met zich spelen,
En zij weet heel goed wat ze doet.
Refrein
Hittepetit zei me daar zoo even,
Wat ze gedroomd heeft dezen nacht.
Maar ze heeft mij haar eerwoord gegeven,
Dat zij er alleen nog maar om lacht.
Zij heeft het zat van avonturen,
Zoo lang gewenteld in het rond.
Tot haar oog peinzend bleef turen,
Op 't plekje waar haar wiegje stond
(met dank aan Jaap Klijnsma voor
het sturen van de tekst)
Honger
is de beste saus !
Draven, slaven, zwoegen, zweeten,
Geeft den rechten trek tot eten.
Wie gewerkt heeft flink en goed,
Smaken rauwe boonen zoet.
Honger is de beste saus !
Had je taarten en pasteien,
Had je 's werelds lekkernijen,
Och wat hielp het u, mijn schat !
Als ge toch geen honger hadt ?
Honger is de beste saus !
Loopt het somstijds op een schraaltje,
Denk, wát baat het beste maaltje,
Aan een luien lekkerbek !
Groote schotels, kleine trek !
Langs
de lange rulle zandweg hotst een boerenwagen voort
En eentonig klinkt het hotsjek als het paard wordt aangespoord
Want de scheem'ring gaat reeds vallen en de voerman klakt z'n tong
Hotsjek hotsjek loop wat harder, hotsjek hotsjek kom dan jong
Refrein:
Hotsjek
hotsjek, ouwe trouwe merrie
Maak wat voort, we zijn nog ver van huis
Hotsjek hotsjek, stap wat door, m'n paardje
Breng mij voor het donker wordt weer thuis
Ginds in de verte, daar is het dal
Wacht jou de haver, wacht je warme stal
Hotsjek hotsjek, stap wat door, m'n paardje
'k Zie de lichtjes van de hoeve al
En
de merrie spitst de oren want de stal lokt haar wel aan
En het maaltje lekkere haver zal ook wel naar binnen gaan
En de voerman lacht tevreden om haar plotse-linge spoed
Hotsjek hotsjek, braaf zo beestje, hotsjek hotsjek, zo gaat 't goed
Je kan de laatste dagen door heel ons Nederland,
Een liedje hooren zingen vdoor elke rang en stand.
Ze hossen en ze spingen, ja ieder groot en klein,
Die brulllen door de straten steeds dit populair refrein:
Refrein:
Van je hela hola houdt er de moed maar in,
Houd er de moed maar in,
Houd er de moed maar in.
En van je hela hola houd er de moed maar in,
Houd er de moed maar in.
Ik speel al een paar jaren steeds in de loterij,
En elke nieuwe trekking koop ik maar briefjes bij.
't Kost me een kapitaaltje want steeds heb ik een strop,
En toch blijf ik maar spelen want dit lied zit in m'n kop:
Refrein
Wanneer je in ons landje, een woning zoeken gaat,
Dan kan je loopen zoeken, je eigen uit de naad.
En kom je bij een huisbaas, dan antwoord hij subiet:
"Ik kan je nu niet helpen, maar ik troost je met dit lied":
Refrein
Een ouwe heer van zestig, getrouwd alreeds vier jaar,
Zit nog maar steeds te wachten, op mijnheer de ooievaar.
Hij wacht en blijft maar zuchten, want hij snapt het maar niet,
En om hem dan te troosten, zingt z'n jonge vrouw dit lied:
Huil
maar niet, kleine Eva,
Want je tranen doen me pijn.
Ik blijf altijd aan je denken,
Tot ik weer bij jou zal zijn.
Neem deze ring van mij,
Die zal jou zeggen dat ik trouw zal zijn.
Dat kleine souvenir,
Vertelt, mijn hart blijft altijd hier.
Huil maar niet, kleine Eva.
Schat we moeten scheiden gaan.
Nog een zoen, mijn kleine Eva,
Onze liefde blijft bestaan.
Huil maar niet, kleine Eva.
Schat we moeten scheiden gaan.
Nog een zoen, mijn kleine Eva,
Onze liefde blijft bestaan.
Huil maar niet, kleine Eva,
Schat we moeten scheiden gaan.
Nog een zoen, mijn kleine Eva,
Onze liefde blijft bestaan.
Nog een zoen mijn kleine Eva,
Onze liefde blijft bestaan.
(tekst: Joop van Schalkwijk/muziek:
Chr. Bruhn en Georg Buscher/uitvoering: Shirley)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Huil niet om de liefde oh my darling
Waarom al die tranen in de nacht
Huil niet om de liefde oh my darling
Want ik weet dat je er morgen weer om lacht
Mijn vriendje uit de klas
Ging toen hij veertien was
Opeens verhuizen naar een andere stad
Omdat hij mij verliet
Had ik voor het eerst verdriet
Al zei mijn moeder: Luister goed mijn schat
Refrein
Met achttien was het John
Waar ik van dromen kon
Hij woonde bij ons in dezelfde straat
Maar Johnny was niet trouw
Hij nam het niet zo nauw
En gaf mij bij het afscheid deze raad
Refrein
Maar toen de ware kwam
Die mij uit liefde nam
Toen werd voor het mij leven echt een feest
Maar komt van tijd tot tijd
Een kleine woordenstrijd
Dan is die raad toch niet voor niets geweest
Beelden uit mijn
kinderjaren
Uit mijn jeugd zo vrij en blij
Trekken somtijds kalm en rustig
Aan mijn peinzend oog voorbij
'k Denk nog dikwijls aan die da-agen
Vol geluk en stille vreê
Hoe verheugd ik steeds ontwaakte
In ons hutje bij de zee
Hoe verheugd ik steeds ontwaakte
In ons hutje, ons hutje bij de zee
Mijn verbeelding
ziet de bloemen
Voor ons nederig venster staan
En 't strand waar 'k schelpen gaarde
Glanzen bij het licht der maan
'k Hoor mijn moeders zoet vermanen
Als ze mij in 't bedje leê
En ik voel weer 's levens morgen
In ons hutje bij de zee
En ik voel weer 's levens morgen
In ons hutje ons hutje bij de zee
Wat ik later
mocht ervaren
's Levens droefheid 's levens vreugd
Immer zal mijn hart u loven
Vreedzaam plekje uit mijn jeugd
En mijn laatste wens zal we-ezen
Dat ik eens in kalm en vreê
't Moede hoofd ter rust mag vleien
In ons hutje bij de zee
't Moede hoofd ter rust mag vleien
In ons hutje, ons hutje bij de zee
Uit
liefde of uit dwang, om het geld, om de stand,
Berekend of bedeesd, vlecht men de huw'lijksband.
'k Heb deftig, zwarte heren en grove rauwe meiden,
'k Heb snoevers en sinjeurs naar het stadhuis zien rijden.
Maar
hoe lang ik ook leef, ik vergeet nooit de dag,
Dat ik de mooiste bruiloft van mijn leven zag.
't Was toen mijn lieve ouders, na lange tijd van minnen,
Na lang verloofd te zijn, de echt gingen beginnen.
Hoog
op een ossekar zaten zij naast elkaar.
Die kar werd voortgesleept door 'n wilde vriendenschaar.
De wederzijdse ouders liepen verwoed te duwen,
Blij dat hun kinderpaar nu eindelijk ging huwen.
De
huwelijkse stoet was bepaald wat bizar.
Dus staarde 't straatpubliek verwonderd naar de kar.
We werden aangegaapt door heel de burgerije,
Die nimmer zo'n partij aan zich voorbij zag rijen.
Er
woei een woeste wind rond de bruidegom en bruid.
Die greep mijn vaders hoed en blies hem voor zich uit.
En uit de lage wolken viel troosteloos de regen,
Als om de trieste stoet te spoelen van de wegen.
Mijn
moeder huilde zacht en haar bonte bloementuil.
Ging als een ledepop in bei' haar armen schuil.
Ik liep, om haar te troosten, met dreunende akkoorden,
Op mijn harmonica het bruidskoor te vermoorden.
De
jonkers van de bruid schreeuwden kwaad en in koor:
"Tart ons maar, Pluvius! Het feest gaat toch wel door !"
De warrelige stoet die zelfs de goden schuwden,
Trok door de regen voort. Leve de jonggehuwden !